Nulmeting Amsterdams Stagepact MBO.pdf
Tekst van het document
Na correctie voor niveau en sector van de eigen opleiding en verschillen in inkomen op opleiding van ouders zien we ook verschillen naar geslacht en herkomst (Tabel D.2 & Tabel D.3). Vrouwelijke studenten hebben bijna tien procentpunt vaker een stage die betaald is, maar die vergoeding is gemiddeld wel ongeveer tien procent lager dan de stagevergoeding die mannelijke studenten gemiddeld ontvangen. Studenten met een niet-Nederlandse herkomst hebben iets minder vaak een stage die betaald is (bijna twee procentpunt lager), en die vergoeding per uur ligt gemiddeld bijna negen procent lager dan bij de studenten met een Nederlandse herkomst. Op een enkeling na geven alle deelnemende Amsterdamse bedrijven in onze vragenlijst aan studenten een stagevergoeding te bieden, waarbij het verschilt of er alleen een stagevergoeding wordt uitgekeerd of aanvullend ook een onkostenvergoeding (Figuur 4.2). De maandbedragen variëren tussen €150 en €750 voor een voltijd stage, waarbij de helft van de responderende bedrijven een vergoeding tussen €300 en €600 per maand toekent.
NULMETING AMSTERDAMS STAGEPACT MBO
Box 4.1
27
Uitdagingen tav stagevergoedingen, zoals opgenomen in het Amsterdam Stagepact MBO
“Nog te veel studenten krijgen geen stagevergoeding. Wanneer mbo-studenten wel een stagevergoeding krijgen is deze gemiddeld €200,- minder dan de vergoeding die een hbo- of wo-student ontvangt. Aangezien slechts 7%15 van de cao’s stagevergoedingen vermeldt, hangt veel af van de bereidwilligheid van bedrijven en organisaties.”
Box 4.2 ● ●
Bronnen en relevante indicatoren voor ambitie 3: een passende stagevergoeding Analyse van alle BPV-overeenkomsten in CBS Microdata laat zien welk aandeel van alle Amsterdamse mbostudenten (met een bpv-overeenkomst) inkomen uit stage heeft en hoeveel dat inkomen (gemiddeld) bedraagt (voor maart 2024). In de vragenlijst onder deelnemende Amsterdamse bedrijven vragen we of zij stagiairs een onkostenvergoeding en/of stagevergoeding bieden en of zij hierin onderscheid maken tussen verschillende (groepen) studenten (zie Bijlage D voor de vragenlijst).
4.1 CBS Microdata: vergoeding uit stage Vier op de tien Amsterdamse studenten met een stage (in maart 2024) heeft ook inkomen uit stage (Figuur 4.1) ● Niveau 1/2 studenten hebben veel minder vaak inkomen uit stage dan Niveau 3/4 studenten (29% vs 42%). ● Het aandeel stagiairs met inkomen uit stage is het hoogst in de sector Voedsel, Groen en Gastvrijheid (49%). ● Het aandeel stagiairs met inkomen uit stage is het laagst in de sector Handel (28%). De mediaan stagevergoeding (in maart 2024) bedraagt €3.11 per uur voor Amsterdamse studenten (Tabel 4.1)16 ● De stagevergoeding varieert sterk: een kwart krijgt tot €1.96 per uur, eveneens een kwart €4.23 of meer. ● De mediaan vergoeding is hoger voor Niveau 1/2 studenten dan voor Niveau 3/4 studenten (€3.52 vs €3.01). ● De mediaan is het laagst in de sector Handel (€1.79) en het hoogst in Voedsel, Groen en Gastvrijheid (€4.18). Aanvullende verklarende analyses laten zien dat het aandeel stagiairs dat stagevergoeding ontvangt (Tabel D.2) en de hoogte van die ontvangen stagevergoeding (Tabel D.3) significant samenhangen met geslacht en herkomst van de student. De analyses bevestigen het visuele beeld van het verschil tussen opleidingen.
Aanvullend zien we dat – na correctie voor opleidingsniveau en -sector, evenals voor opleiding en inkomen van ouder(s) – vrouwelijke stagiairs tien procentpunt vaker een stagevergoeding ontvangen dan mannelijke studenten met een stage, maar dat de hoogte van de ontvangen stagevergoeding gemiddeld genomen tien procent lager ligt dan bij mannelijke stagiairs. Voor studenten met een niet-Nederlandse herkomst geldt dat zij (iets) minder vaak een betaalde stage hebben (twee procentpunt lager) en dat de ontvangen stagevergoeding bijna negen procent lager ligt dan bij studenten met een Nederlandse herkomst. Deze verschillen zijn echter kleiner dan de verschillen tussen mannen en vrouwen.17
15
16
17
CNV, 2023 https://www.cnvvakmensen.nl/persberichten/jong-cnv-en-iso-starten-petitie-voorverplichtestagevergoeding/ Voor hbo en wo zijn de mediaan vergoedingen per uur respectievelijk €3.28 en €3.53 (op landelijk niveau, voor maart 2024)(zie https://www.cbs.nl/nl-nl/maatwerk/2025/07/stages-en-banen-van-studenten-in-het-mbo-en-ho-2023-24) Zonder correctie voor opleiding en inkomen van ouders is het verschil in hoogte van de stagevergoeding naar herkomst in Amsterdam vergelijkbaar met die op landelijk niveau. Na correctie voor opleiding en inkomen van ouders is het negatief verband met stagevergoeding in maart 2024 in Amsterdam groter dan op landelijk niveau. Voor maart 2023 is het verschil in stagevergoeding naar herkomst in Amsterdam en op landelijk niveau vergelijkbaar.
NULMETING AMSTERDAMS STAGEPACT MBO
Figuur 4.1
28
Vier op tien studenten met een stage (in maart 2024) heeft ook inkomen uit stage % studenten met loon uit stage van studenten met een bpv (in maart 2024) 39% 41%
Totaal (n=9469; 173807)
29% 29%
Niveau 1 + Niveau 2 (n=2192; 31014) Niveau 3 + Niveau 4 (n=7277; 142793)
42% 44%
Techniek & Gebouwde Omgeving (n=572; 11108)
43%
Mobiliteit, Transport, Logistiek & Maritiem (n=226; 7175) Zorg, Welzijn en Sport (n=3559; 82531)
28% 30% 35% 39%
Handel (n=1063; 11284) ICT & Creatieve Industrie (n=1681; 14041) Voedsel, Groen en Gastvrijheid (n=801; 23238)
49%
25% 0%
10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100%
Eigen analyses van BPV-overeenkomsten in CBS Microdata over BPV-overeenkomsten van maart 2024.
NL P 75
NL mediaan
NL p 25
Amsterdam p 75
De mediaan vergoeding uit stage bedraagt ruim 3 euro per uur (in maart 2024)
Amsterdam p 25
Tabel 4.1
Amsterdam mediaan
Bron:
59%
40% 42% 39% 46%
Totaal (n=3661; 72109) Naar niveau 1/2 en 3/4 geclusterd:
€ 1.96 € 3.11 € 4.23 € 2.04 € 3.03 € 4.20
Niveau 1 + Niveau 2 (n=641; 8941) Niveau 3 + Niveau 4 (n=3020; 63168) Naar sectorkamer:
€ 1.95 € 3.52 € 4.23 € 2.27 € 3.73 € 4.34 € 1.96 € 3.01 € 4.23 € 2.01 € 2.97 € 4.19
Techniek & Gebouwde Omgeving (n=244; 6550) Mobiliteit, Transport, Logistiek & Maritiem (n=90; 2996)
€ 2.06 € 2.89 € 3.63 € 2.23 € 2.96 € 3.75 € 1.67 € 2.97 € 4.99 € 2.07 € 2.98 € 4.39
Zorg, Welzijn en Sport (n=1371; 37804) Handel (n=294; 3409) ICT & Creatieve Industrie (n=587; 5455)
€ 1.90 € 3.53 € 4.23 € 2.27 € 3.40 € 4.20 € 1.68 € 1.79 € 2.60 € 1.64 € 1.85 € 2.77 € 1.80 € 2.48 € 3.28 € 1.68 € 2.26 € 3.23
Voedsel, Groen en Gastvrijheid (n=394; 5720) Zakelijke Dienstverlening & Veiligheid (n=496; 8158)
€ 3.24 € 4.18 € 5.31 € 2.45 € 3.47 € 4.92 € 2.20 € 3.37 € 4.98 € 2.26 € 3.63 € 10.45
Bron:
Eigen analyses van BPV-overeenkomsten in CBS Microdata over BPV-overeenkomsten van maart 2024.
