Onderzoek Tussen duurzaam denken en duurzaam doen.pdf
Tekst van het document
Dit doen we aan de hand van verschillende scenario’s over de toekomst van de natuur, de sociale omgeving en het beleid. De laatste twee hoofdstukken gaan in op de betekenis van religie voor houding en gedrag over klimaat. In hoofdstuk 6 toetsen we de hypothesen over verbanden tussen klimaatgerelateerde opvattingen en religie. Daarvoor is het nodig om eerst in hoofdstuk 5 de geloofsopvattingen te bestuderen van mensen die zichzelf als religieus beschouwen. Daarbij onderzoeken we welke patronen van geloofsopvattingen (clusters) er te onderscheiden zijn binnen deze groep Nederlanders. Vervolgens onderzoeken we in hoofdstuk 6 hoe klimaatgerelateerde opvattingen en duurzaam gedrag samenhangen met religie en wat de relatieve betekenis is van religie ten opzichte van andere persoonskenmerken, zoals persoonlijke waarden, politieke oriëntatie en sociaal-demografische factoren. Voor deze analyses brengen we de losse klimaatgerelateerde vragen uit de vragenlijst eerst samen in constructen, met het conceptuele model als uitgangspunt. Tot slot wordt in dit hoofdstuk de invloed van religie op de veranderbereidheid van religieuze mensen weergegeven.
Het rapport heeft drie bijlagen, met daarin de methodologische verantwoording (A), de vignettenteksten (B) en de resultaten van een extra onderzoek over geloof, grondgebruik en de agrarische sector (C).8 De bijlagen zijn te vinden op www.scp.nl bij dit rapport. Figuur 1.1
Opbouw van het empirische gedeelte van het rapport
verandering klimaatopvattingen (2023 vs. 2019)
veranderbereidheid onder Nederlanders in de richting van een duurzame(re) leefstijl
invloed van religie op opvattingen, gedrag en veranderbereidheid bij religieuze mensen
hoofdstuk 3
hoofdstuk 4
hoofdstuk 5 en 6
Bron: SCP/PThU/Centerdata
Vignettenonderzoek is een onderzoeksmethode waarbij respondenten verschillende scenario’s of ‘vignetten’ voorgelegd krijgen, elk met kleine variaties, om hun reacties en voorkeuren te meten. Zie voor meer toelichting kader 4.1 in hoofdstuk 4. 8 Het extra onderzoek over geloof, grond en de agrarische sector is specifiek onderdeel van het lopende onderzoeksproject Grond van de PThU. Dit project was voor de PThU aanleiding om samen met het SCP het initiatief te nemen tot de dataverzameling waar dit rapport op gebaseerd is. 7
18
I nleiding
2 Theoretisch model
De vragenlijst van dit onderzoek bevat een groot aantal vragen over hoe mensen aankijken tegen klimaat verandering en klimaatbeleid. Met behulp van het literatuuronderzoek in dit hoofdstuk zijn de onderliggende theoretische constructen geïdentificeerd bij de vragen. Ook is een theoretisch model opgesteld dat de relaties tussen die constructen weergeeft (§ 2.1). Daarnaast zijn hypothesen geformuleerd over de relatie tussen religie en milieugerelateerde opvattingen en gedrag, eveneens op basis van relevante literatuur (§ 2.2).
2.1 De houding van burgers over duurzaamheid en klimaatverandering Milieuproblemen worden in belangrijke mate veroorzaakt door het gedrag van mensen, en kunnen (deels) worden beheerst door mensen te stimuleren om meer milieubewuste keuzes te maken (Steg en Vlek 2009). Soms zijn die keuzes, naast goed voor het milieu, ook in het eigen belang op korte termijn (bv. voor de persoonlijke gezondheid, welbevinden of de financiën). Vaker vragen duurzame opties echter meer dan niet-duurzame opties, bijvoorbeeld in termen van tijd, moeite, ongemak, afzien van status en/of geld. Met andere woorden: duurzaam gedrag vereist het doen van opofferingen. Wanneer het leveren van een bijdrage aan het milieu op korte termijn geen directe persoonlijke voordelen oplevert, kan het duurzame gedrag gezien worden als een vorm van altruïsme (De Dominicis et al. 2017).
2.1.1 Goal framing-theorie Volgens de goal framing-theorie zijn er drie verschillende soorten algemene doelen die mensen nastreven in hun leven: hedonistische doelen (hedonic goals), winstdoelen (gain goals) en normatieve doelen (normative goals). Alle drie soorten doelen kunnen tot milieuvriendelijk gedrag motiveren (Lindenberg en Steg 2007). Mensen met hedonistische doelen kunnen milieuvriendelijk gedrag vertonen als zij dit als plezierig of aangenaam ervaren. Voor mensen met winstdoelen is het behalen van materieel voordeel, zoals een kostenbesparing, een belangrijke drijfveer. Mensen met normatieve doelen zullen milieu vriendelijk gedrag vertonen als zij de overtuiging hebben dat dit het juiste is om te doen. Volgens deze goal framing-theorie hebben mensen een centraal doel (het doelkader) dat de sterkste invloed heeft op wat zij denken, vinden en doen. Binnen de milieupsychologische literatuur worden verschillende bekende theorieën gebruikt om duurzaam consumentengedrag te verklaren. Deze theorieën zijn gebaseerd op de aanname dat mensen beredeneerde keuzes maken als het gaat om duurzaam gedrag en vallen samen met de verschillende doelkaders. De theory of planned behavior (TPB) ziet duurzaam gedrag als resultaat van een afweging van kosten en baten en focust dus op winstdoelen (gain goals).
Het norm activation-model (NAM) en de value belief norm-theorie (VBN) gaan ervan uit dat duurzaam gedrag wordt gemotiveerd door de overtuiging dat dit gedrag moreel het juiste is en focussen dus op normatieve doelen (normative goals). De protectionmotivation-theorie focust op winst- en normatieve doelen. Hierna lichten we eerst elk van de theorieën kort toe. Vervolgens presenteren we een geïntegreerd conceptueel model voor het huidige onderzoek.
2.1.2 Theory of planned behavior De theory of planned behavior (TPB, zie Ajzen 1991) gaat ervan uit dat bepaald gedrag, zoals geen vlees eten, voortvloeit uit de intentie om dat gedrag te vertonen. Deze theorie ziet gedragsintenties als belangrijkste voorspeller van daadwerkelijk gedrag. Gedragsintenties hangen op hun beurt af van attitudes ten aanzien van het gedrag, subjectieve normen met betrekking tot het gedrag en waargenomen gedragscontrole. Een attitude verwijst naar de mate waarin iemand een positieve of negatieve houding heeft ten aanzien van het gedrag. Attitudes zijn gebaseerd op percepties van de voor- en nadelen van het gedrag en het belang dat aan deze voor- en nadelen gehecht wordt. Subjectieve normen verwijzen naar de waar genomen sociale druk om een bepaald gedrag te vertonen of juist niet te vertonen. Ze zijn gebaseerd op overtuigingen over wat relevante anderen verwachten en het belang dat aan die verwachtingen gehecht wordt. Waargenomen gedragscontrole verwijst naar hoe moeilijk of makkelijk men denkt dat het is om het gedrag te vertonen. De TPB is in verschillende onderzoeken uitgebreid met andere verklarende 19
T heoretisch model
factoren, waarbij met name persoonlijke normen de voorspelkracht van het model verhoogden (Ajzen 1991). In sommige situaties lijken persoonlijke morele normen minstens zo belangrijk als de sociale druk die mensen voelen om een bepaald gedrag wel of juist niet te vertonen.
2.1.3 Norm activation-model Het norm activation-model (NAM, zie Schwartz 1977) is ontwikkeld als theorie voor het verklaren van prosociaal gedrag. Duurzaam gedrag kan gezien worden als prosociaal gedrag, omdat hiervoor het maatschappelijke belang vaak boven het eigen belang geplaatst moet worden. Dit model wordt daarom ook gebruikt om dergelijk gedrag te verklaren. Het model gaat ervan uit dat duurzaam gedrag het gevolg is van de activering van persoonlijke normen. Persoonlijke normen weerspiegelen de mate waarin mensen een morele verplichting voelen om bepaald gedrag te vertonen. De kans dat mensen duurzaam gedrag vertonen is dus groter als zij geloven dat dit moreel het juiste is om te doen. Volgens dit model worden persoonlijke normen geactiveerd door vier factoren: probleembesef, gevoelde verantwoordelijkheid, uitkomsteffectiviteit en zelfeffectiviteit. Wanneer mensen zich bewust zijn van milieuproblemen (probleembesef), zich verantwoordelijk voelen voor deze problemen (gevoelde verantwoordelijkheid), geloven dat de milieuproblemen kunnen worden tegengegaan (uitkomsteffectiviteit) en ook geloven dat zij door hun eigen acties kunnen bijdragen aan het tegengaan van milieuproblemen (zelfeffectiviteit), is de kans groter dat zij een morele verplichting voelen om zich duurzaam te gedragen (persoonlijke normen).
