Onderzoek naar impact dreiging vanuit georganiseerde criminaliteit op politiewerk.pdf
Tekst van het document
P
O
L
I
T
I
E
W
E
T
E
N
S
C
H
A
P
ONGEKEND Een onderzoek naar de impact van dreiging vanuit de georganiseerde criminaliteit op politiewerk S. Mehlbaum, J. Broekhuizen, K. van den Akker
1
3
3
Ongekend
Ongekend Een onderzoek naar de impact van dreiging vanuit georganiseerde criminaliteit op politiewerk Shanna Mehlbaum Jolijn Broekhuizen Kyra van den Akker M.m.v. Sanne van Ruiten, Tysha te Beest en Jasmijn de Boer Uitgevoerd in opdracht van Politie en Wetenschap Halfweg, februari 2024
Meer informatie over deze en andere uitgaven kunt u verkrijgen bij: Sdu Klantenservice tel.: (070) 378 98 80 website: www.sdu.nl/service Omslagontwerp: Dominique Gimberg Afbeelding omslag: Shutterstock ISBN: 9789012409704 NUR: 600 © 2024 Sdu B.V., Den Haag
Deze publicatie is tot stand gekomen met financiering van Politie & Wetenschap (P&W) in het kader van de Strategische Onderzoeksagenda van de Politie (SOAP, 2019). © Het intellectuele eigendom ligt bij de auteurs. De auteurs stemmen ermee in dat deze uitgave of delen uit deze uitgave (onvoorwaardelijk en zonder kosten) gebruikt kunnen worden door derden, zolang de context waarbinnen zaken worden gepresenteerd, behouden blijft.
INHOUDSOPGAVE
Inhoudsopgave
Voorwoord / 11 1 1.1 1.2 1.2.1 1.2.2 1.3 1.3.1 1.3.2 1.3.3 1.4 1.4.1 1.4.2 1.4.3 1.5 1.5.1 1.5.2 1.5.3 1.5.4 1.5.5 1.5.6 1.6 1.7
Inleiding / 13 Aanleiding / 13 Dreiging vanuit georganiseerde criminaliteit / 15 Omvang / 16 Aard en motieven / 16 Invloed op politiewerk / 18 Invloed op de taakuitoefening / 18 Invloed op routines en persoonlijk handelen (beveiligingsmaatregelen / 19 Invloed op mentaal welzijn / 19 Probleemstelling / 21 Doelstelling / 21 Onderzoeksvragen / 21 Belangrijke begrippen / 22 Methode van onderzoek / 24 Online vragenlijst / 24 Verkennende interviews / 25 Verdiepende interviews / 26 Expertsessies / 27 Analyse / 27 Begeleidingscommissie / 28 Reikwijdte en beperkingen / 28 Leeswijzer / 29
2 2.1 2.2 2.2.1 2.2.2 2.2.3 2.2.4 2.3 2.3.1
Aard en omvang dreiging / 31 Inleiding / 31 Omvang / 31 Overkoepelend / 31 Verschil GGP en opsporing / 33 Verschillen tussen eenheden / 34 Verschil mannen vrouwen / 35 Verschijningsvormen / 37 Directe bedreiging zonder geweld / 37
INHOUDSOPGAVE
2.3.2 2.3.3 2.3.4 2.4
Directe bedreiging met geweld / 41 Voorgenomen bedreigingen die aan het licht komen / 43 Indirecte bedreigingen / 44 Samenvatting / 45
3 3.1 3.2 3.3 3.3.1 3.4 3.4.1 3.4.2 3.5 3.6 3.6.1 3.6.2 3.6.3 3.7
Achtergrond dreiging / 47 Inleiding / 47 Doel / 47 Inhoud dreiging / 48 Geloofwaardigheid van de dreiging / 49 Contrastrategieën / 49 Verzamelen van persoonlijke informatie / 50 Aantasting anonimiteit van de opsporing / 50 Boegbeelden en ‘crime fighters’ / 51 Plegers / 52 Type plegers / 53 Vormen van criminaliteit / 54 Werkgebied van de plegers / 54 Samenvatting / 55
4 4.1 4.2 4.2.1 4.2.2 4.2.3 4.2.4 4.3 4.3.1 4.3.2 4.3.3 4.4 4.5
Melden en aangifte / 57 Inleiding / 57 Melden / 57 Omvang melden / 58 Redenen om niet te melden / 59 Redenen om wel te melden / 62 Tevredenheid opvolging / 63 Aangifte / 65 Omvang aangifte / 65 Redenen om geen aangifte te doen / 66 Redenen om wel aangifte te doen / 68 Maatregelen door de organisatie / 68 Samenvatting / 69
5 5.1 5.2 5.3 5.3.1 5.3.2 5.3.3 5.3.4 5.4
Impact en gevolgen ervaren dreiging / 71 Inleiding / 71 Gevolgen voor de taakuitoefening / 71 Gevolgen voor routines en persoonlijk handelen / 73 In vrije tijd de omgeving in de gaten houden / 74 Werk geheimhouden / 75 Vermijden locaties in privétijd / 75 Afscherming / 75 Mentale gevolgen / 76
INHOUDSOPGAVE
5.4.1 5.4.2 5.4.3 5.4.4 5.5 5.6 5.7
Gevoelens van onveiligheid en stress / 76 Dicht bij huis / 77 Dienstwapen mee naar huis / 79 Overig / 79 Impact op naasten / 80 Impact van gebrek aan opvolging / 81 Samenvatting / 82
6 6.1 6.2 6.2.1 6.2.2 6.2.3 6.2.4 6.2.5 6.3 6.4 6.4.1 6.4.2 6.4.3 6.5 6.6
Perceptie van dreiging / 85 Inleiding / 85 Risico op dreiging / 85 Werken gericht op de doelgroep / 86 Verharding van de georganiseerde criminaliteit / 87 Verharding van de samenleving / 88 Minder aanwezig in de wijk / 89 Overig / 89 Verschil GGP en opsporing / 90 Overige achtergrondkenmerken / 91 Aantal dienstjaren / 91 Leeftijd / 92 Sekse / 93 Plegers / 93 Samenvatting / 94
7 7.1 7.2 7.2.1 7.2.2 7.2.3 7.2.4 7.2.5 7.3 7.4
Impact en gevolgen van de perceptie van dreiging / 97 Inleiding / 97 Risicobeperkende maatregelen / 97 Maatregelen op het werk / 98 Vermijdingsgedrag / 99 Maatregelen aan of bij woning / 101 Afschermende maatregelen / 101 Maatregelen naar achtergrondkenmerken / 102 Impact op het mentale welzijn / 104 Samenvatting / 105
8 8.1 8.2 8.2.1 8.2.2 8.2.3 8.2.4 8.2.5
Ervaren knelpunten en kansen voor verbetering / 107 Inleiding / 107 Handelen in geval van dreiging / 107 Serieus nemen van de melding / 108 Rekening houden met behoefte melder / 108 Draaiboek en aanspreekpunt / 110 Vage dreigingswaarschuwingen / 111 Bekendheid en beschikbaarheid faciliteiten / 111
INHOUDSOPGAVE
8.3 8.3.1 8.3.2 8.3.3 8.3.4 8.4 8.4.1 8.4.2 8.4.3 8.4.4 8.5 8.5.1 8.5.2 8.5.3 8.6 8.6.1 8.6.2 8.6.3 8.7 8.8
Bespreekbaar op de werkvloer / 112 Gesprek voeren met een facilitator / 112 Normaliseren / 113 Ken je medewerkers / 114 Rekening houden met de achtergrond van medewerkers / 114 Opleiding en training / 115 Inwerkprogramma / 115 Onderdeel IBT / 116 Aandacht voor boegbeelden / 116 Richtlijnen voor en training van leidinggevenden / 116 Anoniem werken / 117 Werken onder nummer / 117 Gezichtsbedekking / 118 Overig / 119 Mogelijkheden voor naasten / 119 Telefoonnummer of centraal punt / 120 Informatieavonden voor naasten / 120 Toegankelijk maken ondersteuning bij een incident / 120 Bewustwording GGP / 120 Samenvatting / 121
9 9.1 9.2 9.3 9.4 9.5 9.6 9.7 9.8
Conclusie / 123 Inleiding / 123 Verborgen slachtofferschap / 123 Weerbare politieambtenaren / 124 De spontane dreiging / 125 Veilig werken in de opsporing / 125 Creëren van een veilige werkomgeving / 126 Maatschappelijke verantwoordelijkheid / 127 Tot slot / 128
Bronnen / 129 Bijlage A Verantwoording vragenlijst / 135 1 PROCESBESCHRIJVING VRAGENLIJSTONDERZOEK / 135 1.1 DOEL, ONTWIKKELING EN INHOUD VRAGENLIJST / 135 1.2 STEEKPROEFBEPALING EN -TREKKING / 136 1.3 UITZETTEN VAN DE VRAGENLIJST / 138 1.4 RESPONS / 138 1.5 GEVOELIGHEID / 139
INHOUDSOPGAVE
Bijlage B Categorisering dreiging / 140 Bijlage C Tabel herhaald slachtofferschap / 141 Leden Redactieraad Programma Politie & Wetenschap / 143 Uitgaven in de reeks Politiewetenschap / 145
Voorwoord
In het voorliggende onderzoek hebben we geprobeerd inzichtelijk te maken wat vaak niet gezien wordt; de impact van dreiging vanuit georganiseerde criminaliteit op politiemedewerkers. De politie staat in de frontlinie als het gaat om de aanpak van georganiseerde criminaliteit en deze aanpak kan onder druk komen te staan als politiemedewerkers niet veilig hun werk kunnen uitvoeren. We beseften ons terdege bij aanvang van het onderzoek dat dit gevoelige materie is en dat we dit alleen konden onderzoeken wanneer politiemedewerkers bereid waren om hun ervaringen met ons te delen. We hadden dit onderzoek dan ook niet kunnen uitvoeren zonder de medewerking en bijdragen van tal van experts en ervaringsdeskundigen. Onze dank gaat dan ook uit naar alle mensen die we mochten bevragen over dit onderwerp. Zowel naar de respondenten die de tijd hebben genomen om de vragenlijst in te vullen, de mensen die we hebben geïnterviewd over hun ervaringen en naar de deelnemers aan de expertsessies. Vooral de diepte-interviews maakten soms veel indruk op ons vanwege de emoties en oud zeer dat naar boven kwam. Gedurende het onderzoek kregen we een steeds beter beeld van de heftige situaties waar politiemedewerkers mee te maken kunnen krijgen, de impact die dat op hen heeft en hoe belangrijk de rol van de werkgever is op het gebied van opvolging en nazorg.
