CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Gemeente Amsterdam_speelautomaten_eindrapport_BEA_pdf_12jun20.pdf

Raadscommissie Algemene Zaken 28 januari 2021, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van brief over stand van zaken beleid speelautomatenhallen (ZD2020-014022)30.439 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

6 . 1 M o d e l ma t i g e c o n st r u c t i e spe e l h a l l e n : k l e i n , mi d d e l g r o o t e n g r o o t Modelopzet exploitatie

Op basis van algemene branchekengetallen en inzichten ontleend aan de uitgevoerde caseonderzoeken van Amsterdamse exploitanten, acht BEA voor een kleine, een middelgrote en een grote speelautomatenhal de volgende exploitatie realistisch: Indicatieve rekenmodellen speelhallen Toegespitst op situatie van huur Twee varianten qua omvang Speelautomaten Spelersplaatsen

Klein huur Min

Max

Middelgroot huur Min Max 75 100 130 173

35 60

50 85

110

185

350

Medewerkers Formatie Totale personeelskosten/fte Netto omzet

7 7 50.000 750.000

10 7,5 50.000 1.062.500

Kosten personeel (salaris, sociale lasten, overig) Overige kosten zonder afschrijving Huurkosten Afschrijvingen Totale kosten Winst voor belastingen

350.000 115.000 110.000 135.625 710.625 39.375

Winst tot 200.000 Winst > 200.000

Groot huur Min

Max 175 300

200 340

550

950

1.000

12 11,5 50.000 1.750.000

16 13,5 50.000 2.350.000

20 18 50.000 4.750.000

30 25 50.000 6.500.000

375.000 225.000 185.000 205.938 990.938 71.563

575.000 225.000 350.000 354.625 1.504.625 245.375

675.000 300.000 550.000 512.625 2.037.625 312.375

900.000 1.200.000 1.045.000 929.125 4.074.125 675.875

1.250.000 1.400.000 1.400.000 1.017.500 5.067.500 1.432.500

39.375

71.563

200.000 45.375

200.000 112.375

200.000 475.875

200.000 1.232.500

Vpb 1e 200.000 (19 procent) Vpb > 200.000 (25 procent)

7.481 0

13.597 0

38.000 11.344

38.000 28.094

38.000 118.969

38.000 308.125

Vpb totaal

7.481

13.597

49.344

66.094

156.969

346.125

Nettowinst (na Vpb en afschrijvingen)

31.894

57.966

196.031

246.281

518.906

1.086.375

Netto spelresultaat/automaat Netto spelresultaat/spelersplaats Bruto spelresultaat/spelersplaats per week

21.429 12.500 344

21.250 12.500 344

23.333 13.462 370

23.500 13.623 375

27.143 15.833 436

32.500 19.118 526

2

6.818

5.743

5.000

4.273

5.000

6.500

911 532 1,7

1.159 682 1,7

2.614 1.508 1,7

2.463 1.428 1,7

2.965 1.730 1,7

5.432 3.195 1,7

1.000

1.000

1.000

1.000

1.100

1.400

3,1

3,7

4,7

5,5

5,4

5,0

2

Oppervlakte (m bvo)

Netto spelresultaat/m

Nettowinst/automaat Nettowinst/spelersplaats Spelersplaats/spelersautomaat Huur/m

2

2

m per automaat

In bovenstaand overzicht wordt onderscheid gemaakt naar speelautomatenhallen in drie groottecategorieën:

Onderzoek speelautomatenhallen Amsterdam – eindrapport

51

BEA  Categorie ‘klein’, in twee varianten met respectievelijk 35 speelautomaten (en 60 spelersplaatsen) en 50 speelautomaten (en 85 spelersplaatsen).  Categorie ‘middelgroot’, ook in twee varianten met respectievelijk 75 speelautomaten (en 130 spelersplaatsen) en 100 speelautomaten (en 173 spelersplaatsen).  Categorie ‘groot’ met als variant een speelhal met 175 speelautomaten (en 300 spelersplaatsen) en een speelhal met 200 speelautomaten (en 340 spelersplaatsen). Op de Amsterdamse markt voor speelautomatenhallen zijn deze drie categorieën elk vertegenwoordigd. De meeste speelhallen in Amsterdam vallen in de categorie ‘klein’ of is nog kleiner (in totaal 9 van de 19 speelhallen). In de middencategorie vallen qua vergunde aantal speelautomaten in principe drie speelautomatenhallen, zij het dat in twee van de drie vanwege ruimtegebruik minder speelautomaten staan opgesteld. In de categorie ‘groot’ vallen vier speelautomatenhallen. De omzetniveaus in bovenstaand overzicht zijn gebaseerd op de volgende uitgangspunten:  De netto omzet weerspiegelt de omzet die Amsterdamse speelautomatenhallen op dit moment (kunnen) realiseren. Naast diverse andere bepalende factoren, is vooral het aantal spelersplaatsen van invloed op de netto omzet van speelautomatenhallen.

De de netto omzet per spelersplaats neemt in de gemodelleerde constructie toe met de schaalgrootte van speelhallen:  Voor kleinere speelhallen is een netto omzet per spelersplaats van circa € 12.500 per jaar aangehouden (oftewel een bruto spelresultaat per week van circa € 345 per spelersplaats)27.  Voor de middelgrote speelautomatenhallen loopt dit enigszins op tot rond € 13.460 per spelersplaats per jaar (circa € 370 per spelersplaats per week).  Voor de grote speelautomatenhallen geldt naar verwachting de hoogste netto omzet per spelersplaats per jaar. In het model varieert deze van circa € 15.800 per spelersplaats per jaar tot circa € 19.000 per spelersplaats per jaar. Dit komt neer op circa € 435 tot € 525 per spelersplaats per week.  Het patroon dat een grotere speelautomatenhal per spelersplaats een hogere netto omzet kan realiseren, is geen ‘wiskundige wetmatigheid’. Er zijn in Amsterdam ook enkele kleinere maar relatief sterk winstgevende speelautomatenhallen. De winstgevendheid van speelautomatenhallen is behalve van het aantal spelersplaatsen uiteraard ook afhankelijk van andere factoren. De ligging is onder meer van belang, waarbij uit gesprekken met exploitanten is gebleken dat vestigingen langs snelwegen en/of aan randen van steden op goed bereikbare locaties tegenwoordig vaak winstgevender zijn dan speelautomatenhallen in binnensteden.

Exploitanten geven aan dat de Amsterdamse

27 Rekenvoorbeeld: bij een netto omzet (inworp minus uitgekeerde bedragen minus kansspelbelasting) van € 750.000 per jaar en 60 spelersplaatsen, is het netto spelresultaat per spelersplaats € 12.500 per jaar. Het bruto spelresultaat (vóór kansspelbelasting, die sinds 2020 30,1 procent bedraagt) bedraagt dan € 17.880 per jaar oftewel circa € 344 per week.

52

Onderzoek speelautomatenhallen Amsterdam – eindrapport

BEA markt voor het exploiteren van speelautomatenhallen in het bijzonder lastig is, vanwege de grote concurrentie en beleidsmatige beperkingen die een optimale bedrijfsvoering lastig maken. Het gaat dan niet alleen om regels ten aanzien van de toegestane aantallen speelautomaten, maar ook om bijvoorbeeld regels ten aanzien van openingstijden. Ten aanzien van de kosten van de speelautomatenhallen, heeft BEA onder meer de volgende uitgangspunten gehanteerd:  De totale personeelskosten (oftewel salaris plus sociale lasten plus overige personeelskosten) is geraamd op circa € 50.000.  De aangegeven formaties weerspiegelen de inzet van personeel bij de verschillende grootte-categorieën speelautomatenhallen in Amsterdam (met de kanttekening dat daarbij uitschieters aanwezig zijn en dat het lastig is om goed inzicht te krijgen in de invloed van uitbesteding en externe inhuur).  Er is verder uitgegaan van de situatie waarin de exploitanten de voor de speelhal benodigde ruimte huren. De kosten van de huur per m2 per jaar weerspiegelen het niveau dat BEA heeft aangetroffen bij de uitgevoerde casestudies28. Voor zeer grote ruimtes is BEA ervan uitgegaan dat deze, zeker in de binnenstad van Amsterdam, dermate schaars zijn, dat daarvoor een hogere huur per m2 moet worden aangehouden.

