Onderzoek Tussen duurzaam denken en duurzaam doen.pdf
Tekst van het document
In samenwerking met de Protestantse Theologische Universiteit
Tussen duurzaam denken en duurzaam doen Houding, gedrag en veranderbereidheid van religieuze en niet-religieuze Nederlanders als het gaat om klimaat
Tussen duurzaam denken en duurzaam doen Houding, gedrag en veranderbereidheid van religieuze en niet-religieuze Nederlanders als het gaat om klimaat Maroesjka Versantvoort (SCP/PThU) Mirella Klomp (PThU) Millie Elsen (Centerdata) Thijs Tromp (PThU) Natalia Kieruj (Centerdata) Yvonne de Kluizenaar (SCP) Jurjen Iedema (SCP) Lieke Heil (Centerdata) Isabel van den Heuvel (Centerdata)
Protestantse Theologische Universiteit
Sociaal en Cultureel Planbureau en Protestantse Theologische Universiteit Den Haag en Amsterdam, april 2024
Het Sociaal en Cultureel Planbureau is een interdepartementaal, wetenschappelijk instituut, dat – gevraagd en ongevraagd – sociaal-wetenschappelijk onderzoek verricht. Het SCP rapporteert aan de regering, de Eerste en Tweede Kamer, de ministeries en maatschappelijke en overheidsorganisaties. Het SCP valt formeel onder de verantwoordelijkheid van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Het SCP is opgericht bij Koninklijk Besluit op 30 maart 1973. Het Koninklijk Besluit is per 1 april 2012 vervangen door de ‘Regeling van de minister-president, Minister van Algemene Zaken, houdende de vaststelling van de Aanwijzingen voor de Planbureaus’. De Protestantse Theologische Universiteit is een levensbeschouwelijke universiteit waarin fascinatie voor wat mensen geloven en wat geloof met mensen doet de boventoon voert. De PThU is een jonge instelling die voortbouwt op de lange geschiedenis van haar hervormde, lutherse en gereformeerde voorgangers. Sinds 2007 biedt zij (post)academisch onderwijs voor theologische professionals, maatschappelijke en kerkelijke organisaties en andere geïnteresseerden, leidt zij studenten op tot theoloog in de rol van geestelijk verzorger of predikant voor de Protestantse Kerk in Nederland en doet ze onderzoek naar ontwikkelingen op het snijvlak van geloof, kerk en samenleving.
© Sociaal en Cultureel Planbureau en Protestantse Theologische Universiteit, Den Haag en Amsterdam 2024 Eindredactie en productiebegeleiding: Future Communication, Utrecht Opmaak binnenwerk: Xerox, Den Haag Omslagontwerp: Xerox, Den Haag Foto omslag: ANP | David Rozing Copyright U mag citeren uit dit rapport, mits u de bron vermeldt. U mag het op een server plaatsen mits: 1 het digitale bestand (rapport) intact blijft; 2 u de bron vermeldt; 3 u de meest actuele versie van het bestand beschikbaar stelt, bijvoorbeeld na verwerking van een erratum. Data SCP-databestanden, gebruikt in onze rapporten, zijn in principe beschikbaar voor gebruik door derden via DANS: www.dans.knaw.nl. De dataverzameling is mogelijk gemaakt door het SCP en de PThU. De PThU kreeg daarvoor een subsidie van de Maatschappij van Welstand. Contact Sociaal en Cultureel Planbureau Postbus 16164 2500 BD Den Haag www.scp.nl info@scp.nl
Protestantse Theologische Universiteit De Boelelaan 1105 1081 HV Amsterdam www.pthu.nl communicatie@pthu.nl
Inhoud
Voorwoord5 Belangrijkste inzichten en handelingsperspectieven
6
1
Inleiding
16
1.1 1.2 1.3 1.4 1.5
Achtergrond en doel De rol van religie Onderzoeksvragen Data Leeswijzer
16 16 17 17 18
2
Theoretisch model
19
2.1 De houding van burgers over duurzaamheid en klimaatverandering 2.2 De rol van religie
19 23
3 Burgerperspectief op klimaatverandering en -beleid: van 2019 naar 2023
27
3.1 3.2 3.3
Opvattingen over klimaatverandering Duurzaam gedrag en steun voor verandering Conclusie
27 33 37
4
Veranderbereidheid van leefstijl
39
4.1 4.2 4.3
Bezuiniging Veranderbereidheid Conclusie
39 41 49
5 Geloofsovertuigingen gerelateerd aan mens, God en natuur
50
5.1 5.2 5.3 5.4 5.5
Verschillen in geloofsopvattingen Geloofsopvattingen binnen verschillende religies en denominaties Clusters op basis van geloofsopvattingen Aandacht voor klimaat binnen de geloofsgemeenschap Conclusie
50 52 56 60 63
6
Houding, gedrag en de rol van religie
64
6.1 Betekenis van religie: van conceptueel model naar empirie 6.2 Samenhang tussen de constructen 6.3 Klimaatgerelateerde houding en gedrag: samenhang met religie 6.4 Klimaatgerelateerde houding en gedrag: samenhang met waardenpatronen 6.5 Klimaatgerelateerde houding en gedrag: samenhang met sociaal-economische en demografische kenmerken 6.6 Belang van religie voor leefstijl en matigheid: zelfrapportage 6.7 Veranderbereidheid en de betekenis van religie 6.8 Conclusie
64 66 67 73 76 80 81 85
Literatuur87
4
INHOUD
Voorwoord
Het aanpakken van milieuproblemen, waaronder klimaatverandering, vormt anno 2024 een van de grootste opgaven van onze samenleving. Milieuproblemen worden grotendeels veroorzaakt door menselijk gedrag en daarom kan niemand gemist worden bij het realiseren van deze opgave. Overheden, bedrijven en burgers hebben elkaar hierbij nodig. Als het gaat om effectief klimaatbeleid is inzicht in de houding, drijfveren en leefstijl van burgers essentieel. Ook is het daarvoor belangrijk inzichten te hebben in wat maakt dat mensen al dan niet bereid zijn hun gedrag of leefstijl aan te passen ten behoeve van het klimaat. Maakt het daarbij uit hoe de natuur ervoor staat in de toekomst? Of zijn mensen daarvoor redelijk immuun? Is het de prijs van producten en diensten die richting geeft – bijvoorbeeld via belastingen of subsidies? Of zijn mensen als sociale wezens vooral gevoelig voor sociale normen en bepaalt dat wat zij doen en laten? En maakt het uit of er op hen een moreel appel gedaan wordt om bepaald gedrag te vertonen, en zo ja, wie dat doet? Dit onderzoek probeert helderheid te geven over deze vragen. Het gaat ook in op veranderingen in houding in de tijd en percepties van rechtvaardigheid in klimaatbeleid. Bijzondere aandacht gaat uit naar de betekenis van religie bij de afwegingen die mensen maken, hun persoonlijke drijfveren (al dan niet volgend uit religie) en sociale normen.
Kortom, het onderzoek richt zich op het verkrijgen van inzichten die kunnen helpen bij het stimuleren van burgers om bij te dragen aan het tegengaan van klimaatverandering. Dit project is een gezamenlijk initiatief van het Sociaal en Cultureel Planbureau en de Protestantse Theologische Universiteit. Onze dank gaat uit naar de onderzoekers van de samenwerkende instellingen en de onderzoekers van Centerdata voor hun werk aan de analyses en rapportage en de prettige samenwerking. Prof. dr. Karen van Oudenhoven (algemeen directeur Sociaal en Cultureel Planbureau) Dr. Kees Boele (voorzitter College van Bestuur Protestantse Theologische Universiteit)
5
V oorwoord
Belangrijkste inzichten en handelingsperspectieven
Waarom dit onderzoek? Klimaatbeleid: het belang van burgerbetrokkenheid Het aanpakken van milieuproblemen vormt een van de grootste uitdagingen van deze tijd. Volgens de Verenigde Naties is er sprake van drie planetaire crises: klimaatverandering, verlies van biodiversiteit en vervuiling, waaronder lucht-, water- en bodemverontreiniging (Abumoghli 2023). Ons onderzoek richt zich vooral op klimaatverandering – het meest urgente milieuprobleem volgens het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC 2022). Dit panel stelt dat alleen wanneer alles op alles gezet wordt een stijging van de temperatuur van de aarde tot 2 graden beperkt kan worden. Daarmee worden de doelen van Parijs niet meer gehaald, maar blijven de gevolgen nog enigszins hanteerbaar. De landen van de Europese Unie hebben in 2016 het Klimaatakkoord van Parijs ondertekend. Doel is de opwarming van de aarde te beperken tot ruim onder de 2 graden Celsius waar het IPCC van spreekt. Om dit te behalen hebben de EU-lidstaten met elkaar afgesproken dat er in 2030 minimaal 55% minder broeikassen worden uitgestoten. Voor 2050 streeft de Europese Unie naar volledige klimaatneutraliteit. Dat betekent dat er dan netto geen uitstoot meer is van broeikasgassen. De vertaling van deze ambities is voor Nederland vastgelegd in de nationale Klimaatwet, het Klimaatplan en de Klimaatnota (Rijksoverheid 2024).
