CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

def-rapport-jeugdbescherming-regio-amsterdam.pdf

Tijdelijke Algemene Raadscommissie 15 april 2026, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Raadsinformatiebrief Inspectierapport en verbeterplan Jeugdbescherming Amsterdam (VN2026-004510)31.691 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

 De activiteiten die nodig zijn om met het gezin tot een gezamenlijke analyse en gedragen plan te komen worden niet altijd tijdig in gang gezet, als gevolg van beleid met betrekking tot de instroomlijst van Jeugdbescherming Regio Amsterdam.

 Het lukt Jeugdbescherming Regio Amsterdam niet altijd om binnen vijf werkdagen contact te hebben met alle leden van het gezin.

22

Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid

Thema 1b: Het plan van aanpak is met de jeugdige en ouders opgesteld, sluit aan bij de (verklarende) analyse en komt tijdig tot stand In dit thema kijken de inspecties naar kwaliteit en tijdigheid van het plan van aanpak. Onder kwaliteit verstaan de inspecties de cliëntgerichtheid waarmee het plan tot stand is gekomen en mate waarin het plan aansluit bij de analyse.

Oordeel Het oordeel van de inspecties over de kwaliteit en de tijdigheid van het gezinsplan is grotendeels onvoldoende. De inspecties komen tot dit oordeel omdat ouders en jeugdigen onvoldoende ervaren dat het gezinsplan samen met hen tot stand komt, ondanks de gezinsgerichte aanpak en integrale methodiek van Jeugdbescherming Regio Amsterdam, waardoor het plan wel aansluit bij de gemaakte analyse. Gezinnen zien onvoldoende terug dat het gezinsplan multidisciplinair wordt opgesteld en ervaren het als een plan van de gezinsmanager. Daarnaast is het beleid van Jeugdbescherming Regio Amsterdam dat het gezinsplan vastgesteld wordt binnen drie maanden, wat niet conform de wetgeving is, waardoor de meeste gezinsplannen niet tijdig worden vastgesteld. Tevens gaat deze termijn voor gezinnen op de instroomlijst pas lopen zodra er een vaste gezinsmanager betrokken is. Mede bepalend voor het oordeel van de inspecties is dat er voor gezinnen op de instroomlijst geen uitgebreid gezinsplan wordt gemaakt, maar slechts een veiligheidsplan. Dit in tegenstelling tot de gezinnen met een vaste gezinsmanager. In onderstaand figuur ziet u wat de oordelen zijn van de inspecties op de normen die vallen onder dit thema.

Onderdeel:

Cliëntgericht

Sluit aan bij analyse

Tijdig

Oordeel:

-

+

--

Hieronder leest u per norm een toelichting op het oordeel van de inspecties.

Norm 1b.1 Norm De professional stelt het plan van aanpak samen met de jeugdige en ouders op, zolang dit in het belang van de jeugdige is.

Oordeel -

Waar kijken de inspecties naar? De jeugdige en ouders bepalen, zolang dit in het belang van de jeugdige is, samen met de professional de hulpvraag, de doelen en de vorm van de in te zetten hulp. De professional legt uit wat de verschillende mogelijkheden zijn. Bij het bepalen van de doelen en het nemen van beslissingen is het belang van de jeugdige leidend. Indien de professional een keuze maakt die afwijkt van de visie van ouders of jeugdige legt hij dit uit. Voor jeugdreclassering: Voor elke jongere wordt een plan gemaakt. De jongere is op de hoogte van de inhoud van het plan. De voorwaarden, aanwijzingen en afspraken die in het plan staan zijn duidelijk voor de jongere.

23

Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid

Gezinsplan en doelen samen opstellen In twaalf dossiers hebben de inspecties zes volledige gezinsplannen gezien en vijf veiligheidsplannen. Een van de dossiers bevatte geen plan voor het gezin. Een teammanager vertelt dat er nog onvoldoende contact met het gezin heeft kunnen plaatsvinden, in verband met (mogelijk) verblijf in het buitenland van dit gezin. Van alle jeugdigen en ouders die de vragenlijst hebben ingevuld geeft 51% aan een plan van aanpak te hebben, 35% heeft dat niet, en 14% geeft aan dat niet te weten. In de ISC/FFP-methodiek lezen de inspecties dat het gezinsplan en de doelen op meerdere momenten in concept besproken worden met het gezin. De feedback van het gezin wordt vervolgens verwerkt. In de individuele en groepsgesprekken met de gezinsmanagers, horen de inspecties deze werkwijze terug. De raad van bestuur geeft aan de inspecties aan dat Jeugdbescherming Regio Amsterdam het belangrijk vindt dat gezinsmanagers het gezinsplan samen met het gezin opstellen. In het basisteamoverleg (BTO) zit hiervoor een belangrijke borging. De gedragsdeskundigen zijn streng op de zichtbaarheid van deze samenwerking en in het BTO zijn ook gezinsmanagers die vanuit hun portefeuilles kritisch zijn op de inbreng van jeugdigen en ouders in de gezinsplannen. Gezinsmanagers vertellen dat ouders niet altijd geïnteresseerd zijn om mee te werken bij het maken van het gezinsplan.

Sommige gezinnen maken geen gebruik van de mogelijkheid om inspraak te hebben, vertelt een gezinsmanager. Soms is het lastiger om ouders volledig mee te nemen in de gezinspatronen, omdat deze door Jeugdbescherming Regio Amsterdam worden opgesteld vanuit de interne, eerder beschreven, appelboomsessie. Als ouders het niet eens zijn met de beschreven patronen of het gezinsplan, wordt dit in het dossier vermeld. Een gezinsmanager vertelt in een van de gesprekken dat ouders in gevallen van jeugdreclassering niet vaak gebruik maken van de mogelijkheid van inspraak in het proces, maar de gezinsmanagers blijven het wel proberen. In meerdere dossiers die de inspecties met gezinsmanagers hebben ingekeken, heeft de gezinsmanager op meerdere momenten afstemming met ouders en jeugdige gehad over hetgeen in het gezinsplan staat. In een van de dossiers zien de inspecties dat ouders hun situatiebeschrijving zelf hebben geschreven. In de dossiers waarin een gezins- of veiligheidsplan aanwezig was, lezen de inspecties vier keer dat ouders en/of jeugdigen hebben gereageerd op het plan, vijf keer gedeeltelijk en twee keer niet. In vier dossiers konden de inspecties teruglezen hoe de reactie van ouders was verwerkt in de plannen. Van ouders horen inspecties verschillende ervaringen over de mate van betrokkenheid bij het opstellen van het gezinsplan.

Vijf van de acht gesproken ouders vertellen dat ze input konden leveren op het plan, twee hiervan vragen zich wel af wat daarmee gedaan wordt. Een van de ouders die input konden leveren vertelt dat de gezinsmanager elke stap heeft voorgelegd bij het gezin. Een ander vertelt dat de ouders wel mochten meedenken, maar dat vooral alles is besproken met de jeugdige. Twee ouders zeggen niet gehoord te zijn, waarbij er een van hen aan de inspecties vertelt dat er alleen naar haar dochter en diens tante geluisterd is. Ouder: “Ik kan me wel vinden in het plan, maar ben er niet betrokken bij het opstellen ervan.”

24

Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid

Een jeugdige vertelt dat er een plan was waar ze als gezin over hebben meegedacht, gericht op contactherstel tussen jeugdigen en een ouder. Dit was wat de jeugdigen wilden. Van ketenpartners horen de inspecties dat er regelmatig contact is vanuit Jeugdbescherming Regio Amsterdam met het gezin en de ketenpartners voordat het plan is gemaakt. Hierbij merken zij op dat wensen van ouders vaak verschillen en de ene ouder zich mogelijk meer gehoord voelt dan een ander. Een andere ketenpartner vertelt dat in enkele zaken van haar met Jeugdbescherming Regio Amsterdam er een samenwerking is tussen de gezinsmanager en het gezin en het plan is gemaakt samen met het gezin, maar dat er in één casus geen goed contact is tussen gezinsmanager en de grootouder, waar de jeugdige verblijft. De ketenpartner is wel in contact met de grootouder en komt regelmatig daar in huis. In de antwoorden van de vragenlijst lezen de inspecties dat 41% van de cliënten de gestelde doelen begrijpt, 18% niet helemaal en 40% geeft aan de doelen niet te begrijpen. 53% geeft aan dat de doelen niet passen bij wat het gezin nodig heeft. Uit gesprekken met gezinsmanagers horen de inspecties dat de gezinsplannen lang zijn en soms te moeilijk te begrijpen voor de gezinnen.

