EVMRA-2021.pdf
Tekst van het document
%
x 1.000
x 1.000
x 1.000
%
x 1.000
x 1.000
x 1.000
Amsterdam
17
102
72
30
12
52
51
1
Amstelland-Meerlanden
20
50
32
18
11
19
18
1
Zaanstreek-Waterland
5
6
4
2
9
15
15
0
Gooi en Vechtstreek
8
10
3
7
10
12
10
2
Almere-Lelystad
6
7
9
–2
14
18
14
4
Zuid-Kennemerland
9
9
5
4
8
9
10
–1
IJmond
2
2
1
1
8
8
8
0
MRA
13
186
126
60
11
133
126
4
4
IJmond
Zaanstreek-Waterland 15
2
5
1
Almere-Lelystad 19
Zuid- 4 Kennemerland
2
11
2
Amsterdam 7
94
2
3
8
7
10
Amstelland-Meerlanden
1
15
6
9
5
Gooi en Vechtstreek
12
OostNederland
4
12
Metropoolregio Amsterdam Totaal verhuizingen: 337 duizend Naar MRA: 46 duizend Naar overig Nederland: 57 duizend Binnen de MRA: 234 duizend w.v. binnen een regio: 174 duizend w.v. tussen twee regio's: 60 duizend getal x 1.000 verhuisd in dezelfde regio
11
15
Zuid-Holland
7
Zuid-Nederland
13
Utrecht
7
Pendel tussen twee regio’s x 1.000 personen Grootste onderlinge stroom is rood Tussen de 500 en 1.500 pijl zonder getal < 500 niet meegenomen
Bron: CBS (bewerking SEO Economisch Onderzoek)
Bron: CBS (bewerking SEO Economisch Onderzoek)
74
Totaal naar overig NL
Noord-Nederland
8
Werkzame beroepsbevolking
57
Economische Verkenningen MRA 2021
Economische Verkenningen MRA 2021
75
3 n
n
n
n
n
Structuur en concurrentiekracht In de MRA groeien sectoren over het algemeen sneller dan dezelfde sectoren in de rest van Nederland. Deze groeiverschillen worden overwegend veroorzaakt door verschillen binnen sectoren: vrijwel alle sectoren groeien binnen MRA harder dan elders in Nederland. Daarnaast is de MRA als hoogwaardige diensteneconomie gespecialiseerd in sectoren die bovengemiddeld snel groeien. De afgelopen tien jaar is het aantal bedrijven in de MRA sterker gestegen dan in Nederland. Dit geldt zowel voor eenmanszaken en microbedrijven (twee tot tien werkzame personen) als voor grotere bedrijven van tien werkzame personen en meer. Bedrijven gingen gedurende deze periode minder vaak failliet in de MRA dan in Nederland. In coronajaar 2020 nam het aantal bedrijfsvestigingen toe in de MRA. Er werden meer vestigingen geopend dan gesloten; dit saldoverschil was het grootst voor de sector Detailhandel, waar veel webshops zijn opgericht naast bestaande fysieke winkels. De arbeidsproductiviteit ligt in de MRA hoger dan in Nederland. Na de Grote Recessie van 2008-2013 zijn de regionale verschillen in toegevoegde waarde per gewerkt uur verder toegenomen als gevolg van de agglomeratievoordelen van de MRA. De MRA kent een absolute ontkoppeling van het energieverbruik: ondanks de groei van de toegevoegde waarde, daalt het totale finaal energieverbruik (2010-2019).
Wel neemt het elektriciteitsgebruik sinds 2015 sterk toe als gevolg van de elektrificatie van het energiegebruik (elektrisch vervoer, warmtepompen) en de groei van het aantal nieuwe aansluitingen voor bedrijven en woningen. Economische Verkenningen MRA 2021
77
Dit hoofdstuk richt zich op economische ontwikkelingen per sector en de economische specialisatie van de Metropoolregio Amsterdam (MRA). Hoe verhouden de economische ontwikkelingen in de MRA zich tot die in de rest van het land, en hoe kunnen we deze ontwikkelingen verklaren? Daarnaast komt de bedrijvendynamiek in de MRA aan bod: hoe gemakkelijk ontstaan bedrijven, hoeveel gaan er failliet of worden er om andere redenen opgeheven? Welke rol spelen bedrijfsverhuizingen van en naar de MRA? Hoe heeft de arbeidsproductiviteit zich ontwikkeld sinds het economisch herstel na de kredietcrisis en wat zijn hierbij de onderliggende determinanten? Deze editie van de Economische Verkenningen Metropoolregio Amsterdam heeft speciale aandacht voor de energie-intensiteit van de regio. Zijn de gevolgen van de energietransitie al zichtbaar in de verhouding tussen fossiele en duurzaam opgewekte en gebruikte energie?
3.1 Economische ontwikkelingen per sector en specialisatie In deze paragraaf zetten we ontwikkelingen in toegevoegde waarde en werkgelegenheid in de MRA af tegen deze ontwikkelingen in de rest van het land. Vervolgens gaan we in op het specialisatiepatroon en analyseren we welke sectoren in de MRA zijn over- en ondervertegenwoordigd ten opzichte van de rest van Nederland. Zijn de sectoren die van economisch belang zijn voor de MRA ook de sectoren waar toegevoegde waarde en werkgelegenheid het meest zijn toegenomen? Deze analyse geeft zicht op de onderliggende determinanten van de economische ontwikkeling in de MRA. Ontwikkelingen MRA afgezet tegen de Nederlandse economie Figuur 3.1 zet de groei van de economie (gemeten in toegevoegde waarde) in de MRA af tegen de landelijke groei in de periode 19952019.1 In de MRA was de groei van de economie de helft hoger dan de landelijke groei. De rode lijn laat de daadwerkelijke ontwikkeling zien in de MRA: tussen 1995 en 2019 groeide de omvang van de economie met 90 procent. De groene lijn laat zien hoe de MRA zich zou hebben ontwikkeld als de groei gelijk was geweest aan de landelijke groei (een toename van 63 procent). Het verschil in groeipaden tussen de MRA en Nederland wordt veroorzaakt door verschillen binnen en tussen sectoren van de economie. Binnen sectoren vinden sectorale groei-effecten plaats.
Dit zijn ontwikkelingen die ervoor zorgen dat een sector in economische omvang toeneemt, bijvoorbeeld betere beschikbaarheid van kapitaal, meer arbeidsparticipatie of een hoger gemiddeld opleidingsniveau. Daarnaast kunnen zogenoemde agglomeratie-effecten (zie paragraaf 3.3) optreden: werkenden en bedrijven concentreren zich in een stad en worden daardoor productiever. Hierdoor zijn werkenden in de MRA productiever dan in minder stedelijke gebieden.
1
78
Economische Verkenningen MRA 2021
Het jaar 2020 valt buiten deze analyse, omdat tijdens het schrijven de gegevens hiervoor nog niet beschikbaar waren.
Economische Verkenningen MRA 2021
79
Vanaf 2012 zijn de sectorale groei-effecten groter in de MRA dan in Nederland. In de jaren vlak voor de financiële crisis (2006-2007), tijdens en gedurende de eerste jaren van de economische nasleep daarvan (2008-2011), groeiden sectoren in de MRA minder dan het landelijk gemiddelde. Vanaf 2012 is dit juist omgekeerd: sectoren groeien sneller in de MRA dan landelijk. Een belangrijke verklaring hiervoor is dat de sectorale groei samenhangt met de agglomeratie-effecten die de MRA als stedelijke regio geniet. In de jaren vanaf het economisch herstel waren het met name kennisintensieve en innovatieve bedrijven die zich clusterden in de MRA. En juist deze bedrijven hebben baat bij die clustering.2 Arbeid werd hierdoor nog productiever in de MRA, waardoor de economische groei binnen sectoren toenam. In
Figuur 3.1 De economie van de MRA groeit aanzienlijk sterker dan die van Nederland
220
Decompositie groei toegevoegde waarde MRA Index : 1995=100
200
Sectorale groeieffect = 11,3 Samenstellingseffect = 15,6
180 160 140 120 100 80 1995 MRA
2000
2005
2010
2015
2019
MRA met sectorale groei als Nederland MRA met groei Nederland
Bron: CBS (bewerking TNO/SEO Economische Onderzoek)
2
Zie hoofdstuk 5 in de Economische verkenningen Metropoolregio Amsterdam 2016 en pagina 93 in de editie van 2020 voor een uitgebreide toelichting op het mechanisme van toenemende agglomeratievoordelen.