Het is duidelijk dat de weg naar klimaatneutraliteit nog lang is (PBL 2023). Ook is helder dat het realiseren van die ambities alleen lukt met de inzet en medewerking van burgers. Milieuproblemen worden in belangrijke mate veroorzaakt door het gedrag van mensen (Steg en Vlek 2009). Naast de noodzakelijke inspanningen van bedrijven bij de aanpak van klimaatverandering doet ook het handelen van burgers ertoe. Of het nu gaat om voedselconsumptie, de aanschaf van spullen, auto- of energiegebruik: de leefwijze van burgers heeft een klimaatafdruk. Los van alle technische innovaties om die klimaatafdruk te verminderen, vraagt het realiseren van klimaatneutraliteit bezinning op (en aanpassing van) gedrag en leefstijl. Effectief klimaatbeleid vraagt draagvlak en verankering in het leven van mensen. Voor de ontwikkeling daarvan is het daarom van belang een goed beeld te hebben van de houding van burgers ten opzichte van klimaat problematiek, hun gedrag en de bereidheid hun handelen en leefstijl aan te passen. Dit kan relevante inzichten opleveren in manieren om hen te stimuleren een bijdrage te leveren aan het tegengaan van (verdere) klimaatverandering die door mensen wordt veroorzaakt. In dit onderzoek staan de houding van burgers ten opzichte van het klimaat en het klimaatbeleid, hun drijfveren, hun leefstijl én hun veranderbereidheid centraal.
Dan gaat het om vragen als: in hoeverre gaan intenties en gedrag samen? Zijn burgers bereid offers te brengen voor het klimaat? Wat vinden burgers rechtvaardig klimaatbeleid? Welke rol spelen religie, persoonlijke drijfveren, politieke oriëntatie, inkomen, leeftijd en andere persoonskenmerken? De antwoorden op deze vragen helpen het burgerperspectief in klimaatbeleid verder te verankeren. Het kabinet heeft hoge verwachtingen van burgers, maar gaf aan dat er in beleid nog onvoldoende rekening gehouden wordt met de uiteenlopende drijfveren, motivaties en het verschil in handelingsmogelijkheden van verschillende groepen (TK 2021/2022, 2022/2023). Deze studie beoogt bij te dragen aan het vergroten van dit inzicht.
Wat is nieuw in dit onderzoek? In 2019 deed het Sociaal en Cultureel Planbureau al onderzoek naar de houding van burgers ten opzichte van klimaat en klimaatbeleid (zie De Kluizenaar en Flore 2021). Dit onderzoek is een update daarvan (hoofdstuk 3). Daarnaast voegt het twee nieuwe perspectieven toe. Allereerst het perspectief van leefstijlveranderbereidheid (zie hoofdstuk 4). In welke mate en onder welke omstandigheden zijn burgers bereid voor het klimaat hun energiegebruik, consumptiepatroon, voedingsgewoonten, autogebruik, vlieggewoonten en directe (groene) woonomgeving aan te passen? Tot welke offers zijn burgers bereid? Als tweede is het perspectief van religie toegevoegd (hoofdstuk 5 en 6). In welke mate zijn de geloofsovertuigingen van religieuze mensen bepalend 6
B elangrijkste inzichten en handelingsperspectieven
voor hun opvattingen, gedrag en veranderbereidheid ten aanzien van de klimaatopgave? Hiermee is voor het eerst aandacht voor de invloed van religie en levensbeschouwelijke overtuigingen op de houding en veranderbereidheid van Nederlanders ten opzichte van klimaat en duurzaamheid. In Nederland beschouwt 36% van de burgers zichzelf medio 2023 als religieus, van een beetje tot zeer religieus. 26% ziet zichzelf als christen, 4% als moslim, 6% als religieus zonder verbinding met een bepaalde religie en 1% rekent zichzelf tot een andere religie (jodendom, hindoeïsme, boeddhisme).1 Dit maakt het relevant om in het onderzoek naar hoe burgers tegen de duurzaamheidsopgave aankijken in te zoomen op de opvattingen en houdingen van gelovige mensen en die te vergelijken met wie zichzelf als niet-gelovig beschouwen. Doet religie er in Nederland toe bij dit vraagstuk en zo ja, hoe? Hoe komen de opvattingen van mensen van verschillende levensbeschouwelijke achtergronden overeen en hoe verschillen ze van elkaar? Inzichten in de rol van religie kunnen bijdragen aan het beter begrijpen van bepaalde houdingen en gedragingen. Ook kunnen ze geloofsgemeenschappen handvatten bieden wanneer zij het gesprek willen voeren over hoe geloof en klimaatproblematieken samenhangen.
In het algemeen kunnen ze meer grip bieden voor handelingsperspectieven en ook zicht geven op hoe geloofsgemeenschappen al dan niet partner kunnen zijn in het tegengaan van klimaatverandering. Deze inzichten sluiten aan bij de focus op brede welvaart die voor de overheid in toenemende mate van belang is voor het maken van beleidsafwegingen. De lens van brede welvaart zorgt ervoor dat we op een meeromvattende manier kijken naar het welzijn van mensen. Ook helpt het om bewustzijn te creëren over welke keuzes belangrijk zijn en wat eventueel opgeofferd moet of kan worden. Toepassing daarvan op klimaatbeleid vraagt rekenschap van waar mensen om ideologische en/of religieuze redenen waarde aan hechten. Vanuit een breed welvaartsperspectief zijn de aandacht voor ecologische en economische overwegingen en de aandacht voor persoonlijke drijfveren en overtuigingen daarom van belang bij het maken van afwegingen ten aanzien van klimaatbeleid.
Samenwerkingsverband Dit onderzoek is het resultaat van een samenwerkingsverband tussen het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP), de Protestantse Theologische Universiteit (PThU) en Centerdata.2 Voor dit onderzoek zijn verschillende methodieken gebruikt. Literatuuronderzoek is ingezet om een theoretisch kader te construeren om gedrag en leefstijlveranderbereidheid ten behoeve van klimaat te begrijpen in relatie tot sociale en persoonlijke normen, overtuigingen en waarden – al dan niet religieus geïnspireerd. Er is longitudinaal surveyonderzoek ingezet om (veranderingen in) de houding van mensen in Nederland ten opzichte van klimaat en klimaatbeleid in beeld te brengen. Met experimenteel vignettenonderzoek is zicht verkregen op de veranderbereidheid van mensen wat betreft hun leefstijl en de invloed van beleid en de sociale omgeving daarbij. Via verschillende statistische technieken (o.a. multilevel regressies, latenteklassenanalyses) is geprobeerd zicht te krijgen op de relatie tussen (geloofs)overtuigingen enerzijds en houding, gedrag en veranderbereidheid ten aanzien van klimaat anderzijds. Het onderzoek liep van het voorjaar 2023 tot en met het voorjaar 2024. De data zijn verzameld in juli en augustus via het LISS panel.
Wat zien we in houding en gedrag ten opzichte van klimaat? Nederlanders zijn overtuigd van klimaatverandering en zijn bezorgd daarover De overgrote meerderheid (95%) van de Nederlanders denkt dat het klimaat de afgelopen honderd jaar is veranderd en een kleinere meerderheid (65%) gelooft ook dat deze verandering eerder toe te schrijven is aan menselijk handelen dan aan een natuurlijke verandering. Bij driekwart van de Nederlanders leidt dit tot bezorgdheid, niet per se over de gevolgen voor hun eigen leven maar vooral ook over de gevolgen voor toekomstige generaties, voor de natuur en het milieu, en voor het leven van alle mensen wereldwijd.
