CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Onderzoek naar impact dreiging vanuit georganiseerde criminaliteit op politiewerk.pdf

Raadscommissie Algemene Zaken 11 juli 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Politie-enquête: kwart medewerkers weleens bedreigd door criminelen. (VN2024-008884)30.703 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

15,7

Ik voelde mij onveilig

27,5

Ik wilde mijn collega’s waarschuwen

38,2

Ik wilde mijn ervaring delen met mijn leidinggevende

55,9

Ik wilde mijn ervaring delen met collega’s 0

10

20

30

40

50

60

Figuur 4.3. Redenen om wel te melden (%), N=102, meerdere antwoorden mogelijk. Onderzoeksgroep = medewerkers die met dreiging vanuit georganiseerde criminaliteit te maken hebben gehad en deze wel gemeld hebben.

Bij de categorie ‘Anders’ noemen respondenten zaken als: • ‘Ik had advies over hoe om te gaan met de situatie.’ • ‘Het is verplicht om dit te melden.’ • ‘Ik wilde van mijn leidinggevende weten wat de mogelijkheden waren.’

62

4.2

Melden

In de interviews vertellen de meeste respondenten dat ze hun ervaring hebben gemeld bij hun leidinggevende. In de meeste gevallen deden ze dit omdat ze hulp wilden van hun leidinggevende. Soms speelt ook het krijgen van een vergoeding een rol, bijvoorbeeld wanneer er vernielingen hebben plaatsgevonden bij de respondent of voor het plaatsen van camera’s bij de woning. 4.2.4

Tevredenheid opvolging

Figuur 4.4 laat zien dat ongeveer twee derde van de respondenten tevreden tot zeer tevreden (67,2%) is over hoe hun melding is opgepakt door de organisatie. Ongeveer 28% is neutraal en bijna 5% is ontevreden. Er zijn geen respondenten die ‘zeer ontevreden’ waren. 4,7 0

15,3

28,2

51,8 Zeer tevreden

Tevreden

Neutraal

Ontevreden

Zeer ontevreden

Figuur 4.4. Tevredenheid over oppakken melding (%), N=85. Onderzoeksgroep = medewerkers die met dreiging vanuit georganiseerde criminaliteit te maken hebben gehad en deze gemeld hebben.

Tevreden De tevredenheid van de respondenten heeft betrekking op verschillende aspecten. Een van de punten die het meest prominent uit zowel de vragenlijst als de interviews komt, is dat het voor respondenten belangrijk is dat ze zich serieus genomen voelen wanneer ze hun verhaal doen. Dit geldt wanneer ze hun verhaal doen bij collega’s, maar vooral het serieus genomen worden door hun leidinggevende vinden ze belangrijk.

63

4

Melden en aangifte

Daarnaast vinden respondenten het belangrijk dat gekeken wordt naar mogelijke maatregelen, waarbij rekening wordt gehouden met wat de respondent zelf wil. Enkele toelichtingen illustreren dit: • ‘Mijn leidinggevende besprak met mij wat ik kon doen tegen mijn onveiligheidsgevoel en gaf mij zelf de keuze om dit in te zetten of niet. Bijvoorbeeld doen van aangifte’ (respondent vragenlijst). • ‘Begripvolle reacties, ervaring in systemen vastgelegd voor de zekerheid’ (respondent vragenlijst). • ‘Ik wilde graag onder nummer werken in plaats van met naam. Dit mocht’ (respondent vragenlijst). • ‘Ik ben wel echt te spreken over de teamleiders die ik toen had, dat zijn hele betrokken collega’s en ik weet zeker dat zij er alles aan gedaan hebben om het zo veilig mogelijk voor me te maken’ (respondent 2-14). • ‘De personen zijn ontboden op het bureau en aangesproken op hun gedrag. Daarna nooit meer last gehad’(respondent vragenlijst). Neutraal Respondenten die neutraal zijn over hoe de melding is opgepakt, geven vaak een antwoord met zowel een positief element als een negatief element. Zo stelt een respondent dat de melding prima is opgepakt, maar dat er nooit een terugkoppeling is geweest. En een andere respondent vertelt dat er maatregelen genomen zijn, maar dat dit twee jaar heeft geduurd.

Ook noemen verschillende van deze neutrale respondenten dat er niets mee gebeurd is, waarbij ze vinden dat dit ook niet nodig was. Deze respondenten verwachtten dan ook geen actie van hun leidinggevende. Ontevreden Slechts vier respondenten van de vragenlijst (4,7%) zijn ontevreden over hoe hun melding is opgepakt. Hoofdreden van hun ontevredenheid is dat er naar aanleiding van de melding te weinig of geen actie is genomen. In de toelichtingen in de vragenlijst geven respondenten, waaronder ook respondenten die hebben aangegeven niet ontevreden te zijn, aan dat er ruimte voor verbetering is. Zo vertellen zeven respondenten kritisch te zijn over het feit dat er geen of te weinig actie is ondernomen naar aanleiding van hun melding. En sommige andere respondenten vonden dat dit te lang duurde (n=2) of dat ze onvoldoende serieus zijn genomen (n=3). Ook uit de interviews blijkt dat het belangrijk is voor respondenten dat ze serieus genomen worden wanneer ze melding maken van dreiging. Een respondent vertelt over een collega: ‘Dan zie je dat het niet serieus wordt genomen en dan wordt er een halfzachte maatregel genomen op basis van niks. Dan wordt het onveiligheidsgevoel alleen maar groter en groter, tot zelfs PTSS. Kom er dan maar eens van af ’ (respondent opsporing 1-4).

64

4.3

Aangifte

In de interviews vinden respondenten het vooral kwalijk als hun leidinggevende hen niet serieus neemt. Meerderen van hen hebben dit zo ervaren. ‘Je wordt dus eigenlijk ook nog geslachtofferd door je eigen baas. Zo voelt het wel, heb ik ook tegen mijn eigen chef gezegd. Ik had echt het gevoel dat we er allemaal voor elkaar zouden zijn; iedereen was er, behalve de bovenste laag van de organisatie die alles kan regelen’ (respondent opsporing 2-3). ‘Ook vanuit mijn leiding niks. Ze vragen hoe het gaat, maar niet welke invloed de bedreigingen hebben op mij’ (respondent opsporing 2-19). In de interviews vertellen meerdere respondenten dat ze de wijze waarop hun leidinggevende of ‘de organisatie’ met het incident is omgegaan als erger hebben ervaren dan het incident zelf. Aangifte

4.3

Na een incident van bedreiging of intimidatie kan het slachtoffer aangifte doen tegen de pleger van een strafbaar feit. Het doen van aangifte kan conform de ELA gedaan worden door de werkgever of de werknemer zelf. Met het oog op bescherming van de werknemer is hierover opgenomen: ‘Een werkgever die aangifte doet van agressie en geweld tegen zijn werknemer geeft daarmee een krachtig signaal af dat dit gedrag tegen zijn werknemers én de publieke taak niet wordt geaccepteerd. Tevens neemt de werkgever hiermee de (exclusieve) verantwoordelijkheid voor de aangifte weg bij zijn werknemers en daarmee wellicht ook de vrees voor en het risico van represailles’ (ministerie van Justitie en BZK, Anonimiteit in het Strafproces, juni 2008, p. 36-3, in: ministerie van BZK, z.d.). In de praktijk blijkt dat politiemedewerkers zelf niet altijd aangifte doen. In het volgende bespreken we de mate waarin de respondenten aangifte doen en welke beweegredenen daarbij een rol spelen. 4.3.1

Omvang aangifte

Uit de vragenlijst blijkt dat 20,3% van de respondenten die een incident heeft meegemaakt hier aangifte van heeft gedaan. Het merendeel van de respondenten (79,7%) heeft dit niet gedaan. Figuur 4.5 laat zien dat de meeste aangiften worden gedaan van directe bedreiging met geweld (37.5%), gevolgd door directe bedreiging zonder geweld (17,8%).

65

4

Melden en aangifte

37,5

Directe fysieke bedreiging met geweld

Directe bedreiging zonder geweld

17,8

Indirecte bedreigingen

12,5

Voorgenomen bedreigingen die aan het licht komen

11,1

0

5

10

15

20

25

30

35

40

Figuur 4.5. Aangifte naar categorie intimidatie/bedreiging (%), N=118. Onderzoeksgroep = medewerkers die met dreiging vanuit georganiseerde criminaliteit te maken hebben gehad.