 De totale kosten weerspiegelen de kostenniveaus die BEA aantrof in de casestudies, met de kanttekening dat in de hiervoor gepresenteerde modelmatige uitwerking van de exploitatie van een speelautomatenhal is afgezien van in de praktijk soms belangrijke incidentele kostenposten.  Binnen de totale kosten zijn de personeelskosten en de huurkosten ‘harder’ te ramen in een modelmatige uitwerking dan de afschrijvingskosten en de categorie ‘overige kosten’. Voor de optelsom van alle kosten geldt, dat deze aansluit op de door BEA in de casestudies aangetroffen niveaus (zoals aangegeven zonder incidentele kosten). Nota bene : het gegeven dat in bovenstaande modelmatige uitwerking alle categorieën speelautomatenhallen een nettowinst realiseren, onderstreept het modelmatige karakter van de uitwerking. In de praktijk geldt voor diverse speelautomatenhallen dat zij geen winst maken (waarbij dit in een enkel geval een structureel karakter heeft).

6 . 2 Ra mi n g v a n t e r u g v e r d i e n t i j d e n : b a si s e n n a v e r we r k i n g C RU K S e n t r e n d s Met het geconstrueerde model van de exploitatie van speelautomatenhallen in Amsterdam, kan de terugverdientijd worden bepaald als verder bekend is hoeveel de exploitant

28 Er is wel een grote variëteit zichtbaar, met aan de onderkant een huurniveau van circa € 450 per m2 per jaar buiten het centrum en in het centrum huurniveaus die oplopen tot € 1.600 per m2 per jaar. De huurprijzen per m2 voor vastgoed op de meest populaire plekken van Amsterdam, zoals bijvoorbeeld het Damrak, lopen inmiddels op tot circa € 2.500 per jaar (o.b.v. jaarlijkse huurprijzenonderzoek van JLL). Voor speelautomatenhallen die een nieuwe huurlocatie zoeken, betekenen oplopende huurniveaus een risico voor hun bedrijfsvoering.

Onderzoek speelautomatenhallen Amsterdam – eindrapport

53

BEA heeft geïnvesteerd in de speelautomatenhal dan wel hoeveel hij van plan is te investeren in het geval van een nieuwe speelautomatenhal. Investerings-

Navolgend wordt de terugverdientijd geraamd voor nieuw in te richten speelautomaten-

bedrag nieuwe hallen (wederom uitgaand van een huursituatie). De te verwachten investeringsbedragen speelhallen

lopen uiteen voor de verschillende groottecategorieën speelautomatenhallen:  Voor de categorie ‘kleine’ speelautomatenhallen is uitgegaan van een te verwachten investeringsbedrag (in met name speelautomaten, inventaris, kantoorinrichting en huurdersinvesteringen als luchtbehandelingsinstallaties) van € 0,8 tot € 1,2 miljoen.  Voor de categorie ‘middelgroot’ loopt het te verwachten investeringsbedrag op tot circa € 2,2 tot € 3,3 miljoen en voor de categorie ‘groot’ tot € 6 à € 6,5 miljoen. Het investeringsbedrag is zoveel mogelijk ‘bottom up’ opgebouwd, bijvoorbeeld waar het de investeringen in speelautomaten betreft. BEA gaat voor de aanschaf van een speelautomaat uit van een gemiddelde uitgave van circa € 12.50029.

Terugverdientijd De hiervoor toegelichte nettowinstniveaus in combinatie met de uit de investeringsbasis

bedragen voortvloeiende afschrijvingen en de te plegen investering, vormen de basis voor een raming van de terugverdientijd van deze investeringen. Duur van nieuwe vergunning - basis

Klein huur Min

Max

Middelgroot huur Min Max 75 100 130 173

Speelautomaten Spelersplaatsen

35 60

50 85

2

110

185

350

7 7

10 7,5

12.500

Groot huur Min

Max 175 300

200 340

550

950

1.000

12 11,5

16 13

20 18

30 25

12.500

12.500

12.500

12.500

12.500

1.000

1.000

1.400

1.400

1.800

1.800

2.250 795.000

2.250 1.226.250

2.250 2.215.000

2.250 3.257.500

2.250 6.035.000

2.250 6.550.000

87.500 11.000 12.375 24.750 135.625

125.000 18.500 20.813 41.625 205.938

187.500 49.000 39.375 78.750 354.625

250.000 77.000 61.875 123.750 512.625

437.500 171.000 106.875 213.750 929.125

500.000 180.000 112.500 225.000 1.017.500

Nettowinst - basis Afschrijvingen per jaar - nieuw Vrije kasstroom

31.894 135.625 167.519

57.966 205.938 263.903

196.031 354.625 550.656

246.281 512.625 758.906

518.906 929.125 1.448.031

1.086.375 1.017.500 2.103.875

Investeringsbedrag

795.000

1.226.250

2.215.000

3.257.500

6.035.000

6.550.000

4,7

4,6

4,0

4,3

4,2

3,1

Oppervlakte (m bvo) Medewerkers Formatie Kengetallen investeringen Per speelautomaat Huurdersinvesteringen per m

2

Inventaris en kantoorinrichting per m Investeringsbedrag

2

Afschrijvingstermijnen en afschrijvingen Speelautomaten Huurdersinvesteringen Inventaris (50% van inventaris en kantoor) Kantoorinrichting (50% van inventaris en kantoor) Totaal afschrijvingen per jaar

Terugverdientijd

5 10 10 5

29 De aanschafprijs van een speelautomaat is de laatste jaren sterk gestegen, van circa € 3.500 tot € 4.500 per speelautomaat naar momenteel circa € 12.500 per speelautomaat. De zogenoemde meerspelers zijn relatief duur. Aanschafprijzen kunnen oplopen tot € 100.000 of meer.

54

Onderzoek speelautomatenhallen Amsterdam – eindrapport

BEA De aangehouden afschrijvingstermijnen variëren van 5 jaar (voor speelautomaten en kantoorinrichting) tot 10 jaar (voor inventaris en huurdersinvesteringen). De toegelichte combinatie van kengetallen en aannames resulteert in terugverdientijden die voor de meeste speelhallen uitkomen op 4 tot 5 jaar. Deze terugverdientijden weerspiegelen de huidige marktverhoudingen (i.c. omzetpotentie) van speelautomatenhallen, de actuele kostenstructuur van speelautomatenhallen in Amsterdam en de onder de huidige condities van toepassing zijnde investeringsbedragen voor speelautomatenhallen van uiteenlopende grootte. Terugverdientijd Om te kunnen worden gehanteerd als basis voor besluitvorming over de looptijd van de na CRUKS en

nieuw door de gemeente Amsterdam uit te geven vergunningen, zal deze terugverdientijd

trends

aangepast moeten worden om recht te doen aan relevante trends en ontwikkelingen. Zoals in hoofdstuk 4 belicht, zijn vooral de volgende trends en ontwikkelingen van belang:  De invoering van een volledig rookverbod met ingang van 2020.  Opening van de online-kansspelmarkt naar verwachting per 1 januari 2021.  Invoering van CRUKS naar verwachting per 1 januari 2021. De gecombineerde impact van deze trends en ontwikkelingen resulteert in fors langere terugverdientijden die kunnen oplopen tot 10 tot 15 jaar en zelfs (fors) hoger: Duur van nieuwe vergunning - CRUKS en trends

Klein huur Min

Max

Middelgroot huur Min Max 75 100 130 173

Speelautomaten Spelersplaatsen

35 60

50 85

2

110

185

350

7 7

10 7,5

80.000 50.000

Groot huur Min

Max 175 300

200 340

550

950

1.000

12 11,5

16 13,5

20 18

30 25

80.000 50.000

140.000 121.000

140.000 121.000

140.000 242.000

140.000 242.000

6,6

5,7

5,1

5,1

5,0

3,5

112.500 637.500

159.375 903.125

262.500 1.487.500

352.500 1.997.500

712.500 4.037.500

975.000 5.525.000

Kosten na CRUKS en trends

760.625

1.040.938

1.625.625

2.158.625

4.316.125

5.309.500

Winst voor belastingen na CRUKS en trends

-123.125

-137.813

-138.125

-161.125

-278.625

215.500

0 0

0 0

0 0

0 0

0 0

200.000 15.500

0 0

0 0

0 0

0 0

0 0

33.000 3.875

0

0

0

0

0

36.875

-123.125 135.625 16.000 28.500

-137.813 205.938 16.000 84.125

-138.125 354.625 28.000 244.500

-161.125 512.625 28.000 379.500

-278.625 929.125 28.000 678.500

178.625 1.017.500 28.000 1.224.125

30,7

15,5

9,6

9,0

9,1

5,5

Oppervlakte (m bvo) Medewerkers Formatie Impact van CRUKS Investeringen in CRUKS (extra boekwaarde) Extra loonkosten CRUKS per jaar Terugverdientijd na CRUKS Impact van negatieve trends op omzet Omzetdaling Omzet na CRUKS en trends