De optelling komt uit op 37%. Dat is vanwege afronding. Zie tabel A.2.3 in de bijlagen bij dit rapport voor de steekproefbeschrijving. 2 Dit onderzoek is uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van het Sociaal en Cultureel Planbureau en de Protestantse Theologische Universiteit, in nauwe samenwerking met Centerdata gedurende het hele onderzoek. 1
7
B elangrijkste inzichten en handelingsperspectieven
Klimaatprobleem wordt als urgenter gezien, duurzaam gedrag als normaler In vergelijking met 2019 is het gevoel van urgentie toegenomen. Meer mensen hebben het gevoel dat de mensheid in actie moet komen om klimaatverandering tegen te gaan (74% in 2023 vs. 65% in 2019), en bijna driekwart van de bevolking vindt dat er anders geleefd moet worden. Mogelijk speelt hierbij een rol dat veel mensen het gevoel hebben dat de invloed van klimaatverandering inmiddels merkbaar is in het weer. De toename van het gevoel van urgentie gaat samen met verschuivingen in de sociale norm ten aanzien van duurzaam gedrag: meer burgers hebben het gevoel dat mensen in hun omgeving zich duurzaam proberen te gedragen. Tegelijkertijd is het aandeel mensen dat vindt dat een kleine groep Nederlanders maatregelen tegen klimaatverandering opdringt aan de rest licht toegenomen (van 42% naar 45%).
Grote verschillen tussen groepen, kloof tussen klimaatopvattingen en duurzaam gedrag Niet iedereen staat er hetzelfde in. Ouderen, vrouwen, hbo- en wo-geschoolden en mensen die in stedelijker gebied wonen, tonen zich op verschillende manieren meer betrokken bij het klimaat. Zij erkennen bijvoorbeeld vaker (de urgentie van) het klimaatprobleem, hebben meer het gevoel dat hun sociale omgeving zich duurzamer probeert te gedragen en/of hebben meer het gevoel dat ze kunnen en moeten bijdragen aan de oplossing van het klimaatprobleem. Dit gevoel van urgentie en verantwoordelijkheid leidt echter niet over de hele linie tot meer duurzaam gedrag. Bij ouderen, vrouwen en mensen die in stedelijke gebieden wonen is dat wel het geval: bij hen liggen duurzaam gedrag en opvattingen over het klimaat vaak dichter bij elkaar. Bij mensen met een hbo- of wo-opleiding zien we echter een ander beeld. Zij huldigen vergelijkbare opvattingen over het klimaat als de eerdergenoemde groepen, maar dit vertaalt zich niet of maar nauwelijks in meer duurzaam gedrag. Opvallend is dat het omgekeerde geldt voor mensen met een relatief laag inkomen of mensen die los daarvan moeilijker kunnen rondomen: mensen met een smalle beurs gedragen zich aanzienlijk duurzamer dan de gemiddelde Nederlander, hoewel ze juist minder duurzame opvattingen hebben.
Dit laat zich deels verklaren doordat de duurzame opties die centraal stonden in dit onderzoek ook in meerderheid de minst prijzige opties waren. Naarmate het besteedbaar inkomen lager is zullen mensen ook eerder geneigd zijn te kiezen voor minder dure opties. Het meest opvallend blijft daarom de uitkomst dat mensen met een hoger inkomen, die dus juist meer te kiezen hebben, eerder kiezen voor de duurdere maar minder duurzame gedragingen, terwijl hun intenties juist meer gaan richting het duurzame gedrag. De grote verschillen tussen groepen zorgen ervoor dat we, wanneer we naar de maatschappij als geheel kijken, slechts een zwakke samenhang zien tussen klimaatopvattingen en duurzaam gedrag. Zeggen is nog geen doen!
Verklaringen voor discrepantie bij theoretisch opgeleiden: levensstandaard, status en compensatie Er zijn tal van theoretische verklaringen ontwikkeld om de kloof te verklaren tussen het hebben van kennis over klimaatverandering en het vertonen van klimaatvriendelijk gedrag, maar een eenduidige verklaring ontbreekt nog (Kollmuss en Agyeman 2022). Een van de verklaringen voor de opvallende discrepantie tussen de intenties en het gedrag bij mensen met een relatief hoog inkomen en/of een theoretische opleiding (hbo/wo) is dat deze groep ook een gemiddeld hogere levensstandaard heeft die resulteert in een hogere consumptie en de daarmee verbonden grotere ecologische voetafdruk. Ook kan deze in verband gebracht worden met een (bovengemiddeld) streven naar individueel succes en statusverwerving – mede via consumptiepatronen (Belk 1988). Dit streven kan tot bepaalde, minder duurzame, consumptiepatronen leiden. Een derde verklaring voor de discrepantie tussen klimaat gerelateerde opvattingen en duurzaam gedrag binnen deze groep is dat hbo- en wo-opgeleiden vaker specialistisch werk doen waarvoor ze bijvoorbeeld vaker op grotere afstand van hun woonplaats werken en meer zakelijke reizen (moeten) maken naar het buitenland.
Een vierde verklaring is dat deze groep van theoretisch opgeleide mensen zich inspant voor gedragsaanpassingen waarvan de impact minder groot is dan de aanpassingen waar dit onderzoek zich op richt. Denk aan het kopen van biologisch vlees in plaats van het verminderen van of stoppen met vleesconsumptie, of het kopen van duurzamer geproduceerde nieuwe kleding in plaats van minder (nieuwe) kleding. Een laatste mogelijke verklaring van de kloof tussen de intenties van theoretisch opgeleiden en hun geringere bereid grotere leefstijlaanpassingen te doen kan ook een ervaren gebrek aan kennis zijn: de klimaatproblematiek is complex en wat een duurzame keuze lijkt is dat niet altijd. Voorbij het laaghangende fruit als het gaat om duurzame keuzes en bescherming van het milieu in bredere zin, is het soms moeilijk te overzien welke gedragsaanpassingen het meest impactvol zijn: waar doe je goed aan? 8
B elangrijkste inzichten en handelingsperspectieven
Verklaringen voor discrepantie bij jongeren: levensfase, gevoeligheid voor sociale druk Jongeren zijn, net als ouderen, bezorgd over de gevolgen van klimaatverandering en zien de noodzaak van menselijke actie om klimaatverandering tegen te gaan. Vergeleken met ouderen voelen zij zich evenwel minder persoonlijk verantwoordelijk voor het helpen tegengaan van klimaatverandering; mogelijk houden zij oudere generaties of bedrijven verantwoordelijk voor de milieuproblemen en daarom ook voor het tegengaan ervan. In lijn met hun lagere waargenomen zelfeffectiviteit gedragen jongeren zich gemiddeld (op alle levensdomeinen) minder duurzaam. Zij zijn ook iets minder dan ouderen bereid hun gedrag in de toekomst aan te gaan passen. Wanneer we inzoomen op specifieke leefterreinen, zien we dat het verschil in duurzaam gedrag tussen ouderen en jongeren gedreven wordt door het feit dat jongeren vaker vliegreizen maken, minder op energieverbruik letten en vaker nieuwe kleding kopen. Als het gaat om reizen met de auto en vlees eten, gedragen ze zich even duurzaam. De verschillen in duurzaam gedrag tussen jongeren en ouderen zouden ook verklaard kunnen worden door andere overwegingen dan die rond duurzaamheid. Zo kan het feit dat ouderen relatief weinig met het vliegtuig reizen mogelijk ook verklaard worden doordat bij sommige ouderen de gezondheid het niet meer toelaat om verre reizen te maken.
Of het kan gaan om een levensfase-effect: jongeren staan aan het begin van hun volwassen leven en kunnen daardoor meer gericht zijn op doelen en behoeften met een andere termijn, zoals onderwijs, werk en sociale activiteiten (Steentjes et al. 2018). Ook zijn jongeren gemiddeld genomen gevoeliger voor sociale invloeden en groepsdruk. Als duurzaam gedrag niet de norm is binnen hun sociale groepen of peer-cultuur, kan dit hen afremmen zich klimaatvriendelijk te gedragen (Devine-Wright 2013).
