CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Onderzoek Tussen duurzaam denken en duurzaam doen.pdf

Raadscommissie Duurzaamheid en Circulaire economie 16 mei 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Bespreken van de onderzoeken “Tussen duurzaam denken en duurzaam doen” door het Sociaal en Cultureel Planbureau en “Trajectverkenning Klimaatneutraal 2050” van het Planbureau voor de Leefomgeving (VN2024-006100)41.282 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

5.4 Aandacht voor klimaat binnen de geloofsgemeenschap In het volgende hoofdstuk toetsen we onze hypothesen over de relaties tussen de verschillende geloofsopvattingen en klimaatgerelateerde opvattingen en gedrag. Voordat we dit doen, kijken we eerst hoe mensen met een religieuze overtuiging aankijken tegen de aandacht die binnen hun geloofs­ gemeenschap aan het klimaat wordt besteed. In de vragenlijst vroegen we aan mensen die zichzelf tot een bepaalde religie of levensbeschouwing rekenen op welke manieren er aandacht is voor het klimaat binnen hun geloofsgemeenschap en of ze dit voldoende vinden. Geloofsgemeenschappen kunnen op verschillende manieren aandacht besteden aan het klimaat, bijvoorbeeld in diensten of vieringen, in praktische projecten of in hun financiële beleid. De helft van alle mensen die zichzelf tot een bepaalde religie of levensbeschouwing rekent, geeft echter aan niet te weten op welke manieren er aandacht is voor klimaat binnen hun geloofsgemeenschap. De groep die dit wel weet noemt het vaakst dat er in diensten of vieringen aandacht wordt besteed aan het klimaat (zie figuur 5.4).

60

G eloofsovertuigingen gerelateerd aan mens , G od en natuur

Protestantse christenen geven vaker dan rooms-katholieke christenen aan dat er in hun geloofsgemeenschap aandacht is voor het klimaat. Sterker nog, bij elke mogelijke manier om aandacht te besteden aan het klimaat zeggen protestanten vaker dat dit in hun geloofsgemeenschap gebeurt dan rooms-katholieken. Dit verschil is vooral duidelijk bij diensten of vieringen: waar bijna de helft van de protestanten zegt dat hierin aandacht besteed wordt aan het klimaat, geldt dit slechts voor ruim een vijfde van de roomskatholieken. Dit verschil wordt vooral gedreven door PKN’ers en orthodox-gereformeerden, die relatief vaak aangeven dat hier in diensten of vieringen aandacht voor is (resp. 47% en 66%). Figuur 5.4 Reacties op de stelling: ‘In onze geloofsgemeenschap is er op de volgende manieren aandacht voor het klimaat’, naar religie, 2023 (n = 1401, in procenten, gewogen)a,b 70 60 50 40 30 20

scp.nl

10 o religieus, geen religie

christelijk, rooms-katholiek

christelijk, protestants of anders

islamitisch

andere religie

in diensten of vieringen

in het financiële beleid

in jeugdwerk

nergens

in vorming, toerusting of studie van de heilige schriften

weet ik niet

totaal

in diaconaat of praktische projecten

a Basis = respondenten die zich tot een bepaalde religie of levensbeschouwing rekenen (n = 1401).Religieus, geen religie: n = 89, christelijk, rooms-katholiek: n = 575;,christelijk, protestants of anders: n = 595, islamitisch: n = 104, andere religie: n = 38. b Meerdere antwoorden mogelijk. Bron: SCP/LISS (BoD’23)

61

G eloofsovertuigingen gerelateerd aan mens , G od en natuur

Figuur 5.5 Reacties op de stelling: ‘In onze geloofsgemeenschap is er op de volgende manieren aandacht voor het klimaat’, naar protestants-christelijke denominatie, 2023 (n = 595, in procenten, gewogen)a,b 70 60 50 40 30 20

scp.nl

10 o rooms-katholiek

Protestantse Kerk in Nederland

orthodoxgereformeerd

baptisten-, pinksteren evangelische gemeenten

bevindelijk gereformeerd

in diensten of vieringen

in het financiële beleid

in jeugdwerk

nergens

in vorming, toerusting of studie van de heilige schriften

weet ik niet

anders

in diaconaat of praktische projecten

a Basis = protestantse christenen (n = 595). Protestantse Kerk in Nederland: n = 390; orthodox-gereformeerd: n = 86; baptisten, pinkster- en evangelische gemeenten: n = 54; bevindelijk gereformeerd: n = 39; anders: n = 26. b Meerdere antwoorden mogelijk. Bron: SCP/LISS (BoD’23)

Geloofsgemeenschappen van niet-christelijke religieuze mensen lijken wat betreft de aandacht voor het klimaat over het algemeen meer op rooms-katholieke dan op protestante geloofsgemeenschappen. In vergelijking met rooms-katholieken geven moslims iets vaker aan dat er binnen hun geloofsgemeenschap aandacht is voor het klimaat in de vorming, toerusting of studie van de heilige schriften. Orthodox- en bevindelijk gereformeerden, PKN’ers en mensen die zichzelf als religieus beschouwen maar geen geïnstitutionaliseerde religie aanhangen, zijn relatief vaak van mening dat er in hun geloofsgemeenschap voldoende aandacht is voor het klimaat (zie figuren A.5.4 en A.5.5 in de bijlagen). Moslims en leden van baptisten-, pinkster- en evangelische gemeenten en internationale christelijke kerken geven juist relatief vaak aan dat er onvoldoende aandacht is voor het klimaat binnen hun geloofs­ gemeenschap. De meerderheid van de mensen lijkt hier echter geen duidelijke mening over te hebben.

62

G eloofsovertuigingen gerelateerd aan mens , G od en natuur

5.5 Conclusie In dit hoofdstuk richtten we ons op vier geloofsopvattingen die volgens de literatuur gerelateerd zijn aan klimaatgerelateerde opvattingen en gedrag: 1) de opvatting dat mens en natuur intrinsiek met elkaar verbonden zijn, 2) de opvatting van de mens als rentmeester van de natuur, 3) de opvatting van de mens als heerser over de natuur, en 4) de opvatting dat klimaatverandering past bij wat er in de heilig boeken staat over de eindtijd. Op basis van het literatuuronderzoek verwachtten we dat bepaalde geloofsopvattingen sterker gedeeld zouden worden binnen bepaalde religies of denominaties. De huidige onderzoeksresultaten suggereren echter dat opvattingen van rentmeesterschap en heerschappij over de natuur juist vaak hand in hand gaan: mensen die de opvatting hebben van de mens als rentmeester hebben vaak ook de opvatting van de mens als heerser over de natuur. De verschillen die we hierin zien tussen denominaties zijn voor­ namelijk verschillen in de mate waarin mensen deze opvattingen hebben, in plaats van kwalitatief verschillende patronen. Zo hebben protestantse christenen en moslims relatief sterk de opvatting van de mens als heerser over de natuur, maar ook van de mens als rentmeester. Dit geldt sterker voor orthodox- en bevindelijk gereformeerden en voor evangelische gemeenschappen dan voor PKN’ers.

Rooms-katholieken hebben minder sterk de opvatting van de mens als heerser over de natuur, maar ook minder sterk de opvatting van de mens als rentmeester. De resultaten suggereren dat er slechts een zeer kleine groep is waarbinnen wel sterk het beeld leeft van de mens als rentmeester, maar niet van de mens als heerser over de natuur. Ook blijkt dat mensen en groepen die meer geneigd zijn de mens als rentmeester of als heerser over de natuur te zien, over het algemeen ook vaker een verband leggen tussen klimaatverandering en de eindtijd. De opvatting dat de mens en natuur intrinsiek met elkaar verbonden zijn hangt juist wat minder sterk samen met de andere geloofsopvattingen. Deze opvatting wordt het sterkst gedeeld onder mensen die zichzelf als religieus beschouwen maar geen geïnstitutionaliseerde religie aanhangen. Kortom, de geloofsopvattingen die mensen hebben over hoe mens, God en natuur zich tot elkaar verhouden, hangen dus samen met religies en christelijke denominaties, maar overstijgen daarnaast ook de grenzen daartussen. Over religieuze groepen heen kunnen we namelijk clusters herkennen van mensen die voornamelijk verschillen in de mate waarin ze deze geloofsopvattingen hebben. Tot slot onderzochten we in dit hoofdstuk op welke manieren er aandacht is voor het klimaat binnen geloofsgemeenschappen, en of mensen vinden dat er voldoende aandacht is voor dit thema.

