CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

def-rapport-jeugdbescherming-regio-amsterdam.pdf

Tijdelijke Algemene Raadscommissie 15 april 2026, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Raadsinformatiebrief Inspectierapport en verbeterplan Jeugdbescherming Amsterdam (VN2026-004510)31.691 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Een ketenpartner die betrokken was bij zo’n voorbeeld over terugplaatsing van een jeugdige, geeft aan dat het visieverschil niet in de weg heeft gestaan bij de samenwerking, die was in deze casus wel goed. Gezinsmanager: “Het visieverschil over wel of niet gesloten plaatsing aanvragen heeft geleid tot spanningsvolle momenten, maar niet geleid tot verstoring in samenwerken.”

42

Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid

Tekortkomingen

 Regievoering is bij gezinnen op de monitorlijst onvoldoende, omdat dit gedeeltelijk belegd wordt bij overige hulpverlenende instanties.

 Regievoering blijkt niet uit alle dossiers.  Ondanks dat er samengewerkt wordt met andere hulpverlenende instanties, blijkt onvoldoende uit de dossiers hoe het gezinsplan aansluit op de hulpverleningsplannen van (jeugd)hulpverleners.

Norm 3.3 Norm De professional evalueert met betrokkenen de ontwikkeling en de veiligheid van de jeugdige op basis van het plan en de aanvullende (veiligheids)afspraken.

Oordeel

+

Waar kijken de inspecties naar? Het beeld van de jeugdige, ouders en het netwerk leggen de professionals vast in het cliëntendossier. De professional legt afspraken over wie wat doet vast. Professionals zorgen voor inzichtelijke en actuele dossiervoering waaruit blijkt dat zij planmatig werken. De voortgang en de resultaten van de begeleiding en ingezette hulp evalueren de jeugdige, ouders, en de betrokken professionals met een passende frequentie. De professional bespreekt de voortgang periodiek en (indien aan de orde) in een MDO of casuïstiekbespreking. Een kernbesluit wordt zorgvuldig en multidiISCplinair genomen. Bij een besluit zijn jeugdige en ouders zelf betrokken. Daarnaast is bij de afweging en het besluit een gedragswetenschapper betrokken. Dossiervoering en planmatig werken Gezinsmanagers vertellen aan de inspecties dat door teammanagers gestuurd wordt op de compleetheid van dossiers zodat ze zo nodig intern overgedragen kunnen worden. De sturing vindt onder andere plaats in casuïstiekoverleggen: een keer per drie maanden wordt de hele caseload van een gezinsmanager doorgelicht, alle vragenlijsten en keuzes, om voortgang te volgen. Ook in individuele overleggen tussen de gezinsmanager en teammanager is dossiervoering een vast onderwerp.

Als de bureaudienst iets niet kan terugvinden in een dossier, is de regel dit direct te laten weten aan het verantwoordelijke team, vertelt een gezinsmanager. De inspecties zien dat de cliëntdossiers actueel zijn en dat documenten, gesprekken en besluiten op een eenduidige manier worden opgeslagen in de cliëntdossiers. Er is een dossiernummer per gezin, waarin een ‘gezinsdossier’ zit en ‘kinddossier’ per kind in het gezin. In werkprocessen over de uitvoering van de ISC/FFP-methodiek staat beschreven welke besluiten en documenten de gezinsmanagers en ondersteuners op welk moment vastleggen in de dossiers. Zo worden dossiers volgens een vast stramien gevuld, vertellen gezinsmanagers. In de dossiers worden mijlpalen ingevuld conform de fases uit de methodiek. Zodra het gezinsplan is vastgesteld is fase 1 afgelopen en start fase 2. Deze lijnen om de verschillende fases te duiden zijn duidelijk zichtbaar voor de inspecties in de dossiers in het tijdlijn overzicht. Gezinsmanagers vertellen dat in fase 1 vooral de ‘metingen’ van belang zijn en in fase 2 ‘resultaten’ goed bijgehouden moeten worden.

43

Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid

In de tijdlijn staan ook punten verwerkt wanneer contact met het gezin is geweest, wanneer vragenlijsten zijn ingevuld en wanneer kernbesluiten zijn genomen. Kernbesluiten en interne casuïstiek In gesprekken met gezinsmanagers, teammanagers en gedragsdeskundigen horen de inspecties dat gezinsplannen worden vastgesteld in een BTO. De gedragsdeskundige beschrijft de goedkeuring hiervan in het dossier. Hierbij is het basisteam van alle gezinsmanagers, gedragsdeskundige en teammanager aanwezig. Voor jeugdreclassering wordt de gezinsmanager van het Top1000-team gevraagd voor de kernbesluiten. In voorkomende gevallen kan ook een gedragsdeskundige betrokken worden. Overige kernbesluiten en belangrijke beslissingen worden in het BTO genomen, altijd in aanwezigheid van een gedragsdeskundige. Doordat besluiten in de teams genomen worden, voelt het voor gezinsmanagers als gedragen teambesluit. Een gezinsmanager is wel het aanspreekpunt, maar doet het niet alleen. Teammanagers vertellen dat de caseload als team wordt opgepakt. Gezinsmanagers zijn wel verantwoordelijk per gezin, maar zeker in ingewikkelde casussen, lever je echt een team-effort. Teammanager: “Door onze BTO’s hebben we zicht op medewerkers en gezinnen.” Gedragsdeskundigen vertellen dat alles wat over veiligheid van de jeugdige gaat, ingebracht wordt in de BTO’s.

Zowel gedragsdeskundigen en gezinsmanagers laten weten dat gezinsmanagers ook tussendoor, wanneer nodig, contact opnemen. Elk team heeft een vaste gedragsdeskundige, en mocht deze die dag afwezig zijn dan is een andere gedragsdeskundige beschikbaar, als onderdeel van de bureaudienst. In teams met een apart monitorteam zijn wekelijks casuïstiekoverleggen gepland met teammanager, gezinsmanagers, gedragsdeskundige en teamondersteuners. Zij nemen de monitorlijst door voor prioritering. In het monitorteam wordt er door teammanagers op gestuurd dat binnen vijf dagen na aanmelding het gezin gezien wordt en veiligheidsafspraken gemaakt worden. De gedragsdeskundige besluit over de prioritering, de teammanager bewaakt het overzicht en is verantwoordelijk, horen de inspecties van de teammanagers en de raad van bestuur. Daarnaast neemt het team beslissingen of ze gezinnen kunnen doorverwijzen naar andere hulpverlening en wanneer huisbezoeken of UVO’s moeten plaatsvinden. Gezinsmanager: “We pushen niet dat een gezin naar de doorstroomlijst moet, maar drie jaar in een gezin blijven is ook niet nodig, want we hebben een wachtlijst.” Uit gesprekken met gezinsmanagers die naast hun eigen caseload ook contact hebben met gezinnen op de monitorlijst, horen de inspecties dat de monitorlijst een keer per twee weken in het BTO wordt doorgenomen.

Tijdens deze overleggen bekijkt het team ook of gezinnen van de reguliere lijst naar de doorstroomlijst kunnen. In drie van de zeven dossiers van de monitorlijst zien de inspecties afspraken en vervolgacties uit deze overleggen in het dossier staan. In twee dossiers zien de inspecties dit helemaal niet terug en in twee deels. In drie van de vier dossiers waar een vaste gezinsmanager bij betrokken is, zien de inspecties uitkomsten van de interne overleggen staan, in een ervan gedeeltelijk. Een teammanager vertelt dat deze een apart Excel overzicht bijhoudt met alle afspraken die tijdens de overleggen over de monitorlijst worden genomen.

