CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Onderzoeksrapport Tijdelijk Huisverbod in Amsterdam Amstelland.pdf

Raadscommissie Algemene Zaken 1 juni 2023, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van onderzoeksrapport ‘Inzet van het Tijdelijk Huisverbod in Amsterdam-Amstelland’ en bijbehorende raadsbrief, waarin ook de toezegging over het vergroten van aangiftebereidheid bij huiselijk geweld en kindermishandeling wordt afgedaan (VN31.250 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

30

We beschrijven het werkproces in Amsterdam en de DUO-gemeenten. GI staat voor Gecertificeerde Instelling. GI’s zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van jeugdbeschermingsmaatregelen en voor vrijwillige hulpverlening aan gezinnen met kinderen in de knel. Meestal is dit Jeugdbescherming Regio AmsterdamAmstelland en soms de William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering. 32 In de werkprocesbeschrijving is de term ‘multiproblematiek’ niet opgenomen. Wel is aangegeven dat reclassering wordt ingeschakeld als sprake is van zorgmijdend gedrag en/of agressieregulatieproblematiek naast ernstige achterliggende problematiek, zoals verslavings- en/of GGZ-problematiek. Dit komt in de praktijk dus neer op ernstige problemen op meerdere leefgebieden, samengevat in de term ‘multiproblematiek’. 33 De beschrijving in deze paragraaf is in hoge mate afgeleid van het beschreven werkproces ‘Zorgcoördinatie THV’ zoals die medio 2021 geldt. Deze beschrijving stopt bij einde huisverbod; er is in dit document niet vastgelegd wat de zorgcoördinatie in de monitoringperiode inhoudt. 34 We gebruiken het enkelvoud, gericht op de casusverantwoordelijke van de Blijf Groep. 31

vanmontfoort.nl

20

Op weg naar het systeemgesprek De zorgcoördinator overweegt het organiseren van een MDO (multidisciplinair overleg) en bespreekt de casus intern in het Teamoverleg THV, waarbij ook een gedragswetenschapper is aangesloten. Ondertussen is in kaart gebracht welke eerdere hulpverlening mogelijk al betrokken was of nog steeds is. Er wordt toegewerkt naar het systeemgesprek dat tegen het einde van het tijdelijk huisverbod (meestal tussen dag zes en acht) wordt gevoerd met beide partijen. Dit gesprek is erop gericht om duidelijk te krijgen hoe betrokkenen verder gaan na het tijdelijk huisverbod. Er worden veiligheidsafspraken gemaakt (dus: wat te doen als ruzie dreigt te escaleren) en de inzet van vervolghulpverlening wordt besproken. Als vervolghulpverlening wordt bijvoorbeeld een ambulant traject van Blijf Groep ingezet, een buurtteam, De Waag of informele partners. Het gaat vaak om een combinatie van partijen. Als het nodig is wordt overlegd met de huisarts over een doorverwijzing. Ook wordt overleg gepleegd met de vervolghulpverlener en gaat de zorgcoördinator mee naar het eerste gesprek, als de betrokkene dat wenst. Afronding van het tijdelijk huisverbod of verlenging In achterliggende dagen heeft de zorgcoördinator geprobeerd in gesprekken ook het sociaal netwerk, als dit er is, te activeren.

In gesprekken met hen, met direct betrokkenen en met andere hulpverleners wordt geprobeerd helder te krijgen of er bereidheid is tot het aanvaarden van hulp om de veiligheid duurzaam te verbeteren. Als het goed is zijn hierover in het systeemgesprek afspraken gemaakt die moeten resulteren in actie, bijvoorbeeld het opstarten van de desbetreffende hulp. Maar daarvoor is in de achterliggende paar dagen door alle gesprekken dus ook al een eerste probleemanalyse gemaakt, die de basis vormt voor welke hulp (als eerste) nodig is. Als de eerste tien dagen niet toereikend zijn gebleken en de situatie onvoldoende is verbeterd dan adviseert de Blijf Groep aan de burgemeester een verlenging van het tijdelijk huisverbod met nog eens 18 dagen. Bij voldoende veiligheid is wel onder begeleiding contact tussen de uithuisgeplaatste en eventuele kinderen mogelijk. Verlengd huisverbod Als de gemaakte veiligheidsafspraken niet voldoende worden geacht, dan is er meer tijd nodig om de doelen van het tijdelijk huisverbod te kunnen bereiken. Het is de burgemeester die hierover beslist, na weging van een advies hierover door de Blijf Groep. Een keuze voor verlenging betekent dat er de gelegenheid is om alsnog (als dit niet is gelukt) of nogmaals een systeemgesprek te voeren met de achterblijver(s) en uithuisgeplaatste. Het kan nodig zijn dat er langer en meer rust is voor de achterblijver(s).

Er is bij een verlenging meer tijd voor het leggen van contact en het werken aan het vertrouwen. Verlenging biedt de mogelijkheid om de, vaak uitgebreid aanwezige problematiek, beter in kaart te brengen. Er is dan ook meer tijd om af te stemmen over de vervolghulpverlening. Na 28 dagen kan de uithuisgeplaatste, tenzij andere (strafrechtelijke) interventies dit belemmeren, terugkeren naar huis. Monitoring Na afloop van het tijdelijk huisverbod is het de bedoeling dat de Blijf Groep (in de persoon van de zorgcoördinator) nog gedurende 3 maanden monitort hoe de casus zich verder ontwikkelt. Dit wordt in principe gedaan door enkele keren (6 weken is ook een peilmoment) contact te leggen met de betrokken professionals, de achterblijver en met de uithuisgeplaatste. Als er in de periode direct na het tijdelijk huisverbod hulpverlening betrokken is of blijft, dan kan het monitoren van het

vanmontfoort.nl

21

verdere verloop ook worden gedaan via deze professional(s). In principe loopt, als er kinderen in het gezin zijn, de hulpverlening door de Jeugdbescherming door na het THV. Er wordt zoveel mogelijk gewerkt vanuit de uitgangspunten van TOP-3 methodiek van Civil Care.35 In de monitoringperiode wordt besproken of het geweld is gestopt; wat de status van een eventuele partnerrelatie is; hoe de hulpverlening verloopt en of bijstelling/contact hierover nodig is. Van de bevindingen tijdens de monitoring zou een verslag moeten worden opgesteld door de zorgcoördinator. Na de monitoringperiode sluit Blijf Groep het THV-traject af36. 2.4

De uitvoering van het tijdelijk huisverbod in de praktijk door Blijf Groep en partners

2.4.1 Contact leggen met achterblijver(s) en uithuisgeplaatste Om goed contact te kunnen leggen is medewerking voorwaardelijk. De achterblijver(s) en uithuisgeplaatsten dienen tenminste voldoende beschikbaar te zijn om in gesprek te kunnen gaan als startpunt van de hulp. We zien dat achterblijvers in 80% van de gevallen voldoende medewerking verlenen. In een kleine minderheid van de gevallen (8%) werken achterblijvers niet mee. Bij de uithuisgeplaatsten werkt 55% mee met het traject. In 13% van de gevallen kan de medewerking niet goed worden vastgesteld op grond van de beschikbare informatie, bijvoorbeeld omdat de betrokkene duidelijk wisselend gedrag laat zien. Het lukt in een op de drie gevallen (33%) niet om effectief contact met de uithuisgeplaatste tot stand te brengen. Het direct oppakken van intensief en outreachend contact met een pleger van het huiselijk geweld blijkt een belangrijke succesfactor te zijn (Van Arum et al.: 2021, p. 16). Geïnterviewde zorgcoördinatoren zijn niet verwonderd dat dit regelmatig niet lukt. Ze verwijzen daarbij naar de zwaarte van het type casuïstiek en naar het feit dat veel uithuisgeplaatsten het idee hebben dat ze vooral worden gezien als de ‘dader van mishandeling’.