4.3.2

Redenen om geen aangifte te doen

Niet ernstig genoeg Figuur 4.6 geeft een overzicht van redenen die respondenten hebben gegeven om geen aangifte te doen. De belangrijkste redenen om geen aangifte te doen, komen overeen met de redenen om geen melding te doen: de respondent vindt het incident niet ernstig genoeg (39,8%) of niet concreet genoeg (19,5%). In vergelijking met redenen om niet te melden, hebben iets meer respondenten aangegeven dat ze geen aangifte doen omdat ze denken dat dit geen zin heeft (10,2% versus 8,6%). In een toelichting uit een respondent van de vragenlijst zijn frustratie over de opvolging van eerdere aangiften. ‘Onze politieke leiders staan al jaren te roeptoeteren dat geweld tegen politie niet getolereerd wordt, maar bijstand bij GTPA26 is minimaal. In twee gevallen ben ik zeker niet tevreden. Eerste keer daadwerkelijk fysiek waar ik letsel bij opgelopen heb en de tweede keer heb ik door zelf snel te handelen letsel voorkomen. Beide keren aangifte gedaan, die vervolgens beide slecht werden voorbereid. Hierbij heeft ook het Openbaar Ministerie steken heeft laten vallen. EN DAT FRUSTEERT ENORM’ (respondent vragenlijst). Ook hebben meerdere respondenten geen aangifte gedaan omdat ze bang zijn voor escalatie (4,2% versus 2,9%). 26

66

Geweld tegen politieambtenaren.

4.3

Aangifte

Andere reden

12,7

Ik was bang voor de pleger

0,8

Ik schaamde mij voor collega’s en/of leidinggevende Ik was bang voor escalatie

4,2

Ik heb het zelf met de pleger besproken en dit was voor...

5,9

Ik wist niet wie de pleger was

8,5

Ik dacht dat aangifte geen zin zou hebben

13,5

Ik vond het incident niet concreet genoeg

19,5

Ik vond het incident niet ernstig genoeg 0

5

43,2 10 15 20 25 30 35 40 45 50

Figuur 4.6. Redenen om geen aangifte te doen (%), N=118, meerdere antwoorden mogelijk. Onderzoeksgroep = medewerkers die met dreiging vanuit georganiseerde criminaliteit te maken hebben gehad en daarvan geen aangifte hebben gedaan.

Ook in de diepte-interviews zijn we voorbeelden tegengekomen van respondenten die wel bedreigd zijn, maar geen aangifte gedaan hebben. In overeenstemming met de antwoorden uit de vragenlijst zien zij of hun leidinggevende dit vaak als weinig kansrijk. In sommige gevallen wordt de respondent door zijn leidinggevende of een rechercheteam afgeraden om aangifte te doen omdat er te weinig bewijs is. Het feit dat er geen aangifte wordt gedaan, betekent overigens niet dat de melding niet serieus genomen wordt of dat er geen nader onderzoek volgt. Een voorbeeld dat dit illustreert: Casus voornemen liquidatie wijkagent TCI heeft informatie dat er twee kalasjnikovs zijn aangeschaft om de respondent, een wijkagent met het thema drugs, te liquideren. Vanuit de districtsrecherche wordt direct een onderzoek gestart en de verdachte wordt opgepakt en verhoord. Zijn huis wordt doorzocht. Er worden geen vuurwapens aangetroffen en de verdachte laat niets los en wordt heengezonden. De respondent krijgt verschillende beveiligingsmaatregelen en moet een tijdje bureauwerk doen. Ook op het bureau worden extra beveiligingsmaatregelen genomen. De respondent heeft geen aangifte gedaan omdat er verder geen aanknopingspunten waren voor verder onderzoek (respondent GGP 2-14).

Overige redenen Een deel van de respondenten (12,7%) heeft een ander antwoord gegeven dan vooraf in de vragenlijst als antwoordoptie vermeld was. Vijf van deze respondenten geven als reden om geen aangifte te doen dat er al een andere reactie naar de dader was gegeven zoals een stopgesprek. Andere redenen die respondenten noemen, is dat de situatie is toegevoegd aan het algemene dossier of een reeds bestaand proces-verbaal. Tevens zijn er twee respondenten die niet wisten dat aangifte doen een optie was.

67

4

Melden en aangifte

4.3.3

Redenen om wel aangifte te doen

Ongeveer 20% (N=24) van de respondenten van de vragenlijst heeft wel aangifte gedaan van de dreiging. De redenen hiervoor zijn te zien in figuur 4.7. Bijna alle respondenten die aangifte hebben gedaan wilden dat de pleger werd vervolgd (91,7%) en ze wilden een signaal afgeven dat intimidatie en bedreiging niet geaccepteerd wordt (91,7%). Ook rechtvaardigheidsgevoel en de pleger laten stoppen wordt door een deel van de respondenten genoemd.

4,2

Andere reden*

37,5

Ik wilde de pleger laten stoppen

58,3

Uit rechtvaardigheidsgevoel Om een signaal af te geven dat dit niet geaccepteerd wordt

91,7

Ik wilde dat de pleger werd vervolgd

91,7 0

20

40

60

80

100

* Pleegt gewoon een strafbaar feit, dus aangifte. Figuur 4.7. Redenen om wel aangifte te doen (%), N=24, meerdere antwoorden mogelijk. Onderzoeksgroep = medewerkers die met dreiging vanuit georganiseerde criminaliteit te maken hebben gehad en daarvan aangifte hebben gedaan.

4.4

Maatregelen door de organisatie

Bijna 10% van de respondenten die te maken hebben gekregen met dreiging vanuit georganiseerde criminaliteit hebben hiervoor beveiligingsmaatregelen gekregen. Vijf respondenten kregen een afspraak op locatie (AOL)27. Vier respondenten hebben tijdelijk camera’s rondom de woning gekregen. Twee respondenten kregen extra surveillance rondom het huisadres en eveneens twee respondenten kregen beschikking over een dienstvoertuig. De volgende twee maatregelen zijn steeds door één respondent genoemd: dienstwapen mee naar huis en werken onder nummer mogelijk gemaakt. 27

68

Wanneer er een AOL op een adres in het systeem staat, dan stuurt de meldkamer direct een eenheid naar het adres als er een melding komt.

Samenvatting

4.5

Bij zeven respondenten is er (zover de respondent zelf weet) een dreigingsinschatting, dreigingsanalyse of risicoanalyse gedaan. Geen enkele respondent van de vragenlijst heeft beveiliging gekregen vanuit het stelsel bewaken en beveiligen. Er zijn wel interviews gehouden met respondenten voor wie vanuit het stelsel bewaken en beveiligen maatregelen zijn genomen. Bij deze respondenten was sprake van aan het licht gekomen voorgenomen dreiging, zoals uit TCI-informatie of informatie uit crimineel berichtenverkeer (zoals PGP-berichten). Van andere vormen van dreiging, zoals directe dreiging, wordt echter vaak geen melding gedaan, waardoor het maken van een dreigingsinschatting of andere opvolging niet plaatsvindt. 4.5

Samenvatting

Het doen van een melding of een aangifte na het ervaren van een dreiging is een belangrijk onderdeel van de aanpak van agressie en geweld tegen functionarissen met een publieke taak, waar ook politiemedewerkers onder vallen. Uit dit hoofdstuk blijkt echter dat een aanzienlijk deel van de ervaren dreigingen niet worden gedeeld of gemeld op de werkvloer. In de vragenlijst is de meest genoemde reden om dit niet te doen dat respondenten het incident niet ernstig genoeg vonden, gevolgd door niet concreet genoeg. Uit de interviews blijkt dat respondenten ook geen melding doen omdat ze denken dat dit geen zin heeft of dat het zelfs escalerend kan werken. In sommige gevallen kiezen respondenten ervoor om de pleger zelf af te schrikken wanneer ze bedreigd worden. Het merendeel van de respondenten die wel melding doen, is tevreden over de opvolging. Een belangrijke factor die van invloed is op deze tevredenheid is of de medewerker zich serieus genomen voelt door de leidinggevende. Een klein percentage is (erg) ontevreden en voelt zich in de steek gelaten door de organisatie. Ongeveer een vijfde van de respondenten die een dreiging heeft meegemaakt doet hiervan aangifte. De redenen om geen aangifte te doen, komen overeen met de redenen om geen melding te maken.

De belangrijkste redenen voor respondenten om wel aangifte te doen, zijn dat ze willen dat de pleger wordt gevolgd, om een signaal af te geven dat bedreiging en intimidatie niet geaccepteerd wordt, en uit rechtsvaardigheidsgevoel.

