CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

EVMRA-2021.pdf

Raadscommissie voor Financiën, Economische Zaken, Deelnemingen, Lucht- en Zeehaven, Duurzaamheid 20 januari 2022, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Economische Verkenningen Metropoolregio Amsterdam (EVMRA) 2021 (ZD2022-000221)46.834 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Figuur 1.8 Na een schok in 2020 en begin 2021 volgt stevig herstel in het 2e kwartaal van 2021 Bruto regionaal product groei in %* Almere-Lelystad Zaanstreek-Waterland

Figuur 1.8 vat de gevolgen van de pandemie voor de deelregio’s samen. Alle deelregio’s van de MRA kenden, na een flinke terugslag in 2020 en het eerste kwartaal van 2021, een snel herstel in het tweede kwartaal van 2021. Dit is een direct gevolg van de versoepeling van de coronamaatregelen. Het CBS rapporteerde eind augustus 20215 dat de economie in het tweede kwartaal van 2021 in alle regio’s in Nederland sterk gegroeid is ten opzichte van een jaar eerder. Daarbij hadden IJmond en regio Haarlemmermeer (samen met regio Eindhoven) de hoogste groeipercentages. Een deel van de groei is de directe keerzijde van de grote krimp in 2020. Voor IJmond spelen ook de staalprijzen een rol. Het CBS onderstreept dat, ondanks de groei in het tweede kwartaal van 2021, Amsterdam en regio Haarlemmermeer nog niet het productieniveau van vóór de coronacrisis hebben bereikt. In het tweede kwartaal van 2021 waren met name de industrie, horeca en de reisbranche de voornaamste aanjagers van het economisch herstel. AmstellandMeerlanden profiteerde van het feit dat er weer meer vliegverkeer mogelijk is, waardoor de bedrijvigheid op en rond Schiphol duidelijk toenam. Een meer diepgaande analyse van sectorale en sub-regionale verschillen zijn, respectievelijk, te vinden in hoofdstuk 3 en 4.

Gooi en Vechtstreek

Kader 1.3 Gebruik van coronasteunmaatregelen Bedrijven die als gevolg van de coronacrisis te maken hadden met omzetverlies, konden vanaf april 2020 aanspraak maken op de tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid (NOW). Met financiële steun vanuit de overheid konden bedrijven personeel blijven doorbetalen, ook wanneer zij hun personeel niet (geheel) konden inzetten. Toekenningen van de NOW zijn daarmee een graadmeter van omzetverlies tijdens de coronacrisis.

Zuid-Kennemerland IJmond Amsterdam Amstelland-Meerlanden

Onderstaande tabel laat zien hoe intensief bedrijven gebruik hebben gemaakt van de steunregelingen. De tabel laat zien dat in de MRA relatief intensief gebruik is gemaakt van de NOW (met wat fluctuaties per steunronde), maar ook van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo). Binnen de MRA is vervolgens ook

MRA Nederland

-16 -14 -12 -10 -8 -6 -4 -2 2020

1e kwartaal 2021

0

2

4

6

8

10 12 14 16

2e kwartaal 2021 5

* Verandering ten opzichte van een jaar eerder Bron: CBS (bewerking TNO)

38

Economische Verkenningen MRA 2021

CBS (25-08-2021). Economie in driekwart regio’s weer op of boven niveau van voor coronacrisis.

Economische Verkenningen MRA 2021

39

weer een variatie te zien, waarbij het gebruik in met name Amsterdam en Amstelland-Meerlanden meer is dan in de overige regio’s. Dit onderstreept het feit dat de economische klap van de coronacrisis het zwaarst was in de regio’s Haarlemmermeer en Amsterdam. De economie van Haarlemmermeer is sterk afhankelijk van Schiphol. Toen het aantal vluchten drastisch terugliep op de luchthaven, nam ook de omzet in de luchtvaart, horeca en reisbemiddeling drastisch af. In Amsterdam hadden met name de sectoren Horeca en Cultuur, sport en recreatie het zwaar te verduren. Door het economisch belang van deze sectoren in Amsterdam, wogen de consequenties zwaarder mee voor de regionale economie.

Gebruik steunregelingen door bedrijven in Nederland en MRA 1 of meer regelingen

NOW NOW NOW NOW NOW 1.0 2.0 3.1 3.2 3.3*

TOZO 1 en/of 2**

aandeel in % Nederland

34,9

9,4

4,5

5,7

5,5

1,7

15,4

Metropoolregio Amsterdam

39,5

9,1

5,0

5,7

5,5

2,2

20,5

Amsterdam

44,1

9,5

5,9

6,3

6,1

2,8

25,4

Almere-Lelystad

39,1

8,2

3,8

4,7

4,5

1,5

19,4

Amstelland-Meerlanden

36,9

11,2

5,9

6,3

6,3

2,2

14,4

Zuid-Kennemerland

36,2

8,2

3,9

5,0

4,9

1,7

18,9

Zaanstreek-Waterland

35,6

7,9

4,0

4,8

4,9

1,6

17,4

IJmond

34,8

8,9

4,0

5,3

5,4

1,6

15,8

Gooi en Vechtstreek

33,0

7,8

3,8

4,6

4,5

1,6

15,1

Zaanstreek

36,9

7,9

3,9

4,6

4,7

1,5

17,2

Waterland

34,4

8,0

4,0

5,0

5,0

1,7

17,7

Overig Amstel-Meerlanden

36,7

9,7

5,3

5,8

5,9

2,1

16,2

Regio Haarlemmermeer

37,0

12,1

6,2

6,7

6,5

2,3

13,4

Almere

39,2

7,7

3,7

4,3

4,2

1,4

20,4

Lelystad

38,6

9,5

4,1

5,7

5,4

1,7

16,8

* Regeling is nog open. Gegevens deelname sinds de openstelling van de regeling t/m 31 mei 2021. ** Tozo 1 en 2 betreffen cijfers over maart tot en met september 2020. Het CBS typeert deze cijfers als ‘indicatief’. Bron: CBS, RVO, Belastingdienst, UWV, Techleap.nl, Qredits (bewerking TNO)

40

Economische Verkenningen MRA 2021

Economische Verkenningen MRA 2021

41

2 n

n

n

n

n

Bevolking en arbeidsmarkt De coronacrisis heeft de arbeidsmarkt in de MRA iets ruimer gemaakt, maar deze gaat in 2021 weer richting krapte. In het tweede kwartaal van 2021 was de werkloosheid terug op het niveau van eind 2019 (3,2 procent van de beroepsbevolking) en was de vacaturegraad met 39 openstaande vacatures per 1.000 banen hoger dan in 2019. Steeds meer mensen verlaten de MRA om zich elders in Nederland te vestigen en deze groep is groter dan het aantal mensen uit andere Nederlandse regio’s dat zich in de MRA vestigt. Tegelijkertijd neemt het buitenlandse migratiesaldo toe. Beide trends zijn door de coronacrisis enigszins afgeremd, maar zorgen nog altijd voor een veranderende bevolkingssamenstelling van de MRA. De stijging van de bruto-arbeidsparticipatie is door de coronacrisis gestagneerd. In de jaren daarvoor vertraagde de toename van de bruto-arbeidsparticipatie, mede door de Grote Recessie (2008-2013) en de steeds verder oplopende vergrijzing van de Nederlandse (beroeps)bevolking. Als gevolg van de coronacrisis bleven veel jongeren in 2020 studeren in plaats van zich aan te bieden op de arbeidsmarkt. Hierdoor daalde de bruto-arbeidsparticipatie in deze groep met 2 procentpunt ten opzichte van 2019. Het aantal zzp’ers en hun aandeel in de MRA blijven stijgen, ongeacht de economische conjunctuur.

Hun inkomen wordt wel sterk beïnvloed door krimp en groei, waardoor zzp’ers een groot deel van economische schokken opvangen; dit is waarschijnlijk ook van toepassing op de coronacrisis. De stijging van het aandeel zzp’ers is in de MRA groter dan landelijk en dit maakt de economie van de MRA zowel wendbaarder als kwetsbaarder. Economische Verkenningen MRA 2021

43

De economie van de Metropoolregio Amsterdam (MRA) is in 2020 relatief hard geraakt door de coronacrisis. Het bruto regionaal product (brp) kromp in 2020 met 7,1 procent, terwijl dit in 2019 nog groeide met 2,8 procent. De Nederlandse economie kromp in 2020 met 3,8 procent na een groei van 2,0 procent in 2019. Dit laat duidelijk zien dat de economie van de MRA veel harder is geraakt door de coronacrisis dan de landelijke economie. Het soort bedrijvigheid in de MRA (de sectorstructuur) is een belangrijke verklaring voor dit verschil: sectoren als Detailhandel, Vervoer en opslag (luchtvaart), Horeca (toerisme) en Cultuur, sport en recreatie zijn sterk geraakt door de coronacrisis en zijn ook relatief sterk vertegenwoordigd in de MRA (in hoofdstuk 3 gaan we dieper in op de sectorstructuur en de gevolgen van de coronacrisis daarop).