Overigens zien we bij de dossiers dat er geen direct verband te zien is tussen wel of geen strafrechtelijk traject en wel of geen medewerking van de uithuisgeplaatste aan het traject. Er wordt geprobeerd om contact te leggen met de uithuisgeplaatste, veelal door te bellen of berichten te sturen. Ook gaat een zorgcoördinator af en toe langs op het tijdelijk adres van de uithuisgeplaatste. De zorgcoördinator zoekt de uithuisgeplaatste niet op als hij in de politiecel zit. Eerste pogingen tot contact worden nadien gedaan. We zien in de dossiers dat, vooral als de achterblijver of het stel tijdens de huisverbodperiode besluit de relatie te beëindigen, de focus van de zorgcoördinator op de achterblijver ligt. Voortzetten of initiëren van contact met de uithuisgeplaatste, die zich vaak toch al niet gemakkelijk laat bereiken, blijft dan nog wel eens achterwege. 2.4.2 Inzet op directe veiligheid De eerste inzet van zorgcoördinatoren is om veiligheidsafspraken te maken met beide partijen. We zien dat het relatief grote aantal verlengde tijdelijke huisverboden er vooral mee samenhangt dat veiligheidsafspraken niet (tijdig) gerealiseerd kunnen worden. Zoals in het vorige hoofdstuk reeds gememoreerd, hangt dit ten dele samen met de zwaarte van de problematiek. Verder is er pas ruimte voor het starten van hulpverlening, zodra de uithuisgeplaatste veilig onderdak heeft.

In de verlenging blijkt er veelal wel voldoende tijd en ruimte te zijn om tot veiligheidsafspraken te komen. 35 Zie: https://www.civilcare.org/images/Visie_samen_werken_voor_veiligheid__TOP-3_methodiek_-_kort_samengevat__stichting_civil_care_-_maart_2021.pdf . En tevens: https://www.civilcare.org/index.php/visie2 . 36 In de AA-gemeenten wordt dit anders gedaan. Het Sociaal team Amstelveen en Aalsmeer sluit de casus pas af nadat de hulpverlening is gestart en geborgd.

vanmontfoort.nl

22

Dit geldt voornamelijk voor de gevallen waarin er contact tussen achterblijver en uithuisgeplaatste zal blijven. In andere gevallen krijgt het maken van deze afspraken minder prioriteit.

2.4.3 Het uitvoeren van een probleemanalyse Er is slechts weinig tijd om te komen tot een probleemanalyse, uitgaand van een huisverbod van 10 dagen. Het startpunt voor analyse is de input vanuit Veilig Thuis en de eventueel al betrokken hulpverleners. Al vrij vroeg tijdens het verloop van het tijdelijk huisverbod wordt een keuze gemaakt voor de hulpverlening die er nodig is. De probleemanalyse die hier onder ligt richt zich veelal op het weergeven van de geweldsspiraal en de belangrijkste factoren die het geweld bevorderen of in stand houden en de hulpverlening die eerder al is ingezet. We zien dat daarbij doorgaans wordt gekeken naar alle leefgebieden. In de probleemanalyse wordt vastgesteld welke problemen zich voordoen. Soms wordt daarbij wel, en soms ook niet, vastgesteld en vastgelegd op welke manier de problemen van invloed zijn op het instandhouden van de geweldsspiraal. Er doen zich vaak veel verschillende problemen voor. Dit wordt vaak in de korte tijd van het tijdelijk huisverbod steeds goed duidelijk. We zien dat de keuze voor een bepaalde vorm van vervolghulpverlening mede wordt ingegeven door de inschatting van de kans van slagen. Die kans van slagen is het grootst als iemand zelf aangeeft dat hij een bepaalde vorm van hulp wel wil aangaan. De focus ligt in de eerste fase van het tijdelijk huisverbod op het maken van veiligheidsafspraken.

Hoewel die niet altijd even gemakkelijk of snel tot stand komen, zien we toch dat in de periode tussen dag 10 en dag 28 er (als het tijdelijk huisverbod tenminste verlengd is) soms wel mogelijkheden zijn om dieper in te gaan op achterliggende problemen. Toch gebeurt dat vaak niet. Dit is een belangrijke vaststelling. In die periode zien we (1) dat het contact soms aanmerkelijk minder wordt (er is al een verwijzing gerealiseerd en men wacht het intakegesprek af), (2) de focus komt te liggen op het regelen van praktische zaken (achterblijvers krijgen vaak te maken met veel papierwerk als ze willen gaan scheiden), of (3) het lukt niet goed om contact te krijgen met betrokkenen en de frequentie van pogingen nemen af. Ook ligt de prioriteit van zorgcoördinatoren dan meer op nieuwe binnengekomen en nieuw gestarte tijdelijke huisverboden. We zien dat in de dossiers waarvan het contactjournaal is geanalyseerd (vooral casussen uit 2019 en 2020) de aantallen geregistreerde contacten tussen de zorgcoördinator en betrokkenen in de periode tussen dag 10 en dag 28 sterk afneemt. Als er meer zou worden ingezet op contacten in de periode na dag 10 van het tijdelijk huisverbod en de netwerksamenwerking, dan zou er nog meer ingezet kunnen worden op motiverende gespreksvoering ten aanzien van de problemen die een rol spelen bij het geweld.

2.4.4 De toeleiding naar hulpverlening Door de korte duur van het tijdelijk huisverbod is het voor de zorgcoördinator zaak om zo snel mogelijk alle beschikbare informatie te verzamelen en een eerste probleemanalyse klaar te hebben. Want alleen dan kan nog binnen de huisverbodperiode worden besloten over toeleiding naar hulpverlening. In de praktijk zijn de betrokken personen in de korte tijd dat het tijdelijk huisverbod duurt, soms nog niet klaar voor die hulpverlening. We zien dat de snelheid die binnen het tijdelijk huisverbod wordt gevraagd van de zorgcoördinator het soms lastig maakt om het opgebouwde beeld en de aanpak goed op elkaar te blijven afstemmen. De gevoelde tijdsdruk

vanmontfoort.nl

23

breng met zich mee dat er soms onvoldoende tijd wordt genomen om goed te analyseren en niet te snel conclusies te trekken. Op grond van interviews en dossiers kunnen we stellen dat het samen optrekken van gezinsmanager en zorgcoördinator tijdens de huisverbodperiode in een gedeeld werkproces, nog beter kan. Nu is het soms zo dat de zorgcoördinator een probleemanalyse gereed wil hebben, terwijl de gezinsmanager nog meer bezig is met het winnen van vertrouwen en minder de urgentie van een sluitende probleemanalyse voelt. Het vraagt goede onderlinge afstemming, maar ook gezamenlijk commitment aan een gedeeld werkproces, om hierin zoveel als mogelijk gelijk op te trekken of tenminste daarbij steeds goed af te stemmen. We zien dat een verwijzing, op het moment dat iemand bereid is tot hulpverlening, snel is gedaan. De onderliggende problemen zijn dan nog niet altijd goed op een rij gezet. Soms zijn betrokkenen op het moment dat ze verwezen worden naar hulpverlening, nog niet zover: hun hoofd staat er in de hectiek van het tijdelijk huisverbod soms ook simpelweg nog niet naar. Het motiveren van de achterblijver(s) vooral van de uithuisgeplaatste is regelmatig een eerste hobbel die genomen moet worden37. Regelmatig lukt het niet om de vervolghulpverlening direct te laten aansluiten op het tijdelijk huisverbod, omdat er een wachttijd zit tussen aanmelding en eerste gesprek.

Dit wordt soms opgelost door in de tussentijd een (ambulant) traject bij de Blijf Groep aan te bieden (aan de achterblijver, bij de uithuisgeplaatste zien we dit weinig, tenzij het gaat om relatiegesprekken), zodat de tijd tot de start van vervolghulpverlening overbrugd kan worden. Overigens komt het ook regelmatig voor dat de Blijf Groep in een ambulant traject systeemgerichte hulp inzet als vervolg op de hulp tijdens het tijdelijk huisverbod. 2.4.5 Samenwerking tussen samenwerkingspartners Er wordt in de aanpak samengewerkt tussen diverse partners. Hoewel de samenwerking in de meeste gevallen goed verloopt, zien we dat ‘het voelen van een gezamenlijke verantwoordelijkheid’ tijdens de uitvoering van het tijdelijk huisverbod soms nog beter kan. Op grond van een groot onderzoek naar huiselijk geweld stelt het Verweij-Jonker Instituut dat dit een cruciaal aspect is dat de kwaliteit van de samenwerking bepaalt. In dat onderzoek (Lünneman et al., 2021) wordt geconstateerd dat hulp bij huiselijk geweld feitelijk bestaat uit het doorverwijzen en dat er regelmatig van een gevoelde gezamenlijke verantwoordelijkheid geen sprake is. We schetsen in deze paragraaf de onderlinge samenwerking tussen de Blijf Groep en enkele andere belangrijke partners. De Jeugdbescherming Met de Jeugdbescherming is de samenwerking het meest intensief. In de onderlinge samenwerking gaat veel goed.