Van de raad van bestuur horen de inspecties dat Jeugdbescherming Regio Amsterdam kritisch kijkt naar de inhoud van de gezinsplannen en hoe deze beter te begrijpen zijn voor de gezinnen. Binnen de werkgroep “JB staat op”, een samenwerking tussen ondernemingsraad, gezinsmanagers, teammanagers en bestuurder, is een actieplan om de gezinsplannen beter te laten aansluiten bij de gezinnen, lezen de inspecties. Daarmee wil Jeugdbescherming Regio Amsterdam terug naar de bedoeling van het gezinsplan: het gezinsplan is voor het gezin met heldere doelen. Monitorlijst Gezinsmanagers vertellen dat voor gezinnen op de instroomlijst er in eerste instanties geen gezinsplan ligt. Gezinsmanagers maken een start met een van de onderdelen van het gezinsplan, namelijk het onderdeel veiligheidsplan. Deze informatie, samen met informatie uit gesprekken met gezinnen wordt in een BTO ingebracht, waarop de gedragsdeskundige het gezin kan prioriteren. In de documenten die Jeugdbescherming Regio Amsterdam heeft opgestuurd, zien de inspecties dat 19% van de gezinnen, aangemeld bij Jeugdbescherming Regio Amsterdam sinds 2024, zonder vaste gezinsmanager geen veiligheidsplan hebben. Hiervan was het grootste gedeelte (22 van de 31 missende plannen) jeugdreclassering. Tekortkomingen

 Uit de dossiers, de antwoorden van de vragenlijsten en gesprekken blijkt onvoldoende dat gezinnen inspraak hebben in het gezinsplan.

 Jeugdbescherming Regio Amsterdam stelt geen volledig gezinsplan op voor gezinnen die (langdurig) op de instroomlijst staan.

 Niet voor alle gezinnen op de instroomlijst is een veiligheidsplan aanwezig.

25

Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid

Norm 1b.2 Norm Het plan sluit aan op de (verklarende) analyse.

Oordeel +

Waar kijken de inspecties naar? Er is een door ouders en jeugdige zoveel mogelijk gedragen plan van aanpak (gedragen koers) gebaseerd op een brede analyse van de problematiek, waarin doelen zijn geformuleerd en waarin staat welke hulp nodig is om de doelen te bereiken. Om te borgen dat de hulp doeltreffend is, werken professionals planmatig. Het moet voor de jeugdige, ouders en professionals duidelijk zijn wat de doelen van de hulp zijn en hoe zij hieraan werken. De doelen en afspraken zijn ontwikkelingsgericht, haalbaar, concreet en actueel. Het plan sluit aan bij de analyse: De doelen en de in te zetten hulp leiden redelijkerwijs tot het afwenden van de onveiligheid, de ontwikkelingsbedreiging en/of het recidiverisico. Voor de mate waarin de jeugdigen en ouders kennis hebben over de doelen van de hulp, verwijzen de inspecties naar de bevindingen onder norm 1b.1. Analyse van de problematiek en passende doelen In de ISC/FFP-methodiek staat beschreven dat het gezinsplan meerdere keren in BTO’s besproken wordt, waarbij de teamleden de gezinsmanager die een gezin inbrengt kritisch bevragen of het plan voldoende aansluit bij de eerder gemaakte analyse van de gezinspatronen. In gesprekken met gedragsdeskundigen, teammanagers en gezinsmanagers horen de inspecties deze werkwijze terug.

Het vaststellen van een gezinsplan wordt als kernbesluit tijdens een BTO genomen waar de gedragsdeskundige bij aanwezig is, vertellen gezinsmanagers en gedragsdeskundigen. In een van de sessies in het BTO wordt gericht besproken wat er allemaal speelt binnen het gezin en ook wat er als eerste nodig is om het uiteindelijke doel te bereiken. De uitkomsten van deze appelboomsessie (zie norm 1a.2), de doelen, staan in het dossier vermeld, niet het verslag van de sessie, zo horen de inspecties van gezinsmanagers en gedragsdeskundigen. De doelen zijn gericht op het gezin, waarbij ook de volgordelijkheid van doelen duidelijk wordt gemaakt. Gezinsmanager: “Tijdens de appelboomsessie bespreken we ook welk probleem eerst aangepakt moet worden. Voor een gezin dat hun huis dreigt te verliezen gaan we niet eerst systeemtherapie inzetten.” Gezinsmanagers vertellen dat er zowel doelen op gezinsniveau als op niveau van de jeugdigen worden gesteld. Een gezinsmanager vertelt veel grote gezinnen met meerdere kinderen in de caseload te hebben, waarbij ieder kind dan ook weer een ander doel heeft waaraan gewerkt moet worden. Gezinsmanagers vertellen dat ze voor een jeugdreclasseringsmaatregel het LIJ invullen met de jeugdigen samen, zodat de jeugdige mee kan denken over diens eigen proces, inzicht krijgt in de verwachtingen en welke recidiverisico’s er zijn.

Een van de jeugdigen vertelt te weten dat er doelen zijn, maar zegt deze niet te kennen. Een andere jeugdige vertelt dat het plan klopt met de gezinssituatie en dat het begrijpelijk is uitgelegd.

26

Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid

Een ketenpartner was niet op de hoogte dat de gezinsmanager samen met het gezin doelen opstelt. Twee andere ketenpartners vertellen dat de doelen passend zijn, waarbij een van hen een voorbeeld geeft dat binnen de doelen goed geprioriteerd wordt, wat er eerst nodig is, voordat er aan andere doelen gedacht kan worden. In de zes dossiers met een vastgesteld gezinsplan, zien de inspecties, dat vijf van deze logisch voortkomen uit de gezinspatronen. Bij een dossier zijn de doelen in het gezinsplan gedeeltelijk navolgbaar. Bij deze laatste stonden geen doelen vermeld, wel voorwaarden. Voor zes dossiers waarbij het gezin op de monitorlijst staat, is er geen vastgesteld gezinsplan. In vijf van deze dossiers zien de inspecties een veiligheidsplan, waarbij in vier gevallen veiligheidsafspraken zijn vermeld. In een van de dossiers zien de inspecties geen enkel plan. Over dit laatste dossier vertelt de teammanager dat er nog geen contact heeft kunnen plaatsvinden met het hele gezin omdat deze in het buitenland zou verblijven. Tekortkomingen

 Niet in alle dossiers staan doelen beschreven.  Niet alle jeugdigen zijn op de hoogte van de doelen en welke hulp er nodig is om de doelen te bereiken.

Norm 1b.3 Norm Het plan van aanpak is gereed binnen de gestelde termijnen.

Oordeel --

Waar kijken de inspecties naar? Het plan (de gedragen koers) is binnen zes weken na het uitspreken van de maatregel beschikbaar. Vastgesteld gezinsplan binnen zes weken Alle medewerkers die de inspecties hebben gesproken, weten dat er een wettelijke verplichting is om een gezinsplan binnen zes weken vast te stellen. De raad van bestuur vertelt dat Jeugdbescherming Regio Amsterdam het gezinsplan wil opzetten en wil werken volgens de ISC/FFP-methodiek, waarvan de consequentie is dat dit tijd kost. Daardoor is het in de meeste gevallen alleen mogelijk om een deel van het gezinsplan, het veiligheidsplan, binnen zes weken op te stellen. Jeugdbescherming Regio Amsterdam houdt voor een volledig vastgesteld gezinsplan de interne norm van drie maanden aan, maar er is soms meer tijd nodig. Gedragswetenschappers beamen dat het niet haalbaar is om een vastgesteld gezinsplan binnen zes weken klaar te hebben met de hoeveelheid casussen die er lopen en ook vanwege agenda’s van ketenpartners en gezinnen. De raad van bestuur vertelt dat er een experiment is gedaan waaruit bleek dat een caseload van drie tot vier gezinnen het haalbaar maakte om een gezinsplan binnen zes weken vast te stellen. Auditrapport Keurmerkinstituut: Men neemt tijd om aan te sluiten bij de gezinnen, het gezin bepaalt het tempo.

