Onderzoek Tussen duurzaam denken en duurzaam doen.pdf
Tekst van het document
44
16
41
24
7
35
17
3 scp.nl
21
36
0
10
20
30
40
50
60
70
80
helemaal niet belangrijk
belangrijk
niet belangrijk
heel belangrijk
90
100
niet belangrijk, maar ook niet onbelangrijk
a Basis = alle respondenten (n = 3342). Bron: SCP/LISS (BoD’23)
3.3 Conclusie Nederlanders zijn over het algemeen overtuigd van het bestaan van klimaatverandering en de rol van de mens hierin. Zo’n driekwart van hen maakt zich zorgen over klimaatverandering, en in vergelijking met 2019 maken meer mensen zich zelfs erg veel zorgen. Deze bezorgdheid gaat niet per se over de gevolgen van klimaatverandering voor hun eigen leven, maar vooral over de gevolgen voor toekomstige generaties, voor de natuur en het milieu en voor het leven van alle mensen wereldwijd. Sinds 2019 is het gevoel van urgentie toegenomen: meer mensen hebben het gevoel dat de mensheid in actie moet komen om klimaat verandering tegen te gaan en anders moet gaan leven. Ook lijkt de sociale norm te veranderen: meer mensen hebben het gevoel dat de mensen om hen heen zich duurzaam proberen te gedragen. Een meerderheid van de Nederlanders gelooft dat de mens invloed kan hebben op klimaatverandering en dat het zinvol is om iets bij te dragen aan het tegengaan hiervan. Driekwart van de Nederlanders geeft ook aan bereid te zijn financieel bij te dragen aan het voorkomen van natuurrampen – als iedereen bijdraagt. Toch voelt slechts een kleine meerderheid zich persoonlijk verantwoordelijk voor het tegengaan van klimaatverandering.
Dat kan te maken hebben met zorgen over de rechtvaardigheid van klimaat maatregelen: veel mensen vinden dat de kosten hiervoor niet eerlijk verdeeld worden tussen arm en rijk en tussen burgers en bedrijven. Velen zouden graag zien dat mensen (of bedrijven) die zich vervuilender
37
B urgerperspectief op klimaatverandering en - beleid : van 2 0 1 9 naar 2 0 2 3
gedragen en mensen met hogere inkomens meer gaan bijdragen. Op dit moment zijn veel mensen bang dat klimaatmaatregelen hun leven duurder zullen maken, ze moeite krijgen met het betalen van de energierekening en/of anders moeten gaan leven. Tot slot is het van belang stil te staan bij het feit dat er een substantiële groep Nederlanders is bij wie aandacht voor klimaatverandering tot onvrede leidt. Zij maken zich bijvoorbeeld boos over het feit dat er zoveel aandacht naar dit thema gaat, terwijl er volgens hen belangrijkere problemen zijn die aangepakt moeten worden. De groep die vindt dat een kleine groep Nederlanders klimaatmaatregelen opdringt aan de rest of het gevoel krijgt nergens meer van te mogen genieten, is de afgelopen jaren iets gegroeid.
38
B urgerperspectief op klimaatverandering en - beleid : van 2 0 1 9 naar 2 0 2 3
4 Veranderbereidheid van leefstijl
In het vorige hoofdstuk zagen we dat het probleembesef groot is bij een ruime meerderheid van de Nederlanders, maar dat slechts een minderheid dit ook omzet naar duurzaam gedrag. Dit hoofdstuk richt zich op het vraagstuk van de veranderbereidheid van leefstijl. Zijn mensen bereid offers te brengen voor het tegengaan van klimaatverandering (of milieubescherming in brede zin) en hun leefstijl te veranderen, en zo ja: in welke omstandigheden, onder welke condities en op welke terreinen? Het gaat in dit hoofdstuk daarmee om de tweede deelvraag, zoals uiteengezet in de inleiding: 2 In hoeverre zijn mensen bereid hun gedrag te veranderen (minder autorijden, minder vliegen, minder vlees eten, enz.) om bij te dragen aan het tegengaan van klimaatverandering? Wat is de invloed van beleid (beprijzing en of subsidie) hierbij? Wat is de invloed van een dreiging van natuurrampen, de sociale omgeving en de opstelling van overheid, wetenschap en maatschappelijk middenveld? Om deze vraag te beantwoorden hebben we verschillende methoden toegepast. Allereerst hebben we mensen via gesloten vragen direct gevraagd naar hun bezuinigingsvoorkeuren. Daarnaast hebben we een vignettenstudie uitgevoerd om – indirect – de afwegingen die mensen maken te achterhalen. Het voordeel hiervan is dat het onbewuste afwegingspatronen blootlegt.
Paragraaf 4.1 richt zich op bezuinigings voorkeuren wanneer daar direct naar gevraagd wordt. Paragraaf 4.2 focust op veranderbereidheid en de invloed van beleid en bredere context daarop, en zet de resultaten van het vignettenonderzoek uiteen.
4.1 Bezuiniging Om een eerste beeld te krijgen van de veranderbereidheid op verschillende onderdelen van het leven, is respondenten gevraagd waarop ze het liefst zouden bezuinigen. Met stip op één staan vliegreizen (41%), gevolgd door energiegebruik (20%) en het gebruik van de auto (15%). Op het eten van vlees willen de minste Nederlanders bezuinigen (11%) (zie figuur 4.1). Eenzelfde patroon is te zien als we mensen vragen 1500 euro te verdelen over bezuinigingen: mensen zouden het grootste bedrag willen bezuinigen op vliegreizen en het kleinste bedrag op vlees eten (zie figuur 4.2). De spreiding is eveneens het grootste bij vliegreizen; de verschillen van inzicht hierop zijn groot. Het meest eensgezind zijn mensen over de bezuiniging op het eten van vlees. Vooral mensen die een laag inkomen hebben maar niet in de laagste inkomensgroep vallen, zijn geneigd te bezuinigen op vliegreizen.11 Dit geldt ook voor mensen met een afgeronde havo-, vwo- of mbo-opleiding: als het moet, zouden zij vaker willen bezuinigen op vliegreizen dan hbo- en wo-opgeleiden. Mensen met alleen een basisschool- of vmbo-opleiding zijn het vaakst bereid te bezuinigen op reizen met de auto. Mensen met een relatief hoog inkomen die niet in de hoogste inkomenscategorie vallen en hbo- en wo-opgeleiden zijn juist meer geneigd te bezuinigen op het kopen van spullen.
Hbo- en wo-opgeleiden zijn ook meer bereid te bezuinigen op het eten van vlees.
11
Respondenten zijn ingedeeld in kwintielen op basis van het gestandaardiseerde netto maandinkomen van hun huishouden (ook wel ‘koopkracht’). Bij de bepaling hiervan is rekening gehouden met de schaalvoordelen van een gemeenschappelijke huishouding, waardoor het inkomen vergelijkbaar is tussen huishoudens van verschillende groottes en samenstellingen (voor meer detail, zie bijlage A.4.3).
39
V eranderbereidheid van leefstijl
Figuur 4.1 Antwoorden op de vraag: ‘Stel dat, om meer te verduurzamen, (bijna) iedereen in onze samenleving de komende jaren ergens op moet bezuinigen. Waar zou u zelf het liefst op bezuinigen?’, 2023 (n = 3342, in procenten, gewogen)a
totaal
41
gestandaardiseerd netto huishoudinkomen 1e kwintiel
37
20
19
2e kwintiel
49
3e kwintiel
45
20
13
11
16
9
14
22
23
basisonderwijs, vmbo
44
19
havo, vwo, mbo
43
20
9
15
14
16
9
12
12
43
onbekend
11
20
33
5e kwintiel
13
17
38
4e kwintiel
15
14
14
15
19
13
8
17
13
7
16
12
10
opleiding
35
20
14
14
16 scp.nl
hbo, wo
0
10 vliegreizen
20
30
energiegebruik
40
50
autogebruik
60
70
spullen kopen
80
90
100
vlees eten
a Basis = alle respondenten (n = 3342). Onbekend: n = 347. Bron: SCP/LISS (BoD’23)
40
V eranderbereidheid van leefstijl
Figuur 4.2 Antwoorden op de vraag: ‘Stel dat die bezuiniging alle volwassenen ongeveer 1500 euro per persoon per jaar kost. Hoe zou u voor uzelf die kosten verdelen over de vijf mogelijkheden?’, 2023 (n = 3342, gewogen 25e, 50e en 75e percentiel in euro's)a 800 700 600 500 400 €300
300
€250 €200
200
€200 €125 scp.nl
100 0 vliegreizen
energiegebruik
autogebruik
spullen kopen
vlees eten
a De zwarte streep geeft de mediaan aan per categorie. Dat is het midden van de verdeling, dat wil zeggen dat 50% van de gewenste bezuinigingen onder de mediaan ligt en 50% erboven. Bron: SCP/LISS (BoD’23)
4.2 Veranderbereidheid 4.2.1 Onderzoeksdesign vignettenstudie Om te onderzoeken hoe bereid mensen zijn hun eigen gedrag te veranderen kijken we specifiek naar zes impactvolle gedragingen. In hoeverre zijn mensen bereid om 1) minder vlees te eten, 2) minder met het vliegtuig te reizen, 3) minder met de auto te reizen, 4) meer te letten op energiegebruik, 5) minder nieuwe kleding en schoenen te kopen, en 6) de tuin te vergroenen? We willen ook weten waardoor deze bereidheid bepaald wordt. Om hierop een antwoord te kunnen geven, hebben we een vignettenonderzoek gedaan.