80
Economische Verkenningen MRA 2021
paragraaf 3.3 gaan we hier verder op in. Maar ook als sectoren zich op dezelfde manier hadden ontwikkeld in de MRA als in de rest van het land, was de totale economische groei van de MRA nog steeds groter geweest dan landelijk. Dit komt doordat de bedrijvigheid in de MRA op een andere manier is samengesteld dan landelijk. De MRA is gespecialiseerd in bedrijven en sectoren die relatief snel groeien, ook op landelijk niveau. Dit zijn met name de commerciële en hoogwaardige diensten, diensten van financiële aard, specialistische zakelijke diensten of informatie- en communicatiediensten. Indien de sectorale groei in de MRA gelijk was geweest aan het landelijk totaal, dan zou de economie in de MRA niet met 90 maar met 78 procent zijn toegenomen tussen 1995 en 2019 (–11,3 procent). Dit scenario is weergegeven door middel van de grijze lijn in figuur 3.1. Was daarnaast de economische samenstelling gelijk geweest aan het landelijk totaal, dan was de economische groei met nog eens 15,6 procentpunt lager uitgevallen (zie de groene lijn in figuur 3.1). Ook de werkgelegenheid nam tussen 1995 en 2019 sneller toe in de MRA dan landelijk (zie figuur 3.2). Opnieuw was de groei bijna de helft hoger in de MRA dan in Nederland: 44 versus 30 procent. De hogere groei in werkgelegenheid helpt de hogere groei in toegevoegde waarde te verklaren.
Doordat een relatief groot aantal extra mensen ging werken in de MRA, voegden zij samen meer economische waarde toe. Toch is dit maar een deel van het verhaal: de totale groei van de werkgelegenheid was lager dan de totale groei van de toegevoegde waarde. Het overige deel van de groei in toegevoegde waarde kan worden verklaard door de groei van de arbeidsproductiviteit (zie paragraaf 3.3). Figuur 3.2 laat zien welk deel van het verschil in werkgelegenheidsgroei voortkomt uit het verschil binnen en tussen sectoren. De rode lijn laat opnieuw de daadwerkelijke ontwikkeling in de MRA zien. De groene lijn laat zien hoe de werkgelegenheid zich in heel Nederland ontwikkelde. De grijze lijn deelt dat verschil op tussen effecten binnen sectoren (sectorale groei-effecten: verschil tussen grijze en rode lijn) en effecten tussen sectoren (samenstellingseffecten: verschil tussen grijze en groene lijn).
Economische Verkenningen MRA 2021
81
Zowel ontwikkelingen binnen als tussen sectoren hebben bijgedragen aan de hogere werkgelegenheidsgroei in de MRA ten opzichte van het landelijke beeld. Beide effecten waren positief in de periode 1995-2019. Daarnaast werden de effecten sterker in de periode na de financiële crisis die eind 2008 begon. Dit geldt met name voor de sectorale groei-effecten. Dit betekent dat de werkgelegenheid binnen sectoren sneller groeide in de MRA dan landelijk. Het resterende kwart van het verschil komt voort uit het verschil in samenstelling van de bedrijvigheid. De groei in werkgelegenheid zou 5 procent lager hebben gelegen in de MRA als daar sprake was geweest van dezelfde sectorstructuur als landelijk. Samengenomen is de MRA dus gespecialiseerd in sectoren waarbinnen de werkgelegenheid sneller stijgt dan gemiddeld, boven op een snellere stijging van de werkgelegenheid die de MRA ook binnen sectoren al kent.
Specialisatiepatronen en determinanten van groei Het specifieke specialisatiepatroon van de MRA draagt bij aan de sneller dan gemiddelde economische groei in Nederland. De positieve samenstellingseffecten van de bedrijvigheid worden weergegeven in figuur 3.3. In deze figuur zetten we de gemiddelde groei van de toegevoegde waarde per sector af tegen de mate waarin de MRA gespecialiseerd is in deze sector: de specialisatiegraad.3 Een specialisatiegraad boven (onder) de 100 betekent dat het economisch belang van deze sector hoger (lager) is in de MRA dan in andere delen van het land. Figuur 3.3 Sectoren waarin de MRA meer is gespecialiseerd groeien harder dan gemiddeld
8
Toegevoegde waarde 1996-2019 Gemiddelde jaarlijkse groei in %
Informatie en communicatie
7 6
Specialistische zakelijke diensten Overige zakelijke diensten
Figuur 3.2 De werkgelegenheid stijgt in de MRA sterker dan in Nederland
160
5
Decompositie groei Werkgelegenheid MRA Index : 1995=100
Financiële diensten
Vervoer en opslag
4 Sectorale groeieffect = 8,5 Samenstellingseffect = 5,0
140
Onroerend goed Detailhandel
3
Energie, water en afval
2
Zorg Groothandel Overige diensten
1
120
Gemiddelde groei MRA 1996-2019 (2,7)
Bouw Landbouw Industrie
0
20
100
40
Cultuur, sport en recreatie
Onderwijs Overheid
60
80
Lagere specialisatie
100
120
140
160
Aandeel sector in Overig Nederland = 100
80 1995 MRA
2000
2005
2010
2015
2019
MRA met sectorale groei als Nederland MRA met groei Nederland
180
Hogere specialisatie
200
220
82
Economische Verkenningen MRA 2021
260
Grootte van bol: omvang toegevoegde waarde 2019 Bron: CBS (bewerking TNO/SEO Economisch Onderzoek)
3
De specialisatiegraad wordt gedefinieerd als: Aandeel sector (in %) in totale toegevoegde waarde (of werkgelegenheid) MRA
Bron: CBS (bewerking TNO/SEO Economisch Onderzoek)
240
Specialisatie-index (tw)
Aandeel sector (in %) in totale toegevoegde waarde (of werkgelegenheid) Overig Nederland
Economische Verkenningen MRA 2021
x100
83
De figuur laat zien hoe specialisatie samenhangt met de economische groei van de MRA als hoogwaardige diensteneconomie. Vrijwel alle sectoren met een bovengemiddelde specialisatiegraad in de MRA zijn ook sectoren met een groei boven het gemiddelde van 2,7 procent. Uitzondering is de sector Cultuur, sport en recreatie. Doordat de economische groei in deze sector lager is dan in andere sectoren, drukt dit het gemiddelde.
die eerst door medewerkers werden verricht, voert de klant nu zelf online uit. De overstap naar online dienstverlening gaat hand in hand met de sluitingen van bankfilialen. Van de grofweg 3.000 filialen in 2010, waren er in 2019 nog minder dan de helft over. Door de sluiting van filialen verdwijnen niet alleen banen die al door automatisering op de tocht stonden, maar ook banen van baliemedewerkers en andere werkenden in facilitaire diensten. Het sluiten van bankfilialen vindt volgens UWV vooral plaats aan ‘de randen van Nederland’. Dit zien we terug in figuur 3.4. De werkgelegenheid in de financiële sector in de periode 1996-2019 groeide in de MRA (met gemiddeld 0,5 procent per jaar), maar kromp in dezelfde periode in Overig Nederland met gemiddeld 0,8 procent per jaar.
Daartegenover staat de sector Informatie en communicatie als uitschieter in positieve zin. Door een specialisatie-index van ruim 200 telt de gemiddelde groei van 7,3 procent zwaarder mee dan wanneer het economisch belang gelijk was geweest aan het landelijk gemiddelde. Daar komt bij dat de samenstellingseffecten zwaarder meewegen voor sectoren met een grotere omvang, zoals Informatie en communicatie. Figuur 3.4 laat voor de werkgelegenheid dezelfde hoofdlijnen zien als figuur 3.3 voor de toegevoegde waarde. Door haar specialisatiepatroon heeft de MRA geprofiteerd van een bovengemiddelde groei in de werkgelegenheid in commerciële diensten, waaronder Specialistische zakelijke diensten, Overige zakelijke diensten en Informatie en Communicatie. Ook binnen dienstverlenende sectoren die belangrijk zijn voor consumenten en recreanten – zoals Horeca en Cultuur, sport en recreatie – is de werkgelegenheid bovengemiddeld gegroeid. Gegeven het relatieve belang van de Horeca voor de MRA als internationaal tourismegebied, heeft dit de werkgelegenheid nog verder opgedreven in vergelijking met andere delen van het land. Gemiddeld nam de werkgelegenheid tussen 1996 en 2019 in iedere sector toe, met uitzondering van Industrie en Landbouw. Tijdens en na de financiële crisis die in 2008 begon, vlakte de werkgelegenheidsgroei in de financiële-dienstensector af.