NULMETING AMSTERDAMS STAGEPACT MBO
29
4.2 Amsterdamse bedrijven: onkostenvergoeding en/of stagevergoeding Krijgen stagiairs een onkostenvergoeding en/of een stagevergoeding? En hoeveel bedraagt deze vergoeding? Deze vragen stelden we aan de contactpersonen van de bedrijven die het Amsterdams Stagepact MBO ondertekenden. Twee derde van de respondenten (63%) geeft aan dat stagiairs (alleen) een stagevergoeding krijgen. Daarbovenop geeft 30% aan dat stagiairs naast een stagevergoeding ook onkostenvergoeding ontvangen. Een enkel bedrijf geeft aan dat stagiairs (nog) geen onkosten- of stagevergoeding krijgen. Eveneens geeft een enkel bedrijf aan wel een stagevergoeding te geven, maar dat de hoogte hiervan wel afhankelijk is van opleidingsniveau. De hoogte van de stagevergoeding varieert volgens respondenten van €150 tot €750 per maand. Het meest genoemde bedrag (8 van de 35 respondenten) – en tevens de mediaan – is €500 per maand voor een voltijd stage. Een kwart van de respondenten geeft aan dat de vergoeding €300 of lager is. Eveneens een kwart geeft aan dat de stagevergoeding €600 of meer per maand bedraagt. Gewogen naar het aantal stagiairs dat respondenten aangeven afgelopen jaar gehad te hebben bedraagt de gemiddelde stagevergoeding €481 per maand voor een voltijd stage. Figuur 4.2
Een enkel bedrijf geeft aan dat stagiairs (nog) geen onkosten- of stagevergoeding krijgen
Krijgen stagiairs een onkostenvergoeding en/of een stagevergoeding? (n=46) Stagiairs ontvangen naast onze begeleiding geen onkosten- of stagevergoeding
4%
63%
30%
2%
Stagiairs krijgen een generieke (maandelijkse) stagevergoeding Stagiairs krijgen zowel een onkostenvergoeding als een stagevergoeding Anders
0% Bron:
20%
40%
60%
80%
100%
Vragenlijst onder 47 deelnemende Amsterdamse bedrijven
NULMETING AMSTERDAMS STAGEPACT MBO
5
30
Ambitie 4: uitbannen van stagediscriminatie
Het merendeel van de aan het stagepact deelnemende Amsterdamse bedrijven heeft (voorzorgs)maatregelen om discriminatie te voorkomen en adresseren. Driekwart van alle Amsterdamse mbo-studenten voelt zich veilig op het leerbedrijf, met weinig verschillen tussen sectoren. Eén op veertien voelt zich onveilig. De vierde kernambitie in het Amsterdams Stagepact MBO betreft het uitbannen van stagediscriminatie. Onderstaand kader (Box 5.1) schetst de uitdagingen waar Amsterdam voor staat ten aanzien van deze ambitie. Onderdeel van het Actieplan in het Amsterdams Stagepact MBO is dat dat alle partijen een sociale norm communiceren, dat meldingen onderzocht worden en dat er middels pilots geëxperimenteerd wordt met objectief matchen en selecteren. Om de stand van zaken ten aanzien van het realiseren van een passende stagevergoeding in beeld te brengen zijn uit twee verschillende databronnen diverse relevante indicatoren geselecteerd (zie Box 5.2). De volgende paragrafen geven voor elk van deze bronnen een puntsgewijze samenvatting en visuele weergave van de onderzochte indicatoren. Hieronder vatten we de resultaten overkoepelend samen.
Bevindingen ten aanzien van het uitbannen van stagediscriminatie (ambitie 4) Driekwart van de studenten geeft aan zich veilig te voelen op het leerbedrijf (Figuur 5.1). Dit percentage is nagenoeg gelijk in alle onderwijsniveaus en -sectoren. Een kleine groep studenten (7%) geeft aan zich onveilig te voelen. Dit aandeel is het laagst in de sector Techniek en Gebouwde Omgeving (4%). In de sector Zakelijke dienstverlening is dit aandeel met 9% daarentegen juist hoger dan in de andere sectoren. Wat wel gemonitord kan worden is de mate waarin deelnemende bedrijven (voorzorgs)maatregelen treffen om discriminatie te voorkomen en adresseren. Nagenoeg alle responderende bedrijven hebben een vertrouwenspersoon, aanspreekpunt en/of meldpunt, maar vaak is niet bekend of er afgelopen jaar meldingen van discriminatie zijn geweest (Figuur 5.2). Meer dan de helft van de responderende bedrijven heeft specifieke maatregelen tegen discriminatie bij werving en selectie, en twee op drie heeft maatregelen tegen discriminatie op de werkvloer (Figuur 5.3). Zo noemen enkele bedrijven dat de nauwe betrokkenheid van HR of een (onafhankelijke) stagecoördinator een belangrijke rol speelt in het voorkomen van discriminatie.
Daarnaast noemen enkelen dat de selectiecommissie uit meerdere personen bestaat, dat er trainingen worden verzorgd om de kennis op dit thema te vergroten, en dat geslacht en foto niet meer door studenten meegestuurd worden. Tijdens de stage – op de werkvloer – gaat het veelal om de implementatie van een uitgebreide gedragscode, de aanwezigheid van een intern of extern vertrouwenspersoon, of (verplichte) trainingen en bijeenkomsten over dit thema. Daarnaast is via de vragenlijst onder deelnemende leerbedrijven geïnventariseerd hoe zij aankijken tegen objectieve stagematching. Een meerderheid (61%) van de deelnemende bedrijven geeft aan – in beginsel – positief tegenover objectieve matching van stagiairs door de opleiding te staan (Figuur E.3). Tegelijkertijd geeft ruim een derde van de deelnemende bedrijven (37%) aan dat het aantal stageplekken dan wel lager zal uitvallen (Figuur E.4).
NULMETING AMSTERDAMS STAGEPACT MBO
Box 5.1
31
Uitdagingen tav stagediscriminatie, zoals opgenomen in het Amsterdams Stagepact MBO
“Stagediscriminatie vindt plaats op basis van diverse eigenschappen: cultuur, religie of levensbeschouwing, seksuele oriëntatie, sekse & gender, lichamelijke beperking, opleidingsniveau en/of beperkingen. Er is binnen mbo-instellingen niet altijd specifiek beleid of een expliciete sociale norm tegen stagediscriminatie. Studenten voelen zich soms niet gehoord of voelen zich niet veilig om erover te spreken. Daarnaast hebben studenten geen vertrouwen dat er iets met een melding wordt gedaan of weten zij niet zeker of er daadwerkelijk sprake is van discriminatie. Dit maakt dat de meldingsbereidheid bij (vermeende) discriminatie laag is. Het is ingewikkeld om discriminatie objectief vast te stellen en daarop goed te acteren. Tot slot willen veel bedrijven en organisaties wel een inclusieve en diverse werkvloer, maar weten niet hoe.”
Box 5.2 ● ●
Bronnen en relevante indicatoren In het Studenttevredenheidsonderzoek van ROCvA (voor Amsterdam) en de JOB Monitor 2024 18 (voor het landelijk beeld) wordt studenten gevraagd of zij zich veilig voelen op de stageplek. ▪ Ik voel me veilig op het leerbedrijf / Voel(de) je je veilig op je stageplek/leerwerkplek? 19 In de vragenlijst onder deelnemende Amsterdamse bedrijven vragen we of zij wel of geen maatregelen nemen tegen discriminatie bij werving en selectie van stagiairs en/of op de werkvloer (tijdens de stage), hoe studenten als stagiair bij hen terecht komen en hoe zij aankijken tegen objectief matchen en selecteren (door de onderwijsinstelling) (zie Bijlage D voor de vragenlijst).
5.1 Het perspectief van studenten: veiligheid op de stageplek Drie op de vier Amsterdamse studenten geeft aan zich veilig te voelen op het leerbedrijf (Figuur 5.1 en Figuur B.2). ● Landelijk gezien ligt dit percentage met 84% hoger dan in Amsterdam. ● Het aandeel dat aangeeft zich niet veilig te voelen (1 of 2 sterren op een schaal van 5) is in Amsterdam 7%, tegenover landelijk 4%.20 ● Het aandeel studenten dat zich veilig voelt is met 69% het laagst in de sector Mobiliteit, Transport, Logistiek en Maritiem (met 6% van de studenten die negatief hierover is). ● Het aandeel Amsterdamse studenten met een negatief veiligheidsgevoel bij het leerbedrijf (1 of 2 sterren op een schaal van 5) is met 9% het hoogst in de sector Zakelijke dienstverlening en veiligheid.
18 19
20
Exclusief HMC en Mediacollege Amsterdam (ondertekenaars Amsterdams Stagepact MBO). De antwoordopties in beide vragenlijsten zijn anders, wat invloed kan hebben op de antwoorden. In de STO ROCvA geven studenten met 1 tot 5 sterren antwoord op de vraag “Ik voel me veilig op het leerbedrijf (tijdens mijn stage/bpv)”. In de (landelijke) JOB Monitor 2024 zijn er voor dezelfde vraag (“Voel(de) je je veilig op je stageplek?”) 5 opties, van 1 “helemaal niet” tot 5 “ja, zeker”. Voor de JOB-monitor is voor deze vraag geen informatie bekend over school, niveau of sector van de opleiding van de respondenten. Daarom zijn geen uitsplitsingen te maken naar niveau en/of sectorkamer. Let wel, de antwoordopties in beide vragenlijsten zijn anders, wat invloed kan hebben op het antwoordgedrag van studenten. In de STO ROCvA kunnen studenten met 1 tot 5 sterren antwoord geven op de vraag “Ik voel me veilig op het leerbedrijf (tijdens mijn stage/bpv)”. In de (landelijke) JOB Monitor 2024 zijn er voor dezelfde vraag (“Voel(de) je je veilig op je stageplek?”) 5 antwoordopties, variërend van 1 “helemaal niet” tot 5 “ja, zeker”. Voor de JOB-monitor is voor deze vraag geen informatie bekend over school, niveau of sectorkamer van de opleiding van de respondenten. Daardoor zijn geen uitsplitsingen te maken naar niveau en/of sectorkamer.