Verschillende studies suggereren dat de constructen van het NAM op deze manier causaal gerelateerd zijn (Hansla et al. 2008). Het is bijvoorbeeld onwaarschijnlijk dat mensen zullen nadenken over de vraag of milieuproblemen kunnen worden tegengegaan als ze zich niet bewust zijn van het bestaan van milieuproblemen. Volgens onderzoek van Steg en De Groot (2010) moet er eerst probleembesef zijn voordat mensen hun eigen verantwoordelijkheid overwegen en voordat ze overwegen of zij kunnen bijdragen aan het verminderen van de problemen.
2.1.4 Value belief norm-theorie Waar andere theorieën gedrag(sverandering) in het algemeen of breder pro-sociaal of altruïstisch gedrag proberen te verklaren, is de value belief norm-theorie (VBNT, zie Stern 2000) specifiek ontwikkeld om milieubewust gedrag te verklaren. De VBNT maakt daarbij onderscheid tussen verschillende vanuit milieuoogpunt belangrijke gedragingen, namelijk a) milieuactivisme, b) niet-activistisch gedrag in de publieke sfeer, c) milieuvriendelijk gedrag in de privésfeer en d) milieuvriendelijk gedrag in de werk omgeving. Er is veel onderzoek gedaan naar milieuvriendelijk gedrag in de privésfeer, zoals duurzaam consumptiegedrag. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen 1) absolute verminderingen van gedragingen met een hoge milieubelasting (bv. minder vliegen en autorijden, minder (nieuwe) producten kopen), 2) verschuivingen naar duurzamere alternatieven (zoals het vervangen van vlees door plantaardige voedingsproducten), en 3) efficiëntieverbeteringen (bv. het kopen en gebruiken van energiezuinige huishoudelijke apparaten). Niet-activistisch gedrag in de publieke sfeer omvat actievere vormen van milieubewust burgerschap (bv. lid worden van een milieuorganisatie, petities over milieukwesties ondertekenen, enz.) en de mate waarin mensen overheidsbeleid op het gebied van milieu en klimaat steunen (bv.
acceptatie van klimaatmaatregelen, bereidheid meer belasting te betalen voor milieu bescherming, enz.). De VBN-theorie leunt op het norm activation-model (NAM),9 dat stelt dat de verschillende milieubewuste gedragingen het gevolg zijn van persoonlijke normen. Net als het NAM voorspelt de VBNT dat persoonlijke normen geactiveerd worden door het bewustzijn van (milieu)problemen (probleembesef) en de over tuiging dat je eigen acties kunnen bijdragen aan het verminderen van deze problemen (gevoelde eigen verantwoordelijkheid). Of mensen zich bewust zijn van milieuproblemen, hangt volgens de VBNT af van hoe zij de relatie tussen mens en natuur zien. Mensen met een ecologisch wereldbeeld geloven dat de
9
Binnen het NAM gaat ‘gevoelde verantwoordelijkheid’ dus over de milieuproblemen (d.w.z. voelen mensen zich persoonlijk verantwoordelijk voor de problemen, of schrijven ze deze toe aan de acties van anderen, bedrijven of de overheid?), terwijl het binnen de VBNT over het oplossen van de problemen gaat (d.w.z. denken mensen dat ze kunnen bijdragen aan het verminderen van de problemen?), wat binnen het NAM ‘zelfeffectiviteit’ genoemd wordt. Zie ook Steg en De Groot (2010).
20
T heoretisch model
mensheid niet buiten of boven de natuur staat, maar een integraal onderdeel vormt van het aardse ecosysteem en zijn ecologisch evenwicht. Een dergelijk wereldbeeld wordt als centrale component van milieubewustzijn beschouwd (Xiao et al. 2019). Volgens de VBNT worden deze overtuigingen (beliefs) bepaald door persoonlijke waarden (values), oftewel de algemene doelen die mensen die hun leven nastreven. Mensen met sterk altruïstische waarden streven naar een zo hoog mogelijk welzijn voor anderen. Mensen met sterke biosferische waarden zijn begaan met de kwaliteit van natuur en milieu. Respect voor de natuur- en milieubescherming zijn belangrijke leidraden in hun leven. Mensen met sterk egoïstische waarden laten hun keuzes beïnvloeden door de voordelen (geld, welzijn, macht, succes) die de keuze hen oplevert. Volgens de VBNT hangen egoïstische waarden negatief, en altruïstische en biosferische waarden positief samen met het hebben van een ecologisch wereldbeeld, wat op haar beurt positief samenhangt met probleembesef en gevoelde eigen verantwoordelijkheid (Stern 2000).
2.1.5 Protection-motivation-theorie De protection-motivation-theorie (PMT, zie Rogers 1983) verklaart attitude- en gedragsverandering aan de hand van twee onafhankelijke processen. Deze theorie stelt dat mensen eerder geneigd zijn hun attitudes en gedrag te veranderen als zij een dreiging ervaren (threat appraisal) én de overtuiging hebben dat er iets gedaan kan worden om die dreiging te verminderen (coping appraisal). Vertaald naar de milieucontext zullen mensen volgens deze theorie eerder geneigd zijn zich duurzamer te gaan gedragen wanneer zij de toestand van het milieu als bedreigend zien én het gevoel hebben dat iets tegen die dreiging gedaan kan worden (Bockarjova en Steg 2014). In hoeverre mensen de toestand van het milieu als bedreigend zien is afhankelijk van de waargenomen ernst van gevolgen van niet-duurzaam gedrag, hoe kwetsbaar men zich acht voor deze gevolgen en de waargenomen voordelen van niet-duurzaam gedrag. In hoeverre mensen de overtuiging hebben dat de dreiging verminderd kan worden is afhankelijk van de mate waarin ze geloven dat zij door hun eigen acties kunnen bijdragen aan het verminderen van milieuproblemen (zelfeffectiviteit), dat milieuproblemen verminderd kunnen worden door milieuvriendelijker menselijk handelen (uitkomsteffectiviteit), en de waargenomen kosten van milieuvriendelijk gedrag.
2.1.6 Conceptueel model De hiervoor beschreven theorieën kennen verschillen, maar laten ook een overlap zien. Figuur 2.1 toont een conceptueel model dat elementen uit de verschillende theorieën integreert en aansluit bij de in de vragenlijst gestelde vragen.10 In ons model bestaat probleembesef uit drie componenten: 1) de mate waarin mensen overtuigd zijn van het bestaan van klimaatverandering (door menselijk handelen), 2) hoe bezorgd mensen zijn over (de gevolgen) van klimaatverandering, en 3) de ervaren urgentie en het waargenomen belang van het tegengaan van klimaatverandering. Zonder probleembesef zullen mensen geen verantwoordelijkheid voelen voor milieuproblemen en ook niet nadenken over (hun eigen rol in) het tegengaan van de problemen. In lijn met het NAM, worden gevoelde verantwoordelijkheid en waargenomen controle in het model dus gevoed door probleembesef. Alle drie deze factoren beïnvloeden op hun beurt persoonlijke normen (de mate waarin duurzaam gedrag als het moreel juiste gedrag gezien wordt). Daarnaast kunnen mensen ook sociale druk voelen om duurzaam gedrag te vertonen (of juist te laten; waargenomen sociale normen).
Consistent met de TPB worden gedragsintenties bepaald door attitudes, persoonlijke normen en waargenomen controle, en zijn die gedragsintenties op hun beurt de beste voorspellers van gedrag, waaronder zowel duurzaam consumptiegedrag als steun voor klimaatbeleid. De constructen in grijze blokken zijn in de vragenlijst niet gemeten; alle andere constructen wel. De stippellijnen volgen uit het NAM-model.
10
Zie voor vergelijkbare modellen bv. Ateş (2020); Bamberg en Möser (2007); Bigliardi et al. (2020); Gkargkavouzi (2019); Kim et al. (2018); Steg en Nordlund (2018); Steg en Vlek (2009).