Kader 4.1
Vignettenstudie
Een vignettenstudie is een onderzoeksmethode waarbij deelnemers wordt gevraagd om verschillende scenario’s of keuzes te beoordelen door middel van gestandaardiseerde ‘vignetten’ of situatieschetsen. Deze vignetten kunnen bijvoorbeeld bestaan uit verschillende productopties, beleidsalternatieven of behandelingen. Deelnemers geven vervolgens hun voorkeuren, meningen of beslissingen weer voor elk gepresenteerd vignet. De gestandaardiseerde presentatie van vignetten zorgt voor consistentie in de informatie die aan deelnemers wordt gepresenteerd, waardoor de vergelijkbaarheid van reacties wordt vergroot. Door de gestandaardiseerde aanpak kunnen vignettenstudies de invloed van bepaalde biases of contextuele factoren verminderen die kunnen optreden bij bijvoorbeeld interviews of enquêtes.
Onderdeel van het vignettenonderzoek was het meten van de invloed van vier contextuele factoren op de veranderbereidheid. Voor willekeurig drie van de zes impactvolle gedragingen (vlees eten, met het vliegtuig reizen, met de auto reizen, enz.) kregen respondenten mogelijke toekomstscenario’s (vignetten) te lezen. Elk vignet bevatte informatie over vier factoren: 1 informatie over hoeveel natuurrampen, zoals hitte, droogte en overstromingen, er de komende jaren zullen voorkomen (meer, iets meer, evenveel, minder); 2 informatie over of mensen in de sociale omgeving het niet-duurzame gedrag afkeuren of juist goedkeuren (en waarom); 41
V eranderbereidheid van leefstijl
3 informatie over de mate waarin een bepaald soort gedrag (duurzaam of niet-duurzaam) de komende jaren goedkoper of duurder wordt (beleid); 4 informatie over welke partij een oproep doet om duurzamer gedrag te vertonen: de overheid, wetenschappers, maatschappelijke organisaties of kerken. Vignettendesign Elk van de factoren – natuurrampen, sociale omgeving, beleid, en oproep – had vier niveaus (zie bijlage B voor de exacte teksten per factor en per leefterrein). Per leefterrein waren er in totaal 64 vignetten, dat wil zeggen: 64 combinaties van factorniveaus. Deze vignetten zijn met behulp van een algoritme zo gekozen dat er, over alle vignetten heen, geen samenhang is tussen de vier factoren.12 Hierdoor kunnen we per contextuele factor en per factorniveau bepalen in hoeverre deze bijdraagt aan de verander bereidheid. Figuur 4.1 geeft een voorbeeld van een vignet met betrekking tot vlees eten. Figuur 4.3
Voorbeeld van een vignet (vlees eten)
Stelt u zich voor dat komende jaren… • er iets meer natuurrampen komen, zoals hitte, droogte en overstromingen • mensen in uw omgeving het eten van vlees als ongezond zien • de prijs van vlees ongeveer hetzelfde blijft als nu • wetenschappers mensen oproepen om minder vlees te eten
Bron: SCP/LISS (BoD’23)
Procedure en uitkomstmaat Mensen kunnen op dit moment al het meest duurzame gedrag vertonen. Daarom is op elk van deze zes leefterreinen eerst naar het huidige gedrag op de zes gebieden gevraagd (bv. ‘Hoe vaak eet u vlees (of kip) bij de warme maaltijd?)’. Vervolgens werden per leefterrein vier vignetten voorgelegd aan respondenten (twaalf vignetten in totaal).13 Bij elk vignet gaven respondenten aan wat zij in dat geval zouden doen, op een vijfpuntsschaal van duurzamer (bv. Ik zou… ‘veel minder vliegen dan ik nu doe’, ‘veel meer letten op mijn energieverbruik dan ik nu doe’, enz.) naar minder duurzaam gedrag (bv. Ik zou… ‘veel meer vliegen dan ik nu doe’, ‘veel minder letten op mijn energieverbruik dan ik nu doe’, enz.). Stoppen met bepaald gedrag is als extra antwoordoptie toegevoegd (zespuntsschaal).14 De antwoorden zijn omgekeerd gecodeerd, zodat een hogere score een hogere bereidheid om zich duurzaam te gedragen weerspiegelt. In de rest van dit hoofdstuk noemen we dit de ‘veranderbereidheid’.
4.2.2 Algemene veranderbereidheid Bij algemene veranderbereidheid gaat het om de veranderbereidheid gemiddeld over de zes leefterreinen heen. Zijn Nederlanders überhaupt veranderbereid – los van de specifieke omstandigheden of scenario’s voor de toekomst – als het gaat om hun leefstijl? Figuur 4.4 laat de verdeling van antwoorden zien, gemiddeld over alle mogelijke toekomstscenario’s. Bij iets meer dan de helft van alle scenario’s (54%) geven respondenten aan dat zij hun gedrag niet zouden veranderen. In ongeveer een kwart van de gevallen (26%) zouden zij zich iets duurzamer gaan gedragen en in 14% van de gevallen veel duurzamer. Bij 3% van de scenario’s geven respondenten aan dat zij zouden stoppen met het niet-duurzame gedrag. Figuur 4.5 laat ook de antwoorden per leefterrein zien.
Naast onafhankelijkheid van de vier factoren is er bij de selectie van de vignetten ook voor gezorgd dat interacties tussen beleid en de andere drie factoren niet samenhangen met de hoofdeffecten. 13 Respondenten die willekeurig waren toegewezen aan vignetten over het bestraten vs. beplanten van een tuin, maar die aangaven zelf geen tuin te hebben, kregen deze vier vignetten niet te zien (zij kregen dus acht in plaats van twaalf vignetten te zien). 14 Respondenten die aangaven bepaald gedrag niet te vertonen (bv. nooit met het vliegtuig reizen), kregen vervolgens bij de vignetten over het betreffende gedrag de antwoordopties stoppen met […]’, ‘veel minder […]’ en ‘iets minder […]’ niet te zien. 12
42
V eranderbereidheid van leefstijl
Over het algemeen zijn Nederlanders het meest bereid om minder vlees te eten en het minst bereid minder auto te rijden. Dit patroon is niet consistent met de bevindingen in de eerste paragraaf van dit hoofdstuk, waar we zagen dat mensen juist het minst graag zouden willen bezuinigen op vlees. Het zou kunnen dat mensen bij de vragen waarop ze het liefst zouden bezuinigen voornamelijk in termen van geld hebben gedacht, waardoor bezuinigen door een keer minder te reizen met het vliegtuig een aantrekkelijker alternatief werd dan heel vaak geen vlees eten bij de warme maaltijd (om tot een bezuiniging van 1500 euro te komen). Bij de vignettenstudie werd veel meer informatie gegeven (over toekomstscenario’s, omgeving, prijzen, gedrag van overheid en wetenschap bijvoorbeeld), waardoor de respondenten minder gefocust zijn op een specifiek aspect. In figuur 4.5 valt op dat de groepen die op dit moment minder duurzaam gedrag vertonen ook minder bereid zijn om hun gedrag te veranderen in de toekomst. Mensen die op dit moment al het meest duurzame gedrag vertonen op een bepaald leefterrein, geven meestal aan dit te blijven doen. Figuur 4.4 Algemene veranderbereidheid over alle toekomstscenario’s en alle respondenten, 2023 (n = 4088-37.516, in procenten, gewogen)a,b
2
alle gedragingen
54
26
46
vlees eten 1
14
31
3
17
65
14
4
11
7
reizen met de auto
3
reizen met het vliegtuig
3
54
energieverbruik
2
57
kopen van nieuwe kleding
3
49
29
16
3
bestraten van de tuin
2
52
25
15
4
27
13
13
scp.nl
27
2
0
10
20
30
40
50
60
veel minder duurzaam
iets duurzamer
iets minder duurzaam
veel duurzamer
geen verandering
meest duurzaam
70
80
90
100
a Alle gedragingen: n = 37.516; vlees eten: n = 6804; reizen met de auto: n = 6572; reizen met het vliegtuig: n = 6572; energieverbruik: n = 6760; kopen van nieuwe kleding: n = 6744; bestraten van de tuin: n = 4088. b Bestraten van de tuin is in verhouding tot beplanten van de tuin. Bron: SCP/LISS (BoD’23)
43
V eranderbereidheid van leefstijl
Figuur 4.5 Algemene veranderbereidheid over alle toekomstscenario’s, naar huidig gedrag, 2023 (n = 37.516, in procenten, gewogen)a
huidig gedrag
meest duurzaam 1
6
94
2 1
43
2
43
3
minst 2 duurzaam 4
26
21
36
30
17
1
13
2 scp.nl
51
8
0
10
20
30
40
50
60
70
80
90
100
verandering naar... veel minder duurzaam
iets duurzamer
iets minder duurzaam
veel duurzamer
geen verandering
meest duurzaam
a Het huidige gedrag per leefterrein is op vijfpunts-, zespunts- en zevenpuntsschaal gemeten. Daarom zijn de scores per leefterrein gestandaardiseerd en zijn respondenten vervolgens ingedeeld in vier groepen. Bron: SCP/LISS (BoD’23)
Als we nu alleen kijken naar het gedrag van mensen waarbij ruimte is voor verduurzaming,15 dan blijkt dat in 46% van de gevallen respondenten aangeven dat zij hun gedrag niet zouden veranderen. In 31% van de gevallen zouden zij zich iets duurzamer gaan gedragen, in 17% veel duurzamer en in 4% zouden zij helemaal stoppen met het betreffende gedrag (zie figuur 4.6).