15,0% 15,0%

Winst tot 200.000 Winst > 200.000 Vpb tot 200.000 Vpb > 200.000

16,5% 25,0%

Vpb totaal Nettowinst na Vpb en afschrijvingen Afschrijvingen basis Extra afschrijvingen Vrije kasstroom na CRUKS en trends Terugverdientijd na CRUKS en trends

5

Onderzoek speelautomatenhallen Amsterdam – eindrapport

55

BEA De gecombineerde impact van CRUKS en een 15 procent lagere netto omzet leidt ertoe dat de winst voor belastingen voor alle speelautomatenhallen, behalve de allergrootste categorie, is omgeslagen naar een verlies. Het gecombineerde effect is, kortom, desastreus. Los van de lengte van de terugverdientijden die rekenkundig uit het model volgen, is een situatie van negatieve winst voor belastingen uiteraard niet duurzaam. De impact van CRUKS en trends kan als volgt worden geïllustreerd, uitgaand van 15 procent daling van de netto omzet vanwege de betreffende trends en 15 procent extra looptijd om te voorzien in de mogelijkheid een redelijk rendement te verdienen:

CRUKS

Vanwege CRUKS nemen, zoals toegelicht in hoofdstuk 4, de kosten structureel toe, met name vanwege benodigde extra personele inzet. CRUKS leidt ook tot incidentele uitgaven vanwege investeringen in verbouwingen, apparatuur en software. Tegenover deze investeringen staan geen inkomsten, zoals bij reguliere investeringen uiteraard wel het geval is. De invoering van CRUKS resulteert voor met name de kleinere speelautomatenhallen in aanzienlijke kosten, die funest zijn voor hun businesscase. In die zin is er bij de implementatie van CRUKS sprake van grote schaalvoordelen. De impact van CRUKS kan nog verder strekken dan de investeringen en de structurele kostenverhoging, als een deel van de bezoekers vanwege legitimatie en registratie afziet van het bezoeken van speelautomatenhallen. Een aantal exploitanten acht dit een reëel risico. Navolgend focust BEA op de kostenverhogingen die CRUKS kan opleveren. Nota bene : het is op dit moment nog niet bekend tot welke aanpassingen in de bedrijfsvoering CRUKS precies zal leiden en welke investeringsbedragen gemoeid zijn met aan te schaffen toegangssystemen ten behoeve van legitimatie en registratie. Het is daarom noodzakelijk hierover aannames te doen, waarbij BEA met name het onderzoek van SIRE Consulting in opdracht van ACTAL naar administratieve lastendruk vanwege invoering van de Wet kansspelen op afstand richtinggevend is.

De daarin opgenomen kostenindicaties zijn volledig doorgevoerd voor de categorie grote speelautomatenhallen. Voor de kleinere

56

Onderzoek speelautomatenhallen Amsterdam – eindrapport

BEA speelautomatenhallen is uitgegaan van een pragmatische invulling van de CRUKSvereisten met een sterk neerwaarts aangepast kostenniveau (structureel niet € 242.000 per jaar op basis van drie fte extra tegen door ACTAL aangehouden kosten per fte maar € 50.000 voor één extra fte. De aanname daarbij is dat in kleinere speelhallen de in principe noodzakelijke extra fte per ‘shift’ alleen nodig is op de piekmomenten in de avond. Voor de middelgrote hallen is er van uitgegaan dat er in tegenstelling tot bij de grote speelhallen geen sprake is van twee ingangen en dat de structurele kosten daardoor halveren. De terugverdientijd voor de middelgrote en grote speelautomatenhallen komt (afgezien van een enkele zeer grote speler) uit op in ieder geval 10 jaar en voor de kleinere op 15 jaar of meer. Een dergelijke periode is in lijn met de afschrijvingstermijnen voor de meeste typen vaste activa waar speelautomatenhallen mee werken (speelautomaten worden meestal in 5 jaar afgeschreven bijvoorbeeld, inventaris meestal over 10 jaar), maar voor verbouwingen en huurdersinvesteringen als een luchtbehandelingsinstallatie gelden vaak afschrijvingstermijnen van 15 jaar. Vanuit dit perspectief is een looptijd van 15 jaar in economisch opzicht ook voor de grotere hallen goed te onderbouwen. Vergelijking

Geconcludeerd wordt dat CRUKS, de invoering van een volledige rookverbod en de opening

met jaar 2008 van de legale online-kansspelmarkt een sterk negatief effect (kunnen) hebben op de exploitatie van de speelautomatenhallen in Amsterdam. Zeker vanwege de combinatie van beide ontwikkelingen. Een vergelijking met het jaar 2008 dringt zich op, waarin tegelijkertijd een (toen nog niet volledig) rookverbod werd ingevoerd en de kansspelbelasting.

6 . 3 I n v l o e d v a n n o g t e ma k e n l o k a l e b e l e i d sk e u ze s De winstgevendheid, en daarmee de terugverdientijden op investeringen, in de komende jaren is deels afhankelijk van door de overheid te maken keuzes. Zoals hiervoor toegelicht, werken enkele landelijke beleidswijzigingen ingrijpend door in de exploitatie van speelautomatenhallen ook in Amsterdam. Hetzelfde geldt naar verwachting voor enkele lokaal, door de gemeente Amsterdam te maken beleidskeuzes. Onder meer de volgende te maken keuzes raken direct aan de businesscase van de exploitanten die een vergunning weten te bemachtigen: 1. Besluit ten aanzien van het aantal exploitatievergunningen dat wordt verdeeld. 2. Het maximaal toegestane aantal speelautomaten per vergunning. 3. De mate waarin exploitanten vrij zijn om een vestigingslocatie te zoeken. 4. De houding van de gemeente ten aanzien van de openingstijden. 5. De wijze waarop de vergunningen worden verdeeld. BEA heeft het te verwachten effect van op deze aspecten te maken keuzes voorzien van een kwalitatieve ‘doordenking’. Toegespitst op het aantal exploitatievergunningen dat wordt verdeeld en de mate waarin exploitanten vrij zijn om een vestigingslocatie te zoeken, ziet BEA de volgende toekomstscenario’s:

Onderzoek speelautomatenhallen Amsterdam – eindrapport

57

BEA Aantal vergunningen

Continuering huidig

Halvering van aan-

Loslaten van

aantal speelhallen

tal speelhallen (19

maximum aantal

> 10)

speelhallen

Locatiekeuze Gemeente kiest locaties waar speelhal gevestigd

Scenario 1

Scenario 2

mag zijn (binnen huidige 19 locaties) Gemeente laat exploiScenario 3

tanten vrij, binnen zekere ruimtelijke en andere kaders

De effecten op de exploitatie van speelautomatenhallen van deze keuzes kunnen ingrijpend zijn. Drie mogelijke scenario’s worden navolgend beoordeeld op basis van het te verwachten effect op de exploitatie van de speelhallen en eventuele andere bijeffecten. Scenario 1

In dit scenario wordt het huidige beleid op hoofdlijnen gecontinueerd. Het aantal exploitatievergunningen blijft gelijk en de vergunningen blijven gekoppeld aan de huidige adressen. BEA ziet vooral nadelen kleven aan dit scenario: Scenario 1 : continuering huidig aantal vergunningen in combinatie met handhaven van huidige beleid ten aanzien van locatiekeuzes van exploitanten Kenmerken

(mogelijke) Effecten

 Continuering van het huidige aantal

 De huidige spreiding van speelautoma-

vergunningen (in principe 21 vergunnin-

tenhallen is vanuit het oogpunt van een

gen, waarvan er momenteel 19 worden

gezonde exploitatie niet optimaal.

gebruikt).  Continueren van het huidige beleid

 De sterke concentratie in stadsdeel Centrum in het algemeen en in het bij-

waarin de vergunningen elk gekoppeld

zonder in de Reguliersbreestraat resul-

zijn aan een bepaald adres en waarbij

teert in sterke onderlinge concurrentie.

de vestigingsmogelijkheden beperkt zijn

 Vanwege de sterke concentratie in het

tot de 19 adressen waar momenteel

centrum worden potentiële bezoekers in

speelautomatenhallen geëxploiteerd

de wijken buiten de Ring A10 minder

worden.

goed bediend. Alternatieven in Oost-

 Vergunningen zijn niet overdraagbaar en

zaan, Halfweg of Hoofddorp worden

speelautomatenhallen mogen niet wor-

daardoor aantrekkelijk ook voor een

den verplaatst.

deel van de inwoners van Amsterdam.  Door de vergunningen te koppelen aan adressen, wordt de onderhandelingspositie van de pandeigenaren met exploitanten zeer sterk. Dit kan leiden tot sterke huurstijgingen, met funeste effecten op de exploitatie van de speelhal.