Een intention-behaviour gap; meer bezorgd dan verantwoordelijk Het klimaatprobleem lijkt voor veel burgers de afgelopen jaren minder abstract te zijn geworden. Zo hebben veel mensen het gevoel dat het weer in Nederland merkbaar veranderd is. Hoewel ook de zorgen over het klimaat toegenomen zijn gaat dat niet hand in hand met gevoelens van eigen verantwoordelijkheid voor het tegengaan van klimaatverandering. Ten minste 78% van de mensen maakt zich zorgen, terwijl 53% een duidelijke eigen verantwoordelijkheid voelt voor de oplossing. Dit aandeel neemt af (een daling van 3% ten opzichte van 2019). Ook vertalen overtuigingen dat (door de mens veroorzaakte) klimaat verandering bestaat zich niet altijd in gevoelens van bezorgdheid en urgentie. En de overtuiging dat mensen iets kunnen doen tegen klimaatverandering vertaalt zich niet per se in meer duurzaam gedrag. Er is sprake van een intention-behaviour gap, in de context van duurzaamheid ook wel de green gap genoemd. Klimaatverandering is een probleem van iedereen en daarmee ontstaat ook een gedeelde verantwoordelijkheid. Dit lijkt te leiden tot een bystander effect: we zien iets ergs gebeuren, maar kijken allemaal naar elkaar in de verwachting dat de ander iets doet (Darley en Latané 1968).
Of, in termen van klimaatverandering: we weten dat de aarde opwarmt en merken zelf dat het weer extremer wordt, maar wachten af in de hoop dat anderen het probleem oplossen. Ook is dit te duiden als een vorm van freeriding-gedrag3 of het klassieke prisoner’s dilemma:4 omdat de verwachte baten niet direct persoonlijk neerslaan en onduidelijk is wat andere belanghebbenden doen, is het lastiger wel zelf investeringen te doen of offers te brengen.
Weinig leefstijlveranderbereidheid In bijna de helft van de onderzochte situaties in dit onderzoek – waarin ruimte is voor verduurzaming – blijken mensen niet veranderbereid. Over het algemeen lijken Nederlanders bij verandering van leefstijl niet sterk gevoelig voor wat er gebeurt in de natuur, de sociale omgeving of het beleid. In de gevallen waarin mensen dat wel zijn, zijn zij het meest bereid om minder vlees te gaan eten en het minst bereid om minder auto te gaan rijden. De bereidheid om minder met het vliegtuig te reizen, minder energie te
Een freerider is iemand die niet betaalt voor een collectief goed, maar wel van de opbrengsten geniet. In essentie komt het erop neer dat individuen bij collectieve acties, waarbij alle betrokkenen profiteren van het resultaat, de neiging kunnen hebben om niet bij te dragen en toch te profiteren van de voordelen. Dit fenomeen staat bekend als freeriding. Een klassiek voorbeeld hiervan is de financiering van een dijk: als één persoon ervoor kiest om niet bij te dragen aan de bouw ervan, wordt de dijk nog steeds gebouwd vanwege het collectieve belang. 4 Het prisoner’s dilemma stamt uit de speltheorie en gaat over het onvermogen van rationele actoren die niet met elkaar communiceren over onderlinge samenwerking, omdat ze niet weten welk voordeel de ander heeft om al of niet te gaan samenwerken. Dit niet-weten maakt het uiterst lastig om de samenwerking onderling te bespreken. De kans dat ze allebei slechter af zijn als ze samenwerking niet bespreken is minstens zo groot als dat zij dit wel zouden bespreken, zeker op korte termijn. 3
9
B elangrijkste inzichten en handelingsperspectieven
gaan verbruiken, minder nieuwe kleding te gaan kopen en de tuin te vergroenen valt daartussenin. De groepen die op dit moment minder duurzaam gedrag vertonen, zijn ook minder bereid om hun gedrag te veranderen in de toekomst. Daar valt dus de winst niet te halen. Mocht het mogelijk zijn om natuurrampen te voorkomen wanneer iedereen financieel bijdraagt, dan is een kwart van de Nederlanders niet bereid daarvoor geld in te leggen. Iets meer dan de helft zou 1% tot 10% van het netto inkomen willen afstaan, 14% tussen de 11% en 50%, en 6% meer dan de helft. Vooral als het gaat om het bijdragen van een fors deel van het inkomen (> 10%), zien we weinig verschillen tussen inkomens en opleidingsrichtingen. De solidariteit met het buitenland is minder groot. Voor het voorkomen van natuur rampen in het buitenland is een derde van de Nederlanders niet bereid financieel bij te dragen.
Duurzaam gedrag worden sterk gestuurd door financiële overwegingen De uitkomsten betekenen evenwel niet dat burgers in het geheel niet bereid zijn om hun gedrag te veranderen. Mensen lijken het meest bereid tot verandering wanneer de relatieve kosten van nietduurzaam gedrag hoger worden dan die van duurzaam gedrag. In dit onderzoek vonden we zelfs dat informatie over dergelijke prijsstijgingen een sterkere invloed had op duurzaam gedrag dan toekomst scenario’s over natuurrampen. Dat suggereert dat mensen besparen belangrijker vinden dan het voorkomen van natuurrampen. Omdat de voorgelegde toekomstscenario’s zeer algemeen waren moeten we deze interpretatie voorzichtig hanteren. Het is waarschijnlijk dat mensen anders zouden reageren wanneer ze daadwerkelijk in hun eigen leven met (dreigende) natuurrampen geconfronteerd worden. Toch laat de uitkomst wel zien dat financiële overwegingen een sterkere determinant zijn voor gedrag dan duurzaamheidsoverwegingen of sociale normen.
Hoe staan burgers tegenover klimaatbeleid? Huidige beleidsmaatregelen ten aanzien van het klimaatvraagstuk De beleidsmaatregelen van de overheid zijn gericht op het realiseren van een duurzame en klimaatneutrale samenleving. Ze staan in het teken van de internationale afspraken (zoals de VN-Klimaatakkoorden en de Europese Green Deal) om de opwarming van de aarde de beperken en bedreiging van de biodiversiteit te keren. De nationale klimaatdoelen zijn vastgelegd in de Klimaatwet en het Klimaatakkoord: 95% reductie van broeikasgasuitstoot in 2050 ten opzichte van 1990. De beleidsmaatregelen betreffen concreet de verduurzaming van de gebouwde omgeving waaronder het aardgasvrij maken van woningen, het stimuleren van emissieloze mobiliteit en meer gebruikmaken van openbaar vervoer, lokaal opwekken van duurzame energie met behulp van regionale coöperatieve energieopwekking en het opleiden van voldoende vakmensen om de transitie technisch mogelijk te maken. Nadrukkelijk wordt ingezet op het vergroten van de burgerbetrokkenheid bij klimaatmaatregelen en -beleid, in nauwe samenwerking met overheden, maatschappelijke organisaties en bedrijven (TK 2022/2023). Financiële prikkels zoals subsidies, belastingvoordelen en beprijzen, zijn hiervoor tot nu toe de belangrijkste instrumenten.
Om meer rekening te kunnen houden met uiteenlopende drijfveren, motivaties en het verschil in handelingsmogelijkheden van verschillende groepen wil het kabinet een burgerforum voor klimaat instellen (TK 2021/2022).
Huidig klimaatbeleid voelt als bedreiging voor levensstandaard en wordt niet beschouwd als rechtvaardig Over het algemeen zijn Nederlanders niet bijzonder positief over het klimaatbeleid. Een behoorlijk deel van de Nederlanders (59%) is bang dat klimaatmaatregelen ervoor zullen zorgen dat ze anders moeten gaan leven en/of hun rekeningen niet meer kunnen betalen (68%). Een meerderheid van de Nederlanders (61%) is ook van mening dat de kosten voor het huidige klimaatbeleid niet eerlijk verdeeld worden tussen arme en rijke Nederlanders en zo’n 70% vindt datzelfde als het gaat om burgers en bedrijven. Rechtvaardigheid is een belangrijk thema als het gaat om klimaatbeleid. Als de verdeling van klimaatkosten niet als rechtvaardig wordt ervaren, dan komt het draagvlak voor het klimaatbeleid onder druk en daarmee de effectiviteit (WRR 2023). ‘De vervuiler betaalt’ zou het leidende principe moeten zijn bij rechtvaardig klimaatbeleid. Een grote meerderheid (82%) vindt dat mensen en bedrijven die voor de meeste vervuiling zorgen het meest moeten bijdragen aan het tegengaan van klimaatverandering. Daarna volgt het draagkrachtprincipe: de mensen met de hoogste inkomens zouden het meest bij moeten dragen (volgens 65%).