Omdat beide organisaties de rol hebben om zorg te coördineren is de afbakening van taken belangrijk. Die is in het algemeen goed vernemen we in de interviews. De gezinsmanager van de Jeugdbescherming richt zich met name op de kinderen en hun veiligheid. De zorgcoördinator houdt zich vooral bezig met achterblijver en uithuisgeplaatste en de veiligheidssituatie tussen hen beiden. Uit meerdere bronnen leiden we af dat er in de samenwerking tussen zorgcoördinator en gezinsmanager ook de nodige verbeterpunten zijn. Het ritme en tempo dat het tijdelijk huisverbod van de hulpverleners vraagt, is voor de Jeugdbescherming moeilijk te realiseren. Een van de respondenten van de Jeugdbescherming formuleert dat als volgt: “Soms duurt het al bijna tien dagen voordat ik iedereen gezien heb: dan kan ik niet heel veel toevoegen”. Ook zien gezinsmanagers dat er soms, wellicht door een 37

Overigens komt dit onderdeel (het motiveren) nauwelijks terug in het beschreven werkproces (versie medio 2021).

vanmontfoort.nl

24

gevoelde tijdsdruk, snel conclusies worden getrokken door de zorgcoördinator. Dit levert dan problemen op bij het ontwikkelen van een gezamenlijk beeld van het probleem dat aan het huiselijk geweld ten grondslag ligt. Juist omdat de gezinsmanager na de huisverbodperiode veelal nog verdergaat met het gezin, is dat gezamenlijk beeld van belang. De verbeterpunten in de samenwerking bestaan uit: Snelle inzet van de gezinsmanager in een casus; Inzet van een vaste gezinsmanager ten tijde van het THV en idealiter ook voor de periode daarna; Voeren van een gezamenlijk systeemgesprek; Altijd tijd nemen om een gezamenlijk gesprek voor of na te bespreken; Delen van gespreksverslagen. Begin 2021 hebben de Jeugdbescherming en de Blijf Groep afspraken gemaakt om te zorgen dat het vaker lukt om snel een gezinsmanager in het gezin te krijgen. Die afspraken worden periodiek gezamenlijk geëvalueerd. Politie We zien dat de politie, nadat ze in het voortraject van oplegging hun werk hebben gedaan, in het vervolg tijdens en na het THV nog te weinig zijn betrokken. Als de uithuisgeplaatste niet bereikt kan worden, of niet wil meewerken, dan kan met de politie worden overlegd of ze een rol kunnen vervullen om de uithuisgeplaatste tot medewerking te bewegen. Ook kan het zijn dat de politie meer informatie kan verschaffen over de mogelijke vind- of verblijfplaats van de uithuisgesplaatste.

Bij overtredingen van het THV kan overleg ook helpen zodat de politie zicht houdt op het aantal overtredingen en het leidt tot de juiste vervolgactie. We zien dat er een directe aanleiding voor moet zijn, wil er contact worden opgenomen met de wijkagent. Het is niet zo dat deze in alle gevallen op de hoogte wordt gesteld van het verloop in een casus in zijn of haar werkgebied. Verder beperkt het onderling contact tussen de zorgcoördinator en de politie zich doorgaans tot de uitwisseling van informatie. In een enkel geval wordt politie gevraagd om te escorteren, bijvoorbeeld als er spullen opgehaald of weggebracht moeten worden en er risico op escalatie wordt verondersteld. Maar het betrekken van de politie om informatie te kunnen krijgen, zien we weinig terug in de dossiers. Aan de andere kant zien we ook hier weer een verschil in ritme en tempo. De strafrechtelijke afhandeling vindt regelmatig pas na het huisverbod plaats. Informatie erover is mede hierdoor ook niet snel voor de zorgcoördinator beschikbaar. Ook van de uithuisgeplaatste krijgt deze doorgaans hierover weinig te horen. Samenwerking met andere partners De afgelopen jaren zijn in toenemende mate onderlinge werkafspraken gemaakt om te zorgen dat er goed wordt samengewerkt en ook dat verwijzingen soepel en zo snel als mogelijk kunnen verlopen.

Zo is in het werkproces van ZSM opgenomen dat alle aangehouden uithuisgeplaatsten zo snel als mogelijk in contact worden gebracht met de reclassering. Als ze niet worden voorgeleid aan de rechter-commissaris (en dus geen afspraak met reclasseringsafspraak voor vroeghulp hebben), dan worden ze in contact gebracht met het Spreekuur Huiselijk Geweld van Reclassering Nederland (RN). De medewerkers van dit spreekuur nemen vervolgens contact op met de Blijf Groep. De Blijf Groep heeft ook werkafspraken met De Waag, Jellinek, de Buurtteams, met ZSM, Openbaar Ministerie en met het Actiecentrum Veiligheid en Zorg. Met De Waag en met het

vanmontfoort.nl

25

Centrum voor Relationele Therapie van Arkin is afgesproken dat voor huisverbod cliënten bij het opstarten van een behandeling geen wachttijden gelden. De zorgcoördinatoren investeren veel tijd in het onderhouden van relaties met zowel formele als informele zorginstellingen, huisartsen maar ook met bijvoorbeeld de zogenoemde doorbraakteams38 in de stad. Samenwerking met GGZorganisaties is soms moeilijk. De beperkte beschikbaarheid van GGZ-informatie is een belangrijk knelpunt. Er wordt daarbij ook verwezen naar de organisatie van tijdelijke huisverboden in het verleden toen er, via GGD Vangnet en Advies, wel enige informatie beschikbaar kwam over betrokkenheid van de GGZ. Pilot Blijvend Veilig In de pilot Blijvend Veilig werken diverse organisaties samen aan veiligheid in gezinnen waar huiselijk geweld zich voordoet. Deze organisaties zijn: Blijf Groep, de Jeugdbescherming en WSJJ, Raad voor de Kinderbescherming, Veilig Thuis en de gemeente Amsterdam. Er wordt gewerkt volgens de visie van Van Arum en Vogtländer (de Civil Care Top 3 methode) aan veiligheid op de korte termijn (risicogestuurd) en lange termijn (herstelgericht). De teams bieden, vanuit een brede benadering van het begrip veiligheid, ook hulp bij praktische zaken en gericht op de verschillende leefgebieden. Zo wordt toegewerkt naar een blijvend veilige situatie.

De komende tijd wordt in een experiment bekeken hoe de uitvoering van tijdelijke huisverboden en deze pilot zich tot elkaar verhouden. Overdracht van een casus Het valt op dat zorgcoördinatoren de overdracht van een casus naar vervolghulpverlening in vrij veel gevallen niet ‘warm’ uitvoeren. Gezien de grote hoeveelheid informatie die door Blijf Groep gedurende het tijdelijk huisverbod is opgebouwd, kunnen we stellen dat hiermee soms informatie verloren gaat. In gezinnen met kinderen is met de gezinsmanager tijdens het verloop van het tijdelijk huisverbod veel samengewerkt en informatie uitgewisseld. 2.4.6 Monitoringperiode De overgang van het einde huisverbod naar de monitoringperiode is een knip in het traject.39 Het contact is dan duidelijk veel minder (als er nog contact is). Het hangt vaak van de achterblijver (of de uithuisgeplaatste maar dit komt niet vaak voor) af of er nog contact is met de Blijf Groep. De zorgcoördinator neemt in deze periode een afwachtende houding aan. Het initiatief ligt in principe bij betrokkenen en collega hulpverleners in de casus.