NULMETING AMSTERDAMS STAGEPACT MBO
Figuur 5.1
32
Driekwart van de Amsterdamse studenten voelt zich veilig op het leerbedrijf % Studenten dat zich veilig voelt op het leerbedrijf Totaal Amsterdam (n=8250)
75%
Totaal Nederland (n=66563)
84%
Niveau 1+2 (n=1726)
73%
Niveau 3 + 4 (n=5793)
75%
Techniek & Gebouwde Omgeving (n=338)
78%
Mobiliteit, Transport, Logistiek & Maritiem (n=435)
69%
Zorg, Welzijn en Sport (n=1711)
74%
Handel (n=799)
78%
ICT & Creatieve Industrie (n=735)
79%
Voedsel, Groen en Gastvrijheid (n=611)
80%
Zakelijke Dienstverlening & Veiligheid (n=1164)
73%
0% Bron:
10%
20%
30%
40%
50%
60%
70%
80%
90%
Eigen bewerking van resultaten Studenttevredenheidsonderzoek ROCvA en JOB Monitor 2024
5.2 Amsterdamse leerbedrijven: het aanpakken van stagediscriminatie Aan de contactpersonen van de bedrijven die het Amsterdams Stagepact MBO ondertekenden is een aantal vragen voorgelegd over (maatregelen tegen) stagediscriminatie: ● Heeft uw bedrijf een vertrouwenspersoon, aanspreekpunt, of meldpunt waar (vermoedens van of ervaren) (stage)discriminatie gemeld kunnen worden? ● Zijn er de afgelopen 12 maanden een of meerdere meldingen geweest van discriminatie op de werkvloer? ● Zijn er maatregelen om discriminatie bij werving en selectie van werknemers/stagiairs te voorkomen? ● Zijn er maatregelen om discriminatie op de werkvloer van werknemers/stagiairs tegen te gaan? Nagenoeg alle bedrijven hebben een vertrouwenspersoon/aanspreekpunt/meldpunt, maar bij de respondenten is vaak niet bekend of er afgelopen jaren meldingen van discriminatie zijn geweest (Figuur 5.2). Zes op tien bedrijven heeft specifieke maatregelen tegen discriminatie bij werving en selectie, en twee op drie heeft maatregelen tegen discriminatie op de werkvloer (Figuur 5.3). In de open antwoordcategorie van de voor dit onderzoek uitgezette vragenlijst geven bedrijven verschillende voorbeelden van beide maatregelen.
Met betrekking tot het werving- en selectieproces geven enkele bedrijven allereerst aan dat de nauwe betrokkenheid van HR of een (onafhankelijke) stagecoördinator een belangrijke rol speelt in het voorkomen van discriminatie. Daarnaast noemen enkelen dat de selectiecommissie uit meerdere personen bestaat, dat er trainingen worden verzorgd om de kennis op dit thema te vergroten, en dat geslacht en foto niet meer door studenten meegestuurd worden. Met betrekking tot het voorkomen van discriminatie op de
NULMETING AMSTERDAMS STAGEPACT MBO
33
werkvloer worden eveneens enkele maatregelen genoemd. Het vaakst noemen bedrijven de implementatie van een uitgebreide gedragscode, de aanwezigheid van een intern of extern vertrouwenspersoon, of (verplichte) trainingen en bijeenkomsten over dit thema. Ook komen verschillende vormen van beleid naar voren, variërend van een zero tolerance beleid, tot een DIEB (Diversity, Inclusion, Equity, and Belonging) beleid, of een Integriteitsbeleid. Een enkeling noemt gebruik te maken van een “buddy” en de “afdeling inclusion” om discriminatie op de werkvloer tegen te gaan. Figuur 5.2
Nagenoeg alle bedrijven hebben een vertrouwenspersoon/aanspreekpunt/meldpunt, maar bij de respondenten is vaak niet bekend of er afgelopen jaren meldingen van discriminatie zijn geweest
Heeft uw bedrijf een vertrouwenspersoon, aanspreekpunt, of meldpunt waar (vermoedens van of ervaren) (stage)discriminatie gemeld kunnen worden? (n=41)
Zijn er in de afgelopen 12 maanden binnen uw bedrijf een of meerdere meldingen geweest van (stage)discriminatie op de werkvloer? (n=41)
2%
24%
71%
98%
Ja Bron:
Nee
Ja
Nee
Weet ik niet
Vragenlijst onder 47 deelnemende Amsterdamse bedrijven
Figuur 5.3
Zes op tien bedrijven heeft maatregelen tegen discriminatie bij werving en selectie, twee op drie tegen discriminatie op de werkvloer
Zijn er binnen uw bedrijf maatregelen om discriminatie bij de werving en selectie van werknemers en/of stagiairs te voorkomen of tegen te gaan? (n=41)
Zijn er binnen uw bedrijf maatregelen om discriminatie op de werkvloer van werknemers en/of stagiairs tegen te gaan? (n=41) 22%
22%
12%
17%
Ja, namelijk: Bron:
5%
61%
Nee
Weet ik niet
Vragenlijst onder 47 deelnemende Amsterdamse bedrijven
66%
Ja, namelijk:
Nee
Weet ik niet
NULMETING AMSTERDAMS STAGEPACT MBO
34
Selectie en matching van studenten Aan de contactpersonen van de bedrijven die het Amsterdams Stagepact MBO ondertekenden is een aantal vragen gesteld over de manier waarop studenten bij hen als stagiair terecht komen en hoe zij aankijken tegen objectief selecteren en matchen van studenten aan stages door de opleiding: ● Hoe is/zijn de stagiair(s) bij jullie binnengekomen? ● Is er een sollicitatie- of klikgesprek geweest met de stagiair(s)? ● Staan jullie als bedrijf ervoor open om een stagiair aan te nemen die door de mbo-opleiding aan jullie toegewezen wordt op basis van een (objectieve) match tussen diens leerwensen en competenties en jullie beschikbare werkzaamheden? ● Stel dat alle eerstejaars mbo bol-studenten via objectieve stagematching door de opleiding aan een stageplek worden gekoppeld, in plaats van dat studenten zelf bij jullie moeten solliciteren en een sollicitatie- of klikgesprek moeten voeren. Wat zou dat betekenen voor jullie stageplekken? Bijna de helft van de deelnemende bedrijven geven aan dat – een deel van hun – stagiairs via de opleiding aangedragen worden (Figuur E.1). Voor vier op de tien (38%) geldt dat het afgelopen jaar alle stagiairs via directe sollicitatie bij hen zijn binnengekomen.
Voordat de stage start vindt er nagenoeg altijd eerste een – formeel of informeel – klikgesprek plaats (Figuur E.2), ongeacht of de student via eigen sollicitatie of via de opleiding bij het bedrijf is terecht gekomen. Onderdeel van het Amsterdams Stagepact MBO (en het landelijk pact) is dat opleidingen en bedrijven (in overleg) gaan experimenteren met objectieve selectie en plaatsing van studenten door de opleiding, waarbij in beginsel geen klikgesprek meer plaatsvindt. Een meerderheid (61%) van de deelnemende bedrijven staat – in beginsel – positief tegenover objectieve matching van stagiairs door de opleiding (Figuur E.3), maar tegelijkertijd geeft ruim een derde van de deelnemende bedrijven (37%) aan dat het aantal stageplekken dan wel lager zal uitvallen (Figuur E.4). Hoeveel minder stageplekken is moeilijk te zeggen; zo geven enkele respondenten (van grote bedrijven) ook zelf aan. Een aantal respondenten geeft in de toelichting bij de vragen rondom selectie en plaatsing aan veel waarde te hechten aan het klikgesprek.
NULMETING AMSTERDAMS STAGEPACT MBO
6
35
Aandachtspunten uit nulmeting
De voorgaande vier hoofdstukken laten voor elk van de vier ambities uit het Amsterdams Stagepact MBO zien wat er op basis van de onderzochte databronnen en bijbehorende indicatoren gezegd kan worden over hoe het aan het begin van het stagepact er in Amsterdam voor stond ten aanzien van elk van deze ambities. Dit hoofdstuk schetst een aantal overkoepelende aandachtspunten die uit de verzameling, analyse en reflectie op de resultaten van deze nulmeting naar voren komen. Deze worden hieronder puntsgewijs samengevat, zodat deze in het vervolg van het Amsterdams Stagepact MBO meegenomen kunnen worden in het maken van vervolgafspraken met deelnemers aan het pact, en bij het opzetten en (laten) uitvoeren van herhaalde metingen en (eind)evaluaties.
6.1 Aandachtspunten uit secundaire data-analyse De secundaire data-analyse levert veel informatie op over de vier kernambities van het Amsterdams Stagepact MBO, maar laat ook zien dat op sommige aspecten informatie onvolledig is of zelfs ontbreekt om conclusies te kunnen trekken over de stand van zaken en voortgang op een ambitie en/of om gerichte beleidsaanbevelingen te kunnen doen.
Ambitie 1: Onvoldoende zicht op of aanbod stageplekken voldoende en passend is Het aantallen stageknelpunten zoals geregistreerd door SBB is relatief laag en vrij stabiel over tijd, maar tegelijkertijd zien we ook dat één op de drie van alle ingeschreven studenten in het schooljaar 2023/2024 geen stage heeft gelopen. Wat niet bekend is, is hoeveel studenten wel stage moesten volgen vanuit de opleiding, maar daarin niet zijn geslaagd. Hierover is meer informatie nodig om de sectorverschillen die we zien nader te kunnen duiden en eventueel te verklaren. Van praktijkopleiders weten we hoe tevreden ze zijn over de mate waarin de stage passend was voor de student, maar vanuit het perspectief van de student is deze informatie – vanwege onvoldoende respons op de BPV-monitor vanuit studenten – niet goed in beeld te brengen.