69

4

70

Melden en aangifte

5.1

5

Impact en gevolgen ervaren dreiging

‘Het ergst zou zijn als je je werk niet meer durft te doen, dat zou vreselijk zijn. Dat je niet meer een boef durft aan te pakken omdat die je staat te intimideren. Want wie gaat het dan nog doen?’ (respondent opsporing 1-4). 5.1

Inleiding

In dit hoofdstuk gaan we in op de impact en de gevolgen die de ervaren bedreiging en intimidatie vanuit de georganiseerde criminaliteit heeft op politiemedewerkers die dreiging hebben ervaren. We maken onderscheid tussen gevolgen voor de taakuitoefening, gevolgen voor routines en persoonlijk handelen en gevolgen voor het mentale welzijn. De bevindingen zijn gebaseerd op de vragenlijst, interviews en expertsessies. Bij het beschrijven van de bevindingen uit de vragenlijst gaat het om het deel van de onderzoeksgroep die te maken heeft gehad met bedreiging en intimidatie vanuit georganiseerde criminaliteit en die vragen over de impact hiervan beantwoord hebben: 122 van de in totaal 617 respondenten. 5.2

Gevolgen voor de taakuitoefening

Als eerste kijken we naar de gevolgen van dreiging vanuit georganiseerde criminaliteit voor de taakuitoefening en routines van politiemedewerkers die te maken hebben gehad met dreiging. Van de 122 medewerkers die daadwerkelijk dreiging heeft meegemaakt, zegt ongeveer de helft (49,7%) dat dit invloed heeft gehad op de uitoefening van het werk. De andere helft zegt hiervan geen invloed te hebben ervaren op het werk (50,3%). Figuur 5.1 laat de bevindingen zien van medewerkers die wel invloed hebben ervaren. Bijna 16% van de medewerkers geeft aan dat ze nog gemotiveerder zijn geworden om de georganiseerde criminaliteit aan te pakken ten gevolge van de dreiging. Dit is de meest gekozen categorie. Bijna 10% tekent waar mogelijk processen-verbaal onder nummer en tevens mijdt bijna 10% de plegers. Het mijden van bepaalde locaties of gebieden ten gevolge van de dreiging gebeurt door 6,6% van de respondenten. Dit kan zowel tijdens als buiten werktijd zijn. Eén respondent (0,8%) heeft afgeweken van de geldende uitvoeringsregels en tevens heeft één respondent zich teruggetrokken van de

71

5

Impact en gevolgen ervaren dreiging

zaak waar de pleger bij betrokken was. Geen van de respondenten heeft naar eigen zeggen toegegeven aan de wensen van de pleger. Ik heb tegen mijn zin (deels) toegegeven aan de wensen van de pleger(s) Door verdachten (waar mogelijk en nodig) anoniem te verhoren Ik heb mij van de zaak waar de pleger bij betrokken was teruggetrokken Ik voelde mij gedwongen af te wijken van de geldende uitvoeringsregels

0 0,8 0,8 0,8 6,6

Ik heb bepaalde gebieden of locaties vermeden Ik heb contact met de pleger(s) geprobeerd te vermijden Ik teken, waar mogelijk en nodig, processen verbaal onder nummer Ik ben (nog) gemotiveerder om de ‘georganiseerde misdaad’ aan te pakken

9,8 9,8 15,6 0

2

4

6

8

10 12

14 16 18

Figuur 5.1. Gevolg voor uitvoering werk (%), N=122, meerdere antwoorden mogelijk. Onderzoeksgroep = medewerkers die met dreiging vanuit georganiseerde criminaliteit te maken hebben gehad.

In de interviews horen we een aantal voorbeelden van collega’s die bepaalde locaties mijden of niet handelen bij bepaalde personen. Het gaat dan bijvoorbeeld om leden van bekende criminele families in de wijk of leden van dealergroeperingen die met rust gelaten worden en bewust niet gecontroleerd of staande worden gehouden. Ook bij medewerkers die niet zelf bedreigd zijn, kan vermijdingsgedrag optreden (zie paragraaf 7.2.2). De bedreiging van een politiemedewerker kan ook effect hebben op directe collega’s die met de pleger te maken kunnen krijgen, zoals in de volgende casus. Casus intimiderende dealer in de wijk In het werkgebied van het basisteam is een jonge dealergroep actief. Ze zijn volgens de respondent nog niet heel groot, maar maken wel onderdeel uit van het criminele milieu. Ze maken gebruik van WhatsApp- en Telegramgroepen waarin ze informatie over politiemedewerkers delen. De collega van de respondent is erg actief met de aanpak van de dealers. Op een gegeven moment houdt hij een – vermoedelijke – dealer staande die deel uitmaakt van dit netwerk. Van deze persoon is bekend dat hij al meerdere collega’s naar huis heeft gevolgd omdat hij vond dat ze hem te vaak controleerden. De jongen is 20 en heeft antecedenten voor onder andere ernstige geweldsdelicten, vermogensdelicten, Wet wapens en munitie, en drugs.

De respondent was samen met zijn collega toen de jongen staande werd gehouden: ‘En diezelfde jongen zei: ik ga die agent eens bellen en vragen wat zijn probleem is. En wij zitten op het bureau, ik denk een kwartier later en die collega van mij die wordt een paar keer anoniem gebeld op zijn privételefoon. En wij dachten, dat zal toch niet?

72

Gevolgen voor routines en persoonlijk handelen

5.3

Dus hij neemt op en hij krijgt die jongen aan de telefoon en die vraagt: “Wat is nou eigenlijk jouw probleem met mij?” Ja nou ... what the fuck. Hoe kan hij nu binnen een kwartier zijn privételefoonnummer hebben?’ (respondent GGP 2-6). Op de collega zelf had dit volgens de respondent weinig impact. Hij heeft het gemeld en een ander telefoonnummer genomen. Wel merkt de respondent dat dit tot gevolg heeft dat andere collega’s van het basisteam de dreiger minder vaak controleren: ‘Hij heeft dus eigenlijk zijn zin gekregen’ (respondent GGP 2-6). We zijn geen voorbeelden tegengekomen van medewerkers die gestopt zijn met politiewerk ten gevolge van een dreiging jegens hen28, wel kennen respondenten voorbeelden van collega’s die naar een andere functie zijn gegaan waarbij ze minder risico liepen om bedreigd te worden. Een voorbeeld: ‘Die collega werd behoorlijk bedreigd. De ruiten van haar woning werden ingegooid. Zij is uiteindelijk weggegaan uit het teamgebied. Dan geef je je wel een beetje gewonnen, maar ze werkt nu ergens anders’ (deelnemer expertsessie 1). 5.3

Gevolgen voor routines en persoonlijk handelen

Aan de 122 respondenten is tevens gevraagd in hoeverre ze hun routines en persoonlijk handelen aangepast hebben naar aanleiding van de dreiging en/of intimidatie die ze hebben meegemaakt vanuit de georganiseerde criminaliteit. Het gaat hier om aanpassingen in gedrag buiten diensttijd. In figuur 5.2 is te zien welk risicobeperkend gedrag respondenten al vertoonden in hun routines voor en na de bedreiging en/of intimidatie. De grootste aanpassingen die respondenten hebben gedaan zijn: • goed over de schouders kijken bij thuiskomst en bij aankomst op het werk (14,8% en 9%); • ophangen van camera’s (11,5%); • wisselende routes naar het werk en naar huis (9,8%). Deze veranderingen in routines of persoonlijk handelen blijken ook uit de interviews. Zoals de respondent die vertelt over zijn gedrag na de dreiging: ‘Het had wel gevolgen voor het feit hoe ik naar het werk toe ging. Ik ging met de auto naar het werk, maar ik ging onlogische routes nemen naar mijn werk. Ik reed drie rondjes op de rotonde om te kijken wie er achter mij zat’ (respondent politie RCCB 2-17).

28

Hierbij merken we op dat deze ook geen vragenlijst hebben gekregen.

73

5

Impact en gevolgen ervaren dreiging

Ik parkeer thuis niet meer voor de deur Ik rij steeds een andere route van werk naar huis (en v.v.) Ik heb een inbraakalarm Ik neem mijn dienstwapen mee naar huis Ik heb een geheim telefoonnummer Ik heb een of meerdere camera’s hangen Ik kijk goed over mijn schouder als ik op mijn werk aankom Ik kijk goed over mijn schouder als ik thuis aankom Ik heb gezorgd dat ik op sociale media niet vindbaar ben Ik heb goede sloten 0 Dit doe ik niet

Dit deed ik al voor de bedreiging

20

40

60

80

100

Dit ben ik gaan doen na de bedreiging

Figuur 5.2 Risicobeperkend gedrag buiten het werk (%), N=122, meerdere antwoorden mogelijk. Onderzoeksgroep = medewerkers die met dreiging vanuit georganiseerde criminaliteit te maken hebben gehad.