15
Tot het meest duurzame gedrag wordt hier gerekend: niet met het vliegtuig reizen, niet met de auto reizen, letten op energiebesparing, geen vlees eten, geen nieuwe kleding kopen, niet bestraten van de tuin. Dit is gedaan vanuit het perspectief van de huidige situatie in Nederland, waarin ruimte is voor verduurzaming. Als het gaat om vlees eten, dan gaan we ervan uit dat een bescheiden hoeveelheid vlees past in een duurzaam eetpatroon (zie WUR z.d.).
44
V eranderbereidheid van leefstijl
Figuur 4.6 Algemene veranderbereidheid over alle toekomstscenario’s, respondenten die nog niet het meest duurzame gedrag vertonen, 2023 (n = 3368-31.220, in procenten, gewogen)a,b
2
alle gedragingen
46
31
43
vlees eten 1
33
2
52
reizen met het vliegtuig 1
51
reizen met de auto
20
17
4
18
4
15
10
30
energieverbruik
2
43
36
kopen van nieuwe kleding
2
44
33
bestraten van de tuin 2
43
14
3
18
18
19
5 scp.nl
31
3
0
10
20
30
40
50
60
veel minder duurzaam
iets duurzamer
iets minder duurzaam
veel duurzamer
geen verandering
meest duurzaam
70
80
90
100
a Alle gedragingen: n = 31.220; vlees eten: n = 6376; reizen met de auto: n = 4584; reizen met het vliegtuig: n = 5976; energieverbruik: n = 4892; kopen van nieuwe kleding: n = 6024; bestraten van de tuin: n = 3368. b Bestraten van de tuin is in verhouding tot beplanten van de tuin. Bron: SCP/LISS (BoD’23)
In het vervolg van dit hoofdstuk beschrijven we hoe de algemene veranderbereidheid beïnvloed wordt door de contextuele factoren (natuurrampen, sociale omgeving, beleid en oproep). Vervolgens bekijken we of de invloed van de contextuele factoren verschilt tussen de leefterreinen en gaan we in dieper in op verschillen in veranderbereidheid.
4.2.3 Invloed van de contextuele factoren De belangrijkste vraag bij dit vignettenonderzoek is hoe is de algemene veranderbereidheid afhangt van de contextuele factoren. Met andere woorden: in hoeverre overtuigen informatie over aanstaande natuurrampen, afkeuring of goedkeuring door de sociale omgeving, beleid dat bepaalde keuzes duurder of goedkoper maakt en oproepen van verschillende partijen mensen om hun gedrag te veranderen? Om dat te achterhalen is een multilevel regressiemodel geschat met de veranderbereidheid als afhankelijke variabele en de vier contextuele factoren als onafhankelijke variabelen. Het model houdt rekening met het feit dat elke respondent meerdere vignetten heeft beoordeeld (via een random intercept). Daarnaast zijn ook de interacties tussen beleid en de andere drie contextuele factoren in het model meegenomen. De resultaten laten zien dat alle vier de factoren een significante invloed hebben op de veranderbereidheid van burgers (zie bijlage A.4.2 voor de modelresultaten). Deze effecten zijn grafisch weergegeven in figuur 4.7.
45
V eranderbereidheid van leefstijl
Kader 4.2
Factorniveaus bij de leefterreinen
Voor elk van de zes leefterreinen zijn dezelfde contextuele factoren met grotendeels dezelfde niveaus meegenomen. De teksten die de verschillende niveaus weerspiegelen, zijn wel aangepast op het specifieke gedrag (bv. ‘… dat er een klimaatbelasting wordt ingesteld op vlees. Vlees wordt hierdoor 75% duurder’ vs. ‘… dat er een klimaatbelasting wordt ingesteld op energie. Gas en elektriciteit worden daardoor 75% duurder’). Alleen bij de factor ‘sociale omgeving’ zijn de factorniveaus conceptueel niet helemaal vergelijkbaar tussen de leefterreinen (bv. ‘… dat mensen in uw omgeving het eten van vlees als ongezond zien’ vs. ‘…dat de meeste mensen in uw omgeving vliegen zien als te belastend voor het milieu’). Wel zijn, voor alle leefterreinen, de niveaus in te delen in a) twee situaties waarin de sociale omgeving positief tegenover het duurzame gedrag (of negatief tegenover het niet-duurzame gedrag) staat, en b) twee situaties waarin de sociale omgeving negatief tegenover het duurzame gedrag (of positief tegenover het niet-duurzame gedrag) staat. In de eerste analyse van de veranderbereidheid in het algemeen hebben we daarom alleen dit onderscheid tussen een positieve versus negatieve houding van de sociale omgeving meegenomen (twee niveaus).
In de analyses die zich richten op specifieke gedragingen kunnen we de verschillende niveaus van de factor ‘sociale omgeving’ in meer detail bekijken.
Figuur 4.7 Relatief belang van de contextuele factoren op veranderbereidheid, 2023 (n = 3342, schaal 1-6, gemiddeld over de zes leefterreinen)a,b
het niet-duurzame gedrag wordt... (beleid)
oproep tot duurzamer gedrag wordt gedaan door…
75% duurder
de overheid
4,0
natuurrampen komen er...
mensen in de sociale omgeving staan...
3,8
3,6
3,4
scp.nl
3,2
kerken
maatschappelijke organisaties
wetenschappers
25% goedkoper
prijzen blijven gelijk
25% duurder
positief tegenover het duurzame gedrag
negatief tegenover het duurzame gedrag
minder
het aantal blijft gelijk
iets meer
steeds meer
3,0
a Basis = alle respondenten (n = 3342; 37.516 observaties). b Modelgebaseerde gemiddelden met foutbalken (een standaardfout boven en onder het gemiddelde). Bron: SCP/LISS (BoD’23)
De veranderbereidheid van mensen is zowel afhankelijk van de kans dat natuurrampen plaatsvinden, als van de houding van mensen in de sociale omgeving, de mate van beprijzing van niet-duurzaam gedrag, en of er een oproep tot duurzamer gedrag wordt gedaan door overheid, wetenschap, maatschappelijke en/of religieuze organisaties. Veruit de grootste invloed gaat uit van beleid: of sprake is van beprijzing dan wel subsidiëring van niet-duurzaam gedrag.