Dit laatste staat in schril contrast tot de huidige situatie: mensen met hoge inkomens en mensen die zich al het minst duurzaam lijken te gedragen, tonen zich het minst bereid tot verandering van leefstijl. Een minderheid is van mening 10
B elangrijkste inzichten en handelingsperspectieven
dat mensen met ongeveer hetzelfde inkomen hetzelfde zouden moeten bijdragen – ongeacht hun gedrag. Ook dit laat zien dat rechtvaardig klimaatbeleid volgens burgers vooral leunt op gedrag en het principe van de vervuiler betaalt.
Bij een groeiende groep Nederlanders heerst onvrede over het klimaatthema Bij een substantiële groep Nederlanders heerst een gevoel van onvrede dat verder gaat dan twijfel over het klimaatbeleid. Zo maakt drie op de tien Nederlanders zich bijvoorbeeld boos over de aandacht voor het klimaat. Deze Nederlanders hebben het gevoel dat er urgentere problemen zijn om aan te pakken. Deze onvrede neemt licht toe: ten opzichte van 2019 hebben niet alleen meer mensen het gevoel dat een kleine groep Nederlanders klimaatmaatregelen opdringt aan de rest, maar hebben ook meer mensen het gevoel dat zij nergens meer van mogen genieten.
Speelt religie een rol bij houding en gedrag ten opzichte van klimaat? De religieuze groep maakt weinig verschil in opvattingen en duurzaam gedrag Er blijken weinig verschillen te zijn tussen religieuze en niet-religieuze groepen in hoe mensen tegen klimaatverandering aankijken. Rooms-katholieken, leden van de Protestantse Kerk in Nederland en moslims verschillen onderling niet in hun opvattingen en ook niet van mensen die niet-religieus zijn. Zij zijn ongeveer even sterk overtuigd van het bestaan van klimaatverandering door menselijk handelen, hun bezorgdheid hierover en de mate waarin zij zich persoonlijk verantwoordelijk voelen om bij te dragen aan het tegengaan van klimaatverandering. Wat betreft duurzaam gedrag zien we wel enige verschillen. Orthodox- en bevindelijk gereformeerden en religieuze mensen die geen geïnstitutionaliseerde religie aanhangen lijken zich over het algemeen iets duurzamer te gedragen dan de gemiddelde Nederlander. Rooms-katholieken en moslims blijken zich juist iets meer zorgen te maken over mogelijke negatieve gevolgen van klimaatmaatregelen voor hun eigen leven dan protestanten (en daarbinnen met name de orthodox-gereformeerden) en dan mensen zonder religieuze overtuiging.
Geloofsovertuigingen doen er meer toe dan specifieke religie of denominatie Opvattingen en gedrag van Nederlanders ten aanzien van klimaat en milieu lijken niet sterk bepaald te worden door de religie die zij al dan niet aanhangen, of door de religieuze groep waartoe zij behoren. Toch spelen specifieke geloofsovertuigingen wel degelijk een rol. Mensen met een sterkere (vs. zwakkere) overtuiging van de mens als rentmeester van de aarde zijn meer overtuigd van het bestaan van klimaat verandering, bezorgder over de gevolgen ervan, en zien dit als een meer urgent probleem. Zij zijn er sterker van overtuigd dat de mens klimaatverandering kan tegengaan en voelen zich daar ook in hogere mate persoonlijk verantwoordelijk voor. Ze zijn meer geneigd zich duurzamer te gedragen en klimaat beleid te steunen. Voor mensen met een sterkere opvatting van de mens als heerser over de natuur geldt precies het omgekeerde: zij vertonen minder betrokkenheid bij het klimaat, minder de neiging tot duurzaam gedrag en minder steun voor klimaatbeleid. Deze opvattingen van rentmeesterschap en heerschappij gaan beide uit van een bijzondere positie van de mens ten opzichte van de natuur. Beide opvattingen kunnen worden onderscheiden van de geloofsopvatting dat de mens intrinsiek onderdeel is van de natuur, en dus niet een bijzondere positie heeft ten opzichte van de natuur.
Deze (geloofs) opvatting blijkt positief gerelateerd aan de mate waarin men klimaatverandering erkent en als een (urgent) probleem ziet en zich verantwoordelijk voelt om bij te dragen aan het tegengaan ervan. Deze drie bevindingen zijn in lijn met onze verwachtingen op basis van de theoretische literatuur. Dat geldt niet voor onze verwachting dat de overtuiging dat klimaatverandering past bij wat in de heilige boeken staat over de eindtijd zou samengaan met een lagere betrokkenheid bij klimaatproblemen, met minder duurzaam gedrag en met minder steun voor klimaatbeleid. In tegenstelling tot deze hypothese vinden we juist dat religieuze mensen die een verband leggen tussen klimaatverandering en de eindtijd zich juist meer zorgen maken over klimaatverandering en ook vaker denken dat zij zelf kunnen bijdragen aan het tegengaan ervan. Dit zien we in het onderzoek met name bij moslims.
11
B elangrijkste inzichten en handelingsperspectieven
Geloofsovertuigingen over mens en natuur variëren net zoveel binnen als tussen religieuze groepen Geloofsovertuigingen van ‘heersen over de natuur’ en die van ‘rentmeesterschap’ zijn niet eenvoudig te koppelen aan religieuze groepen of denominaties: ze variëren tussen religieuze groepen, maar net zoveel binnen die groepen. Wel zien we dat moslims op bepaalde groepen protestantse christenen5 lijken in hun geloofsopvattingen over ‘rentmeesterschap’ en ‘heersen over de natuur’. Zij delen beide geloofs opvattingen relatief sterk – sterker dan de andere groepen. Beide groepen leggen ook bovengemiddeld vaak een verband tussen klimaatverandering en het aanstaande einde der tijden, al doen moslims dat nog vaker dan protestantse christenen. Rooms-katholieke christenen hebben deze opvattingen juist minder sterk. De overtuiging dat de mens intrinsiek onderdeel is van de natuur leeft het sterkst bij mensen die zichzelf zien als religieus maar niet behorend tot een religieuze groep. De overtuigingen over mens, natuur en God hangen op verschillende manieren samen met klimaat opvattingen en duurzaam gedrag. ‘Rentmeesterschap’ laat daarmee een overwegend positieve correlatie zien, ‘heersen over’ een overwegend negatieve correlatie. Een hoge score op ‘rentmeesterschap’ gaat in het algemeen samen met meer probleembesef, meer gevoel voor urgentie en meer duurzaam gedrag.
Voor een hoge score op ‘heersen over’ geldt het omgekeerde. Tegelijkertijd blijkt – en dat is opmerkelijk – dat beide geloofsovertuigingen vaak hand in hand gaan, zowel binnen religieuze groepen als bij mensen zelf. Wie sterk de overtuiging aanhangen van de mens als rentmeester, hebben over het algemeen ook relatief sterk de overtuiging van de mens als heerser over de natuur. Ze staan dus niet per se tegenover elkaar, maar kunnen het beste worden gezien als een continuüm, met het accent ‘zorgen voor’ aan de ene kant en ‘heersen over’ aan de andere kant. Hun klimaatopvattingen en gedrag zijn afhankelijk van welk van deze twee geloofsovertuigingen sterker is. Dit draagt bij aan de verklaring waarom we weinig verschillen zien tussen mensen van verschillende religies in opvattingen over klimaatverandering en in de mate van duurzaam gedrag. Zo worden bijvoorbeeld binnen de christelijke religie beide overtuigingen in relatief beperkte (rooms-katholieken), enige (PKN’ers en moslims) of sterke mate gedeeld (orthodox- en bevindelijk gereformeerden en evangelische gemeenschappen).