Kader 2.1 Definities arbeidsmarkt Om de ontwikkeling van de beroepsbevolking in beeld te brengen, wordt de totale bevolking in de volgende categorieën ingedeeld, waarbij we internationaal gehanteerde definities volgen: Bevolking alle personen ongeacht leeftijd. Potentiële beroepsbevolking alle personen van 15 tot en met 74 jaar. Beroepsbevolking alle personen van 15 tot en met 74 jaar die werken of officieel werkloos zijn. Bruto-arbeidsparticipatie beroepsbevolking als percentage van de potentiële beroepsbevolking. Brutoparticipatie afkorting van bruto-arbeidsparticipatie; zie hierboven. Werkzame beroepsbevolking alle personen van 15 tot en met 74 jaar die werken, ongeacht de arbeidsduur per week. Werkloze beroepsbevolking alle personen zonder betaald werk, die recent naar werk hebben gezocht en daarvoor direct beschikbaar zijn. Werkloosheid aantal werklozen als percentage van de beroepsbevolking. Niet-actieve bevolking alle personen in de leeftijd van 15 tot en met 74 jaar die niet werken of die officieel werkloos zijn. Overige bevolking personen van 0 tot en met 14 jaar en 75 jaar en ouder. Migratieachtergrond kenmerk dat weergeeft met welk land een persoon verbonden is op basis van het geboorteland van de ouders of van zichzelf.

Westerse migratieachtergrond1 personen met als migratieachtergrond een van de landen in Europa (exclusief Turkije), Noord-Amerika en Oceanië, en Indonesië en Japan. Niet-westerse migratieachtergrond personen met als migratieachtergrond een van de landen in Afrika, Latijns-Amerika en Azië (exclusief Indonesië en Japan) of Turkije.

Als gevolg van de economische krimp daalde in 2020 de vraag naar werkenden en steeg de werkloosheid in de MRA met 10 duizend personen (zie figuur 2.1). Deze stijging zou sterker zijn geweest wanneer er in de coronacrisis geen steunpakketten zouden zijn ingezet

Figuur 2.1 Door de coronacrisis nam het aantal werklozen en niet-actieven toe Omvang MRA in 2020

Verandering 2020

2,5 mln

Inwoners

+18 duizend 1,3 mln

Werkenden

Werklozen

–1 duizend

59 duizend +10 duizend

Niet-actieven

542 duizend +8 duizend

1

 ier wordt gebruikgemaakt van de indeling die het CBS hanteert. Het CBS heroverweegt het gebruik H van de hoofdindeling ‘westers-niet westers’, in lijn met het advies van de WRR hierover, zie Bovens e.a. (2021). De heroverweging van het gebruik van de termen ‘westers/niet-westers’ zal niet op korte termijn leiden tot aanpassing of afschaffing door het CBS van de op dit moment gebruikte begrippen. Voor meer informatie, zie https://www.cbs.nl/nl-nl/ uitgelicht/het-gebruik-van-westers-niet-westersdoor-het-cbs.

44

Economische Verkenningen MRA 2021

Overige bevolking tot 15 jaar Overige bevolking vanaf 75 jaar

390 duizend

188 duizend

–1 duizend

+3 duizend

Bron: CBS (bewerking SEO Economisch Onderzoek)

Economische Verkenningen MRA 2021

45

2.1 Bevolking

om bedrijven te ondersteunen bij het behoud van banen,2 als niet een deel van de werkenden zich had teruggetrokken van de arbeidsmarkt en als niet een deel van de schoolverlaters had besloten om zich (nog) niet aan te bieden op de arbeidsmarkt. Het aantal mensen dat geen betaald werk uitvoert (niet-actieven) is in 2020 dan ook gestegen met 8 duizend (zie figuur 2.1). In 2019 was er nog sprake van een krappe arbeidsmarkt in de regio, hetgeen zich vertaalde in een toename van de arbeidsparticipatie en het aantal werkenden, en een daling van het aantal werklozen en niet-actieven. De economische krimp heeft de arbeidsmarkt tijdelijk iets ruimer gemaakt, maar gaat in 2021 alweer snel richting krapte. In het tweede kwartaal van 2021 was de werkloosheid terug op het niveau van eind 2019 (3,2 procent van de beroepsbevolking) en is de vacaturegraad zelfs hoger dan in 2019 (39 versus 33 openstaande vacatures per 1.000 banen).

Omvang bevolking De bevolking van de MRA groeide ten opzichte van 2019 met iets minder dan 1 procent en bestond in 2020 uit ruim 2,5 miljoen inwoners (zie figuur 2.1). In de MRA woont bijna 15 procent van de totale Nederlandse bevolking. De bevolkingsgroei in de MRA ligt met 0,6 tot 1,0 procent per jaar al sinds 2005 ruim boven de bevolkingsgroei van heel Nederland (0,3 tot 0,7 procent per jaar). De MRA is een aantrekkelijk gebied om zich te vestigen; voor studenten, voor jongvolwassenen die een gezin willen stichten en voor werkenden van binnen en (in recente jaren) ook van buiten Nederland (zie figuur 2.2). Ook voor de komende jaren verwachten het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) dat de bevolking in de MRA sneller toeneemt dan in de rest van Nederland. In die prognose zijn nog geen effecten van de coronacrisis meegenomen, zoals een mogelijk minder grote aantrekkingskracht van stedelijke gebieden (vanwege de bevolkingsdichtheid), het aantrekkelijker worden van gebieden buiten de grote steden door een toename

Dit hoofdstuk beschrijft recente ontwikkelingen op de arbeidsmarkt in termen van werkgelegenheid, arbeidsaanbod en werkloosheid. Daarnaast bespreken we welke segmenten van de arbeidsmarkt (naar geslacht, leeftijd, opleidingsniveau en migratieachtergrond) het meest te lijden hebben gehad onder de coronacrisis.

Tabel 2.1 Bevolkingsgroei MRA naar regio en periode

2

Volgens modelsimulaties van het CPB was de werkloosheid in 2020 zonder de drie grootste steunmaatregelen (NOW, TVL en Tozo) gemiddeld tussen 0,7 en 2 procentpunt (65-180 duizend werklozen) hoger uitgekomen. Zie https://www.cpb.nl/economische-analyse-steunpakket-2020.

46

Economische Verkenningen MRA 2021

2020**

20052008

20092013

20142020

x 1.000

gemiddelde jaarlijkse groei in %

2019

2020

2021*

2022*

Nederland

17.442

0,3

0,4

0,5

0,7

0,6

0,3

0,4

Metropoolregio Amsterdam

2.548

0,6

0,9

0,9

1,0

0,7

1,1

0,8

Amsterdam

873

0,3

1,4

1,2

1,1

0,6

.

.

Amstelland-Meerlanden

355

1,4

0,9

0,9

1,2

1,0

.

.

Zaanstreek-Waterland

340

0,5

0,5

0,9

0,7

0,5

.

.

Almere-Lelystad

293

1,5

1,0

1,1

1,6

1,5

.

.

Gooi en Vechtstreek

258

0,0

0,2

0,7

0,8

0,8

.

.

Zuid-Kennemerland

231

0,1

1,1

0,7

0,8

0,4

.

.

IJmond

199

0,4

0,3

0,4

0,5

0,4

.

.

* Prognose 2021 en 2022, alleen voor de gehele MRA. ** Cijfers betreffen de gemiddelde omvang in 2020 ((omvang 1 januari + omvang 31 december) / 2). NB Door afrondingsverschillen wijkt de som van de delen soms af van het totaal. Bron: CBS (bewerking SEO Economisch Onderzoek)

Economische Verkenningen MRA 2021

47

van thuiswerken of een lagere aantrekkingskracht van steden op internationale werknemers. Als deze effecten zich zouden voordoen, dan zullen die zich voor het grootste deel op de wat langere termijn manifesteren.

de MRA verlaat en dat de (woon)ruimte die daardoor beschikbaar komt niet alleen wordt ingenomen door studenten en werkenden uit andere Nederlandse regio’s, maar steeds vaker door hoogopgeleide, buitenlandse en terugkerende migranten. Voor deze groep lijkt met name Amsterdam en omgeving een relatief aantrekkelijke vestigingsplaats te zijn geworden. Figuur 2.2 laat zien dat deze trend enigszins is afgeremd door de coronacrisis die het buitenlands migratiesaldo liet dalen in 2020; toch is het nog altijd hoger dan in de afgelopen paar decennia. Ook de trend van een afnemend binnenlands migratiesaldo is door de coronacrisis getemperd, maar er vertrekken nog altijd meer mensen uit de MRA naar elders in het land dan dat mensen uit andere Nederlandse regio’s zich in de MRA vestigen.