Orthodoxgereformeerden geven het vaakst aan dat er op verschillende manieren aandacht is voor het klimaat binnen hun geloofsgemeenschap, en zijn ook relatief vaak van mening dat er voldoende aandacht voor is. Moslims en leden van baptisten-, pinkster- en evangelische gemeenten en internationale christelijke kerken geven juist relatief vaak aan dat er onvoldoende aandacht is voor het klimaat binnen hun geloofsgemeenschap.

63

G eloofsovertuigingen gerelateerd aan mens , G od en natuur

6 Houding, gedrag en de rol van religie

In dit hoofdstuk zoomen we in op de betekenis van religie. Specifiek gaat het om de samenhang tussen religie, andere persoonskenmerken van mensen en hun houding en gedrag ten aanzien van klimaat. Het gaat in dit hoofdstuk dus om de laatste centrale vraag van het onderzoek: 3b Welke rol spelen religie en geloofsopvattingen bij houding, gedrag en veranderbereidheid als het gaat om klimaat en hoe verhoudt deze zich tot de rol van andere persoonskenmerken? Het theoretische model in figuur 2.1 vormt het uitgangspunt. We focussen ons op de concepten en relaties uit dit model en toetsen of we de hypothesen zoals geformuleerd in hoofdstuk 2 terug zien in de empirie. In paragraaf 6.1 zetten we uiteen hoe we tot verschillende constructen (probleembesef, normen, waargenomen controle, zelfeffectiviteit enz.) zijn gekomen, volgend uit de concepten uit het theoretische model. Vervolgens gaan in op de samenhang daartussen (§ 6.2). Daarna analyseren we hoe deze samenhangen met religies en geloofsopvattingen (§ 6.3) en zetten we die samenhang af tegen de samenhang met andere persoonskenmerken zoals persoonlijke waarden, politieke oriëntatie en inkomen (§ 6.4 en 6.5). We confronteren deze inzichten met die volgend uit zelfrapportage van mensen als zij – direct – worden gevraagd naar de betekenis van hun eventuele geloof voor hun houding en gedrag ten aanzien van klimaat (§ 6.6).

Ten slotte onderzoeken we de betekenis van religie en geloofsopvattingen voor veranderbereidheid ten aanzien van leefstijl (§ 6.7). In deze laatste paragraaf gaan we weer terug naar het vignettenonderzoek dat we presenteerden in hoofdstuk 4. Hierbij zoomen we in op de verklaringskracht van religie en geloofsovertuigingen voor de mate waarin mensen bereid zijn hun gedrag te veranderen onder verschillende omstandigheden.

6.1 Betekenis van religie: van conceptueel model naar empirie De eerste stap in de analyses is het maken van constructen – om grip te krijgen op de factoren die samen leefstijl en veranderbereidheid bepalen. Diverse vragen uit de vragenlijst laten zich ordenen tot constructen die samenhangen met probleembesef, normen, de mate waarin mensen denken dat ze invloed uit kunnen oefenen op klimaatverandering en dergelijke (zie hoofdstuk 2). Tabel 6.1 laat zien welke stellingen gecombineerd zijn om de constructen te vormen en toont ook de interne consistentie van de schalen. De constructen ‘persoonlijke normen’ en ‘zelfeffectiviteit’ zijn in de data niet goed te onderscheiden en zijn daarom samengenomen (zie bijlage A.6.2 voor meer informatie over de constructontwikkeling).

64

H ouding , gedrag en de rol van religie

Tabel 6.1 Constructen en operationalisatie: klimaatgerelateerde opvattingen en gedrag(sintenties), 2023 (in Cronbach’s alpha)a construct

operationalisatie

Cronbach’s alpha

probleembesef

0,93

overtuiging bestaan (antropogene) klimaatverandering

Denkt u dat het klimaat de afgelopen 100 jaar veranderd is? Komt deze klimaatverandering, volgens u, door de mens of is het een natuurlijke verandering? Ik heb het gevoel dat het weer in Nederland merkbaar is veranderd door klimaatverandering.

0,79

bezorgdheid over (gevolgen van) klimaatverandering

Hoe bezorgd bent u over klimaatverandering? Hoe bezorgd bent u dat klimaatverandering gevolgen heeft voor uw eigen leven? Hoe bezorgd bent u dat klimaatverandering gevolgen heeft voor het leven van alle mensen wereldwijd? Hoe bezorgd bent u dat klimaatverandering gevolgen heeft voor het leven van toekomstige generaties? Hoe bezorgd bent u dat klimaatverandering gevolgen heeft voor de natuur en het milieu?

0,92

waargenomen urgentie/belang tegengaan klimaatverandering

De mensheid moet zo snel mogelijk in actie komen om klimaatverandering tegen te gaan, anders is het te laat. Ik maak me boos over al die aandacht voor het klimaat terwijl er belangrijkere problemen zijn (omgekeerd). Ik heb het gevoel dat de huidige generaties te weinig doen aan het tegengaan van klimaatverandering, waardoor toekomstige generaties in de problemen zullen komen. Vindt u dat er te weinig of te veel aandacht is voor het tegengaan van klimaatverandering?

0,83

De meeste mensen in mijn omgeving proberen zich duurzaam te gedragen.

n.v.t.

normen waargenomen sociale normen waargenomen controle uitkomsteffectiviteit

Denkt u dat de mens klimaatverandering kan tegenhouden?

zelfeffectiviteit

In hoeverre hebt u het gevoel dat het zinloos of zinvol is om zelf iets bij te dragen aan het tegengaan van klimaatverandering? In welke mate voelt u zich persoonlijk verantwoordelijk om te proberen klimaatverandering te verminderen? Ik denk na over wat ik in mijn dagelijks leven kan doen om klimaatverandering tegen te gaan.

0,84

Hoe vaak eet u vlees (of kip) bij de warme maaltijd? Welke uitspraak over reizen met het vliegtuig komt het meest overeen met wat u doet? Welke uitspraak over reizen met de auto komt het meest overeen met wat u doet? Welke uitspraak over energieverbruik komt het meest overeen met wat u doet? Welke uitspraak over het kopen van nieuwe kleding en schoenen komt het meest overeen met wat u doet?

n.v.t. c

(gedrags)uitkomsten (zelfgerapporteerd) duurzaam gedrag (op 5 gebieden)b

65

H ouding , gedrag en de rol van religie

construct

operationalisatie

Cronbach’s alpha

bezorgdheid over klimaatbeleid (steun voor klimaatbeleid)d

Hoe bezorgd bent u dat maatregelen tegen klimaatverandering uw leven duurder zullen maken? Hoe bezorgd bent u dat maatregelen tegen klimaatverandering ervoor zullen zorgen dat u anders moet gaan leven? Hoe bezorgd bent u dat maatregelen tegen klimaatverandering ervoor zullen zorgen dat u (meer) moeite zult hebben om uw energierekening te betalen?

0,81

In hoeverre hebt u het gevoel dat de kosten voor het tegengaan van klimaatverandering oneerlijk of eerlijk worden verdeeld tussen arme en rijke Nederlanders? In hoeverre hebt u het gevoel dat de kosten voor het tegengaan van klimaatverandering oneerlijk of eerlijk worden verdeeld tussen burgers en bedrijven?

0,79

overig rechtvaardigheid van klimaatbeleid

a Cronbach’s alpha is een maat voor de mate van samenhang (interne consistentie) tussen de schaalitems. Cronbach’s alpha ≥ 0,7 = acceptabel; ≥ 0,8 = goed. b In de vragenlijst is gedrag op zes gebieden uitgevraagd. Het hebben van een groene tuin is hier niet meegenomen, omdat deze vraag alleen gesteld is aan mensen die een tuin hebben (veel ontbrekende waarden). c Duurzaam gedrag is een formatief construct. d  Bezorgdheid over klimaatbeleid zit conceptueel dicht bij ‘steun voor klimaatbeleid’ in het conceptuele model. Over het algemeen zullen mensen die klimaatbeleid belangrijk vinden, negatieve gevolgen van dergelijk beleid voor hun eigen leven (hogere kosten, anders moeten leven) makkelijker accepteren. Bron: SCP/LISS (BoD’23)

6.2 Samenhang tussen de constructen De volgende stap is het achterhalen van de samenhang tussen de constructen. Tabel 6.2 geeft de correlaties tussen de constructen weer. Zoals verwacht hangen de drie aspecten van probleembesef, namelijk het bewustzijn van het bestaan van (antropogene) klimaatverandering, bezorgdheid over de gevolgen ervan en de waargenomen probleemurgentie, vrij sterk met elkaar samen. In lijn met het NAM en de VBN-theorie correleren de aspecten van probleembesef ook vrij sterk met zelfeffectiviteit. Opvallend zijn echter de relatief lage correlaties tussen opvattingen over klimaatverandering (probleembesef, zelfeffectiviteit en uitkomsteffectiviteit) en duurzaam gedrag. Dit suggereert dat er sprake is van een intention-behaviour gap, waar we later in dit hoofdstuk verder op ingaan.