Religie hangt samen met veranderbereidheid leefstijl Hoewel er weinig verschillen zijn tussen religieuze en niet-religieuze groepen in hoe mensen tegen klimaatverandering aankijken, zien we wel een verschil in de bereidheid van mensen om hun leefstijl aan te passen ten gunste van het klimaat. Die is groter bij religieuze dan bij niet-religieuze mensen, onder invloed van beprijzing, dreiging van natuurrampen, sociale normen en/of een oproep van de overheid, wetenschap of maatschappelijke organisaties. Ook spelen geloofsopvattingen een rol. Mensen die de mens vooral als onderdeel van de natuur zien of die de mens sterker als rentmeester van de natuur zien, zijn meer bereid om zich in de toekomst duurzamer te gaan gedragen. Mensen die de mens sterker als heerser over de natuur zien, zijn daartoe juist minder bereid.
Wat biedt handelingsperspectief? Aan eerste noodzakelijke voorwaarde lijkt (inmiddels) voldaan: probleembesef is breed Er dient eerst sprake te zijn van probleembesef voordat mensen hun eigen verantwoordelijkheid overwegen en voordat ze overwegen of zij kunnen en/of willen bijdragen aan het verminderen van klimaatproblemen. Dit is niet alleen een uitgangspunt van de value belief norm-theorie en het norm activation-model (zie hoofdstuk 2), maar komt ook uit eerder empirisch onderzoek naar voren (Steg en De Groot 2010). Het huidige onderzoek laat zien dat het probleembesef groot is in de Nederlandse samenleving: een overgrote meerderheid is overtuigd van het bestaan van klimaatverandering, is er bezorgd over en ervaart het tegengaan van (verdere) klimaatverandering als urgent. Dat lijkt dus in dat opzicht geen knelpunt te zijn voor individuele gedrags verandering of steun voor het klimaatbeleid. Daarom is het niet aan te bevelen beleidsinterventies (vooral) te richten op het benadrukken van (de urgentie van) het klimaatprobleem. Dit kan zelfs averechts werken: een aanzienlijke groep Nederlanders vindt nu al dat er te veel aandacht uitgaat naar dit thema.
5
Het gaat hier met name om de orthodox- en bevindelijk gereformeerden en evangelische gemeenschappen.
12
B elangrijkste inzichten en handelingsperspectieven
Kennis over het bystander effect helpt De omzetting van intenties naar daadwerkelijk duurzaam gedrag blijkt lastig, hoewel het probleembesef breed is en veel mensen de intentie hebben om zich duurzaam te gedragen. Om het patroon van ‘afwachten of anderen (ook) tot duurzamer gedrag overgaan’ te kunnen doorbreken, helpt kennis over het bystander effect. Dit is het psychologisch fenomeen waarbij mensen minder snel helpen als ze weten dat er andere mensen in de buurt zijn. Men verwacht dat een andere persoon wel zal helpen en dat anderen beter in staat zijn om te helpen. De meest gebruikelijke verklaring hiervoor is een laag gevoel van verantwoordelijkheid omdat het verantwoordelijkheidsgevoel door de groep wordt gedragen. Hoe groter de groep, hoe anoniemer mensen zich voelen. Immers, wanneer we de reactie van mensen op het klimaatprobleem interpreteren als een bystander effect, kunnen we uit bestaande kennis over dit effect ideeën putten voor beleidsinterventies. Zo is het bijvoorbeeld relevant te weten dat mensen meer geneigd zijn te helpen een probleem op te lossen als de overige bystanders bekenden zijn of mensen zijn die tot dezelfde sociale groep behoren (Levine en Crowther 2008).
Ook is het relevant te weten dat het bystander effect deels kan worden tegengegaan wanneer gezorgd wordt dat mensen zich meer zelfbewust gaan voelen en het gevoel hebben dat helpend gedrag een positieve invloed heeft op hun reputatie (Van Bommel et al. 2012).
Beprijzing beïnvloedt duurzaam gedrag en veranderbereidheid sterk Geld doet ertoe. Zowel het duurder maken van klimaatonvriendelijk gedrag als het goedkoper maken van klimaatvriendelijk gedrag heeft invloed op de keuzes die mensen maken voor wat betreft hun leefstijl, zo laat dit onderzoek zien. Het effect is zelfs zo sterk dat de betekenis van eventuele klimaatrampen en de betekenis van de sociale omgeving op de keuzes die mensen maken ten aanzien van hun leefstijl veranderen door het al dan niet extra beprijzen van een bepaalde leefstijl. Dit geldt zowel voor energie gebruik, mobiliteit als voeding en kleding. Al is de dreiging van een klimaatramp nog zo sterk, het goedkoper maken van een bepaalde leefstijl verleidt meer dan de dreiging afremt (en omgekeerd geldt ook). Dit maakt beprijzing een effectief instrument om niet-duurzaam gedrag af te remmen en duurzaam gedrag te stimuleren. Echter, de uitwerking daarvan kan tegelijkertijd schuren met principes van rechtvaardigheid. Ook kan beprijzing bij niet-duurzaam gedrag het gevoel van onvrede over het ‘opdringen’ van klimaatmaatregelen door een kleine groep Nederlanders aan de rest doen toenemen. Bij vermoedens dat klimaatbeleid om die reden negatief ontvangen zal worden, komt het er in de communicatie op aan (ook) begrip te tonen voor de standpunten van deze groep mensen.
Legitimiteit en rechtvaardigheid als voorwaarde voor effectief klimaatbeleid Wanneer klimaatbeleid als legitiem wordt beschouwd zijn mensen eerder geneigd zich aan de voor schriften en doelstellingen van dat beleid te houden wat de effectiviteit ervan kan vergroten (Tyler 2006). De perceptie van rechtvaardigheid en eerlijkheid speelt daarbij een belangrijke rol (Bernauer en McGrath 2016). Als mensen het gevoel hebben dat de lasten van klimaatbeleid eerlijk zijn verdeeld en er rekening wordt gehouden met hun belangen en behoeften zijn ze eerder geneigd het beleid te steunen en na te leven. Rechtvaardig klimaatbeleid steunt volgens burgers in Nederland vooral op het principe dat de mensen (en bedrijven) die het meest vervuilend zijn de zwaarste lasten dragen van klimaatbeleid. Ook het principe dat hogere inkomens meer bijdragen wordt breed gedeeld. Rechtvaardig klimaatbeleid zou zich moeten verhouden tot deze realiteit. Dat vergroot het draagvlak van klimaatmaatregelen, en naar verwachting ook de werking ervan.
Bewustwording en reflectie: denken is niet hetzelfde als doen Een opvallende uitkomst van dit onderzoek is dat mensen met een hbo- of wo-opleiding en mensen met een relatief hoog inkomen vooral veel uiting geven aan probleembesef, bezorgdheid om het klimaat en steun uitspreken voor klimaatbeleid, maar dat dit niet per se samengaat met duurzaam gedrag of veranderbereidheid ten aanzien van leefstijl. Bij mensen die meer praktisch geschoold zijn of een lager inkomen hebben is dit precies omgekeerd: zij vertonen meer duurzaam gedrag hoewel ze sceptischer zijn over de toestand van de natuur en het klimaatbeleid. Hierbij is bewustwording van en reflectie op het uitgangspunt ‘veel weten is niet hetzelfde als veel doen’ van belang. Dit helpt een eerlijk en open debat over ieders en onze gemeenschappelijke verantwoordelijkheid, doorbreekt geijkte vooroordelen en kan daarmee de benodigde gezamenlijkheid voeden voor het aangaan van de opgave rondom klimaat.
13
B elangrijkste inzichten en handelingsperspectieven
Dialoog bevorderen en focussen op gezamenlijkheid en brede verbinding Ondanks het gedeelde probleembesef liggen de meningen van Nederlanders ver uiteen over hoe de duurzaamheidsopgave moet worden aangepakt. Een deel van de Nederlanders is bovendien boos over de (te) grote aandacht die klimaat en klimaatbeleid zouden krijgen, gegeven de staat van de samenleving en problemen waar we in ons land mee te dealen hebben. Het vormt een kernthema als het gaat om maatschappelijk onbehagen (Geurkink en Miltenburg 2023). Tegelijkertijd vraagt het aangaan van de uitdagingen rondom klimaat de inzet van de samenleving als collectief en het zoeken naar verbinding. En dat niet alleen tussen eensgezinden, maar ook tussen mensen die verschillen van mening en in bezorgdheid. Klimaatverandering treft ons immers allemaal; dat maakt geen onderscheid tussen verschillende groepen mensen. Dialoog, openheid naar elkaar, inleving in ieders positie en bewustzijn van de gezamenlijke verantwoordelijkheid, zoals bij het vorige handelingsperspectief aangegeven, helpen mogelijk eveneens om bredere verbindingen te maken. Ook het benadrukken van gedeelde waarden, gemeenschappelijke doelen en het investeren in gemeenschapsvorming kunnen hierbij helpen.
