Onderzoeksrapport Tijdelijk Huisverbod in Amsterdam Amstelland.pdf
Tekst van het document
Vergelijking van aantallen incidenten voor en na een tijdelijk huisverbod
Om een indruk te krijgen van de mate waarin zich na een huisverbod opnieuw huiselijk geweld voordoet is gekeken naar politiegegevens over de casussen in de steekproef. Het bleek mogelijk om van 30 van de 40 casussen47 de politieregistraties te analyseren. Omdat sommige THV’s langer en andere korter geleden plaatsvonden, is de periode waarover de recidive is gemeten verschillend. De kortste periode is 2 maanden en de langste 24 maanden. De verdeling van de periode waarover is gemeten is in de tabel hieronder weergegeven. Tabel 8: Periode waarover recidive is gemeten48 (n = 30) Aantal casussen
Percentage casussen
1-2 maanden
3
10%
3-4 maanden
6
20%
5-6 maanden
0
0%
7-12 maanden
3
10%
13-18 maanden
4
13%
19-24 maanden
14
47%
Totaal
30
100%
We zien dat voor de meeste casussen (47%) geldt dat over een relatief lange periode de politieregistraties zijn nagegaan. Voor in totaal bijna een derde (30%) geldt dat de periode korter is dan een half jaar. De gemiddelde gemeten periode is iets meer dan 12 maanden. 47 Van een deel van de casussen zijn geen politiegegevens bekend, omdat in beperkte mate persoonsgegevens beschikbaar waren voor de onderzoekers. 48 Bron: Registratiegegevens van Politie Eenheid Amsterdam-Amstelland (BVH).
vanmontfoort.nl
39
De mate waarin van recidive van huiselijk geweld (in tabel aangeduid met ‘hg’) sprake is, alsmede het aantal geregistreerde delicten, is in de tabel hieronder weergegeven. We spreken van ‘recidive’ als beide partijen na de huisverbodperiode zijn betrokken bij een politie-incident dat het label ‘huiselijk geweld’ heeft in de politieregistratie. Tabel 9: Mate van recidive49 in de onderzoeksgroep (n=30) Aantal casussen
Percentage casussen
Geen recidive
24
80%
1 geregistreerd hg incident
3
10%
2 geregistreerde hg incidenten
1
3%
3 – 4 geregistreerde hg incidenten
2
7%
Meer dan 4 geregistreerde hg incidenten
0
0%
Totaal
30
100%
In 80% van de gevallen heeft zich in de periode na het tijdelijk huisverbod geen politie-incident meer voorgedaan dat betrekking heeft op huiselijk geweld in het betreffende gezin; 3 keer deed zich 1 incident voor; 1 keer waren er 2 incidenten nadien en in 2 gevallen deden zich 4 politieincidenten voor na het tijdelijk huisverbod. Als we de 6 gevallen bekijken waarbij er zich opnieuw huiselijk geweld incidenten voordeden dan vallen de volgende zaken op: Slechts bij 1 van de 6 casussen is sprake van ‘enige sociale steun’ in de directe omgeving; in de andere gevallen is die sociale steun zeer beperkt of afwezig; In 4 van de 6 casussen was het na het tijdelijk huisverbod gelukt om een of meer betrokkenen toe te leiden naar hulpverlening; in 3 van de 6 casussen was dit (ook) hulpverlening voor de uithuisgeplaatste; -
In alle 6 casussen was sprake van GGZ-problematiek; In 5 van de 6 casussen was sprake van een alcoholverslaving.
4.4
Doelbereiking in specifieke gevallen
4.4.1 Doelbereiking bij kindermishandeling Het aantal casussen in de steekproef waarin duidelijk is dat ook minderjarige kinderen worden mishandeld bedraagt vijf. Gezien dit kleine aantal is het lastig om conclusies te verbinden aan de bevindingen in deze casussen. We noemen kort enkele bevindingen in deze casussen: In vier van de vijf casussen is de veiligheidssituatie na het tijdelijk huisverbod (enigszins) verbeterd; In alle gevallen blijft er na het tijdelijk huisverbod hulpverlening betrokken in het gezin; gecoördineerd door de Jeugdbescherming wordt in een casus Signs of Safety ingezet (zonder wachttijd). In de andere casussen kan op grond van het dossier niet worden
49
Bron: Registratiegegevens van Politie Eenheid Amsterdam-Amstelland (BVH).
vanmontfoort.nl
40
vastgesteld welke hulpverlening er voor de kinderen na het tijdelijk huisverbod op gang is gebracht/gekomen. Hieronder beschrijven we een voorbeeldcasus waarin een herhaald huisverbod eraan bijdraagt dat een vrouw na jarenlang huiselijk geweld en kindermishandeling bij haar man weggaat. Ze blijft alleen met de kinderen in het huis wonen. Casus 14: In een gezin met vier kinderen is sprake van schulden. De vader heeft een alcoholprobleem en zeer gewelddadige opvoedstijl. Als vader weer eens dronken thuiskomt sluit moeder zichzelf op het toilet. Als vader hun dochter slaat is deze het zat. Ze doet de volgende ochtend aangifte. De moeder schaamde zich en durfde, omdat ze dit vanwege haar culturele achtergrond als een schande ervaart, jarenlang niet om te gaan scheiden van haar man. Eerder was er al vrijwillige hulpverlening in het gezin, maar dit mislukte telkens omdat de vader zich niet aan de afspraken hield. Na de oplegging van het tijdelijk huisverbod verblijft de man bij een vriend. Onder begeleiding van de wijkagent mag de vader zijn spullen ophalen als het tijdelijk huisverbod is afgelopen. Hij is ook van mening dat het beter is om te gaan scheiden. Moeder zet dit keer wel door, vooral omdat ze bang is dat het anders zal escaleren tussen haar man en hun zoon. Ze wil haar kinderen beschermen.
4.4.2 Doelbereiking bij intiem terrorisme50 Hiervoor zagen we dat de doelen van het tijdelijk huisverbod deels worden bereikt, maar soms ook niet. We kijken in deze paragraaf wat preciezer naar de resultaten en achtergrond hiervan bij enkele specifieke soorten casuïstiek51. Daarbij kijken we ook naar de acht casussen (op een totaal van 40 in de steekproef: dus 20%) die duidelijk kenmerken hebben van intieme terreur. Een analyse van deze casussen laat zien dat ook in deze casussen, die tot de meest ernstige en meest weerbarstige typen huiselijk geweld behoren, resultaten worden bereikt. Het zijn in 6 gevallen casussen waarin minderjarige kinderen betrokken zijn. In 3 van de 8 casussen is de dreiging na het tijdelijk huisverbod hetzelfde gebleven of is dit onbekend. In de andere 5 gevallen is de veiligheidssituatie na het tijdelijk huisverbod (enigszins) verbeterd. In 7 gevallen is sprake van een partnerrelatie. In 3 casussen is het besluit van de achterblijver om een punt achter de relatie te zetten de belangrijkste oorzaak waardoor de geweldsdreiging is afgenomen of gestopt. De toeleiding naar hulpverlening lukt in dit soort casuïstiek soms goed en soms minder goed. Het valt op dat het even vaak als in andere casuïstiek lukt om achterblijvers of kinderen naar hulpverlening toe te leiden (4 van 8 casussen).
Het lukt echter enkel in 1 van de 8 casussen om de uithuisgeplaatste in hulpverlening te krijgen. De overige 7 plegers van intieme terreur laten zich (vooralsnog) niet helpen bij hun problemen. Maar we zien wél dat twee andere uithuisgeplaatsten zich op andere manieren laten helpen: één bij het vinden van andere woonruimte en één persoon besluit na het tijdelijk huisverbod om zijn medicatie weer te gaan gebruiken, hetgeen tot een
50
Voor definitie, zie paragraaf 2.1.2. Er is een te klein aantal casussen waarin sprake is van ouderenmishandeling om hier een seperate analyse van te maken. 51
vanmontfoort.nl
41
verbetering van de veiligheidssituatie leidt. We zien echter ook dat in deze casussen de pleger in de meeste gevallen weinig tot geen enkel inzicht in het eigen aandeel toont. Ook is sprake van sociaal wenselijk gedrag bij uithuisgeplaatsten en zijn deze voor de hulpverleners nog ongrijpbaarder dan in andere casuïstiek. Er blijkt nauwelijks overlap (slechts 1 casus) te zijn tussen ‘intieme terreur’ en ‘herhaald huisverbod’: mogelijk is het tijdelijk huisverbod in veel gevallen dus een eerste stap geweest naar meer openheid en bekendheid in de omgeving van het slachtoffer over het geweld. Zoals ook in andere casussen, zien we dat het bieden van praktische ondersteuning bijdraagt aan het bereiken van resultaat. De praktische ondersteuning richt zich in enkele casussen op vraagstukken rondom huisvesting die direct in verband staan tot het al dan niet kunnen doorbreken van de geweldsspiraal. Waar de dreiging afneemt hangt dat er vooral mee samen dat beide partners meer afstand tot elkaar krijgen (andere woning voor de uithuisgeplaatste), meer ruimte (grotere woning) of definitief uit elkaar gaan (rechter wijst woning toe aan mevrouw en verbiedt de uithuisgeplaatste de toegang). De aard van de bereikte resultaten is zeer uiteenlopend.