66

H ouding , gedrag en de rol van religie

Tabel 6.2

Correlaties tussen klimaatgerelateerde constructen (n = 3342, in correlatiescore)a,b

1

2

3

4

5

6

7

8

1 probleembesef: bestaan

1,00

2 probleembesef: bezorgd

0,60

1,00

3 probleembesef: urgentie

0,66

0,73

1,00

4 sociale normen

0,16

0,14

0,12

1,00

5 uitkomsteffectiviteit

0,45

0,43

0,48

0,11

1,00

6 zelfeffectiviteit

0,53

0,64

0,65

0,28

0,42

1,00

7 duurzaam gedrag

0,14

0,27

0,23

0,04

0,06

0,29

1.00

8 bezorgdheid over klimaatbeleid

-0,25

-0,17

-0,39

-0,07

-0,22

-0,32

-0,10

1,00

9 rechtvaardigheid van klimaatbeleid

(0,02)

(0,01)

(0,01)

0,12

0,07

0,12

-0,12

-0,12

9

1,00

a Basis = alle respondenten (n = 3342). b Groen = correlatie > 0,5. Tussen haakjes = niet-significante correlaties (p > 0,05). Bron: SCP/LISS (BoD’23)

6.3 Klimaatgerelateerde houding en gedrag: samenhang met religie In de derde stap brengen we de constructen uit de vorige paragrafen in verband met religie. Het gaat dan om de vraag: in hoeverre verschillen mensen die behoren tot verschillende (religieuze) groeperingen van elkaar als het gaat om hun houding ten aanzien van klimaat en klimaatbeleid, en hun gedrag? Daarbij zoomen we in op verschillende niveaus. We kijken naar verschillen in houding en gedrag tussen nietreligieuze en religieuze mensen, tussen mensen die zichzelf zien als behorend tot verschillende religieuze groepen én – daarbinnen – tussen mensen die zichzelf zien als behorend tot verschillende denominaties.

6.3.1 Verschillen tussen religies Wanneer we kijken naar christenen, moslims, aanhangers van andere religies en mensen zonder religieuze overtuiging, zien we over het algemeen geen grote verschillen in klimaatgerelateerde opvattingen en gedrag (figuur 6.1, zie ook tabel A.6.9 en A.6.10 in de bijlage).27 De houding van mensen ten aanzien van klimaat verschilt nauwelijks tussen religieuze mensen enerzijds en niet-religieuze mensen anderzijds. We zien weinig verschil in hoe overtuigd mensen zijn van het bestaan van klimaatverandering, hoe bezorgd ze zijn over de gevolgen ervan, of ze denken dat de mens klimaatverandering kan tegengaan en de waargenomen eigen verantwoordelijkheid hierin, en de mate waarin mensen zich duurzaam gedragen. Bij enkele opvattingen is er een klein verschil tussen mensen zonder religieuze overtuiging en een of meerdere religieuze groepen, maar daarin is geen patroon vast te stellen. Zo zien we, rekening houdend met verschillen in sociaal-demografische kenmerken, dat mensen zonder religieuze overtuiging klimaatverandering als een iets urgenter probleem beschouwen dan rooms-katholieken en moslims. Verder ervaren mensen zonder religieuze overtuiging

27

Alle vergelijkingen tussen groepen zijn gebaseerd op lineaire regressiemodellen met de verschillende klimaatgerelateerde opvattingen en gedrag (waargenomen urgentie, waargenomen zelfeffectiviteit, waargenomen sociale normen, zelfgerapporteerd duurzaam gedrag, enz.) als afhankelijke variabelen en religie (of denominatie) als verklarende variabele. Om te achterhalen in hoeverre gevonden verschillen in opvattingen tussen groepen op basis van religie (of denominatie) verklaard worden door verschillen in sociaal-demografische kenmerken tussen die groepen, zijn de analyses herhaald met sociaal-demografische factoren (leeftijd, geslacht, opleiding, gestandaardiseerd netto huishoudinkomen, stedelijkheid en samenstelling van het huishouden) als controlevariabelen. Een gedetailleerdere beschrijving van de modellen en de volledige modelresultaten zijn te vinden in bijlage A.6.3.

67

H ouding , gedrag en de rol van religie

minder een eigen verantwoordelijkheid voor het tegengaan van klimaatverandering (zelfeffectiviteit) dan protestanten, en gedragen zij zich iets minder duurzaam dan religieuze mensen die zich niet tot een bepaalde religie rekenen. Alle andere verschillen tussen niet- en wel-religieuzen zijn niet significant. Verder zitten de waargenomen verschillen vooral in hoe mensen aankijken tegen het klimaatbeleid. Zo maken protestantse christenen zich gemiddeld minder zorgen over de impact van klimaatmaatregelen op hun eigen leven dan de andere groepen. Opvallend is ook de hoge bezorgdheid over klimaatbeleid onder aanhangers van andere religies28 dan het christendom of de islam. Ook zien we dat christenen het klimaatbeleid over het algemeen als rechtvaardiger beschouwen.

28

Merk wel op dat het aantal waarnemingen in deze groep met andere religies vrij laag is.

68

H ouding , gedrag en de rol van religie

Figuur 6.1 Verschillen tussen groepen in klimaatgerelateerde opvattingen en gedrag op basis van religie, 2023 (n = 3342, in modelgebaseerde gemiddelden)a,b c

0

1

0

0

1

0

0

1

0

-1

1

h. waargenomen rechtvaardigheid klimaatbeleid

scp.nl

g. bezorgdheid over klimaatbeleid

-1

0

1

scp.nl

-1

1

f. duurzaam gedrag

scp.nl

e. waargenomen zelfeffectiviteit

-1

scp.nl

-1

1

d. waargenomen sociale normen

scp.nl

c. probleembesef: waargenomen urgentie

-1

scp.nl

-1

scp.nl

b. probleembesef: bezorgdheid over klimaatverandering

scp.nl

a. probleembesef: bestaan klimaatverandering

-1

niet religieus

christelijk, protestants of anders

religieus, geen religie

islamitisch

christelijk, rooms-katholiek

andere religie

0

1

a Basis = alle respondenten (n = 3342). Niet religieus: n = 2131, religieus, geen religie: n = 183, christelijk, rooms-katholiek: n = 438, christelijk, protestants of anders: n = 462, islamitisch: n = 95, andere religie: n = 33. b ‘0’ betekent een gemiddelde ‘score’ op de opvatting, ‘-1’ is een standaarddeviatie onder het gemiddelde en ‘1’ een standaarddeviatie boven het gemiddelde.

69

H ouding , gedrag en de rol van religie

c Modelgebaseerde gemiddelden met foutbalken (een standaardfout boven en onder het gemiddelde). In deze modellen zijn leeftijd, geslacht, opleiding, gestandaardiseerd netto huishoudinkomen, stedelijkheid en huishoudenssamenstelling meegenomen als controlevariabelen. Bron: SCP/LISS (BoD’23)

6.3.2 Verschillen tussen christelijke denominaties De resultaten in figuur 6.2 laten zien dat rooms-katholieke en protestantse christenen vergelijkbare opvattingen hebben over klimaatverandering. Ook zien we, gemiddeld over de vijf leefterreinen (vlees eten, reizen met het vliegtuig, autorijden, letten op energieverbruik en het kopen van nieuwe kleding en schoenen), geen verschil in de duurzaamheid van hun gedrag. Rooms-katholieken maken zich enkel iets meer zorgen over de impact van klimaatmaatregelen op hun eigen leven dan protestanten; daarbij is rekening gehouden met verschillen in sociaal-economische en demografische achtergrondkenmerken. Zij zijn iets vaker bezorgd dat de maatregelen hun leven duurder zullen maken of ervoor zorgen dat zij anders moeten gaan leven. Alle andere verschillen tussen rooms-katholieke en protestantse christenen zijn niet significant. Ook tussen protestants-christelijke denominaties onderling zien we geen verschillen in de mate waarin mensen overtuigd zijn van het bestaan van klimaatverandering (door menselijk handelen), de bezorgdheid daarover en de waargenomen probleemurgentie.