Zonder de openheid en bereidheid van deze politiemedewerkers om mee te werken, was dit rapport niet tot stand gekomen en we hopen voldoende recht te hebben gedaan aan hun ervaringen. Daarbij danken we ook de respondenten die we hebben gesproken buiten de politieorganisatie. Jullie hebben ons geholpen om de bevindingen in een breder perspectief te plaatsen. Tevens danken we de onderzoekers van de Dienst Regionale Informatieorganisatie (DRIO) Amsterdam die ons hebben geholpen met de steekproeftrekking en het vinden van testers voor de vragenlijst. We hebben de samenwerking met jullie erg gewaardeerd. Onze dank gaat ook uit naar de leden van de begeleidingscommissie voor hun inhoudelijke feedback en praktische hulp. Fijn dat we een beroep op jullie konden doen. Tot slot danken we de leden van Politie en Wetenschap om de kans om dit onderzoek uit te voeren en het vertrouwen in het onderzoeksteam. Door in kaart te brengen waar politiemedewerkers mee te maken krijgen en welke verbeteringen er mogelijk zijn in de organisatie, hopen we als onderzoekers een bescheiden bijdrage te hebben geleverd aan een veilige werkomgeving voor politiemedewerkers. Meerdere keren hoorden we gedurende het onderzoek van politiemedewer-
11
Voorwoord
kers dat ze hoopten dat ons onderzoek zou leiden tot actie en opvolging binnen de politieorganisatie. Wij sluiten ons daar van harte bij aan. De onderzoekers
12
1.1
1
Inleiding
‘De geweldsspiraal van de afgelopen jaren is heel heftig geweest, en van een meedogenloosheid en gewetenloosheid die we nog niet eerder zagen’ (Gerrit van den Burg, voorzitter van het College van procureurs-generaal, OM.nl, 10 mei 2023). 1.1
Aanleiding
De afgelopen jaren is de geweldsimpact van georganiseerde criminaliteit in Nederland steeds zichtbaarder geworden. De moorden op de broer van de kroongetuige in de strafzaak ‘Marengo’, de advocaat van deze kroongetuige Derk Wiersum, en zijn adviseur en misdaadjournalist Peter R. de Vries, hebben duidelijk gemaakt dat dodelijk geweld zich niet langer beperkt tot betrokkenen in het criminele circuit, maar tevens wordt ingezet tegen personen die bij strafrechtzaken en opsporing een rol hebben. Een recent onderzoek van het WODC (Van Gestel & Kouwenberg, 2022) bevestigt dit en wijst uit dat de verschuiving van dodelijk geweld naar een bredere kring buiten het criminele milieu een nieuw fenomeen is in Nederland. Naast de hier genoemde geweldsuitingen zijn er sinds 2014 tal van andere voorbeelden te noemen van (dodelijk) geweld tegen personen of instituten die geen onderdeel uitmaken van criminele netwerken. Bijvoorbeeld de moorden op spyshophouder Ronald Bakker in 2015 en misdaadjournalist Martin Kok in 2016. Beiden zijn naar alle waarschijnlijkheid vermoord omdat ze zich tegen de pers of de politie negatief hebben uitgelaten over een criminele organisatie. Meerdere misdaadjournalisten zitten in een zwaar beveiligingsregime of hebben daarin gezeten vanwege verslaggeving over de Nederlandse onderwereld.
Ook aanslagen op De Telegraaf en Panorama, die veelvuldig schrijven over de onderwereld en (de criminele organisatie van) Ridouan Taghi, passen binnen deze verschuiving van geweld naar een bredere kring (Van Gestel & Kouwenberg, 2022). Sleutelfiguren concluderen in het WODC-rapport: ‘In algemene zin wordt door verschillende sleutelinformanten opgemerkt dat met deze liquidaties sterke druk wordt uitgeoefend op de rechtsgang. Tot aan inhoudelijke zittingen op de rechtbank wordt getracht invloed uit te oefenen op procesdeelnemers, zowel door de feitelijke moord op betrokken actoren als door bedreigingen en het aanjagen van angst bij actoren van de magistratuur, advocatuur, journalistiek en rechtshandhaving’ (Van Gestel & Kouwenberg, 2022:32).
13
1
Inleiding
Het aantal slachtoffers, getuigen en functionarissen dat zo ernstig bedreigd wordt dat ze door de politie beveiligd moeten worden, is de laatste jaren sterk toegenomen. Hoofdofficier Rutger Jeuken, verantwoordelijk voor bewaken en beveiligen, luidde hierover al in februari 2020 de noodklok en noemde verharding in het criminele milieu als een van de oorzaken (NOS, 23 februari 2020). Eind oktober 2021 concludeerde de commissie-Bos dat het stelsel bewaken en beveiligen sterk onder druk staat en onvoldoende is toegerust om in de toekomst te voldoen aan de vraag naar bewaking en beveiliging. Als belangrijke oorzaak noemen zij de strijd van de overheid tegen ondermijnende criminaliteit en lopende strafzaken tegen criminele organisaties die leiden tot een actie-reactiecyclus (Bos, Berndsen-Jansen & Van Eck, 2021). Tegen deze achtergrond staat de politie in de frontlinie als het gaat om het bestrijden van de criminele organisaties die voor dit geweld verantwoordelijk zijn. Intimidatie van politie door de georganiseerde criminaliteit is op zich geen nieuw fenomeen, maar lijkt vanaf de jaren 90 van de vorige eeuw wel meer zichtbaar plaats te vinden (Fijnaut, Bovenkerk, Bruinsma & Van de Bunt, 1996). Al in 2005 constateerden Bovenkerk et al.
(2005) dat de toename van bedreigingen vanuit de georganiseerde criminaliteit samenhangt met de opgevoerde strijd van politie en justitie tegen de georganiseerde criminaliteit. In het huidige tijdperk heeft dit vergaande vormen aangenomen. Officieren van justitie worden met regelmaat bedreigd door criminelen uit de georganiseerde criminaliteit (NOS, 29 augustus 2017). En ook bij de politie zijn er voorbeelden. Zo dreigden criminele groeperingen uit Brabant in januari 2019 een medewerker van de eenheid Zeeland-West-Brabant te vermoorden. De oorzaak ligt volgens de woordvoerder van de politie bij de intensieve en succesvolle aanpak van deze groeperingen: ‘kennelijk loopt de druk nu zo hoog op dat ze de politie gaan bedreigen’ (Trouw, 10 januari 2019). In juni 2019 werd een politieagent in West-Brabant op internet met de dood bedreigd ‘door de onderwereld’ (BN DeStem, 14 juni 2019). Ter voorbereiding van het onderhavige onderzoek voerden we verkennende gesprekken met diverse politiemedewerkers om te kijken in hoeverre dit speelt in de organisatie. Uit deze gesprekken blijkt dat de toegenomen geweldsdreiging gezien wordt als een omslag binnen de georganiseerde criminaliteit in Nederland en ervaren wordt in ‘alle geledingen van het politiewerk’. Politiemedewerkers zijn zich ervan bewust ‘dat het spel is veranderd’ en dat elk scenario denkbaar is.