21
T heoretisch model
Figuur 2.1
Conceptueel model bij dit onderzoek
attitude positieve of negatieve evaluatie van het gedrag
probleembesef
normen
(gedrags)uitkomsten
overtuiging bestaan klimaatverandering (door menselijk handelen)
waargenomen sociale normen (sociale druk) overtuigingen over wat anderen doen/vinden
duurzaam consumptiegedrag
bezorgdheid over (gevolgen van) klimaatverandering
persoonlijke normen een morele verplichting voelen milieuvriendelijk gedrag te vertonen
veranderbereidheid intentie om zich duurzamer te gedragen in de toekomst
ervaren urgentie en waargenomen belang tegengaan klimaatverandering
waargenomen controle
steun voor klimaatbeleid
gevoelde verantwoordelijkheid voor milieuproblemen
uitkomsteffectiviteit overtuiging dat klimaatverandering kan worden tegengegaan
zelfeffectiviteit overtuiging zelf te kunnen bijdragen aan tegengaan klimaatverandering
Bron: SCP/PThU/Centerdata
2.1.7 Samenhang met persoonskenmerken In veel onderzoek is gekeken naar de samenhang tussen houdingen over het milieu en klimaat en persoons kenmerken, zoals sociaal-demografische factoren, politieke oriëntatie, en waarden. De beschreven theorieën gaan ervan uit dat deze factoren duurzaam gedrag indirect beïnvloeden, via hun invloed op de attitudes en overtuigingen van mensen. Hierna vatten we de belangrijkste inzichten uit de literatuur over de samenhang met andere persoonskenmerken kort samen. • Theoretisch opgeleiden maken zich meer zorgen over het klimaat en zijn sterker geneigd duurzamere keuzes te maken dan praktisch opgeleiden (CBS 2023). De afgelopen jaren namen de zorgen onder universitair geschoolden ook het sterkst toe en nam de scepsis over klimaatverandering in deze groep het sterkst af. Mogelijk komt dit doordat wetenschappers zich duidelijker zijn gaan uitspreken over dit onderwerp en zij daarmee vooral theoretisch opgeleiden aanspreken (Van Dalen en Henkens 2019). • Vrouwen maken zich iets meer zorgen over het milieu en vinden klimaatbeleid belangrijker dan mannen. Ook zijn zij geneigd zich duurzamer te gedragen dan mannen (CBS 2023; Zelezny et al. 2000).
Mogelijke verklaringen zijn dat vrouwen geleerd wordt empathischer te zijn, terwijl mannen een sterkere sociale dominantie oriëntatie (SDO) aangeleerd krijgen, de neiging om bepaalde sociale groepen als superieur aan andere te zien. Zowel minder empathie als een sterkere SDO zijn namelijk gerelateerd aan minder betrokkenheid bij klimaatproblemen (Milfont et al. 2016). Verder lijken jonge mannen optimistischer dan jonge vrouwen en hebben zij vaker het idee voldoende kennis te hebben over klimaatverandering en klimaatbeleid (Motivaction 2023).
22
T heoretisch model
• De bevindingen zijn niet eenduidig over de rol van leeftijd. Ouder onderzoek suggereert dat jongeren zich meer zorgen maken over het klimaat dan ouderen (zie bv. Jones en Dunlap 1992, wat wordt bevestigd door Gifford en Nilson 2014). In meer recent onderzoek wordt echter een minder duidelijk of zelfs tegengesteld verband gevonden (zie bv. Van Dalen en Henkens 2019; De Witt en Schmeets 2018). Ook wordt in sommige onderzoeken gevonden dat ouderen meer milieuvriendelijk gedrag vertonen (Fawaka Nederland 2017). Omdat daarbij vaak geen rekening wordt gehouden met de drijfveren van dit gedrag, is het echter niet uit te sluiten dat zij dit doen uit financiële overwegingen (bv. huishoudelijke apparaten uitschakelen om de energierekening te drukken). Wel toont onderzoek aan dat jongeren positiever staan tegenover klimaatmaatregelen vanuit de overheid, mogelijk omdat zij meer openstaan voor verandering, zelfs als die ingrijpend is (Johnson en Schwadel 2018; Lorenzi et al. 2021). • Ook bij de leefomgeving zien we gemengde resultaten. Waar sommige studies aantonen dat mensen die in een stedelijke omgeving wonen zich meer zorgen maken over het milieu dan mensen in dorpen (CBS 2023; Motivaction 2023), wordt dat verband in andere onderzoeken niet gevonden (De Witt en Schmeets 2018, zie ook Gifford en Nilsson 2014).
Hierbij lijkt het niet uit te maken of in onderzoek al of niet gecorrigeerd wordt voor bijvoorbeeld het feit dat stedelingen gemiddeld vaker een hbo- of wo-opleiding hebben afgerond dan dorpelingen. In Amerikaans onderzoek werd gevonden dat onder mensen die in steden wonen gemiddeld meer voorstanders van klimaatbeleid te vinden zijn dan in landelijke omgeving (Jones en Dunlap 1992). In Nederland werd recent een dergelijk effect ook aangetroffen in een peiling onder jongeren (Motivaction 2023). • De relatie tussen financiële situatie en duurzaamheid is eveneens complex. Op het eerste gezicht lijkt de voorspellende waarde van inkomen voor duurzame opvattingen en/of gedrag beperkt. Of mensen goed kunnen rondkomen wordt nog in weinig onderzoeken meegenomen, maar die factor lijkt meer samen te hangen met duurzaam gedrag en dito opvattingen (Scholte et al. 2020). Zo maken mensen die meer moeite hebben om rond te komen zich vaak niet alleen zorgen om klimaatverandering zelf, maar vooral ook om de mogelijke kosten van klimaatmaatregelen (De Kluizenaar en Flore 2021). Dat ligt voor de hand, want veel huishoudens leven in armoede, hebben problematische schulden of zijn geraakt door de hogen energieprijzen en inflatie. Zij lopen het risico hun woonlasten (en energiekosten) niet meer te kunnen opbrengen en/of hebben geen financiële ruimte om hun huis te verduurzamen (Middelkoop et al.
2018). Zorgen om kosten kunnen ook duurzame gedragingen deels verklaren: bij mensen met een lager inkomen worden duurzame gedragingen vaak niet gestuurd door duurzaamheids overwegingen, maar eerder door kostenbesparing (De Witt en Schmeets 2018). Minder welwarende huishoudens reizen daardoor bijvoorbeeld minder vaak met het vliegtuig en kopen vaker tweedehandskleding dan huishoudens met een hoge welvaart, terwijl deze groepen niet duidelijk verschillen in hun attitudes ten aanzien van duurzaamheid (Kloosterman et al. 2021). • Gebruikmakend van de VBNT zijn klimaat- en milieugerelateerde overtuigingen in eerder onderzoek ook gerelateerd aan politieke oriëntatie en religieuze overtuigingen (Leary et al. 2016; Minton et al. 2018). Mensen met een linkse politieke oriëntatie geloven bijvoorbeeld vaker in het bestaan van klimaatverandering door menselijk handelen en maken zich daar ook meer zorgen om dan mensen met een rechtse politieke oriëntatie (Poortinga et al. 2019).
2.2 De rol van religie In het huidige onderzoek is speciale aandacht voor de samenhang tussen religie en klimaat- en milieu gerelateerde houdingen en gedrag. Er is al veel onderzoek gedaan naar deze relatie en het potentieel om via religie duurzame gedragsverandering teweeg te brengen (Orellano et al. 2020). Deze veelal Amerikaanse onderzoeken zijn voornamelijk gericht op westers christendom en kijken naar verschillende indicatoren van religie, zoals de mate waarin men zichzelf als religieus ziet, tot welke religie of welke religieuze denominatie men behoort, en hoe vaak men religieuze bijeenkomsten bezoekt. Dit maakt het soms lastig om de resultaten van verschillende onderzoeken met elkaar te vergelijken. In deze paragraaf beschrijven we de belangrijkste inzichten uit deze onderzoeken.
23
T heoretisch model
2.2.1 Religiositeit en duurzaamheid Verschillende studies onderzochten de relatie tussen religiositeit – de mate waarin iemand zichzelf als religieus ziet of de sterkte van iemands religieuze overtuigingen – en milieugerelateerde houdingen en gedragingen, zoals de mate waarin men zich zorgen maakt om het milieu, (zelfgerapporteerd) duurzaam gedrag en steun voor milieubeleid. De resultaten zijn echter gemengd. Sommige studies stellen dat religieuze mensen zich meer zorgen maken om het milieu en/of zich duurzamer gedragen dan nietreligieuze mensen (Minton et al. 2018), terwijl andere studies juist het omgekeerde beweren (Arli et al. 2023; Hayes en Marangudakis 2000; Leary et al. 2016) of geen duidelijk verschil waarnemen (Boyd 1999). In Nederland onderzocht I&O de samenhang tussen het christelijke geloof en duurzaamheid (I&O Research 2022). In dit onderzoek werd geen verschil gevonden tussen christelijke Nederlanders en de algemene Nederlandse bevolking in het aandeel dat zich zorgen maakt over het klimaat. Christenen gaven wel vaker aan dat zij ‘duurzaam leven’ en ‘soberheid’ belangrijk vinden. Deze waarden lijken zich echter niet te vertalen in duurzamer gedrag over de hele linie.