De grootste bevolkingsgroei binnen de MRA kwam ook in 2020 voor rekening van Almere-Lelystad (1,5 procent; zie tabel 2.1), waar al jaren sprake is van een relatief sterke bevolkingstoename als gevolg van de relatief grote beschikbaarheid van ruimte voor woningbouw. Ook de bevolkingsgroei in Amstelland-Meerlanden (1,0 procent in 2020) is voor een groot deel het gevolg van de relatief grote omvang van de woningbouw. Gooi en Vechtstreek kende in 2020 een hogere bevolkingsgroei dan gemiddeld in de MRA. Alle overige deelregio’s, inclusief Amsterdam, hadden een bevolkingsgroei die rond of onder het landelijk gemiddelde lag. Natuurlijk verloop en migratie De toename van de bevolking bestaat uit het saldo van geboorte en sterfte (natuurlijk verloop) en de saldi van binnenlandse en buitenlandse migratie. Het natuurlijk verloop is al enige decennia een belangrijke, stabiele component in de bevolkingsgroei van de MRA, met sinds 1970 een toename van tussen de 1 en 5 personen per jaar per 1.000 inwoners (zie figuur 2.2). Tot 1996 lag het natuurlijk verloop in de MRA lager dan in de rest van Nederland, maar vanaf 1997 is dit in de MRA groter dan in de rest van Nederland, waar het natuurlijk verloop sterker wordt bepaald door vergrijzing van de bevolking. Jongeren en jonge gezinnen zagen de MRA in toenemende mate als een aantrekkelijke plek om te wonen en te werken.

Voor (afgestudeerde) studenten biedt de MRA voldoende werk, terwijl hoofdzakelijk ouderen en oudere gezinnen de regio verlaten. Dit beeld is geheel in lijn met de mondiale trend van verstedelijking in de jaren negentig van de vorige eeuw en het eerste decennium van de huidige eeuw. De kredietcrisis (2008-2013) lijkt een omslagpunt te zijn geweest voor de bevolkingssamenstelling van de MRA. De laatste paar jaar is het binnenlandse migratiesaldo negatief geworden bij een gelijktijdige (en grotere) toename van het buitenlandse migratiesaldo. Dit laat zien dat een groot deel van de bevolking vanaf de gezinsfase elk jaar 48

Economische Verkenningen MRA 2021

Het hoge aantal buitenlandse migranten wordt vooral gedreven door een grote groei van het aantal migranten uit Europa (met name Polen

Figuur 2.2 Corona zwakte de trends in binnenlands en buitenlands migratiesaldo af

Natuurlijk verloop (geboorte minus sterfte), binnenlands migratiesaldo (saldo verhuizingen MRA met de rest van Nederland) en buitenlands migratiesaldo (saldo verhuizingen MRA met buitenland)* Verandering per 1.000 inwoners

Internationalisering

15

MRA vergroent, Nederland vergrijst

Suburbanisatie 10 5 0 1970

1975

1980

1985

1990

1995

2000

2005

2010

2015

2020

-5 -10 -15 Natuurlijk verloop MRA Natuurlijk verloop NL

Binnenlands migratiesaldo MRA Buitenlands migratiesaldo MRA

* Definitieve realisatiecijfers. Cijfers betreffen het gemiddelde per jaar ((omvang 1 januari + 31 december) / 2). Bron: CBS (bewerking SEO Economisch Onderzoek)

Economische Verkenningen MRA 2021

49

en Turkije), gevolgd door Azië (met name India) en Afrika (met name Marokko). Globalisering, vergrijzing en economische groei bevorderen deze trend, terwijl vraag en aanbod van binnenlandse arbeid steeds minder goed op elkaar aansluiten. Internationale migratie houdt de arbeidsmarkt van de MRA relatief ruim, waardoor de economische mogelijkheden worden vergroot en loonstijgingen worden beperkt. De aantrekkingskracht van de MRA in combinatie met beperkte mogelijkheden om de woonvoorraad uit te breiden, zorgde voor een steeds krappere woningmarkt in de regio. Daardoor zijn de huizenprijzen in de MRA tussen 2014 en 2020 veel sterker gestegen dan in Nederland, zoals in hoofdstuk 4 in detail wordt besproken. De sterke stijging van de huizenprijzen kan een belangrijke reden zijn voor werkenden in andere delen van Nederland om niet te verhuizen naar de MRA en voor inwoners van de MRA om juist naar andere delen van Nederland te verhuizen (zie paragraaf 2.5). Hun werk blijft echter in de MRA, zodat de inkomende pendel toeneemt (zie ook paragraaf 2.5).

2.2 Bruto-arbeidsparticipatie Omvang De bruto-arbeidsparticipatie is de mate waarin mensen deelnemen aan het arbeidsproces of daar actief naar streven, ofwel de mate waarin de potentiële beroepsbevolking zich aanbiedt op de arbeidsmarkt.3 De potentiële beroepsbevolking is de bevolking tussen 15 jaar en de pensioengerechtigde leeftijd, maar omdat de pensioengerechtigde leeftijd steeds verder oploopt, wordt de potentiële beroepsbevolking internationaal gemakshalve aangeduid met de bevolking van 15 tot en met 74 jaar. Het deel van de potentiële beroepsbevolking dat niet actief is op de arbeidsmarkt – dat wil zeggen geen betaald werk verricht en daar niet actief naar op zoek is – wordt aangeduid met de term ‘niet-actieven’ (zie kader 2.1 voor een overzicht van definities). In 2020 bedroeg de bruto-arbeidsparticipatie in de MRA 72,1 procent van de bevolking van 15 tot en met 74 jaar (zie figuur 2.3); dit is gelijk aan de brutoparticipatie in 2019. Dat betekent dat de verhouding tussen het aantal actieven en niet-actieven op de arbeidsmarkt tussen 2019 en 2020 gelijk is gebleven. De groei van het aantal actieven is gelijk aan het saldo van een daling van het aantal werkenden met 1 duizend plus een groei van het aantal werklozen met 10 duizend. Tegelijkertijd groeide het aantal niet-actieven met 8 duizend. Figuur 2.1 toont deze ontwikkeling.

Het gaat hierbij steeds om personen die in de MRA wonen. Werkenden hebben minimaal 1 uur per week betaald werk, binnen of buiten de MRA. Omdat de potentiële beroepsbevolking (15 tot en met 74 jaar) ruimer is gedefinieerd dan de bevolking tot de pensioengerechtigde leeftijd (15 tot en met ongeveer 67 jaar), is de maximaal te bereiken bruto-arbeidsparticipatie in de ‘potentiële’ beroepsbevolking lager dan 100 procent (onder de veronderstelling dat mensen boven de pensioengerechtigde leeftijd niet allemaal meer volledig inzetbaar zijn op de arbeidsmarkt).

3

50

Economische Verkenningen MRA 2021

De bruto-arbeidsparticipatie betreft het al dan niet participeren van personen op de arbeidsmarkt, niet het aantal uren dat zij werken. Die deeltijdfactor ligt in Nederland internationaal gezien op een relatief laag niveau en neemt nog altijd verder af.

Economische Verkenningen MRA 2021

51

De ruimte voor de inzet van extra arbeid is daarmee kleiner dan dat de bruto-arbeidsparticipatie van 72,1 procent suggereert. Die ruimte wordt in de loop van de tijd kleiner doordat de bevolking verder vergrijst en een steeds groter deel van de bevolking zich tussen de pensioengerechtigde leeftijd en de leeftijd van 74 jaar bevindt. Daar staat tegenover dat deze groep gemiddeld steeds gezonder wordt en daarmee gemakkelijker inzetbaar blijft.

(beroeps)bevolking. Daardoor maakt de groep ouderen met een gemiddeld lagere arbeidsparticipatie een steeds groter deel uit van de potentiële beroepsbevolking. Als gevolg van de coronacrisis is de stijging van de bruto-arbeidsparticipatie tot staan gebracht, zowel in de MRA als in Nederland (zie figuur 2.3).4 Figuur 2.4 laat zien dat zowel voor als na de kredietcrisis (2009-2013) het aantal werkenden in de MRA sterker toenam dan de omvang van de potentiële beroepsbevolking.5 Hierdoor neemt de brutoarbeidsparticipatie toe. Tijdens en na de kredietcrisis is er sprake van een lagere toename van de beroepsbevolking dan van de potentiële beroepsbevolking. Het verschil is echter te klein om te zorgen voor een daling van de bruto-arbeidsparticipatie. Sinds 2009 behoren van elke 100 extra personen in de potentiële beroepsbevolking er steeds meer dan 70 tot de (werkzame of werkloze) beroepsbevolking. In het jaar 2020 is de bruto-arbeidsparticipatie gelijk gebleven, omdat de groei van het aantal werkenden en werklozen samen ongeveer gelijk was aan 70 procent van de groei van de potentiële beroepsbevolking. Bij een constante brutoparticipatie betekent bevolkingsgroei ook een toename van het aantal niet-inactieven, zoals blijkt uit figuur 2.4.