De vraag die dit oproept, is welke invloed deze toegenomen geweldsdreiging van georganiseerde criminaliteit heeft op de uitvoering van het politiewerk. Temeer tegen de achtergrond dat het dodelijk geweld voornamelijk afkomstig lijkt van netwerken in de georganiseerde drugshandel (Van Gestel & Kouwenberg, 2022) en de overheid de strijd hiertegen intensiveert in het kader van de aanpak van georganiseerde criminaliteit en ondermijning. Voor de politie is een hoofdrol weggelegd bij deze aanpak. Medewerkers uit de opsporing hebben in hun werk contact met actoren uit de georganiseerde criminaliteit. Gilleir (2010) heeft – kwalitatief – onderzocht in hoeverre leden van criminele organisaties gebruikmaken van intimidatie en bedreiging (als techniek) tegen politiemedewerkers in België. De auteur concludeert dat politiemedewerkers specifiek
14
Dreiging vanuit georganiseerde criminaliteit
1.2
het risico lopen op targeted violence, vanwege hun rol bij opsporingsonderzoeken en omdat ze kunnen beschikken over opsporingsinformatie (Gilleir, 2010). Maar het gaat niet alleen om medewerkers in de opsporing, inclusief de specialistische diensten, ook medewerkers die in de GGP werkzaam zijn op de basisteams krijgen hiermee te maken. Ook deze medewerkers spelen namelijk een belangrijke rol in het tegengaan van ondermijning en georganiseerde criminaliteit. In de Veiligheidsagenda 2019-2022 (ministerie van Justitie en Veiligheid, 2018) wordt specifiek benoemd dat de politie investeert in een betere informatiepositie door het blauw meer te verbinden met de intelligence en opsporing, en dat interventies op lokaal niveau doorgevoerd worden. Een grotere rol bij de bestrijding van ondermijnende criminaliteit op lokaal niveau levert in potentie ook meer risico op. Medewerkers van de basisteams, waaronder – maar niet alleen – de wijkagenten, zijn de beoogde ‘ogen en oren op straat’ en komen het meeste in aanraking met de lokale manifestatie van ondermijning en georganiseerde criminaliteit. Uit eerder onderzoek blijkt dat medewerkers van de basisteams in hun werkgebied in aanraking komen met ‘criminele families, kopstukken en netwerken’ (Van Leiden & Ferwerda, 2021).
Ook uit ander eerder onderzoek blijkt dat medewerkers in de GGP in aanraking komen met drugscriminaliteit en witwassen in hun werk (Van der Torre & Van Valkenhoef, 2017). Tevens spelen zij een rol bij de aanpak, wanneer het gaat om organiseren/uitvoeren van integrale controles, betrokkenheid bij projecten gericht op het tegengaan van zogenoemde jonge aanwas en de aanpak van criminele families. Vanwege het risico dat medewerkers uit de GGP lopen om in aanraking te komen met actoren die zich met georganiseerde criminaliteit bezighouden, richt het voorliggende onderzoek zich op medewerkers in de opsporing én op medewerkers in de GGP. Voor de politiepraktijk is dit relevant vanwege de hiervoor geschetste ontwikkelingen van enerzijds een verbreding van de toepassing van geweld door criminele netwerken naar personen buiten het criminele circuit, en anderzijds de geïntensiveerde aanpak van de georganiseerde criminaliteit waarbij de politie in de frontlinie staat. Wanneer we kijken naar de wetenschappelijke relevantie, dan blijkt dat er weinig (recent) onderzoek beschikbaar is. In de volgende paragrafen bespreken we de beschikbare relevante literatuur, waarna we overgaan naar de probleemstelling en onderzoeksmethodiek. 1.2
Dreiging vanuit georganiseerde criminaliteit
Politiemensen zijn in algemene zin gewend om te gaan met bedreigingen en geweld. Ze zien dit vaak als inherent aan hun beroep. In de verkennende gesprekken die we hebben gevoerd voorafgaand aan het onderzoek hoorden we meerdere voorbeelden hiervan. Het gaat dan niet alleen om dreiging vanuit georganiseerde criminaliteit, maar ook om geweld of bedreiging van andere actoren in verscheidene situaties (zoals bij aanhoudingen, controles of doorzoekingen). Actueel is bijvoorbeeld de dreiging die
15
1
Inleiding
uitgaat van doxing1 en de grote impact die dit heeft op de veiligheidsgevoelens van politiemedewerkers. Hieronder gaan we in op wat we weten uit eerder onderzoek over dreiging jegens politieambtenaren, en meer specifiek over dreiging vanuit georganiseerde criminaliteit. 1.2.1
Omvang
Wanneer het gaat om dreiging vanuit georganiseerde criminaliteit zijn er beperkte actuele data beschikbaar. Uit eerder onderzoek in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (Dekkers, Kriek & Stouten, 2006) blijkt dat 40% van de politierespondenten in de voorgaande twaalf maanden bedreigd was. Bijna 2% van alle respondenten vermoedden dat de door hen meegemaakte bedreiging uit de hoek van de georganiseerde criminaliteit kwam. Een enquête onder politiemedewerkers uit 2013 laat zien dat 41% van deze respondenten te maken heeft gehad met een vorm van bedreiging of intimidatie in de voorgaande 12 maanden. Onder medewerkers van de basisteams die zich bezighielden met handhaving en noodhulp was dit percentage nog hoger, namelijk 56%. Van het totale aantal respondenten dat te maken heeft gehad met bedreigingen zei bijna 4%2 dat de dader lid is van een zwaar criminele groepering (Van der Torre, Gieling, Bruinsma, Jans & Linden, 2013). Wanneer we dit vergelijken met het onderzoek van Dekkers et al. uit 2006 is hier sprake van een toename, waarbij we opmerken dat de vraagstelling en definiëring niet precies hetzelfde zijn en de onderzoeken dus niet exact vergelijkbaar zijn.
In algemene zin is het aantal registraties van geweld tegen politieambtenaren (waaronder bedreigingen) in de periode 2017-2022 gestegen met 34% (Nationale Politie, 2023).3 Uit deze cijfers is echter niet te achterhalen in hoeveel gevallen actoren behorende bij de georganiseerde criminaliteit een rol spelen. Nadere duiding ontbreekt bij de beschikbare data. 1.2.2
Aard en motieven
Dreiging en geweld tegen politieambtenaren vanuit de georganiseerde criminaliteit kan verschillende vormen aannemen. Op basis van eerder onderzoek (Fijnaut et al., 1996; Bovenkerk et al., 2005; Van der Torre et al., 2013) onderscheiden we de volgende vormen: • directe fysieke bedreiging met geweld, bijvoorbeeld mishandelingen en ontvoeringen; 1 2 3
16
Bij doxing worden persoonsgegevens van een persoon gepubliceerd op internet. De Eerste Kamer heeft in juli 2023 een wetsvoorstel aangenomen dat het strafbaar maakt om persoonsgegevens van een ander te delen met de bedoeling om diegene te intimideren. Naar verwachting gaat deze wet op 1 januari 2024 in werking treden. Dit percentage is berekend op basis van tabel 4.7 (Van der Torre et al., 2013: 173). Uit deze cijfers is niet op te maken in hoeverre verschillen in aangiftebereidheid een rol spelen. In de toelichting bij de cijfers staat wel dat de ervaring bij de politie is dat er daadwerkelijk sprake is van meer geweld en agressie tegen de politie.
Dreiging vanuit georganiseerde criminaliteit
• • •
1.2
directe bedreiging zonder geweld, bijvoorbeeld face to face, telefonisch, digitaal of via een brief; indirecte bedreigingen, bijvoorbeeld zwijgende telefoontjes of vreemde auto’s of personen voor de deur; voorgenomen bedreigingen die aan het licht komen, bijvoorbeeld uit PGP-berichten, uit de tap of van TCI-informanten.
