Onderzoek naar impact dreiging vanuit georganiseerde criminaliteit op politiewerk.pdf
Tekst van het document
Indirecte bedreigingen Voorgenomen bedreigingen die aan het licht komen
12,1
6,2 7,6
Directe fysieke bedreiging met geweld
10,7 18,3
Directe bedreiging zonder geweld 0 Opsporing
5
10
15
20
24,4 25
30
GGP
* p < 0,05; + p < 0,1012
12
Bij een p-waarde onder de 0,05 spreken we van een statistisch significant verschil. We duiden dit aan met een *. De kans dat het verschil tussen opsporing en GGP toevallig is, betreft minder dan 5%. We geven het ook aan wanneer de waarde onder de 0,10 (10%) ligt. Er is dan geen sprake van een significant verschil, maar het betreft wel een grensgeval. Hoewel er geen zekerheid is, kan het wel als een indicatie van een mogelijk verschil gezien worden. We geven dit aan met een +.
33
2
Aard en omvang dreiging
Figuur 2.2. Ooit ervaren bedreiging en intimidatie van de georganiseerde criminaliteit (%), uitgesplitst in GGP (n=242) en opsporing (n=356).13
Een verklaring voor dit verschil – genoemd tijdens de expertsessies – is dat deelnemers denken dat fysiek geweld vaker voorkomt bij de GGP omdat GGP-medewerkers herkenbaar zijn in de wijk en vaker direct contact hebben met burgers. Een deelnemer: ‘De GGP’ers zijn fysiek in contact met die personen en je komt vaker dezelfde tegen. Sommigen staan elke keer in de frontlinie en die worden eerder herkend terwijl de opsporingsmensen wat meer afgeschermd op het bureau werken’ (deelnemer expertsessie 1). Uit de open antwoorden van de vragenlijst en interviews komen verschillende voorbeelden, waarbij de dreiging op de wijkagent is gericht: • Wijkagent is intimiderend aangesproken door een (outlaw) motorclubleider. • Wijkagent werd via derden gewaarschuwd dat zware jongens hem graag wilden pakken omdat hij veel verdovende middelen had gepakt. • Verdachte had een stamboom in kaart gebracht van de familie van de collega. Betrof zijn wijkagent. Is vermoedelijk via sociale media in kaart gebracht. • Wijkagent wordt doelwit wordt van een crimineel die verdacht wordt van o.a. (poging tot) liquidaties. • TCI-bericht dat automatische vuurwapens waren aangeschaft om de wijkagent te liquideren.
Ook leden van het basisteam die actief zijn met het controleren en aanhouden van lokale dealers, al dan niet als onderdeel van een criminele jeugdgroep, komen meerdere keren in de interviews naar voren als slachtoffer van bedreiging. 2.2.3
Verschillen tussen eenheden
Niet in elke eenheid is de meegemaakte dreiging even hoog. Figuur 2.3 laat per eenheid het percentage respondenten zien dat te maken heeft gehad met bedreiging en intimidatie, zowel in totaal als alleen vanuit georganiseerde criminaliteit. In deze figuur is te zien dat de Landelijke eenheid, de eenheid Amsterdam en de zuidelijke eenheden Zeeland-West-Brabant, Oost-Brabant en Limburg het meest te maken krijgen met dreiging vanuit georganiseerde criminaliteit. Wanneer we kijken naar de verhouding tussen bedreiging en intimidatie van de georganiseerde criminaliteit in vergelijking met de totale omvang, dan komt dit ook verhoudingsgewijs het meeste voor bij de Landelijke Eenheid en Amsterdam.
13
34
Bij deze vergelijking is het aantal respondenten per categorie vrij laag. In de significantietoets is hiervoor gecontroleerd. Bij een kleine onderzoeksgroep is een groter verschil tussen categorieën nodig om tot een aanduiding van een significant verschil te komen. Met andere woorden: hoewel de onderzoeksgroep klein is, is er wel sprake van een betrouwbare toets naar verschillen tussen categorieën.
2.2
Omvang
De reden dat sommige eenheden meer te maken hebben met dreiging van georganiseerde criminaliteit is op basis van de vragenlijst niet vast te stellen. Het kan zijn dat de georganiseerde criminaliteit meer of actiever aanwezig is in het werkgebied van deze eenheden, dat deze in deze gebieden eerder bereid is dreiging te uiten tegen politieambtenaren of dat de aanpak of opsporing hiervan in deze gebieden prominenter is dan bij die van andere eenheden. Eenheid Noord-Nederland
52,2
13
Eenheid Noord-Holland
58,8
14,7
62,2
Eenheid Midden-Nederland
20,7
Eenheid Den Haag
21,6
63,5
Eenheid Rotterdam
23,9
Eenheid Oost-Nederland
24,6
Eenheid Limburg
25
Eenheid Oost-Brabant
60,6 62,3 75 61,5
25,6
Eenheid Zeeland-West-Brabant
71,4
28,6
Eenheid Amsterdam
34,4
Landelijke Eenheid
34,5 0
Dreiging algemeen
10
20
30
40
67,2 56,9 50
60
70
80
Dreiging vanuit georganiseerde criminaliteit
Figuur 2.3. Omvang ervaren dreiging per eenheid (%)
Tussen de eenheden hebben we geen significante verschillen gevonden voor medewerkers bij de opsporing. Bij de GGP zijn echter de verschillen tussen de eenheden sterk significant.14 Alleen voor de GGP bespreken we daarom de verschillen nader. Dreiging vanuit georganiseerde criminaliteit wordt het meest ervaren bij GGP-respondenten van de eenheid Zeeland-West Brabant, op enige afstand gevolgd door Oost-Brabant, Amsterdam, Limburg en Rotterdam. Opvallend is dat van de respondenten van de GGP uit Noord-Holland niemand een dergelijke ervaring heeft en in Noord-Nederland vrijwel niemand. Midden- en Oost-Nederland nemen een middenpositie in. 2.2.4
Verschil mannen vrouwen
Er is gekeken naar verschillende achtergrondkenmerken in relatie tot de ervaren dreiging vanuit georganiseerde criminaliteit. Uit deze analyses blijken geen verschillen naar het aantal dienstjaren en naar leeftijd. Wel blijkt dat mannen veel vaker te maken hebben met bedreiging en intimidatie dan vrouwen, zoals in tabel 2.1 is te zien.
14
Het gaat om p<0,1.
35
2
Aard en omvang dreiging
Tabel 2.1. Ervaren dreiging en intimidatie vanuit georganiseerde criminaliteit, vergelijking tussen achtergrondkenmerken (%). Onderzoeksgroep = alle bevraagde politiemedewerkers.15 % ooit
% afgelopen 12 maanden
Man (N=344)
26,7**
14,5*
Vrouw (N=175)
9,7
6,9
Sekse
** P<0,01 * p<0,05
Wanneer we kijken naar het type dreiging, dan komt zowel bij mannen als bij vrouwen directe bedreiging zonder geweld het meest voor, gevolgd door voorgenomen bedreigingen (zie tabel 2.2). Tabel 2.2. Categorieën ervaren dreiging en intimidatie vanuit georganiseerde criminaliteit, vergelijking tussen man en vrouw (%), N=519. Onderzoeksgroep = alle bevraagde politiemedewerkers.16 Categorie dreiging en intimidatie vanuit georganiseerde criminaliteit
Man
Vrouw
Directe bedreiging zonder geweld
24,4
8,6
Directe fysieke bedreiging met geweld
9,6
2,3
Voorgenomen bedreigingen die aan het licht komen
10,2
4,0
Indirecte bedreigingen
2,0
0,6
In enkele interviews en bij de expertsessies is gevraagd aan respondenten en deelnemers of ze deze verschillen tussen mannen en vrouwen konden duiden. Hieruit komen een aantal mogelijke verklaringen. Een eerste scenario is dat de plegers vaak man zijn en dat deze vaker een man als opponent zoeken dan een vrouw. Een deelnemer: ‘Ik heb ook het idee dat vrouwen wat dat betreft iets minder als bedreigend worden gezien door de criminele mannen. Dat mannen dan toch sneller als potentieel gevaar worden gezien of iemand die je bedreigt of intimideert om daar macht over te hebben en dat dat bij vrouwelijke collega’s misschien minder opspeelt’ (deelnemer expertsessie 3). Een tweede mogelijke verklaring is dat de bejegening verschilt tussen mannen en vrouwen. Sommige respondenten denken dat mannen vaker de confrontatie zoeken dan vrouwen, waardoor een interactie sneller kan escaleren en uitmonden in een bedreiging. Als derde mogelijke verklaring noemen deelnemers aan de sessies dat er bepaalde teams zijn waar meer mannen in zitten dan vrouwen, of dat mannen vaker betrokken zijn bij een instap of doorzoeking en daardoor ook meer risico lopen. 15 16
36
Alle bevraagde politiemedewerkers die hebben aangegeven of ze een man of vrouw zijn. Alle bevraagde politiemedewerkers die hebben aangegeven of ze een man of vrouw zijn.