Ambitie 2: Ruimte voor verbetering in voorbereiding en begeleiding door opleiding Studenten zijn veelal tevreden over de begeleiding die ze tijdens de stage van het leerbedrijf krijgen, maar zijn vaak kritischer over de voorbereiding en begeleiding vanuit hun opleiding. Eén op de vier studenten is hier ronduit negatief over. In de sectoren Techniek & Gebouwde Omgeving en Zakelijke Dienstverlening & Veiligheid zelfs één op drie studenten. Hoewel bedrijven hier vaker positief over zijn, geeft één op zes praktijkopleiders aan dat er te weinig contact is met de opleiding.
Ambitie 3: Grote verschillen in wie stagevergoeding krijgt en hoeveel Bedrijven die deelnemen aan het Amsterdams Stagepact MBO committeren zich aan het geven van een stagevergoeding, maar over alle Amsterdamse mbo-studenten zien we dat zes op tien (nog) geen stagevergoeding ontvangt. In de sector Handel zelfs zeven op tien. Daarnaast zijn er ook grote verschillen tussen sectoren in de hoogte van de (mediaan) vergoeding, en is ook binnen sectoren de variatie groot in hoeveel vergoeding mbostagiairs per uur ontvangen. Daarnaast zijn er – na correctie voor niveau en sector van de opleiding – grote verschillen tussen studenten naar geslacht of herkomst. In hoeverre al deze verschillen te rechtvaardigen zijn als we kijken naar lonen van vaste werknemers en of de ontvangen vergoeding passend is – gegeven de sector/arbeidsmarkt en de aard en omvang van de stage – is niet bekend.
NULMETING AMSTERDAMS STAGEPACT MBO
36
Ambitie 4: Stagediscriminatie is lastig te monitoren Er zijn geen harde data voorhanden om in beeld te brengen en te monitoren hoe vaak en in welke situaties sprake is van stagediscriminatie. We weten dat drie op de vier Amsterdamse studenten zich veilig voelt bij het leerbedrijf; en die indicator kan ook over tijd goed gemonitord worden. Ook weten we uit de vragenlijst onder deelnemende bedrijven dat zij nagenoeg allemaal (voorzorgs)maatregelen treffen om discriminatie te voorkomen en adresseren. Voortgang op de ambitie om stagediscriminatie uit te bannen is lastig te monitoren omdat niet bekend is hoeveel studenten tijdens het zoeken naar of lopen van een stage discriminatie ervaren.
6.2 Aandachtspunten voor toekomstige data(verzameling) Uit de dataverzameling zijn een aantal aandachtspunten gesignaleerd die relevant zijn voor toekomstige metingen. De beschikbaarheid en representativiteit van data, zowel op landelijk niveau als voor Amsterdam, zijn mede bepalend voor de vergelijkbaarheid van landelijke, regionale en/of lokale onderzoeksresultaten. Wellicht kan op sommige van onderstaande punten in de toekomst overleg plaatsvinden tussen partijen die betrokken zijn bij de verzameling van de data. ●
●
●
●
●
●
De vragenlijst voor deelnemende bedrijven is niet altijd bij de juiste persoon terecht gekomen. De vragenlijst voor deelnemende bedrijven is naar contactpersonen van de ondertekenende bedrijven gestuurd. Dit heeft erin geresulteerd dat de enquête niet altijd bij de juiste persoon terecht kwam. Veel van de deelnemende bedrijven hebben ook (veel) verschillende afdelingen en locaties, waar de ervaringen en afspraken en maatregelen anders kunnen zijn of anders uitpakken dan bij die ene contactpersoon bekend is. In de vragenlijst voor deelnemende bedrijven had meer aandacht besteed kunnen worden aan stagevoorbereiding en -begeleiding. Er zijn in de BPV-monitor tal van indicatoren hierover, maar het zou helpen om meer zicht te krijgen op de wensen en behoeften van deelnemende bedrijven op deze ambitie. Bijvoorbeeld over de beschikbaarheid van en deelname aan training/scholing op het gebied van begeleiding. De respons op de SBB BPV-monitor onder studenten is beperkt en selectief en is daarom niet in dit rapport meegenomen. Waar het voor Amsterdam gaat om bijna duizend praktijkopleiders over kalenderjaar 2023, zijn er slechts data voor net iets meer dan honderd studenten/stagiairs beschikbaar. Deels komt dit door de manier waarop de vragenlijst wordt uitgezet.
De praktijkopleider wordt gevraagd de stagiair de vragenlijst te laten invullen, in plaats van de student deze oproep zelf direct ontvangt. Het is aan te bevelen om de respons op de BPV-monitor vanuit studenten te vergroten en te zorgen voor een representatieve respons, zodat ook de vele relevante indicatoren die die vragenlijst rijk is ook in toekomstige metingen mee te kunnen nemen. In de landelijke JOB monitor zitten relevante vragen die niet in de studenttevredenheidsvragenlijst staan van het ROC van Amsterdam. Dit gaat om de vraag of de student moeite had een stageplek te vinden. Maar ook (in de module over stages) of de student weet waar discriminatie of misbruik gemeld kan worden en of hij/zij discriminatie heeft ervaren bij zichzelf of anderen. Koppeling van bedrijfskenmerken van SBB aan bedrijfskenmerken binnen de CBS Microdata blijkt erg lastig doordat niet dezelfde bedrijfsindicatoren gebruikt worden. Hierover is overleg tussen SBB en CBS wenselijk om in de toekomst deze koppeling mogelijk te maken zodat ook analyses gedaan kunnen worden op kenmerken van bedrijven. Het meten van discriminatie is en blijft lastig, maar wordt ook niet expliciet uitgevraagd onder studenten. In de enquêtes onder studenten zijn geen vragen opgenomen over (ervaren) discriminatie tijdens het zoeken naar een stage of tijdens de stage.
In de landelijke JOB Monitor 2024 is in het kader van sociale veiligheid wel de volgende vraag opgenomen: “Heb je dit schooljaar meegemaakt dat jij of iemand anders gediscrimineerd werd op school?” Hierop geeft één op de tien studenten aan liever niet te zeggen of zij discriminatie op school
NULMETING AMSTERDAMS STAGEPACT MBO
37
hebben meegemaakt. Van de rest heeft ongeveer één op vijf dat meegemaakt, waarvan de helft zeker. Hiermee weten we niet welk aandeel van studenten zelf discriminatie ervaart, en de vraag gaat ook over discriminatie op school, en niet over de stage,
6.3 Aandachtspunten uit reflectiegesprekken met stuurgroep, studenten en bedrijven Uit de verschillende reflectiegesprekken met leden van de stuurgroep21, studenten en deelnemende Amsterdamse bedrijven worden verschillende aandachtspunten benoemd die raken aan één of meerdere ambities van het Amsterdams Stagepact MBO. Hieronder zijn per ambitie enkele punten samengevat. Hoewel de punten hier per ambitie zijn benoemd, is er ook een sterke samenhang tussen verschillende ambities. Zo komt uit de gesprekken met zowel studenten als bedrijven naar voren dat een goede (en tijdige) voorbereiding vanuit de opleiding positief kan bijdragen aan de kans om een passende stage te vinden.
Ambitie 1: Voldoende passende stageplekken Studenten die deelnamen aan het reflectiegesprek verschillen van mening over hoe moeilijk het was om een stage te vinden. Volgens hen hangt dit deels af van de branche, maar ook van de inzet en houding van de student zelf. Zoals één student het verwoordde: “Negen van de tien studenten doen niet echt hun best. Of ze zijn juist te kritisch – ze willen alleen een heel specifieke stage.” Aanvullend noemen studenten dat de “Stagemarkt.nl” – volgens hen dé manier om stages te vinden – door bedrijven niet goed bijgehouden wordt, waardoor het vinden van een stageplek moelijker wordt. Studenten spreken hun wens uit om dit te verhelpen, zodat zij met meer gemak op zoek kunnen naar een passende stageplek. Bij het vinden van een geschikte stageplek vindt de helft van de deelnemende studenten dat zij daar zelf verantwoordelijk voor zijn. De andere helft is van mening dat de school hierin een verantwoordelijkheid heeft. Een student die van mening is dat de school hierin verantwoordelijkheid draagt, illustreert dit als volgt: “Je kan niet verwachten van mensen die net van het vo komen, om dan helemaal zelfstandig een baan te zoeken.” Bedrijven geven aan dat zij soms onvoldoende beschikbare plekken hebben om alle studenten die een aanvraag doen te plaatsen.
Daarbij wordt vermeld dat dit mede komt doordat verzoeken regelmatig op het laatste moment worden ingediend. Het is daarbij voor bedrijven, zo noemt één van de deelnemers aan het reflectiegesprek, niet goed vast te stellen of de vertraging wordt veroorzaakt door de student of de school.
Ambitie 2: Verbeteren stagevoorbereiding en -begeleiding Over de voorbereiding vanuit de opleiding hebben studenten uiteenlopende meningen. Sommige studenten geven aan wekelijks les te krijgen over dit thema, bijvoorbeeld over het opstellen van een cv, en waarderen de
21
De stuurgroep bestaat uit de wethouder MBO & Economische Zaken, een vertegenwoordiging vanuit mbo-instellingen, SBB, een bedrijfsvertegenwoordiger per sector, vertegenwoordigers van mbo-studenten en vertegenwoordigers van relevante koepels. Deze diverse samenstelling waarborgt een breed perspectief en een inclusieve aanpak.