44

Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid

Betrokkenheid ouders en jeugdigen bij besluiten In de gesprekken met de ouders vertelt een van de ouders dat het perspectief al duidelijk is, maar dat de ouder niet bij dat besluit betrokken is. Een pleegouder vertelt meegenomen te worden in de besluiten. Met de andere ouders is hier niet over gesproken. In de vragenlijst is gevraagd of ouders en jeugdigen betrokken worden bij de besluitvorming. Daarbij antwoordt 41% niet te worden betrokken, 32% soms en 27% altijd. Evaluatie van de voortgang Volgens de ISC/FFP-methodiek worden eens per zes tot acht weken UVO’s gepland met het gezin en de betrokken hulpverlening. Van ketenpartners en gezinsmanagers horen de inspecties deze frequentie terug. Een gezinsmanager en een ketenpartner geven ook een voorbeeld dat UVO’s in een langlopende voogdijzaak weinig gehouden worden en in zaken waar nu veel speelt, de partijen veel vaker met elkaar om de tafel zitten. De UVO’s benoemen ketenpartners als helpend, ketenpartners kunnen input leveren en de grote besluiten worden tijdens UVO’s gezamenlijk genomen. Bij de UVO’s zitten volgens gezinsmanagers en ketenpartners ook de gezinnen, indien dit mogelijk is. Het gaat tijdens UVO’s altijd over actuele veiligheid, het evalueren van de afspraken en doelen, vertellen gezinsmanagers.

In de dossiers die de inspecties hebben ingezien met de gezinsmanagers, zien de inspecties dat er UVO’s zijn uitgevoerd. Hierbij waren alle betrokken hulpverleners en het gezin aanwezig. Een van de ouders meldt aan de inspecties dat er nog geen plan is en dat er niet op geëvalueerd kan worden. Een van de jeugdigen vertelt dat er geen evaluaties met de gezinsmanager zijn, maar dat de hulpverlening goed is. Tekortkoming

 In de dossiers staan onvoldoende de afwegingen die binnen de BTO’s genomen worden en de acties die daaruit volgen beschreven

Norm 3.4 Norm De professional heeft zicht op de ontwikkeling en veiligheid van de jeugdige.

Oordeel -

Waar kijken de inspecties naar? De professional heeft een actueel beeld van de ontwikkeling en veiligheid van de jeugdige, wat er gebeurt in het gezin of pleeggezin, gezinshuis of pleeggezin waar de jeugdige verblijft en in de voortgang die wordt geboekt op de in het plan van aanpak gestelde doelen en komt in actie als voortgang uitblijft. De professional bespreekt mogelijke zorgen over de veiligheid met de jeugdige en vraagt de jeugdige zélf naar zijn visie op de situatie. De professional heeft zelf contact met de jeugdige. Professionals zijn alert op signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling en volgen in geval van signalen de stappen van de meldcode Huiselijk geweld en kindermishandeling. Actueel beeld van de veiligheid en ontwikkeling In de individuele gesprekken met gezinsmanagers horen de inspecties dat de gezinsmanagers een goed actueel beeld van de ontwikkeling en actuele veiligheid van de jeugdigen hebben van gezinnen in hun caseload. De inspecties horen van de gezinsmanagers wat er nu speelt, zowel over de veiligheid, maar ook over bijvoorbeeld 45

Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid

ontwikkeling van de jeugdigen op school. Dit beeld lezen de inspecties in de dossiers terug. In vier dossiers die de inspecties hebben ingezien van een gezin met een vaste gezinsmanager, zien de inspecties dat er afspraken zijn gemaakt hoe de gezinsmanager zicht houdt op de veiligheid van de jeugdige. Gezinsmanagers richten zich aan het begin van het traject met name op actuele veiligheid, maar maken ook plannen voor blijvende veiligheid. De inspecties zien in de dossiers twee lijnen in het tijdlijn overzicht, waarbij een lijn de actuele veiligheid aangeeft en een tweede de blijvende veiligheid. Tijdens elk contactmoment met het gezin maken gezinsmanagers een meting van actuele veiligheid en zetten ze een cijfer hiervan in het dossier. Gezinsmanagers vertellen dat ze zicht krijgen op de actuele veiligheid door zowel de jeugdigen zelf te spreken, maar waar nodig ook het netwerk en overige hulpverleners. In de individuele gesprekken met de gezinsmanagers horen de inspecties dat de gezinsmanager een duidelijke beschrijving geven van de actuele veiligheid en ontwikkeling van de jeugdigen. Ketenpartners vertellen aan de inspecties dat veiligheid en ontwikkeling bij elk contactmoment tussen hen besproken worden.

Bij sommige casussen wordt het beeld vaker gedeeld en besproken dan bij andere casussen, afhankelijk van de situatie en de gezinsmanager, horen de inspecties van ketenpartners. Wanneer de actuele veiligheid in het geding komt, geven gezinsmanagers in het dossier uitleg en zetten ze acties uit om de actuele veiligheid te vergroten en daarmee richting blijvende veiligheid te gaan. De inspecties zien tijdens de gesprekken met de gezinsmanagers hier voorbeelden van in dossiers. In de elf dossiers waarin de inspecties hebben gekeken naar de risico-inschatting, zien de inspecties acht keer wel, twee keer deels en een keer geen actuele risico-inschatting terug. Zoals in norm 3.3 is aangegeven wegen de gezinsmanagers alle afwegingen rondom de veiligheid van de jeugdigen met gedragsdeskundigen af. De ontwikkeling van de jeugdige en de voortgang op doelen wordt tijdens BTO’s intern besproken en tijdens UVO’s met alle betrokken hulpverleners bij het gezin. Jeugdigen alleen spreken Voor de mate waarin de gezinsmanagers contact hebben met de jeugdige alleen verwijzen de inspecties naar de bevindingen onder norm 3.1. Van gezinsmanagers horen de inspecties dat ze met jeugdigen spreken over de veiligheid, maar ook bijvoorbeeld hoe ze ontwikkelen op school en bij de hulpverlening.

In een casus van jeugdreclassering horen de inspecties dat de gezinsmanager regelmatig over veiligheid spreekt en waarschuwingsgesprekken voert over de reclasseringsvoorwaarden en de consequenties hiervan. Beeld jeugdige op de monitorlijst In het document “Monitorgezinnen in relatie tot onze missie” beschrijft Jeugdbescherming Regio Amsterdam dat een gezin waarin minder bemoeienis van Jeugdbescherming Regio Amsterdam kan zijn, aan ketenpartners wordt gevraagd voldoende de ontwikkeling en veiligheid in beeld te houden en waar nodig op te schalen richting Jeugdbescherming Regio Amsterdam. In gesprek met gezinsmanagers, horen de inspecties deze werkwijze terug. De gezinsmanager vertelt dat deze afspraken in het dossier gezet moeten worden.

46

Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid

Daarnaast ziet of spreekt Jeugdbescherming Regio Amsterdam minimaal een keer per maand het hele gezin, om de actuele situatie in het gezin te bespreken, vertellen de raad van bestuur, gezinsmanagers, teammanagers en gedragsdeskundigen. Van gezinsmanagers die specifiek voor de monitorlijst werken, horen de inspecties dat teamondersteuners vragenlijsten aan ouders en school sturen met het verzoek die in te vullen en terug te sturen. Op deze manier kunnen gezinsmanagers vinger aan de pols houden zonder op pad te gaan, horen de inspecties van de gezinsmanagers. In de cliëntdossiers van gezinnen zonder vaste gezinsmanager zien de inspecties meerdere situaties waarin Jeugdbescherming Regio Amsterdam geen volledig beeld heeft van de ontwikkeling en de veiligheid van de jeugdigen binnen een gezin. Tekortkomingen

 Jeugdbescherming Regio Amsterdam heeft onvoldoende zicht op de ontwikkeling van de jeugdigen wanneer het gezin op de monitorlijst staat.

 De inspecties zien in de dossiers van de monitorlijst onvoldoende terug hoe de ontwikkeling verloopt en wat er met de jeugdigen alleen besproken wordt.

Norm 3.5 Norm De professional maakt systematische afwegingen over de veiligheid van de jeugdige.