In een van de interviews met achterblijvers werd dit ook door een achterblijver zo ervaren: “…ik vond het vrij abrupt stoppen nadat het tijdelijk huisverbod afliep” In deze casus was het niet gelukt hulpverlening in te zetten en ook kreeg de 21jarige zoon (de uithuisgeplaatste) geen ondersteuning meer bij het zoeken naar zelfstandige woonruimte, geeft het slachtoffer (de moeder) aan. In de monitoringperiode worden (zoals we in veel dossiers zien) doorgaans weinig pogingen meer ondernomen om het contact toch tot stand te brengen als dit er onvoldoende is geweest. In casussen waar al geen andere hulpverleners betrokken zijn betekent dit dat de betrokkenen meestal uit beeld verdwijnen. In gezinnen waarin een gezinsmanager betrokken is, loopt de hulpverlening langer door als dit nodig is. In interviews 38 Om te voorkomen dat in sommige gevallen complexe problemen ertoe leiden dat mensen tussen wal en schip vallen, werken doorbraakteams aan het bieden van maatwerk en onder meer ook aan een integrale escalatieroute als een aanpak stokt. 39 Zoals ook hiervoor geldt: dit gaat over het werkproces in Amsterdam en de DUO-gemeenten (werkproces zorgcoördinatie door Blijf Groep). In de AA-gemeenten wordt op een andere manier gewerkt (zie paragraaf 2.5) en is geen sprake van zo’n knip.

vanmontfoort.nl

26

komt naar voren dat juist in de periode dat de ‘wittebroodsweken optreden’, dus na afloop van het tijdelijk huisverbod, de zorgcoördinator soms meer ruimte zou moeten nemen om tijdens de monitorperiode nog te sparren met de gezinsmanager over het gewenste vervolg. Hoe lang volgt de zorgcoördinator de casus? De periode dat de casus vanuit de Blijf Groep wordt gevolgd, varieert. Gemiddeld genomen heeft de zorgcoördinator ongeveer 2 tot 2.5 maand na de start van het tijdelijk huisverbod voor het laatst contact. Dat contact is er dan met ofwel een betrokken professional ofwel met de achterblijver. Soms is er met beide contact om te informeren hoe het traject verloopt. Aangezien de meeste THV’s verlengd zijn (en dus een maand duren), betekent het in die gevallen dat er na afloop van het tijdelijk huisverbod nog gemiddeld 1 tot 1.5 maand gemonitord wordt. Dit is korter dan de monitorperiode die in het werkproces is beoogd. 2.4.7 Hoe ervaren betrokkenen het tijdelijk huisverbod? Op grond van de dossierstudie en de interviews met achterblijvers en uithuisgeplaatsten zien we dat achterblijvers veelal blij zijn met de rust die het tijdelijk huisverbod biedt. Tegelijkertijd valt het op dat ze zich in veel gevallen ook zorgen maken over de uithuisgeplaatste, vooral als niet duidelijk is of deze een veilige verblijfplek heeft.

Geïnterviewde achterblijvers en een uithuisgeplaatste geven aan dat ze niet altijd de keuzes van hulpverleners begrijpen. Het tijdelijk huisverbod vond men nuttig, maar het is ook duidelijk dat de aansluiting op vervolghulp beter kan. 2.4.8 Overtreden van het tijdelijk huisverbod In ongeveer een vijfde van de gevallen wordt een huisverbod gedurende het verloop van 10 of 28 dagen aantoonbaar overtreden. Op grond van de Wet Tijdelijk Huisverbod (op grond van artikel 11) zou de overtreder moeten worden aangehouden. De politie geeft aan dat niet zelden de overtreder alweer weg is op het moment dat de politie ter plaatse komt om de overtreding te constateren. En los hiervan geven zorg- en hulpverleners aan dat ze mogelijk geen volledig beeld hebben van de aantallen keren dat een uithuisgeplaatste, bijvoorbeeld via whatsapp contact zoekt met de kinderen. Er zijn geen cijfers beschikbaar van de aantallen aanhoudingen, maar op grond van interviews en dossiers kunnen we stellen dat dit slechts in een fractie van de zaken gebeurt. Regelmatig volstaat de politie met een gesprek en reprimande. Overigens zien we dat in sommige gevallen de voortgang in de casus niet gebaat is bij een aanhouding wegens een overtreding, bijvoorbeeld als er een goed onderling gesprek tot stand is gekomen en een aanhouding dit proces weer zou kunnen frustreren.

Dit laat onverlet dat de politie goed zicht zou moeten kunnen hebben op de aantallen overtredingen en de vervolgacties (zie hiervoor). 2.5

De werkwijze bij tijdelijke huisverboden in de Amstellandgemeenten

De regio rondom de gemeente Amsterdam bestaat uit Amstelveen, Aalsmeer (kortweg de AAgemeenten) en Diemen, Uithoorn en Over-amstel (de DUO-gemeenten). In de DUO-gemeenten wordt in grote lijnen op dezelfde wijze gewerkt als in de gemeente Amsterdam. Ook hier is Blijf Groep de partij die tijdens het tijdelijk huisverbod hulp biedt en de coördinatie van tijdelijke huisverboden uitvoert.

vanmontfoort.nl

27

2.5.1 Werkwijze in Amstelveen en Aalsmeer In de AA-gemeenten wordt de begeleiding en hulp tijdens en na het tijdelijk huisverbod uitgevoerd door het Sociaal team Aalsmeer en Amstelveen. Op veel onderdelen verloopt de oplegging en uitvoering van tijdelijke huisverboden in deze gemeenten hetzelfde als in Amsterdam en de DUOgemeenten. Maar er zijn enkele belangrijke verschillen in het vervolg van het werkproces die we in deze paragraaf in het kort beschrijven. Coördinatie zonder vaste termijnen Omdat de zorgcoördinatie wordt uitgevoerd door het Sociaal team, wordt na afloop van het tijdelijk huisverbod de casus behandelt als een casus van het Sociaal team. Dit betekent dat er altijd intensieve casusregie volgt na het tijdelijk huisverbod, waarin de problemen met betrekking tot de verschillende leefgebieden in kaart zijn gebracht. In de AA-gemeenten blijven de beide coördinatoren in vrijwel alle gevallen gedurende langere tijd in het gezin. Door de langere duur van het traject zijn er ook meer kansen om ook de uithuisgeplaatste (uiteindelijk) in het traject te kunnen betrekken. Passende hulpverlening wordt ingezet, en ook begeleiding door gemeentelijke diensten zoals schuldhulpverlening, werk & inkomen, en eventueel de gemeentelijke dienst woonzaken.

De intensiteit van de begeleiding van het Sociaal team neemt af en gaat over op monitoring op het moment dat cliënten zijn aangekomen bij de hulpverlening. Tot die tijd geeft het Sociaal team ambulante begeleiding in de vorm van (systeem)gesprekken en eventuele ondersteuning bij praktische zaken. Dit geldt eveneens voor de minderjarige kinderen in het systeem. Langdurige ondersteuning op leefgebieden en bij praktische zaken Een verschil met de manier van werken in Amsterdam en de DUO-gemeenten is het feit dat de ambulante begeleiding van het Sociaal team in meer gevallen gedurende langere tijd parallel kan lopen aan de al ingezette hulpverlening. Het starten van de periode van monitoring is op papier hetzelfde: als de hulp is overgedragen aan gespecialiseerde partijen en de maatschappelijke problematiek voor begeleiding elders is belegd. Maar in de praktijk duurt de begeleiding door het Sociaal team dus langer. Ook wordt er gedurende langere tijd (6 maanden) gemonitord. Binnen deze periode kan nog steeds in overleg met de zorgpartners naar aanvullende hulp worden verwezen. Omdat vaak op diverse leefgebieden sprake is van problematiek, die in verband staat met het huiselijk geweld, blijft het team betrokken om deze problemen te helpen aanpakken.