We merken op dat het niet alleen gaat om dreiging gericht op de politieambtenaar zelf, maar dat deze ook gericht kan zijn op naasten en verwanten, zoals gezinsleden. In het onderzoek van Bovenkerk et al. uit 2005 blijkt dat het bij een kwart van de bedreigingen tegen politieambtenaren ging om bedreigingen met geweld tegen het gezin, de familie of bekenden. Op basis van anekdotische observaties uit eerdere eigen onderzoeken en de verkennende gesprekken voorafgaand aan dit onderzoek voegen we aan de vorenstaande opsomming van typen bedreigingen nog een vorm toe: • gepercipieerde dreiging op basis van kennis of aannames over personen, groeperingen, families of locaties.4 Er is hierbij geen sprake van een gerichte dreiging, maar wel zorg of angst hiervoor vanwege voorkennis of aannames over waar een persoon of organisatie toe in staat is. Van der Torre et al. (2013) onderscheiden vier motieven voor bedreigingen: • het op afstand houden (van hun territorium) van basispolitiemedewerkers; • het op afstand houden5 van gespecialiseerde politiemedewerkers; • wraak; • afwenden van politieoptredens. In tegenstelling tot emotionele bedreigingen tegen (politie)ambtenaren, bijvoorbeeld bij een aanhouding, hebben dreigingen vanuit georganiseerde criminaliteit volgens de literatuur vaker een strategisch doel.
Ze worden dan instrumenteel ingezet om de opsporing en vervolging te verstoren wanneer deze hun machtspositie aantasten (Fijnaut et al., 1996; Bovenkerk et al., 2005; Van der Torre et al., 2013). Van der Torre et al. (2013) concluderen dat bedreigingen vanuit de georganiseerde criminaliteit vaak gericht zijn op het beïnvloeden van een opsporingsonderzoek en gericht zijn op politieambtenaren die vanwege hun functie, kennis of wijze van optreden gezien worden als een bedreiging voor het criminele handelen.
4 5
Bij locaties kan het bijvoorbeeld gaan om criminele verzamelplaatsen. De auteurs bedoelen hiermee dat de dreigers inmenging in hun deviante zaken wilden voorkomen, waaronder ook het traineren van opsporingsonderzoek (Van der Torre e.al., 2013: 120).
17
1
1.3
Inleiding
Invloed op politiewerk
De vraag die de voornoemde bevindingen oproept, is welke invloed de (gepercipieerde) dreiging vanuit de georganiseerde criminaliteit op het politiewerk heeft. Hieronder bespreken we, gebaseerd op literatuuronderzoek, verschillende mogelijke invloeden. Vanwege het nog beperkte onderzoek dat gedaan is naar de invloed van dreiging vanuit georganiseerde criminaliteit, bespreken we de invloed van dreiging op het politiewerk in algemene zin. 1.3.1
Invloed op de taakuitoefening
Allereerst kan sprake zijn van een directe invloed op de taakuitoefening. Bovenkerk et al. (2005) concluderen dat politiemensen terug kunnen treden wanneer zij in een potentieel bedreigende situatie terechtkomen: ‘Vandaag ga ik daar maar niet heen, dat is te link’ (Bovenkerk et al., 2005:82). De andere kant op kijken, ervoor kiezen om geen proces-verbaal op te maken of zaken aan collega’s overlaten zijn andere gevolgen die in dit onderzoek genoemd zijn ten gevolge van bedreiging. Ook uit andere onderzoeken blijkt dat politiemensen zelf rapporteren soms te zwichten voor geweld of bedreigingen, of collega’s te kennen bij wie dit het geval is (Middelhoven & Driessen, 2001; Sikkema, Abraham & Flight, 2007; Van der Torre et al., 2013). Van der Torre et al. (2013) identificeren drie vormen van vermijding: • mijden van contact met daders; • mijden van gebieden of locaties; • terugtrekking van de zaak waar de bedreiger bij betrokken is. Tevens kan het zo zijn dat de bedreigde politieambtenaar toegeeft aan de dreiging. In twee recente zaken zijn politiemensen vervolgd voor het lekken van informatie aan criminelen, waarbij dreiging mogelijk een rol heeft gespeeld in hun motieven. In het ene geval gaat het om een medewerker van het landelijke team Forensische Opsporing die gedurende bijna een jaar informatie uit politiedossiers deelde met criminelen.
Het ging onder andere om informatie over een cocaïnewasserij die opgerold zou worden (RTV Drenthe, 1 juni 2021). De betreffende politiemedewerker zegt dat hij dit deed onder dreiging, maar het is volgens de rechtbank sterk de vraag of dit echt het geval is. In het tweede geval gaat het om een Limburgse rechercheur die tegen betaling politie-informatie zou hebben verkocht aan drugscriminelen en hiervoor inmiddels is veroordeeld (ZO-NWS, 16 april 2020). Hoewel bij betaling niet direct sprake is van dreiging, speelt dit mogelijk wel een rol. Sinds zijn aanhouding wordt deze rechercheur naar eigen zeggen bedreigd in detentie. Hij zou meerdere brieven hebben ontvangen waarin gedreigd wordt hem om te brengen, volgens zijn advocaat (1Limburg, 10 augustus 2016). De in de afgelopen jaren gekraakte versleutelde berichten van criminele actoren hebben een groot aantal corruptiesignalen aan het licht gebracht. Hoewel er bij corruptie geen sprake hoeft te zijn van dreiging, blijkt uit de casuïstiek hiervoor dat dit wel mo-
18
Invloed op politiewerk
1.3
gelijk is. Jan Struijs van de Nederlandse Politievakbond spreekt in een interview met Trouw (15 april 2021) van ‘een agressievere en actievere rol van criminelen in de zoektocht naar informatie’. De lector Weerbare Democratie, Willeke Slingerland, vindt in hetzelfde artikel dat er meer moet gebeuren om politiemensen weerbaarder te maken tegen intimidatie en bedreiging van de georganiseerde criminaliteit. 1.3.2
Invloed op routines en persoonlijk handelen (beveiligingsmaatregelen
Daadwerkelijk meegemaakte of gepercipieerde dreiging heeft vaak invloed op routines en persoonlijk handelen. Doorgaans gaat het dan om verschillende beveiligingsmaatregelen die genomen worden. Politieambtenaren bij wie sprake is van dreiging, of die dit vermoeden, kunnen zelf hun routines veranderen of maatregelen nemen. Een voorbeeld van een bedreigde recherchechef: ‘Hij neemt zijn dienstwapen mee naar huis, neemt een geheim telefoonnummer en let extra op wanneer hij na zijn werk naar huis rijdt, waarbij hij veel verschillende routes neemt’ (Bovenkerk et al., 2005:74). Niet meer voor de deur parkeren en extra voorzichtig zijn met socialemediagebruik zijn andere voorbeelden. Hoewel de formele cijfers niet openbaar zijn, horen we in de verkennende gesprekken voorafgaand aan het onderzoek reeds verschillende voorbeelden van politiemedewerkers die beveiliging hebben gekregen. Bijvoorbeeld in de zin van camerasurveillance rondom hun woning of een alarmknop. Beveiligingsmaatregelen in de privésfeer van politieambtenaren kunnen grote gevolgen hebben voor het gezin. Partners maken zich zorgen wanneer ze horen van de bedreigingen en er kunnen spanningen en relatieproblemen uit voortkomen. In uiterste gevallen kan dit leiden tot verhuizingen of het aanvragen van ontslag (Bovenkerk et al., 2005).
Een andere voorzorgsmaatregel is het voorkomen dat de namen van politieambtenaren bekend raken bij criminele organisaties. Het opmaken van processen-verbaal onder nummer, in plaats van ondertekening met naam, is allang niet meer voorbehouden aan enkele medewerkers van TCI en regionale rechercheteams, zo blijkt uit de verkennende gesprekken. Ook bij de districtsrecherche en basisteams gebeurt dit steeds vaker om de identiteit van politieambtenaren af te schermen. 1.3.3
Invloed op mentaal welzijn
Naast de hiervoor genoemde invloeden, kunnen bedreigingen gevolgen hebben op het mentaal welzijn (psychosociale gevolgen). In algemene zin kunnen bedreigingen bij politieambtenaren leiden tot: meer stress, slechter slapen of algemeen ‘verminderd’ functioneren (Abraham et al., 2011; Van der Torre et al., 2013). Ziekteverzuim ten gevolge van bedreigingen komt ook voor, al lijkt dit op kleine schaal te zijn (Jacobs, Bruinsma & Van Poppel, 2008; Van der Torre et al., 2013). Bovenkerk et al. (2005:44) concluderen dat ‘bedreigingen uit de hoek van de georganiseerde criminaliteit zonder meer als ernstiger ervaren worden’ dan bedreigingen van individuele burgers.