Oordeel ++

Waar kijken de inspecties naar? De professional maakt systematische afwegingen over de veiligheid van de jeugdige in relatie tot diens ontwikkeling. Deze afwegingen komen waar nodig in een multidisciplinair overleg tot stand en de professional legt deze navolgbaar vast in het dossier. Instrumenten veiligheidsinschatting De eerste inschatting van de veiligheid met behulp van de HAVIK, de ARIJ en het LIJ staat beschreven in de bevindingen onder norm 1a.2. De ARIJ wordt ingevuld op basis van informatie die is opgehaald bij het gezin en de ketenpartners. Hiervoor moeten gezinsmanagers het gezin hebben gezien en hebben gesproken met alle gezinsleden, dus ook met de jeugdigen, over de veiligheid. Een van de gezinsmanagers vertelt dat als zij de ARIJ een keer niet samen met het gezin invult, hier een toelichting in het dossier zet waarom deze afweging gemaakt is. Systematische afwegingen over veiligheid Gedurende de begeleiding, maken gezinsmanagers tijdens elk contactmoment een afweging van de actuele veiligheid en staat dit cijfer in het dossier beschreven, zoals beschreven in norm 3.2. Als er nieuwe actuele onveiligheid ontstaat, gaan gezinsmanagers opnieuw op huisbezoek en vullen ze opnieuw een HAVIK in, lezen de inspecties in de instructies van de ISC/FFP-methodiek.

Daarnaast, zo vertellen gedragsdeskundigen en gezinsmanagers, vullen gezinsmanagers minimaal elke negen maanden en bij elk kernbesluit een ARIJ in. In de dossiers die de inspecties inzien samen met gezinsmanagers, zien de inspecties dat de ARIJ regelmatig opnieuw wordt ingevuld. Een gedragsdeskundige vertelt dat inzichtelijk is wanneer een ARIJ verloopt en dat zowel teammanagers als gedragsdeskundigen hierop sturen bij de gezinsmanagers.

47

Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid

Voor gezinnen op de monitorlijst maken gezinsmanagers elke vier weken een veiligheidsinschatting op basis van het contact met het gezin. Zodra er zorgen zijn over de actuele veiligheid binnen een gezin, wordt de prioritering aangepast, vaak in een BTO, horen de inspecties van gezinsmanagers, teammanagers en gedragsdeskundigen. Intern en extern overleg over veiligheid De inspecties horen in gesprek met de gedragsdeskundigen en gezinsmanagers dat overleg rondom (on)veiligheid altijd in multidisciplinair overleg plaatsvindt. Dit gebeurt tijdens het BTO, maar als het niet kan wachten, ook tussendoor in individuele afstemming tussen gezinsmanager en gedragsdeskundige. Van een ketenpartner horen de inspecties twee voorbeelden waaruit blijkt dat de gezinsmanager en de ketenpartner samen constant afwegingen maken over de veiligheid van een jeugdige. Een andere ketenpartner stelt vertrouwen te hebben dat Jeugdbescherming Regio Amsterdam wel aan de bel trekt wanneer er iets op veiligheidsgebied niet lijkt te kloppen.

Norm 3.6 Norm De professional handelt op signalen van onveiligheid.

Oordeel ++

Waar kijken de inspecties naar? De professional gaat systematisch na of gemaakte veiligheidsafspraken toereikend (kunnen) worden nageleefd en grijpt in als dit onvoldoende gebeurt. Professionals handelen bij onveilige situaties door de risico’s op onveiligheid te verminderen, weg te nemen of de jeugdige en ouders de vaardigheden te leren met deze risico’s om te gaan. Indien nodig betrekken zij hier andere expertise bij. Handelen bij onveiligheid Gezinsmanagers vertellen dat het handelen bij onveiligheid is ingebakken in hun werkwijze. Ze vertellen dat er streng wordt gestuurd op de veiligheidscheck die gezinsmanagers moeten hebben gedaan in de eerste zes weken en de inzet van hulp in geval van acute onveiligheid. Binnen de eerste vijf dagen worden veiligheidsafspraken gemaakt met het gezin en wordt afgestemd wie uit het netwerk hierop kan toezien. In geval van nieuwe actuele onveiligheid controleren ze of de gemaakte veiligheidsafspraken toereikend zijn en passen ze deze aan, vertellen gezinsmanagers. Vier van de vijf gesproken ouders vertellen aan de inspecties dat er veiligheidsafspraken gemaakt zijn met de gezinsmanager, waarbij een ouder vertelt dat deze afspraken vooral met de jeugdige gemaakt zijn en niet met de ouder zelf.

Een van de jeugdigen weet het niet, een andere vertelt dat Jeugdbescherming Regio Amsterdam snel heeft gehandeld toen het door onveiligheid nodig was. Een ketenpartner geeft een voorbeeld samen met de gezinsmanager richting de ouder van het gezin te bespreken hoe deze kan handelen naar aanleiding van zorgen rondom de actuele veiligheid van de jeugdige. De stappen van de meldcode worden in deze situatie gevolgd. In de dossiers die de inspecties met gezinsmanagers hebben bekeken, staan duidelijke veiligheidsafspraken. Daarbij lezen de inspecties hoe er gehandeld moet worden wanneer de afspraken geschonden worden. Ook worden veiligheidsafspraken waar nodig aangepast. Tevens hebben de inspecties een voorbeeld gezien waar bij aanvullende risico’s op onveiligheid direct externe expertise is ingeschakeld en een overleg is gepland met alle betrokken hulpverleners bij de woonplek van de jeugdige, ter 48

Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid

verhoging van de actuele veiligheid. In een ander dossier lezen de inspecties dat er vier huisbezoeken in een maand zijn gedaan door de gezinsmanager omdat er sprake was van verminderde veiligheid. De monitoring van gezinnen op de monitorlijst is vooral gericht op veiligheid, horen de inspecties van gezinsmanagers, gedragsdeskundigen en teammanagers. Gezinsmanagers vertellen dat ze minder doen dan bij reguliere gezinnen, maar wel handelen bij acute onveiligheid, op basis van informatie van de gezinnen zelf of overige betrokkenen die zicht hebben op de gezinnen. Gezinsmanager: “We zijn bezig met brandjes blussen. De brandjes moeten we wel zien, bijvoorbeeld doordat wij of de gezinnen contact opnemen.” Gezinsmanagers vertellen hulp in te kunnen zetten als er gedurende de tijd op de monitorlijst signalen komen vanuit het gezin, politie of Veilig Thuis. Hier zien de inspecties in dossiers enkele voorbeelden van terug.

49

Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid

Thema 4: Gevolgen van wachttijden voor kinderen, gezinnen en ketenpartners In dit hoofdstuk laten de inspecties zien wat de gevolgen van wachttijden binnen de jeugdbescherming, jeugdreclassering en toeleiding naar jeugdhulp zijn voor jeugdigen en gezinnen. Waar kijken de inspecties naar? De inspecties hebben in dit toezicht oog gehad voor de effecten die het wachten op bescherming, begeleiding en/of het wachten op hulp hebben voor jeugdigen en gezinnen. Doel hiervan is om ‘voorbij de cijfers’ te kijken en te laten zien wat de knelpunten in de keten in de praktijk betekenen.

Situatie bij de start van de maatregel In gesprek met de inspecties geven gezinsmanagers aan dat gezinnen soms lang bij het lokale team ondergebracht blijven. Dan is wel sprake van ‘jeugdbescherming in de wijk’ en preventieve jeugdbescherming, maar ook daar is een wachtlijst. Gezinsmanagers ervaren dat het uitvoeren van een gedwongen maatregel hierdoor extra ingewikkeld is. De onveiligheid is vaak acuut als Jeugdbescherming Regio Amsterdam aan zet is, bij ouders is veel weerstand. Gezinsmanager: “Ik had vanochtend een gesprek met Raad voor de Kinderbescherming, die vroeg of er een gezinsmanager beschikbaar was als de Raad voor de Kinderbescherming een ondertoezichtstelling vraagt. Daar kun je geen garanties over geven. Maar betekent dat dan dat er geen verzoek wordt gedaan? Dat vraag je je dan wel af.”