Gemiddeld reizen christenen iets minder vaak met het vliegtuig en kopen vaker groenten en fruit uit eigen regio, maar zij verschillen niet van de algemene bevolking als het gaat om het verduurzamen van hun eigen huis. Ook eten zij gemiddeld juist meer vlees. Daarnaast zijn duurzame motieven niet per se de belangrijkste drijfveren voor een sobere levensstijl. Zo onderscheidt Motivaction (2019) op basis van onderzoek bijvoorbeeld een groep ‘plichtsgetrouwen’. Dit is een van de vijf duurzaamheidsgroepen waarin consumenten ingedeeld kunnen worden. Plichtsgetrouwen hechten waarde aan traditionele normen en waarden, en godsdienst speelt vaak een belangrijke rol in hun leven. Doordat ze relatief weinig consumeren en niet houden van verspilling en overbodige luxe, leven ze vaak duurzaam. Ze zullen echter niet snel geneigd zijn hun leefstijl zelf als duurzaam te bestempelen. Veranderingen roepen weerstand op en dat weerhoudt hen er vaak van om mee te gaan met initiatieven waarbij duurzaam het uitgangspunt is. Voor deze groep hangt duurzaam gedrag dus niet per definitie samen met een positievere houding ten opzichte van verduurzaming of klimaatbeleid.
2.2.2 Geloofsopvattingen en duurzaamheid In religieuze geschriften en breder binnen religieuze gemeenschappen wordt ook gesproken over de relatie tussen mens en natuur. Daarom wordt verwacht dat religieuze overtuigingen een rol spelen bij de vorming van attitudes over het milieu. In een veel geciteerde toespraak over de rol van religieus denken in de bescherming van het milieu, stelde White (1967) ruim een halve eeuw geleden dat het christelijke geloofssysteem een negatieve invloed heeft op de zorg voor het milieu, omdat het een wereldbeeld promoot waarin God de mens de rol heeft gegeven om over de natuur te heersen. White beweerde dat deze religieuze opvattingen mensen het gevoel geven dat zij aanspraak hebben op de aarde en haar hulpbronnen en uitbuiting van de natuur in de hand werkten. Hij zag deze westerse religieuze invloed als belangrijke factor in de verklaring van de huidige milieuproblemen (Kalamas et al. 2014). De thesis van White ontketende een nog steeds lopende discussie over de rol van religie in de bescherming van het milieu. Verschillende wetenschappers stelden vervolgens dat de bewering dat christenen geloven in heer schappij van de mens over de natuur te simplistisch is (Sachdeva 2016). Binnen religieuze denominaties bestaan verschillende opvattingen en interpretaties, die tot andere opvattingen over het milieu en milieugerelateerd gedrag kunnen leiden.
Heersen over versus rentmeesterschap Teksten over de relatie tussen mens en natuur in westerse religieuze geschriften kunnen op verschillende manieren worden geïnterpreteerd (Minton et al. 2018). Naast de interpretatie dat God de aarde aan de mens heeft toevertrouwd om erover te heersen – een visie die potentieel uitnodigt tot exploitatie van de natuur – is met gebruikmaking van Bijbelteksten ook een model ontstaan van rentmeesterschap. Dit is het idee dat God de aarde aan de mens in bruikleen heeft gegeven en deze daarom de verantwoordelijkheid heeft om er goed voor te zorgen. De opvattingen die religieuze mensen hebben over overheersing (teruggaand op door God gegeven heerschappij over de natuur) versus rentmeesterschap (zorg voor de aarde als religieuze plicht) zijn belangrijke constructen in het begrijpen van hun milieugerelateerde opvattingen en gedragingen (Arbuckle en Konisky 2015). Onze hypothese is dat mensen die geloven in een dominante positie van de mens, als heerser over de natuur, zich minder zullen bekommeren om het 24
T heoretisch model
milieu en minder geneigd zullen zijn duurzaam gedrag te vertonen. De andere hypothese is dat mensen die geloven dat God de aarde aan de mens in bruikleen heeft gegeven om ervoor te zorgen, zich juist meer zorgen zullen maken om het milieu en meer geneigd zullen zijn zich duurzaam te gedragen. Consistent met deze hypotheses laten Shin en Preston zien dat steun voor milieubeschermende maatregelen positief samenhangt met opvattingen over rentmeesterschap en negatief met opvattingen over overheersing (Shin en Preston 2021). Ook suggereert hun studie dat er een causale invloed is van deze religieuze opvattingen op bezorgdheid over klimaatverandering: religieuze mensen die passages uit de Bijbel lazen over rentmeesterschap waren vervolgens meer bezorgd over klimaatverandering dan religieuze mensen die passages lazen over overheersing (of een controlepassage). In verschillende niet-Nederlandse onderzoeken die een negatief verband vinden tussen (westerse) religiositeit en milieugerelateerde houdingen of gedrag, wordt dominantie van de opvatting van de mens als heerser over de natuur als mogelijke verklaring gegeven, met name onder christenen (Arli et al. 2023; Hayes en Marangudakis 2000). In het Nederlandse onderzoek van I&O (2022) gaf ongeveer de helft van de christenen aan dat hun geloof een rol speelt in de manier waarop zij naar duurzaamheid en de natuur kijken.
Binnen deze groep bleek juist de opvatting van rentmeesterschap dominant. De mate waarin mensen de mens zien als heerser of rentmeester verschilt tussen christelijke denominaties, afhankelijk van hoe letterlijk de Bijbel geïnterpreteerd wordt (Orellano et al. 2020; Tarakeshwar et al. 2001). Onderzoek suggereert dat protestantse christenen de mens vaker zien als heerser over de natuur, terwijl rooms-katholieke christenen en in mindere mate orthodoxe christenen de mens vaker als rentmeester zien (Orellano et al. 2020). Percepties van God Johnson en collega’s (2017) stellen dat milieugerelateerde houdingen en gedragingen van mensen afhangen van hoe mensen God zien, los van de religie die zij aanhangen. Sommige mensen hebben een autoritair gepersonaliseerd godsbeeld. Zij beschouwen God primair als almachtig (‘almachtige God’). Anderen hebben een welwillend gepersonaliseerd godsbeeld en zien God primair als liefdevol (‘goede God’). Weer anderen zien God als een energie of levenskracht die de hele natuur doordringt (‘mystieke God’). Vooral mensen die God als autoritair zien lijken minder waarde te hechten aan de natuur: ze zijn minder geneigd duurzaam gedrag te vertonen en milieubeleid te steunen.
De overtuiging dat God de touwtjes in handen heeft en/of dat de opwarming van de aarde deel uitmaakt van Gods plan, zorgt ervoor dat men zich niet persoonlijk verantwoordelijk voelt voor milieuproblemen en het tegengaan ervan (Arli et al. 2023; Sachdeva 2016). De verschillende percepties van God sluiten elkaar niet volledig uit en veel christenen zullen stellen dat zij God als almachtig beschouwen, maar ook geloven dat God mensen een verantwoordelijkheid geeft. Het onderzoek van I&O (2022) suggereert dat slechts een klein deel van de Nederlandse christenen van mening is dat God in deterministische zin almachtig is en dat mensen niet of nauwelijks invloed hebben op zaken als klimaatverandering. Oorspronkelijk werd in bijna alle culturen en religies de natuur als heilig beschouwd en geloofden mensen dat God (of goden) alom in de natuur aanwezig was (of waren) (Armstrong 2022). Onze hypothese is dat mensen die de natuur als heilig beschouwen, of de natuur ervaren als een manifestatie van God, de natuur met eerbied en respect zullen behandelen. In lijn hiermee bleek uit het onderzoek van Johnson en collega’s (2017) dat religieuze mensen die God zien als een energie of levenskracht die de hele natuur doordringt meer waarde hechten aan de natuur, waardoor ze geneigd zijn zich duurzamer te gedragen en milieubeleid te steunen.