Evenmin zien we verschillen in de mate waarin mensen denken dat klimaatverandering door de mens kan worden tegengegaan (uitkomsteffectiviteit) en de ervaren eigen verantwoordelijkheid om hieraan bij te dragen (zelfeffectiviteit) (zie tabel A.6.11 en figuur A.6.2 in de bijlagen voor meer toelichting). Wel zijn er verschillen in de mate waarin de groepen zich duurzaam gedragen op de vijf leefterreinen en in hun opvattingen over klimaatbeleid. Rekening houdend met verschillen in sociaal-demografische kenmerken rapporteren gemiddeld over de vijf leefterreinen orthodox- en bevindelijk gereformeerden vaker duurzaam gedrag dan leden van baptisten-, pinkster- en evangelische gemeenten en internationale christelijke kerken; verschillen in duurzaam gedrag met en tussen andere denominaties zijn niet significant. Voorzichtigheid is geboden bij de interpretatie en generalisatie van bevindingen over deze groepen, want het aantal waarnemingen binnen sommige groepen is laag. Tot slot lijken orthodoxgereformeerden zich het minst zorgen te maken over de impact van klimaatmaatregelen op hun eigen leven. Het verschil op dit punt dat we eerder constateerden tussen rooms-katholieke en protestantse christenen lijkt dus vooral te worden gedreven door deze groep. Daarnaast beschouwen bevindelijk gereformeerden het klimaatbeleid als rechtvaardiger dan orthodox-gereformeerden en PKN’ers.

Alle andere groepsverschillen zijn niet significant.

70

H ouding , gedrag en de rol van religie

Figuur 6.2 Verschillen tussen groepen in klimaatgerelateerde opvattingen en gedrag op basis van christelijke denominatie, 2023 (n = 900, in modelgebaseerde gemiddelden)a,b,c,d

0

1

0

0

1

0

-1

1

f. waargenomen rechtvaardigheid klimaatbeleid

scp.nl

e. bezorgdheid over klimaatbeleid

-1

0

1

scp.nl

-1

1

d. duurzaam gedrag

scp.nl

c. waargenomen sociale normen

-1

scp.nl

-1

scp.nl

b. probleembesef: waargenomen urgentie

scp.nl

a. probleembesef: bestaan klimaatverandering

-1

rooms-katholiek

baptisten-, pinkster- en evangelische gemeenten

Protestantse kerk in Nederland

bevindelijk gereformeerd

orthodox-gereformeerd

anders

0

1

a Basis = respondenten van een christelijke denominatie (n = 900): a) rooms-katholiek (n = 438), b) protestants (PKN, of niet nader gespecificeerd; n = 287), c) orthodox-gereformeerd (n = 72), d) baptisten-, pinkster- en evangelische gemeenten en internationale christelijke kerken (n = 48), e) bevindelijk gereformeerd (n = 34), f) anders (n = 20). b Modelgebaseerde gemiddelden met foutbalken (een standaardfout boven en onder het gemiddelde). c In deze modellen zijn leeftijd, geslacht, opleiding, gestandaardiseerd netto huishoudinkomen, stedelijkheid en huishoudenssamenstelling meegenomen als controlevariabelen. d Merk op dat waarde ‘0’ de opvattingen en het gedrag van de gemiddelde Nederlander weerspiegelt. Wanneer de gemiddelde score van de in de figuur vergeleken groepen boven (of onder) waarde ‘o’ ligt, betekent dit dat christenen gemiddeld hoger (of lager) scoren op de betreffende opvatting of het gedrag dan niet-christenen. Bron: SCP/LISS (BoD’23)

71

H ouding , gedrag en de rol van religie

6.3.3 Samenhang met geloofsopvattingen Tot zover zagen we enkele kleine verschillen tussen bepaalde religieuze (of niet-religieuze) groepen, bijvoorbeeld in hoe duurzaam men zich zegt te gedragen of hoe men aankijkt tegen klimaatbeleid. Die verschillen laten echter geen vast patroon zien. Of men zichzelf als religieus beschouwt en de specifieke religie of denominatie waartoe men behoort lijken dus niet bepalend voor hoe men tegen klimaatverandering en klimaatbeleid aankijkt. Dit is in lijn met wat we op basis van het literatuur­ onderzoek verwachtten, namelijk dat geloofsopvattingen over de relatie tussen mens, natuur en God – die de grenzen van religies en christelijke denominaties overstijgen – sterkere voorspellers zijn van opvattingen over milieu en klimaat en duurzaam gedrag dan de religieuze groep waartoe men zichzelf rekent. In deze paragraaf toetsen we die hypothese. Wat is samenhang tussen geloofsopvattingen (zie hoofdstuk 5 voor een uitwerking daarvan) enerzijds en houding en gedrag ten aanzien van klimaat anderzijds?29 Tabel 6.3 geeft een samenvattend overzicht van de samenhang tussen de geloofs­ opvattingen en klimaatgerelateerde opvattingen en gedrag. Tabel 6.3 Overzicht van verbanden tussen geloofsopvattingen en klimaatgerelateerde opvattingen en gedrag (n = 1097, in significante samenhang per categorie)a,b,c

klimaatgerelateerde opvattingen en gedrag geloofsopvatting

1

2

3

4

5

6

7

8

9

verbondenheid met de natuur rentmeesterschap heerschappij over de natuur verband met eindtijd a Basis = respondenten die zichzelf tot een bepaalde religie of levensbeschouwing rekenen (n = 1097). b 1 = overtuigdheid van het bestaan van antropogene klimaatverandering (probleembesef), 2 = bezorgdheid over de gevolgen van klimaatverandering (probleembesef), 3 = waargenomen urgentie (probleembesef), 4 = waargenomen sociale normen, 5 = waargenomen uitkomsteffectiviteit, 6 = waargenomen zelfeffectiviteit, 7 = duurzaam gedrag, 8 = bezorgdheid over klimaatmaatregelen, 9 = waargenomen rechtvaardigheid van klimaatmaatregelen. c Groen = significante positieve samenhang, rood = significante negatieve samenhang, geen kleur = geen significante samenhang. Resultaten op basis van lineaire regressiemodellen met als voorspellers de geloofsopvattingen en sociaal-demografische kenmerken (leeftijd, geslacht, opleiding, gestandaardiseerd netto huishoudinkomen, stedelijkheid en huishoudenssamenstelling). Bron: SCP/LISS (BoD’23)

Zoals verwacht hebben mensen met een sterkere opvatting van de mens als rentmeester van de natuur ook een sterker probleembesef en hogere waargenomen uitkomst- en zelfeffectiviteit. Zij gedragen zich duurzamer en zijn minder bezorgd over klimaatregelen, ofwel ze laten er meer steun voor zien (zie figuur A.6.3 in de bijlagen, oranje staven). Gelovigen die de mens meer zien als heerser over de natuur tonen juist een lagere mate van probleembesef, een lagere waargenomen uitkomst- en zelfeffectiviteit, minder duurzaam gedrag en meer bezorgdheid over klimaatmaatregelen (figuur A.6.3, gele staven). Ook zien we, eveneens in lijn met de hypothesen, dat gelovigen die de mens sterker zien als een intrinsiek onderdeel 29

Om de rol van geloofsopvattingen te onderzoeken, zijn lineaire regressiemodellen geschat met de verschillende klimaatgerelateerde opvattingen en gedrag (waargenomen urgentie, waargenomen zelfeffectiviteit, waargenomen sociale normen, zelfgerapporteerd duurzaam gedrag, enz.) als afhankelijke variabelen en de geloofsopvattingen als verklarende variabelen en sociaal-demografische factoren (leeftijd, geslacht, opleiding, gestandaardiseerd netto huishoudinkomen, stedelijkheid en samenstelling van het huishouden) als controlevariabelen. Een gedetailleerdere beschrijving van de modellen en de volledige modelresultaten zijn te vinden in bijlage A.6.3. De modelresultaten zijn grafisch weergegeven in figuur 6.3. De figuren tonen de gemiddelde scores op de verschillende klimaatgerelateerde constructen bij relatief lage (een standaarddeviatie onder het gemiddelde), gemiddelde, en relatief hoge (een standaarddeviatie boven het gemiddelde) scores op de geloofsopvattingen.