Gevolgen van wachten op een vaste jeugdzorgwerker, wisselingen van jeugdzorgwerker Gezinsmanagers vertellen dat zij niet precies weten wat het effect van het wachten op een vaste jeugdbeschermer is als het gaat om (verergering van) problematiek van jeugdigen. Zij benoemen dat zij hopen dat het in veel gevallen hetzelfde blijft. Maar zij zien ook vaak een verslechtering van de thuissituatie of stijging van schoolverzuim. Ouder (vragenlijst): “Voordat [naam gezinsmanager] ons werd toegewezen is het lange tijd stil geweest vanuit jeugdbescherming. [Naam jeugdbeschermer] hebben we nog niet persoonlijk mogen ontmoeten, maar het contact wat er is geweest verliep prettig. En we vinden dat ze zich ook goed inzet voor [naam kind]. Maar [naam gezinsmanager] heeft aangegeven tijdelijk te zijn. Dat betekent dat [naam kind] straks weer moet wennen aan een nieuwe opvolger. Dat wordt dan de vierde.” Gedragswetenschappers vertellen dat de periode op de monitorlijst het opbouwen van de relatie met de gezinnen bemoeilijkt en dat gezinnen hierdoor minder gemotiveerd zijn op het moment dat een vaste gezinsmanager met het gezin aan de slag gaat. Ook ketenpartners vertellen dat gezinnen hun vertrouwen in de jeugdzorg kwijt raken.

Dit komt ook naar voren in de gesprekken die de inspecties met ouders en jeugdigen hebben gevoerd en in de reacties van ouders en jeugdigen op de vragenlijst van de inspecties.

50

Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid

De inspecties zien grote verschillen hoe ouders en jeugdigen over hun gezinsmanagers of over Jeugdbescherming Regio Amsterdam spreken. Als ouders of jeugdigen geen vaste gezinsmanager hebben, zijn zij vaak negatief. In hun reacties is zichtbaar dat zij hierdoor weinig vertrouwen hebben, de ondertoezichtstelling niet serieus nemen, of zich zorgen maken over hun kind(eren). Andere ouders benoemen dat zij te maken hebben met telkens nieuwe gezinsmanagers die elke keer kennis willen maken, wat ouders veel energie kost. Ook gezinsmanagers vertellen dat zij zien dat dit voor ouders en jeugdigen een zware belasting is, omdat zij steeds opnieuw hun verhaal moeten vertellen. Gezinsmanagers vertellen ook dat ouders het soms wel fijn vinden als er geen vaste gezinsmanager is, omdat zij dan geen bemoeienis hebben. Maar andere ouders schreeuwen juist om hulp en willen wel actieve bemoeienis. Ouders voelen zich volgens gezinsmanagers onvoldoende gezien en gehoord. Ouder: “Gezinsmanager A praat niet met B en dan komt C en die is nergens van op de hoogte. Je moet iedere keer je verhaal opnieuw vertellen. Een verbeterpunt voor de organisatie is dat de communicatie beter moet en zorgen voor één vast aanspreekpunt.” Bijna de helft van de ouders en jeugdigen geeft in antwoord op de vragenlijst die de inspecties hebben uitgezet aan dat zij een periode geen vaste gezinsmanager hebben gehad.

In de open reacties op de vragenlijst benoemen meerdere ouders dat zij last hebben van (soms onaangekondigde) wisselingen tussen gezinsmanagers, van onvoldoende beschikbaarheid en bereikbaarheid als zij geen gezinsmanager hebben en dat zij slecht worden geïnformeerd. Ook signaleren meerdere ouders dat er niets gebeurt, of weinig gebeurt om de veiligheid van hun kind te verbeteren. Ouder (vragenlijst): “We hebben negen maanden zonder gezinsmanager gezeten maar er was wel een ondertoezichtstelling. Ik kon nergens heen met mijn zorgen en vragen, ik werd van het kastje naar de muur gestuurd”. Verschillende ouders benoemen in de online vragenlijst dat er sinds de start van de maatregel helemaal geen contact is geweest. Een ouder schrijft in de toelichting op de vragenlijst dat de OTS in oktober 2024 is uitgesproken, maar dat er tot op heden (april 2025) geen gezinsmanager beschikbaar is. Deze ouder heeft niemand gesproken of gezien. Een andere ouder geeft aan dat er al zeven maanden geen jeugdbeschermer in beeld is, geen gezinsplan en geen contact met ouder en met jeugdige.

Gevolgen: Verlenging van een jeugdbeschermingsmaatregel, onvoldoende regie en zicht De inspecties horen van een gezinsmanager een voorbeeld van een zaak waarbij de OTS voor negen maanden is uitgesproken, maar waar in de eerste zes maanden geen vaste gezinsmanager betrokken is geweest. Hierdoor moet de maatregel worden verlengd. Ook gedragswetenschappers benoemen dat een maatregel soms moet worden verlengd doordat er nog geen gezinsmanager betrokken is geweest. De duur van de maatregel is dan dus langer omdat de bescherming of de hulp te laat start. Gezinsmanagers vertellen dat rechters hier niet altijd in meegaan. In de periode dat gezinnen bij de start geen vaste gezinsmanager hebben, is het lastig regie te voeren over alle hulpverlening die betrokken is bij het gezin. Gezinsmanagers vertellen dat hulpverleners geen regievoerders zijn en alleen naar hun eigen aandeel in de hulp aan het gezin kijken. Volgens gezinsmanagers is het heel lastig om dan weer te

51

Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid

herstellen wat verkeerd is gegaan. Bijvoorbeeld als in die periode ouders steeds verder van elkaar af zijn komen te staan. Casus – onvoldoende zicht Een jonge jeugdige waarover acht maanden geleden voogdij is uitgesproken, in verband met mogelijk misbruik door diens verzorger. Gezinsmanagers hebben de jeugdige zelf nog niet gesproken, omdat verzorgers aangeven in het buitenland te zitten. JBRA zoekt ongeveer elke maand contact met het gezin. De veiligheid wordt gescoord als zorgelijk op basis van dit contact, maar het lukt niet om zicht te krijgen op de actuele veiligheid van de jeugdige. De teammanager wist bij navraag direct te vertellen welke casus dit betrof en was inhoudelijk goed op de hoogte van de situatie. Inmiddels heeft JBRA met hun juristen besloten dat deze maatregel niet uitvoerbaar is en moet worden teruggelegd bij de Raad voor de Kinderbescherming. Teammanager: “Een buikpijndossier […] als deze casus niet op de monitorlijst had gestaan, had een vaste gezinsmanager binnen drie maanden door gehad dat de voogdij niet uitvoerbaar was.”

Gevolgen voor gezinsmanagers Van zowel het bestuur, de gedragsdeskundigen, de gezinsmanagers en de teammanagers horen de inspecties dat het werken met de monitorlijst morele dilemma’s oplevert bij de gezinsmanagers, omdat zij niet kunnen betekenen voor een gezin wat ze zouden willen. Tevens heeft het werk dat gezinsmanagers naast hun reguliere taak voor de instroomlijst moeten doen, zoals binnen vijf werkdagen het gezin zien, gevolgen voor de tijd die ze aan hun reguliere gezinnen kunnen besteden. Gezinsmanagers geven aan dat zij met 10-0 achter staan als ouders en jeugdigen lang hebben moeten wachten en hun maatregel niet direct is opgepakt. Gezinsmanager monitorlijst: “We kunnen op de wachtlijst minder, want als we dan wel een volledige analyse gaan maken, kunnen ze net zo goed niet op de wachtlijst staan, maar heb ik een hogere caseload.” De gezinsmanagers ervaren last van de tekorten van de SKJ- geregistreerde gezinsmanagers: ze vertellen de inspecties dat ze soms keuzes moeten maken die morele dilemma’s opleveren. De inspecties horen dat een team waarbij een hoge instroom van nieuwe gezinnen is, hoge impact heeft op het team. De nieuwe instroom vraagt werk aan de voorkant, is vaak acuut, dus werk in reguliere lopende zaken blijft dan liggen. Dat werk schuift op, en de werkdruk verschuift hierdoor.

Een gevolg hiervan is dat gezinsmanager dan verzwaring van de caseload ervaren, lopende brandjes aan het blussen zijn, om de crisissen op de monitorlijst tegen te gaan. Van gezinsmanagers horen de inspecties dat deze morele dilemma’s in het gehele team gedragen worden. De tekorten maken dat gezinsmanagers te weinig tijd hebben om hun werk te willen doen zoals ze zouden willen.