2.3
Verschijningsvormen
Verschijningsvormen
2.3
In deze paragraaf staat de aard van de dreiging centraal. We gaan dieper in op de verschillende verschijningsvormen aan de hand van de vier gehanteerde hoofdcategorieën: directe bedreiging zonder geweld, directe bedreiging met geweld, voorgenomen bedreigingen die aan het licht zijn gekomen en indirecte bedreigingen. Per categorie komen de verschillende onderliggende vormen aan bod. We maken hierbij gebruik van de antwoorden van respondenten over hun laatste ervaring met bedreiging en intimidatie vanuit georganiseerde criminaliteit. We hebben doorgevraagd over de laatste ervaring omdat sommige respondenten meerdere ervaringen hebben.17 In bijlage C is een overzicht van de percentages en het gemiddelde herhaald slachtofferschap te vinden. 2.3.1
Directe bedreiging zonder geweld
Directe bedreiging zonder geweld is de meest voorkomende vorm van dreiging (zie ook paragraaf 2.2) vanuit de georganiseerde criminaliteit. Deze categorie dreiging kent verschillende verschijningsvormen zoals figuur 2.4 laat zien. Medewerkers krijgen het meest te maken met bedreiging of intimidatie door een dreigende houding en/of blik (17,7%), gevolgd door verbale bedreiging of intimidatie zonder geweld (15,9%). Via een persoonlijk online bericht
0,2
Vernieling van privégoederen
0,3
Geld of goederen aangeboden in ruil voor...
1,1
Via een openbaar online bericht
1,6
Indirect
1,8
Telefonisch
1,8 15,9
Verbaal in persoon zonder geweld
17,7
Door een dreigende houding en/of blik 0
5
10
15
20
Figuur 2.4. Ervaren dreiging en intimidatie vanuit georganiseerde criminaliteit (%), N=617, meerdere antwoorden mogelijk. Onderzoeksgroep = alle bevraagde politiemedewerkers.
17
Op elke ervaring helemaal doorvragen zou zorgen voor een te lange invultijd en een hoger percentage respondenten dat daardoor vroegtijdig afhaakt.
37
2
Aard en omvang dreiging
Kentekens, adressen en scholen In de interviews horen we tal van voorbeelden van deze vormen van bedreiging en intimidatie. In de meeste gevallen gaat het om uitspraken die verdachten doen wanneer ze worden aangehouden. Er is een onderscheid te maken tussen bedreiging en intimidatie met en zonder voorkennis bij de verdachte over de politiemedewerker. Een voorbeeld van een situatie zonder voorkennis: ‘Je weet niet wie je hebt aangehouden. Ik zou mijn familie maar eens natrekken, want jij gaat hier heel veel last van krijgen.’ (Vervolgens blijkt dat de verdachte uit een bekende criminele familie komt.) (respondent politie overig 1-3). ‘Verdachte (van moord) gaf aan dat hij nog het een en ander wilde vertellen tegen de politie. Nadat verdachte vanuit huis van bewaring gelicht werd en in de verhoorruimte was, zei hij dat hij daar alleen was om het gezicht van de verbalisant nogmaals te zien zodat hij verbalisant niet meer zou vergeten’ (respondent vragenlijst). In de genoemde gevallen weet de verdachte op dat moment nog niks van de betreffende politiemedewerker (en vice versa), maar komt de politiemedewerker in het vizier op het moment van de aanhouding of verhoor. Veel respondenten hebben weleens meegemaakt dat verdachten opmerkingen maken als: ‘Ik weet waar je woont.’ Hoewel ze dit als vervelend beschouwen, vinden ze vaak ook dat het bij het vak hoort.
Toch kunnen ook dit soort uitlatingen als bedreigend of intimiderend ervaren worden wanneer meer bekend is over de criminele achtergrond van de dreiger: ‘Uit de woorden of context moet een redelijke vrees voor zwaar lichamelijk letsel of de dood worden afgeleid. “Ik zoek je thuis op”, waarom zoek je degene op? Om een bloemetje te brengen? Als jij weet dat dat iemand is die geweld niet schuwt, dan kan je die uitlating wel als bedreigend ervaren’ (respondent politie GTPA18 1-6). De respondenten noemen echter ook veel voorbeelden van daadwerkelijke kennis over politiemedewerkers die reeds bij de verdachte aanwezig is en die geuit worden tijdens de aanhouding, tijdens een verhoor of een controle. Voorbeelden uit deze categorie: • ‘We weten dat je kinderen op de … school zitten’ (respondent politie overig 1-3). • ‘Jouw kenteken, dat is toch …? Mooie auto wel, zonde als er wat mee gebeurt’ (respondent GGP 2-6). • ‘Ik heb jou weleens zien lopen met je vrouw en twee kinderen. Ik pak je nog wel een keer’ (respondent opsporing 2-13). • ‘We hebben een camera op jullie terrein gehad en ik weet van iedereen de kentekens. Jouw auto is die en die en dat is jouw kenteken’ (respondent GGP 2-14). • ‘Hij wist alles, zelfs dat mijn schoonvader recent was overleden’ (respondent GGP 2-18). 18
38
Dit staat voor geweld tegen politieambtenaren. Bij de politie zijn er casemanagers GTPA die collega’s ondersteunen bij een schadeclaim.
Verschijningsvormen
2.3
Dit type bedreiging en intimidatie komt tevens voor bij politiemedewerkers die niet aan het werk zijn. Bijvoorbeeld wanneer een politiemedewerker in zijn vrije tijd iemand tegenkomt. Zo geeft een respondent een voorbeeld van een collega die ’s ochtends de deur uit liep en aangesproken werd door een jongen die bij een groep hoorde waar ze met het basisteam actief op waren: ‘Deze collega werd aangesproken toen hij de deur uitliep. Eén van die jongens stond bij zijn huis en zei: “Wat woon jij hier mooi.” Een andere collega van het team werd in zijn vrije tijd aangesproken door iemand die zei: “Jij werkt toch bij de politie? Jij woont toch in die en die straat en je hebt een zoontje?”’ (respondent GGP 2-11). Een andere respondent komt een informant tegen in een periode dat hij runner is bij TCI. Deze informant werd ervan verdacht dat hij iemand had laten liquideren en zinspeelde daar regelmatig op in gesprekken met de respondent. De respondent vertelt over een keer dat hij hem tegenkomt in zijn vrije tijd: ‘En op een gegeven moment loop ik met mijn gezin op het strand. En ik zag hem en hij zag mij. En in een volgend informantengesprek komt hij daarop terug en zegt hij: ‘mooie auto’. En hij noemde mijn kenteken’ (respondent opsporing 2-12).
Intimiderende aanwezigheid Figuur 2.4 laat zien dat een dreigende houding/blik ook veel ervaren wordt door politiemedewerkers en dat ze dit als bedreigend of intimiderend ervaren. In de interviews zijn we hier tevens voorbeelden van tegengekomen. Bij de voorbeelden uit de gesprekken gaat het vaak niet alleen om een blik, maar om een blik in combinatie met bijvoorbeeld aanwezigheid voor het huis van de politiemedewerker of gevolgd worden. Het is hierbij niet altijd duidelijk of het gaat om een daadwerkelijke dreiging of dat deze enkel zo wordt opgevat. Andere voorbeelden die we horen zijn het voor de woning staan, zichtbaar zijn op de camera van de deurbel, langsrijden of het fysiek volgen van een politiemedewerker. Enkele voorbeelden uit de vragenlijst: • ‘Overdag [was er] een observatie geweest. Collega ging met de dienstauto naar huis en is vanaf werk gevolgd door meerdere voertuigen die zich in de omgeving hadden opgehouden’ (respondent vragenlijst). • ‘Aan blijven kijken en met het hoofd schudden’ (respondent vragenlijst). Direct tegen de persoon, maar niet face to face Bedreiging en/of intimidatie direct tegen de persoon, maar niet face to face komt ook voor, zo blijkt uit de interviews.