Dit betekent in de praktijk bijvoorbeeld dat er bij financiële problemen (zoals schulden) wordt geholpen door hierin te ondersteunen of te helpen zoeken naar oplossingen. Gesprekken worden altijd gezamenlijk gevoerd De gesprekken met achterblijver en/of uithuisgeplaatste worden standaard gezamenlijk gevoerd door de beide zorgcoördinatoren. De meerwaarde bestaat uit de mogelijkheid om elkaar in het gesprek te kunnen aanvullen. Als de ene professional aan het woord is, heeft de andere de mogelijkheid om te kunnen observeren welke signalen bij een gesprekspartner op te merken zijn. Als we de vijf casussen in de steekproef bekijken die betrekking hebben op tijdelijke huisverboden in de AA-gemeenten, dan zien we een bevestiging van de genoemde werkwijze. Het contact is

vanmontfoort.nl

28

intensief (soms worden er gedurende meerdere maanden wekelijks systeemgesprekken gevoerd). Daarbij is vrijwel zonder uitzondering sprake van (ernstige) multiproblematiek en mede daardoor zijn de geboekte resultaten in genoemde casussen in enkele gevallen beperkt. Maar we zien wel dat in alle casussen op z’n minst enige verbetering optreedt. We gaan hier in hoofdstuk 4 nader op in. 2.6

Opvang van de uithuisgeplaatste

Soms komt het voor dat de uithuisgeplaatste geen plek heeft om te verblijven tijdens het tijdelijk huisverbod. Deze heeft dan niemand in het eigen netwerk en ook geen financiële middelen om elders zelf een slaapplek te regelen. Wanneer dit probleem zich voordoet bemoeilijkt dit ook het leggen van contact met de uithuisgeplaatste in de eerste dagen na oplegging van het tijdelijk huisverbod. Er is een beperkt aantal plekken beschikbaar in een hotel waar een uithuisgeplaatste tijdelijk opgevangen kan worden. In principe voor enkele nachten zodat hij of zij tijd heeft om in de tussentijd zelf een plek te vinden. Veilig Thuis maakt de beoordeling tijdens het opleggen van het THV of de uithuisgeplaatste hiervoor in aanmerking komt. Dit is het geval als de uithuisgeplaatste zelf geen enkele mogelijkheid heeft in zijn of haar netwerk. En daarnaast ook geen financiële middelen heeft om zelf onderdak te kunnen regelen gedurende de periode van het THV. Als het niet anders kan, dan is er voor een beperkt aantal uithuisgeplaatsen ook de mogelijkheid om langere tijd in een hotel opgevangen te worden. We zien dat uithuisgeplaatsten heel uiteenlopende keuzes maken. Soms weigeren ze een aangeboden kamer in een hotel en slapen in hun eigen auto. Het komt ook voor dat de uithuisgeplaatste zelf (soms veel) geld uittrekt voor een hotelkamer, terwijl de eigen financiële mogelijkheden beperkt zijn.

Het blijkt lastig om snel zicht te krijgen op de situatie en grip op de keuzes die de uithuisgeplaatste maakt. Als de uithuisgeplaatste in een hotel verblijft is hij beter bereikbaar voor hulpverleners. Er is dan ook meer rust en ruimte om mee te werken wordt door de Blijf Groep naar voren gebracht. Het is om meer redenen cruciaal dat de uithuisgeplaatste snel een verblijfplek moet hebben. Als dit niet lukt, dan ‘is hij alleen maar boos…’, aldus een van de geïnterviewden. Ook de achterblijver maakt zich dan extra zorgen en de onderlinge verhouding is extra verstoord. Ook draagt dit eraan bij dat de uithuisgeplaatste het gevoel heeft vooral als ‘schuldige’ te worden gezien. 2.7

Vergelijking met de TOP-3 methodiek van Civil Care (door Van Arum en Vogtländer)

We hebben de werkwijze bij tijdelijke huisverboden vergeleken met het model van gefaseerde ketenzorg40, zoals dat in de regio Amsterdam-Amstelland centraal staat. In het model wordt uitgegaan van drie fasen in de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling: 1. Veiligheidsplan voor directe veiligheid; 2. 3.

Hulpverleningsplan voor risico-gestuurde zorg; Herstelplan om de gevolgen aan te pakken.

40 Bron: https://www.civilcare.org/images/Visie_samen_werken_voor_veiligheid__TOP-3_methodiek_-_kort_samengevat__stichting_civil_care_-_maart_2021.pdf .

vanmontfoort.nl

29

Als we kijken naar de uitvoering van tijdelijke huisverboden door zorgcoördinatoren van de Blijf Groep in samenwerking met partners, dan zien we allereerst dat er een veel langere periode nodig is. Het tijdelijk huisverbod speelt zich af in maximaal een maand (28 dagen) waarna er nog drie maanden gemonitord zou moeten worden. In totaal is er dan zorgcoördinatie gedurende vier maanden. De TOP-3 methodiek van Civil Care waarin bovengenoemde drie fasen worden onderscheiden laat zien dat voor het duurzaam stoppen van het geweld in deze en ook navolgende generaties, vaak intensievere en langduriger zorg nodig is. Het is de vraag of het de Jeugdbescherming lukt de benodigde intensiteit en duur van begeleiding en coördinatie te realiseren in de zeer complexe zaken met problematiek op veel leefgebieden. Er zijn dus duidelijke keuzes nodig als er binnen de huidige randvoorwaarden van de aanpak conform deze visie gewerkt moet worden. Een aantal zaken valt op als we de bevindingen van het onderzoek naast de methodiek van Civil Care leggen: Conform de visie ligt in de huisverbodperiode de eerste focus heel duidelijk op het realiseren van een werkend veiligheidsplan. Als het niet lukt een werkend veiligheidsplan te realiseren en een of meer betrokkenen werken onvoldoende mee, dan kan alleen samen met ketenpartners aan die veiligheid worden gewerkt.

In 2021 is hard gewerkt aan de randvoorwaarden (verbindingen leggen), bijvoorbeeld door intensiveren van de samenwerking tussen ZSM/OM en de Blijf Groep. Er kan nog meer aandacht worden besteed, ook binnen de periode van 28 dagen, aan het werken aan een hulpverleningsplan gebaseerd op geprioriteerde risicofactoren. De methodiek van Civil Care onderstreept het belang van zorgcoördinatie: er moet immers in een gezamenlijke taal aan gemeenschappelijke doelen gewerkt worden. Er is continuïteit nodig en een stapsgewijze aanpak. In verschillende fasen is andere hulp nodig. De verbinding met het ‘grotere plan’ moet daarbij worden gewaarborgd. Er is duidelijk een langere periode van begeleiding en zorgcoördinatie nodig voor het aanpakken van de grote problemen waar de (ex-)stellen en gezinnen die te maken krijgen met een huisverbod mee kampen. 2.8

Samenloop met andere (strafrechtelijke) interventies

Het is lastig om op grond van de dossiers duidelijke conclusies te trekken over de mate waarin huisverboden samen oplopen met strafrechtelijke interventies. Het is niet mogelijk gebleken om van de betreffende dossiers in de politiesystemen na te gaat wat er strafrechtelijk is ingezet. Op grond van recent onderzoek van Lünneman en Ter Woerds (2021, p. 15) kunnen we stellen dat als er verschillende interventies tegelijkertijd worden ingezet, deze veelal parallel lopen. De onderzoekers stellen dat “…In plaats van afstemming tussen de strafrechtelijke route en een hulpverleningstraject lijkt eerder sprake van twee gescheiden routes…” (onder verwijzing naar Tierolf, et al.: 2014; Lünnemann e.a.: 2019). We zien dat de Blijf Groep recent het contact heeft gezocht met ZSM om de samenwerking te verbeteren. Een van de zorgcoördinatoren schat dat er in ongeveer vier op de vijf huisverboden tevens een strafrechtelijk traject wordt ingezet. Bij oplegging van een contactverbod door het Openbaar Ministerie zouden de bevindingen van de Blijf Groep meegewogen moeten worden in de

vanmontfoort.nl

30

afweging41. Er is nu nog geen lijn van het Openbaar Ministerie naar de Blijf Groep, bijvoorbeeld om ze op de hoogte te houden van het verloop van het strafrechtelijk traject. Het onderling delen van informatie over trajecten wordt soms bemoeilijkt door privacyregels.

41

Zie bijvoorbeeld ook casus no. 2, beschreven in paragraaf 4.4. Hierin lezen we dat het Openbaar Ministerie oordeelt dat

van een strafbaar feit geen sprake is. Als de bij Blijf Groep bekende feiten en omstandigheden zouden zijn meegewogen, dan zou wellicht tot een andere afdoening gekomen zijn.

vanmontfoort.nl

31

3.