5.3.1

In vrije tijd de omgeving in de gaten houden

Naast het over de schouder kijken bij aankomst thuis en op het werk houden respondenten die te maken hebben gehad met dreiging ook hun omgeving in het algemeen in de gaten in hun vrije tijd. In de vragenlijst vertellen vijf respondenten hierover en ook in de interviews komt dit regelmatig terug. Vier voorbeelden: • ‘Altijd aan het scannen wie er zich om mij heen begeeft, wat voor voertuigen/personen. Zowel binnen als buiten mijn woonplaats’ (respondent vragenlijst). • ‘Ik houd onbekende personen en/of voertuigen in mijn straat extra in de gaten en noteer af en toe kentekens, signalementen en heb ook al eens foto’s gemaakt van zich verdacht gedragende personen in de straat (niet specifiek na genoemde dreigende houding, maar sinds ik in zaken meedraai tegen grote criminele netwerken)’ (respondent vragenlijst). • ‘Zelfs tot op de dag van vandaag kijk een paar keer goed voordat ik mijn huis uit loop of de auto uit stap. De tijd dat ik zonder op te letten ging rijden, is wel voorbij’ (respondent opsporing 2-2). • ‘Voordat ik de camera’s kreeg, heb ik alleen maar buitengestaan ’s nachts en overdag geslapen. Met die camera’s heb ik gekeken wat er gebeurde en niet meer gewerkt vanaf dat moment. Je voelt je naakt en ik zei ook, de kans op herhaling is heel groot’ (respondent GGP 2-18).

Deze politiemedewerkers zijn zich continu bewust van hun dreiging en het is voor hen normaal geworden om altijd alert te zijn op verdachte situaties, ook wanneer ze niet aan het werk zijn.

74

Gevolgen voor routines en persoonlijk handelen

5.3.2

5.3

Werk geheimhouden

In de vragenlijst vertellen twee respondenten, naast de in figuur 5.2 genoemde maatregelen, dat ze aan niemand vertellen wat voor werk ze doen. Nog eens drie respondenten vertellen aan niemand in hun omgeving waar ze werken. Een respondent die geïnterviewd is, heeft zijn werk geheimgehouden voor zijn kinderen omdat hij werkt in dezelfde plaats als waar hij woont en niet wilde dat zijn kinderen zich verspraken. 5.3.3

Vermijden locaties in privétijd

Bij een van de expertsessies vertelt een psycholoog (gespecialiseerd in trauma bij onder andere politiemedewerkers): ‘Soms komen mensen pas na tien jaar bij mij. Ze zijn al tien jaar plaatsen aan het vermijden’ (deelnemer expertsessie 4). In de vragenlijst zien we dit terug. Vier respondenten geven in de vragenlijst aan dat ze locaties in privétijd mijden waar ze vermoeden dat er crimineel actieve personen aanwezig zijn. Zoals het volgende citaat laat zien: ‘Sinds ik werkzaam ben bij de politie denk ik goed na over naar welke locaties ik in privétijd ga. Ik vermijd bijvoorbeeld pompstations die bekende hangplekken zijn.’ En een ander voorbeeld: ‘Openbare ruimte in werkgebied vermijden in privétijd met naasten.’ Ook in de interviews horen we voorbeelden van locaties die in privétijd vermeden worden. Het gaat dan om locaties die in het werkgebied van de respondent liggen, zoals bij onderstaande respondent die werkzaam is in de GGP: ‘Ik ga nu in [gemeente van het basisteam] ook nooit naar de stad met mijn vrouw. Daar heb ik helemaal geen zin in. Boodschappen doen mijn vrouw en ik eigenlijk altijd alleen want de kans dat je iemand tegenkomt is er gewoon. Ik ging meestal, toen ik nog in [gemeente van het basisteam] woonde, buiten de stad dingen doen met mijn vrouw. Die vond dat niet erg want dat deden we sowieso al vaker’ (respondent GGP 2-6). 5.3.4

Afscherming

In figuur 5.2 is te zien dat veel respondenten uit de vragenlijst al beschermende maatregelen namen voor de dreiging. Zo zorgde 66,4% van de 122 respondenten al voor de dreiging dat ze niet op sociale media te vinden waren (na de dreiging is 6,4% dit alsnog gaan doen). Uit de toelichting en interviews blijkt dat veel respondenten ook aan hun partner en kinderen en soms ook aan vrienden en andere familieleden vragen om niks over hen te plaatsen. Ter illustratie: ‘Mijn dochter mag niet met haar achternaam op sociale media. Ik check of we wel eens voorkomen op het internet en ik heb ooit ook tegen mijn familie gezegd dat als ze ooit worden benaderd via sociale media dat ze er dan niet op in moeten gaan als het over

75

5

Impact en gevolgen ervaren dreiging

mij gaat. Dus dat soort dingen probeer je te doen. Het is een wassen neus maar je doet het wel en je blijft opletten’ (respondent opsporing 2-2). ‘Ik heb bijvoorbeeld geen sociale media, ik doe er in ieder geval niets mee, en probeer mijn vrouw en familieleden ervan te behoeden om dingen over mij op sociale media te zetten. Ook richting vrienden en dergelijke. De sociale media, de uitingen over mijn werk bij de politie tot het minimum te beperken. Dat soort dingen, daar ben ik elke dag mee bezig, 24/7 want dat houdt niet op’ (respondent opsporing 2-15). Tevens heeft 26,2% van de 122 respondenten een geheim telefoonnummer. Andere maatregelen die respondenten treffen, is afscherming van hun gegevens in het GBA (n=2) of het kenteken laten afschermen in het RDW (n=1). Mentale gevolgen

5.4

Uit eerder onderzoek weten we dat bedreiging en intimidatie grote mentale gevolgen kunnen hebben voor het slachtoffer.29 In de vragenlijst hebben we respondenten gevraagd naar de gevolgen van de door hen ervaren bedreiging en intimidatie vanuit georganiseerde criminaliteit. 5.4.1

Gevoelens van onveiligheid en stress

Figuur 5.3 laat zien welke gevolgen de 122 respondenten ervaren die te maken hebben gekregen met bedreiging en intimidatie vanuit georganiseerde criminaliteit.

29

76

Zie hoofdstuk 1.

5.4

Mentale gevolgen

Nee*

43,4

Ziek gemeld op het werk

4,9

(tijdelijk) ergens anders wonen

5,7

Sneller prikkelbaar/geïrriteerd

12,3

Angstig voelen

11,5

Vermindering van het werkplezier

14,8

Gevoelens van stress

26,2

Gevoelens van onveiligheid

32 0

10

20

30

40

50

* Dit aantal is bijgesteld voor respondenten die eerst nee zeiden, maar vervolgens toch een persoonlijk gevolg aankruisten (n=16). Figuur 5.3. Mentale gevolgen (%), N=122, meerdere antwoorden mogelijk. Onderzoeksgroep = medewerkers die met dreiging vanuit georganiseerde criminaliteit te maken hebben gehad.

Een groot gedeelte van de respondenten (43,4%) ervaart geen gevolgen op dit gebied. Bij 32% zorgt de dreiging voor een gevoel van onveiligheid en iets meer dan een kwart (26,2%) ervaart gevoelens van stress. Zoals een respondent het verwoordt: ‘Maar bij mij triggerde het [de bedreiging] wel een hele hoop. Ik had daar veel last van op dat moment. Ik voelde me naakt en aangevallen in mijn privésfeer. Ik was in flight status. Normaal ben ik van vooraan knokken en gaan en ik was op dat moment in staat om alles in te pakken en naar Friesland te vertrekken’ (respondent opsporing 2-15). 5.4.2

Dicht bij huis

Uit de diepte-interviews blijkt hoeveel impact een dreiging kan hebben op het slachtoffer. Vooral wanneer een dreiging dicht bij huis komt, zien we dat dit veel impact heeft. Dit is het geval wanneer de pleger bij de woning is geweest of wanneer duidelijk is dat de pleger het woonadres van de respondent kent. Twee gespecialiseerde psychologen (in trauma bij onder andere politiemedewerkers) vertellen over politiemedewerkers die bij hen in behandeling komen: ‘Bij de ontwikkeling van PTSS is de nabijheid van de incidenten, bij je huis, wel echt een risicofactor’ (deelnemer expertsessie 4).