In één geval gaat het om een melder die de politie belt en vraagt of hij het adres van een politiemedewerker met zijn vrienden mag delen, ‘want die willen hem graag een bezoekje brengen’ (respondent politie overig 1-6). Twee gevallen gaan over de naam van een politiemedewerker die op een muur is gekalkt. Een andere medewerker vertelt dat hij te horen kreeg dat actief naar zijn kenteken werd
39
2
Aard en omvang dreiging
gezocht in het criminele circuit. Of een politiemedewerker die stuitte op een katvanger en een aantal personen die in illegale autohandel zaten. Na aanhoudingen in deze zaak: ‘Ineens zit ik met een grote [etniciteit van de groepering] die aan het bureau kwam en zei: “Ik vind het niet leuk wat je doet.” En die vroeg: “Is die auto hiernaast van jou?” Even later had ik TCI aan de lijn: “[Naam respondent], we willen even met je praten.” Het waren zware [etniciteit van de groepering] criminelen die alles deden wat god verboden had’ (respondent opsporing die ten tijde van de dreiging in de GGP werkte 2-23). Een voorbeeld uit de vragenlijst: • ‘Wijkagent werd via derden gewaarschuwd dat zware jongens hem graag wilden pakken omdat hij veel verdovende middelen had gepakt.’ Een laatste voorbeeld uit deze categorie gaat over een respondent die in het verleden werkzaam was in de haven van Rotterdam: ‘Ik heb zelfs meegemaakt dat ik bij een zaak betrokken was en toen kwamen er brieven op het bureau. Die brieven kwamen van criminele [etniciteit groepering], die actief waren in het havengebied en daarvan had ik er een paar opgeschreven en ik had niet zo fijne ervaringen met één van deze mensen. Toen verscheen er een brief op het bureau over mij en daarin stond: “hij komt nog wel”.
Als je dan na een late dienst ziet dat je gevolgd wordt door een [land groepering] auto … Vanaf dat moment was ik mij bewust van het gevaar’ (respondent opsporing 2-13). Omkoping Hoewel corruptie niet de focus is van het onderzoek, hebben we hier wel naar gevraagd omdat medewerkers ook bedreigd kunnen worden om informatie te delen voor criminele doeleinden. We hebben hier twee vragen over gesteld. In figuur 2.3 is te zien dat we dit hebben geschaard onder een vorm van bedreiging en intimidatie. Zeven medewerkers (ongeveer 1% van alle respondenten) zegt hierop weleens geld of goederen aangeboden te hebben gekregen in ruil voor een tegenprestatie. Het gaat om medewerkers van verschillende eenheden, zowel in de GGP als in de opsporing. Deze respondenten hebben gemeen dat ze man zijn en langer dan 15 jaar in dienst zijn (twee respondenten hebben deze kenmerken niet ingevuld). Geen van de respondenten zegt echter informatie of andere diensten daadwerkelijk te hebben geleverd ten gevolge van de bedreiging. In de gesprekken komen meerdere voorbeelden van corruptie naar voren, maar we zijn niet tegengekomen dat iemand corrupt is geworden ten gevolge van bedreiging of intimidatie. Wel noemen respondenten andere oorzaken voor corruptie onder politiemedewerkers. Zij noemen bijvoorbeeld:
40
2.3
Verschijningsvormen
‘Wat je ziet is, althans dat is mijn ervaring met corruptie, dat het veel meer zit in de connectie die iemand heeft met bepaalde groeperingen, de voetbalvereniging of de wijk waarin je bent opgegroeid, noem maar op. Dat je langzaam maar zeker daarin wordt gezogen. Ook een stuk frustratie naar de organisatie toe. Een miskendtalentgevoel dat bijdraagt om die stap te nemen en corrupt te worden. Niet zozeer onder druk van geweld’ (respondent politie opsporing 1-4). ‘In bijna elk onderzoek dat wij doen, komt een corrupte collega voorbij. Of er is een link, bijvoorbeeld via de voetbalclub’ (respondent opsporing 2-2). ‘Hij was gescheiden en had een klein kind. En die [collega] had een drugsprobleem en hij ging drugs halen. Hij kwam bij een dealer terecht die wist dat hij bij de politie zat. In ruil voor drugs heeft hij informatie doorgespeeld aan de criminele organisatie’ (respondent opsporing 2-13). 2.3.2
Directe bedreiging met geweld
Naast bedreiging waarbij geen geweld is gebruikt, is de tweede categorie die het meeste voorkomt directe bedreiging met geweld. In figuur 2.5 is te zien dat 5% van de medewerkers weleens fysiek hinderen meegemaakt heeft, bijna 4% bedreiging door fysiek contact en 3% bedreiging door een wapen.
Door dreiging met een wapen
1,1
Door fysiek contact (bijvoorbeeld duwen, vastpakken, mishandeling, ontvoering)
3,7
Door fysiek hinderen (bijvoorbeeld de uitgang blokkeren of achtervolgen)
5,2
0
1
2
3
4
5
6
Figuur 2.5. Ervaren dreiging en intimidatie vanuit georganiseerde criminaliteit (%), N=617, meerdere antwoorden mogelijk. Onderzoeksgroep = alle bevraagde politiemedewerkers.
41
2
Aard en omvang dreiging
Uit de interviews komen een aantal gevallen van dit type dreiging naar voren. Voorbeelden die genoemd worden gaan onder andere over inrijden met een auto op een politiemedewerker of mishandeling, zoals in het volgende casusvoorbeeld. Casusvoorbeeld confrontatie wijkagent en zware crimineel De respondent is ten tijde van het incident wijkagent. In zijn wijk woont een persoon die hoort bij een criminele motorbende en die op dat moment verdacht wordt van betrokkenheid bij meerdere zware delicten, zoals witwassen, een poging tot liquidatie en drugsproductie. De respondent komt voor het eerst in aanraking met deze persoon in zijn wijk bij een uit de hand gelopen conflict met boa’s over zijn loslopende hond. De wijkbewoner wordt bij het aanspreken door de boa’s boos en gedraagt zich dusdanig intimiderend dat de boa’s zich niet meer veilig voelen om het bekeuringsgesprek af te ronden. De wijkagent gaat hierop bij de man langs en heeft voor zijn gevoel een goed gesprek en het bekeuringsgesprek wordt alsnog afgerond. Enige tijd later wil de wijkagent een vrouw bekeuren voor haar loslopende hond. De vrouw zegt dat ze haar legitimatie niet bij zich heeft en vraagt of ze naar huis mag om deze op te halen. Haar huis is dichtbij, dus de respondent laat haar gaan.
Wanneer hij ziet dat ze naar het huis gaat van de persoon waar de wijkagent eerder is geweest, beseft hij dat dit weleens tot een confrontatie kan gaan leiden. En dit gebeurt ook, vertelt hij: ‘Hij komt als een stier op me af. Ik zei: [naam]. Zullen we hier over praten? En dan vliegt hij me aan, met vlakke handen. Ik weet dat hij wapengevaarlijk is. Dat hij bij een criminele organisatie zit en bij een motorclub. Dus ik zat werkelijk met mijn hand bij mijn vuurwapen. Dat terwijl het gaat om de bekeuring van een loslopende hond. En ik zie uiteindelijk geen wapen. Gelukkig ben ik nog helder genoeg van geest om een wagen erbij te vragen. Ik vroeg om een wagen erbij. Dat doe ik niet zo vaak. Daar vraag ik eigenlijk nooit om, ze kennen me, dus ze reden de straatstenen er voor mij uit. En ik pepper hem en heb hem redelijk snel onder controle’ (respondent GGP 2-7). De respondent komt ervan af zonder fysiek letsel en zijn aanvaller is uitgenodigd voor een reprimandegesprek bij de officier van justitie. Hij komt de man een paar maanden later weer tegen in zijn wijk en op het moment dat hij langskomt, hoort hij dat de man tegen zijn gesprekspartner zegt: ‘Dat is die vervelende wijkagent. Die komt zichzelf nog wel een keer tegen. Hij heeft geen idee wie hij voor zich heeft’ (respondent GGP 2-7).
De desbetreffende man is uiteindelijk veroordeeld voor moord op iemand uit het criminele circuit.