27

Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid

Gezinsmanagers proberen het plan zo snel mogelijk op te stellen. Van gezinsmanagers en teammanagers horen de inspecties dat teammanagers sturen om binnen zes weken een afgestemd veiligheidsplan op papier te hebben om de acute veiligheid op te pakken. Wanneer ouders niet meewerken of er sprake is van grote gezinnen waardoor het lastig is om alle gezinsleden alleen te spreken, lukt het soms niet om een veiligheidsplan op te stellen in zes weken. Het moet in dossiers wel navolgbaar zijn waarom dit niet lukt, vertellen gezinsmanagers. Na het veiligheidsplan wordt het volledige gezinsplan vanuit de eerder beschreven werkwijze opgesteld. Indien het proces van het maken van een plan van aanpak stagneert, moet deze ingebracht worden in het BTO, vertellen teammanagers. Tijdens gesprekken met gezinsmanagers aan de hand van de cliëntdossiers, zien de inspecties in deze dossiers één gezinsplan dat wel binnen zes weken is vastgesteld, omdat het een casus was die vanuit het vrijwillig kader al onder de hoede van Jeugdbescherming Regio Amsterdam was. Deze gezinsmanager geeft aan dat het soms wel lukt om een gezinsplan binnen zes weken vast te stellen, maar dit zeer lastig is, ook vanwege externe factoren zoals zittingsmomenten, ziekte of vakantie van alle betrokkenen. Een andere gezinsmanager laat een gezinsplan zien dat wel klaar is, maar nog niet vastgesteld binnen de gestelde tijd.

Twee andere gezinsmanagers laten in hun dossier zien dat het gezinsplan niet binnen zes weken was vastgesteld. In de dossiers die de inspecties zelf hebben ingezien, zien de inspecties zes vastgestelde gezinsplannen, waarvan er twee binnen zes weken vastgesteld waren. De overige vier waren niet binnen zes weken, variërend van acht weken tot negen maanden, mede doordat er niet direct een vaste gezinsmanager betrokken was. Van de ouders en jeugdigen die de vragenlijst hebben ingevuld, geeft 58% aan dat het gezinsplan niet binnen zes weken gereed was, 18% dat het er wel was en 24% wist het niet. Monitorlijst Bij de monitorlijst wordt er door teammanagers op gestuurd een veiligheidsplan binnen zes weken gereed te hebben. Voor gezinnen die vanaf 2024 zijn aangemeld en geen vaste gezinsmanager hebben, is 20% van de veiligheidsplannen niet binnen zes weken vastgesteld, zo lezen de inspecties in documentatie van Jeugdbescherming Regio Amsterdam. Hoe lang een gezin moet wachten op een vaste gezinsmanager en daarmee wacht op een bredere analyse en een gezinsplan is afhankelijk van de prioritering. Sommige gezinnen krijgen direct vanaf de start een vaste gezinsmanager toegewezen, andere komen na aanmelding op basis van prioritering op de instroomlijst te staan. Tekortkoming

 Door beleid van Jeugdbescherming Regio Amsterdam, heeft het grootste deel van de gezinnen geen vastgesteld gezinsplan binnen zes weken na het uitspreken van de maatregel.

28

Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid

Thema 2: Tijdige inzet van passende hulp In dit thema kijken de inspecties in hoeverre het lukt om de hulp die nodig is om de ontwikkelingsbedreiging af te wenden en/of het recidiverisico te verminderen tijdig in te zetten.

Oordeel Het oordeel van de inspecties over de tijdigheid van het inzetten van passende hulp is grotendeels onvoldoende. De inspecties komen tot dit oordeel omdat jeugdigen en hun ouders te vaak niet tijdig de meest passende hulp krijgen. Dit ligt meestal niet aan de inspanningen van de gezinsmanagers van Jeugdbescherming Regio Amsterdam. Het proces om te komen tot de inzet van hulp is veelal tijdrovend. Het heeft mede te maken met onvoldoende beschikbaarheid van passende (jeugd)hulp in de regio. Gemeenten zijn hier verantwoordelijk voor. De inspecties zien dat er grote verschillen zijn tussen de regio’s of er voldoende aanbod is voor passende hulp. Het opschalen door de gezinsmanagers richting gemeenten en managers gebeurt voldoende. Mede bepalend voor het oordeel van de inspecties is de werkwijze van Jeugdbescherming Regio Amsterdam voor gezinnen op de instroomlijst, waarbij waar nodig wel hulp wordt ingezet om actuele veiligheid te borgen, maar de meest passende hulp pas wordt ingezet zodra er een vaste gezinsmanager betrokken is. In onderstaand figuur ziet u wat de oordelen zijn van de inspecties op de normen die vallen onder dit thema.

Onderdeel:

Passende hulp

Tijdig

Afgestemd

Oordeel:

-

-

-

Hieronder leest u per norm een toelichting op het oordeel van de inspecties.

Norm 2.1 Norm De ingezette hulp draagt bij aan het afwenden van de ontwikkelingsbedreiging, respectievelijk het recidiverisico.

Oordeel

-

Waar kijken de inspecties naar? De ingezette hulp vloeit voort uit het plan (gedragen koers), dat aansluit bij de problematiek, ontwikkelingsbehoefte en mogelijkheden van jeugdigen en ouders. De professional kan toelichten waarom de hulp passend is en de jeugdige en ouders ervaren dat de hulp bijdraagt aan het opheffen van de onveiligheid en/of ontwikkelingsbedreiging, respectievelijk het recidiverisico. Hulp sluit aan en komt voort uit het plan Gezinsmanagers vertellen dat ze in het BTO besluiten over de inzet van passende hulp, vanuit het vastgestelde gezinsplan. Gezinsmanagers vertellen aan de inspecties dat het lastig is om juiste hulp in te zetten in verband met de inkoop van de gemeenten en door wachttijden (zie norm 2.2. en 2.3). Uit de gesprekken horen de inspecties dat gezinsmanagers dan wel voor de tweede, of zelf vierde keuze gaan. Er zijn tien grote ketenpartners waarbij de gemeente Amsterdam hulp heeft ingekocht. De inspecties horen dat gezinsmanagers eerst de hulp bij deze tien organisaties moeten aanvragen. 29

Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid

Als deze organisaties beoordelen dat ze de hulp niet kunnen leveren dan kunnen de gezinsmanagers verder kijken. Gezinsmanagers vertellen dat passende hulp bij jeugdreclassering soms makkelijker is, omdat rechtbanken hier een grotere rol in vervullen dan bij jeugdbescherming. De inspecties horen ook dat gemeenten niet de juiste forensische hulp inkopen, waardoor het niet passend is bij de problematiek van de jeugdigen. Meerdere gezinsmanagers vertellen dat ze in het kader van jeugdreclassering specifieke hulpverlening in de beschikking kunnen laten zetten, waardoor ze beter passende hulp kunnen regelen. Ook vertellen de gezinsmanagers dat er een interne afdeling, namelijk zorgbemiddeling, mee kan denken op zoek naar passende hulp. Dit geldt voor hulp in het kader van alle maatregelen. Passende hulp inzetten is lastig wanneer jeugdigen niet gemotiveerd zijn. Ook werken ouders niet altijd mee met de hulpverlening, bijvoorbeeld systeemtherapie, vertellen gezinsmanagers. Als een gezinsmanager vastloopt in het vinden van passende hulp, brengt deze de casus in een casuïstiekoverleg in het team in. Verschillende ketenpartners vertellen dat de ingezette hulp goed aansluit op de problematiek binnen het gezin. Een van de ketenpartners, een jeugdhulpaanbieder, vertelt dat de hulp vanuit de jeugdreclasseringsmaatregel is opgelegd.