46
V eranderbereidheid van leefstijl
De invloed van het aantal natuurrampen op de veranderbereidheid wordt kleiner naarmate de financiële kosten van het meer versus minder duurzame gedrag hoger worden. Dat wil zeggen: wanneer het niet-duurzame gedrag duurder wordt (bv. door een klimaatbelasting) of het duurzame gedrag goedkoper (bv. door een klimaatsubsidie), hebben verwachtingen over het aantal natuurrampen in de toekomst een minder sterke invloed op de veranderbereidheid van burgers dan wanneer de financiële kosten onveranderd blijven. Ook de invloed van de sociale omgeving wordt kleiner naarmate het niet-duurzame gedrag relatief duurder wordt. Deze bevindingen suggereren dus dat, van deze vier factoren, de verander bereidheid van burgers over het algemeen het meest bepaald wordt door de financiële kosten van meer versus minder duurzame opties (deze interacties zijn grafisch weergegeven in de figuren A.4.1 en A.4.2 in de bijlagen).
4.2.4 Invloed van de contextuele factoren per leefterrein Wordt de bereidheid om minder vlees te eten bijvoorbeeld sterker gestuurd door financiële overwegingen? Of de bereidheid minder te vliegen door toekomstscenario’s over natuurrampen? Om dergelijke vragen te beantwoorden is in een vervolganalyse gekeken in hoeverre de invloed van de contextuele factoren verschilt per leefterrein. Uit de analyse blijkt dat de effecten van het beleid en van de sociale omgeving significant verschillen tussen de leefterreinen (zie bijlage A.4.2 voor de modelresultaten). De effecten van het aantal natuurrampen en wie de oproep tot duurzaam gedrag doet zijn marginaal significant afhankelijk van het leefterrein. De invloeden van de contextuele factoren die we zagen in de vorige paragraaf zijn op bepaalde leefterreinen iets sterker of zwakker. De bereidheid om minder vlees te eten hangt bijvoorbeeld sterker samen met veranderingen in de prijs van vlees dan de bereidheid om de tuin te vergoenen samenhangt met de prijs van bomen en planten. Verwachtingen over het aantal natuurrampen in de toekomst hebben een kleine, maar statistisch significante invloed op de veranderbereidheid op alle leefterreinen, behalve het vergroenen van de tuin.
En welke organisatie de oproep doet om duurzamer gedrag te vertonen, maakt meer uit als het gaat om minder vlees eten en minder reizen met het vliegtuig of de auto dan wanneer het gaat om letten op energieverbruik of het vergroenen van de tuin. De iets kleinere invloed van deze factoren op de bereidheid om de tuin te vergroenen, kan erop duiden dat mensen dit als een meer ingrijpende of moeilijker uitvoerbare aanpassing zien. Het kan ook dat zij zich er minder bewust van zijn dat deze verandering bijdraagt aan het beschermen van het milieu. Over het algemeen verschilt het patroon van resultaten echter dus niet sterk per leefterrein (zie figuren A.4.3 tot en met A.4.8 in de bijlage).
4.2.5 Samenhang met andere persoonskenmerken In deze paragraaf bekijken we de relatie tussen veranderbereidheid en andere persoonskenmerken, namelijk persoonlijke waarden, politieke oriëntatie en sociaal-demografische kenmerken. Persoonlijke waarden en politieke oriëntatie Figuur 4.8 toont de resultaten van een multilevel regressiemodel met persoonlijke waarden, politieke oriëntatie en sociaal-demografische variabelen als voorspellers van de veranderbereidheid (zie bijlage A.4.2). De verschillen in veranderbereidheid die zijn weergegeven in de figuur zijn dus gecorrigeerd voor verschillen in de andere achtergrondkenmerken. Alle verbanden zijn in de voorspelde richting, maar niet altijd statistisch significant. Zoals verwacht gaan sterkere biosferische waarden (begaan zijn met de kwaliteit van natuur en milieu) samen met een hogere veranderbereidheid. Naarmate mensen juist meer hedonistische doelen nastreven, daalt de bereidheid om gedrag te veranderen. Ook hangt de verander bereidheid significant samen met politieke oriëntatie, en – wellicht weinig verrassend – met name met de progressief-conservatief dimensie. Mensen die in 2021 op een progressieve partij stemden zijn over het algemeen meer bereid hun gedrag te veranderen dan mensen die toen op een conservatieve partij stemden.
Deze bevindingen blijven hetzelfde wanneer we corrigeren voor verschillen in het huidige gedrag op het betreffende leefterrein.
47
V eranderbereidheid van leefstijl
Figuur 4.8 Samenhang tussen veranderbereidheid en persoonlijke waarden en politieke oriëntatie, 2023 (n = 3342, schaal 1-6)a,b 4,0
3,8
3,6
3,4
scp.nl
3,2
altruïstisch
persoonlijke waarden
hedonistisch
rechts vs. links
sterk conservatief
centrum
conservatief
progressief
sterk progressief
rechts
centrum
centrum-rechts
links
centrum-links
hoog
heel hoog
laag
gemiddeld
heel laag
hoog
biosferisch
heel hoog
laag
gemiddeld
heel laag
hoog
egoïstisch
heel hoog
laag
gemiddeld
heel laag
hoog
heel hoog
laag
gemiddeld
heel laag
3,0
conservatief vs. progressief
politieke oriëntatie
a Basis = alle respondenten (n = 3342). b Modelgebaseerde gemiddelden met foutbalken (een standaardfout boven en onder het gemiddelde). c Heel laag = 2 standaarddeviaties onder de gemiddelde veranderbereidheid; laag = 1 standaarddeviatie onder het gemiddelde; hoog = 1 standaarddeviatie boven het gemiddelde; heel hoog = 2 standaarddeviaties boven het gemiddelde. Bron: SCP/LISS (BoD’23)
Sociaal-demografische kenmerken Figuur 4.9 laat zien hoe de veranderbereidheid samenhangt met sociaal-demografische kenmerken. De resultaten in de figuur zijn gebaseerd op een multilevel regressiemodel met religie en sociaal-demografische variabelen als voorspellers (zie bijlage A.4.2). Consistent met hun hogere bezorgdheid en waargenomen urgentie (hoofdstuk 6), blijkt de veranderbereidheid significant hoger onder 55-plussers dan onder jongere leeftijdsgroepen. Ouderen vertonen dus, over de verschillende leefterreinen heen, op dit moment al vaker het meest duurzame gedrag (zelfgerapporteerd) én lijken het meest bereid om nog verdere opofferingen te doen. Hetzelfde patroon zien we bij vrouwen versus mannen. Vrouwen blijken meer veranderbereid, ondanks dat zij op dit moment al duurzamer gedrag vertonen en er dus beperktere ruimte voor verbetering is. Ook theoretisch opgeleiden – die nauwelijks verschillen van praktisch opgeleiden in hoe duurzaam zij zich nu gedragen – lijken iets meer bereid tot gedragsverandering om het milieu te beschermen. Bij de inkomensgroepen zien we de sterkste veranderbereidheid bij het tweede en derde kwintiel. Deze is significant hoger dan bij het eerste kwintiel (laagste inkomen).
Dit verschil verdwijnt echter wanneer we rekening houden met verschillen in het huidige gedrag (zie figuur A.4.9 in de bijlagen), omdat vanwege hun relatief duurzame huidige gedrag de ruimte voor verbetering binnen de groep met het laagste inkomen beperkter is. Verder hangt de veranderbereidheid positief samen met de stedelijkheid van het gebied waarin mensen wonen, maar niet met de samenstelling van het huishouden.
48
V eranderbereidheid van leefstijl
Figuur 4.9 Samenhang tussen veranderbereidheid en sociaal-demografische kenmerken, 2023 (n = 3342, schaal 1-6)a,b 4,0
3,8
3,6
3,4
scp.nl
3,2
leeftijd
geslacht
opleiding
gestandaardiseerd netto huishoudinkomen
stedelijkheid
samenwonend
alleenstaand of anders
sterk stedelijk
zeer sterk stedelijk
matig stedelijk
niet stedelijk
weinig stedelijk
onbekend
5e kwintiel
3e kwintiel
4e kwintiel
2e kwintiel
1e kwintiel
hbo, wo
havo, vwo, mbo
basisonderwijs, vmbo
man
vrouw
65-plus
55-64 jaar
45-54 jaar
25-34 jaar
35-44 jaar
18-24 jaar
3,0
samenstelling huishouden
a Basis = alle respodenten (n = 3342). b Modelgebaseerde gemiddelden met foutbalken (een standaardfout boven en onder het gemiddelde). Bron: SCP/LISS (BoD’23)
4.3 Conclusie Door hun gedrag te veranderen, kunnen burgers bijdragen aan het tegengaan van klimaatverandering. Ze verschillen in hun bereidheid om dit te doen. In dit hoofdstuk keken we naar de gedragingen die de meeste impact hebben op de CO2-uitstoot van huishoudens en onderzochten we met vignetten onderzoek hoe de bereidheid om deze gedragingen aan te passen afhangt van contextuele factoren. Over het algemeen lijken Nederlanders bij verandering van leefstijl niet sterk gevoelig voor wat er gebeurt in de natuur, de sociale omgeving of het beleid. In bijna de helft van de onderzochte situaties – waarin ruimte is voor verduurzaming – blijken mensen niet veranderbereid. In de gevallen waarin mensen dat wel zijn, zijn zij het meest bereid om minder vlees te gaan eten en het minst bereid om minder auto te gaan rijden. De bereidheid om minder met het vliegtuig te reizen, minder energie te gaan verbruiken, minder nieuwe kleding te gaan kopen en de tuin te vergroenen valt daar tussenin. De resultaten suggereren dat er contextuele factoren zijn die mensen kunnen stimuleren om hun gedrag te veranderen, maar slechts in beperkte mate. Het gaat hierbij om toekomstscenario’s over natuur rampen, oordelen uit de sociale omgeving, (financieel) beleid en oproepen van overheid, wetenschappers, maatschappelijke organisaties of kerken.