Tarakeshwar en collega’s (2001) zien deze notie van de natuur als heilig als consistent met het concept van de mens als rentmeester. De verschillende percepties van God hangen samen met het onderscheid tussen westerse monotheïstische religies (bv. christendom, jodendom en islam) en oosterse religies (bv. hindoeïsme en boeddhisme). De meeste oosterse religies benadrukken de relatie tussen de mens en zijn natuurlijke omgeving. In deze religies leeft de overtuiging dat God in alle elementen en processen van de natuur aanwezig is; het vernietigen van de natuur is het vernietigen van een deel van God. Natuurverering is binnen deze religies een veel voorkomende manier om verbonden te zijn met het goddelijke. Sommige studies vinden dan ook dat aanhangers van oosterse religies zoals het boeddhisme en hindoeïsme duurzaamheid belangrijker vinden en zich duurzamer gedragen dan aanhangers van westerse religies, en met name 25
T heoretisch model
christenen (Minton et al. 2015; Orellano et al. 2020; Morrison et al. 2015). Andere studies vinden dit verschil echter niet (Orellano et al. 2020). De verbondenheid tussen mens en natuur die binnen oosterse religies benadrukt wordt, vertaalt zich in elk geval niet altijd in meer zorg voor het milieu. Op landniveau lijken milieuproblemen bijvoorbeeld net zo vaak voor te komen in landen waar de meerderheid van de bevolking een oosterse religie aanhangt als in landen die overwegend christelijk zijn. Het is echter ook mogelijk dat de positieve invloed van religie overschaduwd wordt door andere politieke, sociale en economische factoren (Sachdeva 2016). Geloof in de eindtijd Onderzoek laat ook zien dat de christelijke overtuiging dat de mensheid zich in de eindtijd bevindt, kan zorgen voor een lage bezorgdheid over het milieu (Sachdeva 2016). Sommigen zien in het toenemende natuurgeweld – bosbranden, stormen, overstromingen – een teken dat het einde der tijden nabij is, waardoor alledaagse aardse zorgen niet of veel minder relevant meer zijn. De nieuwe toekomst staat op het punt te beginnen, het heeft geen zin om zich te bekommeren om het hier en nu. Onderzoek laat dan ook zien dat christenen die geloven dat de eindtijd is aangebroken minder geneigd zijn om klimaatbeleid te steunen (Barker en Bearce 2013).
De overtuiging dat we in de eindtijd leven hangt samen met de overtuiging dat de toekomstvoorspellingen in de Bijbel letterlijk genomen moeten worden en kunnen worden herkend in concrete fenomenen en gebeurtenissen in de huidige tijd (Sachdeva 2016).
2.2.3 Duurzaamheid als thema binnen de kerken Onderzoek suggereert dat in veel kerken duurzaamheid steeds meer wordt aangemoedigd (Leary et al. 2016; Minton et al. 2018), waardoor religieuze mensen zich over de tijd heen duurzamer zouden moeten zijn gaan gedragen (‘vergroening van het christendom’). Hiervoor is echter geen sterk bewijs. Amerikaans onderzoek suggereert dat christenen zich in de loop der tijd juist minder zorgen zijn gaan maken over het milieu (Konisky 2018). Dit negatieve effect over de tijd werd gevonden voor katholieke, protestantse en andere christelijke denominaties en voor verschillende niveaus van religiositeit. In Nederland is een groei van duurzame religieuze initiatieven te zien, zij het in beperkte mate. Al in de jaren tachtig stimuleerde het Conciliair proces voor Gerechtigheid, Vrede en Heelheid van de Schepping de inzet van christenen voor het milieu (Raad van Kerken 1988). Tegenwoordig sluiten steeds meer kerken zich aan bij het platform Groene Kerken en voeren steeds meer gelovigen actie voor behoud van het klimaat, bijvoorbeeld in organisaties als Christian Climate Action. We zien echter een wisselend beeld bij de groene activiteiten die kerkelijke gemeenschappen ondernemen.
Uit onderzoek onder katholieke parochies blijkt bijvoorbeeld dat in veel parochies aandacht is voor groene activiteiten, zoals het vermijden van plastic en duurzamer papiergebruik. Toch zijn er weinig initiatieven op grote schaal, deels vanwege onvoldoende draagvlak en deels vanwege gebrek aan middelen (Hense et al. 2019). Het beeld bij protestantse kerken is vergelijkbaar (Van der Ziel 2021).
2.2.4 Hypothesen over de relatie tussen religie en milieugerelateerde opvattingen en gedrag Bepaalde geloofsopvattingen kunnen binnen verschillende religies of denominaties bestaan. Op basis van het literatuuronderzoek verwachten we dat de specifieke opvattingen die religieuze mensen hebben over de relatie tussen mens, natuur en God sterkere voorspellers zijn van hun klimaat- en milieu gerelateerde opvattingen en gedrag dan de religieuze groep of denominatie waartoe zij behoren. Concreet verwachten we dat mensen die de mens als rentmeester zien van de aarde, de natuur als heilig beschouwen, geloven dat God alom in de natuur aanwezig is en/of een ecologisch wereldbeeld hebben (oftewel geloven dat de mens niet buiten of boven de natuur staat, maar een onderdeel is van de natuur) zich meer zorgen maken om het milieu en meer geneigd zijn duurzaam gedrag te vertonen. Mensen die de mens zien als heerser over de aarde, die geloven in een almachtige God en/of geloven dat de mensheid zich in de eindtijd bevindt, zullen waarschijnlijk juist minder bezorgd zijn om het milieu en minder geneigd zijn zich vanuit milieuoverwegingen duurzamer te gedragen.
26
T heoretisch model
3 Burgerperspectief op klimaatverandering en -beleid: van 2019 naar 2023
Dit hoofdstuk geeft een beeld van het huidige burgerperspectief op klimaatverandering en klimaatbeleid. Hoe kijken burgers in 2023 aan tegen klimaatverandering? Zijn ze overtuigd van het bestaan van klimaat verandering door menselijk handelen? Hoe bezorgd zijn ze over de gevolgen hiervan? Denken ze dat klimaatverandering kan worden tegengegaan, en hoe zien zij hun eigen rol hierin? En hoe kijken ze aan tegen de klimaatmaatregelen? Daarnaast onderzoeken we in hoeverre deze opvattingen van burgers over klimaatverandering en -beleid in 2023 zijn veranderd ten opzichte van 2019. We focussen in dit hoofdstuk op de eerste van de drie onderzoeksvragen van dit onderzoek: 1 Welke opvattingen hebben burgers in 2023 over klimaatverandering en klimaatbeleid? En (hoe) zijn deze veranderd ten opzichte van 2019? In dit hoofdstuk volgen we het conceptuele model zoals weergegeven in figuur 2.1. In paragraaf 3.1 kijken we eerst naar (veranderingen in) de opvattingen van Nederlandse burgers over klimaatverandering. We richten ons daarbij op probleembesef, normen en waargenomen controle. In paragraaf 3.2 bespreken we vervolgens de (veranderingen in) duurzaam gedrag en de steun voor verandering, zoals die zich uit in opvattingen over klimaatbeleid. Een deel van de resultaten van de analyses wordt weergegeven in figuren in dit hoofdstuk, een deel staat in bijlage A.3.2.
Daar wordt in dat geval naar verwezen. De opvattingen zijn gemeten op schalen (bv. van ‘helemaal mee oneens’ tot ‘helemaal mee eens’, en van ‘helemaal niet bezorgd’ tot ‘uiterst bezorgd’). Verschillen tussen 2023 en 2019 zijn getoetst met behulp van multilevel lineaire regressieanalyses (veranderingen in gemiddelde scores) en logistische regressie analyses (veranderingen in het aandeel met een antwoord boven dan wel onder het middelpunt van de schaal). Een uitgebreidere beschrijving van de modellen en de modelresultaten zijn te vinden in bijlage A.3.3. In de tekst in dit hoofdstuk worden de significante verschillen ten opzichte van 2019 beschreven, die blijven bestaan na correctie voor verschillen in leeftijd, geslacht en opleiding. Als er een verschil genoemd wordt, is het dus een statistisch significant verschil.