UWV (2018) beschrijft financiële dienstverlening als ‘de enige sector die structureel krimpt’ en schrijft deze banenkrimp voor een groot deel toe aan de opkomst van geautomatiseerde, online dienstverlening in deze sector. Deze verschuiving gaat verder dan internetbankieren. Ook het afsluiten van verzekeringen gebeurt steeds meer online. Handelingen
84
Economische Verkenningen MRA 2021
Figuur 3.4 Meer werkgelegenheid vooral door ICT, Zakelijke en Consumentendiensten
6
Werkgelegenheid (fte) 1996-2019 Gemiddelde jaarlijkse groei in %
5
Zorg
3
Overige diensten
2 Detailhandel
40
1 Landbouw
-2 -3
60
Gemiddelde groei MRA 1996-2019 (1,6)
Vervoer en opslag
Bouw
20
Cultuur, sport en recreatie
Horeca Onroerend goed
Onderwijs
1 0
Specialistische Informatie en zakelijke diensten communicatie
Overige zakelijke diensten
4
80
Overheid
Industrie
100
120
140
Groothandel
160
Financiële diensten
180
200
220
240
Energie, water en afval
Lagere specialisatie
Hogere specialisatie
Aandeel sector in Overig Nederland = 100
Specialisatie-index (arbeid)
Grootte van bol: omvang werkgelegenheid (fte) 2019 Bron: CBS (bewerking TNO/SEO Economisch Onderzoek)
Economische Verkenningen MRA 2021
85
Het jaar 2020 brak in vele opzichten met deze trends. Door de coronacrisis daalden voor het eerst sinds de financiële crisis de toegevoegde waarde en de werkgelegenheid. De klap van de coronacrisis werd extra hard gevoeld in de MRA. Met name in de regio Haarlemmermeer en in Amsterdam kreeg de economie het zwaar te verduren. In regio Haarlemmermeer had dit alles te maken met de afhankelijkheid van Schiphol en de luchtvaartsector in het algemeen. Toen het vliegverkeer drastisch terugliep, liep ook de omzet in luchtvaart, horeca en reisbemiddeling drastisch terug. In Amsterdam richtte de sluiting van horeca, sportfaciliteiten en culturele instellingen extra schade aan door het economisch belang van deze sectoren in de hoofdstad. Ook zullen de gevolgen van de Brexit steeds duidelijker zichtbaar gaan worden. Kader 3.1 illustreert de gevolgen van de nieuwe handelsrelatie met het Verenigd Koninkrijk voor de financiële dienstverlening.
handelen, moeten deze immers binnen de EU gevestigd zijn. Binnen Europa nam het handelsvolume het sterkst toe in Amsterdam, van circa 2 miljard naar 9 miljard euro. De verschuiving in handelsvolume heeft vooralsnog in beperkte mate effect gehad op de werkgelegenheid in de MRA, doordat aandelenhandel voornamelijk digitaal plaatsvindt. Wel vormt de aandelenhandel een belangrijke bouwsteen van het financiële vestigingsklimaat. Hierdoor zouden financiële instellingen die wel veel werkgelegenheid met zich meebrengen, er in de toekomst vaker voor kunnen kiezen om zich in Amsterdam te vestigen. De instellingen die uit Londen zijn vertrokken, kozen tot nu toe vaker voor Dublin, Parijs, Luxemburg en Frankfurt dan voor Amsterdam.4 Het overgrote deel van de financiële instellingen bevindt zich nog altijd in Londen. Wel valt op dat nieuwe bedrijven er vaker voor kiezen om zich op het vasteland van de EU te vestigen in plaats van in Londen. New Financial (2021) benadrukt dat indien op termijn minder dan de helft van de bedrijven gevestigd is in Londen, een nieuwe dynamiek kan ontstaan. Dit zou de MRA de kans bieden om haar internationale concurrentiepositie en vestigingsklimaat te versterken. New Financial (2021) beschrijft dat dit een onzeker proces is, en een van lange adem.
Het zal dus nog een aantal jaren duren voordat we zicht krijgen op wat het vertrek van het VK uit de EU écht betekent voor de financiële sector in de MRA.
Kader 3.1 Effecten nieuwe handelsrelatie met Verenigd Koninkrijk op concurrentiekracht en structuur MRA Het vertrek van het Verenigd Koninkrijk (VK) uit de Europese Unie (EU) per 1 januari 2021 heeft gevolgen voor de structuur en concurrentiekracht van de MRA. Dit komt doordat het de prijzen van handel en goederen beïnvloedt, bijvoorbeeld door tariefstellingen. Hierdoor verschuiven de internationale concurrentieposities van sectoren en regio’s in het VK en de EU (Thissen en Weterings, 2018). Wanneer de internationale concurrentiepositie verandert, verandert ook de economische structuur van een (deel)regio. Thissen e.a. (2020) beschrijven dat de impact van het vertrek van het VK uit de EU de concurrentieposities van sectoren en regio’s in het VK en de EU verschillend zal beïnvloeden. Zo ook binnen de MRA: het biedt zowel kansen als risico’s voor de structuur en concurrentiekracht. We illustreren dit aan de hand van de financiële sector, een sector van bovengemiddeld belang voor de MRA. Het vertrek van het VK uit de EU biedt kansen voor het versterken van de internationale concurrentiepositie van de financiële sector in de MRA. Daar waar Londen lange tijd fungeerde als het financiële hart van de EU, is er recent sprake van een vertrek van beurzen en handelsbedrijven naar andere Europese wereldsteden. Om in Europese aandelen te mogen
86
Economische Verkenningen MRA 2021
4
Meer dan veertig financiële instellingen kiezen voor Amsterdam na de Brexit (banken.nl).
Economische Verkenningen MRA 2021
87
3.2 Bedrijvendynamiek
slechts 1 procentpunt. Sindsdien heeft het aantal microbedrijven per 100 duizend inwoners in de MRA dat aantal in Nederland meer dan ingehaald. In 2020 waren er 5 procent meer microbedrijven per 100 duizend inwoners in de MRA dan in Nederland: circa 2.060 versus 1.960. Voor beide gebieden is het aantal microbedrijven toegenomen tussen 2010 en 2020: met 8 procent in Nederland en 14 procent in de MRA.
De dynamiek van het ontstaan en verdwijnen van bedrijven in de MRA kan worden beschreven voor de jaren waarvoor gegevens beschikbaar zijn, te weten 2010 tot en met 2020. Hoeveel vestigingen van bedrijven kwamen er bij per sector, hoeveel gingen er weg? Het jaar 2020 is een bijzonder jaar. Door de coronacrisis kwamen er meer online bedrijven bij. Dit betrof vaak aftakkingen van bestaande bedrijven, die in het register van de Kamer van Koophandel terugkomen als oprichtingen van bedrijven. Op deze corona-specifieke dynamiek (op- of afsplitsingen, doorstarten, verhuizingen en geleidelijke activiteitenwijziging) wordt in paragraaf 3.5 nader ingegaan. In deze paragraaf richten we ons op de langeretermijntrends en sluiten we aan bij de definities van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Onder een oprichting (opheffing) van een vestiging verstaan we: het openen (sluiten) van een vestiging gelijktijdig met de oprichting (opheffing) van het bedrijf waartoe de vestiging behoort. Ontwikkeling in het aantal bedrijven Tussen 2010 en 2020 is het aantal bedrijven in alle grootteklassen harder gegroeid in de MRA dan landelijk (zie figuur 3.5). Het meest opvallend is het toenemende verschil in het aantal eenmanszaken tussen de MRA en Nederland.
De stijging in het aantal eenmansbedrijven was in de MRA nog sterker dan de landelijke trend: respectievelijk 52 procent versus 45 procent tussen 2010 en 2020. Waren er in 2020 in Nederland ruim 7.000 eenmanszaken per 100 duizend inwoners, in de MRA waren het er circa 9.400. In figuur 3.5 is de verhouding tussen het aantal bedrijven en het aantal inwoners in de MRA en in Nederland geïndexeerd op 100 in 2010 en de ontwikkeling vervolgens uitgesplitst naar eenmanszaken, microbedrijven (twee tot tien werkzame personen) en overige bedrijven (tien of meer werkzame personen). Deze laatste categorie wordt in de beschikbare CBS-gegevens niet verder uitgesplitst naar klein-, midden- en grootbedrijven, omdat dit een relatief beperkt aantal bedrijven betreft. Voor de ontwikkeling van het aantal microbedrijven zien we een vergelijkbaar verschil tussen de MRA en landelijk als voor de eenmansbedrijven. In 2010 lag het aantal microbedrijven in de MRA nog onder het landelijk gemiddelde, al was het verschil klein met 88
Economische Verkenningen MRA 2021
Het aantal midden-, klein- en grotere bedrijven is minder hard gestegen tussen 2010 en 2020: circa 3 procent in Nederland en 7 procent in de MRA. Tegelijkertijd zijn de werkgelegenheidseffecten per bedrijf groter voor bedrijven met meer werkzame personen. De bedrijven vanaf tien werkzame personen zijn nog altijd goed voor ongeveer 70 procent van de totale werkgelegenheid. De hogere groei in het aantal bedrijven in de MRA draagt op die manier bij aan de grotere groei van de werkgelegenheid ten opzichte van het landelijke beeld.