72

H ouding , gedrag en de rol van religie

van de natuur meer probleembesef en waargenomen zelfeffectiviteit hebben (figuur A.6.3, lichtblauwe staven). Zij gedragen zich echter niet per se duurzamer en laten geen sterkere steun voor het klimaat­ beleid zien. Zij vinden vaker dat de lasten van de klimaataanpak oneerlijk worden verdeeld. Tot slot laten de resultaten zien dat mensen die klimaatverandering zien als teken van de eindtijd een relatief sterk probleembesef en hoge waargenomen zelfeffectiviteit hebben (figuur A.6.3, donkerblauwe staven). We verwachtten juist dat deze groep klimaatverandering minder als een probleem zou zien. Wanneer mensen een verband leggen tussen klimaatverandering en het aangekondigde einde der tijden (‘klimaatverandering past bij wat in de heilige boeken staat over de eindtijd’), erkennen zij dat klimaat­ verandering bestaat. Dat verklaart de positieve samenhang met dit aspect van probleembesef. Het impliceert echter niet per se dat zij ook de overtuiging hebben dat de eindtijd nabij is. Mogelijk wordt de positieve samenhang met bezorgdheid, waargenomen urgentie en zelfeffectiviteit dus meer gedreven door een sterkere overtuiging dat het klimaat verandert dan door de overtuiging dat het einde der tijden nabij is.

Samengevat: zichzelf als religieus beschouwen en zich eventueel rekenen tot een specifieke religie of denominatie, voorspelt weinig voor houding en gedrag ten aanzien van klimaat en duurzaamheid. Dat geldt evenwel niet voor geloofsopvattingen. De inhoud van het geloof van religieuze mensen hangt samen met hun probleembesef, gevoelens van urgentie, verantwoordelijkheid en gedrag ten aanzien van het klimaat en hun houding ten aanzien van (de rechtvaardigheid van) klimaatbeleid. Deze invloed staat los van de invloed die andere persoonskenmerken hebben, zoals persoonlijke waarden, de financiële situatie van het huishouden, leeftijd of opleiding. In de volgende paragrafen gaan we nader in op de betekenis van die andere persoonskenmerken.

6.4 Klimaatgerelateerde houding en gedrag: samenhang met waardenpatronen Op welke manier hangen religie en geloofsovertuigingen samen met andere persoonskenmerken, al dan niet ideologisch geladen zoals waarden en politieke oriëntatie, en wat betekent dat voor houding en gedrag ten aanzien van klimaat? Daar gaan we in deze paragraaf op in.

6.4.1 Persoonlijke waarden Voor mensen met een hogere score op biosferische waarden zijn respect voor de natuur en milieu­ bescherming belangrijke leidraden in hun leven. Zij hebben, in vergelijking met mensen met een lagere score, een sterker probleembesef, geven vaker aan dat mensen in hun sociale omgeving zich duurzaam proberen te gedragen, zijn er meer van overtuigd dat de mens klimaatverandering kan tegengaan en zien daarin ook een grotere eigen verantwoordelijkheid (zie tabel 6.4 en figuren A.6.13-A.6.15). Ze gedragen zich gemiddeld duurzamer op de vijf leefterreinen en zijn minder bezorgd over de impact van klimaat­ maatregelen op hun leven. Veel van deze verbanden zien we, omgekeerd, voor mensen met hogere (vs. lagere) scores op hedonistische waarden. Voor hen zijn plezier hebben en genieten belangrijke doelen in het leven. Deze mensen hebben een lager probleembesef, voelen zich minder persoonlijk verantwoordelijk voor het verminderen van klimaatproblemen, vertonen minder duurzaam gedrag en maken zich meer zorgen over de invloed van klimaatbeleid op hun leven. Voor mensen met egoïstische waarden zijn het hebben van bezittingen, en macht en status belangrijke levensdoelen. Net als voor mensen die hedonistische waarden nastreven, geldt ook voor mensen met sterkere (vs.

minder sterke) egoïstische waarden dat zij minder overtuigd zijn van het bestaan van klimaatverandering, klimaatverandering als een minder urgent probleem zien, zich minder duurzaam gedragen en zich meer zorgen maken over de impact van klimaatmaatregelen op hun leven. Egoïstische waarden zijn bovendien positief gerelateerd aan de waargenomen rechtvaardigheid van klimaatmaatregelen. Tussen altruïstische waarden en klimaatgerelateerde opvattingen zien we tot slot slechts twee verbanden. Voor mensen met een hogere score op altruïstische waarden zijn kansengelijkheid en rechtvaardigheid belangrijke leidraden in het leven. Zij zien, in vergelijking met mensen met een lagere score, het klimaatbeleid als minder rechtvaardig. Zij zijn ook iets meer overtuigd van het bestaan van klimaatverandering (door handelen van de mens).

73

H ouding , gedrag en de rol van religie

Tabel 6.4 Overzicht van verbanden tussen persoonlijke waarden en politieke oriëntatie en klimaatgerelateerde opvattingen en gedrag, 2023 (n = 3342, in significante samenhang per categorie)a,b c

klimaatgerelateerde opvattingen en gedrag geloofsopvatting

1

2

3

4

5

6

7

8

9

persoonlijke waarden biosferisch altruïstisch egoïstisch hedonistisch politieke oriëntatie rechts (vs. links) conservatief (vs. progressief) a Basis = alle respondenten (n = 3342). b 1 = overtuigdheid van het bestaan van antropogene klimaatverandering (probleembesef), 2 = bezorgdheid over de gevolgen van klimaatverandering (probleembesef), 3 = waargenomen urgentie (probleembesef), 4 = waargenomen sociale normen, 5 = waargenomen uitkomsteffectiviteit, 6 = waargenomen zelfeffectiviteit, 7 = duurzaam gedrag, 8 = bezorgdheid over klimaatmaatregelen, 9 = waargenomen rechtvaardigheid van klimaatmaatregelen. c Groen = significante positieve samenhang, rood = significante negatieve samenhang, geen kleur = geen significante samenhang. Resultaten op basis van lineaire regressiemodellen met als voorspellers persoonlijke waarden, politieke oriëntatie en sociaal-demografische kenmerken (leeftijd, geslacht, opleiding, gestandaardiseerd netto huishoudinkomen, stedelijkheid en huishoudenssamenstelling). Bron: SCP/LISS (BoD’23)

Opvattingen over klimaatverandering en klimaatmaatregelen hangen ook samen met politieke oriëntatie, evenals duurzaam gedrag. Conservatieve (vs. progressieve) politieke waarden zijn gerelateerd aan nagenoeg alle klimaatgerelateerde opvattingen. Mensen met een meer conservatieve (vs. progressieve) oriëntatie hebben een lager probleembesef, zijn er minder van overtuigd dat de mens klimaatverandering kan tegengaan (uitkomsteffectiviteit) en geloven ook minder sterk dat hun eigen acties kunnen bijdragen aan het tegengaan van klimaatverandering (zelfeffectiviteit). Zij maken zich meer zorgen over klimaat­ beleid en beschouwen dit ook als minder rechtvaardig. Ook een meer rechtse (vs. linkse) politieke oriëntatie is negatief gerelateerd aan aspecten van probleembesef en duurzaam gedrag. Mensen met meer rechtse politieke oriëntatie zien het huidige klimaatbeleid als rechtvaardiger dan mensen met een linkse politieke oriëntatie. Samenhang tussen geloofsopvattingen en persoonlijke waarden Geloofsopvattingen lijken gerelateerd aan persoonlijke waarden. Zo sluit de opvatting dat de mens verbonden is met de natuur bijvoorbeeld goed aan bij biosferische waarden. Maar hoe onderscheidend zijn persoonlijke waarden en geloofsopvattingen? Tabel 6.5 laat de correlaties zien tussen biosferische, altruïstische, hedonistische en egoïstische waarden en geloofsopvattingen.

De geloofsopvatting dat mens en natuur intrinsiek met elkaar verbonden zijn en biosferische waarden hangen het sterkst samen, al is deze correlatie in absolute zin niet heel sterk (r = 0,43). De correlaties tussen de andere geloofsopvattingen en persoonlijk waarden zijn zwakker of niet significant.

74

H ouding , gedrag en de rol van religie

Tabel 6.5 Samenhang tussen geloofsopvattingen en persoonlijke waarden, 2023 (n = 1097, in correlaties)a

geloofsopvatting verbondenheid met de natuur

rentmeesterschap

heerschappij

eindtijd

biosferisch

0,43***

0,18***

0,04

0,04

altruïstisch

0,31***

0,16***

0,06*

0,01

egoïstisch

-0,17***

-0,07*

-0,02

0,01

hedonistisch

0,23***

-0,02

-0,03

-0,06*

persoonlijke waarden

*** p < 0,001; ** p < 0,01; * p < 0,05. a Basis = respondenten die zichzelf tot een bepaalde religie of levensbeschouwing rekenen (n = 1097). Bron: SCP/LISS (BoD’23)

Vervolgens wilden we achterhalen in hoeverre de gevonden verbanden tussen geloofsopvattingen en klimaatgerelateerde opvattingen en gedrag verklaard zouden kunnen worden door verschillen in persoonlijke waarden. Hiervoor zijn in een vervolganalyse zowel de geloofsopvattingen als de persoonlijke waarden als voorspellers meegenomen (zie bijlage A.6.3 voor meer detail). Over het algemeen zijn de verbanden van de geloofsopvattingen en persoonlijke waarden met klimaat­gerelateerde opvattingen en gedrag van vergelijkbare sterkte.30 Consistent met de VBNT zien we dat biosferische waarden invloed hebben op probleembesef en waargenomen zelfeffectiviteit via de opvatting dat mens en natuur intrinsiek met elkaar verbonden zijn.