3.1 Opvattingen over klimaatverandering 3.1.1 Probleembesef Mensen zullen – uitgaande van het norm activation-model en de Value Belief Norm-theorie – naar verwachting het sterkst geneigd zijn zich duurzaam te gedragen als ze overtuigd zijn van het bestaan van klimaat verandering, zich zorgen maken over de gevolgen ervan en dit als een urgent probleem zien. Deze verschillende aspecten van probleembesef worden hierna uitgebreider besproken. Overtuiging bestaan klimaatverandering De overgrote meerderheid (95%) van de Nederlanders denkt dat het klimaat de afgelopen honderd jaar is veranderd en een kleinere meerderheid (65%) gelooft ook dat deze verandering eerder toe te schrijven is aan menselijk handelen dan aan een natuurlijke verandering (figuur A.3.1 en A.3.2 in de bijlagen). De overtuiging dat klimaatverandering door menselijk handelen bestaat en bezorgdheid over de gevolgen ervan zijn mogelijk versterkt, doordat mensen ervaren dat het weer verandert (Taylor et al. 2014). In vergelijking met 2019 hebben namelijk steeds meer mensen het gevoel dat het weer in Nederland merkbaar is veranderd door klimaatverandering (zie figuur 3.1).
27
B urgerperspectief op klimaatverandering en - beleid : van 2 0 1 9 naar 2 0 2 3
Figuur 3.1 Reacties op de stelling: ‘Ik heb het gevoel dat het weer in Nederland merkbaar is veranderd door klimaatverandering’, 2019 en 2023 (n = 2384 en 3342, in procenten, gewogen)a
2023 3
5
16
7
21
33
20
6
21
5
14
29
5
9
scp.nl
2019 3
4
0
10
20
30
40
50
helemaal mee oneens
een beetje mee eens
mee oneens
mee eens
een beetje oneens
helemaal mee eens
niet mee eens, niet mee oneens
weet niet/geen mening
60
70
80
90
100
a Basis = alle respondenten (2019: n = 2384; 2023: n = 3342). Bron: SCP/LISS (BoD’23)
Bezorgdheid over klimaatverandering Het geloof in klimaatverandering gaat samen met bezorgdheid over de negatieve gevolgen hiervan, zoals extremere weersomstandigheden, zeespiegelstijging en overstromingen en verlies van biodiversiteit. In 2023 is driekwart van de Nederlanders op zijn minst een beetje bezorgd over klimaatverandering en meer mensen dan in 2019 maken zich zelfs erg veel zorgen (figuur 3.2). Ook is er een lichte toename te zien in het aandeel mensen dat zich zorgen maakt dat de klimaatmaatregelen niet voldoende zullen zijn om het probleem op te lossen. In 2023 is 77% daar in elk geval een beetje bezorgd over (figuur 3.3). Figuur 3.2 Antwoorden op de vraag: ‘Hoe bezorgd bent u over klimaatverandering?’, 2019 en 2023 (n = 2384 en 3342, in procenten, gewogen)a
4
13
47
2019
5
14
49
23
21
8
4
7
5
scp.nl
2023
0
10
20
30
40
50
helemaal niet bezorgd
erg bezorgd
niet erg bezorgd
uiterst bezorgd
een beetje bezorgd
weet niet/geen mening
60
70
80
90
100
a Basis = alle respondenten (2019: n = 2384; 2023: n = 3342). Bron: SCP/LISS (BoD’23)
28
B urgerperspectief op klimaatverandering en - beleid : van 2 0 1 9 naar 2 0 2 3
Figuur 3.3 Antwoorden op de vraag: ‘Hoe bezorgd bent u dat maatregelen tegen klimaatverandering niet goed genoeg zullen zijn om het klimaatprobleem op te lossen?’, 2019 en 2023 (n = 2384 en 3342, in procenten, gewogen)a
4
12
2019
4
13
42
26
9
7
23
9
8
43
scp.nl
2023
0
10
20
30
40
50
helemaal niet bezorgd
erg bezorgd
niet erg bezorgd
uiterst bezorgd
een beetje bezorgd
weet niet/geen mening
60
70
80
90
100
a Basis = alle respondenten (2019: n = 2384; 2023: n = 3342). Bron: SCP/LISS (BoD’23)
Deze bezorgdheid gaat maar in beperkte mate over gevolgen van klimaatverandering voor het eigen leven: in 2023 is 17% van de Nederlanders daar erg of uiterst bezorgd over (figuur A.3.3 in de bijlagen). De zorgen gaan meer over de gevolgen van klimaatverandering op het leven van toekomstige generaties (53%; figuur A.3.5 in de bijlagen), voor de natuur en het milieu (49%; figuur A.3.6 in de bijlagen) en het leven van alle mensen wereldwijd (45%; figuur A.3.4 in de bijlagen). Hoewel er in vergelijking met 2019 wat meer mensen zijn die zich weinig zorgen maken over de gevolgen voor de natuur en het milieu, zijn Nederlanders zich over de drie andere thema’s meer zorgen gaan maken. Waargenomen urgentie Zelfs als mensen overtuigd zijn van het bestaan van klimaatverandering en er bezorgd over zijn, kunnen zij verschillen in de mate waarin zij klimaatverandering als een urgent probleem zien. Voor sommigen heeft klimaatverandering prioriteit, anderen zullen andere problemen belangrijker of urgenter vinden. Over het algemeen neemt de gevoelde urgentie van het klimaatprobleem toe. Vergeleken met 2019 zijn in 2023 meer mensen het (een beetje tot helemaal) eens met de stelling dat de mensheid direct in actie zou moeten komen (74% in 2023 vs. 65% in 2019; figuur A.3.5 in de bijlagen).
De helft van de Nederlanders vindt ook dat de huidige generaties te weinig doen om klimaatverandering tegen te gaan voor toekomstige generaties (figuur 3.4). Het aandeel mensen dat dat juist niet vindt, is sinds 2019 licht gedaald.
29
B urgerperspectief op klimaatverandering en - beleid : van 2 0 1 9 naar 2 0 2 3
Figuur 3.4 Reacties op de stelling: ‘Ik heb het gevoel dat de huidige generaties weinig doen aan het tegengaan van klimaatverandering, waardoor toekomstige generaties in de problemen zullen komen’, 2019 en 2023 (n = 2384 en 3342, in procenten, gewogen)a
10
8
23
2019 3
12
9
0
10
20
18
22
22
19
21
10
6
9
5
scp.nl
2023 4
30
40
50
helemaal mee oneens
een beetje mee eens
mee oneens
mee eens
een beetje oneens
helemaal mee eens
niet mee eens, niet mee oneens
weet niet/geen mening
60
70
80
90
100
a Basis = alle respondenten (2019: n = 2384; 2023: n = 3342). Bron: SCP/LISS (BoD’23)
Bijna driekwart van de Nederlanders vindt het dan ook belangrijk dat er anders geleefd gaat worden om klimaatverandering tegen te gaan (figuur A.3.8 in de bijlagen), dat er zuinig met energie wordt omgegaan (figuur A.3.9 in de bijlagen) en dat er een omschakeling plaatsvindt van kolen, olie en gas naar groene energie (figuur A.3.10 in de bijlagen). In vergelijking met 2019 is de groep die van mening is dat er anders geleefd moet gaan worden in 2023 iets gegroeid. De groep die duidelijk voorstander is van een energietransitie is echter juist iets gekrompen. We zien dus dat veel Nederlanders het klimaatprobleem erkennen en als urgent zien. Er is echter ook een aanzienlijke groep Nederlanders die hier anders in staat. Bij hen leidt de aandacht voor klimaatverandering tot onvrede, bijvoorbeeld omdat zij vinden dat de maatregelen tegen klimaatverandering aan hen worden opgedrongen en dat er belangrijkere problemen zijn om aan te pakken. Zo zijn vier op de tien Nederlanders van mening dat er te veel aandacht is voor het tegengaan van klimaatverandering (figuur A.3.11 in de bijlagen) en maakt 30% zich (op zijn minst een beetje) boos over de aandacht voor dit thema (figuur A.3.12 in de bijlagen). Hoewel hierin geen duidelijke verandering te zien is ten opzichte van 2019, zien we die wel bij andere onderwerpen.
Zo is er een kleine toename in het aantal mensen dat vindt dat een kleine groep Nederlanders maatregelen tegen klimaatverandering opdringt aan de rest. In 2023 is 45% het hier een beetje tot helemaal mee eens (tegenover 42% in 2019; zie figuur 3.5). Ook zeggen steeds meer mensen dat de discussie over milieu en klimaat hun plezier in het leven in dermate beïnvloedt dat zij (af en toe) het gevoel hebben nergens meer van te mogen genieten (figuur A.3.13 in de bijlagen). Desondanks storen meer Nederlanders zich aan mensen die zich helemaal niet bezighouden met milieu, klimaat of duurzaamheid dan aan mensen die zich hier heel erg mee bezighouden (figuren A.3.14 en A.3.15 in de bijlagen). Vergeleken met 2019 storen mensen zich in 2023 wel iets minder aan mensen die zich helemaal niet bezighouden met deze onderwerpen.