Ontwikkeling De stijging van de bruto-arbeidsparticipatie wordt al sinds de jaren zestig van de vorige eeuw grotendeels veroorzaakt door de toenemende arbeidsparticipatie van vrouwen, een ontwikkeling die nog altijd gaande is en wordt bevorderd door de groeiende mogelijkheden om in deeltijd te werken. Sinds 1995 werden de mogelijkheden om vervroegd met pensioen te gaan sterk afgebouwd, waardoor de bruto-arbeidsparticipatie vooral onder 55-plussers verder toenam. De laatste jaren is de toename van de brutoarbeidsparticipatie vertraagd, mede door de kredietcrisis (20092013) en de steeds verder oplopende vergrijzing van de Nederlandse

Wat wellicht minder duidelijk zichtbaar is in figuur 2.3, is dat de bruto-arbeidsparticipatie zich in de MRA – en in de stad Amsterdam in het bijzonder – sinds 1995 sterker ontwikkelde dan de brutoarbeidsparticipatie in de rest van Nederland. Dit heeft verschillende oorzaken. De belangrijkste is dat de economie van Amsterdam en die van de MRA sinds 1995 sterker groeiden dan de economie van de

Figuur 2.3 Steeds minder rek in groei bruto-arbeidsparticipatie Bruto-arbeidsparticipatie in %

95 90 85 80 75 70

60 55 50 45 1996 MRA

2000

2005

Amsterdam

Nederland

2010

2015

Bron: CBS (bewerking SEO Economisch Onderzoek)

52

In deze Economische Verkenningen Metropoolregio Amsterdam zijn gegevens over bruto-arbeidsparticipatie en werkloosheid van de periode 2003-2020 aangevuld met gegevens van de periode 1995-2012. Deze cijfers van een eerdere periode hebben een andere definitie, namelijk de bevolking van 15 tot en met 64 jaar met betaald werk van meer dan 12 uur per week. De huidige definitie is ruimer, namelijk de bevolking van 15 tot en met 74 jaar met betaald werk van meer dan 1 uur per week. Voor de potentiële beroepsbevolking, beroepsbevolking, werkzame beroepsbevolking en werkloosheid zijn de gegevens vóór 2003 gecorrigeerd voor deze breuk, zodat een aansluitende tijdreeks voor de periode 1995-2020 is verkregen. 5 Ter herinnering: de potentiële beroepsbevolking omvat iedereen in de leeftijd van 15 tot en met 74 jaar die werkt (werkzame beroepsbevolking), werkloos is (werkloze beroepsbevolking) of niet participeert op de arbeidsmarkt (niet-actieve beroepsbevolking). Het verschil tussen de potentiële beroepsbevolking en de beroepsbevolking is het aantal niet-actieven; het verschil tussen de beroepsbevolking en de werkende beroepsbevolking is het aantal werklozen. Zie kader 2.1 voor een overzicht van definities. 4

65

Economische Verkenningen MRA 2021

2020

Economische Verkenningen MRA 2021

53

van arbeidsparticipatie wordt gevonden bij de groep 25- tot 45-jarigen (88 procent in 2020). Bij jongeren onder de 25 jaar is de gemiddelde bruto-arbeidsparticipatie met 64 procent in 2020 nog altijd hoger dan bij de oudste leeftijdsgroep, ondanks het feit dat een groot deel van de jongeren nog actief is in het initieel onderwijs. Als gevolg van de coronacrisis hebben jongeren in 2020 er vaker voor gekozen om door te studeren in plaats van zich aan te bieden op de arbeidsmarkt, waardoor de bruto-arbeidsparticipatie in deze groep ten opzichte van 2019 met 2 procentpunt daalde.

rest van Nederland, als gevolg van een concentratie van economische activiteiten. Daardoor werden de stad en de regio aantrekkelijker voor werkenden, ook om in te wonen. Dit is terug te zien in de leeftijdsopbouw van de bevolking in de MRA, die gemiddeld jonger werd in vergelijking met de bevolking in de rest van Nederland. Door deze ontwikkelingen had ook de vergrijzing minder invloed op de bruto-arbeidsparticipatie in de MRA in vergelijking met die in de rest van Nederland. Arbeidsparticipatie naar leeftijd en geslacht De bruto-arbeidsparticipatie ligt in de oudste leeftijdsgroep (45 tot en met 74 jaar) het laagst (62 procent in 2020), waardoor de gemiddelde arbeidsparticipatie lager zou worden bij een toename van het aandeel ouderen in de potentiële beroepsbevolking (vergrijzing). Zoals figuur 2.5 laat zien, wordt die ontwikkeling gecompenseerd door een toename van de arbeidsparticipatie sinds 2003 in alle onderscheiden leeftijdscategorieën. De sterkste groei in bruto-arbeidsparticipatie vindt bovendien plaats in de oudste leeftijdsgroep. Het hoogste niveau

Figuur 2.4 Werkzame beroepsbevolking groeit sneller dan de potentiële beroepsbevolking

Het verschil in bruto-arbeidsparticipatie tussen mannen en vrouwen is in de afgelopen jaren langzaam kleiner geworden. Bedroeg de bruto-arbeidsparticipatie in 2003 nog 75 procent voor mannen en 61 procent voor vrouwen, in 2020 liep deze op tot respectievelijk 76 en 68 procent. Vanaf het uitbreken van de kredietcrisis werd het tempo van de toename van de arbeidsparticipatie van vrouwen (ten opzichte van mannen) wel trager.

Figuur 2.5 Bruto-arbeidsparticipatie in MRA daalde in 2020 alleen onder jongeren tot 24 jaar Bruto-arbeidsparticipatie in %

Gemiddelde jaarlijkse verandering x 1.000 personen

95

25 20

85

15 75

10 5

65

0

55

-5 45

-10 1996-2002

2003-2008

2009-2013

Potentiële beroepsbevolking

Beroepsbevolking

Niet-actieven

Werkzame beroepsbevolking

2014-2020

2003

2005

Totaal

2010 15-24-jarigen

25-44-jarigen

2015

2020

45-75-jarigen

Bron: CBS (bewerking SEO Economisch Onderzoek) Bron: CBS (bewerking SEO Economisch Onderzoek)

54

Economische Verkenningen MRA 2021

Economische Verkenningen MRA 2021

55

delde opleidingsniveau toeneemt (ieder jaar komen er relatief meer hoogopgeleide jongeren bij). Deze trend is in Amsterdam nog sterker zichtbaar dan in de MRA als geheel.

Arbeidsparticipatie naar opleidingsniveau Hoewel de bruto-arbeidsparticipatie in de MRA sinds 2003 voor zowel laag-, middelbaar als hoogopgeleiden redelijk constant is gebleven, nam de totale arbeidsparticipatie toch toe. Dit kan worden verklaard door het aandeel hoogopgeleiden dat in zijn totaal steeds groter wordt, ten koste van het aandeel laagopgeleiden (zie figuur 2.6). Hoogopgeleiden kennen gemiddeld een hogere bruto-arbeidsparticipatie (85 procent in 2020) dan middelbaar opgeleiden (73 procent in 2020) en laagopgeleiden (50 procent in 2020; zie tabel 2.2). In 1995 was de beroepsbevolking van de MRA nog overwegend middelbaar opgeleid (44 procent van de beroepsbevolking), laagopgeleiden volgden met 32 procent en hoogopgeleiden maakten 24 procent uit van de beroepsbevolking. In 2020 bestond de beroepsbevolking van de MRA voor bijna de helft uit hoogopgeleiden. Het aandeel middelbaar opgeleiden was afgenomen naar 34 procent; het aandeel laagopgeleiden naar 17 procent. Laagopgeleiden zijn relatief sterk vertegenwoordigd in de oudste leeftijdscategorie, omdat met elke generatie het gemid-

Arbeidsparticipatie naar migratieachtergrond6 De bruto-arbeidsparticipatie van inwoners van de MRA met een niet-westerse migratieachtergrond ligt enkele procentpunten lager dan die van inwoners zonder migratieachtergrond: 69 versus 73 procent in 2020 (zie figuur 2.7). Dit verschil werd tussen 2003 en 2020 kleiner (61 versus 69 procent in 2003). Tegelijkertijd valt op dat de bruto-arbeidsparticipatie van inwoners met een niet-westerse migratieachtergrond in tegenstelling tot die van andere inwoners van de MRA, vanaf 2013 substantieel daalde en pas vanaf 2017 weer meestijgt met die van de rest van de beroepsbevolking. De brutoarbeidsparticipatie van inwoners van de MRA met een westerse migratieachtergrond ligt juist hoger dan die van inwoners zonder migratieachtergrond (75 versus 73 procent in 2020). Voor deze groep geldt dat ze relatief gemakkelijk ons land kunnen binnenkomen en verlaten7, waardoor een bepaald deel van deze groep specifiek voor werk naar de regio komt. Dit zorgt ervoor dat de arbeidsparticipatie in deze groep relatief hoog ligt. Een vergelijking tussen de drie groepen laat zien dat de kredietcrisis (2009-2013) een grotere impact had op inwoners met een niet-westerse of westerse migratieachtergrond dan op inwoners zonder migratieachtergrond.