52

Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid

Gezinsmanager: “Er is een hoge mate van onderbezetting, wat een belangrijk punt is om mee te nemen. De afgelopen 25 jaar heeft het werk zich ontwikkeld. Jeugdbescherming Regio Amsterdam heeft zich wel echt verdiept in hoe ze regie moeten voeren. We hebben training, opleiding van junioren, tot beperken van de caseload en toepassen van de methodieken. Die zijn echter zeer moeilijk uitvoerbaar met de onderbezetting van nu.”

Passende hulp De inspecties horen van gezinsmanagers en zien in dossiers meerdere voorbeelden dat passende hulp niet of niet tijdig beschikbaar is. Gezinsmanagers vertellen dat er wel een breed aanbod is, maar dat overal wachtlijsten voor zijn. Zij vertellen dat zij wel een kwart van hun tijd bezig zijn met ‘lobbyen’, het organiseren van hulp. Gezinsmanagers benoemen dat soms de verkeerde hulp wordt ingezet, alvorens een gezinsplan is opgesteld. Zij noemen dit “hulpverleningsschade”, als onjuiste hulpverlening wordt ingezet, doordat er geen gezinsplan is. Zonder volledige gezinsanalyse kan een gezinsmanager niet de juiste hulp inzetten. Alleen de snel noodzakelijke hulp wordt ingezet, niet voor lange termijn. Ook een ouder vertelt dit: “Ze zijn wel druk bezig met hulpverlening, maar hebben geen volledig beeld van ons, het is nu gebaseerd op het dossier”. Gezinsmanagers geven aan dat zij veel investeren om gezinnen gemotiveerd te krijgen voor hulp. Dat gezinnen vervolgens (lang) op deze hulp moeten wachten, is volgens hen contraproductief. De gezinsmanagers benoemen dat zij vervolgens opnieuw kunnen beginnen met het gezin: de motivatie verdwijnt weer als de hulp niet op gang komt. Ook gedragswetenschappers benoemen dat jeugdigen en gezinnen vaak lang moeten wachten op hulp, nadat ze al lang hebben gewacht op een vaste gezinsmanager en een gezinsplan.

Ouder (vragenlijst): “Er is weinig tijd voor ons gezin en er is ook geen vaste jeugdbeschermer. Hierdoor krijg ik geen contact met de jeugdbeschermer. (…) Er zou ook hulpverlening moeten komen die ons als familie kan ondersteunen bij mijn ziekte, dit blijft al tijden uit.”

53

Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid

Thema 5: Goed bestuur In dit thema kijken de inspecties naar in hoeverre de organisatie op een goede wijze wordt bestuurd en een lerende organisatie is die zich voortdurend verbetert.

Oordeel Het oordeel van de inspecties op het punt van goed bestuur is grotendeels voldoende. De inspecties zijn positief over de transparantie van het bestuur, de cultuur binnen de organisatie en zien dat het bestuur haar visie actief uitdraagt binnen de organisatie. Het bestuur is in control, is op de hoogte van de dagelijkse praktijk en is zichtbaar binnen de organisatie. Jeugdbescherming Regio Amsterdam heeft werkgroepen en maakt en evalueert plannen om te blijven ontwikkelen en te verbeteren. Er is een werkende PDCA-cyclus en audits worden uitgevoerd. De randvoorwaarden op financieel vlak zijn op orde. Jeugdbescherming Regio Amsterdam is zeer transparant over het werken met het Handelingsperspectief, maar de nadelige effecten hiervan voor gezinnen maakt de instelling te weinig zichtbaar. Jeugdbescherming Regio Amsterdam heeft echter een structureel tekort aan personeel waardoor gezinsmanagers hun werk onvoldoende volgens wet- en regelgeving kunnen uitvoeren. Het bestuur houdt ondanks de tekorten op de arbeidsmarkt en de hoogte van de monitorlijst vast aan kwaliteitseisen en de verlaagde caseload voor gezinsmanagers, om de werkdruk voor hen beheersbaar te houden. De overige werkdruk verlagende maatregelen om het personeel te behouden en verzuim tegen te gaan, hebben nog onvoldoende effect.

Jeugdbescherming Regio Amsterdam bezit relevante diploma’s en verklaringen omtrent gedrag van de medewerkers. Het bestuur organiseert voldoende in- en tegenspraak, het is echter voor de cliëntenraad nog onvoldoende duidelijk wat met (ongevraagd) advies wordt gedaan. In onderstaand figuur ziet u wat de oordelen zijn van de inspecties op de normen die vallen onder dit thema.

Onderdeel:

Jeugdige centraal

‘In control’

Randvoorwaarden

Personeel

In- en tegenspraak

Oordeel:

+

+

++

-

+

Hieronder leest u per norm een toelichting op het oordeel van de inspecties.

54

Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid

Norm 5.1 Norm De bestuurder stelt belangen van jeugdigen centraal en is transparant in zijn handelen.

Oordeel +

Waar kijken de inspecties naar? De gecertificeerde instelling richt zich op kwalitatief goede, ontwikkelgerichte en veilige begeleiding aan de jeugdige met een passende missie en visie. De bestuurder weet waar de organisatie voor staat en draagt de daarbij passende normen en waarden actief uit, binnen en buiten de organisatie. Deze normen en waarden zijn zichtbaar in de organisatiecultuur en het gedrag van de bestuurder en de professionals. De bestuurder legt verantwoording af over de bedrijfsvoering en de resultaten van de begeleiding. Het bestuur weegt conflicterende doelen en belangen zorgvuldig, is daar transparant over en bespreekt dilemma’s met interne belanghebbenden. Besluitvorming vindt altijd plaats met het oog op patiënten en cliënten, interne betrokkenen en het publieke belang. Bestuurders stellen zich toetsbaar op in hun handelen. Zij richten hun beeld-, oordeels- en besluitvorming zo in, dat betrokkenen kunnen toetsen en advies kunnen geven. De voor- en nadelen en risico’s van het besluit blijven gedurende de procedure zichtbaar. Missie en visie Op de website en in verschillende documenten lezen de inspecties dat de missie van Jeugdbescherming Regio Amsterdam is “ieder kind blijvend veilig”. Deze missie komt terug in gesprekken met bestuur en professionals.

Tevens lezen de inspecties in het werkbelevingsonderzoek dat medewerkers achter de visie van Jeugdbescherming Regio Amsterdam staan. In de gesprekken horen de inspecties dat de centrale waarde van Jeugdbescherming Regio Amsterdam het gezin is en dat Jeugdbescherming Regio Amsterdam daarom gezinsgericht werkt, en niet alleen met de jeugdige. De visie is dat veel problemen van en voor een jeugdige voortkomen uit patronen binnen het hele gezin. De raad van bestuur benoemt dat verschillende uitingen bij kinderen vaak uit dezelfde problemen in het gezin naar voren komen. Daarom wordt de gezinsgerichte filosofie FFP en het daaruit voorkomende ISC ingezet. In alle gesprekken met medewerkers en ketenpartners horen de inspecties deze centrale visie terug. De raad van bestuur vertelt dat er geen discussie meer is met de gemeente over de gezinsgerichte visie van Jeugdbescherming Regio Amsterdam. De gemeente Amsterdam vertelt aan de inspecties dat deze visie een reden is om met Jeugdbescherming Regio Amsterdam te willen werken. Missie in belang van jeugdigen De raad van bestuur benoemt in gesprek met de inspecties dat zij tevredenheid van de kinderen belangrijker vindt dan de tevredenheid van ouders.