30
B urgerperspectief op klimaatverandering en - beleid : van 2 0 1 9 naar 2 0 2 3
Figuur 3.5 Reacties op de stelling: ‘Ik heb het gevoel dat een kleine groep Nederlanders maat regelen tegen klimaatverandering opdringt aan de rest’, 2019 en 2023 (n = 2384 en 3342, in procenten, gewogen)a
10
18
2019
9
19
5
16
17
18
7
17
15
16
11
6
11
5
scp.nl
2023
0
10
20
30
40
50
helemaal mee oneens
een beetje mee eens
mee oneens
mee eens
een beetje oneens
helemaal mee eens
niet mee eens, niet mee oneens
weet niet/geen mening
60
70
80
90
100
a Basis = alle respondenten (2019: n = 2384; 2023: n = 3342). Bron: SCP/LISS (BoD’23)
3.1.2 Sociale en persoonlijke normen Duurzame gedragsintenties en daadwerkelijk duurzaam gedrag worden volgens het conceptuele model in figuur 2.1 ingegeven door attitudes, sociale en persoonlijke normen, en waargenomen controle. In deze paragraaf geven we eerst inzicht in de waargenomen sociale en persoonlijke normen van Nederlanders. Vervolgens kijken we naar de mate waarin mensen geloven dat klimaatverandering kan worden tegengegaan door gedragsverandering (waargenomen controle). Waargenomen sociale normen De waargenomen sociale normen ten aanzien van duurzaam gedrag lijken te veranderen. In 2023 zeggen meer Nederlanders dat mensen in hun omgeving zich duurzaam proberen te gedragen (figuur 3.6). In 2019 gaf nog maar 40% van de respondenten aan dat zij het (een beetje) eens waren met de stelling dat mensen in hun omgeving zich duurzaam proberen te gedragen; in 2023 was hun aandeel al gegroeid naar 55%.
31
B urgerperspectief op klimaatverandering en - beleid : van 2 0 1 9 naar 2 0 2 3
Figuur 3.6 Reacties op de stelling: ‘De meeste mensen in mijn omgeving proberen zich duurzaam te gedragen’, 2019 en 2023 (n = 2384 en 3342, in procenten, gewogen)a
6
2023 2
3
21
9
29
29
9
24
2
10
16
1
10
80
90
23
scp.nl
2019
7
0
10
20
30
40
50
helemaal mee oneens
een beetje mee eens
mee oneens
mee eens
een beetje oneens
helemaal mee eens
niet mee eens, niet mee oneens
weet niet/geen mening
60
70
100
a Basis = alle respondenten (2019: n = 2384; 2023: n = 3342). Bron: SCP/LISS (BoD’23)
Persoonlijke normen We zien geen duidelijke veranderingen in persoonlijke normen: de mate waarin duurzaam gedrag als het moreel juiste gedrag gezien wordt. In de vragenlijst is heel direct gevraagd in welke mate mensen zich persoonlijk verantwoordelijk voelen om klimaatverandering te verminderen (figuur 3.7). In beide jaren geldt dit voor een kleine meerderheid (53% in 2023 en 56% in 2019). Figuur 3.7 Antwoorden op de vraag: ‘In welke mate voelt u zich persoonlijk verantwoordelijk om te proberen klimaatverandering te verminderen?’, 2019 en 2023 (n = 2384 en 3342, in procenten, gewogen)a
2023
7
3
2019
6
2 4
4
6
16
6
14
20
30
18
17
17
12
20
11
2
3
5
4
4
7
scp.nl
6
7
0
10
helemaal niet 0
40
50
60
10 in sterke mate
70
80
90
100
geen mening
a Basis = alle respondenten (2019: n = 2384; 2023: n = 3342). Bron: SCP/LISS (BoD’23)
32
B urgerperspectief op klimaatverandering en - beleid : van 2 0 1 9 naar 2 0 2 3
3.1.3 Waargenomen controle Waargenomen controle is de mate waarin mensen denken dat de mens kan bijdragen aan het tegengaan van klimaatverandering. Hierbij maken we onderscheid tussen uitkomsteffectiviteit (geloven dat de milieuproblemen kunnen worden tegengegaan) en zelfeffectiviteit (geloven dat men door eigen acties kan bijdragen aan het tegengaan van milieuproblemen). Ongeveer twee derde van de Nederlandse bevolking denkt dat mensen een rol kunnen spelen in het tegengaan van klimaatverandering (figuur A.3.16). Een vergelijkbare groep heeft het gevoel zelf iets bij te kunnen dragen aan klimaatverandering. In 2023 heeft 63% van de Nederlanders het gevoel dat het zinvol is om zelf iets bij te dragen (figuur 3.8) en denkt 55% na over wat zij in hun dagelijks leven kunnen doen om klimaatverandering tegen te gaan (figuur A.3.17 in de bijlagen). Hierin is geen significante verschuiving te zien ten opzichte van 2019. Figuur 3.8 Antwoorden op de vraag: ‘In hoeverre hebt u het gevoel dat het zinloos of zinvol is om zelf iets bij te dragen aan het tegengaan van klimaatverandering?’, 2019 en 2023 (n = 2384 en 3342, in procenten, gewogen)a
4 2 3
4
6
2019
4 1 3
4
5
13
15
12
19
14
14
5
16
16
10
6
5
12
6
scp.nl
2023
0
10
20
zinloos 0
30
40
50 10 zinvol
60
70
80
90
100
geen mening
a Basis = alle respondenten (2019: n = 2384; 2023: n = 3342). Bron: SCP/LISS (BoD’23)
3.2 Duurzaam gedrag en steun voor verandering De in paragraaf 3.1 beschreven factoren zijn – uitgaande van ons conceptuele model in figuur 2.1 – onderliggend aan in hoeverre mensen zich duurzaam gedragen of de intentie hebben om dat te doen. Ook hebben ze mogelijk invloed op de mate waarin mensen achter klimaatmaatregelen staan en/of zich zorgen maken over de gevolgen daarvan (zie hoofdstuk 6). De volgende paragrafen gaan in op gedrag en intenties.
3.2.1 Duurzaam gedrag Volgens Milieu Centraal stoot een Nederlands huishouden gemiddeld 19.500 kilo CO2 per jaar uit. Eten en drinken (21%), vervoer (20%), energie in huis (17%), spullen en kleding (12%) en vliegen (9%) dragen hier het meest aan bij (Milieu Centraal 2023). Om inzicht te krijgen in hoe duurzaam mensen zich gedragen is in de vragenlijst daarom gevraagd hoe vaak mensen 1) vlees eten, 2) met het vliegtuig reizen, 3) met de auto reizen, 4) op het energieverbruik letten, en 5) nieuwe kleding en/of schoenen kopen. Naast het gedrag op deze vijf leefterreinen is ook gevraagd in hoeverre mensen een bestrate (vs. groene) tuin hebben. Een groene tuin is goed voor het milieu, omdat het bijdraagt aan biodiversiteit. Daarnaast kan een groene tuin ook bijdragen aan het verminderen van klimaatproblemen, zoals hittestress, water overlast en droogte (klimaatadaptatie).