Maar als we alle acht casussen op een rij zetten, dan blijkt dat in alle gevallen enige tot aanmerkelijk positieve effecten van het tijdelijk huisverbod worden vastgesteld. Hierbij maken we de kanttekening dat causaliteit tussen ‘huisverbod’ en de benoemde ‘effecten’ niet ondubbelzinnig kan worden aangetoond. Het laat voorts onverlet dat in enkele casussen (zie in bijlage 2 de casussen met nummer 7, 63 en 65) de situatie bij het eind van het bemoeienis van de zorgcoördinator fragiel is en de mogelijkheid bestaat dat op termijn van verbetering toch geen sprake blijkt te zijn (geweest). Op grond van een analyse van deze 8 casussen waarin sprake is van intieme terreur, concluderen we dat het instrument THV zeker ook kan bijdragen aan het doorbreken van de geweldsspiraal ook bij deze complexe en ernstige vorm van huiselijk geweld. 4.4.3 Doelbereiking bij GGZ-problematiek We zien dat de doelen van het tijdelijk huisverbod in casussen met GGZ-problematiek minstens net zo vaak worden behaald als in casussen zonder deze problematiek. In 10 van de 23 gevallen is duidelijk dat de dreiging is afgenomen aan het eind van de bemoeienis van de zorgcoördinator. Daarnaast is in nog eens 8 casussen waarschijnlijk ook sprake van een verbeterde veiligheidssituatie. In een flinke minderheid van de gevallen zijn uithuisgeplaatsten met GGZproblematiek bereid om hulpverlening te aanvaarden.
Verder zien we dat de casuïstiek met GGZ-problematiek niet erg verschilt van andere casuïstiek voor wat betreft het vóórkomen van verschillende soorten problemen. Ook hier doen zich vaak problemen voor met alcoholverslaving of andere drugs (15 van de 23) of schuldenproblematiek (13 van de 23. We zien deze problemen niet veel vaker dan in casuïstiek waar zich geen GGZproblematiek voordoet. Ook zien we niet vaker dat er een combinatie is van problemen op verschillende leefgebieden.
vanmontfoort.nl
42
4.4.4 Doelbereiking bij herhaalde oplegging In de steekproef is in een kwart van de gevallen sprake van een herhaald huisverbod. We zien bij deze tien casussen relatief gezien even vaak resultaat in termen van toegenomen veiligheid: 7 van de 10 casussen laten een (waarschijnlijke) afname van de geweldsdreiging zien na een herhaald THV. Het lukt in ruim de helft van de gevallen om hulpverlening op gang te brengen: in 6 gevallen lukt dit bij de achterblijver. Bij de uithuisgeplaatsten wordt vrijwel geen positief effect van het tijdelijk huisverbod gezien: in 1 geval lukt het om deze toe te leiden naar hulpverlening. De verbetering in de veiligheidssituatie lijkt bij deze herhaalde huisverboden vooralsnog vaak tijdelijk te zijn. Het valt op dat de zorgcoördinatoren in deze casussen veelal erg kort betrokken zijn52 . We zien dat de problematiek in deze casussen veelal ernstiger, vaker dan in andere casussen chronisch is en al jaren durend. Voorbeelden van achterblijvers die eerst wel, en later toch niet, willen scheiden komen hier ook vaker voor. Ook zien we casuïstiek waarin een mishandelende volwassene inwoont bij de ouders die hem telkens opnieuw terug in huis nemen omdat hij niet elders wil of kan wonen.
Juist in deze casuïstiek van herhaalde tijdelijke huisverboden lijkt meer samenwerking met politie, justitie en zo mogelijk ook reclassering, nog mogelijkheden voor verdere verbetering te kunnen bieden. In diverse gevallen hebben betrokkenen (soms herhaaldelijk) aangifte gedaan, maar zien we in de trajecten tijdens en direct na het tijdelijk huisverbod dat er niet of nauwelijks contact lijkt te zijn tussen zorgcoördinator en bijvoorbeeld de wijkagent en het Openbaar Ministerie. Gezien de meestal uitgebreide dossiervorming lijkt er zeker voldoende aanleiding te zijn voor het (ondersteunend) inzetten van strafrechtelijke interventies gericht op de uithuisgeplaatste. Ondanks de herhaalde huisverboden lezen we in enkele dossiers dat de politie nog geen mogelijkheden zag voor een strafrechtelijk traject. Met de uithuisgeplaatsten lukt het in deze casuïstiek veelal in het geheel niet om contact te leggen en houden. De uithuisgeplaatste bij deze herhaalde huisverboden gaan vaak volstrekt hun eigen gang (voorbeelden: weigering aangeboden hotelkamer en in een andere casus verblijf in hotel op eigen kosten) of wordt tot verrassing van de zorgcoördinator ineens opgenomen in een verslavingskliniek (en is vervolgens niet bereikbaar, ook niet via de GGZ-instelling).
Ofwel de uithuisgeplaatste is gewend periodiek dak- en thuisloos te zijn, heeft een uitgebreide criminele historie, is gedurende de gehele dag dronken en nauwelijks tot een gesprek in staat of simpelweg onbereikbaar voor de zorgcoördinator. Het zijn uiteenlopende redenen waardoor de hulpverlening geen grip krijgt op deze plegers van herhaaldelijk (en vaak jarenlang) huiselijk geweld.
4.4.5 Doelbereiking bij oudermishandeling De vijf casussen waar sprake is van oudermishandeling zijn sterk uiteenlopend voor wat betreft problematiek en context. We zien dat in één casus het tijdelijk huisverbod zeer duidelijk resultaten laat zien (toeleiding naar hulpverlening en de geweldsdreiging sterk afgenomen). In een ander geval is in beperkte mate sprake van succes. In de drie andere casussen gevallen is van resultaten niet of nauwelijks sprake. We geven een korte beschrijving van genoemde succesvolle casus hieronder.
52 Dit brengt met zich mee dat de beoordeling van effect op de geweldsdreiging ook op relatief korte termijn betrekking heeft in deze casuïstiek.
vanmontfoort.nl
43
Casus 60: Een jongeman (dertiger) mishandelt zijn vader als deze hem een klus opdraagt. Eerdere agressie van zoon richtte zich met name op de spullen in huis. Sinds de coronacrisis verergerde de situatie. Zoon wordt voortdurend behandelt als een klein kind, de ouders laten in de gesprekken blijken vooral oog te hebben voor hetgeen hij niet goed doet. De zoon, die graag op zichzelf zou wonen maar geen woonruimte kan vinden, schaamt zich voor wat hij deed. Ouders zien hun eigen aandeel nog nauwelijks. Ze passen bij nieuwe conflicten de Time-Out procedure succesvol toe. Ook starten ze na korte tijd een gezamenlijk traject bij De Waag (inclusief psycho-educatie voor de ouders). De veiligheidssituatie verbetert aanzienlijk. Dit komt door de beschermende factor ‘werk’ (zoon werkt erg veel en hard en is daardoor dan ‘te moe om nog boos te worden’). Maar primair door het feit dat zoon tijdens de huisverbodperiode en erna erkenning krijgt voor de problemen die hij heeft met het gedrag van zijn ouders.