NULMETING AMSTERDAMS STAGEPACT MBO
38
structuur van deze lessen. Andere studenten ervaren daarentegen weinig ondersteuning vanuit de opleiding op dit vlak. Dit wordt geïllustreerd door de volgende twee citaten: “Ik weet wel hoe ik moet solliciteren, maar dit komt door mensen die ik ken, niet door de school. Die zeggen alleen dat je gewoon contact moet opnemen met het bedrijf. Maar de begeleiding kan veel beter.” “Ze zeggen wel; vergeet niet dat je een stage moet regelen. Maar hóe, dat zeggen ze niet.” Studenten zijn soms ook kritisch over de begeleiding vanuit het leerbedrijf. Enkele studenten geven aan dat zij tijdens hun stage niet op een juiste manier zijn behandeld. Zo noemen zij situaties waarin zij fulltime moesten werken, zonder dat dit passend of toegestaan was. In sommige gevallen leidde dit tot klachten bij de school of meldingen bij de Arbeidsinspectie. Zij noemen goede begeleiding vanuit het leerbedrijf om deze reden “zeer cruciaal”. Volgens bedrijven schiet de stagevoorbereiding en -begeleiding vanuit de school soms tekort. Bedrijven benadrukken het belang van goede begeleiding en vinden het noodzakelijk dat scholen tijdens de stageperiode meerdere keren op locatie langskomen. In de praktijk gebeurt dit echter niet altijd; soms blijft het contact beperkt tot één telefoongesprek, en regelmatig duurt het volgens bedrijven lang voordat zij de contactgegevens van de school ontvangen.
Bedrijven merken daarnaast ook op dat scholen hun studenten niet altijd goed voorbereiden op de stage. Dit blijkt volgens hen uit verschillende zaken. Zo is het vaak onduidelijk met welke opdracht studenten komen en wat hun leerdoelen zijn. Daarnaast zijn zij soms nog onvoldoende voorbereid op het gebied van beroepshouding, gedragsnormen, het nakomen van afspraken en sociale en communicatieve vaardigheden.
Ambitie 3: Een passende stagevergoeding De bedrijven die aan de reflectiegesprekken deelnamen zijn tevreden over de manier waarop de stagevergoedingen geregeld zijn. De afspraken zijn volgens hen niet alleen vastgelegd in de cao, maar zijn in principe ook voor alle opleidingen hetzelfde. De mening van studenten over de hoogte van de vergoedingen varieert. Sommigen vinden het huidige maandbedrag dat zij ontvangen “best wel veel”, terwijl anderen wijzen op de ongelijkheid tussen ovo-, bbl- en bol-studenten.
Ambitie 4: Uitbannen van stagediscriminatie Uit de reflectiegesprekken met studenten blijkt dat de bekendheid met het meldpunt sterk varieert. Sommige studenten geven aan dat zij op de hoogte zijn van het bestaan van een vertrouwenspersoon of meldpunt, maar dit geldt niet voor alle deelnemers. Ook leerbedrijven uiten zorgen over de zichtbaarheid en vindbaarheid van het meldpunt of de vertrouwenspersoon voor studenten. Daarnaast geven zij aan vaak niet te weten of studenten zich daadwerkelijk veilig voelen, of dat er (in het verleden) sprake is geweest van discriminatie. Enkele leerbedrijven verwoorden dit als volgt: “Ik weet dat die persoon er is, maar ik vraag me af of dit heel sterk gecommuniceerd wordt naar studenten.” “We struikelen over de meldpunten. [We willen] meer herkenbaarheid van het meldpunt. Weinig studenten zijn bewust van wat ze kunnen.” “We hebben wel een vertrouwenspersoon. (…) Dat zou ik wel willen weten, of er klachten over zijn, maar dat weet ik nu niet.”
NULMETING AMSTERDAMS STAGEPACT MBO
39
Ook wanneer studenten het meldpunt weten te vinden, wordt deze niet altijd gebruikt. Hiervoor worden enkele redenen genoemd. Zo geven studenten aan dat zij het lastig vinden om negatieve ervaringen te melden, onder andere vanwege gevoelens van schaamte. Eén student zegt hierover: “Zelf heb ik er ook moeite mee; dit is er gebeurd en er is iets aan de hand. Ik durf het niet aan te kaarten.” Daarnaast wijst een leerbedrijf erop dat het meldpunt niet altijd anoniem is: “[Het] meldpunt wat we nu hebben is niet anoniem, studenten willen geen problemen met het stagebedrijf.” In de reflectiegesprekken is ook aandacht besteed aan de mogelijke interventie waar de opleiding de student aan de hand van objectieve criteria koppelt aan een bedrijf en stageplek. Over deze objectieve stagematching verschillen studenten van mening. Waar de ene student aangeeft succesvol aan een stageplek te zijn gekoppeld en daar zeer tevreden over is, benadrukken andere studenten juist de nadelen van deze aanpak. Zij vinden het sollicitatieproces leerzaam en willen de kans om dit proces zelfstandig te doorlopen graag benutten. Daarnaast uit een student zijn gebrek aan vertrouwen in de school: “Ik denk niet dat de school dit kan. [Ik denk dat de ze dit beloven maar] dat ze er vervolgens geen tijd voor hebben of dat het misgaat.
Dan rekent een student daar op en doet diegene zelf niks [waardoor de kans op het vinden van een stageplek verkleint].” Ook onder bedrijven bestaan uiteenlopende meningen over stagematching. Terwijl sommige bedrijven het belang van een goede match benadrukken en de afspraken in het Stagepact onderschrijven, uiten andere bedrijven juist hun zorgen. Zij benadrukken vooral het belang van de persoonlijke klik met de student. Een bedrijf verwoordt dit als volgt: “We zijn heel erg druk bezig met het creëren van stageplekken, en ik denk zelf persoonlijk dat de klik heel belangrijk is. Als er meer ervaringen zijn over dat de match niet helemaal kloppend is, dan vermoed ik dat er steeds minder stageplekken beschikbaar komen. In dit stadium zou ik er geen voorstander van zijn.”
NULMETING AMSTERDAMS STAGEPACT MBO
40
Bijlage A Gebruikte bronnen en indicatoren In deze bijlage is een beschrijving te vinden van de gebruikte bronnen en indicatoren.
Bijlage A.1 ● ● ●
●
Beschikbaarheid: na afsluiten van gebruikersovereenkomst met JOB is de data via DANS beschikbaar Moment van afname: tweejaarlijks (mogelijk in toekomst jaarlijks) ▪ Voor deze nulmeting: JOB-monitor 2024, afnameperiode 1 december 2023 tm 15 maart 2024 Gebruikte vragen/indicatoren: ▪ Wat vind je van hoe school jou heeft voorbereid op je stage/bpv? ▪ Wat vind je van hoe school je heeft begeleid tijdens je stage/bpv? ▪ Wat vind je van hoe het leerbedrijf je heeft begeleid tijdens je stage/bpv? ▪ Voel(de) je je veilig op je stageplek/leerwerkplek? Uitsplitsing van aantal studenten naar antwoordcategorieën ▪ Totaal en naar niveau (voor bol) (1,2,3,4) ▪ Naar domein -> omgezet naar sector -> Domeinen Uiterlijke Verzorging en Veiligheid en Sport zijn buiten beschouwing gelaten omdat voor beide domeinen geldt dat de opleidingen niet aan één sector zijn toe te wijzen.