Figuur 3.5 Het aantal bedrijven stijgt sneller in de MRA binnen alle grootteklassen Aantal bedrijven per 100 duizend Index: 2010=100
160
140
120
100
80 2010
2011
2012
2013
2014
2015
2016
2017
2018
2019
MRA Eenmansbedrijven
NL Eenmansbedrijven
MRA Microbedrijven (2-10 werkzame personen)
NL Microbedrijven (2-10 werkzame personen)
MRA Klein-, midden- en grootbedrijf (10 of meer werkzame personen)
NL Klein-, midden- en grootbedrijf (10 of meer werkzame personen)
2020
Bron: CBS (bewerking SEO Economisch Onderzoek)
Economische Verkenningen MRA 2021
89
Figuur 3.6 laat de verdeling in 2020 zien van het aantal bedrijven naar grootteklasse in zowel de MRA als heel Nederland. In 2020 waren er relatief meer eenmansbedrijven in de MRA ten opzichte van het landelijk gemiddelde: bijna acht op de tien bedrijven was in 2020 een eenmanszaak (79 procent) tegenover drie op de vier in Nederland (75 procent). Daartegenover staat dat het aandeel microbedrijven in de MRA lager ligt dan gemiddeld in Nederland: 17 versus 21 procent. Het percentage bedrijven met meer dan tien werknemers is in de MRA gelijk aan het landelijk gemiddelde: 4 procent van het totaal aantal bedrijven.
uitgesproken.5 Ook in de eerste jaren van de financiële crisis (20082009, niet zichtbaar in de grafiek) was het aantal faillissementen lager. Zwaar getroffen sectoren waren Groothandel, Detailhandel, Bouw en Informatie en communicatie. De nasleep van de crisis was ook voelbaar in de MRA, waar sectoren als Informatie en communicatie een belangrijk onderdeel van de economische structuur vormen. Toch gingen bedrijven minder vaak failliet in de MRA dan in Nederland. In zeven jaar tijd is het aantal faillissementen afgenomen tot circa een derde van het niveau van 2013. In de MRA daalde tussen 2013 en 2020 het aantal faillissementen per 100 duizend bedrijven van 628 naar 193 faillissementen (–69 procent). In heel Nederland was de daling nog sterker: van 729 naar 192 faillissementen (–74 procent). Hiermee verdwijnt grotendeels het eerdere verschil in het aandeel faillissementen tussen de MRA en Nederland.
Faillissementen, gestarte en gestopte bedrijven Het aantal faillissementen is sinds 2013 met twee derde afgenomen. Figuur 3.7 zet het aantal faillissementen af tegen het aantal bedrijven voor zowel de MRA als Nederland. De figuur maakt de effecten van de nasleep van de financiële crisis (2008-2013) op de bedrijvendynamiek zichtbaar. Het jaar 2013 was een recordjaar wat betreft het aantal faillissementen: nooit eerder werden er zoveel faillissementen
Figuur 3.7 Faillissementen in Nederland en de MRA nemen na 2013 af met ruim tweederde Aantal faillissementen per 100 duizend bedrijven
800 Figuur 3.6 In MRA relatief meer eenmansbedrijven en minder microbedrijven dan Nederland Aandeel 2020 in %
600
4%
4%
17%
21%
400
Nederland
MRA
79%
200 75%
0 2010
2012
MRA Eenmansbedrijven (1 werkzaam persoon ) Microbedrijven ( 2-10 werkzame personen)
Klein-, midden- en grootbedrijf (10 of meer werkzame personen)
Bron: CBS (bewerking SEO Economisch Onderzoek)
90
2016
2018
2020
Nederland
Bron: CBS (bewerking SEO Economisch Onderzoek)
5
Economische Verkenningen MRA 2021
2014
Bron: https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2014/04/record-faillissementen-in-2013.
Economische Verkenningen MRA 2021
91
De daling van het aantal faillissementen hangt samen met de groei van het aantal bedrijven zoals naar voren komt in figuur 3.5. Omdat er minder bedrijven failliet gingen, nam het totaal aantal bedrijven (meer) toe. Tegelijkertijd draagt de stijging in het aantal bedrijven bij aan de relatieve daling van het aantal faillissementen. Toch is ook in absolute zin het aantal faillissementen sterk afgenomen. In 2020 was het aantal faillissementen op landelijke schaal het laagst in twintig jaar; in hetzelfde jaar zagen veel bedrijven hun omzet dalen als gevolg van de coronacrisis. Dat in coronatijd minder bedrijven failliet werden verklaard, is niet los te zien van de overheidssteun (CBS, 2021). De keerzijde hiervan is een gebrek aan bedrijvendynamiek. Een aantal
bedrijven dat door de steun actief is gebleven zou zonder de steun mogelijk failliet zijn gegaan en ruimte hebben geboden voor nieuwe, mogelijk productievere activiteiten (zie ook hoofdstuk 1). Doordat al jaren meer bedrijven starten dan stoppen, groeit het aantal bedrijven in de MRA. Dit veroorzaakt de stijgende trend die te zien is in figuur 3.5. In 2020 zette de stijgende trend door. Er kwamen meer bedrijven bij – en daarmee vestigingen – dan er werden opgeheven, waardoor per saldo het aantal bedrijven toenam. In totaal kwamen er in de MRA in 2020 circa 143 vestigingen bij per 10 duizend inwoners, en stopten er gemiddeld 103 vestigingen. Figuur 3.8 laat zien dat alle sectoren in de MRA hebben bijgedragen aan het positieve saldo van gestarte en gestopte vestigingen in 2020. In geen enkele sector waren er in 2020 meer gestopte dan gestarte vestigingen. Omvangrijke sectoren met een hogere toegevoegde waarde zoals Specialistische zakelijke diensten, Groothandel en Detailhandel, droegen ook relatief veel bij aan de totale groei in het aantal vestigingen. Zelfs in de sectoren die relatief hard werden geraakt door de coronacrisis, zoals Cultuur, sport en recreatie en Horeca, is er sprake van een positief saldo van gestarte en gestopte bedrijfsvestigingen in 2020.
Dat zou voor een deel kunnen worden toegeschreven aan de oprichting van vestigingen die gespecialiseerd zijn in het aanbieden van digitale diensten in aanvulling op bestaande fysieke vestigingen.
Figuur 3.8 In 2020 groeide in de MRA het totaal aantal vestigingen in elke sector Aantal vestigingen per 10 duizend inwoners in 2020 Specialistische zakelijke diensten Groot- en detailhandel Bouw Informatie en communicatie Overige zakelijke diensten Cultuur, sport en recreatie Financiële diensten Horeca Overige diensten Vervoer en opslag Industrie Onroerend goed Landbouw Energie
0
5
10
15
Gestarte vestigingen
20
25
30
35
40
Gestopte vestigingen
Bron: CBS (bewerking SEO Economisch Onderzoek)
92
Economische Verkenningen MRA 2021
Economische Verkenningen MRA 2021
93
Figuur 3.9 vergelijkt het saldo van gestarte en gestopte vestigingen per sector tussen de MRA en Nederland. In alle sectoren ligt dat saldo in de MRA hoger dan in de rest van Nederland, met uitzondering van Landbouw. Verschillen tussen de MRA en Nederland zijn groter in de sectoren waarin de MRA gespecialiseerd is, zoals Specialistische zakelijke diensten, Horeca en Informatie en communicatie.
Verhuisbewegingen van bedrijven Verhuizingen van bedrijven maken deel uit van de bedrijvendynamiek in de MRA. Waar komen bedrijven vandaan, waar gaan ze naartoe? Voor deze analyse maken we gebruik van de monitor Werklocaties Noord-Holland 2020-2021 (Provincie Noord-Holland, 2021). De monitor geeft zicht op bedrijfsverplaatsingen binnen de provincie Noord-Holland. De monitor maakt onderscheid tussen verplaatsingen van en naar gemengde locaties (wonen en werken), kantoorlocaties en bedrijventerreinen. Door de gedeeltelijke geografische overlap tussen de provincie Noord-Holland en de MRA, geeft de analyse slechts een indicatie van de verhuisbewegingen in de MRA.