De gemeente geeft aan dat Jeugdbescherming Regio Amsterdam eerst echt patronen ontdekt, om uit te zoeken welke hulp voorliggend is, of er eerst ingezet wordt op wonen/inkomen of dat er direct specialistische jeugdhulp nodig is. Twee andere ketenpartners noemen een voorbeeld waaruit blijkt het hele gezin hulp krijgt volgens de gestelde doelen. Ouders geven in gesprekken een wisselend beeld over de passendheid van de ingezette hulp. Een van de ouders vertelt dat de hulp wel was ingezet, maar nu stagneert omdat ouders het niet eens worden welke hulp passend is. De jeugdige krijgt wel hulpverlening vanuit de gemeente op school. Een andere ouder vertelt dat de hulp die uitgezocht is passend is, maar nog niet gestart. Bij een derde is de jeugdige uit huis geplaatst en krijgt een keer per week therapie. Een vierde geeft aan dat er nu geen hulpverlening is, maar eerder wel passend en snel. In een voorbeeld vanuit jeugdreclassering is de hulp, mede op verzoek van moeder, ingezet. Een van de ouders laat weten dat er wel hulp is, maar dat dit onvoldoende aansluit bij de problematiek doordat hulpverleners de juiste expertise niet hebben. In een andere casus heeft de gemeente de hulp niet ingekocht die de ouder wilde, en kon het gezin deze hulp niet krijgen.

Een van de jeugdigen vertelt dat hij geen behoefte aan hulp heeft, dat hij is aangemeld bij een crisisbuurthuis, maar daar nog niet geweest is. Een andere jeugdige vertelt snel passende hulp gekregen te hebben, maar dat de doorstroom naar een andere woonplek nu lang duurt. In gesprekken met de gezinsmanager aan de hand van dossiers horen de inspecties dat in de vijf gevallen waar hulpverlening is ingezet, dit passend is bij de problematiek binnen het gezin. Jeugdbescherming Regio Amsterdam heeft waar nodig voor zowel ouders als jeugdigen hulp ingezet. Gezinsmanagers kunnen tijdens de gesprekken aan de hand van de cliëntdossiers aangeven welke overwegingen en doelen ten grondslag liggen aan de hulp. In elf andere dossiers hebben de inspecties gekeken naar de ingezette hulp. In deze dossiers zien de inspecties dat er zes keer hulp is ingezet. Deze hulp sluit in deze gevallen aansluit bij de problematiek en risico’s.

30

Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid

Kwaliteit en effectiviteit Gedragsdeskundigen en gezinsmanagers geven aan kritisch te zijn op de kwaliteit van hulp die aanbieders leveren en soms jeugdigen niet te plaatsen wanneer ze de kwaliteit onvoldoende vinden of twijfelen aan de kwaliteit. Gedragsdeskundigen vertellen te controleren bij collega’s of zorgbemiddeling als er een nieuwe aanbieder ter sprake komt. Gedragsdeskundige: “Als een aanbieder zegt alle hulp te kunnen bieden zonder wachtlijst en screening, ga ik checken of dit wel klopt.” Van teammanagers horen de inspecties dat Jeugdbescherming Regio Amsterdam en zorgaanbieders niet altijd hetzelfde beeld hebben hoe de hulp aan het gezin geboden moet worden. Jeugdbescherming Regio Amsterdam kijkt echt naar wat gezin nodig heeft, zorgaanbieders kijken vaak teveel naar modules die zij leveren. Een gedragsdeskundige vertelt dat effect van de hulp wordt bekeken door terugkoppeling vanuit de ingezette hulpverlening, maar ook door de ARIJ en de Youth Outcomes Questionnaire (Y-OQ) in te vullen en te checken op afname van risico’s en ongewenst gedrag. Tekortkomingen

 De hulp die noodzakelijk is om de ontwikkelingsbedreiging van een jeugdige af te wenden kan Jeugdbescherming Regio Amsterdam niet altijd inzetten. Het ontbreekt aan kwalitatief en kwantitatief toereikend hulpaanbod. Gemeenten zijn hier verantwoordelijk voor.

 Ouders en jeugdigen ervaren te weinig dat de ingezette hulp bijdraagt. Norm 2.2 Norm De hulp wordt tijdig ingezet.

Oordeel -

Waar kijken de inspecties naar? Binnen drie maanden na het opleggen van de maatregel is passende hulp voor de jeugdige (en diens gezin) gestart, of zoveel eerder als de professionals en betrokkenen noodzakelijk achten gezien de onveilgheid, ontwikkelingsbedreiging, en/of het recidiverisico van de jeugdige. De professional organiseert tijdig alternatieve hulp indien de professional met jeugdige, ouders en andere betrokkenen vaststelt dat de ingezette hulp niet doeltreffend of veilig is. De professional schaalt op indien de noodzakelijke hulp niet beschikbaar is. Tijdige hulp Of er op tijd passende hulp ingezet wordt, is afhankelijk van de casus, horen de inspecties van gezinsmanagers. Voor jeugdreclassering gaat het soms sneller, omdat de hulp en soms ook de aanbieder door de rechter is opgenomen in de bijzondere voorwaarden, bijvoorbeeld dat er een IFA coach van Levvel ingezet moet worden. De hulp kan dan meteen worden ingezet, ook voor gezinnen op de monitorlijst. Soms gaat het ook langzaam omdat gezinsmanagers niet zelf kunnen bepalen welk type hulp moet worden ingezet en is er sprake van een wachtlijst bij de aanbieder.

31

Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid

In geval van een voorlopige OTS met machtiging uithuisplaatsing moeten gezinsmanagers direct handelen en krijgt dit gezin voorrang, waardoor een andere casus blijft liggen. De gezinsmanagers, teammanagers en gedragsdeskundigen vertellen aan de inspecties dat het ingewikkeld is om op tijd passende hulp te kunnen regelen. In de gesprekken komen verschillende voorbeelden en oorzaken die voornamelijk buiten de invloedssfeer van Jeugdbescherming Regio Amsterdam liggen naar voren waardoor het niet lukt om binnen drie maanden passende hulp in te zetten:

 Wachtlijsten bij hulpverlening. Ook bij de tien vaste ketenpartners van Jeugdbescherming Regio Amsterdam, loopt de wachttijd soms op tot negen maanden, mede doordat deze aanbieders kampen met personeelstekort. De inspecties horen van een wachttijd van anderhalf jaar voor een behandeling in een ggz-instelling. In de tussentijd compenseren de gezinsmanagers met andere hulp.

   

Andere hulpverleners zijn onderling niet goed op elkaar afgestemd. Veel hulp is wegbezuinigd (zie ook norm 2.3). Diagnostisch en psychiatrisch onderzoek duurt lang. Gemeenten lijken geen vertrouwen te hebben in de bekwaamheid van de gezinsmanagers om te bepalen welke hulp nodig is en beoordelen dit zelf nogmaals.

 Escaleren bij een doorbraakteam duurt lang.  Als de hulp niet door de gemeente is ingekocht, moet een individuele betaalovereenkomst (IBO) opgesteld worden; dit kan drie maanden duren, mede omdat eerst de tien ketenpartners elk moeten aangeven dat zij geen hulp kunnen geven.

 Schaarste voor hulp voor de complexe casuïstiek waar Jeugdbescherming Regio Amsterdam mee te maken heeft.

 Gebrek aan crisisplekken, psychiatrische hulpverlening, verslavingszorg voor jeugdigen en plekken binnen gesloten jeugdzorg en pleeggezinnen.

 Ouders die in verschillende steden wonen, of waarbij het kind in een pleeggezin in een andere gemeente woont.