We schetsen tevens kort een van de casussen waar het bereikte resultaat beperkt is. Casus 9: In de casus van een ernstig alcoholverslaafde zoon (die in een delier alles kort en klein sloeg in huis) is de periode van het tijdelijk huisverbod eigenlijk te kort. Doordat pas laat contact met de uithuisgeplaatste tot stand komt, voelt deze zich niet gesteund. De uithuisgeplaatste wordt in korte tijd naar allerlei hulpinstanties verwezen waar hij om verschillende redenen niet terecht kan of toch niet geholpen wil worden. Hij zit korte tijd in een ontwenningskliniek (vanaf dag 8). Hoewel de achterblijver door het tijdelijk huisverbod enige rust krijgt, lijkt deze niet bestendig te zijn. De uithuisgeplaatste is vooral heel boos op de hulpverleners. Na 6 weken is hij opnieuw gestart met drinken en zit in de daklozenopvang. De achterblijver heeft een intakegesprek gehad met een psycholoog. In hoeverre de zoon toch terug naar huis zal keren blijft ongewis.
In bovengenoemde casus zien we dat het tijdelijk huisverbod, hoe beperkt ook, wel iets opbrengt. De achterblijver heeft enige tijd rust, mede waardoor wordt gestart met gesprekken met een psycholoog. Maar er is hier zeker meer nodig. De mogelijkheid dat de moeder haar zoon opnieuw in huis zal opnemen is reëel gezien het beperkte perspectief op eigen woonruimte dat hij heeft. Ook dan zal ze, door zijn excessief drankmisbruik, niet tegen hem opgewassen zijn is de verwachting. Er is in deze casus duidelijk meer nodig en vooral ook langere begeleiding. Nu moet de achterblijver het doen met de gesprekken bij de psycholoog. De multiproblematiek (verslaving, huisvesting, schulden, isolement) van haar zoon wordt nog niet aangepakt. Ook in de drie andere casussen zien we dat sprake is van mishandeling door een inwonend volwassen kind, waarbij multiproblematiek (zoals combinatie van schulden en langdurige psychische problematiek en in twee gevallen periodieke dakloosheid) de geweldsproblematiek in stand houden. Het lukt niet om tijdens het tijdelijk huisverbod een ingang te vinden bij achterblijver en uithuisgeplaatste, ondanks soms een outreachende inzet53. Die inzet is echter van relatief korte duur. Na afloop van het tijdelijk huisverbod worden tijdens de periode van monitoring de investeringen afgeschaald en enige tijd later wordt de casus afgesloten.
Ondersteuning met 53 We doelen hierbij bijvoorbeeld op: herhaaldelijk onverwacht naar het huis gaan en aanbellen; vervolgens ergens in de buurt blijven, opnieuw aanbellen en lange tijd wachten tot iemand mogelijk toch verschijnt of het huis verlaat zodat contact maken mogelijk wordt.
vanmontfoort.nl
44
strafrechtelijke maatregelen ontbreekt in een casus (is wel nodig). In een andere casus is die er wel, maar ontbreekt afstemming hierover. 4.5
De werking van het tijdelijk huisverbod
We hebben ons ook afgevraagd op welke manier het tijdelijk huisverbod ervoor zorgt dat er een verbetering komt in de veiligheidssituatie. Vooropgesteld: de gesprekken54 die tijdens de huisverbodperiode worden gevoerd, de praktische ondersteuning en ook de steun die wordt geboden, zijn cruciaal om met een THV tot de hieronder genoemde mechanismen te kunnen komen. Ze zorgen voor bewustwording en sturen de betrokkenen in de richting van keuzes die tot meer veiligheid kunnen leiden. We zien dat zich verschillende mechanismen kunnen voordoen. Hoewel deze natuurlijk soms in samenhang/gecombineerd optreden hebben we geprobeerd om ze hier onder elkaar te zetten in volgorde van belangrijkheid. We hebben daarbij nagegaan welke factor het meest bijdraagt aan verbetering van de situatie. Eerst beschrijven we een succesvolle casus waarin elementen zijn terug te zien van alle hieronder genoemde mechanismen. Het is een casus waarin geen sprake is van multiproblematiek en beide betrokkenen werken goed mee in het traject. Het leidt tot beëindiging van jarenlang huiselijk geweld. Casus 13: Al tien jaar lang is een vrouw die zich jaren geleden tot de islam bekeerde, slachtoffer van huiselijk geweld. Ze durfde nooit eerder over het geweld te spreken maar doet dat nu wel. Haar streng islamitische echtgenoot, is van mening dat hij meerdere vrouwen mag hebben, waar zij het niet mee eens is.
De vrouw krijgt voortdurend te horen dat ze nergens goed voor is. Als spanningen over vermoedens van de vrouw over vreemdgaan van haar man uit de hand lopen, sleurt hij haar aan haar haren over de grond. Voor de ogen van de kinderen (4 en 7 jaar) gaat de vrouw in de bovenwoning in het open raam staan (ze wilde niet springen verklaart ze later). Na oplegging van het tijdelijk huisverbod geven beide aan de relatie te willen beëindigen. Het lukt om afspraken te maken over om beurt elders wonen en slapen, zodat de man en vrouw elkaar in het eigen huis niet meer tegenkomen. Beide kinderen worden begin 2020 verwezen naar hulpverlening (‘Piep zei de muis’). Die start voor het ene kind na enkele maanden en voor het andere kind pas ruim een half jaar later. De achterblijver vindt ook de verwijzing naar hulpverlening (‘Sterk’) voor haar zelf te lang duren en heeft daarom via de huisarts al zelf hulp gezocht. Na 8 maanden kan de Jeugdbescherming, die direct na het tijdelijk huisverbod de regie in de casus kregen, het traject afsluiten, gezien de stabiele situatie die is ontstaan. Waar de man op dat moment is en of hij ook hulp heeft gezocht is niet bekend.
Apart gaan wonen Verreweg de belangrijkste en meest voorkomende reden van structurele verbetering is het feit dat beide partijen apart van elkaar gaan wonen. In 9 van de 29 gevallen waarin sprake is van 54
Meer specifiek gaat het dan bijvoorbeeld om psycho-educatie, motiverende gespreksvoering en systeemgesprekken.
vanmontfoort.nl
45
substantiële afname van de dreiging komt dit doordat de relatie is beëindigd en beide partners elkaar niet of nauwelijks meer zien. Als de relatie in een casus wordt beëindigd dan is deze beslissing veelal direct na het incident door de achterblijver genomen. In ongeveer 15 casussen55 zien we dat beide partijen ervoor kiezen om permanent of gedurende langere tijd apart te gaan wonen om te zorgen dat de onderlinge situatie verbeterd. Het zorgt ervoor dat beide partijen gemakkelijker weg kunnen op het moment dat het dreigt te escaleren of anderszins niet goed gaat. ‘Apart gaan wonen’ is dus bij elkaar genomen in de helft van de gevallen van afname van dreiging de belangrijkste factor. Nu is het natuurlijk zo dat in een deel van de gevallen de betrokkenen mogelijk later toch weer bij elkaar gaan wonen waarbij het dan ook weer mis kan gaan en het huiselijk geweld zich opnieuw voordoet. Toch is het belangrijk te benadrukken dat er, gezien de gekozen woonplekken apart van elkaar en de opstelling van beide partijen, bij genoemde 15 casussen maar weinig zullen zijn waar dit zal gebeuren. Er lijkt zich daadwerkelijk een structurele verbetering van de situatie te hebben voorgedaan. Overigens zijn daarmee veel van de andere problemen waar achterblijver(s) en/of uithuisgeplaatsten mee kampen nog niet opgelost.
Maar het toepassen van veiligheidsafspraken voorkomt in deze casussen dat de dreiging opnieuw gaat toenemen. Norm stellen zorgt dat betrokkenen ‘worden wakker geschud’ We zien, bij zowel uithuisgeplaatsten als de achterblijvers, dat de huisverbodperiode kan leiden tot bezinning. De letterlijke afstand en time out die is gecreëerd draagt hieraan bij. En het feit dat een norm gesteld wordt en daarmee het gedrag duidelijk afgekeurd, maakt dat er bereidheid kan ontstaan om hieraan te willen werken. Dit kan soms ook werken zonder dat de achterblijver zich duidelijk teweerstelt tegen het gedrag. Anderzijds is het tijdelijk huisverbod vaak ook voor de achterblijver een wake-up call. Het zorgt er regelmatig voor dat het slachtoffer op een andere manier gaat kijken naar de situatie, en daarmee ook tot ander gedrag en keuzes kan komen. Achterblijvers zijn weerbaarder geworden door het tijdelijk huisverbod Hoewel we dit niet in alle gevallen op basis van casuïstiek hard kunnen maken, lijkt het er toch vaak op dat de achterblijvers, wanneer beide partijen in één huis blijven wonen, weerbaarder uit het tijdelijk huisverbod komen dan ze voordien waren. Hoewel dit nog geenszins een garantie is voor structurele veiligheid zorgt het tenminste op de korte termijn voor een verbetering van de situatie.