Figuur 3.9 In bijna alle sectoren nam het aantal bedrijven in MRA meer toe dan in Nederland Saldo van gestarte en gestopte vestigingen in 2020 per 10 duizend inwoners Groot- en detailhandel Bouw Specialistische zakelijke diensten
Een eerste observatie op basis van de monitor is dat binnen de provincie Noord-Holland bedrijven zich over een steeds grotere afstand verplaatsen. Het gemiddelde aantal kilometers nam tussen 2019 en 2020 met name toe voor verhuizingen van en naar kantoorlocaties (+61 procent). Voor gemengde locaties en bedrijventerreinen nam de gemiddelde afstand toe met respectievelijk 27 en 24 procent. De tweede observatie is dat Amsterdam een centrale rol speelt in bedrijfsverhuizingen binnen Noord-Holland in 2020. De meeste verhuizingen vonden plaats binnen de stadsgrenzen van Amsterdam. Daarnaast vonden gemeentegrens-overstijgende verhuizingen overwegend plaats van en naar Amsterdam. In 2020 vertrokken meer bedrijven van Amsterdam naar gemengde werklocaties in Gooi en Vechtstreek dan in andere jaren. Bedrijven op kantoorlocaties verruilden relatief vaak Amsterdam voor regio Haarlemmermeer en vice versa. Bedrijven op bedrijventerreinen verruilden relatief vaak Amsterdam voor Zaanstreek-Waterland (en vice versa).
Overige zakelijke diensten Vervoer en opslag Horeca Cultuur, sport en recreatie Overige diensten Informatie en communicatie Industrie Financiële diensten Onroerend goed Landbouw Energie
0
1 MRA
2
3
4
5
6
7
8
9
Nederland
Bron: CBS (bewerking SEO Economisch Onderzoek)
94
Economische Verkenningen MRA 2021
Economische Verkenningen MRA 2021
95
Ook voor Nederland is het aantal eenmanszaken per 100 duizend inwoners gestegen na de financiële crisis, al blijven de aantallen nog altijd ver onder de aantallen in de MRA. Figuur 3.11 laat zien dat ook in Nederland de meeste eenmanszaken actief zijn in Specialistische zakelijke diensten. Toch is dit bijna de helft van het aantal eenmanszaken in de MRA, afgezet naar inwonersaantal. Dit geldt voor beide perioden: tijdens (2010-2013) en na (2014-2020) het economisch herstel vanaf de financiële crisis.
Ontwikkeling van eenmanszaken Bijna iedere sector heeft bijgedragen aan de groei van het aantal eenmanszaken in de MRA (zie figuur 3.10). De meeste eenmanszaken zijn actief in de zakelijke diensten: ongeveer 2.500 per 100 duizend inwoners in de periode 2014-2020. Dit onderstreept opnieuw het economisch belang van deze sector voor de MRA en het bijbehorende specialisatiepatroon. Op de tweede plaats volgt Handel (Grooten Detailhandel). Binnen deze sector waren er een kleine duizend eenmanszaken actief per 100 duizend inwoners in de jaren vanaf 2014.
Figuur 3.10 Het aantal eenmanszaken in de MRA stijgt in vrijwel alle sectoren
Figuur 3.11 MRA kent veel meer eenmanszaken dan Nederland
Saldo van gestarte en gestopte eenmanszaken per 10 duizend inwoners
Gemiddeld aantal eenmanszaken per 100 duizend inwoners
Specialistische zakelijke diensten
Specialistische zakelijke diensten
Groot- en detailhandel
Groot- en detailhandel
Cultuur, sport en recreatie
Bouw
Bouw
Cultuur, sport en recreatie
Informatie en communicatie
Financiële diensten
Financiële diensten
Overige diensten
Overige diensten
Informatie en communicatie
Overige zakelijke diensten
Overige zakelijke diensten
Vervoer en opslag
Industrie
Industrie
Landbouw
Horeca
Vervoer en opslag
Onroerend goed
Horeca
Landbouw
Onroerend goed
0
500 2014 - 2020
1.000
1.500
2.000
2010 - 2013
Bron: CBS (bewerking SEO Economisch Onderzoek)
96
2.500
0
500 2014 - 2020
1.000
1.500
2.000
2010 - 2013
Bron: CBS (bewerking SEO Economisch Onderzoek)
Economische Verkenningen MRA 2021
Economische Verkenningen MRA 2021
97
3.3 Arbeidsproductiviteitsontwikkeling Hoeveel waarde voegen we gemiddeld toe met één uur werk? De productiviteit van onze arbeid meten we aan de hand van de gemiddelde toegevoegde waarde per gewerkt uur. Een toename in arbeidsproductiviteit betekent dat we met dezelfde arbeidsinzet meer waarde – en daarmee welvaart – creëren. Productiever werk speelt daarmee een bepalende rol in de economische ontwikkeling binnen de regio. Daar waar vergrijzing de (groei in) arbeidsinzet beperkt, wordt het belang van arbeidsproductiviteitsgroei steeds groter. De analyse van de arbeidsproductiviteitsgroei komt in de Economische Verkenningen Metropoolregio Amsterdam 2020 uitgebreid aan bod. In deze paragraaf actualiseren we de belangrijkste inzichten. Opnieuw zetten we de ontwikkelingen in de MRA af tegen die in de rest van het land, en opnieuw voor een langere periode (1996-2019). We maken onderscheid in de productiviteitsgroei tussen sectoren en relateren dit aan het specialisatiepatroon. Aan de hand hiervan voeren we een zogenoemde decompositie-analyse uit: welk deel van de groei (of krimp) wordt veroorzaakt door ontwikkelingen binnen sectoren, en welk deel door verschuivingen tussen sectoren? Door de verschillende effecten ‘uit elkaar te trekken’, ontstaat inzicht in de invloed van ontwikkelingen in de sectorstructuur op de productiviteit.
Voor een diepgaande analyse van de verschillende rollen die onderliggende factoren zoals kapitaal, opleiding en verstedelijking hebben gespeeld, verwijzen we naar de Economische Verkenningen Metropoolregio Amsterdam 2020. Trends in arbeidsproductiviteit De MRA kent al langere tijd een gemiddeld hogere arbeidsproductiviteit dan de rest van het land. Figuur 3.12 laat de ontwikkeling zien van de arbeidsproductiviteit in de periode 1995-2019. Het effect van de financiële crisis vanaf 2008 is duidelijk zichtbaar: na jaren van groei daalde voor het eerst de arbeidsproductiviteit. Dit is een bekend patroon omdat bedrijven zeker in een beginfase van een crisis personeel vasthouden in afwachting van betere tijden (een fenomeen dat bekend staat als labour hoarding).6 Ook de nasleep van de crisis is zichtbaar in 6
Zie kader 3.3 van de Economische Verkenningen Metropoolregio Amsterdam 2020 voor een verklaring waarom arbeidsproductiviteit daalt tijdens een recessie.
de figuur: de arbeidsproductiviteit nam zowel in de MRA als in de rest van Nederland slechts mondjesmaat toe in de jaren tot 2013. Figuur 3.12 Verschil in arbeidsproductiviteit tussen MRA en Nederland neemt verder toe Toegevoegde waarde in euro's per gewerkt uur
120 100 80 60 40 20 0 1995
2000
2005
2010
2015
2019
Overig Nederland
MRA
Bron: CBS (bewerking TNO/SEO Economisch Onderzoek)
Figuur 3.13 In de MRA vertraagt arbeidsproductiviteitsgroei minder dan in Nederland Arbeidsproductiviteit Gemiddelde jaarlijkse groei in %
2013 - 2019
2008 - 2013
1996 - 2008 0
1 MRA
2
3
4
Overig Nederland
Bron: CBS (bewerking TNO/SEO Economisch Onderzoek)
98
Economische Verkenningen MRA 2021
Economische Verkenningen MRA 2021
99
Sinds de financiële crisis groeit de economie in de MRA sneller dan in de rest van Nederland, terwijl het verschil in werkgelegenheidsgroei kleiner is, waardoor het verschil in arbeidsproductiviteit verder toeneemt. Figuur 3.13 laat de gemiddelde groeipercentages zien voor de drie periodes: vóór de kredietcrisis (1996-2008), tijdens de periode van crisis en herstel (2008-2013) en na de kredietcrisis (2013-2019). De arbeidsproductiviteit in de rest van Nederland groeide tot 2008 meer dan in de MRA, al was het verschil klein (3,8 versus 3,7 procent). In de periode 2008-2013 daalde de productiviteitsgroei tot 1,4 procent in de MRA en 1,1 procent in Overig Nederland. In de jaren vanaf 2013 neemt de productiviteit opnieuw sterker toe in de MRA dan in de rest van Nederland: gemiddeld 2,1 versus 1,8 procent per jaar.