19
1
Inleiding
Ook de persoonlijke beveiligingsmaatregelen ten gevolge van bedreiging kunnen negatieve psychosociale gevolgen hebben (Nijdam, De Vries, Martens & Gersons, 2008; Van der Torre et al., 2013). Uit deze onderzoeken blijkt dat inperking van de bewegingsvrijheid leidt tot minder sociale interactie, wat weer kan leiden tot zaken als eenzaamheid, verveling, frustratie, angst, verwardheid en concentratieproblemen. Vooral sociale isolatie kan ernstige gevolgen hebben voor het mentale welzijn van degene die beveiligd wordt. Van der Torre et al. (2013) concluderen dat de aard van de klachten sterk uiteen kan lopen, maar dat ingrijpende gebeurtenissen ‘waarschijnlijk blijvend van invloed zijn op het denken, doen en laten van bedreigde personen’ (2013:29). De auteurs concluderen dat het beleefde gevoel van dreiging (subjectieve dreiging) toeneemt wanneer de dreiging afkomstig is uit de hoek van de zware en georganiseerde criminaliteit ‘die vanwege de organisatiegraad, infrastructuur en persoonlijkheidskenmerken de indruk wekken dat een dreigement ten uitvoer gebracht zou kunnen worden’ (2013: 152). Een positief effect dat op kan treden is dat sommige respondenten zeggen dat sprake is van meer alertheid, waardoor ze beter in staat zijn hun werk uit te voeren (Van der Torre et al., 2013).
Een kwalitatief onderzoek naar de wijze waarop politiemedewerkers in Israël omgaan met verschillende dreigingsniveaus van criminelen (Sigad, 2020) wijst uit dat de meeste politiemedewerkers accepteren dat het omgaan met dreiging onderdeel is van hun werk. Hoewel de respondenten uit dit onderzoek hier op verschillende manieren mee omgingen, concludeert de auteur dat steun vanuit de politieorganisatie cruciaal was voor de manier waarop de respondenten omgaan met de stress van de dreiging op henzelf en hun naasten. Zowel steun vanuit het management als emotionele steun van directe collega’s maken dat respondenten beter om kunnen gaan met de stress ten gevolge van de dreiging. Veerkracht van bedreigde politiemedewerkers wordt volgens de auteur bewerkstelligd via vier paden (Sigad, 2010): • beschermende individuele factoren (zoals de overtuiging dat dreiging het gevolg is van zinvol werk); • beschermende omgevingsfactoren (zoals steun en gemeenschapsgevoel vanuit de politieorganisatie); • overbrenging naar een alternatieve realiteit (de bedreigde ervaart een gevoel van controle in de bedreigende situatie); • identiteitsre-integratie (de bedreigde ziet zichzelf als beschermer in plaats van als slachtoffer).
Een onderzoek naar omgang met stress onder politiemedewerkers in het algemeen wijst uit dat er winst te behalen valt door politiemedewerkers periodiek ‘on the job’-training te geven in stressreductietechnieken en door een organisatiestructuur te creëren die monitort hoe het met individuele medewerkers gaat (Anshel, 2000).
20
Probleemstelling
1.4
1.4
Probleemstelling
De vorenstaande bevindingen uit de literatuur en verkennende gesprekken voorafgaand aan het onderzoek zijn gebruikt voor de formulering van de doelstelling van het onderzoek en de onderzoeksvragen. 1.4.1
Doelstelling
Het dreigingsniveau vanuit de georganiseerde criminaliteit neemt momenteel voor Nederlandse begrippen ongekende vormen aan. Volgens politieprofessionals is sprake van een ‘nieuwe werkelijkheid’ waarvan nog onbekend is hoe dit zich in de toekomst gaat ontvouwen (Van Gestel & Kouwenberg, 2022). De Nederlandse politie bevindt zich in de frontlinie van de aanpak van georganiseerde criminaliteit. Dit geldt zowel voor medewerkers uit de opsporing als voor medewerkers in de basispolitiezorg (GGP). Uit eerder onderzoek naar bedreigingen van politiemensen weten we dat een deel hiervan afkomstig is van leden van criminele organisaties (Dekkers et al. 2006; Van der Torre et al., 2013). Tevens blijkt uit eerder onderzoek dat bedreigingen in algemene zin gevolgen kunnen hebben voor de taakuitoefening, persoonlijke beveiliging en het mentale welzijn van de politieambtenaren en hun naasten. Bedreigingen vanuit de georganiseerde criminaliteit worden daarbij als ernstiger ervaren dan bedreigingen van individuele burgers (Bovenkerk et al., 2005; Van der Torre et al., 2013). Voor dit onderzoeksrapport is gekeken wat de hiervoor geschetste ontwikkelingen betekenen voor het politiewerk en welk handelingsperspectief geboden kan worden aan de politieorganisatie om de impact van deze dreiging te verminderen.
Dit onderzoek heeft tot doel de Nationale Politie en de Politieacademie inzicht te geven in dit fenomeen. Hiernaast beoogt het onderzoek om op basis van deze bevindingen te komen tot een concreet handelingsperspectief voor de organisatie en organisatieonderdelen waarmee de manifestatie en gevolgen van dreiging beperkt kunnen worden. 1.4.2
Onderzoeksvragen
De centrale onderzoeksvraag luidt: Wat is de invloed van (gepercipieerde) dreiging vanuit georganiseerde criminaliteit op het uitvoerende politiewerk? Om de centrale vraag te beantwoorden, zijn de volgende deelvragen geformuleerd: 1. In hoeverre hebben politiemedewerkers in de basispolitiezorg en de opsporing te maken met daadwerkelijke (gewelds)dreiging van de georganiseerde criminaliteit? • Wat is de aard van de daadwerkelijke dreiging? • Wat is de omvang van de daadwerkelijke dreiging? • Wat is bekend over de plegers? • In hoeverre denken (of weten) de politiemedewerkers dat de dreiging als contrastrategie gebruikt wordt?
21
1
Inleiding
2. In hoeverre schatten politiemedewerkers in de basispolitiezorg en de opsporing in dat ze te maken (kunnen) krijgen met (gewelds)dreiging van de georganiseerde criminaliteit? • Wat is de aard van de geschatte (gepercipieerde) dreiging? • Wat is de omvang van de geschatte (gepercipieerde) dreiging? • Van welk type plegers is de geschatte (gepercipieerde) dreiging afkomstig? 3. Op welke wijze gaan politiemedewerkers om met daadwerkelijke en ingeschatte dreiging (bijvoorbeeld door vermijdingsgedrag of extra beveiligingsmaatregelen)? • Wat zijn de gevolgen voor de taakuitoefening? • Wat zijn de gevolgen voor routines en persoonlijk handelen? • Wat zijn de gevolgen voor het mentale welzijn? • Welke overige gevolgen zijn er? 4. Wat betekenen de bevindingen voor de politieorganisatie? • Wat betekenen de bevindingen voor de opleiding en training van politiemedewerkers? • Wat betekenen de bevindingen voor de aard en inrichting van de personele zorg? • Wat betekenen de bevindingen voor (operationeel) leiderschap? • Welke overige lessen zijn te trekken? 1.4.3
Belangrijke begrippen
Dreiging Op basis van eerder onderzoek, ervaringen uit eigen onderzoek en verkennende gesprekken met politiemedewerkers maken we onderscheid tussen eerdergenoemde vormen van dreiging: • directe fysieke bedreiging met geweld, bijvoorbeeld mishandelingen en ontvoeringen; • directe bedreiging zonder geweld, bijvoorbeeld face to face, telefonisch, digitaal of via een brief; • indirecte bedreigingen, bijvoorbeeld zwijgende telefoontjes of vreemde auto’s of personen voor de deur; • voorgenomen bedreigingen die aan het licht komen, bijvoorbeeld uit PGP-berichten, uit de tap of van TCI-informanten; • gepercipieerde dreiging op basis van kennis of aannames over personen, groeperingen, families of locaties. Georganiseerde criminaliteit Aansluitend bij de definities van Fijnaut et al. (1996) en Europol (z.d.) beschouwen we georganiseerde criminaliteit in dit onderzoek als een type pleger en niet als een type delict. In ons onderzoek hebben we de respondenten gevraagd naar hun ervaring met dreiging van georganiseerde criminaliteit, waarbij zij zelf de inschatting maken dat de pleger behoort tot de georganiseerde criminaliteit. We hebben ze hiervoor twee hoof-
22
Probleemstelling
1.4
delementen meegegeven: of sprake is van een pleger of plegers die deel uitmaken van een crimineel samenwerkingsverband (het in gezamenlijkheid plegen), en of de pleger(s) actief zijn op criminele markten behorende tot de georganiseerde criminaliteit. In de vragenlijst hebben we dit als volgt verwoordt: ‘Hierbij kan je denken aan criminele netwerken of groeperingen die zich bezighouden met vormen van georganiseerde criminaliteit, zoals drugs-, mensen- of wapenhandel. Of waar vermoedens van zijn dat zij zich bezighouden met zware of georganiseerde criminaliteit.’ We hebben toegevoegd dat het ook om vermoedens kan gaan, omdat medewerkers soms niet zeker weten of iemand te kenmerken is als onderdeel van de georganiseerde criminaliteit. Om de inschatting van de respondent beter te kunnen duiden, zijn in de vragenlijst vervolgvragen gesteld over de aard van de criminele groepering en de vormen van criminaliteit waar deze zich mee bezighoudt. In de verdiepende interviews zijn tevens vervolgvragen gesteld om de aard van de (groepering van de) pleger te kunnen typeren. Uitvoerend politiewerk We richten ons in dit onderzoek op de medewerkers die actief zijn in de uitvoering en medewerkers die het meeste risico lopen om in aanraking te komen met plegers behorende tot de georganiseerde criminaliteit.