Dit betekent dat inwoners met een migratieachtergrond over het algemeen een minder gunstige positie op de arbeidsmarkt hebben in tijden van laagconjunctuur. Des te opvallender is het dat de bruto-arbeidsparticipatie van inwoners van de MRA met een niet-westerse migratieachtergrond als enige van deze drie groepen steeg in 2020. De coronacrisis lijkt daarmee weinig invloed te hebben op de inhaalslag die niet-westerse arbeidsmigranten sinds de kredietcrisis aan het maken zijn ten aanzien

Figuur 2.6 De beroepsbevolking van de MRA is steeds hoger opgeleid 70

Aandeel beroepsbevolking in %

60 50 40 30 20 10 0 1996

2000

2005

Hoogopgeleid Hoogopgeleid Amsterdam

2010

2015

Laagopgeleid Middelbaar opgeleid

Bron: CBS (bewerking SEO Economisch Onderzoek)

56

Economische Verkenningen MRA 2021

2020

Zie voetnoot 1 voor een toelichting op het gebruik van het onderscheid tussen westerse en niet-westerse migratieachtergrond. 7 Voor werknemers uit de Europese Unie (EU) geldt vrij verkeer van personen. Daarnaast zijn er verschillende specifieke bilaterale verdragen met Japan, de Verenigde Staten en bijvoorbeeld Turkije over de toelating en het verblijf in Nederland (respectievelijk Handels-, Vriendschap- en Associatieverdragen). Voor kenniswerkers van buiten de EU geldt de Kennismigrantenregeling die immigratie relatief gemakkelijk en efficiënt maakt. 6

Economische Verkenningen MRA 2021

57

van hun bruto-arbeidsparticipatie. Deze participatie ligt onder inwoners met een migratieachtergrond in de MRA bovendien al hoger dan landelijk: van inwoners met een niet-westerse migratieachtergrond is de bruto-arbeidsparticipatie 69 procent in de MRA versus 67 procent landelijk, van inwoners met een westerse migratieachtergrond is deze 75 procent in de MRA versus 71 procent landelijk (zie tabel 2.2). De MRA biedt in tijden van hoogconjunctuur relatief goede kansen voor mensen uit alle delen van de wereld, al blijft de positie van mensen met een migratieachtergrond in tijden van langdurige laagconjunctuur kwetsbaar.

sterkere groei dan landelijk, waar dit aandeel in 2019 uitkwam op 7,4 procent. Amsterdam kent binnen de MRA tussen 2007 en 2019 zowel het hoogste aandeel zzp’ers als de sterkste toename van dit aandeel. Inmiddels werkt bijna 11 procent van de potentiële beroepsbevolking in Amsterdam als zzp’er. De toename van het aantal zzp’ers lijkt nauwelijks te worden beïnvloed door de economische conjunctuur. Zowel tijdens de kredietcrisis (2009-2013) als in de jaren van economische voorspoed die daarop volgden, is het aandeel zzp’ers in ongeveer hetzelfde tempo gegroeid, zowel in de MRA als landelijk (met uitzondering van een lichte dip in 2010). Gedurende de kredietcrisis werd het zelfstandig ondernemerschap bij een dalend aantal banen vaak gezien als alternatief voor het werknemerschap. Voor en na de kredietcrisis bood het zelfstandig ondernemerschap voor veel werkenden grote mogelijkheden om meer invloed te kunnen uitoefenen op werkzaamheden en inkomen. Voor een ander deel

Zelfstandigen zonder personeel De werkende beroepsbevolking in de MRA bestaat in toenemende mate uit zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers). Uitgedrukt in een percentage van de potentiële beroepsbevolking (bevolking van 15 tot en met 74 jaar) is dat aandeel tussen 2007 en 2019 toegenomen van 6,0 naar 9,1 procent (zie figuur 2.8). Dit is een

Tabel 2.2 Bruto-participatie, werkloosheid en niet-actieven naar achtergrondkenmerken, 2020 Brutoparticipatie MRA

Figuur 2.7 Arbeidsparticipatie niet-westerse inwoners MRA is bezig met een inhaalslag Bruto-arbeidsparticipatie in %

Nederland

%

Werkloosheid Niet-actieven MRA Nederland %

MRA

Werklozen MRA

x 1.000

Totaal

72

71

4,2

3,8

542

59

Laagopgeleiden

50

51

7,0

6,8

231

16

Middelbaar opgeleiden

73

74

3,8

3,7

181

18

Hoogopgeleiden

85

84

2,2

2,6

117

15

70

Nederlandse achtergrond

73

72

2,7

3,0

323

23

65

Niet-westerse achtergrond

69

67

6,8

8,2

137

21

60

Westerse achtergrond

75

71

2,8

4,7

72

6

50

Mannen

76

75

4,0

3,7

227

29

45

Vrouwen

68

67

4,1

4,0

313

27

15-24-jarigen

64

69

8,7

9,1

100

17

25-44-jarigen

88

88

3,3

3,3

84

21

45-74-jarigen

62

61

2,1

2,4

354

12

95 90 85 80 75

55

2003

2005

2010

Niet-westerse achtergrond

2015 Westerse achtergrond

Nederlandse achtergrond

NB Door afrondingsverschillen wijkt de som van de delen soms af van het totaal. Bron: CBS (bewerking SEO Economisch Onderzoek)

Bron: CBS (bewerking SEO Economisch Onderzoek)

58

2020

Economische Verkenningen MRA 2021

Economische Verkenningen MRA 2021

59

werd zelfstandig ondernemerschap gestimuleerd door werkgevers die via het opdrachtgeverschap de risico’s op vraaguitval, ziekte en arbeidsongeschiktheid meer bij de werkende konden leggen.

ondernemerschap verdienen. Daarmee vangen zzp’ers een groot deel van de klappen van een economische crisis op. Dit zal naar verwachting niet anders zijn tijdens de coronacrisis, maar hier zijn nog geen gegevens over bekend. Een groter aandeel zzp’ers maakt de regionale economie veerkrachtig: de inzet van arbeid is snel aan te passen aan de vraag en zzp’ers weten na een crisis doorgaans ook snel weer meer werk en inkomen te vergaren. Dat gaat wel ten koste van het inkomen en de sociaaleconomische situatie van de zzp’ers. Vooral degenen met beperkte inkomsten uit het zzp-schap kunnen teruglopende inkomsten in laagconjunctuur minder gemakkelijk opvangen. Dat maakt een regionale economie met relatief veel zzp’ers ook kwetsbaar.

Tijdens de kredietcrisis waren het vooral de individuele inkomsten uit het zelfstandig ondernemerschap die terugliepen. Het mediane inkomen8 dat zzp’ers met hun activiteiten verdienen, daalde sterk in zowel 2009 – na de eerste economische dip eind 2008 – als in de periode 2012-2013, na de tweede economische dip in 2012 (zie figuur 2.9). Vanaf 2014 is er juist sprake van een sterke ontwikkeling van het mediane inkomen uit zelfstandig ondernemerschap. De economische conjunctuur heeft dus niet zozeer invloed op het aantal zzp’ers, maar des te meer op het inkomen dat zij met hun zelfstandig

In de MRA – en met name in Amsterdam – spelen deze wendbaarheid én kwetsbaarheid sterker dan landelijk, omdat het aandeel zzp’ers daar groter is. Daarnaast werken zzp’ers in de MRA gedeeltelijk in andere sectoren dan landelijk, waardoor de gevolgen voor de werkgelegenheid en het inkomen voor deze groep anders zijn. Tabel

Figuur 2.8 Het aandeel zzp’ers in de MRA, met name in Amsterdam, stijgt sterker dan landelijk Aandeel zzp'ers in %

12

10

Figuur 2.9 Inkomen zelfstandigen daalt in laagconjunctuur en stijgt in hoogconjunctuur Mediane inkomen zzp'ers x 1.000 euro

8

32 30

6

28 26

4 2007 MRA

2009 Amsterdam

2011

2013

2015

2017

Nederland

2019

24 22 20

Bron: CBS (bewerking SEO Economisch Onderzoek)

18 16

8

 et mediane inkomen is het inkomen waarbij de ene helft van de populatie minder verdient en de H andere helft meer. Dit is een betere indicator van de inkomensontwikkeling dan het gemiddelde, omdat het gemiddelde inkomen veel sterker wordt beïnvloed door de hoogste inkomens, waardoor dat gemiddelde verhoudingsgewijs meer zegt over de hoge inkomens dan over de lage inkomens in de populatie.

60

Economische Verkenningen MRA 2021

2007

2009

MRA

Amsterdam

2011

2013

2015

2017

2019

Nederland

Bron: CBS (bewerking SEO Economisch Onderzoek)

Economische Verkenningen MRA 2021

61

2.3 Werkloosheid

2.3 vergelijkt de verdeling van zzp’ers over sectoren tussen de MRA, Amsterdam en Nederland. In de MRA werkt meer dan een derde van alle zzp’ers in de Specialistische zakelijke diensten en in Cultuur, sport en recreatie. Deze twee sectoren zijn sterk geraakt door de coronacrisis. De gevolgen van de coronacrisis voor de sector Cultuur, sport en recreatie worden vooral gevoeld in Amsterdam, waar deze sector relatief groot is en een relatief groot aandeel zzp’ers kent.