42
Verschijningsvormen
2.3.3
2.3
Voorgenomen bedreigingen die aan het licht komen
Ongeveer 3% van alle respondenten heeft ooit te maken gehad met voorgenomen bedreigingen vanuit georganiseerde criminaliteit die aan het licht komen via bijvoorbeeld collega’s, PGP-berichten of TCI-informatie. Zoals eerder in figuur 2.2 is getoond, komt deze vorm van bedreiging twee keer zo vaak voor bij medewerkers uit de opsporing (12,2%) dan bij medewerkers uit de GGP (6,2%). In de interviews zijn we enkele voorbeelden van dit type bedreiging tegengekomen. Eén voorbeeld is reeds beschreven in paragraaf 2.3.1. Het kan hierbij gaan om een concrete bedreiging tegen een persoon, maar ook om een naam die bekend is bij een (lid van) een criminele groepering. Ook dit laatste kan als bedreigend worden ervaren, zoals onderstaand casusvoorbeeld laat zien. Casusvoorbeeld bedreiging rechercheteam Het rechercheteam van de respondent draaide veel zaken op een persoon die lid is van een criminele motorbende en zich bezighield met verschillende criminele activiteiten. Een respondent vertelt hierover: ‘Dus wij hebben heel veel zaken op die club gedraaid: verdovende middelen, afpersingen, zware mishandelingen. We hebben heel veel dossiers ingeleverd en we hebben heel veel doorgewerkt op hem’ (respondent 2-4). In de dossiers komt de naam van het team meerdere malen voor en dit is ook bij de verdachte niet onopgemerkt gebleven.
Het team merkt dat hij wil weten wie er in hun onderzoeksteam zit: ‘Hij wil weten wie zijn tegenstander is.’ Dit blijkt uit tapinformatie (waarin de teamnaam meerdere malen wordt genoemd door de verdachte) en dossiers die gevonden zijn bij doorzoekingen. Ook blijkt dat de namen van enkele teamleden bekend zijn bij de verdachte. Zoals gezegd, kan een voorgenomen dreiging ook concretere vormen aannemen en kan dit ertoe leiden dat een politiemedewerker in het stelsel bewaken en beveiligen komt en persoonsbeveiliging krijgt. Ook hier zijn we voorbeelden van tegengekomen in ons onderzoek. Het gaat dan om dreigingen die aan de hand van een zogenoemde dreigingsanalyse als reëel worden ingeschat, zoals toen de naam en het adres van een recherchechef werden gevonden bij een doorzoeking in het kader van een onderzoek naar een criminele organisatie. Of een voorgenomen aanslag op een boegbeeld in de strijd tegen georganiseerde criminaliteit die veelvuldig in de media kwam. Een andere respondent uit de opsporing: ‘Het verhaal van TCI was eigenlijk dat er twee kalasjnikovs waren aangeschaft om mij te liquideren’ (respondent 2-14). De impact en gevolgen van dreiging komen nader aan bod in hoofdstuk 4.
43
2
Aard en omvang dreiging
2.3.4
Indirecte bedreigingen
Tot slot zijn er nog indirecte bedreigingen vanuit de georganiseerde criminaliteit. Deze categorie is relatief het minst genoemd in de vragenlijst: ongeveer 2% van de respondenten heeft hier weleens mee te maken gekregen. Het gaat bij deze categorie bijvoorbeeld om vreemde auto’s of personen voor de deur of brandstichting aan de woning van een politiemedewerker. Voorbeelden die respondenten in de interviews noemen zijn: • kogelbrieven; • lek steken autobanden (van de privéauto op de oprit); • bouten losdraaien auto; • zuur over de auto gegooid; • brandstichting (van woningen of auto); • ingegooide ruiten; • ophouden voor de woning; • verdachte auto’s voor de deur; • verdachte auto’s voor het bureau; • anonieme telefoontjes; • vuurwerkbom door de brievenbus of aan de voordeur plakken. Bij veel van deze gevallen weten de respondenten niet zeker of de dreiging echt werkgerelateerd is, maar ze vermoeden dit wel. Soms weten ze dit wel zeker, bijvoorbeeld wanneer een ‘bekende’ op de camera van de deurbel is gezien of bij het natrekken van kentekens. Een respondent uit de noodhulp vertelt: ‘Nou, ik woonde hier in [woonplaats] in een flat en ik kijk uit het raam en ik zie een auto naast mijn auto parkeren en naar mijn kenteken kijken en ik zie hem naar iemand in de flat wijzen en seinen van hé, dit is de auto. Die gast heb ik nog nooit aan de kant gezet.
En hij kwam hier ook niet vandaan, want dat hadden we op basis van zijn kenteken kunnen achterhalen. En een paar weken later zet ik hem aan de kant en hij zegt ‘Hé [voornaam respondent]’en dat is toch gek, want ik had hem nog nooit gezien. En dan ga je toch nadenken. Mijn vrouw rijdt elke dag met die auto en toen heb ik wel even bedacht van ja, dat vind ik niet tof meer. Ik denk niet dat ze wat gaan doen maar er zit wel iets achter. Wat zouden ze met mijn kenteken willen doen? Misschien een tracker eronder om te kijken waar ik woon of een keer vuurwerk binnenkort en dat wil ik niet voor mijn vriendin’ (respondent GGP 2-6). 2.4
Samenvatting
In dit hoofdstuk is gekeken naar de aard en mate waarin politiemedewerkers uit de GGP en opsporing te maken krijgen met dreiging vanuit georganiseerde criminaliteit. Hieruit blijkt dat een kwart van de respondenten of hun naasten hiermee te maken
44
Samenvatting
2.4
heeft gehad, of dit in elk geval vermoedt. Alle onderzochte vormen van dreiging komen voor onder de respondenten. Het blijkt dat niet alleen medewerkers uit de opsporing het risico lopen op dreiging vanuit georganiseerde criminaliteit, maar dat ook medewerkers uit de GGP hiermee te maken krijgen. Uit de vragenlijst blijkt dat medewerkers uit de GGP hier het afgelopen jaar zelfs twee keer zo vaak mee te maken krijgen. Vooral wijkagenten blijken vaak het doelwit te worden wanneer zij in hun reguliere werkzaamheden in conflict komen met zware criminelen. Tevens komen uit het onderzoek tal van voorbeelden waaruit blijkt dat bij een verdachte persoonlijke informatie over de politiemedewerker bekend is, zoals adressen, kentekens of adressen van scholen waar kinderen van de medewerkers op zitten. Bij de opsporing komt voorgenomen dreiging tevens regelmatig voor. Deze vorm van dreiging komt bijvoorbeeld aan het licht via de tap, PGP-berichten of TCI-informatie en kan gericht zijn op een individu, maar ook op een heel opsporingsteam.
45
2
46
Aard en omvang dreiging
3.1
3
Achtergrond dreiging
‘Wanneer wij beter ons werk gaan doen, dan ga je meespelen in die wereld. Dan word je een speler waar ze rekening mee gaan houden en dat betekent dat ze dat soort geweld ook tegen jou gaan gebruiken’ (respondent opsporing 1-4). 3.1
Inleiding
In dit hoofdstuk gaan we dieper in op de achtergronden van de dreiging. Uit het onderzoek blijkt dat dreigingen tegen politiemedewerkers verschillen in doel en inhoud. Om meer duiding te geven aan de impact bespreken we in hoeverre de respondenten de dreiging geloofwaardig vinden. Tevens besteden we aandacht aan bevindingen uit het onderzoek die te zien zijn als contrastrategieën en die een dreigende impact hebben op de betreffende politiemedewerkers. Speciale aandacht krijgen in dit hoofdstuk zogenoemde boegbeelden bij de politie, specifieke politiemedewerkers in de aanpak van georganiseerde criminaliteit die publiekelijk zichtbaar zijn. Verder gaan we in op de kenmerken van de plegers (voor zover bekend) en met welke criminaliteitsvormen zij zich – volgens de respondenten – bezighouden. De bevindingen zijn gebaseerd op de interviews, de vragenlijst en expertsessies. Als we bevindingen uit de vragenlijst beschrijven, dan richten we ons op de politiemedewerkers die hebben aangegeven dat ze daadwerkelijk met bedreiging en intimidatie vanuit georganiseerde criminaliteit te maken hebben gekregen. Dit zijn 153 van de 617 respondenten (24,8%). 3.2
Doel
In de vragenlijst is aan de respondenten die bedreiging en intimidatie vanuit georganiseerde criminaliteit hebben ervaren (N=153) gevraagd wat volgens hen het doel van de dreiging was. In figuur 3.1 is een overzicht te zien van de antwoorden. Sommige doelen zijn te categoriseren als emotioneel. Zo noemt bijna de helft van de respondenten het uitdagen van de politie als doel, gevolgd door het uiten van onmacht (47,0%). In deze categorie valt ook het nemen van wraak (11,8%). Andere doelen die door respondenten genoemd worden zijn meer instrumenteel, zoals het verwerven van aanzien bij anderen (26,8%), verstoren van het opsporingsonderzoek (22,9%) of de doorzoeking (21,6%), het voorkomen van de aanhouding (19,0%), het voorkomen van het opmaken van een proces-verbaal (9,2%) of het staken van het onderzoek (7,8%). Bijna 10% van de respondenten denkt dat het doel van de bedreiging en intimidatie informatievergaring is.