Bijlage A.2 ● ●
●
●
JOB Monitor 2024
Studenttevredenheidsonderzoek (STO) ROCvA
Beschikbaarheid: als ondertekenaar van het Amsterdams Stagepact MBO stelt ROCvA geaggregeerde data beschikbaar Moment van afname: jaarlijks ▪ Voor deze nulmeting: december/januari/februari van schooljaar 2023-2024 onder bijna 16.000 studenten (ongeveer 11.000 studenten met een stage) Gebruikte vragen/indicatoren (vragen die overlappen met vragen uit de JOB Monitor)(één tot vijf sterren) ▪ De voorbereiding op de stage is… ▪ Ik ben goed begeleid door school tijdens mijn stage/bpv ▪ De manier waarop het leerbedrijf mij begeleidt is goed (tijdens de stage/bpv) ▪ Ik voel me veilig op het leerbedrijf (tijdens mijn stage/bpv) Uitsplitsing van aantal studenten naar antwoordcategorieën ▪ Bol-studenten en naar niveau (bol+bbl samen)(1,2,3,4) ▪ Naar sectorkamer (voor bol3+bol4)
NULMETING AMSTERDAMS STAGEPACT MBO
Bijlage A.3 ● ● ● ●
●
● ●
22
23
SBB BPV-monitor
Beschikbaarheid data: als ondertekenaar van het Amsterdams Stagepact MBO stelt SBB geaggregeerde data beschikbaar voor dit onderzoek. Landelijke data openbaar is toegankelijk via Dashboard BPV-monitor. Moment van afname: continue meting onder praktijkopleiders naar de waardering van de bpv-periode22 ▪ Voor deze nulmeting is gebruik gemaakt van data over 202323 en 2024. Analyseniveau(s): landelijk, Groot Amsterdam en Amsterdam; totaal (bol), niveau, en naar sector (bol3/4) ▪ Uitsplitsingen: totaal, leerweg, niveaus, sectorkamer, bol+sectorkamer, bol3/4+sectorkamer Gebruikte vragen/indicatoren: ▪ Eindwaardering van de stage (bpv): gemiddeld rapportcijfer ▪ Voorbereiding: (% eens + % geheel eens) ▪ Mijn taken en verantwoordelijkheden bij de bpv waren vooraf duidelijk ▪ Het doel van de bpv was mij vooraf duidelijk ▪ De student is door de opleiding voldoende voorbereid op de bpv ▪ De opleiding heeft ervoor gezorgd dat de student qua houding, leerwensen en leermogelijkheden bij het bedrijf past ▪ De door de student te behalen leerdoelen van de bpv zijn vooraf goed met het leerbedrijf afgestemd ▪ Ik ben tevreden over de voorbereiding op de bpv ▪ Begeleiding: ▪ Ik ben tevreden over de begeleiding van de student door de opleiding tijdens de bpv (% (geheel) eens) ▪ Wat vond u in het algemeen van het aantal contactmomenten met de bpv-begeleider van de opleiding [% te weinig]
(antwoordopties: te veel, goed, te weinig) ▪ Uitvoering (% eens + % helemaal eens) ▪ Ik ben tevreden met de samenwerking tussen de opleiding en het leerbedrijf ▪ Beoordeling: (% eens + % helemaal eens) ▪ De student heeft zijn/haar eigen leerdoelen binnen de bpv behaald
Bijlage A.4 ●
41
SBB Dashboard Stages en leerbanen
Beschikbaarheid data: als ondertekenaar van het Amsterdams Stagepact MBO stelt SBB geaggregeerde data beschikbaar voor dit onderzoek. Landelijke data is openbaar toegankelijk via Dashboard Stages en leerbanen. Moment van afname: continue monitoring van aantal erkende en actieve leerbedrijven en aantal gestarte bpvovereenkomsten (peildatum in overleg met SBB) ▪ Voor deze nulmeting is het aantal leerbedrijven op 1-2-2024 gebruikt en het aantal gestarte bpvo’s in schooljaar 2023-2024. Analyseniveau(s): landelijk, Groot Amsterdam en Amsterdam; totaal en naar sector (voor bol) Gebruikte vragen/indicatoren: aantal gestarte bpvo’s en aantal erkende leerbedrijven (totaal en actief)
De BPV-monitor wordt ook onder stagiairs zelf uitgezet, maar deze respons is vaak te laag en ook niet representatief voor de totale groep studenten die stage heeft gelopen, en wordt daarom voor dit onderzoek buiten beschouwing gelaten. Er worden stappen ondernomen (oa met ROCvA) om toe te werken naar een representatieve en mogelijk dekkende respons. De (landelijke) resultaten zijn samengevat in de landelijke rapportage “Uitkomsten BPV Monitor 2023” van juni 2024.
NULMETING AMSTERDAMS STAGEPACT MBO
Bijlage A.5 ●
●
● ●
●
● ●
SBB data stageknelpunten
Beschikbaarheid data: als ondertekenaar van het Amsterdams Stagepact MBO stelt SBB geaggregeerde data beschikbaar voor dit onderzoek. SBB heeft ook een openbaar online dashboard met de meest actuele ontwikkelingen over deze stageknelpunten. Moment van afname: peilmoment in overleg met SBB te bepalen; voor deze nulmeting is maandelijkse data gebruikt voor mei 2024 t/m februari 2025. ▪ SBB is begin 2024 begonnen met een nieuwe manier van registreren van de stageknelpunten via een nieuwe registratietool. In de overgangsfase (januari tot april 2024) zijn de getoonde stageknelpunten niet volledig en daarom gebruiken we alleen de data vanaf mei 2024. Analyseniveau(s): landelijk, Groot-Amsterdam en Amsterdam, per maand; totaal en naar sector (voor bol) Relevante vragen/indicatoren:
Bijlage A.6 ●
42
Analyse BPV-overeenkomsten in CBS Microdata
Beschikbaarheid data: onderzoekers met toegang tot CBS Microdata kunnen een projectaanvraag indienen en verzoeken om de data over BPV-overeenkomsten aan dit project te koppelen. CBS publiceert zelf ook cijfers over aantallen studenten met en zonder BPV-overeenkomst en met en zonder inkomen uit stage en de mediaan (en bovenste en onderste kwartiel) van maandvergoeding en uurvergoeding: "Stages, banen en BPVovereenkomsten van studenten in vo, mbo en ho, 2022/’23" en “Stages en banen van studenten in het mbo en ho op detailniveau, 2023/’24”. Moment van afname: jaarlijks worden de bpv-overeenkomsten met CBS gedeeld. Alle overige data zijn ook periodiek beschikbaar. Zo zijn onderwijsinschrijvingen per academisch jaar beschikbaar, en zijn vergoedinggegevens per maand beschikbaar. Voor deze nulmeting is gebruik gemaakt van inschrijvingen voor schooljaar 2022/2023 en 2023/2024, met daaraan gekoppeld de bpv-overeenkomsten van diezelfde studenten in diezelfde periode(s). Specifiek voor informatie over lonen (uit stage) is gebruik gemaakt van data over maart 2023 en maart 2024. Analyseniveau(s): landelijk en Amsterdam (4 brin’s die in Amsterdam actief zijn) Relevante data/vragen/indicatoren: start en einddatum van bpv-overeenkomsten van mbo-bol studenten, met daaraan gekoppeld informatie uit andere CBS databronnen over onderwijsinschrijvingen en vergoeding (uit stage).
In de multivariate analyses zijn de marginale effecten van de volgende studentkenmerken geschat: ▪ Niveau van opleiding (niveau 4 als referentiegroep) ▪ Sector van opleiding (sector Zorg, Welzijn en Sport als referentiegroep) ▪ Geslacht (man als referentiegroep) ▪ Herkomst, Nederlandse Herkomst versus niet-Nederlandse herkomst (Nederlandse herkomst als referentiegroep). Hierbij is het herkomstland als volgt gedefinieerd: het land waar een persoon is geboren of het land waar de ouders geboren zijn indien de persoon in Nederland geboren is. ▪ Inkomen van ouder(s): het maximale inkomen (van de vader ofwel de moeder) in het huishouden, geclusterd naar drie categorieën – laag, midden, hoog (midden als referentiegroep) ▪ Opleidingsniveau van ouder(s): het maximaal behaalde opleidingsniveau (van de vader ofwel de moeder), geclusterd naar drie categorieën - laag, midden, hoog (midden als referentiegroep)
NULMETING AMSTERDAMS STAGEPACT MBO
43