Onder de noemer ‘uitvoerend politiewerk’ doelen we op medewerkers die werkzaam zijn in de opsporing (op lokaal, districts-, regionaal en bovenregionaal niveau) of in de operatie bij de basisteams (belast met handhavingstaken, noodhulp, wijkgerichte of thematische taken). Hiermee zeggen we niet dat andere medewerkers geen risico lopen op dreiging vanuit georganiseerde criminaliteit, maar de focus van dit onderzoek ligt op medewerkers uit de opsporing en de GGP. Contrastrategie De Politieacademie definieert contrastrategieën als: ‘activiteiten door criminele groepen gericht op afscherming tegen politie en justitie, waarbij het voornaamste doel is het optreden van de overheid te bestrijden’.6 De toenmalige Dienst Nationale Recherche (KLPD) benoemt in het Nationaal Dreigingsbeeld Zware en Georganiseerde Criminaliteit (2004) contraobservatie en intimidatie en bedreiging van politie en justitie als vormen van contrastrategieën of offensieve afscherming. In dit onderzoek sluiten we hierbij aan en kijken we naar de bewuste inzet van bedreiging en intimidatie van politiemedewerkers om het optreden van de politie te verstoren. Bij optreden kan het dan zowel gaan om optreden in de opsporing, zoals het verstoren van een opsporingsonderzoek, als in de GGP. 6
Zie: Thesaurus (politieacademie.nl).
23
1
Inleiding
Methode van onderzoek
1.5
Het onderzoek is verkennend van aard en opgebouwd uit verschillende fasen, waarbij kwantitatieve en kwalitatieve onderzoeksmethoden gecombineerd zijn om de onderzoeksvragen zo compleet mogelijk te beantwoorden (triangulatie). In de onderstaande figuur zijn de onderzoeksactiviteiten per fase schematisch weergegeven en gekoppeld aan de bijbehorende onderzoeksvragen.
Fase 1 Verkenning
Online vragenlijst (onderzoeksvragen 1, 2 en 3) Verkennende interviews (onderzoeksvragen 1, 2 en 3)
Fase 2 Verdieping
• Verdiepende interviews (onderzoeksvragen 1, 2 en 3) • Beschrijven en duiden verdiepende casussen (onderzoeksvragen 1, 2 en 3)
Fase 3 Knelpunten en kansen
Tussentijdse analyse van opbrengsten fase 1 en 2 Expertsessies (onderzoeksvraag 4)
Figuur 1.1. Schematische weergave onderzoeksopzet.
De eerste fase bestaat uit een brede verkenning van het probleem, waarin we verschillende onderzoeksactiviteiten hebben uitgevoerd. Deze verkenning is voor een groot deel gebaseerd op de verzamelde kwantitatieve data over de omvang en aard van het probleem. De verkennende interviews zijn gebruikt voor een eerste duiding en voor het verzamelen van verschillende perspectieven. 1.5.1
Online vragenlijst
Om inzicht te krijgen in de aard en omvang van de problematiek is een vragenlijst afgenomen onder medewerkers van de opsporing en basisteams van de politie. Hiermee hebben we op een laagdrempelige en voor respondenten veilige manier een potentieel gevoelig onderzoeksonderwerp bevraagd. Eerder onderzoek uit 2006 (Dekkers et al.) en 2013 (Van der Torre et al.) is inmiddels alweer enkele jaren oud en dateert van voor de recent toegenomen geweldsdreiging vanuit de georganiseerde criminaliteit. Tevens wijst eerder onderzoek uit dat een vragenlijst onder medewerkers ervaringen zichtbaar maakt die anders onopgemerkt kunnen blijven bij leidinggevenden van de politie. Zo constateren Bovenkerk e.a. (2005) in hun onderzoek naar bedreigingen jegens politiemensen:
24
Methode van onderzoek
1.5
‘In het eerste contact met functionarissen uit de hogere regionen, lijkt het alsof bij de Nederlandse politie bedreigingen in de privésituatie amper voorkomen. Men heeft er zelden of nooit van gehoord. Pas op uitvoerend niveau blijkt dat bedreigingen van politiefunctionarissen als privépersoon juist wel vaak voorkomen’ (Bovenkerk et al., 2005: 56). De al eerder aangehaalde onderzoeken naar bedreigingen bij politiemensen, maar ook eerder onderzoek van een senior onderzoeker uit het onderzoeksteam, leert dat politiemedewerkers via een anonieme enquête ervaringen delen die ze niet altijd delen met hun leidinggevende. De ervaring leert dat het delen ‘vanachter je beeldscherm’ als veiliger wordt ervaren dan een zaak aanhangig maken bij je leidinggevende, met mogelijke gevolgen voor de loopbaan of reputatie. Onderzoek naar seksuele intimidatie en misbruik in de sport laat tevens zien dat de slachtoffers vaak geen formele melding hebben gedaan, bij politie of elders, maar hierover wel rapporteren in een anonieme online vragenlijst (De Vries, Ross-Van Dorp & Meyer, 2017). De vragenlijst is uitgezet onder 3.165 respondenten en ingevuld door 621 respondenten, een respons van 19,6%.7 De analyse heeft plaatsgevonden met het programma SPSS. In bijlage A is een volledige verantwoording van deze onderzoeksmethode te vinden. 1.5.2
Verkennende interviews8
Voor het opstellen van het onderzoeksvoorstel zijn verkennende gesprekken gevoerd met 9 politiemedewerkers van verschillende eenheden, met verschillende functies en uit verschillende regio’s: • beleidsadviseur; • wijkagent (n=2); • wijkteamchef (n=2) • operationeel specialist ondermijning; • sectorhoofd; • teamchef DR; • operationeel expert. Deze respondenten zijn geworven vanuit het netwerk van de onderzoekers om een eerste beeld te krijgen van de mate waarin de problematiek speelt onder politiemede-
7 8
Het was voor politiemensen in eerste instantie vaak niet mogelijk om de vragenlijst in te vullen omdat dit geblokkeerd werd door de werkomgeving. Dit heeft naar verwachting een negatieve invloed op de respons gehad. Ook was er bij een enkeling zorg over de veiligheid vanwege het invullen van de vragenlijst. De respondenten hebben elk een uniek nummer gekregen. Dit nummer is toegevoegd aan de verschillende quotes die in deze rapportage zijn gebruikt. Respondenten uit de verkennende interviews hebben een nummer dat begint met 0, respondenten die zijn geïnterviewd voor overkoepelende ontwikkelingen hebben een nummer dat begint met 1, respondenten uit de verdiepende fase hebben een nummer dat begint met 2.