Mensen worden het sterkst overtuigd te veranderen door beleid dat het niet-duurzame gedrag duurder maakt en in mindere mate door een toename in natuurrampen, een positieve houding van mensen in hun omgeving tegenover duurzaam gedrag of een oproep door wetenschappers. De invloed die uitgaat van een dreiging van natuurrampen en de houding van mensen in de sociale omgeving is ook afhankelijk van beprijzing. Naarmate niet-duurzaam gedrag duurder wordt, neemt de duurzaamheidstimulerende werking van een dreiging van natuurrampen of een positieve houding van de sociale omgeving af. 49
V eranderbereidheid van leefstijl
5 Geloofsovertuigingen gerelateerd aan mens, God en natuur
In dit onderzoek gaat speciale aandacht uit naar de rol van religie in klimaatgerelateerde opvattingen en gedrag. Op basis van het literatuuronderzoek uit hoofdstuk 2 verwachten we dat de geloofsopvattingen die religieuze mensen hebben over de relatie tussen mens, God en natuur bepalend zijn voor hun houding en gedrag ten aanzien van het milieu. In dit hoofdstuk proberen we meer grip te krijgen op die geloofsopvattingen. Laten die zich clusteren? Hoe zijn deze overtuigingen verdeeld over verschillende religies? Het gaat om het eerste deel van de derde centrale vraag: 3a Welke (patronen van) geloofsopvattingen zien we bij religieuze mensen als het gaat om mens, God en natuur? Enerzijds is er het beeld van de aarde die door God aan de mens is toevertrouwd om erover te heersen en gebruik van te maken. Anderzijds is er het idee dat de aarde door God in bruikleen is gegeven, en dat mensen daarom de verantwoordelijkheid hebben om er goed voor te zorgen (rentmeesterschap). Verwacht wordt dat de opvatting van de mens als heerser over de aarde negatief samenhangt met bezorgdheid over klimaatverandering, minder duurzaam gedrag en minder steun voor klimaatbeleid, terwijl de opvatting van de mens als rentmeester hier positief mee samenhangt.
Deze opvattingen, die beide uitgaan van een bijzondere positie van de mens ten opzichte van de natuur, kunnen worden onderscheiden van de opvatting dat de mens onderdeel is van de natuur, en dus een niet-bijzondere positie heeft ten opzichte van de natuur, en de opvatting dat God zich in de natuur openbaart. Op basis van het literatuuronderzoek verwachten we dat die laatste geloofsopvattingen zich, net als de opvatting van rentmeesterschap, vertalen in een hogere mate van bezorgdheid over klimaatverandering en duurzamer gedrag. Tot slot verwachten we dat mensen die klimaatverandering zien als teken dat de eindtijd is aangebroken zich minder zorgen zullen maken over het milieu en minder geneigd zullen zijn zich vanuit milieuoverwegingen duurzamer te gedragen. In de vragenlijst kregen respondenten die aangaven zichzelf tot een bepaalde religie of levensbeschouwing te rekenen een aantal stellingen voorgelegd die representatief zijn voor deze verschillende geloofsopvattingen. Om de hypothesen over de samenhang tussen geloofsopvattingen en klimaatgerelateerde opvattingen en gedrag te kunnen toetsen (wat we doen in hoofdstuk 6), onderzoeken we in dit hoofdstuk eerst welke geloofsopvattingen te onderscheiden zijn en hoe deze onderling samenhangen (§ 5.1).
Vervolgens kijken we hoe deze geloofsopvattingen samenhangen met religies en christelijke denominaties (§5.2) en of individuele patronen van geloofsopvattingen zich laten clusteren tot betekenisvolle groepen (§ 5.3).16
5.1 Verschillen in geloofsopvattingen Om inzicht te krijgen in de overtuigingen van religieuze mensen op het gebied van mens, natuur en God hebben we hen een aantal stellingen voorgelegd. Tabel 5.1 geeft een overzicht van de stellingen die zijn voorgelegd en hun samenhang (zie bijlage A.5.2 voor meer detail). In de stellingen zien we de noties terug van a) de natuur als manifestatie van God, b) de mens als onderdeel van de natuur, c) de mens als rentmeester van de natuur, d) de mens als heerser over de natuur, en e) klimaatverandering als teken van de eindtijd.
16
De analyses in dit hoofdstuk zijn gebaseerd op data van alle mensen die zichzelf tot een bepaalde religie of levensbeschouwing rekenen (n = 1401).
50
G eloofsovertuigingen gerelateerd aan mens , G od en natuur
Tabel 5.1 Samenhang tussen opvattingen over de relatie tussen God, mens en natuur, 2023 (in Cronbach’s alpha)a
construct
operationalisatieb
Cronbach’s alpha
God openbaart zich in de natuur.
In de natuur ervaar ik God/het goddelijke.
0,44
De natuur is heilig. Mens is onderdeel van de natuur.
Ik vind de natuur ontzagwekkend.
0,67
Ik voel me verbonden met dieren en planten. Mensen maken deel uit van de natuur. Mens is rentmeester van de natuur.
God vraagt van ons om de natuur zoveel mogelijk in stand houden.
0,80
God houdt ons verantwoordelijk voor hoe wij met de aarde omgaan. Mens heerst over de natuur.
God heeft de aarde, met dieren, planten en grondstoffen aan de mens gegeven om te gebruiken.
0,73
God heeft de mens boven de andere schepselen geplaatst. Klimaatverandering is teken van eindtijd.
Klimaatverandering past bij wat in de heilige boeken staat over de eindtijd.
n.v.t.
a Cronbach’s alpha is een maat voor de mate van samenhang (interne consistentie) tussen de schaalitems. Cronbach’s alpha ≥ 0,7 = acceptabel; ≥ 0,8 = goed. b Het gaat hier om de betreffende items uit de vragenlijst. Bron: SCP/LISS (BoD’23)
De stellingen die de noties van rentmeesterschap en heerschappij van de mens over de natuur meten, hebben een acceptabele interne consistentie.17 Echter, de stellingen over rentmeesterschap zijn over het algemeen net zo sterk gecorreleerd met de stellingen over heerschappij als dat ze onderling gecorreleerd zijn, en uit factoranalyse blijkt dan ook dat ze op dezelfde factor laden18 (zie bijlage A.5.2). We zien dan ook een relatief sterke positieve correlatie tussen de noties van rentmeesterschap en heerschappij over de natuur: r = 0,63.19 Dit is opvallend, omdat vanuit de literatuur het beeld ontstaat dat dit tegengestelde opvattingen zijn. De resultaten suggereren echter dat deze geloofsopvattingen in de praktijk vaak hand in hand gaan. Ondanks de vrij sterke samenhang onderscheiden we ze in de analyses als aparte geloofsopvattingen. Op basis van het literatuuronderzoek verwachten we immers dat deze opvattingen toch op hele verschillende manieren samenhangen met klimaatgerelateerde opvattingen en duurzaam gedrag.