Het feit dat er door het tijdelijk huisverbod (enige) openheid ontstaat over het huiselijk geweld draagt bij aan de weerbaarheid van de achterblijver. We zien ook dat achterblijvers, waaronder ook de kinderen, zich gesteund voelen door de maatregel. We zien in casuïstiek dat achterblijvers bijvoorbeeld tijdiger kunnen aangeven dat er afstand nodig is of een bepaald gesprek dat tot conflicten kan leiden wordt afgekapt. Omgangsregeling geeft rust Vaak in combinatie met apart gaan wonen weliswaar, maar ook het realiseren van afspraken over de omgang met kinderen zorgt in een deel van de casussen duidelijk voor een verbetering van de situatie.
55
Dit is niet exact na te gaan per casus.
vanmontfoort.nl
46
Start therapie of medicatiegebruik We zien bij enkele casussen dat de start van therapie (bijvoorbeeld bij De Waag) of het (weer) gaan slikken van medicijnen tegen psychiatrische aandoeningen een aanmerkelijk positief effect heeft op de onderlinge verstandhouding. 4.6
Wanneer werkt het tijdelijk huisverbod niet of minder goed?
Op basis van de interviews zouden we zeggen dat het tijdelijk huisverbod minder goed werkt als sprake is van een combinatie van verslavings- en psychiatrische problemen. Maar we zagen in het dossieronderzoek dat ook in deze gevallen doelen van het tijdelijk huisverbod regelmatig tenminste ten dele bereikt kunnen worden. In dit onderzoek zien we dat uithuisgeplaatsten in de meeste gevallen niet worden bereikt. Ze krijgen veelal in vervolg op het tijdelijk huisverbod geen hulpverlening. We weten uit eerdere onderzoeken (zie bijvoorbeeld Barendregt et al., 2021, p. 24 e.v.) dat het belangrijk is om (vermeende) plegers op heel korte termijn een concreet hulpverleningsaanbod te doen. En dat vervolgens ook zonder wachttijd en met voldoende intensiviteit gestart kan worden. Aan een ander belangrijk aspect van plegerhulpverlening, namelijk het onderdeel psycho-educatie, wordt in de aanpak door zorgcoördinatoren direct aandacht besteed. Al met al kunnen we op grond van de bevindingen stellen dat het slechts sporadisch voorkomt dat een tijdelijk huisverbod geen enkele impact heeft gehad of zelfs negatieve impact. Ook een geïnterviewde achterblijver (die eigenlijk geen hulp wilde, en na het tijdelijk huisverbod nog steeds bang was voor haar huisgenoot) zegt enerzijds: “…het blijft gek…er gebeurt iets heftigs en daarna gaat alles gewoon weer verder”.
Zonder dat er echt iets is veranderd geeft ze daarbij aan. Maar anderzijds stelt ze ook: “Het tijdelijk huisverbod heeft dus wel een signaal afgegeven. Toch wel een soort van tot hier en niet verder, dat signaal”. Dit is wat in diverse interviews met zorgcoördinatoren en anderen eveneens is benadrukt. Ook deze professionals ervaren telkens opnieuw dat een huisverbod soms veel, soms enig (al is het klein) resultaat oplevert. Een belangrijke eerste stap op weg naar duurzame veiligheid. Uit eerder onderzoek (Vogtländer & Van Arum (2016), Steketee et al. (2020, p. 176)) weten we dat meerdere interventies en een lange adem nodig zijn om te kunnen zorgen voor een situatie van duurzame veiligheid.
4.7
Wordt de juiste doelgroep met het instrument bereikt?
We zien dat de situaties waarin een huisverbod wordt opgelegd vrijwel zonder uitzondering (zeer) ernstig te noemen zijn, naar aard, intensiteit en frequentie van het geweld. Is dit wel de juiste doelgroep voor het tijdelijk huisverbod? De politie handelt, op het moment dat van een (bewijsbaar) strafbaar feit sprake is, doorgaans voortvarend (Lünneman en Ter Woerds: 2021, samenvatting). In het vervolg hierop kunnen dan door rechter(-commissaris) of officier van justitie een straat- of contactverbod worden opgelegd. We zien dat het klip en klaar is dat in de meeste huisverboddossiers van strafbare feiten sprake is. Zou je dan kunnen stellen dat in deze gevallen ook enkel de strafrechtelijke route gevolgd zou kunnen worden? Het is weliswaar zo dat de
vanmontfoort.nl
47
doelgroep waar nu het tijdelijk huisverbod wordt ingezet in hoge mate een doelgroep is waar de strafrechtelijke route ook openligt en er dus ook diverse andere interventies voorhanden zijn. Maar wat we wel weten, is dat met enkel zo’n strafrechtelijk traject er niet zo snel hulp in een gezin is. Een strafrechtelijk traject kan immers veel tijd in beslag nemen. We hebben in hoofdstuk 2 vastgesteld dat het aantal tijdelijke huisverboden in Amsterdam-Amstelland op een relatief laag niveau ligt. Is het zo dat in andere gevallen, waar het tijdelijk huisverbod ingezet zou kunnen worden, er nu wordt overgegaan tot het voor langere duur uithuisplaatsen van de pleger middels andere sancties? Ook dit weten we op grond van dit onderzoek niet. Maar we weten wel, dat waar het tijdelijk huisverbod nu wordt ingezet, het in een aanmerkelijk deel van de gevallen ook resultaten oplevert. Laten de bevindingen in dit onderzoek zien dat een deel van de doelgroep waar dit instrument effectief kan zijn, wordt gemist? In minder ernstige gevallen van huiselijk geweld kan er ook worden ingegrepen doordat Veilig Thuis (en/of het sociaal wijkteam of hulpverlenende instantie) samen met partners en gezinsleden een veiligheidsplan opstelt.
Maar er zijn ook veel gevallen van huiselijk geweld waar nu geen huisverbod wordt opgelegd, waar géén bewijsbare strafbare feiten zijn gepleegd, maar waar wel aan de drie criteria voor een huisverbod wordt voldaan. Soms zit in deze casussen het kunnen voldoen aan het criterium van ‘acuut en onmiddellijk gevaar’ in de weg, aldus de ketenpartners. ‘Het is er wel, maar toon het maar eens aan…’, zegt een van hen treffend in een interview. Dit is een categorie die met de huidige inzet van het instrument huisverbod lijkt te worden gemist. Diverse respondenten geven aan dat de politie nog regelmatig te veel bemiddelt in een huiselijk geweld situatie terwijl een tijdelijk huisverbod wellicht mogelijk zou zijn.
vanmontfoort.nl
48
5.
Formulering ontwikkelpunten door ketenpartners
Tijdens het verloop van het onderzoek is in een aantal sessies samen met ketenpartners een verkenning uitgevoerd van potentiële ontwikkelpunten. Mede aan de hand van de bevindingen, die in de loop van het onderzoek steeds meer vorm en inhoud kregen, zijn uiteenlopende thema’s besproken. Er is zoveel mogelijk geprobeerd om niet alleen de problemen op een rij te zetten, maar daarbij ook mogelijke oplossingen te benoemen. Aanvankelijk was het de bedoeling om direct, dus nog tijdens het onderzoek, verbeteringen (quick wins) door te voeren. Hoewel op verschillende punten verbeteringen in gang zijn gezet, voert het te ver om op dit moment al heel duidelijke resultaten hiervan te benoemen. De nadruk ligt in dit hoofdstuk op het benoemen van punten die aandacht moeten krijgen voor een succesvol verloop van de huisverboden. In sommige gevallen omdat ze nu nog onvoldoende aandacht krijgen en in andere gevallen omdat samen wordt vastgesteld dat dit een mogelijke succesfactor is om de doelen te kunnen bereiken. 5.1
Zorgcoördinatie en het instrument ‘Tijdelijk Huisverbod’
5.1.1 Termijnen en intensiteit Enkele ketenpartners benoemen tijdens een van de gesprekstafels dat de huidige tien dagen ‘absoluut ontoereikend zijn’ om de doelen van het tijdelijk huisverbod in voldoende mate te kunnen halen. Omdat veel (steeds meer) tijdelijke huisverboden een verlenging kennen tot 28 dagen, is het nodig dat de inspanningen van de zorgcoördinatoren meer gespreid over deze gehele periode plaatsvinden. In eerdere hoofdstukken zagen we reeds dat het zwaartepunt nu vaak vrij sterk ligt op de eerste tien dagen. Er is veelal meer tijd nodig om een goede analyse te kunnen uitvoeren, zo is het beeld. De duur van de huidige time-out volstaat vaak niet, stelt men. Verder zou er langduriger betrokkenheid moeten zijn van de zorgcoördinator; tenminste in gevallen waar geen gezinsmanager van de Jeugdbescherming de zorg coördineert. We zien deze werkwijze in de manier hoe in Amstelveen en Aalsmeer de huisverboden worden uitgevoerd. Ook in Amsterdam en de andere Amstellandgemeenten zou men meer op maat moeten bepalen wanneer de overgang naar de fase van monitoring mogelijk is. De focus zou minder moeten liggen op termijnen, zo werd gesteld. 5.1.2 De uithuisgeplaatste In het verlengde van het voorgaande is over de uithuisgeplaatste gesteld dat deze zich regelmatig maar lastig laat bereiken.