is afgezet tegen de specialisatiegraad van de sectoren in de MRA. De arbeidsproductiviteitsgroei van commerciële diensten waarin de MRA is gespecialiseerd – zoals Specialistische zakelijke diensten, Financiële diensten en Informatie en communicatie – bevindt zich onder het gemiddelde van 2,1 procent. In de sector Cultuur, sport en recreatie bleef de arbeidsproductiviteit min of meer gelijk, terwijl de werkgelegenheid daar juist bovengemiddeld toenam. De groei van toegevoegde waarde in deze sector kan dus vrijwel geheel worden toegeschreven aan een hogere arbeidsinzet. Dit is in lijn met de trend beschreven door Jonkers (2019): door een verdienstelijking van de economie verschuift arbeid naar diensten met een beperkte (ruimte voor) groei van de waardecreatie per gewerkt uur.
Decompositie-analyse van de arbeidsproductiviteit Om zicht te krijgen op de determinanten van de arbeidsproductiviteitsgroei in de MRA, voeren we net als in de voorgaande editie een decompositie-analyse uit. Hierbij maken we opnieuw onderscheid in effecten binnen en tussen sectoren in de periode 2013-2019. We vergelijken de productiviteit per sector in de MRA tussen 2013 en 2019 om te berekenen hoeveel productiviteitsgroei is ontstaan binnen sectoren (de sectorale groei-effecten). Daarnaast vergelijken we de samenstelling tussen 2013 en 2019 om zicht te krijgen op hoeveel productiviteitsgroei voortkomt uit veranderingen in de samenstelling van de productiestructuur (de samenstellingseffecten). Voor een meer uitgebreide beschrijving van de methodiek achter de analyse, verwijzen we naar kader 3.1 in de Economische Verkenningen Metropoolregio Amsterdam 2020.
Ondanks de negatieve effecten van verschuivingen en specialisatiepatronen in de MRA, nam de productiviteit sneller toe dan landelijk. Samengenomen nam de arbeidsproductiviteit binnen de MRA toe van 99 euro naar 113 euro tussen 2013 en 2019 (+14,2 procent).
Tabel 3.1 laat zien dat de groei van de arbeidsproductiviteit wordt gedreven door ontwikkelingen binnen sectoren. Was de samenstelling van de economie onveranderd gebleven tussen 2013 en 2019, dan was de totale arbeidsproductiviteit gestegen van 99 euro naar 115 euro per gewerkt uur. Doordat de samenstelling van de economie van de MRA gelijktijdig veranderde, viel de daadwerkelijk groei lager uit (–2 euro per gewerkt uur). Minder productieve sectoren werden in de MRA groter en meer productieve sectoren werden kleiner ten opzichte van de landelijke trend. Dit wordt duidelijk in figuur 3.14, waarin de arbeidsproductiviteitsgroei tussen 2013 en 2019 per sector
100
Economische Verkenningen MRA 2021
De productiviteit binnen een sector neemt toe door stijgingen in omvang en kwaliteit van fysiek en menselijk kapitaal en door agglomeratievoordelen. In termen van fysiek kapitaal leverden investeringen in ICT voor langere tijd een stabiele bijdrage aan de arbeidsproductiviteitsgroei. Gordon (2012) beschrijft echter dat die bijdrage in de afgelopen twintig jaar gestaag afneemt (zie ook kader 1.1 in de Economische Verkenningen Metropoolregio Amsterdam 2017).
Tabel 3.1 Verandering van arbeidsproductiviteit tussen 2013 en 2019 2013
2019
in euro's Toegevoegde waarde per gewerkt uur
99
2013-2019 verandering in euro's
113
14
Waarvan: Sectorale groei-effect
16
Samenstellingseffect
–2
Bron: CBS (bewerking SEO Economisch Onderzoek)
Economische Verkenningen MRA 2021
101
Daarnaast lijkt ook de bijdrage van menselijk kapitaal aan de groeipotentie van de MRA geleidelijk af te nemen. Menselijk kapitaal heeft betrekking op alle ervaring, trainingen, opleidingen en competenties van werkenden die bijdragen aan de productiviteit. Het aandeel hoogopgeleiden is hoger in de MRA dan landelijk en blijft jaarlijks toenemen. Wel lijkt de groei in het opleidingsniveau langzaam te stagneren. Bovendien voegt ieder jaar extra scholing steeds minder toe aan de arbeidsproductiviteit (Gelauff e.a., 2018). Dit onderstreept de steeds vaker gehoorde zorg over de kwaliteit van ons onderwijs (IMF, 2021, SER 2021).
De stagnerende groeipotentie van fysiek en menselijk kapitaal geldt zowel voor de MRA als voor de rest van Nederland. Dit verklaart waarom de productiviteitsgroei zich onder het niveau van vóór de kredietcrisis in 2008 bevindt (zie figuur 3.13). Toch is er in de MRA minder sprake van stagnerende productiviteitsgroei dan in de rest van Nederland. Dit weerspiegelt de unieke positie die de MRA inneemt in de Nederlandse economie als grootstedelijk gebied. Grootstedelijke gebieden hebben economische voordelen en betere voorzieningen: de zogenoemde agglomeratievoordelen. Bedrijven in grootstedelijke gebieden zijn productiever als gevolg van sorting (het aantrekken van productievere mensen), sharing (het delen van bronnen), learning (het overdragen van kennis en interacties) en matching (specialisatie van arbeidsmarkt). Samengenomen leiden deze vier mechanismen bij een verdubbeling van de banendichtheid tot een verhoging van de productiviteit van 2 tot 10 procent (CPB & PBL, 2015 en hoofdstuk 5 in de Economische Verkenningen Metropoolregio Amsterdam 2016).
Figuur 3.14 MRA gespecialiseerd in sectoren met lagere arbeidsproductiviteitsgroei
8
Arbeidsproductiviteit 2013 - 2019 Gemiddelde jaarlijkse groei in % Onroerend goed
7 6 5
Overige zakelijke diensten Bouw
Landbouw
Groothandel Vervoer en opslag
4 Overheid
3 2
Industrie
1 -0 -1
Horeca Gemiddelde groei MRA 2013-2019 (2,2) Informatie en communicatie
Zorg
Detailhandel
Onderwijs
Overige diensten
Energie, water en afval
20
40
Specialistische zakelijke diensten
60
80
100
120
Lagere specialisatie
140
160
Financiële diensten
180
200
Cultuur, sport en recreatie
220
Hogere specialisatie
Aandeel sector in Overig Nederland = 100
Specialisatie-index (arbeid)
Grootte van bol: aantal werkzame personen 2019 Bron: CBS (bewerking TNO/SEO Economisch Onderzoek)
102
240
Economische Verkenningen MRA 2021
Vooral Amsterdam en aanliggende gemeenten genieten als grootstedelijke gebieden van de voordelen van learning, sharing en matching. Maar ook Amstelland-Meerlanden, IJmond en Zaanstreek-Waterland zijn stedelijke economische kernen. Ondanks deze polycentrische structuur, zijn de economische ontwikkeling en specialisatie van de MRA sterk op Amsterdam en omstreken gericht. Hier is de economische groei hoger dan in de andere economische kernen. De combinatie van een polycentrische stedelijke structuur en een monocentrische dynamiek biedt een mogelijke verklaring voor het feit dat sectoren waarin de MRA is gespecialiseerd niet worden gekenmerkt door een hogere arbeidsproductiviteit (Manshanden, 2021). De Amsterdamse ‘kerncorridor’ profiteert minder van agglomeratievoordelen wanneer inwoners en economische activiteiten zich ook in andere kernen vestigen, waar minder schaalvoordelen zijn als gevolg van de sterke concentratie van economische activiteiten in Amsterdam. Hierdoor komen de agglomeratievoordelen minder goed van de grond dan wanneer de regionale structuur en economische dynamiek beter op elkaar zouden aansluiten. Scherpe keuzes in specialisatiepatronen binnen de MRA bieden nog steeds mogelijkheden om het agglomeratiepotentieel verder te benutten.