58

Onderzoek speelautomatenhallen Amsterdam – eindrapport

BEA Beoordeling: vanuit het perspectief van de exploitanten en het kunnen realiseren van een ‘gezonde’ exploitatie, kent dit scenario vooral nadelen en risico’s. Aan de huidige vanuit de exploitatie beschouwd niet optimale, gebrekkige spreiding van speelhallen verandert dit scenario niets. Bovendien wil naar verwachting een deel van de pandeigenaren niet verhuren aan een andere exploitant, waarbij dit dan met name de pandeigenaren betreft die zelf tevens ook een speelhal exploiteren. In de met exploitanten gevoerde gesprekken, hebben enkelen dit expliciet aangegeven. In scenario 1 gaat BEA ervan uit dat de vergunningen gekoppeld zullen blijven aan de huidige locaties. Dit betekent dat een bedrijf dat een vergunning bemachtigt deze alleen kan exploiteren als hij een overeenkomst met één van deze eigenaren zal sluiten. Hij zal bij de aanvraag bovendien moeten kunnen aantonen te kunnen beschikken over één van deze panden. In economisch opzicht betekent het dat de gemeente schaarste creëert (dan wel in stand houdt) aan locaties waar gokhallen kunnen worden geëxploiteerd. De pandeigenaar heeft een economische prikkel om die schaarste zo goed mogelijk te benutten. De vergunninghouder zit in een zwakke onderhandelingspositie, omdat hij een overeenkomst met de verhuurder nodig heeft om een vergunning te kunnen benutten.

De pandeigenaar zit in een sterke positie, want als deze gegadigde afhaakt, wijst de gemeente wel weer een volgorde aan (indien er voldoende interesse is). Scenario 2

In een alternatief scenario wordt het aantal exploitatievergunningen verminderd, in combinatie met het handhaven van de huidige koppeling van exploitatievergunningen aan een beperkt aantal adressen. Het aantal adressen wordt verder ook beperkt. De schaarste van de exploitatievergunning, en de waarde die deze dan heeft, wordt in dit scenario als het ware overgedragen aan de pandeigenaren. Scenario 2 : halvering van het huidige aantal vergunningen in combinatie met handhaven van huidige beleid ten aanzien van locatiekeuzes van exploitanten Kenmerken

(mogelijke) Effecten

 Halvering van het huidige aantal ver-

 Door halvering van het aantal exploita-

gunningen tot tien.  Continueren van het huidige beleid waarin de vergunningen elk gekoppeld zijn aan een bepaald adres.

tievergunningen, krijgen de overblijvende speelautomatenhallen ‘meer ruimte’.  Daardoor vermindert de huidige sterke concentratie enigszins.

 Vergunningen zijn niet overdraagbaar en

 Een nadeel blijft dat potentiële bezoe-

speelautomatenhallen mogen niet wor-

kers vanuit de wijken buiten de Ring

den verplaatst.

A10 minder goed bediend worden. Alternatieven in bijvoorbeeld Oostzaan,

Een vraag is welke adressen gekozen wor-

Halfweg of Hoofddorp worden daardoor

den als beoogde vestigingsplaats voor een

aantrekkelijk ook voor een deel van de

speelautomatenhal. Als dit de tien adressen

inwoners van Amsterdam.

zijn waar conform de lopende vergunning de

 Door een inperking van het aantal vesti-

Onderzoek speelautomatenhallen Amsterdam – eindrapport

59

BEA meeste speelautomaten toegestaan zijn,

gingsplekken tot 10 van de huidige 19

daalt het maximaal te vergunnen aantal

vestigingsplekken, en daarbij de plekken

speelautomaten van momenteel 1543 naar

te kiezen waar conform de huidige ver-

straks 1.198.

gunning de meeste speelautomaten mogen staan, verdwijnen enkele panden waar momenteel naar verwachting een rendabele exploitatie mogelijk is.  Binnen de 10 aldus te selecteren locaties zijn er naar verwachting enkele die niet of nauwelijks interessant zijn voor exploitanten.  Het aantal beschikbare voor exploitanten interessante locaties is in scenario 2 nog kleiner dan in scenario 1, waardoor de positie van deze pandeigenaren nog sterker wordt30.  Als dit zich weerspiegelt in de huurniveaus, wordt het voor de exploitanten nog lastiger hun speelautomatenhal te laten renderen.

Beoordeling: de impact op de exploitatiemogelijkheden van speelhallen is diffuus, met aan de ene kant ‘extra marktruimte’ per speelhal maar anderzijds een nog slechtere onderhandelingspositie met pandeigenaren dan in scenario 1 als behalve het aantal vergunningen ook het aantal mogelijke vestigingslocaties wordt gehalveerd. Het kan uiteindelijk blijken dat de gecreëerde extra schaarste vooral ten goede komt aan de pandeigenaren en dat als het ware de huidige schaarste aan vergunningen wordt vervangen door een schaarste aan geschikte vestigingslocaties. Zowel scenario 1 als scenario 2 kunnen juridische problemen genereren. In de regel dienen exploitanten die een exploitatievergunning aanvragen aan te kunnen tonen dat zij over de betreffende locatie kunnen beschikken. Als het aantal geïnteresseerde exploitanten het aantal beschikbare locaties overtreft, kunnen de facto niet alle geïnteresseerde exploitanten daadwerkelijk meedingen naar een exploitatievergunning. Scenario 3

Een op het eerste gezicht radicaal scenario, betreft het loslaten van het huidige plafond op het aantal exploitatievergunningen. Dit scenario heeft als mogelijk risico dat er een soort ‘Las Vegas’ aan de Amstel ontstaat. BEA acht dit risico beperkt, vooral omdat in ieder geval de nu in Amsterdam actieve exploitanten uit ervaring weten dat de marktruimte beperkt is. Tegenover dit risico staat het voordeel dat het ‘schaarsteargument’ komt te ver30 Als de huidige vestigingslocaties beschikbaar blijven, beleidsmatig en planologisch, bij een halvering van het aantal vergunningen, speelt dit effect niet.

60

Onderzoek speelautomatenhallen Amsterdam – eindrapport

BEA vallen, waardoor de huidige exploitanten hun speelhallen in beginsel kunnen voortzetten. Scenario 3 : loslaten van het huidige plafond op het aantal exploitatievergunningen in combinatie met verruimen van de vrijheid waarmee exploitanten een passende vestigingslocatie kunnen kiezen Kenmerken

(mogelijke) Effecten

 Het huidige plafond op het aantal exploi-

 De spreiding van de speelautomatenhal-

tatievergunningen wordt losgelaten.

len verbetert. De verwachting van BEA is

 Wel kan de gemeente allerlei voorwaar-

dat een deel van de exploitanten bij-

den stellen aan zowel exploitanten als

voorbeeld graag zal willen verplaatsen

type speelhal als de locatie waarop de

naar een plek langs de Ring A10.

exploitant een speelhal wil vestigen (en

 De positie van de exploitant wordt ver-

daar ook mede op selecteren).  De huidige koppeling van exploitatievergunningen aan een vast adres komt te vervallen.

sterkt ten opzichte van de pandeigenaren31, waardoor de exploitatiekansen verbeteren.  Het schaarsteargument vervalt. Dit scenario biedt kansen voor de huidige exploitanten, deels familiebedrijven die al decennia in Amsterdam actief zijn, om hun speelhallen te continueren.  Een risico is dat kansspelbedrijven van buiten Nederland zich per se willen vestigen in Amsterdam en het voor lief nemen als hun speelautomatenhal gedurende mogelijk langere tijd verliesgevend is. Dit kan een bedreiging vormen voor exploitanten op de Amsterdamse markt met minder ‘diepe zakken’.

Beoordeling: scenario 3 biedt interessante voordelen (uitzicht op betere spreiding van speelhallen, daardoor betere exploitatiemogelijkheden voor speelhallen, mogelijkheid voor continuering van Amsterdamse familiebedrijven) maar kent ook risico’s. Nader uitgezocht kan worden of en zo ja hoe en in welke mate de gemeente dit risico verder kan beperken door middel van onder meer ruimtelijk beleid en verder aan exploitanten en speelhallen te stellen eisen.

31 Een kanttekening is dat een deel van de huidige exploitanten van een of meer speelautomatenhallen in Amsterdam ook eigenaar is van één of meer panden. Op deze exploitanten heeft het loslaten van het plafond een dubbel effect. Als exploitant profiteren zij van de grotere vrijheid om een vestigingsplek te kiezen, maar als pandeigenaar verliest hun pand wellicht waarde.