Ook hebben biosferische waarden invloed op waargenomen zelfeffectiviteit, via de opvatting dat mens en natuur intrinsiek met elkaar verbonden zijn.31 Tegelijkertijd versterkt de opvatting dat mens en natuur intrinsiek verbonden zijn biosferische waarden, die op hun beurt een positieve invloed hebben op de mate waarin mensen overtuigd zijn van het bestaan van klimaatverandering (door het handelen van mensen), bezorgdheid over de gevolgen ervan, waargenomen probleemurgentie, uitkomst- en zelfeffectiviteit, duurzaam gedrag en steun voor klimaatbeleid, ofwel minder bezorgdheid over de impact ervan op het eigen leven.32 Kortom, we zien een duidelijke samenhang tussen persoonlijke waarden, geloofsopvattingen en klimaatgerelateerde opvattingen. Daarbij gaat de causaliteit niet één richting op, maar lijkt er sprake te zin van wederzijdse beïnvloeding.

Tabel A.6.17b in de bijlagen laat zien welke verbanden tussen geloofsopvattingen en klimaatgerelateerde opvattingen en gedrag blijven bestaan wanneer rekening wordt gehouden met verschillen in persoonlijke waarden (en andersom, welke verbanden tussen persoonlijke waarden en klimaatgerelateerde opvattingen en gedrag blijven bestaan wanneer rekening wordt gehouden met verschillen in geloofsopvattingen). 31 Indirect effect = 0,032, z = 2,92, p < 0,01 (op de mate waarin mensen overtuigd van het bestaan van klimaatverandering (door het handelen van mensen); indirect effect = 0,046, z = 4,07, p < 0,001 (op de bezorgdheid over klimaatverandering); indirect effect = 0,048, z = 4,11, p < 0,001 (op de waargenomen zelfeffectiviteit). 32 Indirect effect = 0,47, z = 3,36, p < 0,01 (op de mate waarin mensen overtuigd zijn van het bestaan van klimaatverandering (door het handelen van mensen); indirect effect = 0,070, z = 4,80, p < 0,001 (op de bezorgdheid over klimaatverandering); indirect effect = 0,069, z = 4,85, p < 0,001 (op de waargenomen urgentie); indirect effect = 0,045, z = 2,74, p < 0,01 (op waargenomen uitkomsteffectiviteit); indirect effect = 0,065, z = 4,45, p < 0,001 (op waargenomen zelfeffectiviteit); indirect effect = 0,067, z = 4,73, p < 0,001 (op duurzaam gedrag); indirect effect = -0,029, z = -1,96, p = 0,05 (op bezorgdheid over klimaatbeleid). 30

75

H ouding , gedrag en de rol van religie

6.5 Klimaatgerelateerde houding en gedrag: samenhang met sociaaleconomische en demografische kenmerken 6.5.1 Samenhang met financiële situatie Hoe hangen klimaatgerelateerde opvattingen en duurzaam gedrag samen met de financiële situatie van huishoudens? Om deze vraag te beantwoorden, zoomen we eerst in op de samenhang met het inkomen van het huishouden. Het maakt veel uit hoeveel mensen binnen een huishouden van een bepaald inkomen moeten leven. In de modellen is daarom het gestandaardiseerde netto maandinkomen van het huishouden als voorspeller gebruikt. Bij de bepaling hiervan is rekening gehouden met de schaalvoordelen van een gemeenschappelijke huishouding, waardoor het inkomen vergelijkbaar is tussen huishoudens van verschillende groottes en samenstellingen (voor meer detail, zie bijlage A.6.3). Het gestandaardiseerde netto-inkomen wordt ook wel de koopkracht genoemd. Op basis van hun gestandaardiseerde netto huishoudinkomen zijn respondenten in vijf ongeveer even grote groepen ingedeeld. De verschillen tussen deze groepen, gecorrigeerd voor verschillen in religie, leeftijd, geslacht, opleiding en stedelijkheid, zijn grafisch weergegeven in figuur A.6.4 in de bijlagen. Wat blijkt is dat het huishoudinkomen sterk samenhangt met duurzaam gedrag, en minder sterk met klimaatgerelateerde opvattingen.

Hoe hoger het inkomen van het huishouden, hoe minder duurzaam mensen zich gedragen op de vijf leefterreinen. De samenhang met opvattingen over klimaatverandering en klimaatbeleid is minder uitgesproken; er zijn voornamelijk enige verschillen tussen de laagste inkomensgroep en de andere groepen. Specifiek zien we dat het kwintiel met het laagste gestandaardiseerde inkomen gemiddeld iets minder overtuigd is van het bestaan van klimaatverandering door menselijk handelen dan de andere inkomensgroepen; alleen het verschil met het derde inkomenskwintiel is niet significant. In lijn hiermee is ook de ervaren persoonlijke verantwoordelijkheid om bij te dragen aan het tegengaan van klimaatverandering (zelfeffectiviteit) iets lager binnen deze groep, vergeleken met de groep met het hoogste inkomen; de verschillen met de middengroepen zijn niet significant. Verder geven mensen in deze groep ook iets minder vaak aan dat anderen in hun sociale omgeving zich duurzaam proberen te gedragen. Hoe mensen aankijken tegen het klimaatbeleid is ook gerelateerd aan inkomen. De twee groepen met de hoogste inkomens zijn minder bezorgd over de gevolgen van het klimaatbeleid dan de groepen met lagere inkomens, en zij beschouwen de verdeling van de kosten van klimaatbeleid gemiddeld ook als eerlijker. De groep met het laagste inkomen beschouwt de klimaatmaatregelen als het minst rechtvaardig.

Het gestandaardiseerde inkomen van het huishouden houdt al rekening met verschillen in de grootte en samenstelling van het huishouden dat van een bepaald huishoudinkomen moet leven. Toch zegt het nog niet alles over hoe moeilijk of makkelijk kan worden rondgekomen van het inkomen. Daarbij spelen ook bijvoorbeeld het uitgavenpatroon en financiële vaardigheden een rol (Meneau en Moorthy 2022). In een vervolganalyse is daarom de zelfgerapporteerde financiële situatie – de moeite of het gemak waarmee mensen zeggen te kunnen rondkomen – in plaats van het gestandaardiseerde huishoudinkomen meegenomen.33 Dit is geoperationaliseerd als een gemiddelde score van de gestandaardiseerde antwoorden op drie vragen (Cronbach’s alpha = 0,85): 1 Kunt u op een schaal van 0 tot 10 aangeven hoe moeilijk of gemakkelijk u kunt rondkomen van het inkomen van uw huishouden? 2 Hoe gemakkelijk of moeilijk is het voor u om een onverwachte noodzakelijke uitgave van €500 euro of meer te doen zonder daarvoor schulden te maken of geld te lenen? 3 Hoe gemakkelijk kunt u de woonlasten van uw huishouden betalen? In de analyse zijn klimaatgerelateerde opvattingen en duurzaam gedrag van drie groepen met elkaar vergeleken: de groep die het moeilijkst kan rondkomen (12%), de groep die het makkelijkst kan rondkomen (14%) en de middengroep (74%).

De meest uitgesproken verschillen tussen de groepen zien we in hun bezorgdheid over de impact van klimaatmaatregelen op hun eigen leven, de waargenomen

33

Voor deze analyse is een koppeling gemaakt met data die in dezelfde periode (juni-juli 2023) zijn verzameld in het LISS panel, via de kernvragenlijst ‘Inkomen’ (data beschikbaar voor n = 2762; 83% van de nationaal representatieve steekproef).