 Niet ingekochte omgangshulp. Gezinsmanagers vertellen dat de fase van hulp inzetten bij gezinnen op de instroomlijst nog niet is gestart, omdat de gezinspatronen nog niet onderzocht zijn. De inspecties horen voorbeelden dat ze soms in de periode op de instroomlijst wel hulp kunnen inzetten als er in het veiligheidsplan is gesignaleerd dat er direct hulp nodig is. Van een van de gesproken ketenpartners horen de inspecties dat zij wachtlijsten hebben door een tekort aan personeel. Een andere ketenpartner vertelt dat er een casus niet op tijd kon worden opgestart, waarbij dit niet aan Jeugdbescherming Regio Amsterdam lag. Een derde ketenpartner vertelt dat de hulp tijdig is gestart. Van twee ouders horen de inspecties dat er al hulp ingezet was voordat Jeugdbescherming Regio Amsterdam betrokken was. Een van de ouders vertelt dat er zonder wachtlijst hulp is ingezet. Een andere ouder vertelt al lang te wachten op hulp en dat er geen overbrugging is ingezet omdat Jeugdbescherming Regio Amsterdam, hulpverleningsinstanties en ouders eerst samen tot een plan moeten komen. Van twee ouders van jeugdigen met een jeugdreclasseringsmaatregel horen de inspecties dat zij zelf hulp moesten regelen voor de jeugdige. In een van de gevallen was Jeugdbescherming Regio Amsterdam laat betrokken, waarna de gezinsmanager snel passende hulp heeft geregeld.

32

Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid

In de gesprekken die de inspecties aan de hand van cliëntdossiers hebben gevoerd met gezinsmanagers horen de inspecties dat de eerste hulp vaak wel binnen drie maanden kan worden ingezet, maar de meest passende hulp soms pas later. In de zeven dossiers van deze gezinsmanagers zien de inspecties dat er vijf keer binnen drie maanden een vorm van hulp is ingezet, een jeugdige is in een pleeggezin geplaatst en een van de jeugdigen stond zes maanden op de wachtlijst voor passende hulp. In elf andere dossiers hebben de inspecties naar de tijdigheid van hulp gekeken. Vijf van de zes ingezette hulptrajecten startten binnen drie maanden na de uitspraak van de maatregel. In de overige vijf dossiers zien de inspecties dat er nog geen hulp is ingezet, mede doordat het gezin geen vaste gezinsmanager heeft en op de monitorlijst staat. Signaleren, opschalen en escaleren Als de hulp niet tijdig beschikbaar is, escaleren gezinsmanagers in het BTO naar de teammanager en de afdeling zorgbemiddeling bij Jeugdbescherming Regio Amsterdam. De teammanager kan hierop sturen en rapporteert dit dan aan de gemeente. Gezinsmanagers blijven dit doen, ondanks dat het vaak voorkomt. Teammanagers vertellen aan de inspecties dat de escalatielijn helder is, dat zij ook verder kunnen escaleren via de bestuurder.

De teammanagers vertellen dat er vanaf 1 mei 2025 in Amsterdam een gebiedsknooppunt start, dat de aanvragen van verwijzingen voor jeugdzorg behandelt. De gemeente Amsterdam vertelt aan de inspecties dat dit Gebiedsknooppunt Jeugdhulp Amsterdam ervoor zorgt dat gezinsmanagers minder tijd kwijt zijn met shoppen voor passende hulp en deze hulp meer tijdig ingezet kan worden. De raad van bestuur geeft de verwachting aan dat de wachtlijsten en tekort aan zorg in Amsterdam niet afneemt, omdat er bezuinigingen komen. Hier voert de raad van bestuur het gesprek op bestuurlijk niveau over. Mogelijk kan het voorgestelde gebiedsknooppunt verlichting geven. De raad van toezicht is kritisch of er niet bij dit knooppunt een wachtlijst ontstaat, waar Jeugdbescherming Regio Amsterdam minder controle op heeft. Tekortkomingen

 Voor gezinnen op de instroomlijst zet Jeugdbescherming Regio Amsterdam niet voldoende tijdig passende hulp in.

 Jeugdbescherming Regio Amsterdam kan onvoldoende tijdig (binnen drie maanden na het opleggen van de maatregel) passende hulp inzetten. Hiervoor is Jeugdbescherming Regio Amsterdam mede afhankelijk van de beschikbaarheid van de hulp in de regio.

Norm 2.3 Norm Over de inzet van hulp vindt afstemming met de gemeente plaats.

Oordeel -

Waar kijken de inspecties naar? De gecertificeerde instelling bepaalt of, en zo ja, welke jeugdhulp is aangewezen bij de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclasseringsmaatregel. Zij overlegt hiertoe met het college van de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft. Dit is niet van toepassing indien de verplichting tot het bieden van jeugdhulp rechtstreeks voortvloeit uit een strafrechtelijke beslissing. 33

Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid

Communicatie met de gemeenten De gemeente Amsterdam geeft in gesprek met de inspecties aan dat Jeugdbescherming Regio Amsterdam een samenwerkende partij is en het prettig is om mee samen te werken, vanwege de regionale inzet en gezinsgerichte visie. De gemeente spreekt de verwachting uit dat het gebiedsknooppunt per 1 mei helpend gaat zijn voor de inzet van passende hulp. Soms stelt de gemeente aanvragen voor hulp van Jeugdbescherming Regio Amsterdam ter discussie. De gemeente vertelt dat deze gesprekken constructief gevoerd worden. Gemeente: “We kunnen met respect over de inhoud schuren met JBRA.” De teammanagers zijn de contactpersoon voor de gemeenten en de meeste vertellen prettig samen te werken. Gezinsmanagers, teammanagers en gedragsdeskundigen vertellen dat er verschillen zijn per gemeente over mogelijkheden voor het aanvragen en verkrijgen van de juiste hulp, omdat niet alle hulp is ingekocht. Een voorbeeld van niet-ingekochte hulp, is hulp bij begeleide omgang voor complexe scheidingen, die niet ingekocht is door de gemeente Amsterdam. Dit leidt bij de gezinsmanagers tot extra werk, omdat ze individuele betaalovereenkomsten (IBO’s) moeten invullen om maatwerk aan te vragen.

Andere voorbeelden die de inspecties horen is dat er slechts één plek is voor ggz-hulp en weinig keuzevrijheid is voor forensische hulp voor jeugdreclassering, omdat er maar één partij is ingekocht. Omdat gemeenten vaak bij de grote aanbieders en goedkope opties inkopen is het lastig om maatwerk te organiseren. Hierdoor is juist de complexe jeugdhulp weinig voorhanden. Een gezinsmanager vertelt dat er ook buitenregionaal gekeken moet worden voor passende hulp. Gezinsmanager: “Meiden van 14 die overal uitknallen zijn een probleem.” Andere gezinsmanagers, werkend in regio’s Zaanstreek en Haarlemmermeer vertellen dat de inzet van passende hulp voor hen eenvoudiger is dan voor de Amsterdamse gezinsmanagers, omdat de gemeenten in hun regio’s voldoende hebben ingekocht en de gemeenten over de inhoud mee denken. De raad van bestuur vertelt aan de inspecties dat zij merkt dat er financiële druk ligt bij de gemeente Amsterdam en dat de gemeente moet bezuinigen, terwijl gezinnen bij Jeugdbescherming Regio Amsterdam vaak maatwerktrajecten nodig hebben die duurder zijn dan wat er merendeels is ingekocht. Hierdoor heeft Jeugdbescherming Regio Amsterdam gesprekken met de gemeente waarbij ze de vraag krijgt of gezinsmanagers meer kostenbewuste beslissingen over hulp kunnen nemen.