Dit draagt eraan bij dat de huidige periode van het tijdelijk huisverbod al snel te kort is. Er is verder uitgebreid ingegaan op het betrekken van de uithuisgeplaatste. Motivatie is er maar kort, dus het is zaak om er snel bij te zijn. Er is geopperd dat de zorgcoördinator de uithuisgeplaatste direct in de cel (waar hij of zij meestal eerst naar toegaat) al gaat bezoeken. Van belang is om zich te realiseren dat ze zich vaak niet gehoord voelen. Erkenning voor de positie van de uithuisgeplaatste in het gezin is daarom nodig om voldoende medewerking te kunnen krijgen. De mogelijkheid om contact te hebben met de kinderen is genoemd als een belangrijke ingang voor contact met de uithuisgeplaatste. Met de juiste aanpak kan het ertoe bijdragen dat deze meewerkt in het traject, zo is gesteld. Ook als een
vanmontfoort.nl
49
uithuisgeplaatste in een GGZ-instellingen verblijft, zou hij daar bezocht moeten worden56. Het uitgangspunt voor de hulp moet steeds zijn dat de uithuisgeplaatste wordt opgezocht, ook als deze zich bevindt in het cellencomplex, in een penitentiaire instelling of op welke andere plek dan ook. Men moet ‘erbovenop zitten’ om de uithuisgeplaatste bij het traject te betrekken. 5.1.3 Sociaal netwerk Het sociaal netwerk zou vaker betrokken kunnen worden in het hulptraject. De politie en Veilig Thuis moeten zich al vanaf de start ervan bewust zijn dat dit in het hulptraject van cruciaal belang is. De hulpverlening zal ook weer uit het gezin weggaan op enig moment, terwijl de steunende figuren in het netwerk een blijvend belangrijke rol kunnen spelen in het creëren en handhaven van een situatie van veiligheid. Informatie over het sociaal netwerk moet dus in de overdracht naar de Blijf Groep direct worden opgenomen, voor zover daar informatie over bekend is. Ook de gezinsmanagers kunnen hierover input verstrekken aan de zorgcoördinatoren van de Blijf Groep. 5.2
Huisvesting
Tijdens het onderzoek is geconstateerd dat problemen op het vlak van huisvesting op verschillende manieren in verband staan met de huiselijk geweldproblematiek en de mogelijkheden voor een succesvol tijdelijk huisverbod. Gebrek aan woonruimte brengt het slachtoffer in een afhankelijke positie van waaruit er niet zo gemakkelijk gekozen kan worden te vertrekken naar een eigen veilige plek. In enkele casussen zien we ook dat te krappe woonruimte ertoe kan leiden dat het geweld toeneemt of escaleert. Tijdens het traject gaat er nu soms veel tijd zitten in het helpen zoeken naar huisvesting of opvang. Het feit dat het hebben van woonruimte (een adres) voorwaardelijk is voor sommige vormen van hulpverlening werkt frustrerend. Dit zou opgelost moeten worden. De betrokken partijen benoemen het belang om aandacht te vragen bij de gemeente voor de huisvestingsproblemen van gezinnen die met een tijdelijk huisverbod te maken krijgen. Men vraagt zich af, gezien de schrijnende situaties die zich soms voordoen, of er geen wettelijke mogelijkheden57 zijn om specifiek voor dit soort huiselijk geweldsituatie te zorgen voor bruikbare oplossingen. De optie van langdurige time-out plekken, gecombineerd met begeleiding en zorg, zijn genoemd.
Het zou mogelijk moeten zijn om, langer dan de huisverbodperiode duurt, gebruik te maken van faciliteiten om voldoende afstand tussen de betrokkenen te houden zo lang dat nodig is. Verder bleek tijdens een van de gesprekstafels dat er voor wonen buiten de gemeente Amsterdam wellicht meer mogelijkheden bestaan dan sommige partners wisten. 5.3
Samenwerking
Over de onderlinge samenwerking zijn enerzijds verbeterpunten genoemd. Anderzijds is ook tijdens de gesprektafels aangegeven welke initiatieven ter verbetering van samenwerking lopende zijn. We geven in deze paragraaf een overzicht. Voor wat betreft de rol van Veilig Thuis wordt gesteld dat deze op enkele punten nadrukkelijker aanwezig mag zijn. Veilig Thuis geeft zelf aan dat ze een rol wil spelen als vertrekpunt voor een 56 Het komt maar een enkele keer voor dat de pleger tijdens of na een huisverbod in een GGZ-instelling verblijft. Meer in algemene zin is tevens benoemd dat meer samenwerking en afstemming met GGZ-professionals kan helpen bij een effectieve uitvoering van huisverboden. 57 De Huisvestingswet wordt in dit verband genoemd.
vanmontfoort.nl
50
tijdelijk huisverbod op initiatief van de hulpverlening. De front-office van Veilig Thuis zou hiervoor op laagdrempelige wijze geschikt kunnen worden gemaakt58. Na afloop van het tijdelijk huisverbod of bij het afsluiten van de casus door de Blijf Groep, zou Veilig Thuis op de hoogte gesteld moeten worden van de stand van zaken. Voor wat betreft de verbinding zorg-straf: We zien dat de afgelopen periode het contact tussen de Blijf Groep en ZSM omtrent casuïstiek is geïntensiveerd. Verder zou de effectiviteit van de aanpak erbij gebaat zijn als de Blijf Groep vanuit ZSM een terugkoppeling ontvangt over de afdoening van de zaak van de uithuisgeplaatste59. Ook geeft de Blijf Groep aan afstemming te wensen omtrent de noodzakelijke maatregelen aan het eind van de huisverbodperiode; Bij een specifieke categorie casuïstiek, namelijk de anti-sociale pleger in combinatie met het ontbreken van een aangifte, is het nodig om strafrechtelijke kaders te hebben wil een -
-
aanpak effectief kunnen zijn; De verbinding tussen straf en zorg kan verder verbeteren als de politie de Blijf Groep vaker voedt met achtergrondinformatie over de casus. De Blijf Groep heeft voorts het initiatief genomen om ook met het Actiecentrum Veiligheid en Zorg (AcVZ) werkafspraken te gaan maken. Samenwerking tussen de Blijf Groep en de Jeugdbescherming/ GI is een voortdurend aandachtspunt waar beide partijen regelmatig contact over hebben.
Een belangrijke constatering die in 2020 werd gedaan, is het feit dat reclasseringsdeskundigheid meer benut kan worden. Het komt regelmatig voor dat er een toezichthouder betrokken is bij een huisverbodcasus. Het geldt in bredere zin dat er her en der expertise beschikbaar is, waarvan de zorgcoördinatoren van Blijf Groep (zo vroeg als nodig en mogelijk) gebruik kunnen maken. Genoemd zijn: Het inzetten van GGZ-deskundigheid kan vaker worden gedaan. Deze is in de vorm van het raadplegen en inzetten van sociaal-psychiatrische verpleegkundigen beschikbaar hiervoor, bijvoorbeeld bij de Jeugdbescherming60 en Veilig Thuis; Expertise bij Arkin. Er is in 2021 een experiment voorgesteld om met het team van Blijvend Veilig de samenwerking rondom tijdelijke huisverboden te intensiveren. Blijvend Veilig zijn teams waarin professionals van de Jeugdbescherming, WSJ&J, Veilig Thuis, Raad voor de Kinderbescherming, WSJ&J en ook de Blijf Groep participeren. Deze ontwikkeling moet een doorbraak gaan betekenen in organisatieoverstijgende samenwerking. Het zal moeten zorgen dat ingezette hulp effectiever is, onder andere door meer continuïteit in de geleverde zorg en hulp. Tot slot is er gewezen op het belang van het ontwikkelen van een gezamenlijke taal, in lijn met de visie van Van Arum en Vogtländer die aan de basis van de aanpak staat.