47
3
Achtergrond dreiging
Anders, namelijk Geen specifiek doel Het al opgemaakte proces-verbaal vernietigen Onderzoek naar een misdrijf staken Geen proces-verbaal opmaken Informatievergaring Dat ik zou doen wat de bedreiger wilde Ontsnappen/ontkomen Wraak Aanhouding voorkomen Doorzoeking verhinderen/verstoren Onderzoek naar een misdrijf verstoren Aanzien verwerven bij anderen Het uiten van wode, onmacht Uitdagen van de politie
7,8 6,5 3,3 7,8 9,2 9,8 10,5 11,8 11,8
0
10
19 21,6 22,9 26,8
20
30
47,1 49,7 40
50
60
Figuur 3.1. Doel van intimidatie/bedreiging vanuit georganiseerde criminaliteit (%), N=153, meerdere antwoorden mogelijk. Onderzoeksgroep = medewerkers die met dreiging vanuit georganiseerde criminaliteit te maken hebben gehad.
Uit de interviews blijkt dat het doel van de dreiging niet altijd duidelijk is. Dit geldt met name bij voorgenomen dreiging die aan het licht is gekomen bij TCI. Hierbij worden medewerkers wel ingelicht over de dreiging, maar meestal niet over de achtergrond hiervan. In de woorden van een respondent: ‘Nou, dat is het mooie van de TCI. Dat weten we niet en krijgen we dan ook niet te horen. Daar blijven we dan ook vandaan. Het komt erop neer dat iemand uit het criminele milieu heeft laten weten, via een informant, dat die dreiging er was. Dat gaat dan heimelijk’ (respondent recherche 2-9). Uit de interviews met mensen die dit hebben ervaren, blijkt dat onzekerheid over de achtergrond van de dreiging leidt tot onveiligheidsgevoelens en onrust. Enkele respondenten die dit hebben meegemaakt, vertellen dat ze meer rust ervaarden toen ze wisten uit welke hoek de dreiging kwam. 3.3
Inhoud dreiging
Naast het doel van de bedreiging is respondenten ook gevraagd naar de inhoud ervan. Het gaat hier om dreigingen die niet bestaan uit het plegen van fysiek geweld, maar die vallen onder andere verschijningsvormen. Figuur 3.2 geeft een overzicht van de antwoorden. Iets meer dan een derde van de 153 respondenten zegt dat er niet met een gerichte actie is gedreigd. In de meeste gevallen is er wel een inhoud bekend, waarbij dreiging van fysiek geweld tegen de respondent het meeste voorkomt (42,8%), gevolgd door dreiging met de dood tegen de respondent (20,9%).
48
3.4
Contrastrategieën
45
41,8
40
35,3
35 30 25
20,9
20 15
9,8
10
7,8
5 0
7,2
6,5
Met fysiek Met de Met fysiek Met de Met de Met een Er is niet geweld dood van geweld vernieling dood van misdrijf met een tegen uzelf uzelf tegen uw van uw waarmee de gerichte naasten goederen naasten algemene actie veiligheid gedreigd in gevaar komt
7,2
Overig
Figuur 3.2. Waarmee gedreigd is (%), N=153, meerdere antwoorden mogelijk. Onderzoeksgroep = medewerkers die met dreiging vanuit georganiseerde criminaliteit te maken hebben gehad.
In de categorie ‘anders, namelijk’ vallen twee type dreigingen op. In een aantal gevallen gaat het om het dreigen met het thuis (laten) opzoeken van de politiemedewerker. Verder wordt in een aantal gevallen gedreigd met het aanbrengen van reputatieschade. Deze respondenten noemen de volgende voorbeelden: • ‘Dat het mijn baan zou kosten, omdat ik zou discrimineren’ (respondent vragenlijst). • ‘Met een beschuldiging van omkoping’ (respondent vragenlijst). • ‘Met het aangeven dat collega’s onrechtmatig zouden hebben gehandeld’ (respondent vragenlijst). 3.3.1
Geloofwaardigheid van de dreiging
Aan de 153 respondenten is vervolgens gevraagd hoe geloofwaardig ze de dreiging vinden. Hieruit blijkt dat bijna 38,9% van de respondenten die ooit te maken heeft gehad met dreiging vanuit de georganiseerde criminaliteit de laatst ervaren dreiging heel geloofwaardig vindt. Bijna de helft (48,1%) schat deze in als ‘een beetje geloofwaardig’. En slechts 13% vindt de laatst ervaren dreiging niet geloofwaardig. 3.4
Contrastrategieën
Uit de bevindingen van dit onderzoek komt het beeld naar voren dat de inzet van vormen van contrastrategieën19 vanuit de georganiseerde criminaliteit geen uitzondering 19
Hiermee bedoelen we de bewuste inzet van bedreiging en intimidatie van politiemedewerkers om het optreden van de politie te verstoren.
49
3
Achtergrond dreiging
is. Dit geldt zowel voor de GGP als de opsporing. Het gaat volgens de respondenten om intimidatie en bedreiging door netwerken op lokaal niveau en door criminele netwerken die op internationaal niveau opereren en onderwerp zijn van omvangrijke opsporingsonderzoeken. 3.4.1
Verzamelen van persoonlijke informatie
In paragraaf 2.3.1 zagen we al dat politiemedewerkers regelmatig in aanraking komen met personen die op de hoogte blijken te zijn van hun persoonlijke informatie, zoals woonadressen, gezinssamenstelling, scholen van kinderen en kentekens van privéauto’s. Soms gaat het om meer gedetailleerde informatie, zoals een aangehouden verdachte die wist van het overlijden van de schoonvader van de politiemedewerker. Deze verdachte is een lokale drugsdealer in wiens opdracht – zo luidt de verdenking – later bij meerdere politiemedewerkers van het basisteams ruiten ingegooid zijn. Een van hen vertelt: ‘In het begin hebben wij aangegeven [aan het rechercheteam] wie wij dachten dat de dader was. En diegene was het uiteindelijk ook. Door goed onderzoek en het OT [observatieteam] zijn de daders in beeld gekomen. En dat degene die betaald was “het is gelukt” en dat soort berichten heeft verstuurd. En in camerabeelden zie je wel dat de intellectuele dader [de opdrachtgever] bij mijn deur is geweest’ (respondent GGP 2-18). Bij deze casus zijn naast de opdrachtgever ook een tussenpersoon en de persoon die daadwerkelijk de ruiten heeft ingegooid aangehouden, allen bekenden uit het lokale drugscircuit. In hetzelfde werkgebied is een dealertelefoon aangetroffen met daarop foto’s van de slachtoffers en van veel andere politiemedewerkers van de betreffende eenheid.
Dit voorbeeld heeft voor veel onrust gezorgd bij de medewerkers van het betreffende basisteam. 3.4.2
Aantasting anonimiteit van de opsporing
Uit het voorbeeld in paragraaf 2.3.3 blijkt dat soms een heel rechercheteam het doelwit kan zijn van (informatievergaring door) ‘de andere kant’. Om identificatie te voorkomen, kunnen politiemedewerkers in bepaalde gevallen een proces-verbaal ondertekenen met een nummer in plaats van met hun naam (in het volgende hoofdstuk gaan we hier dieper op in). Het onthullen van de naam die bij een nummer onder een proces-verbaal hoort, zorgt bij politiemedewerkers voor onveiligheidsgevoelens omdat ze hiermee hun anonimiteit verliezen. In de interviews en expertsessies horen we dat politiemedewerkers in dit verband een dreiging ervaren van advocaten van criminele groeperingen wanneer deze weten welke rechercheurs bij een nummer horen dat veel voorkomt in een dossier. In de interviews en bij de expertsessies horen we meerdere voorbeelden van politiemedewerkers die
50
B oegbeelden en ‘crime fighters’
3.5
gefotografeerd worden tijdens de zitting of wanneer ze de rechtsbank verlaten. Of van advocaten die in de pauze achter de namen van de bezoekers proberen te komen. Een respondent heeft meegemaakt dat hij onthuld werd tijdens de zitting: ‘In het hoger beroep toen zat de hoofdverdachte voor mij en toen kwam de advocaat en die liep naar de hoofdverdachte. En hij kijkt mij aan, en hij zegt oh, jij bent nummer *** toch? En toen keek de hoofdverdachte ook om naar mij en toen was ik bekend’ (respondent opsporing 2-21). Omdat de nummers uniek verbonden zijn aan een persoon, is het mogelijk dat een advocaat uit een eerdere zaak weet van wie een nummer is. In gesprekken, maar ook in de vragenlijst vertellen respondenten dat ze ervaren dat advocaten erachter proberen te komen wat de naam is van een verbalisant die bij een nummer hoort. Een respondent over de herkomst van de dreiging: ‘Door advocatuur. Uit veiligheid werken wij onder nummer. Meermalen is en wordt er telefonisch maar ook in persoon getracht door advocaten om namen van collega’s aan nummers te koppelen. En tijdens verhoren worden er door advocaten (stiekem) foto’s gemaakt van collega’s. Beide wordt als dreigend ervaren door mijzelf en door mijn collega’s’ (respondent vragenlijst).