Ditzelfde lezen de inspecties op de GGWiki intranetpagina Cliënttevredenheid: Het doel ‘ieder kind veilig’ is bereikt als kinderen vinden dat ze goed geholpen zijn, terwijl hun ouders daar aan andere mening over hebben. De raad van bestuur laat aan de inspecties weten dat Jeugdbescherming Regio Amsterdam ook preventieve jeugdbescherming inzet, ter voorkoming van een verplichte maatregel. Er zijn in de regio minder uithuisplaatsingen uitgesproken in vergelijking met andere grote steden, daarin ziet Jeugdbescherming Regio Amsterdam het effect hiervan. Ondanks de wachtlijst, blijft Jeugdbescherming Regio Amsterdam geloven in de

55

Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid

vrijwillige jeugdbescherming, om uithuisplaatsingen en maatregelen te voorkomen die niet noodzakelijk zijn als er op tijd wordt ingegrepen. Tevens heeft Jeugdbescherming Regio Amsterdam gezinsmanagers die in de wijkteams werken, waardoor ze eerder problemen kunnen signaleren. De gemeente Amsterdam vertelt dat het samen oplopen met de wijkteams voor het wijkteam helpend is, en Jeugdbescherming Regio Amsterdam en de gemeente elkaar kunnen versterken. De raad van bestuur, raad van toezicht en de medewerkers vertellen het jammer te vinden dat de ontwikkelingen van het Toekomstscenario niet de gewenste kant op gaan en stil staan. De inspecties horen dat Jeugdbescherming Regio Amsterdam probeert succesvolle elementen uit de proeftuinen een plek te geven in de samenwerking met ketenpartners. Transparantie in werken met Handelingsperspectief. In het document “monitorgezinnen in relatie tot onze missie” lezen de inspecties dat Jeugdbescherming Regio Amsterdam gezinnen op de monitorlijst zo goed mogelijk in beeld willen houden en hoe Jeugdbescherming Regio Amsterdam uitvoering geeft aan de maatregelen voor de gezinnen op de monitorlijst. In tijd van schaarste moeten ze keuzes maken, om zich zo goed mogelijk in te zetten voor de meest kwetsbare gezinnen en hun veiligheid.

De gemeente Amsterdam vertelt aan de inspecties dat zij volledig zicht hebben op de monitorlijst van Jeugdbescherming Regio Amsterdam en dat de gemeente open gesprekken voert met Jeugdbescherming Regio Amsterdam over de monitorlijst en hoe deze kleiner kan worden. De raad van toezicht vertelt dat de monitorlijst geen geaccepteerd gegeven is. In de kwartaalrapportage 2024 en het overzicht jeugdigen met maatregel op peildatum 31 maart 2025, die Jeugdbescherming Regio Amsterdam heeft opgestuurd, lezen de inspecties dat het aantal gezinnen op de monitorlijst toeneemt. In de actielijst van de werkgroep ‘JB staat op’ (zie 5.4) is de monitorlijst een terugkerend punt op de agenda voor overleggen, zo lezen de inspecties. Er is vanuit deze werkgroep ook een keer geopperd om de instroom te stoppen. Dit staat voor bestuur en raad van toezicht ver af van de visie van Jeugdbescherming Regio Amsterdam. Raad van bestuur: “Wij weigeren geen gezinnen. Een opnamestop zorgt voor een piek zodra de stop wordt opgeheven. De problemen gaan dan naar de collega GI’s in de regio. Daarnaast, en dat is het belangrijkste: dan is er helemaal geen zicht op het gezin.” De ondernemingsraad vertelt het hiermee eens te zijn. Er is toen ook discussie over de inzet van gezinsmanagers bij preventieve zaken gevoerd.

De ondernemingsraad benoemt dat het een bewuste keuze is om hiermee door te gaan omdat ze waarde zien in de vrijwillige jeugdbescherming. Verbeterplannen voor de uitvoering van maatregelen Om zo goed mogelijk uitvoering te geven aan de maatregelen voor gezinnen op de monitorlijst en om de doorstroom naar het koppelen van een vaste jeugdbeschermer te bevorderen, zijn er binnen Jeugdbescherming Regio Amsterdam meerdere ontwikkelingen. Zo is er gewerkt met een pilot ‘Pilot Regionaal monitorteam’ waarin gewerkt werd met een nieuwe tijdelijke aanpak, om zo goed mogelijk aan de missie van Jeugdbescherming Regio Amsterdam te kunnen voldoen, ondanks het tekort aan SKJ-

56

Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid

geregistreerde professionals en oplopende werkdruk. De bestuurders vertellen dat er op basis van deze pilot nu een aangepast plan van aanpak wordt ontwikkeld. Daarnaast horen de inspecties een voorbeeld dat bij een van de teams, met de komst van een apart monitorteam in de desbetreffende regio, het goed is gelukt om op proces en inhoud zicht te krijgen of de inzet van Jeugdbescherming Regio Amsterdam nog noodzakelijk was en of er afgesloten of afgeschaald kon worden. Hier is toen stevig op gestuurd en is het gelukt de monitorlijst een flink stuk te verkleinen. Tegelijkertijd vertelt de teammanager dat de instroom zo hoog is dat de monitorlijst ten tijde van het toezicht weer tot dezelfde hoogte was gestegen. Verantwoording over bedrijfsvoering Op de eerste vraag aan wie de raad van bestuur verantwoording aflegt, is het antwoord dat ze dit aan veel verschillende partijen doen. In gesprekken met raad van toezicht horen de inspecties dat de raad van toezicht goed meegenomen wordt in besluitvoering over processen en de inhoud. Ze hebben niet gemerkt dat er iets speelt waar de raad van toezicht niet in wordt meegenomen. Ze kenmerken de bestuurders als transparant en verbindend. De ondernemingsraad vertelt goed meegenomen te worden door de bestuurders.

De gemeente Amsterdam vertelt aan de inspecties dat Jeugdbescherming Regio Amsterdam voldoende informatie aanlevert, dat ze meerdere keren per jaar overleggen en dat Jeugdbescherming Regio Amsterdam ook in verschillende stuurgroepen zit. In het auditrapport lezen de inspecties dat kwartaalrapportages en InZicht een goed beeld geven van de organisatie. Hierin lezen de inspecties verder dat Jeugdbescherming Regio Amsterdam relevante meetbare resultaatindicatoren levert en zich kan verantwoorden en op indicatoren wordt gestuurd. Op de website lezen en van de raad van bestuur horen de inspecties dat er vanaf 2021 geen jaarverslagen meer gemaakt worden, maar dat de maatschappelijke verantwoording nu elk kwartaal via ‘Openhartig’ gedaan wordt. De inspecties zien dat dit een openbaar document is, met zowel verhalen uit de praktijk, als cijfers over in-en uitstroom gezinnen, verloop van medewerkers en het aantal klachten dat is binnengekomen bij Jeugdbescherming Regio Amsterdam. Resultaten van de begeleiding Het overkoepelende doel van Jeugdbescherming Regio Amsterdam is om gezinnen niet meer terug te zien, vertelt de raad van bestuur. Onze opdracht is het doorbreken van de gezinspatronen, maar dan is het niet gelukt als de gezinnen terugkomen na afronding van een traject. Dit wordt nu sinds kort bijgehouden.

Op dit moment wordt bij Jeugdbescherming Regio Amsterdam gezien dat voor jeugdreclassering herhaling te zien is bij met name broertjes en zusjes van jeugdigen. Zij denkt dan dat dit komt omdat bij een jeugdreclasseringsmaatregelen gezinnen kunnen aangeven dat ze hun andere kinderen niet willen betrekken. De raad van bestuur meldt dat de terugkeer soms ook ligt aan afhechting van de begeleiding en overdracht naar het lokale team. Het lokale team werkt vraaggericht en als het gezin zelf geen hulpvraag meer tonen, is het voor het lokale team lastig om de hulp door te zetten. Een andere manier om te checken of het motto ‘ieder kind veilig’ is behaald, haalt Jeugdbescherming Regio Amsterdam uit het cliënttevredenheidsonderzoek (CTO) dat bij afsluiten van elk traject wordt gestuurd naar de cliënten. Conflicterende doelen en belangen De ondernemingsraad vertelt dat Jeugdbescherming Regio Amsterdam, net als andere GI’s, te maken heeft met conflicterende doelen. Bij Jeugdbescherming Regio Amsterdam gaat het daarbij met name om aan de ene kant het uitvoering geven aan de maatregel 57

Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid

voor gezinnen op de monitorlijst en aan de andere kant het behoud van personeel en de werkdruk. Dit conflict horen de inspecties terug van de raad van bestuur, teammanagers en gezinsmanagers. Hierbij laat de ondernemingsraad aan de inspecties weten dat het geen optie is om de gezinnen totaal niet te helpen. De raad van bestuur vertelt de inspecties dat zij de caseload voor gezinsmanagers niet zullen verhogen. Ondernemingsraad: “Hierbinnen kunnen we het regelen, maar de wachtlijsten in de jeugdhulp kunnen we niks aan doen.” De inrichting van de monitorlijst wordt in relatie met werkdrukverlaging besproken tussen de ondernemingsraad en bestuur. Volgens de ondernemingsraad geeft elk team op dit moment op hun eigen manier uitvoering aan de maatregelen bij de gezinnen op de monitorlijst. Dat er voldoende toezicht moet zijn, heeft elk team scherp, vertellen ook teammanagers. Daarnaast is het voor de ondernemingsraad helder dat gezinsmanagers alleen kunnen roeien met de riemen die er zijn. De ondernemingsraad is positief over de inzet op vitaal personeel versus monitorlijstwerk4. De teammanagers voelen zich gesteund door het bestuur in de spagaat tussen werk voor de reguliere caseload en de monitorlijst waarin teams zich bevinden. Hierbij escaleren teammanagers waar nodig bij het bestuur.