Mensen zijn officieel werkloos als ze zonder betaald werk zitten, recent naar werk hebben gezocht en direct voor werk beschikbaar zijn. Als gevolg van de coronacrisis nam de werkloosheid na een jarenlange daling in 2020 weer toe. In de MRA gaat het om een stijging van 49 naar 59 duizend inwoners die werkloos zijn. Daarmee is het werkloosheidspercentage toegenomen van 3,6 procent naar 4,2 procent van de totale beroepsbevolking (werkenden en werklozen samen). Inmiddels is duidelijk dat de toename van de werkloosheid tijdelijk was en het werkloosheidspercentage in 2021 terugveert naar het oude niveau van 2019: landelijk van 4,5 procent in juli 2020 naar 3,1 procent in juli 2021. Daarmee ligt de werkloosheid, ondanks de coronacrisis, maar net boven het lage niveau van 2001 (3,0 procent). Destijds was de bruto-arbeidsparticipatie substantieel lager en waren er dus meer mensen in potentie beschikbaar voor de arbeidsmarkt dan nu. Ook vlak voor de coronacrisis was de schaarste aan personeel al in verschillende sectoren van de MRA voelbaar en leidde deze tot een toename van het woon-werkverkeer (zie paragraaf 2.5), een groei van

Tabel 2.3 Aandeel zzp’ers in MRA, Amsterdam en Nederland per sector, 2019 MRA

Amsterdam

Nederland

aandeel in % Zakelijke diensten

27,7

30,2

21,8

Bouw

11,7

6,7

14,5

Cultuur, sport en recreatie

8,6

14,0

5,0

Zorg

8,5

7,5

10,5

Groot- en detailhandel

7,4

5,9

9,0

Informatie en communicatie

6,7

8,4

4,2

Financiële diensten

5,4

4,4

5,4

Onderwijs

5,0

5,3

4,4

Overige diensten

4,9

3,7

6,0

Overige zakelijke diensten

4,6

3,9

4,0

Vervoer en opslag

4,3

5,4

2,8

Industrie

2,3

1,8

3,1

Horeca

2,1

2,3

2,0

Landbouw

1,0

0,1

6,4

Overige sectoren

1,0

0,8

1,1

Bron: CBS (bewerking SEO Economisch Onderzoek)

62

Figuur 2.10 Werkloosheid nam in 2020 toe in zowel de MRA als Nederland Werkloosheid in %

14 12 10 8 6 4 2 0 1995 MRA

2000

2005

Amsterdam

Nederland

2010

2015

2020

Bron: CBS (bewerking SEO Economisch Onderzoek)

Economische Verkenningen MRA 2021

Economische Verkenningen MRA 2021

63

de buitenlandse migratie (zie paragraaf 2.1) en een verhoging van de arbeidsparticipatie (zie paragraaf 2.2). In 2020 gold dit nog altijd voor verschillende sectoren zoals Informatie en communicatie, (technische) Industrie en Zorg, maar deze ontwikkeling werd verhuld doordat andere sectoren sterk werden geraakt door de coronacrisis. Nu de economie snel herstelt, daalt de werkloosheid in rap tempo en wordt de schaarste op de arbeidsmarkt opnieuw zichtbaar. Figuur 2.10 laat zien dat het werkloosheidspercentage sterk meebeweegt met de conjunctuur. De langdurige periode van hoogconjunctuur sinds het begin van de jaren negentig van de vorige eeuw zorgde voor een sterke daling van de werkloosheid, totdat begin van deze eeuw het knappen van de internetbubbel tot stagnatie en stijgende werkloosheid leidde. Vanaf 2005 was er weer sprake van een flinke economische groei en een dalend werkloosheidspercentage. Hieraan kwam een einde met het ontstaan van de kredietcrisis vanaf 2008. Sinds 2014 is er weer sprake van een afname van de werkloosheid. Ook deze daling kwam ten einde, dit keer als gevolg van de economische neergang tijdens de coronacrisis in 2020; deze lijkt echter vooralsnog van tijdelijke duur te zijn geweest.

Werkloosheid naar leeftijd en geslacht Het werkloosheidspercentage van 4,2 procent in de MRA in 2020 is het gemiddelde van drie groepen: het werkloosheidspercentage van 8,7 procent voor de groep jongeren tot 25 jaar, de veel lagere werkloosheidspercentages voor de leeftijdsgroep 25 tot en met 44 jaar (3,3 procent) en tot slot de leeftijdsgroep 45 tot en met 74 jaar (2,1 procent; zie tabel 2.2). Vergeleken met 2019 is de werkloosheid onder jongeren in 2020 sterk gestegen (deze was 5,0 procent) en die van ouderen juist gedaald (deze was 2,5 procent). Dit laat zien dat de coronacrisis vooral de nieuwe instroom op de arbeidsmarkt raakte. Het ontstaan van nieuwe banen bleef achter bij het opheffen van oude banen, vooral in sectoren die sterk zijn geraakt door de coronacrisis (Horeca, Cultuur, sport en recreatie en Detailhandel) en waar relatief veel jongeren werken. Voor jongeren geldt sowieso dat zij vaak nog in een overgang zitten van de opleiding via ‘startbanen’ naar ‘hartbanen’, en de nodige werkervaring missen. Vooral voor jongeren zonder startkwalificatie is werkervaring belangrijk om het ontbreken van diploma’s te compenseren. Bij de oudere leeftijdsgroepen 64

Economische Verkenningen MRA 2021

laat het werkloosheidspercentage van minder dan 3 procent zien dat er vooral sprake is van frictiewerkloosheid en nauwelijks van structurele werkloosheid, een teken dat de arbeidsmarkt in de MRA ook in 2020 nog behoorlijk krap was. In vergelijking met de rest van Nederland liggen de werkloosheidspercentages in de MRA voor alle leeftijdsgroepen lager. Uit een vergelijking tussen mannen en vrouwen blijkt dat het werkloosheidspercentage onder vrouwen in 2020 sterker is gestegen dan onder mannen, omdat vrouwen vaker in tijdelijke functies werkzaam zijn en oververtegenwoordigd zijn in sectoren die sterker zijn geraakt door de coronacrisis. Werkloosheid naar opleidingsniveau Er zijn grote verschillen in werkloosheidspercentages naar opleidingsniveau. Deze verschillen worden sterk beïnvloed door conjuncturele ontwikkelingen. Figuur 2.11 laat zien dat laagopgeleiden met betrekking tot werkloosheid veel meer te lijden hebben onder perioden van economische neergang dan middelbaar opgeleiden. Laatstgenoemden hebben hier weer meer onder te lijden dan hoogopgeleiden. Onder Figuur 2.11 Werkloosheid laagopgeleiden varieert sterker met conjunctuur Werkloosheid in %

20

15

10

5

0 2003

2005

2010

Laagopgeleid Laagopgeleid Amsterdam

2015

2020

Middelbaar opgeleid Hoogopgeleid

Bron: CBS (bewerking SEO Economisch Onderzoek)

Economische Verkenningen MRA 2021

65

deze laatste groep is het werkloosheidspercentage in de MRA sinds 2003 redelijk stabiel, namelijk rond 2,5 procent (dit varieert tussen 1,4 procent in 2008 en 3,7 procent in 2013). Voor de groep laagopgeleiden in de MRA varieerde in dezelfde periode het werkloosheidspercentage tussen 5,6 procent in 2008 en 12,6 procent in 2014. Voor laagopgeleiden in Amsterdam was dit respectievelijk 9,1 procent in 2008 en 19,4 procent in 2013. In tijden van economische neergang wordt als eerste afscheid genomen van tijdelijk en gemakkelijk te vervangen personeel. In perioden van economische groei vindt deze groep ook weer snel de weg terug naar de arbeidsmarkt. Zo lag het werkloosheidspercentage onder laag- en middelbaar opgeleiden in 2019 vrijwel op hetzelfde niveau als voor de kredietcrisis in 2008. De tijdelijke groei van de werkloosheid in 2020 als gevolg van de coronacrisis betreft weer vooral de laagopgeleiden. Als gevolg van de flexibilisering van de arbeidsmarkt, zal een steeds grotere groep werkenden (werknemers en zelfstandigen) te maken krijgen met de gevolgen van conjuncturele golfbewegingen. Vooral laag- en middelbaar opgeleiden vormen zo een flexibel reservoir van arbeid om conjuncturele schokken op te vangen. Hierdoor zorgen zij voor een sterke veerkracht van de regionale economie.