De raad van toezicht vertelt dat er dan inhoudelijke beslissingen worden genomen door de gemeenten die financieel gedreven zijn, waarbij uitspraken van de rechter door de gemeente ter discussie worden gesteld. De raad van bestuur mist hierin reflectie van de gemeente over waarom het juist in deze gemeente nodig is om zoveel dure zorg in te moeten zetten. De inspecties horen van gezinsmanagers dat gemeenten steeds minder bereid zijn te betalen voor niet-ingekochte hulp. Teammanagers vertellen zich hierover zakelijk op te stellen richting de gemeente, en hierbij aan te geven dat de inhoud leidend zou moeten zijn. De inspecties horen van de raad van bestuur en gezinsmanagers dat er bezuinigd wordt op de zorg en er minder zorg beschikbaar is. Een gezinsmanager geeft bijvoorbeeld aan dat binnen volwassenenzorg verslaving en psychiatrie daardoor onbehandeld blijft.

34

Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid

Daarna krijgt Jeugdbescherming Regio Amsterdam de gezinnen binnen, eigenlijk al te laat. Lokale teams houden gezinnen soms (te) lang bij zich, de gemeente wil de hulp het liefst zo lang mogelijk ambulant en in het voorveld houden. In gesprek met de gemeente horen de inspecties terug dat gezinsmanagers gezinnen soms pas laat in beeld krijgen, omdat de gezinnen lang bij lokale teams blijven. Meer samenwerking tussen Jeugdbescherming Regio Amsterdam en de wijkteams zou hierin helpend zijn. Een voorbeeld van deze samenwerking horen de inspecties terug van de raad van bestuur en een gezinsmanager die werkt als koppeling tussen het lokaal veld en Jeugdbescherming Regio Amsterdam. Dit loopt goed, de gezinsmanager kan met name op veiligheid de expertise bieden zodat een gezin niet escaleert en het in het lokale team kan blijven. Tekortkomingen

 Jeugdbescherming Regio Amsterdam ondervindt voor het inzetten van passende hulp in de regio Amsterdam nadelige gevolgen van beschikbaarheid van de (jeugd)zorg en bezuinigingen.

 Gezinsmanagers zijn onevenredig veel tijd kwijt met maatwerkafspraken voor hulp die veel nodig is, maar in Amsterdam niet is ingekocht.

35

Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid

Thema 3: Regie op voortgang van het beoogde resultaat In dit thema kijken de inspecties naar de kwaliteit van de regievoering vanuit de gecertificeerde instelling op de ingezette hulp en de mate waarin de gecertificeerde instelling zicht houdt op de ontwikkeling en de veiligheid van de jeugdige.

Oordeel Het oordeel van de inspecties over cliëntgerichtheid, samenwerking en regie en zicht op de ontwikkeling is grotendeels onvoldoende. Mede bepalend voor het oordeel is de werkwijze van Jeugdbescherming Regio Amsterdam voor gezinnen op de monitorlijst. In tegenstelling tot de gezinnen met een vaste gezinsmanager hebben de gezinsmanagers bij gezinnen op de monitorlijst onvoldoende betekenisvol contact met het hele gezin en zien de inspecties onvoldoende terug dat de ontwikkeling gevolgd wordt. Tevens wordt voor deze gezinnen onvoldoende regie gevoerd. Een deel van de ouders ervaart onvoldoende respect en vertrouwen van de gezinsmanagers. Het oordeel van de inspecties over de mate van systematisch handelen, het inschatten van de veiligheid en het handelen van de veiligheid is grotendeels voldoende. De inspecties komen tot dit oordeel omdat de gezinsmanagers van Jeugdbescherming Regio Amsterdam in alle gesprekken die ze voeren veiligheid centraal stellen en waar nodig direct handelen wanneer er sprake is van onveiligheid. Jeugdigen worden regelmatig alleen gesproken. In onderstaand figuur ziet u wat de oordelen zijn van de inspecties op de normen die vallen onder dit thema.

Onderdeel:

Cliëntgericht

Samenwerking en regie

Systematisch handelen

Zicht op jeugdige

Inschatten veiligheid

Handelen bij onveiligheid

Oordeel:

-

-

+

-

++

++

Hieronder leest u per norm een toelichting op het oordeel van de inspecties.

Norm 3.1 Norm De jeugdige krijgt in het gehele proces de mogelijkheid om te participeren en is betrokken bij de besluitvorming.

Oordeel -

Waar kijken de inspecties naar? In de dagelijkse praktijk besteden professionals voldoende tijd en aandacht aan de jeugdige en ouders. De professional onderhoudt de relatie met ouders en jeugdige en houdt zicht op de veiligheid van het kind. De professional blijft tevens in contact met het (informele) netwerk van het gezin. De professional bevordert de band tussen ouders, jeugdige en andere gezinsleden en met belangrijke personen uit het netwerk. Professionals behandelen jeugdigen en ouders met respect en jeugdigen ouders ervaren begrip en vertrouwen.

36

Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid

Tijd en aandacht voor de jeugdige en ouders Sommige gezinsmanagers vertellen dat ze minder in contact komen met de gezinnen dan ze zouden willen doordat ze te weinig tijd hebben. In gesprekken met gezinsmanagers horen de inspecties dat ze naast hun caseload andere activiteiten uitvoeren, zoals acties voor gezinnen op de monitorlijst, THV (tijdelijke huisverboden) en administratie. Zonder de extra taken, maakt de caseload van negen gezinnen dat er voldoende aandacht kan zijn, schatten de gezinsmanagers in. In de antwoorden op de vragenlijst lezen de inspecties dat 54% van de ouders/jongeren vindt dat gezinsmanagers onvoldoende tijd en aandacht hebben, 26% niet helemaal voldoende en 20% voldoende. De contactfrequentie met de jeugdige hangt af van de fase van begeleiding en van wat er nodig is, vertellen gezinsmanagers. In de eerste fase van de begeleiding is de contactfrequentie hoger dan tijdens de latere fase, wanneer de hulp is ingezet en deze goed loopt. De inspecties horen voorbeelden dat er tijdens de gehele begeleiding wekelijks contact is met de gezinnen, soms door huisbezoeken maar ook door middel van een appje of een kort telefoontje. De inspecties horen tevens een voorbeeld van een voogdijzaak waarin de jeugdige de gezinsmanager twee keer per jaar spreekt en bereikbaar is voor praktische zaken waar toestemming voor nodig is.

Over het contact tussen ouders en gezinsmanagers horen de inspecties van ouders verschillende ervaringen. Een ouder vertelt dat ze goed in contact is en dat de gezinsmanager snel reageert op appjes. Een andere ouder ervaart het contact dubbel: er is goed contact met de gezinsmanager, maar een besluit over een ander hulpverleningstraject wordt niet persoonlijk, maar via e-mail doorgegeven. Een pleegmoeder vindt dat de gezinsmanagers van Jeugdbescherming Regio Amsterdam snel en veel in contact zijn, ook met de jeugdige zelf. Een gezin vertelt dat er eerder wekelijks contact was, maar dat er nu minimaal contact is met de gezinsmanager en ouders minder bij de jeugdreclassering betrokken worden en ze zelf initiatief moeten nemen om te communiceren. Wanneer een gezin op de monitorlijst staat, krijgt het gezin een vast contactpersoon bij Jeugdbescherming Regio Amsterdam. Als gezinnen de contactpersoon niet direct kunnen bereiken komen ze bij de telefonisten van het klantcontactcentrum terecht. Deze nemen de boodschap aan en verbinden door met de bureaudienst van het juiste team. Vanuit de monitorlijst heeft Jeugdbescherming Regio Amsterdam eens per vier weken een afspraak om de gezinnen te zien, lezen de inspecties in de werkwijze en horen de inspecties van medewerkers en een teammanager. Niet alle teams beheren de monitorlijst op dezelfde manier.