Een andere teammanager geeft aan dat het mag schuren tussen teammanagers en het bestuur, waarbij de inspectie een voorbeeld hoort dat de teammanager kon aangeven niet te geloven in het plan voor de inrichting van een regionaal monitorteam per regio. Ontwikkeling rondom het Toekomstscenario Tijdens bijna alle gesprekken die de inspecties met medewerkers van Jeugdbescherming Regio Amsterdam hebben gevoerd, kwam de ontwikkeling rondom het Toekomstscenario als actuele uitdaging naar voren. De inspecties horen dat vanuit het bestuur transparant is gecommuniceerd naar de verschillende partijen, zowel binnen als buiten Jeugdbescherming Regio Amsterdam, dat de GI’s zich terugtrekken uit het landelijk programma Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming. De gemeente vertelt aan de inspecties dat er veel overleg is geweest tussen Jeugdbescherming Regio Amsterdam binnen de gemeente over het Toekomstscenario en de proeftuinen. Jeugdbescherming Regio Amsterdam en de gemeente Amsterdam ervaren dat zij nu weer naar het oude stelsel terug moeten. De raad van bestuur geeft aan de positieve punten uit de proeftuinen door te willen zetten, om het huidige stelsel te versterken. Dit horen de inspecties ook in het gesprek met de gemeente Amsterdam.

De gemeente geeft aan dat er gezamenlijk met Jeugdbescherming Regio Amsterdam afspraken gemaakt zijn om voor elkaar te krijgen dat jeugdhulp ‘ja’ zegt als de GI iets wil, binnen het huidige kader. Gezinsmanagers vertellen te hopen dat er good practices uit het toekomstscenario en de werkwijze die Jeugdbescherming Regio Amsterdam hierin had, meegenomen worden in de huidige werkwijze van Jeugdbescherming Regio Amsterdam. Het is jammer dat het niet is gelukt, vinden gezinsmanagers. Een gezinsmanager vraagt zich af waarom het nog zo lang is doorgegaan, terwijl ze al wisten dat het juridisch niet haalbaar was. De ontwikkelingen rondom het Toekomstscenario gaven onrust voor medewerkers, horen de inspecties van de ondernemingsraad. Hierbij was het de taak van de ondernemingsraad om de tevredenheid van medewerkers te bewaken. Er zijn hierbij ook

4 De ingezette werkdrukverlagende maatregelen staan in norm 5.4 beschreven.

58

Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid

gesprekken gevoerd tussen de ondernemingsraad van Veilig Thuis en die van Jeugdbescherming Regio Amsterdam. Cultuur Van teammanagers en gezinsmanagers horen de inspecties dat ze de cultuur bij Jeugdbescherming Regio Amsterdam prettig vinden. De gedeelde verantwoordelijkheid, mede door de structuur en opzet van het BTO, over een gezin ervaren ze als prettig en steunend. Er is wel frustratie over de monitorlijst. De inspecties horen dat binnen teams medewerkers voor elkaar zorgen. Bij een van de teams waar de samenwerking minder goed loopt, wordt een dag georganiseerd om hier aandacht aan te besteden. Een ander team is opgesplitst, omdat de dynamiek van het team niet prettig was. Gedragsdeskundigen voelen ruimte om gezinsmanagers op inhoud te helpen, nieuwe dingen te bedenken zodat de gezinnen meer geholpen zijn. De raad van toezicht en gezinsmanagers benoemen dat de bestuurders zich laten zien op de werkvloer, dat ze geen eigen kamer achter een secretariaat hebben. De gezinsmanagers vertellen zich daardoor letterlijk gehoord en gezien te voelen en zich zelden verrast te voelen door besluiten van het bestuur. Raad van toezicht ziet dat de bestuurders energie halen uit de gesprekken met de medewerkers. De ondernemingsraad noemt de cultuur plat, laagdrempelig en transparant, ziet dat teammanagers en bestuur goed aan te spreken zijn.

Leden van de cliëntenraad vertellen dat zij ervaren dat gezinsmanagers weinig kritisch naar elkaar durven te zijn, en dat ze na interne kritiek zichzelf verdedigen in plaats van verbeteren. Ze geven aan dat dit mogelijk komt doordat media negatief is over jeugdbescherming. De cliëntenraad benoemt Jeugdbescherming Regio Amsterdam als faciliterende organisatie: er worden activiteiten georganiseerd en mensen worden betrokken. De cliëntenraad benoemt dat de intentie van professionals goed is, maar dat het bestuur meer sturing kan geven zodat er minder afhangt van de individuele gezinsmanager. Tekortkoming

 Jeugdbescherming Regio Amsterdam is transparant over het werken met het Handelingsperspectief, maar de nadelige effecten hiervan voor jeugdigen en ouders maakt de instelling te weinig zichtbaar voor zichzelf en voor anderen.

Norm 5.2 Norm De bestuurder is ‘in control’.

Oordeel +

Waar kijken de inspecties naar? De bestuurder heeft kennis van de dagelijkse praktijk van de taakuitvoering. De gecertificeerde instelling heeft een voldoende en actueel beeld van wat wel en wat niet goed gaat in de organisatie en in de dagelijkse begeleiding van de jeugdige en ouders. De gecertificeerde instelling hanteert hierbij een PDCA-cyclus om te komen tot merkbare verbetering voor de jeugdige en ouders. In verschillende gesprekken horen de inspecties dat de raad van bestuur weet wat er binnen en buiten de organisatie speelt. De raad van toezicht vult hierbij aan dat de raad 59

Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid

van bestuur altijd antwoord kan geven op kritische vragen en ook het antwoord geeft op de vraag achter de vraag. De inspecties zien dat Jeugdbescherming Regio Amsterdam interne audits uitvoert op de kwaliteit en uitvoering van het primaire proces van Jeugdbescherming Regio Amsterdam. Ook voert het Keurmerkinstituut jaarlijks een externe audit uit. De inspecties hebben het externe auditrapport ingezien. Jeugdbescherming Regio Amsterdam gebruikt deze informatiebronnen in hun verbeterplannen. De raad van toezicht vertelt hierbij dat de raad van bestuur niet verrast is over de uitkomsten. De raad van bestuur vertelt een keer per kwartaal in het regio-overleg met de teammanagers puur over cijfers en KPI’s te spreken. Teammanagers en de raad van bestuur vertellen verder zicht te hebben in de dagelijkse praktijk via een dashboard. Ze kunnen direct meekijken in de metingen in een caseload. Daarin zien ze onder andere welke maatregel er is, of er een plan ligt en of alle leden van het gezin face-toface worden gezien. De teammanagers sturen hier vervolgens op binnen de teams. De raad van bestuur vertelt aan de inspecties dat het uitgangspunt van de monitoringslijst is zicht op alle gezinnen en dat ze daar op stuurt.