Onderzoek speelautomatenhallen Amsterdam – eindrapport

61

BEA 7 Overgangsperiode Basisselectie

BEA heeft op basis van uitgevoerde caseonderzoeken en aanvullend analyse van

representatief

jaardocumenten uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel goed inzicht in de financiële exploitatie van zeven van de negentien momenteel in Amsterdam actieve speelautomatenhallen. Deze selectie lijkt redelijk representatief voor de gehele Amsterdamse populatie van speelautomatenhallen. De selectie omvat zowel grote als middelgrote en kleinere speelhallen. De selectie omvat een aantal speelhallen die structureel winstgevend zijn, diverse die niet of nauwelijks winstgevend zijn en enkele die wisselend winstgevend of verliesgevend zijn gebleken in de afgelopen jaren. Ten aanzien van een aantal andere speelhallen beschikt BEA over vooral fragmentarische inzichten in de exploitatie. Deze inzichten in de huidige exploitatie van Amsterdamse speelautomatenhallen vormen een basis onder de navolgend in hoofdstuk 7 uit te werken verkenning van een passende overgangstermijn tussen het huidige stelsel met vergunningen voor onbepaalde tijd naar een stelsel met vergunningen voor bepaalde tijd. Aanvullend heeft BEA bij de huidige exploitanten van speelautomatenhallen de volgende, voor de bepaling van een passende overgangstermijn relevante zaken, geïnventariseerd:  Doorlopende verplichtingen met betrekking tot personeel.  Doorlopende verplichtingen wat betreft eventuele huurcontracten.

 Eventuele andere doorlopende verplichtingen, zoals leasecontracten voor speelautomaten of managementovereenkomsten met leidinggevenden.

7 . 1 O v e r g a n g spe r i o d e : r e st e r e n d e t e r u g v e r d i e n t i j d e n i mpa c t v a n t r e n d s In hoofdstuk 5 is toegelicht dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen de terugverdientijd van investeringen in een (nieuwe) speelautomatenhal enerzijds en de resterende terugverdientijd van de in de huidige speelhallen gepleegde investeringen . Voor het bepalen van de overgangstermijn is het van belang inzicht te hebben in deze resterende terugverdientijd van de huidige speelautomatenhallen in Amsterdam. De in hoofdstuk 7 opgenomen raming van de terugverdientijd wijkt daarmee af van de in hoofdstuk 6 opgenomen modelmatige constructie, die vooral op branchekengetallen (wel voor zover mogelijk toegespitst op de Amsterdamse situatie) is gebaseerd. Resterende

Het beeld dat BEA heeft ontwikkeld op basis van de uitgevoerde caseonderzoeken, is dat

terugverdientijd: deze resterende terugverdientijd in de regel ligt tussen 2 jaar en 8 jaar. Er zijn echter ook 2-8 jaar

speelautomatenhallen die momenteel niet terugverdienen op hun investeringen. De optelsom van nettowinst en afschrijvingen is dan negatief. De waargenomen resterende terugverdientijd betreft de terugverdientijd ultimo 2018, waarbij deze terugverdientijd is berekend op basis van de dan actuele winstniveaus en niveaus van boekwaarden van vas-

62

Onderzoek speelautomatenhallen Amsterdam – eindrapport

BEA te activa en afschrijvingen per jaar. Als basis voor het bepalen van de overgangsperiode, zal rekening moeten worden gehouden met op dit moment en de komende jaren relevante trends en ontwikkelingen, voor zover deze raken aan het te realiseren winstniveau. De caseonderzoeken laten voor een aantal van deze speelautomatenhallen zien dat de exploitanten bezig zijn om hun bedrijfsvoering aan te passen, zodanig dat het winstvermogen weer wordt hersteld. Aan de kostenzijde zijn dan efficiencymaatregelen op formatief vlak onvermijdelijk. Kostenverlaging kan worden gerealiseerd door dienstverbanden met relatief dure medewerkers te beëindigen en de formatie aan te vullen met (vaak jongere) medewerkers met een lager salarisniveau. In deze zin zijn de terugverdientijden die BEA heeft geïnventariseerd voor het jaar 2018 niet ‘in beton gegoten’. Ondernemers zijn continu bezig hun bedrijfsvoering kritisch te bezien, gelet op de ontwikkeling van het bedrijfsresultaat en de voor de toekomst verwachte ontwikkelingen. De op basis van de stand van zaken ultimo 2018 bepaalde resterende terugverdientijd van 2 tot 8 jaar kan niet één-op-één worden vertaald naar een passende overgangstermijn. Deze dan geldende resterende terugverdientijd moet worden aangepast voor een aantal belangrijke trends en ontwikkelingen.

BEA acht met name de volgende trends en ontwikkelingen van belang om te betrekken bij de besluitvorming over een passende overgangstermijn:  Implementatie van CRUKS.  Invoering van een volledig rookverbod in combinatie met het openen van de onlinekansspelmarkt.  Huidige sluiting van de speelautomatenhallen vanwege het coronavirus en mogelijke ‘nasleep’ daarvan.  Doel van ondernemers om een ‘redelijk rendement’ te realiseren waarbij investeringen niet alleen worden terugverdiend maar ook een extra marge opleveren als beloning voor gelopen ondernemersrisico’s. Daarnaast kunnen transitievergoedingen aan de orde zijn voor medewerkers, als speelautomatenhallen hun exploitatie voortijdig moeten beëindigen. Impact CRUKS, De impact van CRUKS en vooral negatieve trends op de terugverdientijd varieert naar de rookverbod &

categorie in het onderzoek onderscheiden speelautomatenhallen. De impact is ook

online

afhankelijk van precieze aannames bij de ramingen (deze zijn in het voorgaande hoofdstuk toegelicht). Ten aanzien van de mogelijke effecten van het volledige rookverbod kan niemand goed inschatten wat de impact zal zijn. De door enkele exploitanten uitgesproken verwachting is dat dit mogelijk 10 tot 15 procent omzet zal kosten maar dat het ook meer kan worden. In het scenario waarin de omzetten met 15 procent dalen, verandert een en ander als volgt:

Onderzoek speelautomatenhallen Amsterdam – eindrapport

63

BEA Overgangstermijn : resterende terugverdientijd plus extra terugverdientijd vanwege CRUKS en invoering algeheel rookverbod en opening online-markt, o.b.v. 15% omzetdaling Klein

Middelgroot

Resterende terugverdientijd

Groot

2-8 jaar

Effect CRUKS

2 jaar

1-2 jaar

0,5-1 jaar

Rookverbod/online-markt

10 jaar tot wel-

4-10 jaar

2-4 jaar

(15% daling netto omzet)

licht 24 jaar

Totaal

14-34 jaar

7-20 jaar

4,5-13 jaar

De kleinere speelhallen zullen vaker een resterende terugverdientijd hebben van richting 8 jaar en dus eerder uitkomen op langere terugverdientijden van 15 jaar of zels (fors) hoger. Voor deze speelhallen is de kans ook reëel dat de nettowinst dermate negatief wordt, dat de vrije kasstroom negatief wordt en er per saldo niet meer wordt terugverdiend. Voor de grootste speelhallen geldt dat zij eerder aan de onderzijde van de aangegeven marge uitkomen. Indien uitgegaan wordt van een optimistisch scenario ten aanzien van de impact van rookverbod en opening van de online-kansspelmarkt (7,5 procent omzetdaling, waar BEA in beginsel uitgaat vaneen daling van 15 procent), loopt de benodigde terugverdientijd als basis voor een te bepalen overgangstermijn op tot circa 5 tot 14 jaar voor de kleine en middelgrote speelautomatenhallen. Voor de grote speelautomatenhallen is de benodigde overgangsperiode naar verwachting wat korter. Er is dan nog geen rekening gehouden met de invloed van corona en de eventueel noodzakelijke transitievergoedingen, die een verlengend effect hebben op de terugverdientijd. Overgangstermijn : resterende terugverdientijd plus extra terugverdientijd vanwege CRUKS en invoering algeheel rookverbod en opening online-markt, o.b.v. 7,5% omzetdaling Klein

Middelgroot

Resterende terugverdientijd Effect CRUKS Rookverbod/online-markt

Groot

2-8 jaar 2 jaar

1-2 jaar

0,5-1 jaar

2-4 jaar

1,5-6 jaar

1 jaar

6-14 jaar

5,5-16 jaar

3,5-10 jaar

(7,5% daling netto omzet) Totaal

De resterende terugverdientijd ligt voor de kleinere speelhallen doorgaans meer richting 8 jaar dan richting 2 jaar. Voor de grotere hallen geldt het omgekeerde. De impact van de ongunstige trends (rookverbod en online) kan ook mee vallen. Als de impact daarvan geen 15 procent daling van de netto omzet is maar een daling oplevert van 7,5 procent, komt de terugverdientijd voor de kleinere hallen naar verwachting alsnog uit op 10 tot 15 jaar en voor de middelgrote en grotere hallen zou dan een terugverdientijd van 10 jaar kunnen volstaan.