Ook het – onbewust – doorzetten van e-mails met identiteitsgegevens van politiemedewerkers door het Openbaar Ministerie of de rechter-commissaris naar advocaten kan zorgen voor een onveilig gevoel bij medewerkers die opsporingsonderzoeken verrichten tegen actoren uit de georganiseerde criminaliteit. 3.5
Boegbeelden en ‘crime fighters’
Specifiek typen kwetsbare politiemedewerker die uit de interviews naar voren komen, zijn de zogenoemde zichtbare boegbeelden en de crime fighters. In de gesprekken zijn we een aantal voorbeelden tegengekomen van politiemedewerkers die zichtbaar zijn als bestrijders van georganiseerde criminaliteit en die ten gevolge daarvan bedreigd zijn. Dergelijke boegbeelden komen in verschillende geledingen voor. Het kan bijvoorbeeld gaan om een projectleider ondermijning van een basisteam die zichtbaar aanwezig is bij bijvoorbeeld integrale controles, maar ook om iemand die vaak op regionale of landelijke media te zien is als boegbeeld tegen georganiseerde criminaliteit, zoals in het volgende voorbeeld. Voorbeeld dreiging tegen boegbeeld De respondent is namens de politie regelmatig in het nieuws bij ondermijningsgerelateerde zaken. Vaak gaat het over informatie in algemene zin en nooit over specifieke criminele netwerken of verdachten. Op een dag wordt hij gebeld door zijn chef over
51
3
Achtergrond dreiging
een doodsbedreiging tegen hem van een bekende criminele groepering. De dreiging wordt ingeschat als zeer reëel en de respondent en zijn partner moeten onmiddellijk ‘in de beveiligde maatregelen’. De aanleiding voor de bedreiging blijkt niet persoonlijk te zijn; de respondent is geselecteerd omdat hij een bekende politieman is. De criminele groepering die verantwoordelijk was voor de dreiging wilde een daad stellen en laten zien dat ze een serieuze criminele groepering zijn. De respondent zegt zich hierdoor niet te laten afschrikken, maar maakt wel bewustere keuzes ten aanzien van mediaoptredens. Soms kan een medewerker ook per abuis aangezien worden voor een boegbeeld. Zo horen we het voorbeeld van een politiemedewerker die bij het flexteam werkte en aanwezig was bij het ruimen van een hennepkwekerij. Tijdens de ontruiming werd een foto van hem gemaakt en gedeeld in een socialemedia-appgroep van verdachten. Ten gevolge hiervan is hij bedreigd aan huis en tijdelijk ondergedoken. Achteraf bleek dat de dreigers dachten dat hij rechercheonderzoek deed naar internationale drugszaken. De respondent over deze casus: ‘En als er dan [etniciteit plegers] voor je huis staan en je opzoeken en denken dat jij onderzoeken doet naar internationale hennepkwekerijen, dat doet wel wat met je. Als je daar ’s avonds met je gezin en kinderen bent en ze gewoon aan je voordeur komen.
Dat is wel heftig. Als dat de norm wordt, kunnen we hier de boel wel opdoeken’ (respondent GGP 2-6). Uit de gesprekken die we voeren met zogenoemde boegbeelden blijkt dat ze voorafgaand aan de dreiging niet expliciet hebben nagedacht over dat het zijn van een boegbeeld een risico zou kunnen vormen. Ook boegbeelden die we spreken die geen ervaring hebben met dreiging vertellen dat ze hier tevoren nooit over nagedacht hadden. In selectiegesprekken, maar ook bij de speciale training voor boegbeelden bij de politie, blijkt dit geen gespreksonderwerp te zijn waar vooraf met medewerkers over gesproken wordt. In sommige gevallen zijn ze zich later wel bewust geworden van een mogelijk risico, vanwege de dreiging op een collega in een soortgelijke functie. 3.6
Plegers
In deze paragraaf staan de plegers centraal. Zoals in hoofdstuk 1 is uitgelegd, gaat het om de inschatting van de respondenten zelf of de dreiging die ze hebben ervaren afkomstig is vanuit georganiseerde criminaliteit. Om meer inzicht te krijgen in de aard van de plegers zijn in de vragenlijst een aantal vervolgvragen gesteld.
52
3.6
Plegers
3.6.1
Type plegers
In figuur 3.3 is te zien dat het merendeel van de 12920 respondenten die te maken heeft gehad met een dreiging vanuit georganiseerde criminaliteit weet door wie de bedreiging of intimidatie is gepleegd (79,0%). Vaak gaat het om (een lid van) een crimineel netwerk (56%), maar ook een criminele familie (31%) of criminele jeugdgroep (27,1%) worden door bijna een derde genoemd. Hierbij merken we op dat respondenten meerdere antwoorden konden aankruisen en de categorieën elkaar niet uitsluiten.
5,4
Anders, namelijk
19,4
Weet ik niet 1,6
Mobiele bende
10,1
OMG (Outlaw Motor Gang)
27,1
Criminele jeugdgroep
31
Criminele familie
55,8
Crimineel netwerk 0
10
20
30
40
50
60
* O.a. georganiseerde criminele havenarbeiders en beroepscriminelen Figuur 3.3. Kenmerken dader(s) (%), N=129, meerdere antwoorden mogelijk. Onderzoeksgroep = medewerkers die met dreiging vanuit georganiseerde criminaliteit te maken hebben gehad.
Uit de interviews komen verschillende type plegers naar voren, variërend van lokale criminele jeugdgroepen en dealernetwerken tot internationaal opererende criminele (drugs)netwerken. In sommige gevallen huurt de pleger iemand anders in om de bedreiging uit te voeren. Dit was bijvoorbeeld het geval bij de reeds besproken casus waarin een lokale dealer de opdrachtgever was voor het ingooien van ramen bij meerdere politiemedewerkers van een basisteam. Ook in de volgende casus was er sprake van opdrachtgeverschap.
20
Hoewel 153 respondenten te maken hebben gehad met een dreiging vanuit georganiseerde criminaliteit, hebben er maar 129 vragen over de plegers beantwoord. De N van deze paragraaf betreft daarom 129.
53
3
Achtergrond dreiging
Voorbeeld dreiging uit wraak In dit geval gaat het om de leider van een groepering die zich op grote schaal bezighield met skimmen en door de respondent bij toeval aangehouden werd. Een aanhouding die leidde tot het ontbinden van de criminele groepering. De respondent hoorde later dat de verdachte het hem persoonlijk kwalijk nam dat hij tegen de lamp was gelopen: ‘Nou, toen is hij gaan verklaren. Hij had mensen benaderd, waaronder de [naam OMG],21 om mij wat aan te doen’ (respondent opsporing 2-2). 3.6.2
Vormen van criminaliteit
Aan de respondenten is tevens gevraagd of ze weten aan welke vorm(en) van criminaliteit hun bedreiger(s) zich schuldig maakt/maken. De meeste respondenten weten of vermoeden waaraan de plegers zich schuldig maken (84,5%) en uit de antwoorden komen verschillende vormen van georganiseerde criminaliteit. Voor het merendeel gaat het om plegers die zich bezighouden met drugshandel (72,9%). In mindere mate gaat het om plegers van witwassen (29,5%), drugsproductie (24%) en zwaar en excessief geweld (24%). Ook hier konden meerdere antwoorden gekozen worden. Drugshandel
72,9
Witwassen
29,5
Drugsproductie
24
Zwaar en excessief geweld
24
Gewelddadige vermogensdelicten
23,3
Wapenhandel
17,1
Weet ik niet
15,5
Mensenhandel en/of mensensmokkel
5,4
Anders, namelijk
7,8
Figuur 3.4. Vormen van criminaliteit waar de pleger(s) zich (vermoedelijk) mee bezighoud(t)(en) (%), N=129, meerdere antwoorden mogelijk. Onderzoeksgroep = medewerkers die met dreiging vanuit georganiseerde criminaliteit te maken hebben gehad.