De stellingen die de opvatting dat God zich in de natuur openbaart beogen te meten blijken echter niet sterk met elkaar samen te hangen (Cronbach’s alpha < 0,70; r = 0,28). Een factoranalyse (zie bijlage A.3.2) laat zien dat de stelling ‘De natuur is heilig’ samen met de drie stellingen die de opvatting dat de mens onderdeel is van de natuur meten op dezelfde factor laden. Op basis van deze resultaten is één construct gevormd dat de opvatting van intrinsieke verbondenheid met de natuur weerspiegelt (‘Ik vind de natuur ontzagwekkend’, ‘Ik voel me verbonden met dieren en planten’, ‘Mensen maken deel uit van de natuur’ en ‘De natuur is heilig’; Cronbach’s alpha = 0,71). 18 Dit betekent dat meerdere items een sterke positieve relatie hebben met dezelfde factor. Dit houdt in dat deze items samenhang vertonen en gezamenlijk een bepaald construct meten. 19 Een correlatiecoëfficiënt (r) is een statistische maat die de sterkte van de relatie tussen de relatieve bewegingen van twee variabelen betekent. Deze kan variëren van -1,0 tot 1,0. Zwakke verbanden liggen rond de 0, sterke verbanden liggen tegen de -1,0 of 1,0. 17
51
G eloofsovertuigingen gerelateerd aan mens , G od en natuur
Ook voorspellen we dat mensen die een verband leggen tussen klimaatverandering en de eindtijd zich minder zorgen zullen maken over het milieu. Deze geloofsopvatting is gemeten door middel van de stelling ‘Klimaatverandering past bij wat in de heilige boeken staat over de eindtijd’. Deze opvatting hangt vrij sterk samen met de noties van rentmeesterschap (r = 0,47) en heerschappij (r = 0,44), en zwak met de opvatting dat mens en natuur inherent met elkaar verbonden zijn (r = 0,16). Dit maakt dat we verder werken met vier constructen van geloofsovertuigingen:20 1 De mens is deel van de natuur en is verbonden met andere schepselen. 2 De mens heeft een bijzondere positie: rentmeester namens God om de schepping te beheren. 3 De mens heeft een bijzondere positie: door God aangesteld om over de schepping te heersen. 4 Klimaatverandering als teken van wat in de heilige boeken staat over de eindtijd.
5.2 Geloofsopvattingen binnen verschillende religies en denominaties 5.2.1 Het religieuze landschap in Nederland Voordat we onderzoeken hoe de geloofsopvattingen verschillen tussen aanhangers van verschillende religies, schetsen we eerst een beeld van de aanhangers van die religies in de Nederlandse samenleving. Iets meer dan een derde van de Nederlandse bevolking lijkt zichzelf (nog) als religieus te zien en twee derde niet (zie tabel 5.2). Binnen de nationaal representatieve steekproef beschouwt 36% zichzelf minimaal een beetje religieus (een beetje religieus (21%), religieus (12%), heel religieus (3%)) (zie tabel 5.2). 26% beschouwt zichzelf als christen, 4% als moslim, 6% als religieus zonder verbinding met een bepaalde religie en 1% zichzelf rekent tot een andere religie (jodendom, hindoeïsme, boeddhisme).21 Tabel 5.2
Religie in Nederland: enkele hoofdindicatoren, 2023 (n = 3342, in procenten, gewogen)
mate waarin mensen zichzelf religieus vinden
behorend tot religieuze of levensbeschouwelijke groep
niet religieus
64
een beetje religieus
21
religieus
12
heel religieus
3
niet religieus
36
religieus maar rekent zichzelf niet tot een bepaalde religie
6
christelijk, rooms-katholiek
12
christelijk, protestants of anders
14
islamitisch
4
andere religie (jodendom, hindoeïsme, boeddhisme)
1
Bron: SCP/LISS (BoD’23)
Van de mensen die zichzelf op z’n minst een beetje religieus beschouwen is 38% protestants, 34% rooms-katholiek en 10% moslim. Aanhangers van het jodendom, hindoeïsme en boeddhisme maken samen 3% uit van deze groep. De overige groep, 15%, rekent zichzelf niet tot een geïnstitutionaliseerde religie (zie figuur A.5.1). Deze groepen hebben verschillende sociaal-demografische profielen (zie bijlage A.2.3 voor een compleet overzicht). Zo zijn rooms-katholieken met een gemiddelde leeftijd van 61 jaar gemiddeld het oudst en moslims met een gemiddelde leeftijd van 37 jaar gemiddeld het jongst. Ook zien 20 21
Bij de eindtijd gaat het strikt genomen niet om een construct, maar om een item. Zie ook tabel A.2.3 in de bijlagen: de steekproefbeschrijving. Vanwege afronding tellen de groepen nu op tot 37% in deze tabel.
52
G eloofsovertuigingen gerelateerd aan mens , G od en natuur
we significante verschillen tussen deze groepen in inkomen en de stedelijkheid van de gebieden waarin zij wonen. Christenen hebben een hoger gemiddeld netto huishoudinkomen22 dan moslims en wonen relatief vaak op het platteland, terwijl aanhangers van andere religies relatief vaak in stedelijke gebieden wonen. Er zijn geen significante verschillen tussen de groepen in de verdeling naar geslacht en opleiding. Bij deze resultaten moet wel worden opgemerkt dat de groepen moslims (n = 95) en aanhangers van het jodendom, hindoeïsme of boeddhisme (n = 33) binnen de steekproef klein zijn. Daardoor is het lastiger bevindingen te generaliseren naar deze groepen in de Nederlandse samenleving. Van de protestantse christenen geeft 60% aan te behoren tot de Protestantse Kerk in Nederland (PKN; n = 287).23 Dit is 23% van alle mensen die zichzelf als religieus beschouwen. Ongeveer 15% van de protestantse christenen zegt tot een orthodox-gereformeerde groep te behoren (n = 72), 11% tot een baptisten-, pinkster- of evangelische geloofsgemeenschap of internationale christelijke kerk (n = 48), en 9% tot een bevindelijk gereformeerde groep (n = 35; 4% geeft aan tot een andere kerk of religieuze groep te behoren, n = 20).
De protestantse christenen verschillen in leeftijd, opleiding en stedelijkheid van het gebied waarin ze wonen, al moet bij de interpretatie van deze verschillen wel opgemerkt worden dat het aantal waarnemingen ook binnen deze groepen laag is. Concreet zijn PKN’ers gemiddeld ouder (gemiddelde leeftijd: 57 jaar) dan orthodox- en bevindelijk gereformeerden en leden van baptisten-, pinkster- en evangelische gemeenten en internationale christelijke kerken (gemiddelde leeftijd: 45 jaar in elk van de groepen). Orthodox-gereformeerden hebben gemiddeld genomen het vaakst een hbo- of woopleiding afgerond, terwijl bevindelijk gereformeerden gemiddeld het vaakst praktisch opgeleid zijn. Tot slot wonen leden van baptisten-, pinkster- en evangelische gemeenten en internationale christelijke kerken gemiddeld vaker in stedelijke gebieden dan PKN’ers; de andere groepen vallen ertussenin. Er zijn geen significante verschillen in geslacht en gemiddeld netto huishoudinkomen tussen de groepen.
5.2.2 Geloofsopvattingen over mens, natuur en God binnen religies Bij de mate waarin de verschillende geloofsopvattingen leven binnen de verschillende religies en denominaties, betekent de ‘0’ een gemiddelde score op de opvatting, ‘-1’ is een standaarddeviatie onder het gemiddelde en score ‘1’ een standaarddeviatie boven het gemiddelde.24 Hierbij blijkt dat de geloofsopvatting dat mens en natuur intrinsiek met elkaar verbonden zijn, het sterkst gedeeld wordt onder mensen die zichzelf als religieus beschouwen maar zich niet tot een geïnstitutionaliseerde religie rekenen (zie figuur 5.1). Moslims hebben deze opvatting het minst sterk, maar het verschil met christenen verdwijnt wanneer we rekening houden met verschillen in sociaal-demografische kenmerken (zie figuur A.5.2 in de bijlagen voor een vergelijking).
Hier is gekeken naar het gestandaardiseerde netto huishoudinkomen. Deze groep omvat ook protestantse christenen die niet nader hebben gespecificeerd tot welke protestantse denominatie zij zich rekenen. 24 De analyses zijn uitgevoerd op alle mensen die zichzelf tot een bepaalde religie of levensbeschouwing rekenen. 22 23
53
G eloofsovertuigingen gerelateerd aan mens , G od en natuur
Figuur 5.1 Samenhang van geloofsopvattingen met religie, 2023 (n = 1401, in modelgebaseerde gemiddelden)a,b c
-1
0
1
-1
0
1
-1
0
1
religieus, geen religie
islamitisch
christelijk, rooms-katholiek
andere religie
scp.nl
d. eindtijd
scp.nl
c. heerschappij
scp.nl
b. rentmeesterschap
scp.nl
a. verbondenheid met de natuur
-1
0
1
christelijk, protestants of anders
a Basis = respondenten die zichzelf tot een bepaalde religie of levensbeschouwing rekenen (n = 1401). Religieus, geen religie: n = 206, christelijk, rooms-katholiek: n = 575, christelijk, protestants of anders: n = 595, islamitisch: n = 104, andere religie: n = 38. b Modelgebaseerde gemiddelden met foutbalken (een standaardfout boven en onder het gemiddelde). c In deze modellen zijn leeftijd, geslacht, opleiding, gestandaardiseerd netto huishoudinkomen, stedelijkheid en huishoudenssamenstelling meegenomen als controlevariabelen. Bron: SCP/LISS (BoD’23)
Figuur 5.1 laat ook zien dat opvattingen van de mens als rentmeester van de natuur en van de mens als heerser over de natuur binnen religieuze groepen hand in hand gaan. Moslims lijken op protestantse christenen wat betreft hun geloofsopvattingen over rentmeesterschap en heerschappij over de natuur. Zij delen beide geloofsopvattingen relatief sterk – sterker dan de andere groepen. Beide groepen leggen ook bovengemiddeld vaak een verband tussen klimaatverandering en het aanstaande einde der tijden, al doen moslims dat nog vaker dan protestantse christenen. Rooms-katholieke christenen hebben deze opvattingen juist minder sterk.