33
B urgerperspectief op klimaatverandering en - beleid : van 2 0 1 9 naar 2 0 2 3
Figuur 3.9 geeft een overzicht van het zelfgerapporteerde gedrag op de zes leefterreinen. Afhankelijk van het leefterrein geeft 6% (nooit vlees eten bij de warme maaltijd) tot 29% (nooit met het vliegtuig reizen) aan op dit moment al het meest duurzame gedrag op dat terrein te vertonen. Dit duurzame gedrag hoeft overigens niet per se te zijn gebaseerd op duurzaamheidsoverwegingen. Ook kostenoverwegingen kunnen een rol spelen, waarbij die rol groter zal zijn op leefterreinen met relatief grote prijsverschillen tussen meer en minder duurzame opties. Van de mensen die minder dan drie dagen per week vlees eten bij de warme maaltijd (ongeveer een kwart van alle respondenten) geeft bijvoorbeeld 19% als (een van de) reden(en) hiervoor dat vlees te duur is. En voor 61% is het besparen op hun energierekening de belangrijkste reden om op hun energieverbruik te letten. Figuur 3.9 Zelfgerapporteerd gedrag op zes leefterreinen, 2023 (n = 2045-3342, in procenten, gewogen)a
a. vlees eten bij warme maaltijd 5
14
32
29
15 scp.nl
6
0
10
20
nooit
30
40
minder dan 1 dag per week
60
50
1 of 2 dagen per week
70
3 of 4 dagen per week
80
100
90
5 of 6 dagen per week
iedere dag
24
12
b. met het vliegtuig reizen 32
3 scp.nl
29
0
10
20
nooit
30
40
minder dan 1 keer per jaar
50
60
70
1 keer per jaar
2 0f 3 keer per jaar
21
20
80
90
100
meer dan 3 keer per jaar
c. met de auto reizen 6
12
17
15 scp.nl
10
0
10 nooit
20
30
minder dan 1 keer per maand
40
minder dan 1 keer per week
50
60
1 of 2 dagen per week
70 3 of 4 dagen per week
80
90
5 of 6 dagen per week
100 iedere dag
d. op energieverbruik letten 47
20
5
2 scp.nl
27
0
10 heel goed
20
30
40
redelijk goed
een beetje
50
60
bijna niet
70
80
90
100
helemaal niet
e. kopen van nieuwe kleding en/of schoenen 29
38
16
7 scp.nl
10
0
10
20
(bijna) nooit
30
40
minder dan 5 stuks per jaar
50
5 tot 10 stuks per jaar
60
70
10 tot 20 stuks per jaar
80
90
100
meer dan 20 stuks per jaar
f. bestrating van de tuin 18
31
23
13
8
7
B urgerperspectief op klimaatverandering en - beleid : van 2 0 1 9 naar 2 0 2 3 cp.nl
34
0
10 heel goed
20
30
40
redelijk goed
een beetje
60
50 bijna niet
70
80
100
90
helemaal niet
e. kopen van nieuwe kleding en/of schoenen 29
38
16
7 scp.nl
10
0
10
20
(bijna) nooit
30
40
minder dan 5 stuks per jaar
50
5 tot 10 stuks per jaar
60
70
10 tot 20 stuks per jaar
80
90
100
meer dan 20 stuks per jaar
f. bestrating van de tuin 31
23
13
8
7 scp.nl
18
0
10 niet
20 minder dan een kwart
30
40
50
een kwart tot de helft
60 de helft tot driekwart
70
80 meer dan driekwart
90
100 helemaal
a Bestrating van de tuin: n = 2045; alle andere items: n = 3342. Bron: SCP/LISS (BoD’23)
3.2.2 Opvattingen over klimaatbeleid Ook kijken we naar de opvattingen van Nederlanders over klimaatbeleid, en of (en hoe) deze opvattingen veranderd zijn ten opzichte van 2019. We maken daarbij onderscheid tussen zorgen over de gevolgen van klimaatmaatregelen en percepties van de rechtvaardigheid van deze maatregelen. Zorgen over gevolgen klimaatmaatregelen Een substantieel deel van de bevolking maakt zich zorgen over de gevolgen van klimaatmaatregelen. Het aandeel Nederlanders dat bezorgd is dat zij door de maatregelen anders moeten gaan leven is sinds 2019 iets gestegen (figuur A.3.20 in de bijlagen): ongeveer zes op de tien mensen maken zich hier op z’n minst een beetje zorgen over (tegenover ongeveer de helft in 2019). Nog meer mensen zijn bezorgd dat deze maatregelen hun leven duurder zullen maken (figuur A.3.18 in de bijlagen), of ervoor zullen zorgen dat ze (meer) moeite krijgen met het betalen van de energierekening (figuur A.3.19 in de bijlagen). Rechtvaardigheid van klimaatmaatregelen Een ander soort zorgen die mensen over klimaatmaatregelen kunnen hebben, zijn zorgen over de verdeling van de kosten die hieraan verbonden zijn. Ook deze zorgen komen veel voor.
Zo’n zes op de tien Nederlanders heeft het gevoel hebben dat de kosten voor het tegengaan van klimaatverandering niet eerlijk verdeeld worden tussen arme en rijke Nederlanders (zie figuur A.3.21 in de bijlagen). Nog iets meer mensen, ongeveer zeven op de tien, hebben het gevoel dat deze kosten niet eerlijk verdeeld worden tussen burgers en bedrijven, al is hierin wel een lichte daling te zien ten opzichte van 2019 (zie figuur A.3.22 in de bijlagen). Om meer inzicht te krijgen in hoe mensen de verdeling dan wel graag zouden zien, is aan respondenten gevraagd hoeveel van hun inkomen ze zelf zouden willen afstaan. Als zij zich voorstellen dat natuur rampen in Nederland voorkomen kunnen worden als iedereen geld inlegt, dan is een kwart helemaal niet bereid (of in staat) om iets van het inkomen af te staan (figuur 3.10). Iets meer dan de helft zou 1% tot 10% willen afstaan, 14% zou tussen de 11% en 50% willen afstaan en 6% meer dan de helft van het netto inkomen. Deze percentages dalen als het gaat om het voorkomen van natuurrampen die niet in Nederland zouden plaatsvinden, maar in andere landen. Dan zou ongeveer een derde van de Nederlanders niets willen (of kunnen) afstaan (figuur A.3.23). Vooral als het gaat om het bijdragen van een fors deel van het inkomen (meer dan 10%) zien we weinig verschillen tussen inkomens en tussen opleidingsrichtingen.
35
B urgerperspectief op klimaatverandering en - beleid : van 2 0 1 9 naar 2 0 2 3
Figuur 3.10 Antwoorden op de vraag: ‘Stelt u zich voor dat natuurrampen in Nederland kunnen worden voorkomen als iedereen geld inlegt. Hoeveel procent van uw netto inkomen bent u bereid hiervoor af te staan?’, 2023 (n = 3342, in procenten, gewogen)a
24
totaal
gestandaardiseerd netto huishoudinkomen 1e kwintiel
30
32
27
24
2e kwintiel
3e kwintiel
22
4e kwintiel
18
5e kwintiel
18
26
6
14
5
22
30
25
15
6
31
28
13
6
33
30
onbekend
14
26
18
5 1
31
15
7
35
27
22
11
5
34
28
20
13
5 1
25
13
4
opleiding basisonderwijs, vmbo
26
havo, vwo, mbo
32
14
29
31
18
8 scp.nl
hbo, wo
0
10 o%
20 1-2%
30 3-5%
40 6-10%
50 11-50%
60
70
80
90
100
>50%
a Basis = alle respondenten (n = 3342). Onbekend: n = 347. Bron: SCP/LISS (BoD’23)
Veel mensen zijn van mening dat degenen die zich het meest vervuilend gedragen en/of de hoogste inkomens hebben, het meest (financieel) moeten bijdragen om natuurrampen te voorkomen (figuur A.3.24). Vooral het gedrag van wie vervuilen is hierbij van belang, meer dan hun inkomen. Een minderheid is namelijk van mening dat mensen met ongeveer hetzelfde inkomen hetzelfde moeten bijdragen – ongeacht hun gedrag. Dezelfde overwegingen zien we als we vragen naar de algemene principes van bekostiging van het klimaatbeleid in Nederland. Bij de verdeling van de kosten van het klimaatbeleid vindt een overgrote meerderheid (82%) van de Nederlanders het belangrijk dat mensen en bedrijven die meer verbruiken of vervuilen financieel ook meer bijdragen (figuur 3.11). Daarnaast vindt een meerderheid van de mensen het belangrijk dat mensen en bedrijven met meer inkomen of vermogen financieel meer bijdragen (65%), en dat mensen met de laagste inkomens worden gecompenseerd voor de kosten van klimaatbeleid, zodat zij er niet op achteruitgaan (60%).
36
B urgerperspectief op klimaatverandering en - beleid : van 2 0 1 9 naar 2 0 2 3
Figuur 3.11 Antwoorden op de vraag: ‘De overheid treft maatregelen om Nederland te beschermen tegen de gevolgen van klimaatverandering. Dit heet klimaatbeleid. Mensen en bedrijven betalen, bijvoorbeeld via belastingen, de kosten van die maatregelen. Hoe belangrijk vindt u het volgende?’, 2023 (n = 3342, in procenten, gewogen)a
mensen en bedrijven die meer verbruiken of vervuilen, dragen financieel meer bij 2 2 aan klimaatbeleid mensen en bedrijven met meer inkomen of vermogen dragen financieel meer bij 4 aan klimaatbeleid
15
6
44
26
mensen met de laagste inkomens worden gecompenseerd voor de kosten van klimaatbeleid, zodat zij er niet op achteruitgaan
5
9
mensen en bedrijven die zich meer inspannen om klimaatschade tegen te gaan, betalen minder voor klimaatbeleid
5
11
ieder mens en ieder bedrijf draagt financieel evenveel bij aan klimaatbeleid, zonder dat gelet wordt op hoeveel geld iemand kan missen of hoeveel iemand zich inspant
38
45
27
20