76

H ouding , gedrag en de rol van religie

rechtvaardigheid van het klimaatbeleid en de mate waarin zij zich duurzaam gedragen op de vijf leef­ terreinen. De groep die het moeilijkst kan rondkomen maakt zich relatief veel zorgen dat het leven door klimaatmaatregelen duurder wordt en dat zij anders moeten gaan leven. Ook ziet deze groep de verdeling van de lasten van klimaatbeleid vaker als oneerlijk dan de andere groepen (zie figuur A.6.534 voor een overzicht). Tegelijkertijd gedraagt de groep zich op de vijf leefterreinen het meest duurzaam. De groep verschilt ook van de andere twee groepen, die hierin onderling niet sterk van elkaar verschillen, in hoe zij tegen klimaatverandering aankijken. Ze zijn minder overtuigd van het bestaan van klimaatverandering (door menselijk handelen), zien klimaatverandering als een minder urgent probleem, zijn er minder van overtuigd dat klimaatverandering door de mens kan worden tegengaan en voelen zich hier ook minder persoonlijk verantwoordelijk voor (lagere uitkomst- en zelfeffectiviteit). Ook geeft deze groep minder vaak aan dat mensen in hun sociale omgeving zich duurzaam proberen te gedragen (waargenomen sociale normen). Vergeleken met de andere groepen, reizen mensen die moeilijk kunnen rondkomen minder vaak met het vliegtuig en de auto. Ook kopen ze minder nieuwe kleding en schoenen (zie tabel 6.6).

De groep die het moeilijkst kan rondkomen, zegt bovendien minder vaak vlees te eten dan de middengroep, maar niet minder dan de groep die het makkelijkst kan rondkomen. Er zijn geen verschillen tussen de groep die het moeilijkst kan rondkomen en de andere groepen als het gaat om letten op energieverbruik en het hebben van een groene tuin. Juist mensen die het makkelijkst kunnen rondkomen geven aan meer te letten op hun energieverbruik dan de middengroep, en een groenere tuin te hebben. Deze verschillen worden mogelijk verklaard doordat mensen die het makkelijkst kunnen rondkomen gemiddeld grotere huizen en grotere tuinen bezitten. Mensen die heel moeilijk kunnen rondkomen zien klimaatverandering dus minder vaak als een (urgent) probleem, maar gedragen zich tegelijkertijd over het algemeen wel het meest duurzaam. Dat duurzame gedrag wordt waarschijnlijk sterker gedreven door kosten- dan door duurzaamheidsoverwegingen. Het is immers goedkoper om de (niet-duurzame) gedragingen te laten waarop dit onderzoek zich richt. Denk geen vlees eten, niet reizen met het vliegtuig, geen auto rijden en geen nieuwe kleding en schoenen kopen. Ook minder energieverbruik levert een kostenbesparing op.

Zo wordt de hoge prijs van vlees in de groep die het moeilijkst kan rondkomen veel vaker als reden gegeven om geen of relatief weinig dagen per week vlees te eten bij de warme maaltijd dan in de andere groepen (zie tabel 6.6, onder). Daarnaast wordt kostenbesparing binnen de groep die het moeilijkst kan rondkomen het vaakst als belangrijkste reden voor energiebesparing gegeven.

34

De resultaten in de figuren zijn gecorrigeerd voor verschillen in leeftijd, geslacht, opleiding, stedelijkheid, samenstelling van het huishouden en religie.

77

H ouding , gedrag en de rol van religie

Tabel 6.6 Samenhang met andere vragen over (redenen voor) duurzaam gedrag, 2023 (n = 2762, schaal 1-7 en in procenten)a,b,c

rondkomen moeilijk

middengroep

makkelijk

vlees eten bij de warme maaltijd (1 = nooit, 6 = iedere dag)

3,991 (4,09)1,2

4,212 (4,20)2

4,071 (4,04)1

reizen met het vliegtuig (1 = nooit, 5 = meer dan 3 keer per jaar)

1,891 (1,87)1

2,232 (2,24)2

2,543 (2,51)3

reizen met de auto (1 = nooit, 7 = iedere dag)

4,001 (4,14)1

4,612 (4,60)2

4,542 (4,48)2

letten op energieverbruik (1 = heel goed, 5 = helemaal niet)

1,971, 2 (1,90)1

2,022 (2,02)1

1,911 (1,96)1

nieuwe kleding en schoenen kopen (1 = (bijna) nooit, 5 = meer dan 20 stuks per jaar)

2,341 (2,33)1

2,792 (2,79)2

2,872 (2,91)3

mate waarin de tuin bestraat is (1 = niet bestraat, 6 = helemaal bestraat)

2,861,2 (2,77)1

2,912 (2,89)1

2,681 (2,82)1

vlees (of kip) is te duur

363

162

51

voor mijn gezondheid

341

371

361

uit respect voor dieren

391

491

441

vanwege bezwaren tegen de intensieve veehouderij

201

412

543

om achteruitgang van de natuur te voorkomen

221

412

502

anders

191

161

201

om te besparen op mijn energierekening

713

632

471

het is goed voor klimaat en milieu

141

232

373

het past goed bij mijn levensstijl

31

62

92

het geeft me een goed gevoel over mij als mens

51

31

21

mijn omgeving verwacht het van mij

61

51

51

soort gedragd (schaal)

redenen voor duurzaam gedrag (%) Wat is voor u de reden om [minder dan 3 dagen per week/minder dan 1 dag per week/geen] vlees (of kip) te eten bij de warme maaltijd?

belangrijkste reden om energie te besparen

a Basis = respondenten die ook de LISS-kernvragenlijst ‘Inkomen’ ingevuld hebben (van wie uitgebreidere informatie over hun financiële situatie bekend is, n = 2762). Moeilijk rondkomen: n = 297; middengroep: n = 2044; makkelijk rondkomen: n = 421. b Significante en niet-significante verschillen worden weergegeven met superscripts. Wanneer de gemiddelden (of percentages) in een rij een verschillend superscript hebben (bv. ‘1’ en ‘2’), dan verschillen ze significant van elkaar. Wanneer gemiddelden (of percentages) superscripts hebben die overeenkomen dan verschillen ze niet significant van elkaar (bv. ‘1’ en ‘1’ of ‘2’ en ‘2’, maar ook ‘1, 2’ en ‘1’). c De gemiddelden tussen haakjes zijn gecorrigeerd voor verschillen in leeftijd, geslacht, opleiding, stedelijkheid, samenstelling van het huishouden en religie. d Een hogere score weerspiegelt minder duurzaam gedrag. Bron: SCP/LISS (BoD’23) 78

H ouding , gedrag en de rol van religie

Minder vlees eten wordt vooral door mensen die makkelijk financieel rond kunnen komen beargumenteerd met bezwaren tegen de intensieve veehouderij en het voorkomen van achteruitgang van de natuur. Deze argumenten spelen veel minder in de middengroep en bij de mensen die moeilijker kunnen rondkomen. Gezondheid of respect voor dieren als argument verschilt niet tussen de inkomensgroepen. Hetzelfde patroon zien we bij redenen om te besparen op energiegebruik: mensen die makkelijk kunnen rond­ komen geven vaker een reden aan die samenhangt met duurzaamheidsstreven en minder vaak een financieel argument. Het omgekeerde geldt voor mensen die moeilijk rond kunnen komen. Sociale normen of sociale druk speelt bij alle inkomensgroepen veel minder.

6.5.2 Samenhang met sociaal-economische en demografische kenmerken In deze paragraaf beschrijven we beknopt de samenhang van klimaatgerelateerde opvattingen en duurzaam gedrag met de overige achtergrondkenmerken, namelijk leeftijd, geslacht, opleiding, en stedelijkheid. De beschreven groepsverschillen zijn gecorrigeerd voor verschillen in (de andere) sociaaldemografische kenmerken en religie (zie bijlage A.6.3 voor een uitgebreidere toelichting en de volledige modelresultaten). De verschillen in klimaatgerelateerde opvattingen en gedrag tussen leeftijdsgroepen zijn weergegeven in figuur A.6.6. Over het algemeen zien we dat ouderen het meest pro-milieu zijn, zowel in hun opvattingen als in hun gedrag. Ouderen maken zich ook de minste zorgen om de impact van klimaatmaatregelen op hun leven (hogere kosten, anders moeten leven). Ze zien – evenals jongeren – het klimaatbeleid vaker als rechtvaardig dan de middelste leeftijdsgroepen. Wellicht kunnen zij, vanwege het grotere belang dat zij hechten aan het tegengaan van klimaatverandering, negatieve gevolgen van dergelijk beleid voor hun eigen leven makkelijker accepteren. Net als ouderen zijn ook jongeren relatief bezorgd over de gevolgen van klimaatverandering en zien zij klimaatverandering als een urgent probleem; in de middelste leeftijdsgroepen is dit minder het geval.