54
G eloofsovertuigingen gerelateerd aan mens , G od en natuur
Verder inzoomend op christelijke denominaties (zie figuur 5.2), zien we geen significante verschillen tussen mensen van verschillende protestants-christelijke denominaties als het gaat om de geloofs opvatting dat de mens intrinsiek verbonden is met de natuur, maar wel als het gaat om de andere geloofsopvattingen. Een sterker beeld van de mens als rentmeester van de natuur gaat samen met een sterker beeld van de mens als heerser over de natuur. Deze geloofsopvattingen worden beide in sterkere mate gedeeld onder bevindelijk en orthodox-gereformeerden en leden van baptisten-, pinkster- en evangelische gemeenten en internationale christelijke kerken dan onder PKN’ers. Ook leggen deze groepen – en met name de bevindelijk gereformeerden – vaker een verband tussen klimaatverandering en het aanstaande einde der tijden. Figuur 5.2 Samenhang van geloofsopvattingen met christelijke denominatie, 2023 (n = 1401, in modelgebaseerde gemiddelden)a,b,c
-1
0
1
-1
0
1
-1
0
1
scp.nl
d. eindtijd
scp.nl
c. heerschappij
scp.nl
b. rentmeesterschap
scp.nl
a. verbondenheid met de natuur
-1
rooms-katholiek
baptisten-, pinkster- en evangelische gemeenten
Protestantse Kerk in Nederland
bevindelijk gereformeerd
orthodox-gereformeerd
anders
0
1
a Basis = respondenten die zichzelf tot een bepaalde religie of levensbeschouwing rekenen (n = 1401). Roomskatholiek: n = 575, Protestantse Kerk in Nederland: n = 390, orthodox-gereformeerd: n = 86, baptisten, pinkster- en evangelische gemeenten: n = 54, bevindelijk gereformeerd: n = 39, anders: n = 26. b Modelgebaseerde gemiddelden met foutbalken (een standaardfout boven en onder het gemiddelde). c In deze modellen zijn leeftijd, geslacht, opleiding, gestandaardiseerd netto huishoudinkomen, stedelijkheid en huishoudenssamenstelling meegenomen als controlevariabelen. Bron: SCP/LISS (BoD’23)
55
G eloofsovertuigingen gerelateerd aan mens , G od en natuur
5.3 Clusters op basis van geloofsopvattingen De geloofsopvattingen die mensen hebben over hoe mens en natuur zich tot elkaar verhouden, hangen dus samen met religies en denominaties. Soms worden ze ook in even sterke mate gedeeld in verschillende religies of denominaties. Een vervolgvraag is daarom of en hoe individuele patronen van geloofsopvattingen zich laten clusteren tot groepen. Welke clusters van mensen met verschillende patronen van geloofs opvattingen zijn er te onderscheiden? En vallen aanhangers van dezelfde religie of denominatie dan in hetzelfde cluster, of zien we juist dat de clusters de grenzen van religies en denominaties overstijgen? Om deze vragen te beantwoorden, is een latenteklasseanalyse uitgevoerd op de verschillende geloofs opvattingen over de relatie tussen mens en natuur (verbondenheid met de natuur, rentmeesterschap, heerschappij over de natuur) en de opvatting dat klimaatverandering verband houdt met de eindtijd.25 Er komen zeven clusters naar voren van mensen die verschillen in hun geloofsopvattingen (zie bijlage A.5.3 voor meer detail). Tabel 5.3 geeft een overzicht van de gemiddelde scores op de geloofsopvattingen en de clusteromvang per cluster. De patronen van opvattingen zijn gevisualiseerd in figuur 5.3. Tabel 5.3 Clusters van mensen met verschillende patronen van geloofsopvattingen, 2023 (n = 1401, gemiddelden, schaal 1-5)a,b,c
cluster 1 algemeen genuanceerd
2 einde nabij - gematigd
3 heer en meester - gematigd
4 5 6 wie dan leeft, einde nabij heer en wie dan zorgt - sterk meester - sterk
7 natuur voorop
verbondenheid met de natuur
2,41
3,22
3,32
2,51
4,43,4
3,92,3
4,74
rentmeesterschap
2,02
4,04
3,63
1,01
4,96
4,95,6
4,65
heerschappij
2,42
3,84
3,03
1,31
4,95
4,95
1,51
eindtijd
2,92
3,83
2,22
1,61
4,54
2,42
3,73
a Basis = respondenten die zich tot een bepaalde religie of levensbeschouwing rekenen (n = 1401). b Significante en niet-significante verschillen worden weergegeven met superscripts. Wanneer de gemiddelden (of percentages) in een rij een verschillend superscript hebben (bv. ‘1’ en ‘2’), dan verschillen ze significant van elkaar. Wanneer gemiddelden (of percentages) superscripts hebben die overeenkomen dan verschillen ze niet significant van elkaar (bv. ‘1’ en ‘1’ of ‘2’ en ‘2’, maar ook ‘1, 2’ en ‘1’). c Cluster 1 = 36%, cluster 2 = 25%, cluster 3 = 17%, cluster 4 = 13%, cluster 5 = 6%, cluster 6 = 3%, cluster 7: 2%. Bron: SCP/LISS (BoD’23)
25
De geloofsopvattingen zijn meegenomen als ordinale indicatoren (elk met vijf categorieën).
56
G eloofsovertuigingen gerelateerd aan mens , G od en natuur
Figuur 5.3 Clusters van mensen met verschillende patronen van geloofsopvattingen, 2023 (n = 1401, in procenten, gewogen)a heerschappij 5 4 3 2 1 verbondenheid met de natuur
0
einddtijd
clusters 1, algemeen genuanceerd 2, einde nabij - gematigd 3, heer en meester - gematigd 4, wie dan leeft, wie dan zorgt 5, einde nabij - sterk rentmeesterschap
6, heer en meester - sterk 7, natuur voorop
a Cluster 1 = 36%, cluster 2 = 25%, cluster 3 = 17%, cluster 4 = 13%, cluster 5 = 6%, cluster 6 = 3%, cluster 7 = 2%. Bron: SCP/LISS (BoD’23)
De grootste groep gelovigen (36%, cluster 1, algemeen genuanceerd) heeft een genuanceerde houding ten aanzien van de mens, de natuur en God. Deze groep scoort gematigd op alle vier de onderliggende dimensies. De mensen in cluster 2 (25%, einde nabij – gematigd) vallen vooral op door hun sterke geloof in de samenhang tussen de klimaatproblemen nu en het einde der tijden, hoewel deze houding iets minder sterk is dan die in cluster 5 (6%, einde nabij – sterk). De mensen in cluster 3 (17%, heer en meester – gematigd) zien de mens vooral als heerser en als rentmeester van de natuur. Dit geldt ook voor de mensen in cluster 6 (3%, heer en meester – sterk), maar dan in nog sterkere mate. Cluster 7 (2%, natuur voorop) valt op door de sterke gerichtheid op de mens als onderdeel van de natuur. En cluster 4 (13%, wie dan leeft, wie dan zorgt) ten slotte door een houding waarin de mens niet boven de natuur staat of er verantwoordelijk voor is, maar er wel enigszins mee verbonden is. Mensen die tot dit cluster behoren zien de mens niet als heerser over de natuur en ook niet als rentmeester. Ook staan klimaatproblemen nu volgens hen los van een eventuele eindtijd. De eerste vijf clusters omvatten samen 95% van de mensen met een religieuze overtuiging.