77

5

Impact en gevolgen ervaren dreiging

‘Ik vind de voorbeelden waar het gezin bedreigd wordt, dus echt op de persoon bedreiging door groepering, dan maakt de leeftijd [van de respondent] niet zo veel uit. Dan is de impact wel heel groot. We zien wel dat het in de persoonlijke levenssfeer komt, waardoor het erger ervaren wordt. Die impact vind ik erg duidelijk zichtbaar’ (deelnemer expertsessie 1). In de diepte-interviews en expertsessies vertellen verschillende politiemedewerkers over de impact wanneer de dreiging dichtbij komt. Ze vertellen over voorbeelden van burn-outverschijnselen. Een deelnemer aan de expertsessie: ‘Het gaat dieper dan dingen meemaken in functie, dan kan je je pak uitdoen en thuis weer bijkomen. Als je thuis niet meer veilig kan zijn, dan heeft dat een hele impact’ (deelnemer expertsessie 1). In het volgende voorbeeld maakt de respondent mee dat er iemand voor zijn huis stond. Door zijn werk en de zaak waar hij op dat moment mee bezig was, heeft dit een grote impact op hem gehad. Voorbeeld onbekende persoon aan huis De respondent is dossiervormer bij een opsporingsteam. Hij werkt met zijn collega’s aan een onderzoek dat gelinkt is aan een onderzoek in een andere eenheid. De groepering die centraal staat in de onderzoeken houdt zich onder andere bezig met liquidaties.

Het onderzoek vordert en op het moment dat er aanhoudingen gedaan worden, horen hij en zijn collega’s dat het team in een andere eenheid onder nummer werkt. Hun team doet dit echter niet omdat de ernst van de groepering bij aanvang niet duidelijk was en inmiddels zijn alle processen-verbaal al opgemaakt. Zijn naam staat als dossiervormer op alle processen-verbaal. En deze processen-verbaal zijn toegevoegd aan het dossier van de andere eenheid die de verdachte en zijn advocaat inmiddels ook hebben. Wanneer de eerste berichten in de media komen over de zaak, maakt de respondent het volgende mee: ‘Als mijn jongste zoon thuis op een ochtend vroeg de luxaflex van het keukenraam opent en hij oog in oog staat met een vermoedelijk [etniciteit] jonge manspersoon die vervolgens gelijk van het raam wegloopt, roept dit bij mij vragen op. En dan denk ik: wat betekent dat? Ik breng dat in relatie met mijn werk’ (respondent 2-12). De respondent ervaart onrust over dit incident en ervaart dat hij hier op de werkvloer nergens mee terechtkan.

78

Mentale gevolgen

5.4.3

5.4

Dienstwapen mee naar huis

Voor de dreiging nam 15,6% van de 122 respondenten een dienstwapen mee naar huis en na de dreiging is 2,5% dit alsnog gaan doen. Deze maatregel horen we ook meerdere keren in de interviews terug: ‘Ik mocht mijn pistool dan meenemen. Geen camera’s. Tot op de dag van vandaag draag ik hem eigenlijk altijd bij me. Als ik boodschappen ga doen, heb ik hem ook bij me’ (respondent opsporing 2-2). ‘Ik heb een porto thuis gehad en die werd aangeboden. Ik heb die dag ook mijn vuurwapen gehaald. Ik kreeg daar geen toestemming voor, maar dat heb ik wel gedaan en het gaat mij niet overkomen dat er mensen met bivakmuts binnen staan. Ik lag op de bank met mijn vuurwapen en portofoon naast me. Porto is schijnveiligheid’ (respondent GGP 2-18). Hoewel respondenten in de interviews zich in het algemeen veiliger voelen door het meenemen van hun dienstwapen, spreken we enkele mensen die dit wel aangeboden kregen, maar dit niet hebben gedaan. In één geval uit angst voor escalatie en in één geval omdat de respondent dit zag als schijnveiligheid. 5.4.4

Overig

Tot slot zijn er nog een aantal overige maatregelen die door enkele respondenten zijn genoemd, zoals: • het nemen van een hond (respondent vragenlijst); • selectief zijn in contacten voor je ze dichterbij laat komen (respondent overig 0-8); • thuis de gordijnen dichtdoen, zodat niet zichtbaar is of je thuis bent (respondent opsporing 2-8). Een voorbeeld van een maatregel die een respondent nam in de slaapkamer van zijn kinderen: ‘Dat was best wel een groot ding [een schilderij]. Toen had ik bedacht, dat zet ik tegen het raam op hun slaapkamer. Mocht er dan een of andere idioot wel achter mijn adres zijn gekomen en hij gooit een steen door het slaapkamerraam, dan zit er in ieder geval iets tussen waardoor hopelijk het glas of de steen niet op hen terechtkomt’ (respondent politie GGP 2-10). Tot slot zijn we, zowel in de interviews als in de vragenlijst, geen voorbeelden tegengekomen van respondenten die verhuisd zijn naar aanleiding van een bedreiging. Wel kennen respondenten hier enkele voorbeelden van bij (ex-)collega’s.

79

5

Impact en gevolgen ervaren dreiging

5.5

Impact op naasten

Wanneer een politiemedewerker bedreigd wordt, heeft dit niet alleen impact op het mentale welzijn van de medewerker zelf. Ook de partner, kinderen, ouders of zelfs buren kunnen hier last van hebben. In de vragenlijst hebben we aan respondenten die bedreigd of geïntimideerd zijn gevraagd naar hoe dit ervaren is door hun naasten. In figuur 5.4 is te zien wat de impact op naasten is volgens de respondenten die de dreiging hebben ervaren. We hebben dus niet zelf met naasten gesproken. Bij 70,5% van de 122 medewerkers heeft de bedreiging of intimidatie impact gehad op naasten; dit is hoger dan het percentage bij politiemedewerkers zelf (56,6%). Bij 23,0% van de respondenten hebben naasten gevoelens van onveiligheid ervaren en in 18,9% gevoelens van stress. Daarnaast hebben naasten in 13,1% van de gevallen angst ervaren. Er zijn vrijwel geen verschillen tussen medewerkers uit de GGP en de opsporing in de ervaren impact. Wel is er verschil in de impact op naasten. Van medewerkers uit de GGP geeft 25% aan dat dit incident leidde tot gevoelens van stress bij naasten, waar dit bij medewerkers in de opsporing maar 8% is. Nee

29,5

Ziek gemeld op het werk

1,6

Vermindering van het werkplezier

2,5

(tijdelijk) ergens anders wonen

4,1

Sneller prikkelbaar/geïrriteerd

4,1

Angstig voelen

13,1

Gevoelens van stress

18,9

Gevoelens van onveiligheid

23 0

5

10

15

20

25

30

35

Figuur 5.4 Persoonlijke gevolgen op naasten (%), N=122, meerdere antwoorden mogelijk. Onderzoeksgroep = medewerkers die met dreiging vanuit georganiseerde criminaliteit te maken hebben gehad.

Verschillende respondenten geven aan dat de invloed op naasten groter is dan die op henzelf. We horen verschillende voorbeelden van de grote impact die een dreiging op het gezin kan hebben, zoals: ‘Maar dat zorgde er wel voor dat mijn dochter een half jaar niet met het licht uit durfde te slapen en bij een psycholoog liep. Zoveel impact had dat’ (respondent opsporing 2-5).

80

Impact van gebrek aan opvolging

5.6

‘Maar mijn vriendin zei: toen jij de volgende dag ging werken en ik was alleen thuis, ben ik nog net niet naar de koelkast getijgerd. En ik ging kijken waar ik ging staan, want als ik zo ga staan dan kunnen ze zo naar binnen schieten en zo niet. En ik was al aan het kijken waar ik kon wegduiken’ (respondent GGP 2-14). ‘De mijne zijn 9 en 13 en die van 13 wil niet meer alleen thuisblijven. Dat doet nog het meeste met je’ (respondent GGP 2-18). ‘Eind vorig jaar was er dreiging aan haar [een collega van de respondent] huis. Toen moest ze in een safe house met haar dochter. De dreiging vindt niet plaats en ze mag weer terug naar huis. De dochter krijgt een Apple Watch om. Ze krijgt een camera. Ze heeft in haar hoofd theorieën van wat er mogelijk kan gebeuren en die reëel zijn. Het is steeds leven met onzekerheid. Het blijft een lange periode van stress’ (deelnemer expertsessie 4 over een directe collega). Uit de interviews blijkt dat politiemedewerkers die bedreigd zijn er soms voor kiezen om hun partner niets te vertellen omdat ze hen niet bang of ongerust willen maken. Naast gevoelens van stress en onveiligheid kunnen leden van het gezin van de bedreigde medewerker ook kampen met gevoelens van eenzaamheid en isolatie omdat ze met niemand mogen spreken over hun situatie. Hoewel de meeste naasten begripvol zijn, ervaart een enkeling ook onbegrip.