Economische Verkenningen MRA 2021
103
3.4 Energieverbruik In deze paragraaf brengen we de ontwikkeling van het finaal energieverbruik7 in de MRA in de periode 2010-2019 in kaart. Deze tijdreeks wijkt af van de gebruikte perioden in de rest van dit hoofdstuk, vanwege ontbrekende data omtrent energieverbruik over de periode voorafgaand aan 2010. In deze paragraaf gaan we allereerst in op de ontwikkeling van het finaal energieverbruik van de verschillende sectoren in de MRA en het totale elektriciteitsverbruik. Vervolgens brengen we de verhouding van de energie-intensiteit en de toegevoegde waarde per sector in kaart. Deze paragraaf sluit af met een decompositie-analyse, waarbij de ontwikkeling van het energieverbruik in de MRA nader ontrafeld wordt door trends in de verschillende sectoren. Trends in energieverbruik Figuur 3.15 toont de ontwikkeling van het finaal energieverbruik8 in de MRA per sector in de periode 2010-2019. De sector Industrie gebruikt binnen de MRA de meeste energie en speelt vooral een grote rol in Amsterdam, Zaanstad en IJmond. Amsterdam kent maak- en procesindustrie en industrie op het gebied van biobased economie, circulariteit, recycling, offshore, chemie en energie (Port of Amsterdam, 2021). In Zaanstad speelt vooral de energie-intensieve voedingsmiddelenindustrie een belangrijke rol.
In IJmond is Tata Steel van groot belang.9 Verder speelt luchthaven Schiphol een grote rol binnen regio Haarlemmermeer. In de meeste sectoren in de MRA daalde het energieverbruik in de periode 2010-2019. Het energieverbruik in de sectoren Vervoer en opslag, Horeca, Informatie en communicatie en Specialistische
zakelijke diensten neemt in deze periode echter juist toe als gevolg van economische expansie. Zo is de ICT-sector de afgelopen jaren aanzienlijk gegroeid als gevolg van de snelle groei van datacenters (Dutch Data Center Association, 2020). Ook speelt de horeca een belangrijke rol met een bovengemiddeld energieverbruik. Elektriciteitsverbruik neemt toe Het finaal energieverbruik bestaat uit zowel het elektriciteits- als aardgasverbruik. Het elektriciteitsverbruik in de gehele MRA neemt toe, terwijl het aardgasverbruik in de periode 2010-2019 afneemt. Figuur 3.16 toont de ontwikkeling van het elektriciteitsverbruik van bedrijven en instellingen in de MRA in de periode 2010-2019.
Figuur 3.15 Energieverbruik daalt in veel sectoren en is in Industrie het grootst Finaal energieverbruik in PJ (petajoule) Industrie Vervoer en opslag Handel Informatie en communicatie Horeca Zorg Landbouw Overheid Specialistische zakelijke diensten Cultuur, sport en recreatie Financiële dienstverlening Onderwijs Bouw Energie, water en afval Overige zakelijke diensten Onroerend goed
et finaal energieverbruik is het eindverbruik van energie. H 8 Dit is de som van het energieverbruik per gemeente en per sector waarvan de data van zowel 2010 als 2019 bekend zijn. Het daadwerkelijke energieverbruik ligt dus hoger. 9 Er zijn niet altijd gegevens bekend van het finaal energieverbruik van grote bedrijven in bepaalde gemeenten, vanwege de vertrouwelijkheid van de gegevens. Een voorbeeld hiervan is gemeente Velsen (Tata Steel). 7
104
Economische Verkenningen MRA 2021
Overige dienstverlening
0
2 2010
4
6
8
10
12
14
16
18
2019
Bron: Klimaatmonitor, bewerking CE Delft
Economische Verkenningen MRA 2021
105
Vanaf 2015 is een stijging van het elektriciteitsverbruik te zien. Deze is grotendeels te verklaren door de toename van toepassingen die gebruikmaken van elektriciteit zoals elektrische apparaten in woningen, verlichting, digitalisering bij bedrijven, et cetera. Naast de groei van het aantal toepassingen, neemt ook de schaal waarop deze toepassingen worden gebruikt, toe. Ten slotte speelt elektrificatie van energiegebruik als gevolg van verduurzaming (denk aan elektrisch vervoer en warmtepompen) een rol. Bij al deze trends is de aantrekkende economie na de coronacrisis een cruciale factor, wat zich vertaalt in een toenemend verbruik per aansluiting en een stijgende vraag naar nieuwe aansluitingen.10
Figuur 3.16 Elektriciteitsverbruik stijgt door energietransitie11 x Miljard kWh (=kilowatuur)
15 13 11 9 7 5 2010
2011
2012
2013
2014
2015
2016
2017
2018
2019
Elektriciteitsverbruik bedrijven en instellingen MRA Bron: Klimaatmonitor
10 11
it laatste is nog niet zichtbaar in de cijfers aangezien er data tot 2019 beschikbaar zijn. D De ontwikkeling van gasverbruik wordt in deze figuur niet weergegeven, omdat er data ontbreken voor sommige MRA-gemeenten.
106
Economische Verkenningen MRA 2021
Naar verwachting neemt het elektriciteitsverbruik de komende jaren verder toe (PBL, 2019). Dit leidt tot knelpunten op het elektriciteitsnetwerk. Op dit moment is er sprake van congestie, zowel binnen de MRA als in gebieden daarbuiten. In de MRA staat het lokale elektriciteitssysteem onder druk door toenemend elektriciteitsverbruik, piekvragen, elektrificatie van de warmtevraag en de opkomst van elektrisch vervoer. Het niet meer kunnen aansluiten van nieuwe bedrijven op het elektriciteitsnetwerk kan daarmee, naast een vertragende impact op de energietransitie, gevolgen hebben voor de economische ontwikkeling van de MRA. Ook de aanbodkant van elektriciteit is afhankelijk van de netcapaciteit. De verwachting is dat het aantal elektriciteitsproducenten in Nederland de komende jaren zal toenemen en voor hen moet wel voldoende capaciteit beschikbaar zijn. Energie-intensiteit en toegevoegde waarde Op basis van het finaal energieverbruik kan de energie-intensiteit in kaart worden gebracht. Dit is de verhouding tussen de verbruikte hoeveelheid energie en de toegevoegde waarde. Een hogere energieintensiteit komt overeen met een hogere energieconsumptie per euro toegevoegde waarde. Figuur 3.17 geeft per sector de groei van het finaal energieverbruik en de groei van de toegevoegde waarde in de periode 2010-2019 weer.
De gemiddelde jaarlijkse groei van het finaal energieverbruik is -1,5 procent en de gemiddelde jaarlijkse groei van de toegevoegde waarde 2,8 procent. In de MRA als geheel is sprake van een ontkoppeling van energieverbruik en economische groei, hetgeen in de editie 2020 ook is geïllustreerd voor de uitstoot van CO². De sectoren onder de horizontale nullijn dragen bij aan de absolute ontkoppeling. Dit houdt in dat ondanks de groei van de toegevoegde waarde er sprake is van een daling van het totale finaal energieverbruik. Rechtsonder in de figuur staan de sectoren die zich kenmerken door een sterke economische groei en een daling van het energieverbruik: deze sectoren koppelen een bovengemiddelde economische groei aan een afnemend energieverbruik. Handel (Groot- en Detailhandel), Onroerend goed en Overige zakelijke diensten zijn sectoren die in deze ontwikkeling opvallen, omdat er zowel sprake
Economische Verkenningen MRA 2021
107
is van een groei van de toegevoegde waarde als van een afname van het finaal energieverbruik. Een voorbeeld binnen dit kwadrant is de sector Handel. De groei van de toegevoegde waarde zit vooral bij groothandels die profiteren van het gunstige internationale handelsklimaat (ABN Amro, 2017). Het energieverbruik neemt ook meer dan gemiddeld af. Dit is deels te verklaren doordat klanten steeds meer waarde hechten aan duurzaamheid in brede zin (en dus energieverbruik). De markt speelt hierop in (ING, 2021). Ook is op gebouwniveau door labels en energieprestatienormen het gasgebruik naar beneden gebracht. Diverse sectoren met een toename van het energieverbruik maken ook een bovengemiddelde groei door op het gebied van toegevoegde waarde (rechtsboven in figuur 3.17). Dit geldt voor de sectoren
Figuur 3.17 Veel sectoren absolute ontkoppeling energieverbruik en toegevoegde waarde
4
Finaal energieverbruik 2010-2019 Gemiddelde jaarlijkse groei in % Vervoer en opslag
3
Informatie en communicatie
2 Horeca
1
1
-1 -2 -3 -4 -5
Specialistische zakelijke diensten
Bouw
0
Industrie
Zorg
2
3
5
6
Energie, water en afval
Landbouw Handel
Onderwijs
4
Cultuur, sport en recreatie
Onroerend goed
Financiële diensten Overige diensten Overheid
-6
Overige zakelijke diensten
Toegevoegde waarde 2010-2019 Gemiddelde jaarlijkse groei in %
Vervoer en opslag, Informatie en communicatie, Horeca, Bouw en Specialistische zakelijke dienstverlening. Deze sectoren kennen dus nog geen ontkoppeling. Zo spelen binnen de sector Informatie en communicatie de datacenters (die een hoog energieverbruik hebben) een belangrijke rol. Als gevolg van verdere digitalisering is er sprake van een snelle groei van de Nederlandse datacentersector, met een gemiddelde jaarlijkse groei van 10 tot 15 procent in de afgelopen zeven jaar (Dutch Data Center Association, 2020). Veel van deze datacenters bevinden zich binnen de MRA (vooral gemeenten Amsterdam en Haarlemmermeer). De toename van het elektriciteitsverbruik komt voornamelijk doordat bestaande en nieuwe datacenters groter worden (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2020). Het groeiend elektriciteitsgebruik van datacenters in de MRA draagt bij aan de steeds nijpender knelpunten op het elektriciteitsnetwerk. De horeca speelt een belangrijke economische rol in de MRA. Zo zijn in Amsterdam de meeste banen in de toeristische sector in de horeca (Gemeente Amsterdam, 2020). Uit onderzoek van ECN is gebleken dat een café/restaurant een gemiddeld hoog energieverbruik heeft ten opzichte van andere gebouwtypen binnen de dienstensector (ECN & EIB, 2016).