Dit zijn mensen die zichzelf tot een bepaalde religie of levensbeschouwing rekenen.26 Deze clusters verschillen voornamelijk in de mate waarin zij de geloofsopvattingen hebben. De geloofsopvattingen die uitgaan van een speciale positie van de mens ten opzichte van de natuur, als rentmeester van of als heerser over de natuur, worden beide niet gedeeld in cluster 4 (dat 13% van de mensen met een religieuze overtuiging bevat), enigszins in cluster 1 (36%), en in steeds sterkere mate in cluster 3 (17%), 2 (25%) en 5 (6%). We zien ruwweg hetzelfde patroon voor de opvatting dat mens en natuur intrinsiek met elkaar verbonden zijn en de opvatting dat klimaatverandering verband houdt met het einde der tijden. Wel valt hierbij op dat, vergeleken met de andere geloofsopvattingen binnen het cluster, de opvatting dat klimaatverandering 26
Dit is de groep die de vragen over geloofsopvattingen beantwoord heeft. Aan mensen die aangaven zichzelf als religieus te beschouwen, maar vervolgens aangaven zich tot ‘geen religie of levensbeschouwing’ te rekenen zijn de stellingen over geloofsopvattingen niet voorgelegd.
57
G eloofsovertuigingen gerelateerd aan mens , G od en natuur
een teken is van het aangekondigde einde der tijden iets minder sterk gedeeld wordt in cluster 3 en juist iets sterker in cluster 1. Ook zien we dat, vergeleken met de andere geloofsopvattingen, de opvatting dat mens en natuur intrinsiek met elkaar verbonden zijn iets sterker leeft binnen cluster 4 (maar nog steeds niet sterk in absolute zin). Naast deze vijf clusters kunnen nog twee kleine clusters onderscheiden worden, waarbinnen sommige geloofsopvattingen duidelijk sterker leven dan andere. Mensen in cluster 6, dat 3% van de mensen met een religieuze overtuiging omvat, hebben – net als mensen in cluster 5 – in sterke mate de opvatting van de mens als rentmeester én de mens als heerser over de natuur. Ook hebben ze vrij sterk de opvatting dat mens en natuur intrinsiek met elkaar verbonden zijn. Echter, dit cluster legt niet sterk het verband tussen klimaatverandering en de eindtijd. Binnen het zevende en laatste cluster (2%) leeft tot slot in sterke mate de opvatting dat mens en natuur intrinsiek met elkaar verbonden zijn én van de mens als rentmeester van de natuur, maar juist niet de opvatting van de mens als heerser over de natuur.
58
G eloofsovertuigingen gerelateerd aan mens , G od en natuur
Tabel 5.4 Samenhang van de clusters met religies, denominaties en mate van religiositeit, 2023 (n = 1401, in procenten en schaal 1-5)a,b
cluster totaal kenmerk
categorie
religie (%)
religieus maar geen religie christelijk, rooms-katholiek christelijk, protestants of anders islamitisch andere religie
1 2 3 4 wie dan algemeen einde nabij heer en leeft, wie genuan- - gematigd meester - gematigd dan zorgt ceerd
5 einde nabij sterk
6 7 heer en natuur meester voorop - sterk
6 41
42 57
61 18
63 38
104 72
161,5 3
01,5 16
222,3,4,5 4
42 7 3
27 9 3
63 11 2
55 0 1
16 0 2
67 12 2
63 15 6
37 17 20
49
684
231
413
824
31
191,3
112
33 7
24 3
42 15
45 7
14 0
44 16
49 21
78 5
5 3 2
2 2 1
11 6 4
2 1 4
2 0 2
13 22 2
3 6 1
6 0 0
mate waarin mensen zichzelf religieus vinden (schaal 1-5)
3,6
3,31
3,93
3,62
3,21
4,44
4,44
3,72,3
frequentie 1 keer per week of vaker bezoek 1 keer per 2 weken religieuze 1 keer per maand bijeenkomst minder dan 1 keer per maand nooit (%)
22 9 9 27 32
62 6 9 31 48
424 11 11 18 17
203 18 16 31 16
41,2 1 4 43 48
746 11 2 4 9
705 0 0 12 17
31,3,4,6 29 1 19 49
christelijke rooms-katholiek denominatie PKN en protestants, niet (%) nader gespecificeerd orthodox-gereformeerd baptisten-, pinkster- en evangelische gemeentenc bevindelijk gereformeerd anders
a Basis = respondenten die zich tot een bepaalde religie of levensbeschouwing rekenen (n = 1401). b Significante en niet-significante verschillen worden weergegeven met superscripts. Wanneer de gemiddelden (of percentages) in een rij een verschillend superscript hebben (bv. ‘1’ en ‘2’), dan verschillen ze significant van elkaar. Wanneer gemiddelden (of percentages) superscripts hebben die overeenkomen dan verschillen ze niet significant van elkaar (bv. ‘1’ en ‘1’ of ‘2’ en ‘2’, maar ook ‘1, 2’ en ‘1’). c Baptisten-, pinkster- en evangelische gemeenten en internationale christelijke kerken. Bron: SCP/LISS (BoD’23)
59
G eloofsovertuigingen gerelateerd aan mens , G od en natuur
Hoe hangen deze clusters samen met religies en denominaties? In lijn met de resultaten in de vorige paragraaf zien we dat rooms-katholieken sterk vertegenwoordigd zijn in de clusters waarbinnen de verschillende geloofsopvattingen het minst sterk gedeeld worden (clusters 4 en 1; zie tabel 5.4). Vergeleken met mensen in de andere clusters beschouwen mensen in deze clusters zichzelf wat vaker als ‘een beetje religieus’ (in tegenstelling tot ‘heel religieus’), en geeft bijna de helft van de mensen binnen deze clusters aan nooit een religieuze bijeenkomst te bezoeken. In de clusters waarbinnen de verschillende geloofsopvattingen in toenemende mate sterker gedeeld worden – achtereenvolgens cluster 3, 2 en 5 – zien we een steeds sterkere vertegenwoordiging van protestantse christenen. Die wordt veroorzaakt door groeiende aandelen orthodox- en bevindelijk gereformeerden en leden van baptisten-, pinkster- en evangelische gemeenten en internationale christelijke kerken (het aandeel PKN’ers blijft in deze clusters onveranderd). Daarnaast groeit ook het aandeel moslims binnen deze clusters van 0% in cluster 3 naar 12% in cluster 5. Van cluster 3 naar 2 naar 5 zien we de mate waarin mensen zichzelf als religieus beschouwen en hoe vaak ze religieuze bijeenkomsten bezoeken eveneens sterk toenemen.
Van de mensen in cluster 3 geeft bijvoorbeeld 20% aan minstens een keer per week naar een religieuze bijeenkomst te gaan; dit loopt op tot 74% in cluster 5. In de laatste twee clusters, die samen 5% van de mensen bevatten, zien we dat bepaalde geloofsopvattingen wel sterk gedeeld worden, maar andere juist niet of minder sterk. Door de kleine omvang van deze clusters moeten de resultaten met voorzichtigheid worden geïnterpreteerd. In cluster 6 zitten mensen met relatief sterke opvattingen van de mens als rentmeester van en als heerser over de natuur, met ook een vrij sterke opvatting van de mens als intrinsiek onderdeel van de natuur, maar dat minder sterk het verband legt tussen klimaatverandering en de eindtijd. Dit cluster lijkt wat betreft mate van religiositeit en frequentie van bezoek van religieuze bijeenkomsten op cluster 5. Vergeleken met cluster 5 zijn in dit cluster ook rooms-katholieken iets sterker vertegenwoordigd. Binnen cluster 7 leven sterk de opvattingen van rentmeesterschap en verbondenheid van mens en natuur, maar niet de opvatting van de mens als heerser over de natuur. Dit cluster bevat in vergelijking met de andere clusters relatief veel mensen die zichzelf wel als religieus beschouwen maar geen (geïnstitutionaliseerde) religie aanhangen, en relatief veel aanhangers van andere religies (dan het christendom of de islam).
Mensen binnen dit cluster vinden zichzelf niet heel religieus; ook binnen dit cluster gaat ongeveer de helft van de mensen nooit naar een religieuze bijeenkomst. Deze resultaten laten dus zien dat mensen met een religieuze overtuiging vooral te categoriseren zijn op basis van de sterkte van hun geloofsopvattingen over hoe de mens, God en de natuur zich tot elkaar verhouden. Ongeveer de helft van hen valt in clusters waarbinnen opvattingen van de mens als rentmeester of als heerser over de natuur en van de mens als intrinsiek verbonden met de natuur niet sterk gedeeld worden, en mensen over het algemeen ook geen sterk verband leggen tussen klimaat verandering en de eindtijd. Relatief veel rooms-katholieken vallen in deze clusters, terwijl protestanten juist vaker in clusters vallen waarin alle opvattingen sterker gedeeld worden.