Gezinsmanagers die de monitorlijst beheren naast eigen casussen, merken op soms minder tijd te hebben voor de eigen gezinnen door de hoge instroom op de monitorlijst, waarbij de beginfase veel tijd vraagt, omdat ze binnen vijf dagen bij dat gezin op de stoep moeten staan. In enkele regio’s is een apart team dat de monitorlijst bedient. De gezinsmanagers uit dit team geven aan dit als prettig te ervaren, omdat er meer zicht is op de gezinnen en gezinsmanagers een betere basis kan bieden aan deze gezinnen. In de zeven dossiers die de inspecties van de monitorlijst hebben ingezien, zien de inspecties in twee dossiers geen contactmomenten met het gezin genoteerd in de afgelopen maanden. In de overige vijf lezen de inspecties dat er tussen de een en de acht keer contact is geweest met de ouders in enkele maanden tijd. Niet altijd zijn de kinderen ook zelf gezien. Waar dit niet het geval was, is er door overige hulpverlening zicht op de veiligheid van de kinderen, staat in het dossier vermeld.

37

Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid

Jeugdigen spreken Een van de jeugdigen zegt zelf goed en frequent contact te hebben met de gezinsmanager, vaak persoonlijk en individueel. Een andere jeugdige vertelt eerst vaker contact te hebben, nu amper meer en ervaart dat de gezinsmanager niet meer naar het gezin omkijkt. In de dossiers van gezinnen met een vaste gezinsmanager, zien de inspecties dat jeugdigen tussen de twee en tien keer alleen gesproken zijn in de eerste drie en een halve maand van 2025, met ouders tussen de één en tien keer, waarbij een gezinsmanager ook een vader in een gevangenis bezocht heeft. Hiervan zijn ‘metingen’ in het dossier gemaakt, waarbij staat vermeld met wie de gezinsmanager heeft gesproken en of de jeugdige ook alleen is gesproken. De contacten zijn op verschillende manieren uitgevoerd, van telefoongesprekken tot huisbezoeken. Een gezinsmanager vertelt aan de inspecties dat een valkuil in het werk is dat ze te veel met ouders communiceren en minder met de kinderen, omdat ouders hen de vragen stellen of omdat zij het niet eens zijn met de hulpverlening. In het BTO komt ter sprake “wat levert het op voor het kind”, en dat ze echt met de kinderen zelf moeten praten. Een van de leden van het BTO heeft als aandachtsgebied praten met jeugdigen.

In de dossiers die samen met de gezinsmanagers zijn bekeken, zien de inspecties regelmatige contactmomenten met de kinderen en de ouders terug, zowel tijdens evaluaties, maar ook tussendoor. In een casus zien de inspecties dat een jeugdige al een tijdje niet zelf gezien was. De inspecties lezen dat informatie over de veiligheid van dit jonge kind in het dossier vanuit andere betrokken, zoals hulpverlening en voorschoolse opvang bekend is. Tevens is regelmatig contact met beide ouders in het dossier te zien, ook over het effect van de begeleiding van Jeugdbescherming Regio Amsterdam. In een van de dossiers van een gezin dat in fase 2 van de methodiek zit, is er voornamelijk contact met ouders en jeugdige tijdens de evaluaties. In dit dossier staat dat ouders zich gehoord voelen in de voortgang van de OTS. In een andere casus, een langlopende voogdijzaak, spreekt de gezinsmanager de jeugdige twee keer per jaar, en gaat het vooral over praktische zaken, omdat het goed gaat met de jeugdige. Ervaren begrip en vertrouwen De cliëntenraad vertelt aan de inspecties dat bejegening van ouders voor hen een speerpunt is. Zij geven aan, mede door hun eigen ervaringen, dat ouders niet serieus worden genomen en dat er onvoldoende naar ouders wordt geluisterd door gezinsmanagers.

De raad van bestuur vertelt aan de inspecties dat een verbetering van de grondhouding van de gezinsmanagers een belangrijk punt is voor 2025 om beter aansluiting te krijgen bij de gezinnen. Gezinsmanagers moeten zich nog meer bewust worden van de positie die zij hebben ten opzichte van gezinnen. In de vragenlijst lezen de inspecties dat 49% van de respondenten vindt dat de jeugdbeschermer hen met respect behandelt, 25% vindt dat de jeugdbeschermer hen begrijpt. In de reacties van de vragenlijst lezen de inspecties uiteenlopende voorbeelden van ervaringen: dat ouders de jeugdbeschermer nog nooit hebben ontmoet, ze zich niet serieus genomen voelen, racisme ervaren of een gevoel van ouderverstoting, maar ook dat gezinsmanagers juist echt begrip voor de gezinnen opbrengen en respectvol zijn. Gezinsmanagers vertellen aandacht te hebben voor de diversiteit van de gezinnen waarbij ze betrokken zijn. Zelf werken ze in een multicultureel en divers team wat betreft achtergrond, waarbij ze zoveel mogelijk aansluiting proberen te vinden bij de 38

Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid

gezinnen. Een van de gezinsmanagers geeft hierbij een voorbeeld dat hij een tweede, vrouwelijke, gezinsmanager bij het gezin heeft kunnen betrekken omdat dit de wens was van de jeugdige. Een ketenpartner geeft een voorbeeld dat ouders zich niet voldoende gehoord voelen. Of dit aan de gezinsmanager ligt of aan de beleving van ouders, vindt de ketenpartner lastig te zeggen. Deze ouders sturen heel veel mails, hebben heel veel vragen en weten niet zo goed bij wie ze moeten zijn. Een andere ketenpartner vertelt dat het soms voor een gezinsmanager onmogelijk is om het goede te doen. Deze geeft een voorbeeld van ouders bij wie de gezinsmanager had bepaald dat hun kind weer thuis kwam wonen, die niet tevreden waren doordat ze zich aan voorwaarden moesten houden. Ketenpartner: “In een casus voelden ouders zich niet gehoord, omdat de aandacht maar naar een van de kinderen ging. Uiteindelijk wilde de gezinsmanager zorgen vanuit mij horen en heb ik verteld dat ze de ouders moest spreken. Die afspraak is er nooit geweest.” Bevorderen gezinsband en relatie met andere belangrijke personen Uit de gesprekken met de gezinsmanagers, blijkt dat gezinsmanagers volgens de methodiek altijd goed in kaart brengen wie belangrijk zijn voor de ouders en de jeugdige. Gedragsdeskundigen melden dat ze het zicht op het netwerk heel belangrijk vinden.

Het biedt voor het gezin ook mogelijkheden op de lange termijn als het netwerk goed betrokken is bij het gezin. Hierbij wordt niet alleen op het niveau van ouders gekeken, naar familie, vrienden en collega’s, maar ook op het niveau van de jeugdigen, zoals school, vrienden en sportclubs. Per gezin met een vaste gezinsmanager is er met overige contacten in het netwerk tussen de drie en twaalf keer gesproken in de eerste drie maanden van 2025, zien de inspecties in dossiers. De ketenpartners laten aan de inspecties weten dat ze ervaren dat het afhankelijk is van de gezinsmanager in hoeverre het lukt om de band met het gezin en met het netwerk te bevorderen. Vaak zien ze wel inspanning om bijvoorbeeld ouders beter met elkaar te laten communiceren, maar is het voor de ketenpartner niet altijd duidelijk in hoeverre jeugdigen hierin worden meegenomen. Een andere ketenpartner ziet de visie van Jeugdbescherming Regio Amsterdam om het hele gezin blijvend te betrekken terug, ook in contact tussen jeugdigen en ouders. Een ouder vertelt aan de inspecties dat de gezinsmanager ook contact heeft met hun hele netwerk. Een pleegmoeder vertelt dat op verzoek van de jeugdige nu nog geen contact gelegd is tussen de jeugdige en diens moeder, maar dat dit op termijn wel de doelstelling is.

Een ouder waarbij jeugdreclassering betrokken is, vertelt dat de gezinsmanager niet in contact komt met de rest van de kinderen, omdat ouders hiervoor geen toestemming hebben gegeven. Tekortkomingen

 Gezinsmanagers ervaren onvoldoende tijd om betekenisvol contact en aandacht aan alle gezinnen te kunnen besteden.

 Een deel van de ouders ervaart onvoldoende respect en vertrouwen van de gezinsmanagers.

 Met gezinnen op de monitorlijst is onvoldoende (betekenisvol) contact, waarbij de jeugdigen niet altijd zelf gesproken worden. 39

Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid

Norm 3.2 Norm De professional heeft de regie en het overzicht op alle ingezette hulp en ondersteuning aan het gezin.