In het auditrapport van het keurmerkinstituut lezen de inspecties hierover dat de monitorlijst op inhoud adequaat wordt gemonitord door een driehoeksoverleg van manager, gedragsdeskundige en een senior gezinsmanager. De monitorlijst groeit op dit moment. De raad van bestuur had niet verwacht dat de instroom van gezinnen weer zou toenemen, vertelt de raad van bestuur. Ook de raad van toezicht vertelt dat ze wachtten op een stabilisatie van instroom. Kennis van de dagelijkse praktijk De ondernemingsraad vertelt te merken dat de bestuurders soms eerder zaken vanaf de werkvloer weten dan de ondernemingsraad zelf, omdat ze tussen de medewerkers staan, op dezelfde plek op kantoor werken en de medewerkers kennen. Vanwege de achtergrond van de bestuurders weten ze ook waar de gezinsmanagers in de dagelijkse praktijk mee te maken kunnen krijgen. De raad van bestuur vertelt het belangrijk te vinden dat de gezinsmanager echt gaat zitten met het gezin en de tijd neemt (of uitstraalt dat dit kan), voordat een gezinsmanager begint met alle vragen die er gesteld moeten worden. De raad van bestuur vertelt dat uit de cliëntenpanels naar voren komt dat gezinnen die zich onvoldoende gehoord voelen. De methodiek is juist gericht op respect en samen, vertelt de raad van bestuur, maar ze merken dat de methodiek te instrumenteel wordt ingezet.

Daarom zal Jeugdbescherming Regio Amsterdam meer investeren om het goede gesprek te voeren, om meer te verdragen en vertragen. Ook is een van de speerpunten het aanpassen en vereenvoudigen van het gezinsplan, zowel voor de gezinsmanagers als de gezinnen. De cliëntenraad ziet op meerdere punten mogelijke verbeteringen voor de organisatie: cliënten ervaren dat gezinsmanagers veel zelf beslist en geen verantwoording hoeft af te leggen aan hun leidinggevende of teammanager over beslissingen. De cliëntenraad zou daarbij graag zien dat specialisten vanaf het begin van het proces betrokken worden, dat de gedragsdeskundige bijvoorbeeld aansluit bij een gesprek aan het begin van het traject. Daarnaast benoemen leden van de cliëntenraad, vanuit hun eigen ervaring, dat het gezinsplan voor ouders transparanter tot stand moet komen.

60

Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid

Hanteren PDCA-cyclus: bijsturen op basis van managementinformatie, audits en analyses Het keurmerkinstituut schrijft dat Jeugdbescherming Regio Amsterdam een lerende organisatie is. De gemeente vertelt dat Jeugdbescherming Regio Amsterdam een mooie PDCA-cyclus heeft. Jeugdbescherming Regio Amsterdam weet waar de problemen zitten en waar de urgentie zit (wachtlijst en personeel) en komen tussendoor ook op de lijn, vertelt de gemeente. Gemeente: “Ja, de bestuurders zijn in control, maar ze kunnen niet toveren.” De inspecties hebben een incidenten- en calamiteitenoverzicht ontvangen over het jaar 2024. Onder incidenten telt Jeugdbescherming Regio Amsterdam ook gezinnen die terugkeren bij Jeugdbescherming Regio Amsterdam nadat het traject eerder was afgesloten, zo zien de inspecties. De inspecties lezen dat Jeugdbescherming Regio Amsterdam uit de analyses rode draden op thema zijn gedestilleerd en dat teams op de geleerde lessen uit incidenten reflecteren. Van de raad van bestuur horen de inspecties dat ook op basis van grote calamiteiten, zoals de casus Vlaardingen, waar Jeugdbescherming Regio Amsterdam geen betrokkenheid bij heeft, wel heeft gereflecteerd in hoeverre zoiets ook bij Jeugdbescherming Regio Amsterdam plaats zou kunnen vinden. Implementatie en borging van verbeteringen.

Vanuit uitgevoerde onderzoeken, cliëntenpanels en de daarbij horende analyses, heeft Jeugdbescherming Regio Amsterdam aandachtspunten voor de komende periode geformuleerd, horen en lezen de inspecties. De inspecties zien in verschillende documenten plannen van aanpak, en evaluaties daarvan. De inspecties lezen evaluaties van pilots (bijvoorbeeld voor inzet van GIO en teamondersteuner) en de acties en besluiten die op de pilots volgen. De raad van toezicht noemt als kritische noot richting de raad van bestuur dat er in het jaarplan voor 2025 veel aandacht is voor innovatie, maar minder over de going concern. De raad van bestuur kon de speerpunten die voor 2025 belangrijk zijn wel noemen, maar deze stonden te weinig vermeld in het jaarplan. Van een teammanager horen de inspecties dat er soms binnen Jeugdbescherming Regio Amsterdam te veel geïnnoveerd wordt, terwijl de basis nog niet voldoende is. Tekortkoming

 De uitgevoerde verbeteringen leiden nog onvoldoende tot merkbare verbeteringen voor jeugdigen en hun ouders.

61

Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid

Norm 5.3 Norm De bestuurder draagt zorg voor de juiste randvoorwaarden.

Oordeel ++

Waar kijken de inspecties naar? De gecertificeerde instelling voorziet in een gezonde bedrijfsvoering, zodat de materiële randvoorwaarden aanwezig zijn om de continuïteit van de taakuitvoering te waarborgen. De gecertificeerde instelling en het college leggen de wijze van overleggen over de inzet van hulp bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel vast in een protocol. Gezonde bedrijfsvoering De raad van bestuur en de raad van toezicht benoemen dat de bedrijfsvoering van Jeugdbescherming Regio Amsterdam goed op orde is. De raad van toezicht ziet dat de raad van bestuur ondersteund wordt door goede mensen die hun vak beheersen. In het auditrapport van 2024 van het Keurmerkinstituut lezen de inspecties dat het kwaliteitsmanagementsysteem in voldoende tot goede mate aan de norm voldoet. Met de gemeenten is afgestemd dat voor elk gezin eenzelfde tarief geregeld is, een gezinsbedrag, onafhankelijk van het aantal kinderen binnen het gezin en onafhankelijk of de maatregel is uitgesproken voor een of meerdere kinderen. Ook voor jeugdreclassering ontvangt Jeugdbescherming Regio Amsterdam hetzelfde bedrag, omdat Jeugdbescherming Regio Amsterdam gezinsgericht werkt. Voor gezinnen op de monitorlijst krijgt Jeugdbescherming Regio Amsterdam de volledige vergoeding.

Van teammanagers en gezinsmanagers horen de inspecties dat ze graag zouden willen dat gezinsmanagers in een andere CAO-schaal komen. Ze doen zwaar werk, er wordt veel van ze gevraagd (ook vanwege de gezinsgerichte aanpak), maar ze verdienen minder dan bijvoorbeeld medewerkers van de gemeente. De wijze van samenwerken met gemeenten Zowel de gemeente Amsterdam als de raad van bestuur en raad van toezicht vertellen aan de inspecties dat er onderling structureel afstemming plaatsvindt. Zie hiervoor ook norm 2.3. De gemeente laat aan de inspecties weten dat Jeugdbescherming Regio Amsterdam goed weet wat er in de regio speelt. De raad van toezicht laat weten dat een van de bestuurders een rol heeft die meer richt op behandelinhoudelijke ontwikkelingen en de ander meer gericht is op ontwikkelingen binnen de organisatie en de gemeentelijke contacten. Vanuit de organisatie heeft men zicht op ontwikkelingen in het veld, ook landelijk. De raad van toezicht ziet een raad van bestuur die adequaat reageert op ontwikkelingen die direct van belang kunnen zijn. Er zijn geen zorgen vanuit de gemeente over de financiën bij Jeugdbescherming Regio Amsterdam. De gemeente vertelt dat GI’s zoals Jeugdbescherming Regio Amsterdam soms juist te weinig geld uitgeven, omdat gezinnen langer bij de wijkteams blijven, mede door personeelsgebrek en wachtlijsten.

Dat gezinnen langer bij de lokale teams blijven, vindt de gemeente passend bij de huidige beweging om problematiek in een gezin meer integraal op te pakken en zoveel mogelijk zonder dwangmaatregelen. Door preventieve jeugdbescherming van Jeugdbescherming Regio Amsterdam kan het wijkteam de gezinnen langer blijven helpen in een vrijwillig kader.

62

Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid

De gemeente heeft zorgen over de tekortkomingen in het huidige jeugdzorgstelsel die niet worden opgelost en het gebrek aan aanbod van specialistische jeugdhulp in de regio. Met het regionale gebiedsknooppunt verwacht de gemeente dat de toegang tot de passende hulp gaat verbeteren.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16788519/1