Achterliggende problematiek bij tijdelijke huisverboden

Bij huisverboden zien we dat er veelal sprake is van complexe problematiek. We schetsen in dit hoofdstuk welke problematiek we terugzien in de 40 dossiers. 3.1

Financiën en schulden

In 21 van de 40 dossiers zien we dat sprake is van problematische schulden. In enkele gevallen gaat het om ‘slechts’ enkele duizenden euro’s, maar veelal liggen de bedragen in de vijf cijfers (meer dan 10.000 euro). We zien dat de rol die de schulden spelen in de instandhouding van de geweldsspiraal in sommige gevallen wel worden benoemd in de probleemanalyse, en in andere gevallen niet. In zeker de helft van de gevallen dragen de schulden direct bij aan het geweld, door de stress die hierdoor wordt ervaren. In minder dan de helft van de casussen waar schulden spelen, is de hoogte van de schulden onder controle (loopt niet verder op) en is er ook hulp voor deze schulden. Overigens betekent dat soms dat er al sprake is van een traject van schuldhulpverlening, maar in andere gevallen is er wel hulp maar komt iemand (nog?) niet in aanmerking voor schuldhulpverlening. Tijdens de korte duur van het tijdelijk huisverbod is er voor de zorgcoördinator weinig ruimte om te zorgen dat er aandacht is voor dit specifieke probleem. Veelal wordt het benoemd en in het beste geval wordt het in de overdracht naar vervolghulpverlening (als dit al lukt) benoemd. Het feit dat in een flinke minderheid van de gevallen de betrokkenen hierover tijdens het tijdelijk huisverbod geen openheid willen geven helpt hierbij niet mee. Meer tijd en aandacht is nodig om dit probleem aan te pakken. 3.2

Psychische en psychiatrische problemen

In 23 van de 40 dossiers (58%) zien we dat van GGZ-problematiek sprake is bij een of meerdere betrokkenen. In nog eens 4 dossiers (10%) zien we tekenen die hierop mogelijk wijzen. Opgeteld betekent dit dat in twee op de drie gevallen er dus tenminste vermoedens van GGZ-problematiek bestaan42. Er wordt mogelijk bij GGZ-problematiek eerder besloten tot een huisverbod, aldus enkele respondenten (politie en een hulpverleningspartner). Deze risicofactor zou dan mogelijk relatief zwaar worden meegewogen als het gaat om de gevaarsinschatting. Of het belang van de juiste hulpverlening onderstreept het potentieel nut van het tijdelijk huisverbod. Verwijzingen naar GGZ-hulp komen in de periode van het tijdelijk huisverbod en direct erna relatief weinig voor. Deels heeft dit te maken met wachtlijstproblematiek (geldt niet voor De Waag). We geven een voorbeeld van een casus waar psychiatrische problematiek een rol speelt bij het geweld. Casus 64: Een stel dat enkele jaren geleden naar Nederland immigreerde kent grote problemen. Ze spreken de taal niet, hebben schulden, een hoge huur, een te klein huis en geen sociaal steunsysteem. De man krijgt een THV opgelegd nadat hij haar bedreigt met een mes. Hij was 42 Uit de evaluatie van de pilot ‘Innovatieve Psychiatrie’, gericht op inzetten van spv-ers in nieuw aangemelde gezinnen bij de Jeugdbescherming, komen vergelijkbare cijfers naar voren.

Zie: Hazeleger et al. (2018).

vanmontfoort.nl

32

jaloers en door een psychiatrische stoornis reageert hij onder stress zeer extreem. Hij ziet dit zelf wel en gaat met zijn vriendin bij een informele organisatie in relatietherapie. De zorgcoördinator en gezinsmanager trekken samen op. Er moeten erg veel praktische zaken ook worden geregeld, zowel tijdens de huisverbodperiode als erna. Het gaat goed met het gezin, maar van psychiatrische hulpverlening voor de man is nog geen sprake als de Blijf Groep de casus afsluit en de gezinsmanager de coördinatie verder alleen voortzet.

3.3

Verslaving

In iets meer dan de helft (22 van de 40) van de gevallen staat de verslaving aan verdovende middelen (vrijwel altijd alcohol) voorop in de problematiek van (meestal) uithuisgeplaatsten en (soms ook van) achterblijvers. Het gaat hierbij vaak om ernstige en jarenlange verslavingsproblematiek. Het nuttigen van hoeveelheden als drie flessen wijn per dag is geen uitzondering. In diverse casussen beginnen uithuisgeplaatsten ’s ochtends al met drinken. Opvallend vaak wordt vastgesteld dat een uithuisgeplaatste eigenlijk alleen agressief wordt en de achterblijver mishandelt op het moment dat hij of zij veel alcohol heeft gebruikt. Het stoppen van alcoholgebruik is in meerdere casussen ook de directe oplossing voor verbeteren van de veiligheid. Dit vraagt vanzelfsprekend wel ondersteuning en hulpverlening om het vol te kunnen houden. We zien we sporadisch dat er gedurende het (verlengde) huisverbod of in de monitoringperiode een focus wordt gelegd op toeleiding naar verslavingszorg. Hier is het soms ook nog te vroeg voor, omdat er eerst tijd nodig is het drankgebruik bespreekbaar te maken (zie ook de hieronder beschreven casus). In enkele casussen zien we dat het lijkt te lukken om te stoppen met drinken, zonder interventies van deskundigen op het vlak van middelengebruik.

Gezien de hardnekkigheid van de problematiek van alcoholverslaving, is het de vraag hoe lang dit na verloop van tijd wordt volgehouden. Het inzetten van hulpverlening op deze vorm van verslaving is ook erg moeilijk. In recent onderzoek naar huiselijk geweld en kindermishandeling door Steketee et al. (2020, p. 79) lezen we dat slechts 1 tot 2 procent van de slachtoffers van huiselijk geweld hulp krijgt uit de verslavingszorg. Dit cijfer onderstreept het belang van aandacht voor deze problematiek en voor het inzetten van adequate expertise om deze risicofactor aan te kunnen pakken. Casus 81: In een gezin met twee minderjarige kinderen, wordt een vrouw door haar man met vuisten en een plank geslagen als ze niet (op tijd) de deur open doet voor haar man, die dronken thuis komt. Verwijzing naar de verslavingszorg werd bemoeilijkt door het taalprobleem. Het lukt tijdens het THV voor het eerst om het alcoholgebruik bespreekbaar te maken. De man kon niet zonder consequenties zijn gang gaan: de vrouw zou de politie bellen als het misging. Angst voor de IND speelde mee bij de man. Tijdens de verlenging van het tijdelijk huisverbod werd afgesproken dat hij onder geen beding dronken thuis zou komen. Als hij wel drinkt dan ging hij naar een vriend. De moeder van de vrouw en mensen uit de buurt zorgden voor sociale controle.

Na vier maanden kon het traject worden afgesloten door zowel de zorgcoördinator als de gezinsmanager, omdat sprake was van een voldoende veilige situatie.

vanmontfoort.nl

33

3.4

Huisvestingsproblemen

We zien dat zich in 26 casussen (65%) huisvestingsproblemen voordoen. Deze zijn meestal op een of andere manier gerelateerd aan de geweldsspiraal of de oplossing van het probleem kan tenminste bijdragen aan verbetering van de veiligheid. We geven enkele voorbeelden om de diversiteit van deze huisvestingsproblemen te illustreren: Er is veel schimmel in huis, geen stroom en de ketel functioneert niet. Het gezin heeft schulden; Zoon zou begeleid moeten wonen, maar niet duidelijk of er een geschikte plek voor hem te vinden is; Uithuisgeplaatste komt na het tijdelijk huisverbod in de maatschappelijke opvang terecht, waar hij wordt geschorst vanwege wangedrag; Illegale bewoning veroorzaakt veel stress. Soms is oplossing van huisvestingsproblemen een voorwaarde om tot veiligheid te kunnen komen. Maar dat is zeker niet altijd het geval, zoals onderstaand voorbeeld illustreert. Casus 62: Twee veertigers, beide circa 10 tot 15 geleden vanuit Turkije geïmmigreerd, hebben veel ruzie. Ze hebben drie jonge kinderen. Als hij haar enkele keren slaat en schopt en ze de volgende dag bont en blauw aangifte komt doen, wordt een tijdelijk huisverbod opgelegd. Al sinds het begin van de relatie is sprake van schelden door de man en ongeveer eens per zes weken ook van fysiek geweld, dat meestal beperkt blijft tot duwen. De vrouw is bang voor haar man, kruipt weg en cijfert zichzelf weg.

‘Ze praat niet’ en dat frustreert de man erkent hij. Hij wil dat ‘ze meer meedoet’. Ze woonden eerder illegaal hetgeen voor erg veel stress zorgde. Nu huren ze in de vrije sector met een hoge maandlast. Ze overwoog tot twee keer toe te gaan scheiden maar zette de procedure weer stil. Beide aanvaarden de aangeboden hulpverlening. De man erkent dat therapie nodig is. Het feit dat de politie werd betrokken maakte indruk. Omdat de man soms ineens boos kon worden, werd ‘de escalatieladder’ vaak met hen besproken. Doordat er goede afspraken gemaakt konden worden over wie wanneer (bij toerbeurt) in de woning verbleef verbeterde de situatie. De last om soms niet bij de kinderen te kunnen zijn deed de man inzien dat veranderen nodig was.