Zoals onderstaande respondent meemaakt die bedreigd werd vanuit een lokaal dealernetwerk: ‘Vanuit mijn ouders werd ook wel druk gegeven. Die waren boos op mij dat ik controles had uitgevoerd. En ze hebben me gewaarschuwd. Je hebt stoere verhalen dat je zoveel coke hebt gevonden, maar je doet het wel in een klein team. Stop daarmee, en nu hebben wij er ellende van, bedankt’ (respondent GGP 2-18). Sommige respondenten ervaren ook negatieve reacties van buren die zich door de dreiging (aan huis) onveilig voelen in de straat. Of zelfs van collega’s die zich onveilig voelen omdat ze met hun bedreigde collega op het bureau zitten. 5.6

Impact van gebrek aan opvolging

Uit de interviews blijkt dat de wijze waarop de organisatie omgaat met de dreiging of intimidatie die de respondent ervaart evenveel of zelfs meer impact heeft dan het incident zelf. Wanneer een respondent ervaart dat zijn leidinggevende of een ander onderdeel van de organisatie de dreiging niet serieus neemt, leidt dit tot gevoelens van boosheid en teleurstelling, en dit kan negatieve gevolgen hebben voor de taakuitoefening. Een voorbeeld:

81

5

Impact en gevolgen ervaren dreiging

‘Ik heb het mijn teamchef nooit kwalijk genomen omdat het niet zijn besluit was, maar ik weet niet hoe hard er gevochten is. Dit doet wel iets met mijn bereidwilligheid en uren overwerken’ (respondent opsporing 2-3). Naast impact door een ervaren gebrek aan opvolging binnen de politie, heeft ook een ervaren gebrek aan opvolging door het Openbaar Ministerie impact. Respondenten ervaren niet altijd dat het OM prioriteit geeft aan gevallen van bedreiging en intimidatie van politiemedewerkers en ook dit zorgt voor gevoelens van boosheid en frustratie, zoals de volgende voorbeelden laten zien. ‘Ik was wel tevreden met hoe de organisatie daarmee om ging. Maar niet hoe het OM daarmee om was gegaan. Want het duurde heel lang voordat er een beslissing was over het wel of niet vervolgen. Terwijl het onderzoek naar de verdachten wel allemaal doorliep. De korpschef heeft toen een paar keer gebeld naar de hoofdofficier om de stand van zaken op te vragen en urgentie te benoemen. En dat is mij bijgebleven’ (respondent opsporing 2-8). ‘De ambtsdwang30 werd wel bekeken. En toen moest hij [de pleger] op gesprek komen bij het OM. Toen was ik geïrriteerd, want hij kwam niet opdagen en toen kreeg hij [vervolgens] een reprimandegesprek, een gesprek met de officier. Hoe kan het dat hij zich misdraagt, dat ik fair play kies door voor ambtsdwang te gaan, een gering feit [i.p.v. bedreiging].

En dan verschijnt hij niet en dan hebben we het over dit subject dat zich met allemaal foute zaken bezighoudt, en dan komt hij er gewoon mee weg. Hij heeft gewoon schijt aan de rechtsgang. En dan weer niets. Dat gevoel kreeg ik er een beetje bij’ (respondent GGP 2-7). Ook in de sessies wordt een aantal keer benoemd hoe belangrijk de opvolging door het OM is voor politiemedewerkers. 5.7

Samenvatting

Dreiging en intimidatie vanuit georganiseerde criminaliteit kan op verschillende manieren impact hebben op de bedreigde zelf of op diens naasten. Wanneer het gaat om de gevolgen op de taakuitoefening, dan blijkt dat de dreiging op twee derde van de respondenten in de vragenlijst geen invloed heeft (50%), of ze zijn gemotiveerder geworden in hun werk door de dreiging (16%). Toch zijn er ook medewerkers die bepaalde locaties of de pleger mijden. Ook worden collega’s van de bedreigde soms beïnvloedt. Zij passen in deze gevallen hun eigen gedrag aan naar aanleiding van de dreiging op hun collega.

30

82

Het is strafbaar om dwang uit te oefenen op een (politie)ambtenaar om iets te verrichten of af te zien van een ambtshandeling volgens artikel 179 Wetboek van Strafrecht.

Samenvatting

5.7

Veel respondenten pasten voor de dreiging hun routines en persoonlijk handelen al aan om het risico op bedreiging te verkleinen. Na de dreiging zijn meer respondenten dit gaan doen, waarbij het vooral gaat om goed de omgeving bekijken bij thuiskomst en bij aankomst op het werk, het ophangen van camera’s en het variëren in routes van en naar het werk. Sommige respondenten vertellen continu bezig te zijn met het in de gaten houden van hun omgeving door de dreiging; ze zijn altijd alert. Bij een deel van de respondenten heeft de dreiging invloed op hun mentale welzijn en zorgt dit voor gevoelens van stress of onveiligheid. Vooral wanneer de pleger bij de woning van de bedreigde is geweest of wanneer duidelijk is dat deze het woonadres kent, is de impact groot. Ook op de naasten van de medewerker heeft de bedreiging impact. In het algemeen ervaren zij volgens de respondenten meer impact dan zijzelf. Ook zij kampen met gevoelens van onveiligheid, stress en angst. De bedreigde medewerkers kunnen ook kampen met gevoelens van eenzaamheid en isolatie wanneer ze onbegrip ervaren vanuit hun directe omgeving. Tot slot kunnen respondenten negatieve impact ervaren wanneer er gebrek is aan opvolging van de dreiging vanuit de organisatie of het Openbaar Ministerie.

Wanneer de medewerker ervaart dat de leidinggevende of een ander onderdeel van de organisatie de dreiging niet serieus neemt, kan dat leiden tot gevoelens van boosheid en teleurstelling. Hetzelfde geldt wanneer ervaren wordt dat het Openbaar Ministerie geen concrete opvolging geeft aan de dreiging.

83

5

84

Impact en gevolgen ervaren dreiging

6.1

6

Perceptie van dreiging

‘Ze deinzen nergens meer voor terug. Het is wachten op de aanslag op een officier of een collega die in Zwacri31 werkt’ (respondent opsporing 2-5). 6.1

Inleiding

De invloed van dreiging van georganiseerde criminaliteit kan breder zijn dan enkel op degene die zelf bedreigd of geïntimideerd is. Politiemedewerkers kunnen zich ook zorgen maken over het meemaken van dreiging in de toekomst. Het gaat dan over de perceptie van dreiging. In dit hoofdstuk staan politiemedewerkers centraal die zelf geen dreiging hebben meegemaakt. We hebben hun gevraagd in hoeverre ze inschatten dat ze te maken kunnen krijgen met bedreiging of intimidatie vanuit georganiseerde criminaliteit en wat daarvan de invloed op hen is. Het gaat om 451 medewerkers van de totale onderzoeksgroep van 617 medewerkers. Deze inzichten geven een beeld van de mate waarin ook de groep medewerkers die zelf geen directe ervaring met dreiging heeft extra aandacht vraagt binnen de politieorganisatie. In hoofdstuk 8 gaan we nader in op wat de bevindingen betekenen voor de politieorganisatie. 6.2

Risico op dreiging

De 451 respondenten die geen ervaring hebben met intimidatie en/of bedreiging vanuit georganiseerde criminaliteit is gevraagd een inschatting te maken van de kans dat ze hier mee te maken kunnen krijgen. Figuur 6.1 laat zien dat ongeveer 10% van deze 451 respondenten de kans groot (8,2%) tot heel groot (1,6%) inschat. Het merendeel (69,9%) schat de kans echter klein (35,3%) tot heel klein (24,6%) in. En ongeveer 30% schat het risico in als gemiddeld.

31

Zware criminaliteit

85

6

Perceptie van dreiging

1,6

Heel groot

8,2

Groot

30,4

Gemiddels

35,3

Klein

24,6

Heel klein 0

5

10

15

20

25

30

35

40

Figuur 6.1. Inschatting risico persoonlijk slachtofferschap van de georganiseerde criminaliteit (%), N=451. Onderzoeksgroep = medewerkers die niet met een dreiging vanuit georganiseerde criminaliteit te maken hebben gehad.