25
1
Inleiding
werkers en of het zinvol was om dit nader te onderzoeken. Van deze gesprekken is een verslag gemaakt dat later gebruikt is ter analyse. Om overkoepelende ontwikkelingen te identificeren en te duiden, zijn in fase 1 verkennende interviews met sleutelfiguren afgenomen. De nadruk bij deze interviews lag op het duiden van het fenomeen (onderzoeksvragen 1 en 2). Wanneer de respondenten zelf te maken hebben gekregen met dreiging vanuit georganiseerde criminaliteit is deze ervaring ook besproken. Er zijn 9 verkennende interviews gehouden met: • adviseurs van de afdeling Nationale Veiligheid (n=2); • voorzitter politievakbond; • oud-recherchechef; • lector Weerbaarheid; • GTPA-medewerkers (n=2); • misdaadjournalist; • ex-gedetineerde.9 De interviews zijn online of op locatie afgenomen, getranscribeerd en vervolgens gecodeerd in het softwareprogramma Atlas.Ti. 1.5.3
Verdiepende interviews
Fase 2 van het onderzoek bestaat uit 24 verdiepende interviews met 26 respondenten die gebruikt zijn om de bevindingen uit de vragenlijst nader te duiden en casuïstiek verder uit te diepen. De respondenten zijn geworven via de online vragenlijst en via de sneeuwbalmethode. De meeste respondenten zijn werkzaam in de opsporing (n=17), respondenten uit de GGP hebben in mindere mate meegedaan (n=8). Wel hebben sommige respondenten ervaringen gedeeld die zij ten tijde van hun werk in de GGP hebben meegemaakt, ook al werken ze nu in de opsporing. Eén respondent is werkzaam bij RCCB. Respondenten uit alle eenheden, met uitzondering van Noord-Nederland, zijn vertegenwoordigd in de interviews. De verdiepende interviews zijn te verdelen in twee categorieën: mensen die zelf te maken hebben gehad met dreiging en mensen die hier geen ervaring mee hebben. Bij mensen die wel ervaring hebben, heeft de persoonlijke beleving van de respondent centraal gestaan, zowel van het incident als van de wijze waarop de politieorganisatie hiermee omgegaan is. Aan de hand van storytelling als narratieve onderzoeksmethode is het incident gereconstrueerd en inzicht verkregen in de gebeurtenissen en effecten hiervan (Vliex, 2017). Deze interviews varieerden in duur van een uur tot meerdere uren (het langste interview duurde bijna 4 uur). Indien nodig zijn respondenten nogmaals benaderd met aanvullende vragen.
Van de ervaringen van deze respondenten is een verhaal opgetekend. Tevens zijn de interviews getranscribeerd en gecodeerd voor de rode lijnen op het gebied van gevolgen, lessen en andere punten. 9
26
Om de mogelijke verharding in het criminele milieu te duiden, is gesproken met een ex-gedetineerde die behoorde tot een crimineel netwerk.
Methode van onderzoek
1.5
Er zijn ook respondenten die hebben meegewerkt omdat ze een uitgesproken mening hebben over het onderwerp of omdat bij hen sprake is van gepercipieerde dreiging. Deze interviews hebben meer het karakter van semigestructureerde interviews aan de hand van een topiclijst. Ook deze gesprekken zijn getranscribeerd en gecodeerd voor analyse. 1.5.4
Expertsessies
Tot slot zijn een zestal expertsessies georganiseerd. Het doel van deze expertsessies was tweeledig. Enerzijds zijn de tussentijdse bevindingen gepresenteerd aan de deelnemers ter reflectie, aanvulling en duiding. Anderzijds is de expertise van de deelnemers benut om handelingsperspectief te formuleren naar aanleiding van de bevindingen. Tijdens de expertsessies hebben we tevens nog nieuwe kwalitatieve informatie opgehaald op basis van eigen ervaringen die door de deelnemers zijn gedeeld. De expertsessies hebben op verschillende locaties in Nederland plaatsgevonden en in twee gevallen digitaal. In totaal hebben 30 deelnemers meegedaan, waaronder leidinggevenden (sectorhoofden, teamchefs, coördinatoren), (externe) experts op het gebied van traumabehandeling bij de politie, ervaringsdeskundigen, arbodeskundigen en medewerkers van de Staf Korpsleiding en de afdeling Nationale Veiligheid. Van de sessies is een gespreksverslag opgemaakt en gecodeerd voor de analyse. De bijdrage van de deelnemers in de vorm van handgeschreven notities op een vijftal posters is gefotografeerd, uitgewerkt en geanalyseerd. 1.5.5
Analyse
De bevindingen uit de vragenlijst zijn, zoals eerder aangegeven, geanalyseerd in SPSS. De kwalitatieve bevindingen uit de vragenlijst (antwoorden op de open vragen) zijn geëxporteerd en gecodeerd. De kwalitatieve bevinden uit de interviews (zowel verkennend als verdiepend) en expertsessies zijn gecodeerd in Atlas.TI. Hierbij is gebruikgemaakt van een vooraf opgesteld codeboek gebaseerd op de hoofd- en deelvragen. Voor (sub)thema’s waarvoor vooraf geen code was aangemaakt, zijn gedurende het coderen nieuwe (sub)codes aangemaakt en toegevoegd aan het codeboek. Voor de analyse zijn de bevindingen uit de kwalitatieve en kwantitatieve onderzoeksmethoden gecombineerd per thema. In de rapportage zijn bronnen van de bevindingen beschreven, zodat duidelijk is waar de uitspraken op gebaseerd zijn. 1.5.6
Begeleidingscommissie
Het onderzoek is uitgevoerd onder begeleiding van een commissie met daarin vertegenwoordigers van verschillende portefeuilles van de politie, wetenschappers en Politie en Wetenschap. Deze commissie heeft gedurende het onderzoek feedback gegeven op tussentijdse bevindingen en conceptversies van het rapport. Daarnaast hebben le-
27
1
Inleiding
den van de commissie geholpen met de vragenlijst, suggesties voor en contactgegevens van respondenten, en het reserveren van locaties voor de expertsessies. 1.6
Reikwijdte en beperkingen
Het onderzoek richt zich, zoals gezegd, enkel op medewerkers in de uitvoering bij de opsporing en in de GGP. Dit betekent niet dat enkel deze medewerkers dreiging kunnen ervaren. Ook medewerkers bij andere onderdelen, zoals van de informatieorganisatie of het PDC10, kunnen dreiging ervaren. Hoewel we in de verkennende gesprekken, maar ook later gedurende de uitvoering van het onderzoek hier geen voorbeelden van zijn tegengekomen, wil dit niet zeggen dat dit niet speelt. Het geformuleerde handelingsperspectief is echter breder toepasbaar binnen de politieorganisatie, zodat ook medewerkers en leidinggevenden van deze onderdelen hier baat bij kunnen hebben. Hetzelfde geldt ook voor andere vormen van dreiging. De lessen en aanbevelingen uit dit onderzoek naar dreiging van georganiseerde criminaliteit zijn (in de meeste gevallen) ook toe te passen wanneer de dreiging uit een andere hoek komt. Een belangrijk kenmerk van het onderzoek is dat we gekeken hebben naar de mate waarin medewerkers ervaren dat sprake is van dreiging van georganiseerde criminaliteit en dat we geen gebruik hebben gemaakt van geregistreerde data. Methodologisch gezien gaat het om zelfrapportage van slachtofferschap. Een belangrijk voordeel van deze methode is het verkleinen van het zogenoemde dark number of crime.
Hiermee wordt criminaliteit bedoeld die niet terugzien in de geregistreerde criminaliteit omdat deze niet gemeld is. Zelfrapportage voor dit doeleinde is vooral waardevol voor delicten waar niet snel aangifte of melding van wordt gedaan. Een ander voordeel is dat zelfrapportageonderzoeken de mogelijkheid hebben om meer gedetailleerde informatie te vergaren dan in politiesystemen beschikbaar is, en daardoor meer specifieke informatie kunnen opleveren om de onderzoeksvragen te beantwoorden. Een vragenlijst is een primaire databron ontworpen voor een specifiek onderzoeksdoel. Dit laatste in tegenstelling tot het gebruikmaken van secundaire databronnen, waar informatie in staat die voor een ander doeleinde is verzameld. De informatie uit zelfrapportage maakt het dan ook mogelijk om een andere classificering te maken dan die reeds gemaakt is in politiesystemen (Cantor & Lynch, 2000). Zoals in dit geval vormen van dreiging. Tevens is zelfrapportage niet afhankelijk van veranderingen in politiesystemen of registratiebeleid (Wittebrood & Junger, 2002). Een beperking van deze methode is dat we hiermee uitgaan van de door de respondent gemaakte inschatting dat de dreiging – vermoedelijk – afkomstig is vanuit georganiseerde criminaliteit. We hebben niet zelf onderzocht of dit daadwerkelijk het geval is.
Wel hebben we, zoals eerder aangegeven, vervolgvragen gesteld aan de respondent om dit zo volledig mogelijk te kunnen duiden. Desondanks kunnen er interpretatieverschillen zijn als het gaat om het toerekenen van een dreiging aan – een lid van – de georganiseerde criminaliteit of een ander type pleger. 10
28
Dit staat voor Politiedienstencentrum. Hieronder valt de bedrijfsvoering van de politie.