Dat is ook terug te zien in de gevolgen van de coronacrisis: de werkloosheid onder deze groepen nam eerst relatief snel toe maar daalde ook weer snel toen het economische herstel inzette nadat de pandemie in Nederland enigszins ging luwen. Werkloosheid naar migratieachtergrond Opgedeeld naar migratieachtergrond, kennen inwoners van de MRA met een niet-westerse migratieachtergrond de hoogste werkloosheid (6,8 procent in 2020), meer dan twee keer hoger dan onder inwoners zonder migratieachtergrond (2,7 procent in 2020) of met een westerse migratieachtergrond (2,8 procent in 2020; zie tabel 2.2). Verschillen worden vooral veroorzaakt door het opleidingsniveau en het feit dat werkenden met een westerse migratieachtergrond vaak specifiek en uitsluitend naar Nederland komen voor werk. Van de drie groepen nam de werkloosheid tijdens de coronacrisis overigens het sterkst toe bij inwoners met een westerse migratieachtergrond. In vergelijking met de rest van Nederland zijn de werkloosheidspercentages in de MRA onder alle herkomstgroepen lager. Dit geldt in het bijzonder voor mensen met een westerse migratieachtergrond (2,8 versus 4,7 procent in 2020), waar de MRA een relatief sterke aantrekkingskracht op lijkt te hebben. 66

Economische Verkenningen MRA 2021

Ontwikkelingen op korte termijn De coronacrisis heeft in 2020 een zware wissel getrokken op de economische groei van Nederland en op die van de MRA in het bijzonder. Vooral de lockdown in het voorjaar van 2020 heeft gezorgd voor een uitval van aanbod van producten en diensten, waarna door dalende inkomsten ook de vraag naar producten en diensten afnam. Het Centraal Planbureau (CPB) voorspelde in de Macro Economische Verkenning 2021 een krimp van de economie van 5,0 procent in 2020 en een toename van de werkloosheid tot 3,6 procent. Beide voorspellingen zijn bij benadering uitgekomen. Die relatief geringe stijging van de werkloosheid op korte termijn werd door het CPB toegeschreven aan enerzijds de steunmaatregelen van de regering (die vooral werknemers met een vast contract op korte termijn beschermden tegen baan- en inkomensverlies) en anderzijds aan het zich niet langer aanbieden op de arbeidsmarkt van voornamelijk flexibele werknemers die werkloos zijn geworden vanwege de slechte vooruitzichten op een baan op korte termijn. Dat blijkt in de praktijk ook het geval. Het aandeel niet-actieven in de potentiële beroepsbevolking nam immers toe (zie figuur 2.1). Daardoor daalde het arbeidsaanbod gedeeltelijk mee met het aantal banen.

De MRA is in vergelijking met de rest van Nederland relatief zwaar getroffen door de coronacrisis, omdat het aandeel van de private dienstverlening (met name Specialistische zakelijke diensten, Detailhandel, Vervoer en opslag (luchtvaart), Horeca (toerisme) en Cultuur, sport en recreatie) daar aanzienlijk sterker is vertegenwoordigd dan landelijk. De private dienstverlening heeft relatief veel hinder ondervonden van de contactbeperkende maatregelen en vraaguitval. Dat geldt natuurlijk vooral in de regio’s binnen de MRA waar de betreffende sectoren groter zijn, zoals Amsterdam en Amstelland-Meerlanden (Schiphol). In deze sectoren werken bovendien meer mensen uit relatief kwetsbare groepen, zoals laagopgeleiden, jongeren, migranten, mensen met een tijdelijk contract en zzp’ers. Deze groepen hebben relatief weinig gebruik kunnen maken van de steunmaatregelen van de regering, hebben minder werkzekerheid en zijn vaak afhankelijk van nieuwe vacatures en nieuwe opdrachten die gedurende de coronacrisis minder voorhanden zijn. Daardoor zijn de gevolgen voor de werkgelegenheid sneller zichtbaar geworden in de MRA dan landelijk, met een sneller Economische Verkenningen MRA 2021

67

2.4 Veranderingen in het arbeidsaanbod

stijgende werkloosheid, lagere inkomens en een sneller krimpende beroepsbevolking als gevolg. Omdat deze groepen bij herstel van de economie vaak langer dan gemiddeld zoeken naar werk, moet er ook rekening mee worden gehouden dat de daling van de werkloosheid en de economische groei in de MRA trager kan verlopen dan landelijk.

In 2020 is de beroepsbevolking in de MRA, en daarmee het arbeidsaanbod, met 9 duizend personen afgenomen tot onder de 1,4 miljoen personen. Daarmee reageert het arbeidsaanbod op de teruggelopen arbeidsvraag als gevolg van de coronacrisis. Tabel 2.4 laat zien hoe het arbeidsaanbod is verdeeld over laag-, middelbaar en hoogopgeleiden. Het arbeidsaanbod maakt 72 procent uit van de totale potentiële beroepsbevolking, bij laagopgeleiden is dat ongeveer 50 procent en bij hoogopgeleiden 85 procent. Dat betekent dat de helft van alle laagopgeleiden niet-actief is op de arbeidsmarkt van de MRA. Bij middelbaar opgeleiden is dat ruim 25 procent, bij hoogopgeleiden 15 procent. ‘Niet-actief’ heeft alleen betrekking op betaald werk, omdat een deel van de groep niet-actieven wel degelijk actief kan zijn door bijvoorbeeld een opleiding te volgen, vrijwilligerswerk te doen of mantelzorg te bieden. Een deel van deze groep heeft weinig kansen op de arbeidsmarkt door gebrek aan kennis of vaardigheden (mismatch) of is ontmoedigd om arbeid aan te bieden door eerdere negatieve ervaringen. De groep laagopgeleiden heeft het grootste onbenutte arbeidspotentieel, maar kent ook het hoogste

Voor de langere termijn zijn economische ontwikkelingen afhankelijk van de ernst van vervolggolven van de coronapandemie en de maatregelen die worden genomen om verdere besmettingen te voorkomen. Als gevolg van de tweede golf voorspelde het CPB (2020) een economische krimp die zou kunnen oplopen tot 3 procent in 2021, en een stijging van de werkloosheid tot 10 procent van de beroepsbevolking. Die voorspellingen komen bij lange na niet uit nu de economie snel herstelt en de werkloosheid sterk terugloopt. Toch blijft er ondanks een breed vaccinatieprogramma onzekerheid over het vervolg van de pandemie en de gevolgen voor de (wereld)economie.

Tabel 2.4 Opbouw arbeidsaanbod naar opleidingsniveau in de MRA, 2020 Totaal

Laag

Middelbaar

Hoog

x 1.000 Potentiële beroepsbevolking

1.930

456

658

786

Beroepsbevolking

1.391

229

479

668

Werkzamen

1.330

208

455

650

Werklozen

59

16

18

15

Niet-actieven

542

231

181

117

aandeel in % Potentiële beroepsbevolking

100

100

100

100

Brutoparticipatie

72,1

50,2

72,8

85,0

Nettoparticipatie

68,9

45,6

69,1

82,7

Werkloosheid

4,2

7,0

3,8

2,2

Niet-activiteit

28,1

50,7

27,5

14,9

NB Door afrondingsverschillen wijkt de som van de delen soms af van het totaal. Bron: CBS (bewerking SEO Economisch Onderzoek)

68

Economische Verkenningen MRA 2021

Economische Verkenningen MRA 2021

69

werkloosheidspercentage: 7,0 procent in 2020. Bij hoogopgeleiden is dat 2,2 procent. Gemiddeld zat 4,2 procent van het totale arbeidsaanbod in de MRA in 2020 zonder werk.

voldoende mate geschikt zijn om een actieve rol op de arbeidsmarkt te kunnen vervullen. Overigens is een deel van de toename van het aantal werkzame personen met een migratieachtergrond afkomstig uit het buitenland, gelet op de toename van de buitenlandse migratie (zie figuur 2.2). Dit laat zien dat er onder de beroepsbevolking van de MRA mogelijk onvoldoende geschikt arbeidsaanbod beschikbaar is. Dat kan enerzijds liggen aan de kwaliteit van het arbeidsaanbod, maar anderzijds ook aan de aanwezigheid van moeilijk vervulbare vacatures en de (arbeidsvoorwaardelijke) eisen waar inwoners van de MRA niet altijd aan willen of kunnen voldoen (bijvoorbeeld het verrichten van zwaar fysieke arbeid of het draaien van nachtdiensten).