De Blijf Groep is het eigen werkproces vanuit deze basis aan het doorontwikkelen. Bij de inzet van het instrument huisverbod zal in de toekomst meer dan nu gebeurt een integrale afweging gemaakt moeten worden, waarbij de verschillende instrumenten in samenhang worden bekeken. Zodat de inzet van strafrechtelijke interventies en huisverboden elkaar kunnen versterken. 58
Wat dit concreet betekent is nog niet verwoord. In dit verband worden onder meer genoemd (niet uitputtend): de aangifte, de (voorgenomen) afdoening, verblijfplek van de UHG, strafrechtelijk vervolg en geplande zitting(en). 60 Bij de eerste afspraak gaat er vanuit de Jeugdbescherming altijd een spv-er mee, zo is gesteld tijdens een van de bijeenkomsten. 59
vanmontfoort.nl
51
6.
Conclusies en aanbevelingen
6.1
Conclusies
In Amsterdam-Amstelland is er in de afgelopen jaren veel aandacht geweest bij de ketenpartners voor het instrument Tijdelijk Huisverbod. Deze bestuurlijke maatregel, die de hulpofficier van justitie namens de burgemeester kan opleggen als sprake is van een (vermoeden van een) situatie van ‘ernstig en onmiddellijk gevaar’ achter de voordeur, werd de afgelopen jaren iets meer dan 200 keer per jaar ingezet in de gemeente Amsterdam61. We zien dat het in twee op de drie gevallen gaat om partnergeweld. In iets meer dan de helft van de gevallen zijn er kinderen betrokken in het gezin. De aantallen huisverboden fluctueren jaar na jaar, maar sinds 2019 (256 huisverboden) was twee jaar achter elkaar sprake van een daling naar 214 in 2021. Tegelijkertijd is geenszins sprake van een daling van de aantallen meldingen huiselijk geweld bij Veilig Thuis. Het aantal huisverboden ligt in Amsterdam op een relatief laag niveau. Niet alleen ten opzichte van voorgaande jaren, maar ook als een vergelijking wordt gemaakt met andere grote steden als Den Haag en Rotterdam waar het instrument relatief vaker wordt ingezet. Er is sprake van onderbenutting van de inzet en mogelijkheden van het instrument. We zien dat in de a-select gekozen steekproef van huisverboden het huiselijk geweld vrijwel altijd (zeer) ernstig is.
In de meeste gevallen zijn het gezinnen en situaties waarin sprake is van jarenlang huiselijk geweld, gecombineerd met problemen op verschillende leefgebieden. Eerder ingrijpen met een huisverbod lijkt in veel gevallen tot de mogelijkheden te behoren. In dit hoofdstuk gaan we in op de conclusies die kunnen worden getrokken op grond van het onderzoek. 6.1.1 De periode voor, tijdens en na het tijdelijk huisverbod Opleggen van het tijdelijk huisverbod De politie is, met Veilig Thuis, de belangrijkste partij in het voortraject tot aan oplegging van de maatregel. Er is de afgelopen jaren gesproken over een grotere rol voor hulpverlenende organisaties om in voorkomende situaties aan te geven dat een huisverbod nodig is of overwogen dient te worden. Toch komt dit ‘huisverbod vanuit de hulpverlening’ niet van de grond. Het heeft de afgelopen paar jaar welgeteld één huisverbod opgeleverd. Het aantonen van ‘ernstig en onmiddellijk’ is juridisch lastig zonder een concreet geweldsincident. Er is tot dusverre nog onvoldoende effectieve afstemming tussen hulpverleningspartners en de partijen verantwoordelijk voor de weging en oplegging (politie en VT), om deze route te kunnen gaan benutten. De politie is de afgelopen jaren zoekende naar de beste manier om het werkproces rondom huisverboden te organiseren.
De huidige manier van werken, met een uitvoeringsgroep van circa 200 wijkagenten, wordt mogelijk omgevormd naar een kleinere groep van officieren van justitie die de huisverboden zullen behandelen en opleggen. Hiermee wordt naast meer concentratie van betrokkenheid, ervaring en kennis, ook gezorgd voor minder schakels in de besluitvorming om tot een huisverbod te komen. De ernst van het geweld en de aanwezigheid van fysiek geweld en aantoonbaar letsel zijn voor de politie belangrijke zaken waarnaar wordt gekeken bij de afweging om al dan niet een tijdelijk 61 We zien dat in de Amstellandgemeenten het aantal tijdelijke huisverboden de afgelopen vier jaar is gestegen van 29 in 2018 naar 46 in 2021. Opgeteld schommelt het aantal THV’s de afgelopen vier jaar in de gehele regio rond de 250.
vanmontfoort.nl
52
huisverbod op te leggen. We zien dat er minder oog is voor andere vormen van huiselijk geweld en voor het aangrijpen van het incident als mogelijk startpunt voor hulp voor alle betrokkenen. Het verloop tijdens het tijdelijk huisverbod Het lukt de zorgcoördinatoren van de Blijf Groep in de meeste gevallen goed om in de eerste dagen van het tijdelijk huisverbod gesprekken te voeren met betrokkenen. De achterblijvers werken veelal actief mee, maar uithuisgeplaatsten veel minder. In een op de drie gevallen komt er effectief geen contact tot stand met de uithuisgeplaatste gedurende de huisverbodperiode. Deze voelt zich regelmatig onvoldoende gehoord en gezien. Er is meer focus op de uithuisgeplaatste nodig gedurende het tijdelijk huisverbod. De politie en Openbaar Ministerie kunnen meer bijdragen om in gezamenlijkheid interventies te kunnen afwegen en vervolgens ook inzetten als ze bijdragen aan een effectieve aanpak van huiselijk geweld. De nadruk ligt gedurende het tijdelijk huisverbod op het realiseren van veiligheidsafspraken, die veelal in de praktijk ook tot stand komen. Omdat dit vaak niet lukt binnen de periode van 10 dagen worden veel huisverboden (circa 70%) verlengd. Het lukt de zorgcoördinatoren van de Blijf Groep tijdens de huisverbodperiode weliswaar goed om een eerste probleemanalyse te formuleren.
Maar die analyse richt zich primair op het weergeven van de wijze waarop de geweldsspiraal verloopt in de betreffende casus. En de huisverbodperiode kan nog beter worden benut om de probleemanalyse aan te scherpen en daar alle relevante problemen op leefgebieden mee te nemen. In een flink deel van de gevallen is sprake van (vaak ernstige) multiproblematiek. Er is meer hulp nodig dan nu geboden kan worden, om de problemen in deze gezinnen aan te pakken. Naast het realiseren van een verwijzing naar hulpverlening ligt de nadruk tijdens het tijdelijk huisverbod op het ondersteunen van (met name de) achterblijver(s) (denk hierbij aan de thema’s huisvesting en scheidingsprocedures) en nog te weinig van de uithuisgeplaatste. We zien dat in de periode tussen dag 10 en dag 28 (bij verlengde huisverboden dus) dat de contactfrequentie met achterblijver en uithuisgeplaatste afneemt. In een deel van de casussen, met name als er geen gezinsmanager van de Jeugdbescherming/WSJJ betrokken is, dreigt er een gat te vallen in het vasthouden van de motivatie en aandacht van deze betrokkenen tot het moment dat vervolghulpverlening feitelijk gaat starten. Soms start Blijf Groep een ambulant hulpverleningstraject op om hierin te voorzien, dit gebeurt echter lang niet altijd. De focus ligt sterk op het realiseren van een verwijzing, waarna de betrokkenheid van de Blijf Groep doorgaans afneemt.