1.7
Leeswijzer
Ten aanzien van de vragenlijst kan sprake zijn van respondent fatigue (onderzoeksmoeheid) wat kan zorgen voor een hogere non-respons of selectieve respons (Hart, 2006). Politiemedewerkers krijgen regelmatig een uitnodiging om een vragenlijst in te vullen, waardoor er een soort moeheid kan ontstaan om mee te werken. Voor het uitzetten van de vragenlijst is gebruikgemaakt van een door de politie gegenereerde steekproef die er rekening mee houdt niet telkens dezelfde personen te selecteren. Desondanks hebben we enkele meldingen gekregen van benaderde respondenten die aangeven niet mee te willen werken omdat ze te vaak uitgenodigd werden. Naast non-respons kan sprake zijn van selectieve respons: medewerkers die ervaring hebben met het onderwerp of hier een mening over hebben zijn mogelijk sneller geneigd om de vragenlijst in te vullen dan andere medewerkers. Tot slot zijn in het verdiepende deel van het onderzoek respondenten uit Noord-Nederland ondervertegenwoordigd. Het is niet gelukt om van deze eenheden respondenten over hun ervaringen te spreken. De lokale context die mogelijk van invloed is op de aard van de dreiging of de perceptie daarvan is daardoor onderbelicht gebleven. Wel zijn deze respondenten vertegenwoordigd in de vragenlijst, waardoor inzicht gegeven kan worden in de omvang en aard van dreiging waar medewerkers van deze eenheid mee te maken krijgen. 1.7
Leeswijzer
Hieronder is de indeling van het rapport na dit inleidende hoofdstuk opgetekend. Aan het eind van elk hoofdstuk zijn de hoofdpunten samengevat. In hoofdstuk 2 tot en met 5 staat de daadwerkelijk ervaren dreiging centraal: • Hoofdstuk 2: Aard en omvang. • Hoofdstuk 3: Achtergronden dreiging. • Hoofdstuk 4: Melden en aangifte. • Hoofdstuk 5: Impact en gevolgen. Vervolgens gaan hoofdstuk 6 en 7 over de perceptie van dreiging: • Hoofdstuk 6: Omvang en achtergronden. • Hoofdstuk 7: Impact en gevolgen. In hoofdstuk 8 worden de belangrijkste knelpunten en handreikingen voor verbetering besproken. Het rapport eindigt met een conclusie in hoofdstuk 9.
29
1
30
Inleiding
2.1
Aard en omvang dreiging
2
‘En toen was er over de tap gehoord dat er iemand op jacht was naar mij. Tijdens het verhoor had hij [een verdachte] ook al gezegd dat ik “loslopend wild was” en dat ik de eerste zou zijn die gepakt zou worden’ (respondent recherche 2-2). Inleiding
2.1
In dit hoofdstuk staan de aard en omvang van daadwerkelijk meegemaakte dreiging vanuit georganiseerde criminaliteit centraal. We bespreken dat politiemedewerkers in zowel de opsporing als bij de gebiedsgebonden politie (GGP) te maken krijgen met verschillende vormen van dreiging vanuit georganiseerde criminaliteit, variërend van fysiek geweld tot non-verbale verschijningsvormen. Tevens bespreken we in dit hoofdstuk de gevonden verschillen tussen de GGP en de opsporing en tussen eenheden. De bevindingen in dit hoofdstuk zijn gebaseerd op de uitkomsten van de vragenlijst, de verkennende en verdiepende interviews en de expertsessies. Het hoofdstuk sluit af met een samenvatting van de hoofdpunten. De gepercipieerde dreiging wordt niet behandeld in dit hoofdstuk, maar komt aan bod in hoofdstuk 6 en 7. Omvang
2.2
Om te bepalen in welke mate politiemedewerkers te maken krijgen met dreiging vanuit georganiseerde criminaliteit baseren we ons op de uitkomsten van de vragenlijst. Het concept dreiging is geconcretiseerd in de termen bedreiging en intimidatie. Deze term is in de vragenlijst onderverdeeld in verschillende vormen, variërend van direct fysiek geweld tot non-verbale intimidatie.11 In paragraaf 2.3 gaan we nader in op de verschillende verschijningsvormen. 2.2.1
Overkoepelend
Wanneer we kijken naar alle vormen van bedreiging en intimidatie, dan geeft 63% van alle respondenten aan dat zijzelf of hun naasten dit ooit hebben meegemaakt. Een kwart van alle respondenten vermoedt of weet zeker dat zijzelf en/of hun naasten ooit te maken hebben gekregen met bedreiging en/of intimidatie vanuit georganiseerde criminaliteit. En 12% van alle respondenten heeft dit in de afgelopen 12 maanden ervaren. 11
Zie bijlage B voor de categorisering van de verschillende vormen van bedreiging en intimidatie.
31
2
Aard en omvang dreiging
Figuur 2.1 geeft een overzicht van de ervaren bedreiging en intimidatie vanuit georganiseerde criminaliteit uitgesplitst in de vier hoofdcategorieën. Deze figuur is gebaseerd op de politiemedewerkers die te maken hebben gehad met dergelijke bedreiging en intimidatie (153 van alle 617 respondenten). Uit deze figuur is op te maken dat de categorie ‘directe bedreiging zonder geweld’ het meeste voorkomt, gevolgd door ‘directe fysieke bedreiging met geweld’.
Indirecte bedreigingen
1,1 1,9
Voorgenomen bedreigingen die aan het licht komen
1,1
3,4
2,3
Directe fysieke bedreiging met geweld
8,8 11,2
Directe bedreiging zonder geweld 0 12 maanden
5
10
21,4 15
20
25
Ooit
Figuur 2.1. Ervaren vormen van bedreiging en intimidatie van de georganiseerde criminaliteit (%). Onderzoeksgroep = alle bevraagde medewerkers (N=617).
In enkele interviews is de omvang van de dreiging op politiemedewerkers vanuit de georganiseerde criminaliteit ter sprake gekomen. Sommige respondenten ervaren dat bedreiging en intimidatie vanuit georganiseerde criminaliteit de afgelopen jaren zijn toegenomen, anderen weten dit niet zeker maar denken wel dat het ernstiger is geworden. Een respondent meent dat dit wel zo is op basis van het aantal collega’s in het stelsel bewaken en beveiligen: ‘Ik heb nooit eerder gehoord dat er collega’s in het stelsel zaten. Normaal waren het ministers of burgers, bijvoorbeeld voor eerwraak. Ook familieleden van criminelen die bedreigd werden. Het hele stelsel bewaken en beveiligen heeft de afgelopen jaren een vlucht genomen. Het is verveelvoudigd (respondent RCCB 2-17). De respondenten die een toename ervaren, wijten dit aan de toegenomen focus bij de politie op georganiseerde criminaliteit (vaak onder de noemer van de aanpak van ondermijning). Een respondent: ‘Collega’s die eerst wat meer op huis-tuin-en keukenzaken zaten, zitten nu opeens op grote georganiseerde criminaliteit’ (respondent politie overig 1-2). Een andere respondent ziet de toename als een gevolg van de successen die de politie boekt in de aanpak van zware en georganiseerde criminaliteit; de politie is
32
2.2
Omvang
een serieuze verstorende factor geworden en haalt zich daarmee geweld van criminele netwerken op de hals (respondent politie opsporing 1-4). 2.2.2
Verschil GGP en opsporing
Het onderzoek richt zich, zoals eerder vermeld, op twee groepen medewerkers: medewerkers die werkzaam zijn in de opsporing en medewerkers die werkzaam zijn in de GGP. De steekproef van de respondenten is hierop geselecteerd en vervolgens is aan respondenten naar hun functie gevraagd. Respondenten die niet binnen de vooraf geformuleerde indeling vielen, is gevraagd tot welke groep ze zichzelf het meest rekenen. Op basis van deze indeling is gekeken naar verschillen tussen beide groepen. Uit de vragenlijst blijkt dat zowel GGP-medewerkers als medewerkers in de opsporing te maken hebben met bedreiging en intimidatie vanuit georganiseerde criminaliteit. Respectievelijk 28% (GGP) en 22% (opsporing) van de totale groep respondenten heeft hier ooit mee te maken gehad. Wanneer we kijken naar de afgelopen 12 maanden, dan hebben medewerkers in de GGP bijna tweemaal zo vaak een dergelijke ervaring als medewerkers in de opsporing (16,6% versus 8,4%). Figuur 2.2 laat zien dat medewerkers in de GGP vaker te maken krijgen met directe bedreiging zonder geweld dan medewerkers in de opsporing. Dit geldt ook voor directe bedreiging met geweld. Medewerkers in de opsporing daarentegen krijgen vaker te maken met voorgenomen bedreigingen die aan het licht zijn gekomen en indirecte bedreigingen. 2,3 1,7