Bijlage B Totaalbeeld over alle secundaire data Onderstaande tabel (Figuur B.1) geeft alle indicatoren weer uit de secundaire data-analyse. Dit overzicht laat zien waar verschillen zijn tussen niveaus, sectoren, en/of waarop Amsterdam anders scoort dan landelijk. Een rood gevulde cel betekent een relatief `slechte’ score op die indicator/kolom ten opzichte van landelijk beeld over alle bol-studenten. Van alle niveau/sector/regio uitsplitsingen scoort de groep studenten met een (donker) blauwe cel – op die indicator – het meest positief. 24 De onderste rijen geven voor elk van de uitsplitsingen aan wat het procentuele verschil is van de situatie in Amsterdam ten opzichte van het landelijk beeld voor diezelfde groep. 25 Figuur B.1 Overzicht van alle indicatoren uit secundaire data-analyse (1) voldoelde passende stageplekken
(3) passende stagevergoeding
rapportcijfer stage
opleiding zorgt dat student past bij bedrijf
te behalen leerdoelen vooraf goed afgestemd
student heeft leerdoelen behaald
goede voorbereiding door school
goede begeleiding door leerbedrijf
goede voorbereiding op bpv door school
student voldoende voorbereid door school
doel bpv vooraf duidelijk
taken vooraf duidelijk
student goed begeleid door school
goede samenwerking met school
te weinig conctact met school
studenten met stagevergoeding
1e-jaars studenten met stagevergoeding
mediaan uurloon
mediaan uurloon 1e-jaars studenten
veilig bij bedrijf
cbs
cbs
pol
pol
pol
pol
stud stud stud
pol
pol
pol
pol
pol
pol
pol
cbs
cbs
cbs
cbs
stud
Amsterdam Totaal
67% 56%
7.5
72% 71% 80% 46% 47% 59% 72% 70% 85% 86% 67% 73% 17% 39% 34% € 3.11 € 3.23 75%
Niveau 1 + Niveau 2 Niveau 3 + Niveau 4
74% 73% 64% 50%
7.2 7.5
63% 69% 71% 58% 60% 59% 68% 62% 83% 83% 67% 76% 16% 29% 29% € 3.52 € 3.46 73% 74% 72% 81% 42% 44% 59% 73% 71% 85% 86% 67% 73% 18% 42% 37% € 3.01 € 3.00 75%
64% 80% 74% 49% 21% 81% 33%
7.2 7.4 7.3 7.6 7.6 7.8 7.5
70% 94% 70% 70% 76% 80% 75%
Techniek & Gebouwde Omgeving 77% Mobiliteit, Transport, Logistiek & Maritiem 85% Zorg, Welzijn en Sport 80% Handel 63% ICT & Creatieve Industrie 46% Voedsel, Groen en Gastvrijheid 77% Zakelijke Dienstverlening & Veiligheid 54% Landelijk Totaal 75%
69% 76% 68% 72% 76% 75% 73%
74% 76% 79% 75% 80% 79% 85%
39% 51% 41% 46% 42% 45% 36%
goede begeleiding door school
1e-jaars studenten met stage
(4)
studenten met stage
(2) goede voorbereiding en begeleiding
40% 47% 42% 50% 43% 48% 41%
63% 53% 58% 59% 61% 62% 56%
69% 76% 67% 76% 78% 70% 75%
71% 71% 67% 69% 71% 74% 76%
85% 82% 82% 84% 90% 84% 86%
90% 88% 82% 90% 91% 83% 86%
72% 59% 64% 61% 76% 71% 67%
76% 76% 67% 72% 82% 78% 73%
8% 12% 25% 17% 10% 13% 20%
43% 40% 39% 28% 35% 49% 56%
36% € 2.89 € 2.96 39% € 2.97 € 1.87 34% € 3.53 € 3.64 30% € 1.79 € 1.76 23% € 2.48 € 2.54 47% € 4.18 € 4.13 58% € 3.37 € 3.29
78% 69% 74% 78% 79% 80% 73%
65%
7.5
74% 71% 80% 39% 36% 63% 74% 73% 87% 86% 67% 75% 18% 41% 36% € 3.03 € 3.10 84%
76% 75% 75% 62%
7.2 7.6
70% 70% 75% 49% 48% 61% 71% 70% 85% 85% 68% 76% 17% 29% 28% € 3.73 € 3.72 75% 72% 81% 37% 33% 63% 74% 74% 87% 86% 66% 75% 18% 44% 39% € 2.97 € 2.97
Techniek & Gebouwde Omgeving 73% 56% Mobiliteit, Transport, Logistiek & Maritiem 78% 68% Zorg, Welzijn en Sport 86% 80% Handel 68% 58% ICT & Creatieve Industrie 50% 20% Voedsel, Groen en Gastvrijheid 86% 83% Zakelijke Dienstverlening & Veiligheid 66% 52% Procentueel verschil Amsterdam tov landelijk Totaal -11% -14%
7.6 7.5 7.4 7.6 7.6 7.6 7.6
77% 76% 75% 74% 70% 75% 73%
-1%
-2%
Niveau 1 + Niveau 2 Niveau 3 + Niveau 4
-3% -3% -14% -20%
-1% -10% -1% -1%
Techniek & Gebouwde Omgeving 6% 14% Mobiliteit, Transport, Logistiek & Maritiem 9% 18% Zorg, Welzijn en Sport -7% -7% Handel -7% -16% ICT & Creatieve Industrie -6% 8% Voedsel, Groen en Gastvrijheid -11% -2% Zakelijke Dienstverlening & Veiligheid -17% -36%
-5% -9% -1% 23% -2% -6% 0% -6% 0% 9% 3% 7% -1% 3%
-3% 5% -2% -3% 9% 5% -3%
-8% -4% 1% -8% -1% -1% 1%
Niveau 1 + Niveau 2 Niveau 3 + Niveau 4
Bron:
24
25
71% 73% 70% 74% 70% 71% 75%
80% 80% 78% 82% 81% 80% 84%
42% 42% 37% 32% 36% 37% 34%
33% 34% 36% 30% 29% 31% 33%
75% 70% 60% 59% 64% 67% 61%
75% 76% 74% 74% 71% 75% 75%
75% 75% 73% 72% 68% 75% 73%
85% 87% 87% 85% 86% 86% 87%
0%
-1% 16% 33%
-7%
-3%
-4%
-2%
-1% 0%
-5% 18% 25% 0% 13% 33%
-3% -7%
-5% -11% -2% -3%
-3% -2% -1% -5% -6% -1% 5% -3% -1%
5% 8% 0% -49% -28% -24% -3% 4% 2% -11% 2% -40% -5% 9% 0% -30% -4% -3% -8% 28% -16% -16% 4% 16% 4% -7% -3% -8% -8% 5% -3% -1% 6% 18% 10% -44% -10% -13% 10% 2% -3% 6% 3% -23% 100% 97% 20% 17% 0% -4% -6% 33% 5% 19% -7% -31%
-6% 20% 10% 44% 18% 21% 9%
21% -15% -8% 39% -24% 1% 18% -3% -9% 65% 1% 3% 47% -6% 11% 58% -7% -7% 27% -8% 0%
-5% -6% -8% -5% 5% -2% 5%
86% 86% 86% 86% 86% 86% 86%
67% 66% 66% 66% 64% 67% 70%
76% 75% 73% 74% 74% 75% 78%
16% 19% 20% 18% 18% 17% 15%
59% 42% 46% 30% 39% 25% 53%
48% € 2.96 € 2.86 35% € 2.98 € 2.66 40% € 3.40 € 3.13 29% € 1.85 € 1.78 27% € 2.26 € 2.50 24% € 3.47 € 3.54 49% € 3.63 € 4.76
0%
1%
-3% 1%
-2% 1%
-2%
0%
-7%
-3%
3%
4% -10%
1% -2%
-8% 1%
1% -6%
5% -3%
-6% 1%
-7% 1%
Totaalbeeld uit secundaire data-analyse, per ambitie en perspectief (praktijkopleider=pol, student=stud, administratie=cbs), voor Amsterdam en voor Nederland als geheel. Per indicator (kolommen) is de variatie weergegeven tussen de groepen (rijen), van laag (donker rood = negatief) tot hoog (donker blauw = positief), waarbij het landelijk beeld de referentiegroep is. Voor het aandeel praktijkopleiders dat vindt dat er te weinig contact was is deze kleuring omgedraaid (hoog=rood=negatief; laag=blauw=positief). Het betreft telkens het aandeel studenten/praktijkopleiders dat positief antwoordt op de vraag ((geheel) eens of (zeer) tevreden)).
Absoluut gezien kan het om kleine verschillen gaan. De kleuren geven enkel aan welk van de weergegeven groepen (rijen) het slechtst (donker rood) scoort en welke groep het best (donker blauw) ten opzichte van het landelijk totaal. Als voorbeeld: 47% van de bol-studenten van ROC van Amsterdam is tevreden met de begeleiding vanuit de opleiding tijdens de stage. Landelijk geldt dat voor 36% van alle bol-studenten. Dit is een verschil van 33% ((47.4-35.6)/35.6)).
NULMETING AMSTERDAMS STAGEPACT MBO
44
Voor studenten en praktijkopleiders betreft het in Figuur B.1 telkens het aandeel dat positief antwoordt op de betreffende vraag ((geheel) eens of (zeer) tevreden)). Voor dezelfde indicatoren geeft Figuur B.2 het aandeel studenten/praktijkopleiders aan dat negatief ((geheel) oneens of (zeer) ontevreden) antwoord op die betreffende vraag. Het verschil tussen de twee is het aandeel dat neutraal antwoordt. Figuur B.2 geeft aanvullend ook nog het aandeel praktijkopleiders aan dat aangeeft dat er gezamenlijk overleg was tussen leerbedrijf, opleiding en student aan het begin van, tijdens en aan het eind van de stage, of dat er helemaal geen gezamenlijk overleg is geweest. Figuur B.2 Aandeel studenten en praktijkopleiders dat negatief is over de verschillende indicatoren (1) voldoelde passende stageplekken
goede voorbereiding op bpv door school
student voldoende voorbereid door school
doel bpv vooraf duidelijk
taken vooraf duidelijk
student goed begeleid door school
goede samenwerking met school
te weinig conctact met school
aan begin van stage
tijdens de stage
stud stud stud
pol
pol
pol
pol
pol
pol
pol
pol
pol
10% 11%
6%
24% 25% 15%
8%
11%
5%
6%
11%
2%
Niveau 1 + Niveau 2 Niveau 3 + Niveau 4
16% 14% 10% 16% 16% 14% 11% 17% 8% 11% 5% 27% 28% 16% 8% 9%
5% 5%
6% 6%
12% 11%
4% 2%
Techniek & Gebouwde Omgeving 9% Mobiliteit, Transport, Logistiek & Maritiem 0% Zorg, Welzijn en Sport 10% Handel 9% ICT & Creatieve Industrie 9% Voedsel, Groen en Gastvrijheid 7% Zakelijke Dienstverlening & Veiligheid 10% Landelijk Totaal 8% Niveau 1 + Niveau 2 Niveau 3 + Niveau 4