Monitoring na het tijdelijk huisverbod Na afloop van het tijdelijk huisverbod volgen zorgcoördinatoren op afstand of het traject nog naar wens verloopt. De zorgcoördinator neemt in de periode van monitoring doorgaans een vrij afwachtende houding aan. Er wordt slechts in een beperkt deel van de gevallen feitelijk vastgesteld wat de status is van de route naar vervolghulpverlening. Mede hierdoor zien we ook in slechts een beperkt deel van de gevallen dat monitoring leidt tot contact met de achterblijver. Hoewel de monitoringperiode op papier loopt tot 3 maanden na afloop van het tijdelijk huisverbod, bedraagt deze periode in de praktijk circa 1 tot 1.5 maand.
vanmontfoort.nl
53
6.1.2 Samenwerking De onderlinge afstemming tussen gezinsmanager (de Jeugdbescherming/WSJJ) en zorgcoördinator van Blijf Groep verloopt vaak goed. In een flink deel van de gevallen zijn er tevens verbeterpunten waar beide partijen inmiddels samen aan werken. Naast andere verbeterpunten, zijn het snel beschikbaar hebben van een gezinsmanager en het samen optrekken in het voeren van de gesprekken in dit verband belangrijke onderwerpen. Om bij verwijzingen te zorgen dat hulp ook snel gegeven kan worden, heeft de Blijf Groep met De Waag en met Arkin (Centrum voor Relationele Therapie) afgesproken dat personen er direct terecht kunnen. Dit heeft duidelijk meerwaarde en de wens is om zulke afspraken uit te breiden ook naar andere partners. Samenwerking met GGZ-instellingen en in algemene zin de informatieuitwisseling met betrekking tot GGZ-problematiek is een belangrijk knelpunt. We zien dat verschillende organisaties flink investeren in samenwerking. Zo hebben bijvoorbeeld de Blijf Groep en de reclassering (Reclassering Nederland) een pilot gestart gericht op uithuisgeplaatsten met een hoog recidiverisico. Ook tussen de Blijf Groep en de partners aan de ZSM-tafel is een verbinding gelegd. Samenhangend met het hiervoor geconstateerde ‘gat’ tussen de huisverbodperiode en vervolghulpverlening, is aandacht voor een warme overdracht van casuïstiek nodig.
Het is nu nog niet standaard dat nadrukkelijk wordt ingezet op het realiseren van een overdracht in een gezamenlijk gesprek. 6.1.3 De werkwijze zorgcoördinatie door Sociaal Team Amstelveen en Aalsmeer In Amstelveen en Aalsmeer worden huisverboden op andere wijze uitgevoerd. Bij multiproblematiek wordt een casus overgenomen als reguliere casusregie. Hierin wordt ook vervolghulpverlening geleverd. Pas als deze is ingebed, dan wordt deze overgedragen. Hier is gekozen voor een langere periode van monitoring, intensiever contact en uitgebreider ondersteuning op verschillende leefgebieden door de zorgcoördinatoren zelf (voor zover mogelijk en gewenst). 6.1.4 Multiproblematiek Zoals hiervoor reeds opgemerkt is er vaak sprake van problemen op meer leefgebieden: In tenminste de helft van de gevallen is sprake van problematische schuldproblematiek; Bij twee op de drie casussen zijn er (tenminste vermoedens van) psychiatrische problematiek; Verslavingsproblematiek doet zich vaak voor (minstens 55%). Vaak gaat het om jarenlange problematiek en bijna zonder uitzondering om alcoholverslaving62; Huisvestingsproblematiek doet zich vaak na, maar ook vaak al voorafgaand aan het tijdelijk huisverbod, voor; Sociale steun is in veel gevallen maar beperkt beschikbaar. In 38% van de gevallen ontbreekt een steunend netwerk geheel.
Andersom zijn er in 40% van de casussen wel steunende personen in de omgeving, waarop een groter beroep gedaan zou kunnen worden in de aanpak.
62
De aanpak hiervan loont, blijkt ook uit onderzoek van Steketee et al. (2020, p. 169).
vanmontfoort.nl
54
We geven hieronder een voorbeeld van een casus waar zich problemen op verschillende leefgebieden voordoen, die mogelijk een rol spelen in het feit dat de geweldsspiraal niet wordt doorbroken. Casus no. 2: Drie weken nadat een vrouw voor een hulpverleningsgesprek bij de Blijf Groep niet komt opdagen (een no-show), wordt een tijdelijk huisverbod opgelegd aan haar man. Ze kwam met haar hoofd tegen de deur bij een flink geëscaleerde ruzie. Hun zoon (peuter) zou geen getuige zijn geweest. Beide erkennen dat ze er een rol in hebben, maar verschuilen zich vooral achter externe oorzaken. Beide lopen af en toe lichamelijk letsel op bij het wederzijds gepleegd geweld. Tevens hebben ze een alcoholverslaving, schulden en een beperkt sociaal netwerk. Ze hebben beide een onzekere baan in de horeca en zoeken naar andere woonruimte. Ze erkennen dat samenwonen niet meer mogelijk is, maar geen van de twee wil uit het huis. Opa beheert het geld. Tijdens het eerste huisverbod worden ze verwezen voor hulp naar de huisarts (achterblijver) en De Waag (uithuisgeplaatste), maar beide komen niet opdagen. De systeemgesprekken verlopen ruzie-achtig en gaan enkel over de honden, het geld en brieven van de deurwaarder. Tijdens de beide huisverbodperiodes verbleef het kind bij oma en opa. Na het tweede huisverbod wordt het kind uit huis geplaatst.
Enkele dagen na het tweede tijdelijk huisverbod rondt de Blijf Groep het traject af, ‘omdat de betrokkenen afspraken niet nakomen’. Voor een goed werkende bezoekregeling zou een contact- of straatverbod nodig zijn ter ondersteuning. Hoewel Veilig Thuis letsel vaststelt ten gevolge van huiselijk geweld, komt er niet zo’n verbod. Het Openbaar Ministerie stelt dat van een strafbaar feit geen sprake is.
6.1.5 Resultaten Realiseren van een situatie van meer veiligheid Het eerste doel van het tijdelijk huisverbod is om de directe veiligheid te garanderen. Tijdens de periode van het tijdelijk huisverbod lukt dat, door de beide partijen fysiek van elkaar te scheiden in combinatie met de (motiverende) gesprekken en de geboden praktische ondersteuning. Ook na de periode van het tijdelijk huisverbod, als de uithuisgeplaatste terug is gekeerd naar huis, is de geweldsdreiging meestal (en soms flink) afgenomen. In 28 van de 40 casussen (70%) is sprake van afname van de geweldsdreiging. Het peilmoment dat in dit onderzoek is gehanteerd ligt daarbij gemiddeld genomen circa 1-1,5 maand na het tijdelijk huisverbod. Dit is het moment dat de zorgcoördinator het laatste contact heeft met betrokkenen in de casus. Slechts in 3 van de 40 casussen (8%) kan worden vastgesteld dat de dreiging niet is afgenomen. In de overige 22% kan dit niet worden ingeschat. Hoewel inzet van het tijdelijk huisverbod niet zondermeer een situatie van duurzame veiligheid kan opleveren, hebben we gekeken in welke gevallen zo’n situatie dichterbij is gekomen. We zien dat op z’n minst in 38% van de onderzochte THV’s een situatie van duurzame veiligheid dichterbij is gekomen.
We zien namelijk in 15 van de 40 casussen dat door het tijdelijk huisverbod partners, tenminste voorlopig maar in de meeste gevallen definitief, uit elkaar gaan of apart gaan wonen. Het incident, de inzet van het instrument, in combinatie met de gesprekken met hulpverleners, helpen betrokkenen om tot nieuwe keuzes te komen. Hierbij dient bedacht te worden dat beëindiging van de relatie in geen geval een garantie is dat in een nieuwe relatie zich niet opnieuw dezelfde problemen zullen voordoen. We zien verder dat deze 15 casussen een dwarsdoorsnede vormen van de verschillende typen en ernstcategorieën van huiselijk geweld.
vanmontfoort.nl
55
Een analyse van politieregistratiegegevens laat zien, dat na het tijdelijk huisverbod er in 20% van de gevallen sprake is van een nieuw huiselijk geweld-incident binnen een gemeten periode van gemiddeld 1 jaar. Het gaat hierbij dan om incidenten waarbij de is ingeschakeld. Hoewel het kleine aantallen betreft, zien we dat het hier in (nagenoeg) alle gevallen casussen betreft waarin sprake is van zowel alcoholverslaving als GGZ-problematiek. In 80% van de gevallen heeft zich gemiddeld genomen gedurende een jaar na het tijdelijk huisverbod geen politie-incident meer heeft voorgedaan dat betrekking heeft op huiselijk geweld in het betreffende gezin. Vervolghulpverlening Het tweede doel van het tijdelijk huisverbod is om de juiste hulp in gang te zetten die op termijn tot duurzame veiligheid moet leiden. Om een indicatie te krijgen van de mate van doelbereiking op dit onderdeel, is gekeken of verwijzingen naar vervolghulpverlening zijn gelukt bij casussen in de steekproef van 40 dossiers. Op basis van de registratiegegevens stellen we vast dat in ongeveer de helft van de gevallen iemand bereid is tot het aanvaarden van vervolghulp en er ook daadwerkelijk een verwijzing plaatsvindt. Dat gaat om hulp aan de achterblijver(s) (50%) en in mindere mate om hulp voor uithuisgeplaatsten (25%).