3.5

Beschikbaarheid van een steunend netwerk

We zien dat in vrij veel gevallen de betrokkenen niet de beschikking hebben over steun in hun sociaal netwerk. In 15 van de 40 casussen (38%) ontbreekt dit netwerk. In 9 gevallen is er wel een netwerk beschikbaar en in 7 casussen is er enige steun waarop een beroep kan worden gedaan. Dit betekent dat er bij 40% van de huisverboden personen zijn in het netwerk waarop mogelijk een beroep kan worden gedaan. We zien dat deze bronnen in de uitvoering van de huisverboden tot dusverre maar minimaal worden ingezet. Zorgcoördinatoren wijzen erop dat eerst toestemming nodig is van de betrokkenen om contact te mogen leggen met deze personen in het sociaal netwerk en er lijkt hierop maar sporadisch te worden aangedrongen. Er is op dit vlak nog de nodige verbetering mogelijk.

vanmontfoort.nl

34

4.

Resultaten

In dit hoofdstuk beschrijven we, op basis van een analyse van de steekproef van 40 dossiers, in welke mate de doelen van het tijdelijk huisverbod worden gehaald in Amsterdam-Amstelland en gaan we in op de werking en resultaten van het tijdelijk huisverbod in enkele specifieke situaties. 4.1

De situatie bij de beëindiging van het tijdelijk huisverbod

Hoewel het tijdelijk huisverbod niet het doel heeft direct voor duurzame veiligheid te zorgen, zien we dat in een deel van de gevallen dat de kans op duurzame veiligheid flink is toegenomen. De gesprekken die zorgcoördinator en andere professionals tijdens de huisverbodperiode met betrokkenen voeren zijn hierin een belangrijke factor. We zien dat een duidelijk verbeterde veiligheidssituatie in veel gevallen samenhangt met het feit dat een partnerrelatie wordt verbroken. Als we alleen kijken naar de huisverboden waarin van een partnerrelatie sprake is, dan leidt oplegging van het tijdelijk huisverbod in bijna 1 op de 3 gevallen tot het (tenminste voorlopig) verbreken van de relatie. Vervolgens kijken we, op grond van informatie in de dossiers over de keuzes van beide partners gedurende en na de huisverbodperiode, of een definitieve breuk waarschijnlijk geacht kan worden. We zien dat een definitieve breuk te verwachten is in 9 van de 40 casussen43 (23%). Dit betekent dat het instrument huisverbod in deze gevallen al op vrij korte termijn een effectief instrument kan zijn, of tenminste een situatie van duurzame veiligheid dichterbij brengt. Dat is een goed resultaat te noemen, aangezien het hier veelal gaat om ernstig en meestal jarenlang huiselijk geweld.

We kunnen voorts vaststellen dat in tenminste 6 van 9 gevallen voor de achterblijver na het verbreken van de relatie hulpverlening is opgestart. Belangrijk is om ons te realiseren dat beëindiging van de relatie in geen geval een garantie is dat in een nieuwe relatie zich niet opnieuw dezelfde problemen zullen voordoen. Om dit te voorkomen is meer nodig. In de andere gevallen (2 op de 3 dossiers met partnerrelatie) is het zo dat de uithuisgeplaatste na afloop van het tijdelijk huisverbod weer terugkeert naar huis. In een deel van de gevallen gebeurt dat op een relatief veilige manier: er zijn dan veiligheidsafspraken gemaakt met beide partijen. Die afspraken hebben vaak betrekking op het toepassen van een time-out op het moment dat er zich nieuwe conflicten voordoen of dreigen voor te doen. Er wordt dan afgesproken dat een van beide partijen uit de situatie gaat en ook worden afspraken gemaakt over wat er vervolgens wel of juist niet gedaan of gezegd mag worden als men elkaar weer ziet. Andere veiligheidsafspraken hebben betrekking op het voorkomen dat kinderen geconfronteerd worden met huiselijk geweld zelf of tussen de partners onderling. Het al dan niet slagen van de veiligheidsafspraken is van groot belang om ook in de periode na het tijdelijk huisverbod voor voldoende veiligheid te zorgen.

Die kan doorgaans alleen bestendig zijn als risicofactoren in voldoende mate zijn weggenomen. We hebben in het voorafgaande hoofdstuk gezien dat zich in de casussen doorgaans meerdere, en vaak zelfs veel, risicofactoren voordoen. Vaak is sprake van multiproblematiek. Ook hebben we beschreven dat het lastig is voor de zorgcoördinator om in zo korte tijd hulp te organiseren waarbij 43 In 3 van deze 9 gevallen was er voor een achterblijver een herhaald huisverbod voor nodig om te kunnen komen tot verbreken van de partnerrelatie.

vanmontfoort.nl

35

alle risicofactoren worden aangepakt. Meestal wordt de betrokkenheid van de zorgcoördinator teruggebracht naar de ‘monitorstand’ op het moment dat er tenminste één verwijzing naar hulp is geslaagd. Als er minderjarige kinderen in het gezin zijn (en dus ook een GI betrokken is), wordt het toezien op deze hulp verder overgelaten aan de gezinsmanager. De betrokkenheid van de Blijf Groep blijft dan beperkt tot nog enkele keren (veelal één of twee keer) navragen of het traject nog goed verloopt. In dit hoofdstuk beschrijven we de mate waarin de doelen van het tijdelijk huisverbod worden gehaald. Eerst gaan we in op het al dan niet bereiken van een situatie van directe veiligheid. Vervolgens wordt de toeleiding naar hulpverlening besproken. 4.2

Doelbereiking

4.2.1 Realiseren directe veiligheid Het belangrijkste doel van het tijdelijk huisverbod is om directe veiligheid te realiseren. Door het uithuisplaatsen van de pleger zien we dat in veel gevallen tijdens de huisverbodperiode de rust zorgt voor een verbetering van het veiligheidsgevoel bij achterblijvers. We zijn in alle dossiers nagegaan in hoeverre duidelijk of aannemelijk is dat de veiligheid is toegenomen verderop in de tijd. Het is in de meeste gevallen niet mogelijk om harde uitspraken te doen over de directe veiligheid op het moment dat het tijdelijk huisverbod is afgelopen en de uithuisgeplaatste is teruggekeerd naar huis of op een moment enkele weken of maanden nadien. Om een indruk te krijgen van de doelbereiking hebben we daarom, op grond van dossierinformatie en (deels op grond van aanvullende) interviews, per casus een inschatting gemaakt van de mate van geweldsdreiging. Het moment waarop die inschatting betrekking heeft is het moment dat de zorgcoördinator van Blijf Groep of uit een van de regiogemeenten de casus afsluit44. Op grond van informatie die in het dossier is beschreven over de veiligheidssituatie is de dreigingsinschatting gemaakt. Het moment waarop de inschatting is gemaakt verschilt van casus tot casus. In de meeste gevallen ligt dat moment vrij kort (enkele weken) na het tijdelijk huisverbod.

In een klein deel van de gevallen is in het dossier informatie opgenomen over de veiligheid verderop in de monitoringperiode. We moeten ons bij de interpretatie van hierna volgende cijfermatige informatie realiseren dat deze periode dus varieert en in de meeste gevallen vrij kort na het tijdelijk huisverbod ligt. We zagen in hoofdstuk 2 dat de duur dat de zorgcoördinator nog enige betrokkenheid heeft bij de casus na afloop van het tijdelijk huisverbod beperkt is (gemiddeld nog 1.5 maand45). Het betreft hier in de meeste gevallen een inschatting op grond van dossierinformatie, die soms summier is. Vandaar dat de resultaten met de nodige voorzichtigheid geïnterpreteerd dienen te worden. Tabel 6: Is de geweldsdreiging46 verminderd ten tijde van het laatste contactmoment van de zorgcoördinator? Ontwikkeling dreiging