We hebben de respondenten die op deze vraag gemiddeld, groot of heel groot hebben geantwoord gevraagd dit antwoord toe te lichten. Een deel van deze respondenten (n=13) zegt hierop dat dreiging en intimidatie altijd kan gebeuren, en een aantal geeft aan dat er een gemiddeld risico is, ook al hebben ze hier niet elke dag mee te maken (n=9). Op basis van overige informatie uit alle open antwoorden en de interviews hebben we de verklaringen voor het risico op dreiging ingedeeld in vier categorieën: werken gericht op de doelgroep, verharding van de georganiseerde criminaliteit, verharding in de samenleving en minder aanwezig zijn in de wijk. Hieronder lichten we dit toe. 6.2.1

Werken gericht op de doelgroep

Het meest wordt genoemd dat respondenten denken dat ze (gemiddeld of meer) risico lopen omdat ze in hun werk in aanraking komen met personen die tot de georganiseerde criminaliteit behoren. Respondenten noemen voornamelijk de zware doelgroep waar ze zich mee bezighouden als risicoverhogend (n=62). Daarnaast maken ze zich ook zorgen omdat hun naam in een dossier of op een proces-verbaal staat of kan komen te staan (n=11). Tot slot noemt een aantal respondenten het concrete contact met zware criminelen, zoals tijdens het werken op straat (n=3) of tijdens verhoren (n=2). Deze reden wordt met name genoemd door mensen die in de opsporing werken en komt ook regelmatig terug in de expertsessies bij deelnemers die onderdeel uitmaken

86

Risico op dreiging

6.2

van rechercheteams die zich bezighouden criminele netwerken. Drie toelichtingen uit de vragenlijst: ‘Binnen de DLR32 worden er veel onderzoeken gedaan naar gevaarlijke verdachten. Verdachten die niet terugdeinzen om dreigingen te uiten om gevaar in te boezemen of onderzoek te manipuleren. Binnen het doen van deze onderzoeken acht ik die kans groter dan bij een gemiddeld onderzoek’ (respondent vragenlijst) ‘Het is de vraag wanneer, niet óf. Onze gegevens zijn makkelijk te achterhalen via mollen of namen op de processen-verbaal en dergelijke. En wij komen veel in contact met subjecten van grote onderzoeken’ (respondent vragenlijst). ‘Kijkend naar het megaprobleem ondermijning, dan zie je een verharding. Ik verwacht, zeker als wijkagent, dat criminele organisaties er in de toekomst niet voor schromen politiecollega’s onder druk te zetten om aan hun info te komen’ (respondent vragenlijst). Het risico dat de toenemende druk van de georganiseerde criminaliteit op politiemedewerkers leidt tot het lekken van informatie, zoals in de vorenstaande quote geuit, is ook een aantal keer in de interviews genoemd. Ten gevolge van onderschepte versleutelde data uit communicatiemiddelen zijn er meerdere gevallen hiervan aan het licht gekomen,33 waardoor sommige politiemedewerkers zich extra bewust zijn van dit risico.

Hierbij merken we op dat het bij druk niet per se hoeft te gaan om het uitoefenen van dreiging. 6.2.2

Verharding van de georganiseerde criminaliteit

De verharding van de georganiseerde criminaliteit is tevens een veelgenoemde reden van respondenten voor de door hen gemaakte inschatting (n=42). Respondenten ervaren dat criminelen steeds onberekenbaarder, brutaler en gewelddadiger worden. Ook de grote(re) criminele belangen worden als reden genoemd (n=10). Ervaren politiemedewerkers zien een duidelijk verschil tussen de huidige wereld van de georganiseerde criminaliteit en die van ‘vroeger’. Waar de interactie tussen politie en doorgewinterde criminelen vroeger als een ‘spel’ werd getypeerd, zien ze dat dit anders is geworden. Twee respondenten lichten dit toe: ‘Ik werk best lang bij de politie en vroeger heerste er een sfeer van een spel. Meer respect voor elkaar. En dat lijkt nu weg te zijn. Er lijken geen grenzen meer te zijn en

32 33

Dienst Landelijke Recherche. Naar aanleiding hiervan heeft de politie een speciaal rechercheteam ingesteld; zie Nieuw rechercheteam voor corruptieonderzoeken ‘Encrochat’ (https://www.politie.nl/nieuws/2020/september/16/nieuw-rechercheteam-voor-corruptieonderzoeken-encrochat.html).

87

6

Perceptie van dreiging

hoever ga je richting de politie en de mensen die daar werken? Ik word daar wel onrustig van’ (respondent recherche 2-5). ‘Die criminelen die 40 jaar of ouder zijn hebben een soort code. Die accepteren het wel dat ze eens de lul zijn. Een keer win je en de andere keer verlies je. Maar de jongere gasten die willen echt niet gepakt worden. Die doen er bijna alles aan om het te ontlopen en je merkt dat dat oude spelletje wel een beetje voorbij is. Vluchten, intimideren, bedreigen. Zolang ze maar niet gepakt worden’ (respondent GGP 2-6). En ook tijdens een expertsessie kwam deze constatering aan de orde: ‘Toch is het wel veranderd, want ik heb vroeger ook gewerkt met gasten als [bekende zware crimineel]. Dat was toch een heel ander slag volk. Daar was nog wel een klein beetje wederzijds respect maar bij deze jongens is dat helemaal niet heb ik het idee. Dus misschien dat dat er ook heel erg mee te maken heeft. Die mentaliteitsverandering van de jongens’ (deelnemer expertsessie 5). Een ex-crimineel, die in zijn jonge jaren bij een crimineel netwerk uit de Randstad hoorde, bevestigt dit: ‘Als je naar liquidaties van toen kijkt, dat was onderling. Als je door een agent gepakt werd, dacht je: die man doet gewoon zijn werk. Dat is nu niet meer. Het is veel gekker geworden’ (respondent overig 1-8). Ook hij ziet de verharding die politiemedewerkers ervaren.

Waar veel respondenten eerder dachten dat je geen gevaar loopt als je gewoon eerlijk je werk doet, denken ze dat dit nu niet meer opgaat. Ze vertellen dat ze minder naïef zijn geworden, waarbij vaak de criminele groepering rondom Taghi, de moord op Peter R. de Vries, en die van de kroongetuige en advocaat Derk Wiersum worden genoemd. Bij de expertsessies blijkt dat dit in het bijzonder geldt voor medewerkers van rechercheteams: ‘Wij weten alles, omdat we alles lezen [(ontsleutelde) communicatie]. En wat ze hebben voorbereid, maar nog nooit hebben uitgevoerd. Ze hebben er ook geen gevoel bij. Dan ga je er meer over nadenken. Je weet dat ze ertoe in staat zijn’ (deelnemer expertsessie 4). 6.2.3

Verharding van de samenleving

Naast verharding van het criminele circuit, heeft de inschatting van de dreiging te maken met verharding in de samenleving (n=11): ‘Gezien de maatschappelijke ontwikkeling en het feit dat de (georganiseerde) criminaliteit tegenwoordig gemakkelijker geweld gebruikt tegen onder andere politie, over-

88

Risico op dreiging

6.2

heid, pers en advocaten, maakt dat dit gevoel sterker geworden is onder de collega’s en bij mijzelf ’ (vragenlijst). ‘Het is ook van deze tijd om te intimideren. Ook omdat het effecten heeft. Het doet iets met ons als politiemensen, maar ook met de samenleving als wij onder druk komen’ (respondent 1-4). Respondenten wijzen ook op het toegenomen geweld van ‘gewone’ burgers tegen de politie. Zowel uit de vragenlijst (open antwoorden) als de interviews blijkt dat het geweld tegen de politie ten tijde van de coronamaatregelen veel impact heeft gehad. Hoewel dit niet het onderwerp is van dit onderzoek, is duidelijk dat het geweld, maar ook het filmen en online zetten van persoonlijke gegevens van politiemedewerkers (doxing) als dreigend is en wordt ervaren. 6.2.4

Minder aanwezig in de wijk

In de vragenlijst (n=3), de interviews en expertsessies wordt ook het minder aanwezig zijn in de wijk genoemd als risicofactor. Door capaciteitsproblemen en/of bezuinigingen op wijkniveau draaien wijkagenten in veel teams mee in de noodhulp.34 Het gebrek aan capaciteit heeft volgens hen gevolgen voor de veiligheid omdat ze hiermee de binding met de wijken verliezen. Een respondent die in het verleden in de gebiedsgebonden politie (GGP) heeft gewerkt: ‘Vroeger kon je dat [de dreiging] beter inschatten dan nu. Toen stonden we dichter bij de burger dan dat we nu staan en toen kende je je pappenheimers wel. En als iemand zei “ik weet waar je woont” kon je zeggen “Dat kan je proberen maar dan heb je een probleem” of je haalde je schouders op. Maar ik denk dat dat nu ingewikkelder ligt’ (respondent opsporing 2-8). 6.2.5

Overig

Tot slot denken een aantal respondenten dat ze risico lopen op bedreiging en intimidatie omdat politiemedewerkers steeds makkelijker online gevonden kunnen worden (n=7). Ook noemen twee respondenten het wonen en werken in hetzelfde gebied als risicofactor. Dit laatste kan ertoe leiden dat je als politiemedewerker herkend wordt. Een deelnemer aan een expertsessie vertelt over zijn ervaring: ‘Ik woon in [stad] en ik loop in het park. Dan kom je toch die hoofdverdachte tegen (van een liquidatiezaak) en je weet waar hij toe in staat is. Er gebeurt dan niks. Maar 34

Dit is tevens een van de conclusies van een onderzoeksrapport van de Inspectie Justitie en Veiligheid: Lokale handhaving door de politie (https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2020/09/01/tk-bijlage-1-periodiek-beeld-handhaving), Rapport Rijksoverheid.nl.