Hoewel de afspraak is dat de zorgcoördinator meegaat naar de eerste afspraak met een vervolghulpverlener waarbij ook alle relevante informatie wordt overgedragen, zien we dat dit in een deel van de gevallen niet gebeurt. Dat specialistische hulp cruciaal is, werd ook weer benadrukt in het rapport van Verwey-Jonker (Steketee et al. 2020). Zoals hiervoor al aangehaald dient de periode ten volle benut te worden voor een brede probleemanalyse en het motiveren van alle betrokkenen. Als zoveel als mogelijk de risicofactoren hierin worden betrokken kan ook zichtbaar worden dat soms herstelgerichte hulp al naar voren gehaald kan of moet worden. Werkzame ingrediënten van het tijdelijk huisverbod Het tijdelijk huisverbod zorgt ook in veel gevallen voor een wake-up call voor beide partijen. Ze gaan anders naar de situatie kijken doordat de norm die is gesteld, de rust die ontstaat en de gesprekken over vervolghulpverlening. Ook het feit dat nu voor de buitenwereld duidelijk is wat er aan de hand is, speelt hierin een rol. De belangrijkste wijze waarop het tijdelijk huisverbod effect heeft, is als betrokken partijen besluiten om niet langer bij elkaar in huis te blijven wonen en/of hun relatie te beëindigen. We zien dat het tijdelijk huisverbod minder goed werkt in situaties waarin het niet lukt om de uithuisgeplaatste te bereiken en daadwerkelijk te betrekken in de aanpak.
En zonder dat dit garanties biedt op het verder uitblijven van huiselijk geweld, zien we dat achterblijvers door het tijdelijk huisverbod veelal weerbaarder worden. In een deel van de gevallen geeft de start van therapie of andere hulpverlening rust in de relatie of het gezin. 6.2
Tot slot
We zien al met al dat het opleggen van het tijdelijk huisverbod in nagenoeg alle gevallen enig effect heeft. Soms is dat effect groot, soms beperkt en onzeker. Het is een bemoedigende conclusie, met name als in aanmerking wordt genomen hoe ernstig en vaak langdurig, het geweld is in de gezinnen waar een tijdelijk huisverbod wordt opgelegd. En gezien de omvang van het probleem, en de doelgroep waar de Wet Tijdelijk Huisverbod voor in het leven is geroepen, is het opvallend om
vanmontfoort.nl
56
te zien dat het instrument in Amsterdam-Amstelland relatief weinig wordt ingezet. Het onderzoek laat zien dat de mate waarin de veiligheidssituatie verbetert of vervolghulp in gang wordt gezet niet afhankelijk lijkt te zijn van de ernst en aard van problematiek. Op grond van de dossierstudie concluderen we dat de aanpak niet minder effectief is als het gaat om GGZ-problematiek. We zien dat het soms nodig is om vaker dan eenmaal een huisverbod op te leggen. Ook bij herhaalde huisverboden zien we de resultaten terug zoals hiervoor beschreven. En zelfs bij huiselijk geweld waarbij een slachtoffer volledig wordt gedomineerd, gecontroleerd en geïsoleerd van vrienden en familie (‘intiem terrorisme’) worden evenzeer resultaten geboekt. Al met al is de conclusie gerechtvaardigd dat met het tijdelijk huisverbod resultaten worden bereikt die niet afhankelijk zijn van soort en ernst van huiselijk geweld. Vaker dan incidenteel gaan partners door het tijdelijk huisverbod en de geboden hulp uit elkaar en lijkt tenminste op de korte termijn een einde gemaakt aan de geweldsspiraal. Voor een situatie van duurzame veiligheid is meestal meer nodig, waarbij het tijdelijk huisverbod kan worden gezien als het (hernieuwd) startpunt om aan de slag te gaan met het doorbreken van de geweldsspiraal.
Met het doorvoeren van verbeterslagen in het werkproces, intensivering van de aanpak en samenwerking kan het instrument de komende jaren in huishoudens en gezinnen bijdragen aan het stoppen van huiselijk geweld. 6.3
Aanbevelingen
Aanbeveling 1: Maak meer gebruik van het instrument THV a) Blijf investeren in meer eigenaarschap en kennis bij de politie: intensiveer opleiding en voorlichting over de tijdelijke huisverboden. b) Ga als politie, in nauwe afstemming met het Openbaar Ministerie, periodiek na welke meldingen van herhaald huiselijk geweld in aanmerking komen voor een tijdelijk huisverbod en markeer deze casussen. Doe dit op zo’n manier dat dit voor elke agent die het registratiesysteem raadpleegt op naam of adres direct zichtbaar is. c) Ga na op welke manier (welke benodigde informatie en hoe aan te wenden) politie en Veilig Thuis ondersteund kunnen worden bij de te maken afweging.
Aanbeveling 2: Verbreed de inzet van het instrument THV naar toepassing vanuit de hulpverlening. Doe dit als geen sprake is van een acute crisis. a) Evalueer elke zes weken de gemaakte afweging in de cases waarin geen THV is opgelegd, terwijl dit wel door een van de betrokken professionals was aangevraagd.
vanmontfoort.nl
57
Aanbeveling 3: Verbeter de werking van het instrument THV Aanbevelingen 3c, 3d, 3e en 3h zijn niet van toepassing op de werkwijze van Sociaal team Amstelveen en Aalsmeer. Zie ook de conclusie m.b.t. de AA-gemeenten in paragraaf 6.1.3. a. Prioriteer huisverbodcasussen: - Zorg ervoor dat Openbaar Ministerie en ZSM-partners casussen van THV’s met voorrang strafrechtelijk beoordelen zodat gebieds-, contactverboden of andere afdoeningen en gestelde voorwaarden direct aansluiten op de huisverbodperiode. - Maak afspraken met zorg- en hulpverleningsorganisaties over direct kunnen starten van de hulp tijdens en na het THV. Prioriteren is cruciaal omdat de effectiviteit van het THV gebaat is bij snel handelen: er is slechts korte tijd een open window voor een aanpak gericht op duurzame veiligheid. b. Maak een samenhangende afweging m.b.t. THV en strafrechtelijke interventies. c.
63
d.
64
e.
64
f.
Verbindt altijd het formele en informele netwerk, om met meer inzet aan directe veiligheid te kunnen werken.
- Intensiveer de begeleiding zowel tijdens het THV als erna. Maak deze begeleiding los van vaste termijnen en zorg dat deze doorloopt totdat is vastgesteld dat hulpverlening gericht op duurzame veiligheid goed verloopt voor alle betrokkenen (achterblijver, uithuisgeplaatsten, kinderen). - Zorg daarnaast dat intensief casemanagement64 (ICM duurt circa 1 tot 1,5 jaar) mogelijk is en daadwerkelijk wordt uitgevoerd, voor alle THV-casussen waarin dat nodig is. - Voer een gedegen en brede probleemanalyse uit. Gebruik de volledige periode van 28 dagen (bij verlengde THV’s) en zonodig langer voor opstellen, aanscherpen en aanvullen van de probleemanalyse en doe dit als Blijf Groep samen met partners. - Neem in de probleemanalyse alle leefgebieden waar problemen zich voordoen mee en zorg dat de analyse relatie-overstijgend is. Dit betekent dat er voldoende aandacht is voor het aanpakken van problemen die in een nieuwe relatie opnieuw tot huiselijk geweld zouden kunnen leiden. Besteed evenveel aandacht aan uithuisgeplaatsten als aan achterblijvers in zowel probleemanalyse, crisishulp als het traject richting vervolghulpverlening.