Jongeren zijn iets optimistischer over het aanpakken van klimaatproblemen; zij denken iets vaker dan ouderen dat de mens klimaatverandering kan tegengaan. Tegelijkertijd denken zij minder vaak dat zij zelf kunnen bijdragen aan het tegengaan van klimaatverandering. De relatief hoge bezorgdheid en hoge waargenomen probleemurgentie onder jongeren lijken zich dan ook niet te vertalen in duurzamer gedrag. Consistent met het literatuuronderzoek zien we vrouwen anders tegen het klimaat aankijken dan mannen. Zij hebben een hoger probleembesef, zijn er vaker van overtuigd dat de mens klimaatverandering kan tegengaan en dat hun eigen handelen aan dit doel kan bijdragen. In lijn met deze opvattingen gedragen zij zich gemiddeld ook iets duurzamer op de vijf leefterreinen. Veel van de opvattingen over milieu en klimaat hangen positief samen met opleidingsrichting (zie figuur A.6.6). In vergelijking met mensen die havo, vwo, mbo, hbo of wo hebben afgerond, zijn mensen die alleen de basisschool of het vmbo afrondden minder overtuigd van het bestaan van klimaatverandering, minder bezorgd over de gevolgen hiervan en zien zij klimaatverandering als een minder urgent probleem.

In lijn met het literatuuronderzoek is de waargenomen urgentie het hoogst onder hbo- en wo-opgeleiden, die ook vaker aangeven dat andere mensen in hun sociale omgeving zich duurzaam proberen te gedragen en de hoogste waargenomen uitkomst- en zelfeffectiviteit hebben. De groepen lijken echter nauwelijks van elkaar te verschillen als het gaat om de mate waarin zij zich duurzaam gedragen. Hbo- en wo-opgeleiden maken zich tot slot de minste zorgen om de impact van klimaatmaatregelen op hun eigen leven. Mensen die in meer (vs. minder) stedelijke gebieden wonen, scoren hoger op probleembesef. Zij zijn er meer van overtuigd dat klimaatverandering plaatsvindt, zijn bezorgder en zien klimaatverandering als een belangrijker probleem. Ook scoren mensen in meer stedelijke gebieden hoger op duurzaam gedrag.

79

H ouding , gedrag en de rol van religie

6.6 Belang van religie voor leefstijl en matigheid: zelfrapportage Uit de analyses in de vorige paragrafen blijkt dat verschillen in houding en gedrag ten aanzien van klimaat tussen mensen sterk samenhangen met verschillen in sociaal-economische en demografische kenmerken, maar ook met verschillen in persoonlijke waarden. Daarnaast geldt – voor religieuzen – dat de inhoud van hun geloof ertoe doet. In deze paragraaf willen we dit inzicht confronteren met de invloed van geloof voor duurzaamheidsafwegingen op basis van zelfrapportage (zie tabel 6.7 en tabel A.6.27 in de bijlagen). Dan gaat het om bewustzijn van de invloed van geloofsopvattingen voor richting en sturing van gedrag en afwegingen. Tabel 6.7 Samenhang geloof en gedrag op basis van zelfrapportage: reacties op drie stellingen over vlees eten, een gematigde leefstijl en gebed, en de invloed van religie daarop, 2023 (n = 1401, in procenten)a,b

religiec totaal

RGR

RK

PR

christelijke denominatied IS

AN

RK

PKN

ORT

BPE

BEV

AN

CH

De keuze om wel of niet vlees te eten staat los van het geloof. mee oneens

10

101

81

101

131

241

81

81

192

71

51

122

9

neutraal

18

151

161

161

291

291

161

161

201

131

181

151

16

mee eens

73

752

752

742

581,2

471

752

762

621

802

772

731,2

75

Het geloof stimuleert mij tot een meer gematigde leefstijl. mee oneens

27

293

384

1712

131

342,3,4

383

192

131,2

71

1812

81,2

27

neutraal

27

2812

312

231

2912

321,2

314

263,4

152

172,3

51

384

27

mee eens

46

432

301

603

583

341,2

301

542

7234

764

774

542,3

46

In mijn gebeden hebben zorgen over klimaatverandering een plaats. mee oneens

39

462

472

331

271

341,2

473

352

241

331,2

261,2

381,2,3

40

neutraal

32

281,2

342

281

3812

341,2

342

302

161

3012

311,2

352

31

mee eens

30

26

19

39

36

32

19

2,3

35

4

59

23

37

3,4

44

27

29

n

1401

89

575

595

104

38

575

390

86

54

39

26

1170

1,2

1

3

23

1,2,3

1

1,2

a Basis = respondenten die zich tot een bepaalde religie of levensbeschouwing rekenen (n = 1401). b Cijfers in superscripts (1, 2, enz.) geven de resultaten weer van paarsgewijze vergelijkingen van subgroepen op basis van religie en van christelijke denominatie, gecorrigeerd voor verschillen in leeftijd, geslacht, opleiding, gestandaardiseerd netto huishoudinkomen, stedelijkheid en huishoudenssamenstelling. Verschillen tussen groepen met verschillende cijfers in superscripts zijn statistisch significant (p < 0,05). c RGR = religieus, geen religie, RK = rooms-katholiek, PR = protestants, IS = islamitisch, AN = andere religie. d RK = rooms-katholiek, PKN = Protestantse Kerk in Nederland, ORT = orthodox-gereformeerd, BPE = baptisten-, pinkster- en evangelische gemeenten, BEV = bevindelijk gereformeerd, AN = andere christelijke denominatie, CH = totaal van alle christelijke denominaties. Bron: SCP/LISS (BoD’23)

Wanneer mensen die zichzelf als religieus beschouwen rechtstreeks gevraagd wordt of hun geloof hen stimuleert tot een meer gematigde leefstijl, dan antwoorden zij gemiddeld genomen bevestigend. Wel is er sprake van verschillen tussen groepen religieuzen. Dit effect van religie wordt vooral gedragen door protestanten (met name orthodox- en bevindelijk gereformeerden en leden van evangelische

80

H ouding , gedrag en de rol van religie

gemeenten) en moslims.35 Rooms-katholieken en mensen met een andere religie (jodendom, hindoeïsme of boeddhisme) geven gemiddeld genomen juist aan dat hun geloof hen niet stimuleert tot een gematigde leefstijl.36 Gevraagd naar de betekenis van het geloof voor de keuze op een concreet terrein – om wel of niet vlees te eten – dan wordt deze keuze gemiddeld genomen niet (bewust) ingegeven door het geloof. Dit geldt voor alle onderscheiden groepen. Gemiddeld genomen krijgen zorgen om klimaatverandering geen plek in gebed. Alleen orthodox- en bevindelijk gereformeerden geven aan dat zorgen om klimaatverandering ben hen terugkomen in gebed; voor de anderen groepen is dat niet aan de orde.

6.7 Veranderbereidheid en de betekenis van religie Een volgende belangrijke vraag is of de bereidheid om zich in de toekomst duurzamer te gaan gedragen samenhangt met religie en geloofsovertuigingen. In hoeverre is er sprake van verschillen tussen a) roomskatholieke en protestantse christenen, b) christenen, aanhangers van andere religies en mensen zonder religieuze overtuiging, en c) mensen van verschillende christelijke denominaties? Om hier inzicht in te krijgen, zijn multilevel regressiemodellen geschat met de veranderbereidheid als afhankelijke variabele en religie (of denominatie) als voorspeller. Net als in de voorgaande analyses zijn de modellen geschat zonder en met sociaal-demografische kenmerken (leeftijd, geslacht, opleiding, gestandaardiseerd netto huishoud­ inkomen, stedelijkheid en huishoudenssamenstelling) als controlevariabelen. De modelresultaten zijn te vinden in bijlage A.6.2. Figuur 6.3 Samenhang tussen veranderbereidheid en religie, 2023 (n = 3342, in modelgebaseerde gemiddelden)a,b c

niet religieus religieus, geen religie christelijk, rooms-katholiek christelijk, protestants of anders islamitisch

scp.nl

andere religie

3,0

3,2

3,4

3,6

3,8

4,0

a Basis = alle respondenten (n = 3342). Niet religieus: n = 2131, religieus, geen religie: n = 183, christelijk, rooms-katholiek: n = 438, christelijk, protestants of anders (n = 462), islamitisch: n =95, andere religie: n =33. b Modelgebaseerde gemiddelden met foutbalken (een standaardfout boven en onder het gemiddelde). c In dit model zijn leeftijd, geslacht, opleiding, gestandaardiseerd netto huishoudinkomen, stedelijkheid en huishoudenssamenstelling meegenomen als controlevariabelen. Bron: SCP/LISS (BoD’23)

35 36

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14104756/1