89

6

Perceptie van dreiging

je weet wel waar hij toe in staat is. Je kan er niks mee, maar het voelt wel intimiderend. Je komt hem wel in de stad tegen’ (expertsessie 4). 6.3

Verschil GGP en opsporing

Het risico op dreiging van de georganiseerde criminaliteit wordt door de medewerkers van de GGP en de opsporing niet heel verschillend ingeschat. Figuur 6.2 laat zien dat medewerkers in de GGP de kans op bedreiging en intimidatie iets vaker (heel) groot inschatten, dan medewerkers uit de opsporing: 14,4% versus 10,9%. Let op, het gaat hier dus om respondenten die nog niet daadwerkelijk zelf te maken hebben gehad met dreiging of intimidatie vanuit de georganiseerde criminaliteit: 201 respondenten van de GGP en 311 respondenten van de opsporing. 40 33,8

35

35,7 31,8

30 25 20

29,6

23,8 19,9

15

10,9 10,3

10

3,5

5

0,6

0 Heel klein

Klein

Gemiddeld GGP

Groot

Heel groot

Opsporing

p <.1035 Figuur 6.2. Inschatting van de kans op dreiging/intimidatie door georganiseerde criminaliteit naar functie (%), N=201 GGP en N= 311 opsporing. Onderzoeksgroep = medewerkers die niet met een dreiging vanuit georganiseerde criminaliteit te maken hebben gehad.

Wanneer we naar verschillende functies van de respondenten kijken, dan schatten GGP-functies zoals OE-wijkagent en senior GGP-wijkagent (15.6%) de kans op dreiging/intimidatie het meest als (heel) groot in, gevolgd door andere functies in de GGP, zoals aspirant, medewerker, generalist en senior (13,2%). Voor medewerkers uit de

35

90

Het verschil tussen de GGP en de Opsporing is net niet significant. Er is dus geen zekerheid, maar wel een indicatie van een verschil.

Overige achtergrondkenmerken

6.4

tactische en forensische opsporing, zoals operationeel specialisten, generalisten of seniors is dit 12%.36 Deze bevindingen sluiten aan bij de bevindingen uit hoofdstuk 2, waarin bleek dat medewerkers uit de GGP vaker te maken krijgen met bedreiging en intimidatie door georganiseerde criminaliteit (28% versus 22% in de opsporing). Uit de interviews blijkt echter dat sommige respondenten nog weleens denken dat medewerkers uit de GGP veel minder risico lopen omdat ze niet direct op deze doelgroep werken. Zoals onderstaande respondent: ‘Bij de noodhulpbus die de meldingen rijdt, daar zit het grootste gedeelte van het basisteam op. Daar zul je niet zo snel te maken hebben met de georganiseerde criminaliteit’ (respondent GGP 2-20). Tot slot wordt er in de expertsessies gewezen op het extra risico voor GGP-medewerkers met een nevenfunctie die te maken hebben met georganiseerde criminaliteit of ondermijning. Deelnemers zien hier een extra risico, maar deze medewerkers zijn zich hier niet altijd van bewust. Zo horen we over een medewerker van een basisteam die zich actief bezig ging houden met afpakken op lokaal niveau. Hij had zich echter niet gerealiseerd dat hij daarmee te maken kon krijgen met netwerken uit de georganiseerde criminaliteit en schrok ervan toen dit het geval bleek te zijn. Overige achtergrondkenmerken

6.4

Net als bij de respondenten die dreiging hebben meegemaakt is gekeken naar achtergrondkenmerken zoals aantal dienstjaren, leeftijd en geslacht. 6.4.1

Aantal dienstjaren

Figuur 6.3 laat de verschillen in de perceptie van dreiging zien tussen respondenten met een verschillend aantal dienstjaren. Uit deze figuur is af te lezen dat respondenten die tussen de 1 en 10 jaar bij de politie werken vaker de kans op dreiging/intimidatie vanuit georganiseerd criminaliteit (heel) groot inschatten dan medewerkers die langer dan 10 jaar bij de politie werken. Zo schat 19% van de respondenten die tussen de 1 en 5 jaar in dienst is de kans (heel) groot in tegen 11% van de respondenten die langer dan 15 jaar in dienst is. We merken nogmaals op dat we hier analyses uitvoeren op de onderzoeksgroep die zelf niet te maken heeft gehad met dreiging of intimidatie vanuit de georganiseerde criminaliteit.

36

Deze verschillen naar functie zijn sterk significant (** p<.001) hetgeen aanduidt dat de kans groot is dat dit verschil in de onderzoeksgroep ook in de populatie bestaat.

91

6

Perceptie van dreiging

% (heel) groot

Langer dan 15 jaar

10,9

Tussen de 11 en 15 jaar

7,2

Tussen de 6 en 10 jaar

19,1

Tussen de 1 en 5 jaar

17,9 0

5

10

15

20

25

p <.05 Figuur 6.3. Inschatting van de kans op dreiging/intimidatie vanuit georganiseerde criminaliteit naar aantal dienstjaren (%), N=420. Onderzoeksgroep = medewerkers die niet met een dreiging vanuit georganiseerde criminaliteit te maken hebben gehad.

6.4.2

Leeftijd

Jongere politiemedewerkers schatten vaker de kans van dreiging op (heel) groot in dan oudere medewerkers. Van de medewerkers onder de 35 jaar schat 17,3% de dreiging als (heel) groot in en van de medewerkers in de categorie 35-44 jaar is dat 16,5%. Daarentegen schatten medewerkers boven de 45 het risico veel lager in, namelijk 6,3% van de 45- tot 54-jarigen en 6,2% van de respondenten van 55 jaar of ouder. Politiemedewerkers die jonger zijn en minder dienstjaren hebben,37 schatten het risico op dreiging dus vaker (heel) hoog in dan oudere politiemedewerkers met minder dienstjaren. In de expertsessies hebben we deze bevindingen voorgelegd en hiervoor zijn een aantal mogelijke verklaringen genoemd. In de eerste plaats kan het zo zijn dat politiemedewerkers met meer dienstjaren zaken meer in perspectief zien. Hierbij merken we op dat het hier gaat om respondenten die zelf nog nooit dreiging door de georganiseerde criminaliteit hebben meegemaakt en daarom de kans mogelijk lager inschatten dat dit ooit nog gaat gebeuren. Sommige deelnemers en respondenten typeren jongere politiemedewerkers als ‘fragiel’ of weinig weerbaar. Deze jonge politiemedewerkers maken zich sneller zorgen, zo wordt wel aangegeven. 37

92

In de respondentenpopulatie komen deze groepen sterk overeen.

6.5

Plegers

In dit kader wordt het gebrek aan een ‘ploegoudste in het blauw’ genoemd en het niet meer werken in vaste teams in de GGP. Hierdoor kunnen jonge collega’s iemand missen om mee te sparren bij zorgen. Ook het gebrek aan voldoende begeleiding van studenten op de basisteams door capaciteitsgebrek wordt als reden genoemd dat jonge medewerkers zich onzekerder of onveiliger voelen. Daarentegen zijn er ook respondenten en deelnemers die denken dat de oudere werknemers meer naïef zijn. Een (jonge) deelnemer van een expertsessie: ‘Ik denk dat wij als politie naïef zijn en oudere collega’s nog naïever: dat het wel goed blijft gaan omdat het al zo lang goed gaat’ (expertsessie 1). Jongere medewerkers zijn zich mogelijk meer bewust van de risico’s. Wat hierbij een rol kan spelen, is dat er een generatie politiemedewerkers is die in dienst is getreden ten tijde van ernstige excessieve geweldsdelicten. Zo is er een deelnemer aan de expertsessies wiens eerste inzet bij de moord op Derk Wiersum was. Of een jonge rechercheur die zijn loopbaan start in een rechercheteam gericht op zware criminelen. 6.4.3

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14345488/1