De rol van geloofsgemeenschappen als partner bij klimaatbeleid De huidige samenleving kent niet veel plekken meer waar mensen van verschillende leeftijden, met heel verschillende ideeën, opleidingen, leeftijden, inkomens enzovoort elkaar treffen en met elkaar (kunnen) spreken over wat voor hen van waarde of zelfs ‘heilig’ is. Door het wegvallen van collectieve structuren, door toegenomen individualisering en de nadruk op persoonlijke betekenisgeving en keuzes weten (groepen) mensen niet meer van elkaar waar ze staan. Geloofsgemeenschappen zijn – naast bijvoorbeeld vakbonden, sportverenigingen en hobbyverenigingen – plekken waar een dergelijke dialoog nog wel kan plaatsvinden. In een geloofsgemeenschap hebben mensen elkaar niet uitgekozen, maar ze horen wel bij elkaar. Bij klimaatverandering en duurzaamheid is creativiteit en duurzaamheid nodig voor het over bruggen van de kloof tussen verschillende houdingen, leefstijlen en maten van veranderbereidheid. Geloofsgemeenschappen zijn bij uitstek plaatsen waar mensen het niet altijd met elkaar eens zijn, maar wel de intentie hebben om gezamenlijk te zoeken naar het ware en het goede, en daar met elkaar de dialoog over te voeren.
Pastores en predikanten, imams, rabbijnen, pandits en anderen die leidinggeven aan lokale geloofsgemeenschappen en/of bovenlokale vormen van geïnstitutionaliseerde religie zijn vaak geoefend in het vormgeven aan dialoog, het werken aan verbinding, gedeelde waarden en gemeenschaps vorming. In de huidige samenleving kunnen geloofsgemeenschappen, waar mensen van verschillende achtergronden en leeftijden deel van uitmaken, proeftuinen vormen voor het overbruggen van verschil en het creëren van gemeenschappelijkheid bij de aanpak van klimaatuitdagingen. Hierbij moet de dialoog tussen mensen met verschillende meningen wel goed worden gefaciliteerd.
Een vraagstuk voor geloofsgemeenschappen Uit dit onderzoek blijkt dat er binnen geloofsgemeenschappen veel verschillen zijn. In alle onderzochte religieuze groepen is een minderheid tevreden met de hoeveelheid aandacht die binnen hun geloofs gemeenschap besteed wordt aan klimaat. Daarnaast geeft, hoewel de meningen verdeeld zijn, een aanzienlijk deel van de religieuze Nederlanders aan dat zij in hun kerken, moskeeën en synagogen meer aandacht willen voor klimaat dan op dit moment het geval is. Geloofsopvattingen blijken belangrijker te zijn dan religieuze groepen of denominaties: het maakt minder uit tot welke religieuze groep je behoort, dan welke overtuiging je hebt. Dit verklaart mogelijk ook waarom het gesprek over geloof, klimaat en duurzaamheid nog niet op gang gekomen is. Mogelijk ligt hier een verlegenheid over hoe, met al die uiteenlopende opvattingen, dat gesprek op een constructieve manier gevoerd kan worden. In alle religieuze groepen blijkt een meerderheid niet tevreden, niet ontevreden, maar onbeslist te zijn, terwijl geloofstradities doorgaans diepgewortelde geloofsopvattingen hebben over hoe de mens zich tot de natuur verhoudt. Dat doet vermoeden dat het denken en spreken over de relatie tussen religieuze levensovertuiging en klimaat voor veel gelovigen nog niet op gang gekomen is.
Dat is een signaal, al helemaal in combinatie met een groeiend bewustzijn, een toegenomen klimaatbezorgdheid onder (ook religieuze) Nederlanders en de uitdaging om het gesprek daarover in relatie tot geloof op gang te brengen. Hier ligt een vraagstuk voor geloofsgemeenschappen, en daarbinnen wellicht in het bijzonder voor religieuze leiders. Religieuze instellingen nemen de unieke positie in dat zij plaatsen en gemeen schappen hebben waar mensen met verschillende achtergronden en opvattingen samenkomen en van gedachten kunnen wisselen. De vraag voor hen is hoe zij gebruik kunnen maken van die unieke positie die ze hebben. 14
B elangrijkste inzichten en handelingsperspectieven
Tot slot Tussen duurzaam denken en duurzaam doen ligt een kloof, voor religieuze mensen evenzeer als voor niet-religieuze mensen. Hier ligt een grote opgave voor de Nederlandse samenleving. Handelingsperspectief gericht op deze opgave kent verschillende wegen en voorwaarden om individueel gedrag te veranderen en de maatschappelijke acceptatie van klimaatbeleid te vergroten. De overheid kan de werking van klimaatbeleid bevorderen door te focussen op financiële prikkels en een rechtvaardig beleidskader. Dat alleen zal evenwel onvoldoende zijn. We zullen in ons land ook met elkaar het open gesprek moeten voeren over verschillende waarden en normen die onze houding en ons gedrag ten aanzien van klimaat en duurzaamheid beïnvloeden. Bij dat gesprek is oog en oor voor ieders inbreng nodig; dan kan dat gesprek daadwerkelijk impact hebben. Hier ligt ruimte en een opgave voor (geloofs)gemeenschappen. Door samen te werken en diversiteit te omarmen, kunnen ze kloven overbruggen en gezamenlijk streven naar oplossingen voor het klimaat.
15
B elangrijkste inzichten en handelingsperspectieven
1 Inleiding
1.1 Achtergrond en doel De temperatuur op aarde is sinds het eind van de negentiende eeuw met 1,1°C toegenomen. Het meest recente IPCC-rapport beschrijft hoe de gevolgen van deze door de mens veroorzaakte klimaatverandering al over de hele wereld zichtbaar zijn en in de toekomst verder zullen toenemen (IPCC 2023). In Nederland hebben we als gevolg van klimaatverandering nu al te maken met overstromingen, hittegolven en droogte (KNMI 2023). Om de opwarming op termijn te beperken tot 1,5°C, moet de uitstoot van CO2 in 2050 netto nul zijn. Om dat te kunnen bereiken, buigen overheden zich wereldwijd over het klimaatbeleid en worden er op nationaal en internationaal niveau afspraken gemaakt. Om die afspraken te kunnen realiseren is het van belang om inzicht te hebben in de houding van burgers ten opzichte van de klimaatproblematiek, hun drijfveren en de mate waarin zij bereid zijn een bijdrage te leveren aan de oplossing ervan. In 2019 deed het SCP daarom al onderzoek naar de opvattingen van Nederlandse burgers over klimaat verandering en klimaatmaatregelen (zie De Kluizenaar et al. 2021). In het betreffende vragenlijst onderzoek is gekeken naar de mate waarin Nederlanders zich zorgen maken over de gevolgen van klimaatverandering, maar ook naar de mate waarin zij zich zorgen maken over de gevolgen van maatregelen om klimaatverandering tegen te gaan.