De sectoren linksonder in de figuur hebben een relatief sterk dalend finaal energieverbruik en bevinden zich dan ook onder de gemiddelde groei van de toegevoegde waarde. Opvallend hierbij is de sector Financiële diensten, die een groot aandeel in de toegevoegde waarde van de MRA heeft. In de periode 2010-2019 ligt de groei van de toegevoegde waarde in deze sector echter onder het gemiddelde, terwijl er eveneens sprake is van een aanzienlijke afname van het energieverbruik. Dit is te verklaren doordat de groei van de financiëledienstensector, ook op landelijk niveau, achterblijft sinds de financiële crisis die in 2008 begon. Daarbij zijn er door de financiële crisis meerdere vestigingen van banken gesloten, wat automatisch leidt tot een afname van het energieverbruik. Het kwadrant linksboven in figuur 3.17 (beperkte groei toegevoegde waarde, lage ontwikkeling finaal energieverbruik) kent nauwelijks voorbeelden.
Grootte van bol: energieverbruik in 2019 Bron: Klimaatmonitor & CBS Statline, bewerking CE Delft
108
Economische Verkenningen MRA 2021
Economische Verkenningen MRA 2021
109
Decompositie-analyse van het energieverbruik Tot slot maken we net als in het eerste deel van dit hoofdstuk een decompositie-analyse, maar nu van het energieverbruik in de MRA. Deze analyse biedt de mogelijkheid om de ontwikkeling van het energieverbruik ten opzichte van een referentiejaar te verklaren op basis van een aantal deelontwikkelingen, namelijk een samenstellingseffect (relatieve groei van sectoren ten opzichte van elkaar) en een sectoraal energiebesparingseffect (het verschil tussen de groei van toegevoegde waarde en energieverbruik binnen elke sector). In deze analyse kijken we naar de periode 2010-2019. Om het totale effect in beeld te brengen maken we onderscheid tussen sectoren met een lage12 en hoge13 energie-intensiteit. Hierbij gaan we uit van de energie-intensiteit in het jaar 2019. In de periode 2010-2019 is het energieverbruik van de huishoudens in de MRA met 3,7 petajoule (PJ) afgenomen naar 52,7 PJ. Deze daling is grotendeels toe te schrijven aan de energiebesparende maatregelen die de afgelopen jaren zijn genomen in woningen. Daar het energieverbruik in de sector Huishoudens sterk afhangt van het aantal woningen en nauwelijks van de toegevoegde waarde, zijn huishoudens buiten de decompositie-analyse gehouden in deze paragraaf.
Wel analyseren we de ontwikkeling van het finaal energieverbruik van de bedrijfssectoren in de MRA.14 De belangrijkste conclusie van de decompositie-analyse is dat samenstellingseffecten in belangrijke mate hebben bijgedragen aan het afnemend energieverbruik. De trend van de-industrialisatie en verdere ontwikkelingen naar een diensteneconomie binnen de MRA, hebben zich vertaald in een afname van het energieverbruik. Dat is logisch aangezien de dienstensector per euro toegevoegde waarde minder energie verbruikt. De afname van energie-intensieve
Sectoren met een lage energie-intensiteit zijn (van laag naar hoog): Onroerend goed, Overige zakelijke diensten, Financiële diensten, Specialistische zakelijke diensten, Overige dienstverlening, Bouw, Overheid, Handel (zowel groot- als detail-) en Onderwijs. 13 Sectoren met een hoge energie-intensiteit zijn (van laag naar hoog): Informatie en communicatie, Energie, water en afvalbeheer, Zorg, Vervoer en opslag, Cultuur, sport en recreatie, Horeca, Industrie en Landbouw. 14 Hierin zijn de sectoren Delfstoffen (SBI B) en Extraterritoriale organisaties (SBI U) wegens gebrek aan data niet meegenomen. 12
110
Economische Verkenningen MRA 2021
Economische Verkenningen MRA 2021
111
activiteiten levert een bijdrage aan de vermindering van scope 1 emissies (emissies die binnen de regiogrenzen van de MRA meetellen), maar niet noodzakelijk in een afname van emissies die voortvloeien uit het consumptiepatroon van MRA-inwoners binnen en buiten de MRA. Kader 3.2 Decompositie-analyse van het energieverbruik in de MRA Figuur 3.18 laat zien dat het finaal energieverbruik in de gehele MRA afneemt met 14,9 procent. Het samenstellingseffect is met –16,4 procent het grootst (–2,0 procent in sectoren met een lage energieintensiteit en –14,4 procent in sectoren met een hoge energieintensiteit). Dit houdt in dat er sprake is van een verschuiving van de energie-intensieve industrie naar dienstverlenende sectoren met een lager energieverbruik. Het sectorale energiebesparingseffect is 1,4 procent (–1,2 procent in sectoren met een lage energie-intensiteit en 2,6 procent in sectoren met een hoge energie-intensiteit). Dit is het resultaat van energiebesparingsinspanningen binnen sectoren en/of het gevolg van een verschuiving van activiteiten binnen sectoren.15 Figuur 3.18 Afname finaal energieverbruik vooral door samenstellingseffecten Finaal energieverbruik 2010-2019 Totale besparing in %
Sectoren met lage energie-intensiteit
-14,9
Sectoren met hoge energie-intensiteit
-3,1 Samenstellingseffect -2,0
-11,8
Sectoraal Samenstellingsenergiebesparingseffect effect -1,2
-14,4
Sectoraal energiebesparingseffect
Samenstellingseffect Het samenstellingseffect betreft de verandering in het energieverbruik als gevolg van verandering van de economische omvang (toegevoegde waarde) van de sectoren binnen de economie van de MRA. In zowel sectoren met een lage energie-intensiteit als sectoren met een hoge energie-intensiteit heeft een verschuiving tussen sectoren plaatsgevonden die voordelig is geweest voor het totale finaal energieverbruik in de MRA. Dit houdt in dat er een verschuiving heeft plaatsgevonden van de energie-intensieve industrie naar energieextensieve sectoren zoals dienstverlening. Deze verschuiving heeft dus overall een afname van het energieverbruik in de MRA tot gevolg gehad. Sectorale energiebesparingseffecten Het sectorale energiebesparingseffect is in kaart gebracht door de sectorale samenstelling constant te houden en de resterende verschillen te relateren aan de energie-intensiteit. De laatste vormen dan een indicatie van het resultaat van energiebesparingsinspanningen binnen de sector zelf en/of kunnen het gevolg zijn van een verschuiving van activiteiten binnen sectoren. Binnen de MRA is het finaal energieverbruik in de sectoren met een lage energie-intensiteit afgenomen, mogelijk als resultaat van het vergroten van de energie-efficiëntie.