Opvallend is dat het aantal werkende inwoners van de MRA met een migratieachtergrond steeg in 2020 en het aantal werkende inwoners zonder migratieachtergrond tegelijkertijd daalde. Dit ligt gedeeltelijk aan de toename van het aandeel inwoners van de MRA met een migratieachtergrond, maar ook aan de relatief grotere inzet van deze groep op de arbeidsmarkt. In een krappe arbeidsmarkt, waar eind 2019 en begin 2021 sterker dan voorheen sprake van was, kan de grootste toename van de arbeidsinzet plaatsvinden bij de groepen met het hoogste onbenutte arbeidspotentieel. Het betekent niet alleen dat voor een inhaalslag van de arbeidsparticipatie van inwoners met een zwakkere positie op de arbeidsmarkt een situatie van hoogconjunctuur noodzakelijk is, maar ook dat deze inwoners in

Tabel 2.5 Verandering werkzame beroepsbevolking naar achtergrondkenmerken in de MRA 2019

2020

Verschil

x 1.000

x 1.000

x 1.000

%

1.331

1.330

–1

–0,1

Laagopgeleid

226

208

–18

–8,0

Middelbaar opgeleid

458

455

–3

–0,7

Hoogopgeleid

629

650

21

3,3

Nederlandse achtergrond

855

837

–18

–2,1

Niet-westerse achtergrond

198

208

10

5,1

Westerse achtergrond

275

286

11

4,0

Mannen

699

699

0

0

Vrouwen

637

633

–4

–0,6

15-24-jarigen

187

177

–10

–5,3

25-44-jarigen

595

601

6

1,0

45-74-jarigen

548

548

0

0

Totaal

In 2020 daalde de werkgelegenheid vooral onder vrouwen en jongeren, en niet zozeer onder mannen en ouderen. Door de coronacrisis verdwenen vooral de tijdelijke banen en deze worden vaker vervuld door vrouwen en jongeren. Zodra er sprake is van herstel van de vraag naar arbeid, zullen deze groepen ook weer als eerste profiteren. Deels is dat een gevolg van het onbenutte arbeidspotentieel in deze groepen, maar het laat ook zien dat veel meer dan alleen de traditionele groepen werkenden in de samenleving in tijden van krapte kansen hebben op de arbeidsmarkt van de MRA.

NB Door afrondingsverschillen wijkt de som van de delen soms af van het totaal. Bron: CBS (bewerking SEO Economisch Onderzoek)

70

Economische Verkenningen MRA 2021

Economische Verkenningen MRA 2021

71

2.5 Mobiliteit

werkzame personen. Zaanstreek-Waterland en Almere-Lelystad hebben met respectievelijk 41 en 30 duizend personen het hoogste uitgaande pendelsaldo en zijn daarmee bij uitstek woonregio’s binnen de MRA.

Afhankelijk van de beschikbaarheid van (betaalbare) woningen en de bereikbaarheid van de werklocatie, besluiten werkenden te verhuizen en/of op en neer te pendelen naar het werk (woon-werkverkeer). In deze paragraaf wordt eerst ingegaan op de ontwikkeling van pendelstromen naar, vanaf en binnen de MRA en daarna op de ontwikkeling van het aantal verhuizingen van en naar de MRA. De beschikbaarheid en prijzen van huizen hebben dus net zo goed invloed op de omvang van het woon-werkverkeer als dat de omvang van het woon-werkverkeer invloed heeft op de vraag naar woningen. Woon-werkverkeer Arbeidsplaatsen binnen de MRA worden vervuld door zowel de inwoners van de deelregio’s binnen de MRA als door mensen die elders in het land wonen. Ook werkt een deel van de werkzame beroepsbevolking van de MRA buiten de regio. Op basis van de meest recent beschikbare gegevens over banen van werknemers naar woon- en werkregio, kunnen de ingaande en uitgaande pendelstromen voor 2019 in beeld worden gebracht (zie figuur 2.12). In 2019 wonen ruim 1,3 miljoen mensen die deel uitmaken van de werkzame beroepsbevolking in de MRA en werken bijna 1,6 miljoen mensen bij bedrijven en instellingen die in de MRA gevestigd zijn. Van de personen die bij bedrijven en instellingen in de MRA werken, wonen er 1,1 miljoen in de MRA. De totale inkomende pendelstroom komt daarmee op 444 duizend personen.

Dat betekent dat ruim 28 procent van de werkgelegenheid in de MRA wordt uitgevoerd door werkenden van buiten de MRA. De totale uitgaande pendelstroom omvat 207 duizend personen. Een kleine 16 procent van de werkzame beroepsbevolking in de MRA werkt daarmee buiten de MRA. De netto inkomende pendelstroom komt uit op 237 duizend personen. De pendelstromen van 2019 laten zien dat de deelregio’s Amsterdam en Amstelland-Meerlanden de hoogste inkomende pendelsaldi hebben, respectievelijk 226 en 110 duizend personen (zie tabel B1 in bijlage 4). In beide gevallen is het aantal werkzame personen flink hoger dan de totale werkzame beroepsbevolking in deze regio’s. Gooi en Vechtstreek heeft ook een licht positief pendelsaldo (van 2 duizend personen). Alle andere regio’s laten juist het tegenovergestelde zien: daar is de totale werkzame beroepsbevolking hoger dan het aantal 72

Economische Verkenningen MRA 2021

In de loop van de tijd is de verhouding tussen wonen en werken steeds schever geworden. In de periode 2014-2019 is de werkgelegenheid in de MRA met 13 procent gegroeid, terwijl de werkzame beroepsbevolking groeide met 11 procent en de inkomende pendel een groei kende van 16 procent. Deze ontwikkelingen betreffen vooral Amsterdam en Amstelland-Meerlanden, waar het verschil tussen het aantal banen (werkzame personen) en de werkzame beroepsbevolking (daar woonachtige werkenden) steeds verder toeneemt (zie tabel 2.6). De grootste toename tussen 2014 en 2019 betrof Amsterdam, waar het verschil tussen banen en werkenden steeg met 50 duizend

Figuur 2.12 Woon-werkverkeer binnen de MRA en met overige delen van Nederland, 2019 25

Holland boven Amsterdam

Totaal MRA

89

444

207

Totaal Overig Nederland

Noord-Nederland 50

IJmond

4

Zaanstreek-Waterland

1

3 7 14

1

4

7

11

17

Almere-Lelystad 69

Amsterdam 58

7

1

50

25

51

12

13

ZuidKennemerland

3

14

86

6

24

318

4 1

25

4

52

OostNederland

11

56

Amstelland-Meerlanden

8

10

1

8

1

Gooi en Vechtstreek

84

9

1

Metropoolregio Amsterdam Woont en werkt in MRA: 1.124 miljoen personen Woont en werkt in eigen deelregio: 719 duizend personen Interne MRA pendel: 405 duizend personen Inkomende pendel: 444 duizend personen Uitgaande pendel 207 duizend personen

61

28

124

33

getal x 1.000 woont- en werkt in dezelfde regio

138 21

52

Zuid-Holland

73

Zuid-Nederland Utrecht

Pendel tussen twee regio’s x 1.000 personen Grootste onderlinge stroom is rood < 1.000 niet meegenomen

Bron: CBS (bewerking SEO Economisch Onderzoek)

Economische Verkenningen MRA 2021

73

personen. Dit cijfer weerspiegelt de trend in de betreffende periode dat steden een sterke aantrekkingskracht uitoefenden op nieuwe bedrijvigheid. Voor Amstelland-Meerlanden gaat het om een toename van 31 duizend personen. In de overige MRA-regio’s groeit de werkzame beroepsbevolking over het algemeen sneller dan het aantal daar werkzame personen.

Verhuizingen Het grootste deel van alle verhuisbewegingen vindt plaats binnen de verschillende deelregio’s van de MRA (zie figuur 2.13). Mensen verhuizen vooral binnen de eigen vertrouwde omgeving. Een groot deel van de overige verhuizingen binnen, vanuit en naar de MRA, betreft verhuizingen van en naar de gemeente Amsterdam. Relatief grote verhuisstromen bestaan er tussen Amsterdam en AmstellandMeerlanden (onder andere Amstelveen en Haarlemmermeer). Er verhuizen meer mensen van Amsterdam naar de andere delen van de MRA dan andersom. De aantallen verhuizingen tussen andere deelregio’s dan Amsterdam zijn relatief beperkt. Vanuit de MRA verhuizen meer mensen naar nabijgelegen provincies dan andersom (zie ook figuur 2.2).

De in de loop van de tijd steeds schever geworden verhouding tussen wonen en werken heeft sterke gevolgen voor de mobiliteitsdruk gehad. De omvang van de pendelstromen wordt onder andere bepaald door de afstand en bereikbaarheid van de regio, de arbeidsmarkt en woningmarkt. De hoogconjunctuur van de jaren 20142019 leidde ertoe dat de woningmarkt steeds krapper werd, terwijl de bedrijvigheid en de vraag naar personeel toenamen. In de MRA en in Amsterdam in het bijzonder, betreft dit in toenemende mate een vraag naar hoogopgeleid personeel, dat eerder dan laagopgeleid personeel bereid is om te pendelen (zie onder andere Economische Verkenningen Metropoolregio Amsterdam 2016).

Figuur 2.13 Verhuizingen binnen de MRA en naar of vanuit overige delen van Nederland, 2020 8

Totaal 46 naar MRA

Holland boven Amsterdam 6

Tabel 2.6 Verandering aantal werkzame personen versus werkzame beroepsbevolking in MRA Werkzame personen 20142019

Waarvan Waarvan 2014wonend wonend 2019 buiten in MRA MRA

20142019

Waarvan Waarvan 2014wonend wonend 2019 buiten in MRA MRA

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11024404/1