Het onderzoek laat bijvoorbeeld zien dat hoewel klimaatverandering over het algemeen als een urgent probleem gezien wordt, er ook verdeeldheid is over het thema. Die verdeeldheid komt deels voort uit zorgen over de rechtvaardigheid van de verdeling van de kosten van klimaatmaatregelen. In het huidige onderzoek kijken we in hoeverre opvattingen over klimaatverandering en klimaatbeleid sinds 2019 zijn veranderd. Hiertoe is in 2023 een nieuw vragenlijstonderzoek uitgevoerd in hetzelfde panel, waarbij een groot deel van de in 2019 gestelde vragen opnieuw zijn gesteld. Zien we bijvoorbeeld veranderingen in de mate waarin Nederlanders ervan overtuigd zijn dat het klimaat verandert, dat deze verandering door menselijke handelen wordt beïnvloed, in de mate van bezorgdheid over de gevolgen van klimaatverandering, en in de mate waarin zij zichzelf verantwoordelijk voelen voor het tegengaan van klimaatverandering? Hoe breed worden zorgen over klimaatmaatregelen gedeeld binnen de Nederlandse samenleving, en zijn deze zorgen toegenomen of juist afgenomen? Naast een gedetailleerd beeld van (veranderingen in) het burgerperspectief op klimaatverandering en klimaatbeleid, geeft het huidige onderzoek ook inzicht in het huidige gedrag en de veranderbereidheid van Nederlandse burgers met betrekking tot verduurzaming.
Daarbij is gefocust op zes gedragingen met een relatief grote klimaat- of milieu-impact, door Milieu Centraal (z.d.) ‘klimaatklappers’ genoemd. Het gaat hierbij om vlees eten, reizen met het vliegtuig, autorijden, energieverbruik, het kopen van spullen en bestrating (vs. vergroening) van de tuin. Hoe duurzaam is het gedrag van Nederlanders op deze leefterreinen? En in hoeverre zijn zij bereid hun gedrag op deze terreinen te veranderen om zo bij te dragen aan milieu bescherming? Van welke contextuele factoren – bijvoorbeeld de houding van mensen in de sociale omgeving, de kosten van duurzame versus minder duurzame opties – is deze veranderbereidheid afhankelijk?
1.2 De rol van religie Naast inzicht in (ontwikkelingen in) opvattingen over klimaatverandering en klimaatbeleid en de veranderbereidheid van burgers, is er binnen het onderzoek in 2023 speciale aandacht voor de rol die religie hierin speelt. In de vragenlijst kregen respondenten daarom ook vragen over hun religiositeit en geloofsopvattingen. Een belangrijk doel van dit onderzoek is om te achterhalen of en hoe mensen met een religieuze overtuiging verschillen van mensen zonder religieuze overtuiging als het gaat om hun opvattingen over klimaatverandering en klimaatbeleid en hun veranderbereidheid. Eerder, veelal Amerikaans onderzoek suggereert bijvoorbeeld dat de geloofsopvattingen die mensen hebben, onder 16
I nleiding
andere over hoe mens en natuur zich tot elkaar verhouden, bepalend zijn voor hoe zij aankijken tegen milieuproblemen en de rol van mensen in het verminderen van die problemen. Inzicht hierin kan eraan bijdragen dat klimaatbeleid beter aansluit bij de leefwereld en overtuigingen van groepen mensen in de Nederlandse samenleving. Dat kan de effectiviteit van dat beleid verhogen. Naast de samenhang met religie en geloofsopvattingen onderzoeken we ook hoe klimaatgerelateerde opvattingen en gedrag samenhangen met andere persoonskenmerken, zoals sociaal-demografische factoren, persoonlijke waarden en politieke oriëntatie.
1.3 Onderzoeksvragen Het doel van dit onderzoek is dus om inzicht te geven in (ontwikkelingen in) de opvattingen van Nederlandse burgers over klimaatverandering en klimaatbeleid, de mate waarin zij zich duurzaam gedragen en hun veranderbereidheid. Daarbij onderzoeken we in hoeverre religie en geloofsopvattingen een rol spelen en hoe die samenhangen met andere opvattingen, gedrag en veranderbereidheid. In het onderzoek staan de volgende vragen centraal: 1 Welke opvattingen hebben burgers in 2023 over klimaatverandering en klimaatbeleid? En (hoe) zijn deze veranderd ten opzichte van 2019? 2 In hoeverre zijn mensen bereid hun gedrag te veranderen (minder autorijden, minder vliegen, minder vlees eten, enz.) om bij te dragen aan het tegengaan van klimaatverandering? Wat is de invloed van beleid (beprijzing en of subsidie) hierbij? Wat is de invloed van een dreiging van natuurrampen, de sociale omgeving en de opstelling van overheid, wetenschap en maatschappelijk middenveld? 3 Welke (patronen van) geloofsopvattingen zien we bij religieuze mensen als het gaat om mens en natuur? En welke rol spelen religie en geloofsopvattingen bij houding, gedrag en veranderbereidheid als het gaat om klimaat, en hoe verhouden deze opvattingen zich tot andere persoonskenmerken?
1.4 Data Het vragenlijstonderzoek is in juli en augustus 2023 uitgevoerd in het LISS panel.6 3682 panelleden hebben de vragenlijst volledig ingevuld. De steekproef is een combinatie van een steekproef die representatief is voor de Nederlandse bevolking (n = 3342) aangevuld met een steekproef van mensen die in een eerdere vragenlijst aangaven zichzelf als religieus te beschouwen (n = 340). In totaal bestaat de steekproef uit 1401 mensen die zichzelf tot een bepaalde religie of levensbeschouwing rekenen. Sommige analyses in dit rapport zijn uitgevoerd op data van de nationaal representatieve steekproef, in andere analyses wordt ingezoomd op de groep religieuze mensen, zowel uit de nationaal representatieve steekproef als de extra steekproef. Dit wordt per hoofdstuk beschreven. Om te kunnen onderzoeken of opvattingen van Nederlanders over klimaatverandering en klimaatbeleid sinds 2019 zijn veranderd, zijn de data van 2023 gekoppeld aan data van de vragenlijst ‘Energietransitie vanuit burgerperspectief’ uit 2019, die deels dezelfde vragen bevatte. Deze vragenlijst is in mei 2019 afgenomen in het LISS panel en ingevuld door een nationaal representatieve steekproef van 2384 panelleden. 1538 panelleden hebben zowel in 2019 als in 2023 meegedaan aan het onderzoek, 846 panelleden alleen in 2019 en 1804 alleen in 2023.
Om ervoor te zorgen dat de nationaal representatieve steekproeven in 2019 en 2023 nog beter de samenstelling van de Nederlandse bevolking in het betreffende jaar weerspiegelen, is in de analyses gebruikgemaakt van weging, tenzij anders vermeld. De gewichten zijn gebaseerd op een combinatie van leeftijd, geslacht en opleiding. Meer informatie over de steekproeven en de weging is te vinden in bijlage A.2.
6
Het LISS panel bestaat uit ongeveer 5000 huishoudens en is gebaseerd op een aselecte steekproef uit het Nederlandse bevolkingsregister door het CBS. Alleen personen die in de steekproef zijn getrokken kunnen deelnemen aan het panel. Daardoor ontstaat een betere afspiegeling van de Nederlandse bevolking dan in panels die op basis van zelfaanmelding zijn samengesteld.
17
I nleiding
1.5 Leeswijzer Hoofdstuk 2 bevat de resultaten van een literatuuronderzoek. Op basis van dit literatuuronderzoek wordt een conceptueel model opgesteld dat de in de vragenlijst gemeten milieugerelateerde constructen (bv. waargenomen probleemurgentie, waargenomen sociale normen en duurzaam gedrag) in beeld brengt en de verwachte onderlinge samenhang weergeeft. Ook worden in dit hoofdstuk, op basis van inzichten uit de literatuur, hypothesen geformuleerd over hoe deze milieugerelateerde opvattingen en gedrag samenhangen met religie en bepaalde geloofsopvattingen. Deze hypothesen worden nader onderzocht in de volgende hoofdstukken (zie figuur 1.1 voor de empirische opbouw van het rapport). Hoofdstuk 3 geeft een algemeen beeld van de opvattingen van Nederlandse burgers over klimaat verandering en klimaatbeleid in 2023. We onderzoeken in dit hoofdstuk of en hoe deze opvattingen veranderd zijn ten opzichte van 2019. Hoofdstuk 4 richt zich op de mate waarin burgers bereid zijn leefstijl aanpassingen te doen die een relatief grote milieu-impact hebben (bv. minder vlees eten en minder reizen met het vliegtuig) en hoe deze veranderbereidheid afhangt van contextuele en persoonskenmerken. Dit hoofdstuk geeft de resultaten van het vignettenonderzoek7 weer. Het laat zien wat mensen bereid zijn op te offeren om daarmee zelf bij te dragen aan het realiseren van de duurzaamheidsopgave.