3.6.3
Werkgebied van de plegers
Tot slot is de respondenten gevraagd naar het werkgebied waarin de plegers opereren. Een meerderheid van 81,4% kan hier iets over zeggen. Uit de antwoorden blijkt dat de 21
54
OMG staat voor Outlaw Motorcycle Gang.
3.7
Samenvatting
plegers zowel internationaal, nationaal, regionaal en lokaal opereren, vaak in combinatie met elkaar. Regionaal wordt het meest genoemd (41,9%), gevolgd door nationaal (38,8%). Internationale en lokale werkgebieden komen iets minder vaak voor, respectievelijk 31,8% en 31,0%.
18,6
Weet ik niet
31,8
Internationaal
38,8
Nationaal
Regionaal
41,9
Lokaal*
31 0
5
10
15
20
25
30
35
40
45
*Waarvan 12 plegers alleen lokaal, de overige 28 zijn eveneens regionaal, nationaal en internationaal actief. Figuur 3.5. Werkgebied (%), N=129, meerdere antwoorden mogelijk. Onderzoeksgroep = medewerkers die met dreiging vanuit georganiseerde criminaliteit te maken hebben gehad.
In de interviews komen een aantal voorbeelden naar voren van criminele jeugdgroepen die zich bezighouden met ernstige delicten als drugshandel, overvallen of vuurwapenbezit. Vooral medewerkers uit de GGP krijgen met hen te maken. 3.7
Samenvatting
In dit hoofdstuk staan de achtergronden van de dreiging centraal. Hieruit blijkt dat dreiging vanuit georganiseerde criminaliteit zowel een instrumenteel als een niet-instrumenteel doel kan hebben. Wanneer het gaat om voorgenomen dreiging die aan het licht is gekomen, is het doel niet altijd duidelijk bij de medewerker op wie de dreiging gericht is. Als het gaat om het soort dreiging, dan gaat het in de meeste gevallen om dreiging met fysiek geweld of de dood. Ook het aanbrengen van schade aan de reputatie van de politiemedewerker is iets waar mee gedreigd wordt. Hoewel politiemedewerkers gewend zijn aan een bepaalde mate van dreiging en intimidatie, zegt bijna 40% van de respondenten dat ze de dreiging heel geloofwaardig vinden en slechts een klein percentage (13%) vindt de dreiging niet geloofwaardig. Er is ook gekeken naar de inzet van intimidatie en dreiging als vorm van contrastrategie. Op dit gebied zijn er verschillende vormen naar voren gekomen: het verzamelen
55
3
Achtergrond dreiging
van persoonlijke informatie (en die vervolgens dreigend gebruiken) en pogingen om de anonimiteit van actoren in de opsporing aan te tasten. Hierbij ervaren respondenten niet alleen dreiging vanuit georganiseerde criminaliteit, maar ook vanuit de advocatuur. Wanneer het gaat om de plegers van de dreiging, dan gaat het volgens de respondenten in de meeste gevallen om leden van een crimineel netwerk, een criminele familie of een criminele jeugdgroep. Deze plegers kunnen zowel lokaal als op nationaal of internationaal niveau opereren en houden zich volgens de respondenten het meest bezig met drugscriminaliteit (handel en productie).
56
4.1
4
Melden en aangifte
‘Die woorden op zich zijn niet strafbaar, maar iedereen weet wat er met die woorden bedoeld wordt. Maar het is geen strafbare bedreiging. Als je er aangifte van doet, wordt de zaak waarschijnlijk geseponeerd’ (respondent vragenlijst). 4.1
Inleiding
Om de omvang van een criminaliteitsfenomeen te bepalen wordt doorgaans gebruikgemaakt van informatie die geregistreerd is in politiesystemen. Als het gaat om (verschillende vormen van) dreiging vanuit georganiseerde criminaliteit hebben we al in de inleiding gezien dat hier nu geen betrouwbare cijfers van voorhanden zijn; enkel de cijfers van GTPA-geregistreerde incidenten zijn beschikbaar en die bevatten geen informatie over de rol van georganiseerde criminaliteit.22 Om een beter beeld te krijgen van de mate waarin politiemedewerkers melding en aangifte doen van dreiging die ze hebben meegemaakt, hebben we hier vragen over opgenomen in de vragenlijst. Meer inzicht hierin biedt enerzijds aanknopingspunten voor verbetering (deze worden behandeld in hoofdstuk 8) en anderzijds zegt het iets over het dark number van het fenomeen; criminaliteit die wel ervaren wordt, maar niet wordt geregistreerd en daardoor buiten beeld blijft. De aantallen in dit hoofdstuk die gebaseerd zijn op de vragenlijst betreft een onderzoeksgroep van 121 respondenten die dreiging hebben ervaren en die de vragen over aangifte en melding hebben beantwoord. Naast de uitkomsten van de vragenlijst, is kwalitatieve informatie uit de interviews gebruikt ter nadere duiding en illustratie. Tevens komen in dit hoofdstuk afspraken aan bod die gemaakt zijn in het kader van veilige publieke dienstverlening. 4.2
Melden
De 121 respondenten die te maken hebben gehad met intimidatie of dreiging23 is gevraagd of zij van de laatst ervaren situatie intern een melding hebben gemaakt en/of ze dit incident hebben besproken. Ter achtergrond: landelijk hebben politie en Openbaar 22 23
GTPA staat voor geweld tegen politieambtenaren. De politie publiceert jaarlijks de cijfers van de als zodanig geregistreerde incidenten. Dit is het gedeelte van de in totaal 154 respondenten (van de 617) die daadwerkelijk dreiging hebben ervaren, dat antwoord heeft gegeven op de vragen over melden en het doen van een aangifte.
57
4
Melden en aangifte
Ministerie afspraken gemaakt over de aanpak van agressie en geweld tegen functionarissen met een publieke taak; de zogenoemde eenduidige landelijke afspraken (ELA).24 Deze afspraken gelden ook voor politiemedewerkers die te maken krijgen met agressie en geweld. Uitgangspunt van deze afspraken is dat functionarissen die zich met de uitvoering van hun taak bezighouden extra moeten worden beschermd tegen agressie en geweld. In de ELA staan opsporingsafspraken die het belang van een melding benadrukken. Zo is hierin te vinden: ‘Meldingen van agressie en/of geweld tegen functionarissen met een publieke taak krijgen directe opvolging’ (ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, z.d.). In de praktijk blijkt echter dat niet alle incidenten van dreiging vanuit georganiseerde criminaliteit gemeld worden. 4.2.1
Omvang melden
Bij de vraag of respondenten een melding hebben gemaakt van hun laatste ervaring met dreiging vanuit georganiseerde criminaliteit is onderscheid gemaakt tussen melden en bespreken. Bij melden gaat het om een melding maken bij een coördinator of leidinggevende, terwijl bespreken informeler is en vaker onder collega’s plaatsvindt. Uit de vragenlijst blijkt dat het merendeel van de respondenten (71,0%) hun laatste ervaring intern besproken of gemeld heeft. Het incident is hierbij vaker besproken (53,3%) dan gemeld (28,7%). Bijna 30% van de respondenten vertelt dus niemand op zijn werk over de ervaren dreiging. In figuur 4.1 is dit uitgesplitst naar type dreiging. Voorgenomen bedreigingen die aan het licht komen, worden het meest besproken en/of gemeld. Dit is mogelijk te verklaren doordat dit type dreiging reeds bekend is bij de politie en vaak ook via de teamchef gedeeld wordt met degene op wie de dreiging is gericht. Daarnaast blijkt uit de tabel dat indirecte bedreigingen veel vaker besproken worden op de werkvloer in plaats van gemeld.
24
58
Zie ook: Eenduidige landelijke afspraken (ELA), convenant, Rijksoverheid.nl (https://www.rijksoverheid.nl/ documenten/convenanten/2007/10/01/eenduidige-landelijke-afspraken-ela).