onveilig bij bedrijf
slechte begeleiding door leerbedrijf
pol
geen contact
slechte voorbereiding door school
pol
(4)
aan eind van stage
student heeft leerdoelen behaald
pol Amsterdam Totaal
slechte begeleiding door school
te behalen leerdoelen vooraf goed afgestemd
(2) contact
opleiding zorgt dat student past bij bedrijf
(2) goede voorbereiding en begeleiding
pol
pol
stud
17% 44% 61%
35% 11%
7%
16% 54% 66% 18% 42% 60%
35% 11% 36% 11%
8% 7%
34% 6% 36% 27% 46% 25% 47%
12% 24% 14% 9% 5% 12% 7%
4% 6% 7% 6% 5% 5% 9% 4%
8% 10% 31% 30% 12% 0% 12% 21% 26% 19% 11% 7% 26% 27% 14% 8% 5% 27% 25% 18% 11% 3% 27% 29% 14% 12% 4% 23% 25% 12% 14% 3% 33% 31% 20%
7% 0% 7% 7% 9% 9% 9%
13% 18% 10% 13% 7% 9% 11%
6% 0% 5% 2% 3% 7% 8%
3% 0% 6% 3% 4% 9% 7%
8% 12% 11% 13% 7% 13% 15%
1% 0% 2% 3% 1% 2% 3%
8% 12% 25% 17% 10% 13% 20%
12%
6%
24% 27% 12%
8%
9%
5%
5%
12%
2%
18% 39% 66%
35% 10%
10% 14% 8% 11%
9% 6%
18% 18% 12% 10% 10% 26% 29% 13% 8% 9%
5% 5%
6% 5%
11% 12%
2% 2%
17% 46% 67% 18% 38% 66%
38% 10% 34% 10%
4% 5% 5% 6% 5% 5% 5%
5% 5% 5% 5% 5% 5% 5%
11% 12% 12% 12% 13% 11% 10%
1% 3% 2% 2% 2% 2% 2%
16% 19% 20% 18% 18% 17% 15%
27% 28% 40% 32% 41% 23% 48%
12% 13% 12% 8% 7% 10% 5%
Techniek & Gebouwde Omgeving 7% Mobiliteit, Transport, Logistiek & Maritiem 8% Zorg, Welzijn en Sport 8% Handel 8% ICT & Creatieve Industrie 10% Voedsel, Groen en Gastvrijheid 7% Zakelijke Dienstverlening & Veiligheid 8% Procentueel verschil Amsterdam tov landelijk Totaal 19%
11% 11% 12% 10% 15% 11% 11%
4% 5% 9% 5% 5% 5% 4%
23% 24% 24% 33% 29% 25% 31%
-3%
-5%
0%
7% 14%
Niveau 1 + Niveau 2 Niveau 3 + Niveau 4
-1% 13% -10% -14% 25% 15% 80% -9% 15% -4% -10% 6% -6% 25% -6% 7% 10% 14%
53% 11%
30% 30% 25% 33% 36% 32% 31%
8% 7% 8% 11% 9% 8% 13% 8% 8% 16% 9% 10% 15% 10% 13% 11% 8% 7% 14% 9% 11%
-9% 23%
-3% 18%
33% 35% 46% 43% 50% 35% 53%
69% 59% 54% 63% 67% 68% 56%
31% 37% 36% 45% 47% 29% 55%
67% 65% 65% 62% 67% 68% 64%
-1% 35%
0% 14%
-8%
2%
8%
9% 80% -2% 25%
-8% 17% 1% 12%
-1% -9%
-7% 3%
9% 7%
63%
Techniek & Gebouwde Omgeving 35% -25% 147% 32% 2% 46% -2% 70% 30% -27% -25% 12% -49% 4% 3% 23% 1% Mobiliteit, Transport, Logistiek & Maritiem -100% -100% 144% -15% -13% 76% -100% 113% -100% -100% -2% -100% -40% -4% -9% -79% 83% Zorg, Welzijn en Sport 30% -12% -13% 8% 7% 9% -15% 22% 17% 16% -10% 37% 28% 26% -18% -10% 14% Handel 16% -19% 6% -18% -22% 12% -18% 25% -64% -41% 5% 98% -8% -5% 0% -15% 14% ICT & Creatieve Industrie -11% -26% -34% -7% -20% -6% -15% -40% -35% -15% -44% -65% -44% 6% -1% 14% -31% 0% 11% 12% Voedsel, Groen en Gastvrijheid 0% 10% -19% -9% -23% 8% 21% 20% 34% 86% 23% 29% -23% 20% Zakelijke Dienstverlening & Veiligheid 19% 25% -31% 7% -2% 37% -1% 6% 60% 26% 44% 79% 33% -3% -12% -4% 27%
Bron:
Aandeel praktijkopleiders (pol) en studenten (stud) dat negatief is over de verschillende indicatoren ((geheel) oneens of (zeer) ontevreden)). Per indicator (kolommen) is de variatie weergegeven tussen de groepen (rijen), van hoog (donker rood = negatief) tot laag (donker blauw = positief), waarbij het landelijk beeld de referentiegroep is. Daarnaast is ook een viertal indicatoren toegevoegd over het contact tussen opleiding en leerbedrijf: wel of geen gezamenlijk overleg aan begin, tijdens, en aan eind van de bpv, alsook het aandeel praktijkopleiders dat aangeeft dat er helemaal geen gezamenlijk overleg is.
NULMETING AMSTERDAMS STAGEPACT MBO
45
Bijlage C Stage(vergoeding) 1e-jaars studenten De drie indicatoren uit de analyse van de BPV-overeenkomsten in CBS Microdata zijn hieronder ook weergegeven voor de groep eerstejaars studenten. Het selectiecriterium hier is dat de studenten in het voorgaand schooljaar niet zijn ingeschreven voor dezelfde opleiding bij dezelfde instelling. Figuur C.1 Ruim de helft van alle eerstejaars Amsterdamse studenten had (in 2023/2024) een bpv-overeenkomst Eerstejaars: percentage studenten met een bpv van totaal aantal inschrijvingen 56%
Totaal (n=10625; 165235)
65% 73% 75%
Niveau 1 + Niveau 2 (n=3081; 38486) 50%
Niveau 3 + Niveau 4 (n=7544; 126749)
Techniek & Gebouwde Omgeving (n=748; 12624)
62% 64%
56%
Mobiliteit, Transport, Logistiek & Maritiem (n=179; 6412)
80%
68%
74%
Zorg, Welzijn en Sport (n=3158; 58249) 49%
Handel (n=1541; 16106)
80%
58%
21% 20%
ICT & Creatieve Industrie (n=1719; 18523)
81% 83%
Voedsel, Groen en Gastvrijheid (n=746; 19391) 33%
Zakelijke Dienstverlening & Veiligheid (n=1483; 20834) 0%
10%
20%
30%
40%
52%
50%
60%
70%
80%
90%
Figuur C.2 Eén op drie eerstejaars studenten met stage (in maart 2024) heeft ook inkomen uit stage % eerstejaars studenten met loon uit stage van studenten met een bpv, in maart 2024 34% 36%
Totaal (n=4252; 80477) 29% 28%
Niveau 1 + Niveau 2 (n=1535; 22057)
37% 39%
Niveau 3 + Niveau 4 (n=2717; 58420)
36%
Techniek & Gebouwde Omgeving (n=185; 3666)
48%
39% 35% 34% 40% 30% 29%
Mobiliteit, Transport, Logistiek & Maritiem (n=127; 3265) Zorg, Welzijn en Sport (n=1912; 40038) Handel (n=546; 5565)
23% 27%
ICT & Creatieve Industrie (n=285; 2306) Voedsel, Groen en Gastvrijheid (n=439; 11883)
47%
24%
Zakelijke Dienstverlening & Veiligheid (n=243; 6828)
49%
0%
10%
20%
30%
40%
50%
58%
60%
70%
NULMETING AMSTERDAMS STAGEPACT MBO
Totaal (n=1466; 28720)
NL p 75
NL p 50
NL p 25
Amsterdam p 75
Amsterdam p 50
De mediaan vergoeding uit stage (voor eerstejaars studenten) bedraagt ruim 3 euro per uur (in maart 2024)
Amsterdam p 25
Tabel C.1
46
€ 1.80 € 3.23 € 4.23 € 1.97 € 3.10 € 4.23
Naar niveau 1/2 en 3/4 geclusterd: Niveau 1 + Niveau 2 (n=451; 6187)
€ 1.86 € 3.46 € 4.23 € 2.17 € 3.72 € 4.29
Niveau 3 + Niveau 4 (n=1015; 22533)
€ 1.73 € 3.00 € 4.23 € 1.93 € 2.97 € 4.21
Naar sectorkamer: Techniek & Gebouwde Omgeving (n=67; 1756)
€ 1.97 € 2.96 € 3.64 € 2.06 € 2.86 € 3.63
Mobiliteit, Transport, Logistiek & Maritiem (n=49; 1158)
€ 0.93 € 1.87 € 3.45 € 1.67 € 2.66 € 4.58
Zorg, Welzijn en Sport (n=642; 16077)
€ 1.58 € 3.64 € 4.23 € 2.01 € 3.13 € 4.20
Handel (n=166; 1609)
€ 1.71 € 1.76 € 2.58 € 1.62 € 1.78 € 2.75
ICT & Creatieve Industrie (n=66; 612)
€ 1.95 € 2.54 € 4.45 € 1.74 € 2.50 € 3.63
Voedsel, Groen en Gastvrijheid (n=207; 2848)
€ 2.88 € 4.13 € 5.58 € 2.45 € 3.54 € 4.58
Zakelijke Dienstverlening & Veiligheid (n=142; 3344)
€ 2.17 € 3.29 € 10.45 € 2.35 € 4.76 € 18.35
NULMETING AMSTERDAMS STAGEPACT MBO
47
Bijlage D Verklarende analyses CBS In de CBS Microdata zijn aanvullende verklarende analyses gedaan op de volgende drie indicatoren: ● Het aandeel studenten dat stage liep in academisch jaar 2023/2024 (zie ook Figuur 2.2) ● Het aandeel stagiairs dat een vergoeding kreeg voor de stage (maart 2024) (zie ook Figuur 4.1) ● De hoogte van de stagevergoeding per uur van stagiairs in maart 2024 (zie ook Tabel 4.2) Via multivariate analyses zijn de marginale effecten van de volgende studentkenmerken geschat: ● Niveau van opleiding (niveau 4 als referentiegroep) ● Sector van opleiding (sector Zorg, Welzijn en Sport als referentiegroep) ● Geslacht (man als referentiegroep) ● Herkomst (Nederlandse herkomst als referentiegroep) ● Inkomen van ouder(s): laag, midden, hoog (midden als referentiegroep) ● Opleidingsniveau van ouder(s): laag, midden, hoog (midden als referentiegroep) De coëfficiënten geven het verschil weer ten opzichte van de referentiegroep van dat kenmerk, rekening houdend met verschillen in alle andere kenmerken.