64

Onderzoek speelautomatenhallen Amsterdam – eindrapport

BEA Als basis voor besluitvorming over de overgangstermijn moet zoals aangegeven nog rekening worden gehouden met de actuele coronacrisis, eventueel te betalen transitievergoedingen en doorlopende verplichtingen op het terrein van personeel en huur. Tot slot wil een ondernemer niet alleen terugverdienen, maar ook een positief rendement behalen. Corona

Bij de bepaling van de overgangstermijn moet verder rekening worden gehouden met de huidige coronacrisis. Deze heeft tot gevolg dat de speelautomatenhallen al enige weken gesloten zijn en dat dit naar verwachting nog enige tijd kan aanhouden. Daarna is de vraag of bezoekers weer hun weg zullen vinden nar de speelautomatenhallen. Het kan zijn dat hun tijdsbestedingspatronen zijn gewijzigd. Het kan ook zijn dat een deel van de bezoekers het bezoeken van een soms drukke speelautomatenhal te riskant vindt vanuit het oogpunt van corona. Mogelijk zijn er verder aan een opening van de speelautomatenhallen later dit jaar voorwaarden verbonden, als onderdeel van de zogenoemde ‘1,5 meter-economie’. Als dit betekent dat speelautomatenhallen gelimiteerd worden in het aantal bezoekers dat ‘binnen’ aanwezig mag zijn of als de speelautomaten verder van elkaar opgesteld moeten worden, dan heeft dit grote impact op de exploitatie van de speelautomatenhallen. Overgangstermijn : resterende terugverdientijd plus extra terugverdientijd vanwege CRUKS, algeheel rookverbod en opening online-markt (met daling omzet van 15%), rekening houdend met actuele coronacrisis en eventuele transitievergoedingen Klein

Middelgroot

Resterende terugverdientijd

Groot

2-8 jaar

Effect CRUKS

2 jaar

1-2 jaar

0,5-1 jaar

Rookverbod/online-markt

10 jaar tot wel-

4-10 jaar

2-4 jaar

(15% daling netto omzet)

licht 24 jaar

Corona

2 jaar

1,5 jaar

1,5 jaar

Totaal

16-36 jaar

8,5-21,5 jaar

+/- 6, -14,5 jaar

BEA heeft bij het ramen van de impact van de actuele coronacrisis de volgende uitgangspunten gehanteerd:  Effect van sluiting: uitgegaan is van een volledige (100 procent) omzetderving gedurende een periode van drie maanden vanwege het verplicht sluiten van de speelautomatenhallen.  Nasleep rest van het jaar 2020: BEA gaat ervan uit dat de omzet in de rest van het jaar, door genoemde omstandigheden (‘1,5 meter-economie, spelers die de speelautomatenhal vermijden vanwege angst corona op te lopen) mogelijk 50 procent zal afnemen ten opzichte van een regulier jaar.  Overbruggingsmaatregelen kabinet: tot slot gaat BEA ervan uit dat de loonkosten gedurende drie maanden voor 80 procent ‘gedekt’ zijn op basis van de ‘Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor behoud van Werkgelegenheid’ (NOW).

Onderzoek speelautomatenhallen Amsterdam – eindrapport

65

BEA Het is op dit moment niet te overzien hoe lang de speelautomatenhallen verplicht zijn te sluiten en ook niet onder welke voorwaarden zij vervolgens weer kunnen openen.

7 . 2 I mpa c t v a n d o o r l o pe n d e v e r pl i c h t i n g e n : pe r so n e e l e n h u u r Transitievergoedingen

De juridisch adviseur van de gemeente Amsterdam heeft bij de start van het voorliggende onderzoek aangegeven dat bij de bepaling van de terugverdientijd ook moet worden gekeken naar doorlopende contractuele verplichtingen en de mogelijkheid deze zonder schade af te wikkelen vóór het einde van de overgangstermijn. Doorlopende verplichtingen zijn onder meer aan de orde met betrekking tot de vaste dienstverbanden met medewerkers die in loondienst zijn. Een voortijdig beëindigen van de exploitatie, omdat de exploitant geen vergunning bemachtigt, maakt ontslagen onvermijdelijk. De exploitant dient dan rekening te houden met transitievergoedingen. Op basis van de verrichte caseonderzoeken concludeert BEA dat de eventueel noodzakelijke transitievergoedingen gemiddeld circa € 10.000 tot € 15.000 per fte bedragen32. De transitievergoedingen voor de kleinere speelautomatenhallen kunnen dan, gelet op hun formatieve omvang en loonkosten, oplopen tot circa € 100.000. Vertaald naar de terugverdientijd, komt dit neer op circa één jaar extra. Voor de grotere speelautomatenhallen drukken eventuele transitievergoedingen minder zwaar op de exploitatie: Overgangstermijn : extra benodigde terugverdientijd vanwege eventuele transitievergoedingen Klein Effect transitievergoedingen

Middelgroot 1 jaar

6 maanden

Groot 4 maanden

De lengte van de overgangsperiode heeft op twee manieren invloed op de mate waarin transitievergoedingen kunnen worden vermeden. Aan de ene kant biedt een langere overgangsperiode exploitanten meer tijd om tot vrijwillige beëindiging van dienstverbanden te komen. Daarnaast zullen door natuurlijk verloop medewerkers uitstromen. Een langere overgangstermijn kan in die zin helpen om de transitievergoedingen te beperken. Anderzijds nemen door een langere overgangstermijn de dienstverbanden verder toe in lengte, waardoor de t.z.t. te betalen transitievergoedingen ook oplopen. Huur-

Het beeld wat betreft doorlopende huurverplichtingen is diffuus. Een deel van de

verplichtingen

exploitanten is eigenaar van het pand c.q. van de panden waarin speelhallen worden geëxploiteerd. Vaak is er dan wel voor gekozen om het vastgoed te scheiden van de exploitatie van de speelautomatenhal, waarbij zij in andere BV’s ondergebracht zijn. Het beeld loopt ook uiteen wat betreft:

32 Voor een medewerker die 10 jaar in vaste loondienst is en een bruto maandsalaris van € 3.000, bedraagt de transitievergoeding 1/3 * 10 € 3.000 is € 10.000.

66

Onderzoek speelautomatenhallen Amsterdam – eindrapport

BEA  Lengte van de huurovereenkomst.  Nog resterende lengte van de huurovereenkomst.  Mogelijkheden om deze als huurder tussentijds te beëindigen.  Maandelijkse huurkosten (ook omgerekend naar m2). Ten aanzien van het beëindigen van huurcontracten is van belang dat deze in beginsel niet af te kopen zijn. Er is op dit vlak een verschil met arbeidsovereenkomsten, waarvoor je als werkgever naar het UWV kunt voor beëindiging van het dienstverband. Voor beëindiging van een huurcontract zal een exploitant in overleg met de verhuurder moeten bezien of het contract kan worden beëindigd, waarbij de exploitant kan proberen een voor de verhuurder acceptabele huurder bereid te vinden de huurverplichtingen over te nemen. In de huidige markt in Amsterdam kan dit betekenen dat huurders in staat zijn om op deze wijze onder doorlopende huurverplichtingen uit te komen zonder boete of plicht om nog jaren door te betalen. Een en ander zal ook afhangen van de relatie tussen huurder en verhuurder. Op basis van de uitgevoerde caseonderzoeken heeft BEA beperkt inzicht gekregen in de huurvoorwaarden. Een aantal huurcontracten loopt af per ultimo 2024 of 2025 en andere lopen nog door tot 2035.