4.2
Melden
22,2
Indirecte bedreigingen
77,8 50
Voorgenomen bedreigingen die aan het licht komen 39,4
Directe fysieke bedreiging met geweld
48,5
25,5
Directe bedreiging zonder geweld 0
10
% gemeld
20
30
75
50 40
50
60
70
80
90
% besproken
Figuur 4.1. Melden en/of bespreken naar categorie van ervaren intimidatie/bedreiging, (%)25, N=121. Onderzoeksgroep = medewerkers die met dreiging vanuit georganiseerde criminaliteit te maken hebben gehad.
4.2.2
Redenen om niet te melden
Aan de respondenten die het incident niet gemeld of besproken hebben (28,7%), is gevraagd naar de reden daarvan. In figuur 4.2 zijn de redenen weergegeven waarom respondenten niet gemeld hebben. Niet ernstig genoeg In de meeste gevallen vonden respondenten het incident niet ernstig (77,1%) of concreet genoeg (34,3%) om te melden. Er zijn geen respondenten die zeggen dat ze niet gemeld hebben uit angst voor de pleger. In een toelichting geven meerdere respondenten aan dat bedreigd worden nu eenmaal onderdeel is van het werk. Een respondent: ‘Ik vond destijds dat het erbij hoorde; als je politiewerk doet, dan word je nu eenmaal regelmatig bedreigd’ (respondent vragenlijst). Naast het niet erg genoeg vinden, zeggen respondenten in de interviews geen melding te maken als ze denken dat hun leidinggevenden of anderen ‘er toch niks mee kunnen’. Dit past bij de categorie in de vragenlijst dat melden geen zin zou hebben (8,6%). Een respondent zegt hierover: 25
De percentages tellen niet op tot 100 omdat respondenten in meerder categorieën kunnen zitten.
59
4
Melden en aangifte
‘Het doen van aangifte tegen de dader zou escalerend kunnen werken. Hij staat erom bekend politiemensen te intimideren en bedreigen. Hij is daar al vaker voor aangehouden zonder resultaat’ (respondent vragenlijst). Uit de vragenlijst blijkt ook dat sommige respondenten vertrouwen op de intelligenceafdeling om hen te waarschuwen als het om een serieuze bedreiging gaat. Ik was bang voor de pleger
0
Ik was bang voor escalatie
2,9
Ik schaamde mij voor collega’s en/of leidinggevende
2,9
Ik wist niet wie de pleger was
5,7
Ik heb het zelf met de pleger besproken en dit was...
5,7
Ik dacht dat melding geen zin zou hebben
8,6
Ik vond het incident niet concreet genoeg
34,3
Ik vond het incident niet ernstig genoeg
77,1 0
10
20
30
40
50
60
70
80
90
Figuur 4.2. Redenen om niet te melden en/of bespreken (%), N=35, meerdere antwoorden mogelijk. Onderzoeksgroep = medewerkers die met dreiging vanuit georganiseerde criminaliteit te maken hebben gehad en deze niet gemeld hebben.
Zelf oplossen In de vragenlijst zegt 5,7% dat ze het zelf besproken hebben met de pleger en dat dit voor hen voldoende was. Ook het zelf (proberen te) oplossen wordt in de interviews genoemd als reden om niet te melden. Het zelf oplossen in plaats van melden, kan verschillende redenen hebben. Het kan zijn dat de ontvanger van de dreiging deze snel wil neutraliseren. Zo beschrijft een respondent in de vragenlijst: ‘Een crimineel zei me tijdens het verdachtenverhoor te weten waar ik woonde en wie mijn kinderen waren. In een reactie heb ik hem toen onomwonden voorgehouden wat de gevolgen voor hem zouden zijn als er iets met mijn woning of mijn familie zou gebeuren’ (respondent vragenlijst). Uit de interviews blijkt echter ook dat angst een reden kan zijn. Respondenten proberen het incident dan zelf op te lossen om escalatie of verdere problemen met de pleger(s) te vermijden. We zijn in de interviews ook voorbeelden tegengekomen van respondenten die de dreiging erg waarschijnlijk achten en als reactie een dreiging terug deden. Zoals de volgende respondent die meemaakte dat een zware crimineel, betrokken bij drugshandel en afrekeningen, hem in privétijd tegenkwam met zijn gezin en later zijn kenteken noemde.
60
Melden
4.2
‘Nou, in dat gesprek heb ik tegen hem gezegd: “[bijnaam], luister. Als ik jou aan de deur zie, dan wordt er niet meer gesproken, dan schiet ik je faliekant voor je kop. En als ik jou bij mijn gezin zie, dan ben jij aan de beurt”’(respondent 2-12). Andere voorbeelden uit de interviews: ‘Ik ben gevraagd door het diensthoofd: “Wil je dit onderzoek draaien, want er speelt veel. Heel veel collega’s zijn bang, die worden geïntimideerd. Door de motorclub.” Ik zei: “Laten we één ding afspreken, als hij bij mij komt, dan pak ik hem, en diegene die mij in de organisatie tegenhoudt, die pak ik mee.” Want het kan niet zo zijn, dat wij toegeven’ (respondent opsporing 2-4). ‘Dat was toen een bekende jongen vanuit een bekende [etniciteit] criminele familie. We hadden hem ergens voor aangehouden en hij ging mee naar het bureau. Maar toen bedreigde hij me ook. Hij zei: “Als ik je tegenkom schiet ik je door je kop.” En toen heb ik hem tegen de achterbank aangedrukt en gezegd. Weet je, als je dat probeert ben je van mij. Hou daar maar rekening mee en daarmee was dat afgedaan voor mij. Maar het staat je wel bij dat iemand dat zegt’ (respondent opsporing 2-8).
‘Vervolgens fluistert hij in mijn oor: “Ik heb jou wel eens zien lopen met jouw vrouw en twee kinderen en ik pak jou nog wel een keer.” Zijn [criminele] familie zag niet wat er gebeurd was, maar ik heb hem bij zijn strot gegrepen in een steegje en heb hem gezegd: “als ik nog ooit van jou last heb, dan vinden ze jou nooit meer terug”’ (respondent opsporing 2-13). De dreigreactie naar de pleger lijkt vooral voor te komen in gevallen waarin de respondent de dreiging zelf geloofwaardig vindt, vanwege het criminele cv van de pleger, in combinatie met een gebrek aan andere alternatieven. Vaak gaat het dan om niet-strafbare intimidatie of bedreiging waarbij de politiemedewerker geen andere oplossing ziet om de dreiging weg te nemen dan door pleger zelf af te schrikken. Op niet-strafbare intimidatie gaan we dieper in in hoofdstuk 8. Schaamte en/of angst voor reputatieschade Van de respondenten uit de vragenlijst is er een klein percentage (2,9%) dat geen melding heeft gedaan uit schaamte voor collega’s of de leidinggevende. Aansluitend hierbij blijkt uit interviews dat sommige politiemedewerkers geen melding maken omdat ze bang zijn dat dit een negatief effect kan hebben op henzelf. Bijvoorbeeld omdat hun leidinggevende dan denkt dat ze ongeschikt zijn voor politiewerk of omdat ze bang zijn dat dit negatieve gevolgen kan hebben voor hun reputatie of loopbaan binnen de politie.
Een respondent vertelt over een gesprek met een collega:
61
4
Melden en aangifte
‘Mijn inschatting is dat als ik het [dreigingsincident] tegen mijn chef zeg, dat hij dan tegen mij zegt: “Waarom komt hij naar jou toe? Dan zou je zelf ook wel iets uitstralen”’ (respondent 1-3). Een andere respondent: ‘Daar zat ook schaamte, angst om het daarover te hebben op het bureau. […] Dat wordt dan toch gezien als een soort incompetentie: “Ik ben niet goed genoeg voor mijn baan” of “Ik durf dat niet”’ (respondent 1-4). Nadere analyse van de vragenlijst wijst uit dat respondenten die het incident niet ernstig genoeg vinden relatief vaak respondenten zijn die te maken hebben gehad met een directe bedreiging zonder geweld. 4.2.3
Redenen om wel te melden
De meeste respondenten melden of bespreken de dreiging die hen is overkomen wel (71,0%). In figuur 4.3 zijn de redenen weergegeven die respondent hiervoor noemen. De belangrijkste redenen om het incident te melden, zijn dat de respondent de ervaring wilde delen met collega’s of met de leidinggevende (respectievelijk 55,9% en 38,2%).
9,8
Anders
11,8
Ik wilde dat mijn werkgever maatregelen zou nemen 15,7
Ik wilde dat de pleger werd aangesproker en/of vervolgd