Aantal

Inschatting: afgenomen

28

Percentage 70%

Inschatting: niet afgenomen

3

8%

Onduidelijk

9

22%

Totaal

40

100%

44

Dit moment van afsluiting komt overigens niet overeen met de geregisteerde afsluitdatum, die veel verderop in de tijd ligt. Dit is het gemiddelde voor de casussen in zorgcoördinatie bij de Blijf Groep. Als Amstelveen en Aalsmeer erin meegenomen zouden worden, dan ligt het gemiddelde niet op 6 weken, maar boven de 10 weken. De betrokkenheid van St AA is langer en ligt in de bestudeerde casussen tussen 3 maanden en 2 jaar. 46 Inschatting is gemaakt op grond van een combinatie van dossierinformatie en (deels ook) interviews over dossiers. 45

vanmontfoort.nl

36

We zien dat de geweldsdreiging in verreweg de meeste gevallen is afgenomen. Hoewel dit dus niet betekent dat de acute veiligheid na terugkeer van de uithuisgeplaatste nog steeds is gerealiseerd, betekent het wel dat het tijdelijk huisverbod in erg veel gevallen wat oplevert. In 8% tot 30% van de onderzochte casussen is geen sprake van een verbetering van de veiligheidssituatie (het percentage ‘onbekend’ bedraagt 22%). Om een indruk te geven wat al dan niet afname van dreiging concreet betekent geven we hieronder twee typerende voorbeelden. Voorbeeldcasus ‘geweldsdreiging afgenomen’ Casus 81: Precies 3.5 maand na afloop van het verlengd huisverbod lukt het de man (die uit huis was geplaatst) om veel minder te drinken en kan de Blijf Groep het ‘soort ambulant traject met relatiegesprekken light’ beëindigen. Er moest geïmproviseerd worden omdat een tolk niet beschikbaar was; ook niet bij de verslavingszorg. Als hij drinkt dan gaat hij naar een vriend; dit is onderdeel van de gemaakte veiligheidsafspraken. Er is sociale controle in de buurt en binnen de gemeenschap. De man schaamt zich erg voor het feit dat hij zijn vrouw circa twee keer per week fysiek mishandelde sinds zij in 2015 begon met werken (hij was het hier niet mee eens). Relatiegesprekken zorgden dat de relatie verbeterde.

Voorbeeldcasus ‘geweldsdreiging niet afgenomen’ Casus 65: Een doofstomme bejaarde vrouw wordt al 12 jaar volledig gedomineerd en met zekere regelmaat geslagen en aan haar haren getrokken door haar jongere echtgenoot. Na een poging tot verwurging volgt een huisverbod voor haar partner. Ze is bang, komt niet meer buiten, maar maakt zich ook zorgen om hem. Eigenlijk kan de vrouw niet zelfstandig wonen. Bij de start van het tijdelijk huisverbod bleek mevrouw geen schoenen te hebben. Zorg werd haar onthouden en ze was een jaar niet buiten geweest. Ze leeft tijdens de huisverbodperiode op en maakt wandelingen in de buurt. Na het tijdelijk huisverbod keert de man terug naar huis. Hij laat haar een briefje schrijven dat ze geen contact meer wil met de zorgcoördinator. Er is hierdoor weinig veranderd in de situatie van het slachtoffer. Haar man start ’s ochtends met drinken. Er is wel bereikt dat er nu meer sociale controle is in de directe woonomgeving. Ook heeft de thuiszorg een signalerende rol gekregen. Maar het is de vraag hoe dit bijdraagt aan meer veiligheid voor de vrouw.

De belangrijkste factor die de verbetering in de veiligheidssituatie bepaalt is het hiervoor reeds genoemde feit of men al dan niet de relatie in stand houdt. 4.2.2 Toeleiding naar hulpverlening Een belangrijk doel van het tijdelijk huisverbod is om te zorgen dat de juiste hulp in gang wordt gezet die op termijn de duurzame veiligheid kan helpen realiseren. Om de doelbereiking op dit punt te kunnen beoordelen is als volgt te werk gegaan. In paragraaf 2.2 hebben we de lastigheden omtrent dit doel van het tijdelijk huisverbod uitgebreid omschreven. In dit onderzoek hanteren we als criterium voor het toeleiden naar hulpverlening:

vanmontfoort.nl

37

een intake heeft al plaatsgevonden; of er is een verwijzing gedaan en de verwachting is dat betrokkene zal starten. Dit betekent dus niet dat de hulp ook daadwerkelijk al gestart hoeft te zijn. Er is ook bij deze beoordeling niet gekeken of de ingezette hulp aansluit bij de probleemanalyse. De hulp kan uiteenlopen van het aanvaarden van schuldhulpverlening tot bijvoorbeeld een therapie bij een GGZ-instelling. Tabel 7: Is toeleiding naar hulpverlening van een van de betrokkenen gelukt? Een van de betrokkenen Aantal

Percentage

Achterblijver(s) Aantal

Uithuisgeplaatste

Percentage

Aantal

Percentage

Toeleiding is gelukt

20

50%

20

50%

10

25%

Toeleiding is deels

10

25%

9

13%

2

5%

8

20%

9

13%

23

58%

Onduidelijk

2

5%

2

6%

5

13%

Totaal

40

100%

40

100%

40

100%

gelukt Toeleiding is niet gelukt

De toeleiding naar hulpverlening van ofwel de achterblijver ofwel de uithuisgeplaatste lukt in bijna de helft van de gevallen (50%). Als we de dossiers hierbij optellen waarbij dit ‘deels lukt’ dan komt het succespercentage op 75%. Bij achterblijvers (50% gelukt) gaat dit beter dan bij de uithuisgeplaatsten (25% gelukt). Er past bij deze cijfers een belangrijke disclaimer. Het moment waarop is gekeken of iemand bij de hulpverlening is ‘aangekomen’ varieert sterk. In een deel van de casussen was de laatste bemoeienis van de zorgcoördinator immers veel korter na beëindiging van het tijdelijk huisverbod (slechts enkele weken). Dit terwijl in andere casussen de casus na pas een half jaar of in een uitzonderlijk geval zelfs pas na 2 jaar door de zorgcoördinator wordt afgesloten en/of overgedragen. Hier zit dus de nodige onzekerheid in. We weten niet of de achterblijver en/of uithuisgeplaatste de hulp ook daadwerkelijk zal starten en voortzetten. Een voorbeeld waarin er geen toeleiding naar hulpverlening tot stand kwam: Voorbeeldcasus ‘toeleiding niet gelukt’ Casus 1: Bij een stel met een belast verleden (ook huiselijk geweld) en problemen op bijna alle leefgebieden (pleinvrees, depressief, geen netwerk, alcoholprobleem, schulden) was in het verleden al veel hulpverlening betrokken. Er is weer genegenheid aan het begin van het systeemgesprek.

Dat wordt even later afgebroken door een razende uithuisgeplaatste. Hij dient een klacht in tegen de Blijf Groep. Ze zeggen in relatietherapie te willen maar komen daarvan terug. Ook bij de cursus weerbaarheid komt achterblijver niet opdagen. De zorgcoördinator kiest ervoor direct af te sluiten en adviseert de politie een volgende keer door te pakken en strafrechtelijk in te grijpen.

vanmontfoort.nl

38

Als we de casussen analyseren waarin geen ingang wordt gevonden voor toeleiding naar hulpverlening dan valt het volgende op. Allereerst betreft het in vrijwel alle gevallen een achterblijver die in isolement leeft of nauwelijks een sociaal steunnetwerk heeft. We zien verder in diverse gevallen dat beide (vaak) partners al zeer snel na oplegging van het tijdelijk huisverbod weer loyaliteit naar elkaar tonen. Het kan ook gaan om chronische zorgmijders in combinatie met ofwel een belast verleden (huiselijk geweld bij eigen ouders; in eerdere relaties) ofwel ernstige psychiatrische problematiek (zoals borderline, chronische depressie en pleinvrees). Deze betrokkenen geven doorgaans al direct na oplegging aan dat ze geen hulpvraag hebben en ook niet geholpen willen worden. In de meeste gevallen is tevens sprake van een complexe gezinssituatie (bijvoorbeeld: inwonende kinderen of jongere volwassen personen met wie juist geen duidelijke relatie aanwezig is; onderhuur bij ex-partner). Het systeemgesprek komt in deze gevallen ofwel heel gemakkelijk tot stand met een verloop zonder agressie of juist in het geheel niet. Op een enkele casus na is in alle gevallen sprake van ernstige tot zeer ernstige problemen op minstens drie van de volgende vijf leefgebieden: Lichamelijke gezondheid; Verslaving; Schulden/financiën; Geestelijke gezondheid; Huisvesting. 4.3

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12761881/1