7 . 3 C o n c l u si e s t e n a a n zi e n v a n d e o v e r g a n g st e r mi j n BEA concludeert dat overgangsperiode, indien gebaseerd op het terugverdienen van in vaste activa geïnvesteerd vermogen, sterk wordt beïnvloed door actuele trends en ontwikkelingen. De invoering van CRUKS, het invoeren van een volledig rookverbod en het openen van de online-kansspelmarkt hebben een ingrijpend effect op de van toepassing zijnde terugverdientijden. Indien wordt uitgegaan van een 15 procent daling van de netto omzet vanwege invoering van een volledig rookverbod en opening van de online-kansspelmarkt, lopen de terugverdientijden op tot 15 jaar of meer voor de kleinere speelautomatenhallen en een deel van de middelgrote speelautomatenhallen: Overgangstermijn : resterende terugverdientijd plus extra terugverdientijd vanwege CRUKS, algeheel rookverbod en opening online-markt (met daling omzet van 15%), rekening houdend met actuele coronacrisis en eventuele transitievergoedingen Klein

Middelgroot

Resterende terugverdientijd Effect CRUKS

Groot

2-8 jaar 2 jaar

1-2 jaar

0,5-1 jaar

Rookverbod/online-markt

10 jaar tot wel-

4-10 jaar

2-4 jaar

(15% daling netto omzet)

licht 24 jaar

Corona

2 jaar

1,5 jaar

1,5 jaar

Transitievergoedingen

1 jaar

6 maanden

4 maanden

17-37 jaar

9-22 jaar

+/- 6,5-15 jaar

Totaal

Onderzoek speelautomatenhallen Amsterdam – eindrapport

67

BEA Optelsom

De benodigde terugverdientijd wordt beïnvloed door CRUKS en door de voor de exploitatie van speelhallen ongunstige trends (volledig rookverbod, opening legale online-kansspelmarkt). De resterende terugverdientijd voor de meeste speelhallen ultimo 2018 (2 tot 8 jaar) vormt de basis voor een optelsom om tot een passende overgangsperiode te komen.  De basis voor de optelsom is de resterende terugverdientijd ultimo 2018.  Vanwege CRUKS en de ongunstige trends is aanvullende terugverdientijd noodzakelijk.  Er moet verder verder rekening worden gehouden met het feit dat speelhallen momenteel geen inkomsten hebben door de sluiting als gevolg van corona en dat het jaar 2020 voor de meeste speelautomatenhallen geen ‘jaar van terugverdienen’ zal zijn.  Daarnaast kunnen transitievergoedingen aan de orde zijn, waarbij deze voor de kleinere speelautomatenhallen tot 1 jaar extra terugverdientijd aanleiding geven.  Tot slot zullen exploitanten als ondernemer uiteraard niet alleen hun investering willen terugverdienen, maar daar ook een redelijk rendement op willen behalen.

Gelet op de bevindingen over de terugverdientijd van het ultimo 2018 door exploitanten in hun speelhallen geïnvesteerde vermogen, concludeert BEA dat een overgangstermijn van 15 jaar het beste past als de gemeente Amsterdam een overgangstermijn wil hanteren waarbij een ruime meerderheid van de speelautomatenhallen in principe in staat is om gepleegde investeringen terug te verdienen, onder wat ons betreft redelijke aannames voor het effect van CRUKS, volledig rookverbod en opening van de online-kansspelmarkt, en rekening houdend met de afwikkeling van doorlopende contractuele verplichtingen waarbij met name eventuele transitievergoedingen van belang zijn. Een langere overgangsperiode is bedrijfseconomisch naar onze mening slecht te onderbouwen, vanwege de afschrijvingstermijnen van de vaste activa van de speelhallen. Wordt een overgangstermijn gehanteerd die veel langer is dan de afschrijvingstermijnen, dan zouden exploitanten eigenlijk weer investeringen moeten plegen in nieuwe vaste activa (die ook weer terugverdiend moeten worden), wat in een overgangsperiode niet de bedoeling is. Een aanmerkelijk kortere overgangsperiode vergroot de kans dat veel speelhallen de overgangsperiode niet overleven.

Bij een kortere overgangsperiode zullen diverse exploitanten ook weinig vertrouwen hebben dat zij eventuele investeringen in (met name personele) reorganisaties weer kunnen terugverdienen. Tot slot moet opgemerkt worden dat de impact van CRUKS en negatieve trends ook mee kan vallen. Als de impact daarvan geen 15 procent daling van de netto omzet is maar een daling oplevert van 7,5 procent, komt de terugverdientijd voor de kleinere hallen naar verwachting alsnog uit op 10 tot 15 jaar en voor de meeste middelgrote en grotere hallen zou dan een terugverdientijd van 10 jaar kunnen volstaan. Bij het hanteren van een overgangsperiode van 10 jaar is de kans wel groter dat de exploitanten voor een deel van de speelautomatenhallen uiteindelijk niet in staat is de gepleegde investeringen volledig terug te verdienen en hun bedrijfsvoering ook niet voldoende kunnen aanpassen aan de zich wijzigende marktomstandigheden.

68

Onderzoek speelautomatenhallen Amsterdam – eindrapport

BEA Bijlage I: gesprekspartners Ten behoeve van het onderzoek hebben gesprekken plaatsgevonden met vertegenwoordigers van alle in Amsterdam gevestigde speelautomatenhallen en enkele externe betrokkenen. Exploitanten van in Amsterdam gevestigde speelautomatenhallen:  Amusementspaleis Macau.  Carrousel Arcade.  Casino City.  JVH (Jack’s Casino en Flash Casino).  Lucky Flipper.  Lucky Hall.  Lucky Jack (De Vries en Vet).  Merkur  Play-In Casino.  Merkur. Externe betrokkenen:  Sanne Muijser en Rob Kiffen (branchevereniging VAN).  Christiaan Merks (Operationeel Expert basisteam Centrum Burgwallen, politie Amsterdam).  Jork Netten en Rein Halbersma (Kansspelautoriteit, Ksa)

***

Onderzoek speelautomatenhallen Amsterdam – eindrapport

69

BEA Bijlage II: literatuur en bronnen Voor het onderzoek zijn onder meer de volgende documenten gebruikt:  ABRvS, ECLI:NL:RVS:2016:2927, speelautomatenhal Vlaardingen, 2 november 2016.  APE (Iris Blankers, Karlien Douma en Peter Wilms), Substitutie tussen online en offline kansspelen, i.o.v. WODC, januari 2012.  CVO Research & Consultancy (D.E. de Bruijn), Kansspelverslaving, risico’s en preventie: literatuuronderzoek naar de risico’s van kansspelen en de aard en effectiviteit van preventieve maatregelen, in opdracht van Kansspelautoriteit, 2015.  ES&E, Speelautomaten in beeld: onderzoek naar de kwantitatieve en financiële omvang van de speelautomatenbranche in Nederland in 2001, uitgevoerd in opdracht van het College van toezicht op de kansspelen, 28 augustus 2003.  Hans van der Beek, In moderne cafés past de gokkast niet meer, in: Het Parool, 14 augustus 2016.  Hans Faber en Rob Gollin, Gokautomaten met wasprogramma, in: De Volkskrant, 10 december 1994.  Gemeente Amsterdam, Brief aan leden van de gemeenteraad, onderwerp: SEOonderzoek speelautomatenhallen, 13 september 2019.  Intraval Onderzoek en Advies (A. Kruize, M. Boendermaker, M. Sijtstra en B. Bieleman), Modernisering kansspelbeleid: nulmeting 2016, juni 2016.  J. van de Kamp (Decision Support), i.o.v. WODC, Risico’s van witwassen en terrorismefinanciering in de kansspelsector, quickscan, 2 april 2017.

 Kansspelautoriteit (Ksa), Marktscan landgebonden kansspelen 2017, 26 november 2018.  Kansspelautoriteit (Ksa), Leidraad zorgplicht, 1 juli 2019.  Kansspelcommissie (België), Nota rookverbod, 5 september 2012  KPMG, Speelautomaten kengetallen onderzoek 2012, 21 december 2013.  Minister van Rechtsbescherming (Ministerie van Justitie en Veiligheid), Besluit kansspelen op afstand (voluit Besluit van houdende bepalingen ter uitvoering van de Wet kansspelen op afstand), 3 maart 2020.  Pels Rijcken (Jannetje Bootsma en Irene van der Heijden), Notitie inzake overgangstermijn en nieuwe vergunningsduur speelautomatenhallen, 12 juli 2019.  Rekenkamer Metropoolregio Amsterdam (RMA), Zicht op schaarse vergunningsstelsel, onderzoeksrapport, 17 januari 2019.  SEO Economisch Onderzoek, Speelruimte: naar een nieuwe marktordening van de landbased kansspelmarkt, i.o.v. Ministerie van Veiligheid en Justitie en Ministerie van Financiën, juli 2012.  SIRA Consulting i.o.v. Advies College Administratieve Lasten (ACTAL), Lastenmeting wetsvoorstel ‘Kansspelen op Afstand’, onderzoek naar de administratieve lasten en nalevingskosten voor bedrijven en burgers uit het wetsvoorstel ‘Kansspelen op Afstand’, eindrapport v2.1, 23 november 2013.

70

Onderzoek speelautomatenhallen Amsterdam – eindrapport

BEA  Tweede Kamer, vergaderjaar 2014-2015, 33 996, nr. 6, Wijziging van de Wet op de Kansspelen, de Wet op de kansspelbelasting en enkele andere wetten in verband met het organiseren van kansspelen op afstand, Nota naar aanleiding van het verslag, 7 april 2015.  VAN Kansspelen brancheorganisatie, Reactie op internetconsultatie: privatisering speelcasino’s, 30 maart 2015.

 VAN Kansspelen brancheorganisatie, “Speel met  en verstand, houd afstand”, Protocol Speelautomaten-casino’s, protocol voor een verantwoorde en gecontroleerde heropening van de speelautomaten-casino’s ten tijde van de coronacrisis, 30 april 2020.

***

Onderzoek speelautomatenhallen Amsterdam – eindrapport

71

BEA Bijlage III: reactie exploitanten op finale conceptversie rapport Een finale conceptversie (versie 14 mei 2020) van het voorliggende onderzoeksrapport is voor een check op de feitenbasis voorgelegd aan de Amsterdamse exploitanten en hun adviseurs Fred Teeven en Niels Kooijman. De via deze adviseurs op 29 mei jl. ontvangen en door hen gebundelde feedback van de exploitanten op deze finale conceptversie van het rapport wordt hierna weergegeven (linkerkolom). In de rechterkolom is weergegeven of de ontvangen feedback tot een aanpassing van het rapport heeft geleid en zo ja welke. Nota bene: Een aantal opmerkingen richten zich op door de gemeente te maken keuzes met betrekking tot het verdere proces van besluitvorming over de overgangstermijn en de duur van de nieuwe vergunningen of betreffen beleidsinhoudelijke aspecten die buiten de vraagstelling van het door BEA uitgevoerde onderzoek liggen. BEA is in het rapport op deze opmerkingen verder niet ingegaan. Ontvangen feedback Wellicht is het goed om allereerst te vermelden dat de ondernemers van de AAA over het algemeen tevreden zijn met de inhoud van het rapport. Zij onderschrijven de conclusies van de onderzoekers voor wat betreft de duur van de overgangstermijn en de duur van de nieuw te vergeven vergunningen. Wel plaatsen zij kanttekeningen bij de scenario’s 1 tot en met 3 zoals die door BEA zij beschreven in het rapport.

Zij gaan er vanuit dat zij in goed overleg met de gemeente Amsterdam kunnen komen tot een te formuleren beleid, wat ook recht doet aan de inspanningen van de ondernemers in de periode tot heden. Tevens menen de ondernemers dat de inhoud van dit rapport ook ‘uitstralende werking’ zou kunnen hebben naar gemeenten buiten de Amsterdamse stadsgrenzen. Alle ondernemers hopen dat zij door de gemeente zullen worden gezien als verantwoordelijke- en op overleg gerichte partijen die aan de hand van de rapportage van BEA open staan voor constructief overleg met de gemeente Amsterdam. Om die reden vragen de ondernemers zich af of er geen sprake zou moeten zijn van intensief overleg met

72

Reactie BEA Geen aanpassing van rapport vereist (raakt niet aan feitenbasis, ontvangen feedback vormt ook anderszins geen reden om rapport bij te stellen). Op punt van de in het rapport opgenomen scenario’s wordt onder punt 2 terug gekomen.

Geen aanpassing van rapport vereist.

Onderzoek speelautomatenhallen Amsterdam – eindrapport

BEA de werkgroep op de Stopera die zich nu over dit onderwerp buigt. 1. Een heel belangrijk punt voor alle ondernemers is de peildatum die wordt gehanteerd als start voor de overgangsperiode (van de geadviseerde 15 jaar). Wanneer gaat de 15 jaarstermijn in? Heeft de gemeente al een idee hoe zij dat in de nieuwe Verordening gaat omschrijven? Hierin blijft het rapport van BEA onduidelijk.

In onze rapportage zijn we uitgegaan van een start van de overgangsperiode op de datum van de brief uit 2018 (‘ultimo 2018’).

Niet onbelangrijk daarbij is uiteraard de vraag wat de gemeente wil met vergunningen die zij ‘wil verplaatsen’. In het rapport van BEA hebben de ondernemers gemist aan welke locaties de gemeente Amsterdam de voorkeur geeft. Ook dat bepaalt economische uitkomsten. Hierbij speelt uiteraard ook het vraagstuk van de indirecte allocatie: een eigenaar van een pand beslist uiteindelijk wie en wat er in zijn pand wordt gevestigd. Een al te grote inbreuk op de markt van huur en verhuur van overheidszijde is om die reden al een onbegaanbare weg.

Geen aanpassing van rapport vereist.

Daarnaast speelt met betrekking tot de overgangstermijn ook de heel essentiële vraag: 1) zal er sprake zijn van een ‘gemiddelde overgangstermijn’ of 2) een ’strikt individuele overgangstermijn’. 2. Voor wat betreft de door BEA beschreven scenario’s constateren de ondernemers dat, gezien de gedeelde opdracht van de gemeente en de uitgebrachte offerte van BEA, niet werd verwacht dat er scenariostudie door BEA zou plaatsvinden. De ondernemers geven wel nu reeds aan dat er ook andere, meer realistische, scenario’s mogelijk zijn en hopen dat met de gemeente in de nabije toekomst te kunnen bespreken. De scenario’s hebben namelijk veel gevolgen voor de mate van terugverdiencapaciteit en de juridische risico’s van hun bedrijven. Overleg zou de gemeente kunnen hel-

Geen aanpassing van rapport vereist.

Onderdeel van het onderzoek vormt een marktscan, die met name bedoeld is om te inventariseren welke trends en ontwikkelingen de exploitatie van speelhallen in Amsterdam (kunnen) raken, en daarmee van invloed (kunnen) zijn op de best passende overgangstermijn en duur van de nieuwe vergunningen. Het blijkt dat de beleidsmatige context dan van belang is, zowel landelijk als lokaal. Omdat de lokale beleidskeuzes deels nog gemaakt moeten worden, kan BEA daarover alleen scenariogewijs ‘doordenken’ wat de eventuele impact is of kan zijn. Om deze reden zijn de drie scenario’s

Onderzoek speelautomatenhallen Amsterdam – eindrapport

73

BEA pen een verantwoord nieuw speelautomatenhal-beleid te formuleren. De gemeente zou b.v. kunnen denken aan een scenario waarbij er minder vergunningen zijn zonder aangewezen locaties, maar met een nog te bepalen locatiebeleid. Dat creëert ook een situatie dat pandeigenaren-niet vergunninghouders in een te grote machtspositie komen ten opzichte van huurders. Ook zou aan een scenario kunnen worden gedacht waarbij er een gelimiteerd aantal vergunningen is, en er variatie wordt aangebracht in de aantallen automaten. Ook wordt gemist een scenario met ruimere openingstijden. Al met al zijn er dus nog genoeg mogelijkheden tot een nadere invulling. Het zou de ondernemers storen als de aan te brengen wijzigingen zijn gericht op een ‘uitsterfbeleid van speelautomatenhallen’ in Amsterdam. 3. Voor wat betreft ‘reorganiseren en kosten weer in lijn brengen met het gewijzigde omzetniveau’ (p.3, onderaan) vragen de ondernemers zich af wat BEA daar mee bedoelt? Het is de gemeente toch al bekend dat naast de vaste kosten zoals huur, de ondernemers ook te maken hebben met een zorgplicht die met zich meebrengt dat juist de personele inzet in een zekere mate omzetonafhankelijk is.

in paragraaf 6.3 in het rapport opgenomen. De exploitanten hebben zelf, onder meer in de Veranda-bijeenkomst, maar ook los daarvan (zie bijvoorbeeld ook brief van advocaat van Casino City aan BEA), er op aangedrongen aandacht te besteden aan de mogelijke impact van de beleidsmatige kaders (met name ook lokaal) op de exploitatie en dus op de overgangstermijn en de duur van de nieuwe vergunningen. BEA is van mening dat met name het aantal af te geven vergunningen (en het aantal dan vergunde speelautomaten) en de mate waarin exploitanten vrij zijn hun vestigingsplek te kiezen van belang zijn voor de toekomstige exploitatie. De scenario’s gaan hier op in. Opmerkingen vormen wat BEA betreft geen aanleiding het rapport aan te passen. Wat BEA bedoelt, is dat de terugverdientijd voor een deel van de exploitanten uitkomt op 15 jaar of (aanmerkelijk) langer. Dit is bij het huidige kostenniveau, aangepast voor extra kosten vanwege CRUKS. BEA acht een overgangstermijn die aanmerkelijk langer is dan 15 jaar om in het rapport toegelichte redenen echter niet realistisch. Dan moeten exploitanten in principe binnen deze overgangstermijn weer investeren in speelautomaten en dergelijke, wat in een overgangstermijn juist niet de bedoeling is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9639452/1