Oordeel -

Waar kijken de inspecties naar? De professional houdt de regie en heeft het overzicht op alle ingezette hulp en ondersteuning in het gezin. Waar nodig vindt multidisciplinaire en interdisciplinaire afstemming plaats. Indien andere professionals betrokken zijn bij de jeugdige en het gezin, werkt de professional met hen samen. Dat betekent dat zij met elkaar duidelijke afspraken maken over de samenwerking, wederzijdse verwachtingen, wie waarvoor verantwoordelijk is en wie de regie voert. Professionals stellen de jeugdige en ouders hiervan op de hoogte. Het hulpverleningsplan van andere professionals sluit navolgbaar aan op het plan van de gecertificeerde instelling. Bij (blijvende) visieverschillen tussen betrokken professionals over de effectiviteit van de hulpverlening en/of over de veiligheid van de jeugdige schaalt de professional op en zorgt de professional dat betrokkenen het belang van de jeugdige centraal blijft stellen. Regie en overzicht van alle ingezette hulp en ondersteuning Gedragsdeskundigen vertellen aan de inspecties dat de gezinsmanagers de regie voeren, maar dat de gedragsdeskundige hier ondersteunend in is, ook om de helikopterview te bewaren. Soms is regie voeren tussen alle betrokkenen en tekorten aan hulpaanbod ingewikkeld, horen de inspecties.

Vanuit de gezinsgerichte blik van Jeugdbescherming Regio Amsterdam brengen gezinsmanagers vanuit de appelboomsessies vaak multiproblematiek in beeld. Dan is niet alleen de jeugdhulp betrokken, maar ook bijvoorbeeld (ggz) zorg voor ouders en/of schuldhulpverlening. In BTO’s bevragen teamleden elkaar over het houden van overzicht over alle vormen van hulpverlening. Bij een jeugdreclasseringszaak waar de verantwoordelijkheid van het uitvoeren van de een deel van de voorwaarden bij een andere partij ligt, is het belangrijk dat de gezinsmanager wel toezicht houdt. Er wordt door elk regulier team gebruikt gemaakt van expertise van het Top1000-team om mee te denken over het houden van regie. Gezinsmanagers zijn zich bewust van hun rol als regievoerder, horen de inspecties van hen. Tijdens uitvoerders-overleggen (UVO’s) nemen zij de regie. Tijdens een UVO evalueren de betrokkenen de ontwikkeling van het gezin, de doelen en de veiligheid binnen het gezin. In de Checklist UVO lezen de inspecties dat de gezinsmanager het UVO voorzit, maar het gezin ook de regie mag nemen. Vanuit de voorzittersrol brengen de gezinsmanagers de centrale vraag in: ‘wat is voor de ontwikkeling van de jeugdige nu het belangrijkste?’. In de dossiers staan alle ketenpartners die betrokken zijn bij een gezin duidelijk vermeld.

Uit de dossiers die de inspecties samen met gezinsmanagers hebben bekeken, blijkt in alle gevallen dat de gezinsmanager regie voert. Het beeld is met alle betrokkenen gedeeld, en bij de doelen staan samenwerkingsafspraken beschreven in het dossier. In meerdere dossiers zien de inspecties dat de lijn van de begeleiding voor alle betrokken partijen duidelijk is.

40

Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid

Uit de overige dossiers, blijkt in drie van de vier casussen met een vaste gezinsmanager dat de gezinsmanager regie voert, in de casussen zonder vaste gezinsmanager is dit niet te zien door de inspecties. Twee van de ketenpartners vertellen dat er wel contact is tussen de ketenpartner en de gezinsmanager, maar ze vragen zich af of de gezinsmanager echt regie pakt in de casus. Een andere ketenpartner heeft meerdere casussen met Jeugdbescherming Regio Amsterdam, waarbij de gezinsmanager in drie van de vier goed regie pakt, in de vierde minder. Bij een van de casussen speelt ten tijde van het toezicht erg veel, en pakt de gezinsmanager de rol van regiehouder heel goed. In een andere casus was er sprake van een visieverschil, maar de regie lag duidelijk bij de gezinsmanager. Ketenpartner: “De gezinsmanager en ik waren het niet helemaal eens, maar de gezinsmanager pakte wel de regie”. Vier ouders en twee jeugdigen vertellen aan de inspecties dat ze weten dat de gezinsmanager ook contact heeft met andere betrokken partijen. Twee ouders noemen deze samenwerking positief, een derde zegt dat partijen afwachtend naar elkaar kijken, waarbij de ouder denkt dat de huidige gezinsmanager hier wel de regie gaat pakken. Een van de jeugdigen vertelt dat deze niet goed op de hoogte wordt gebracht van de samenwerking.

Multidisciplinaire afstemming Gezinsmanagers vertellen veel hulp te kunnen krijgen van hun gedragsdeskundige. Ook brengt de SPV haar visie in over de ouders, in ieder geval aan het begin van het traject. Van de gedragsdeskundigen horen de inspecties dat de SPV echt een meerwaarde is voor de teams. In gevallen waar bepaalde hulpverlening niet werkt, of er vragen zijn over veiligheid van de jeugdigen, brengen gezinsmanagers het gezin als casus in binnen het BTO. Gedragsdeskundigen werken over het algemeen op de achtergrond mee aan de begeleiding, maar kunnen soms aansluiten bij een UVO of gesprekken met gezinnen of ketenpartners, om meer ingewikkelde onderwerpen uit te leggen. Vanuit de leden van de cliëntenraad horen de inspecties dat zij de gedragsdeskundigen nog nooit hebben gezien. Van teammanagers en gezinsmanagers die werken voor een monitorlijst, horen de inspecties dat de informatie uit de gesprekken met de gezinnen meegenomen wordt in het BTO, om iedereen te informeren en om te bepalen of de prioritering moet worden aangepast. Van een ouder horen de inspecties dat er een multidisciplinair overleg (MDO) gepland staat met Jeugdbescherming Regio Amsterdam, ouders en beide hulpverleningsinstanties om gezamenlijk tot een plan te komen.

In een van de wachtlijstdossiers zien de inspecties een verslag van een MDO, waarbij een herbeoordeling van de monitorlijst prioritering is gemaakt. Ook zijn er contacten met de raad van de kinderbescherming beschreven. In enkele andere dossiers staat wel dat de casus wordt ingebracht in een casuïstiekbespreking, maar is het voor de inspecties niet duidelijk hoe dit wordt opgevolgd. In een dossier lezen de inspecties op welk moment de casus is ingebracht in casuïstiekbesprekingen in het basisteam, en is zichtbaar dat besluiten worden genomen na afstemming met de hulpverlening en na interne afstemming.

41

Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid

Samenwerking met andere betrokkenen Teammanagers vertellen dat ze regelmatig de tien vaste ketenpartners spreken, in een overleg ‘gebiedsgericht werken’ in Amsterdam. Ze geven aan dat dit helpend is om mogelijke frustraties van de werkvloer ook snel bespreekbaar maken met de ketenpartners. Gezinsmanagers plannen uitvoerders-overleggen (zie norm 3.3). Hierin wordt met alle ketenpartners en het gezin overleg gevoerd over de uitvoering van de maatregel bij het gezin en de samenwerking tussen de verschillende betrokkenen. Als gezinnen stabiel zijn en Jeugdbescherming Regio Amsterdam zet ze op de doorstroomlijst, dan wordt dit medegedeeld aan de gezinnen en de ketenpartners. De inspecties lezen deze afspraken terug in een brief die aan de ketenpartner is gericht. Een teammanager van de monitorlijst vertelt dat er ook afspraken met de hulpverlenende instantie worden gemaakt om de jeugdigen te spreken. De raad van bestuur merkt hierbij op dat jeugdhulpaanbieders aangeven niet het extra paar ogen te kunnen zijn binnen deze gezinnen in verband met de krapte op de arbeidsmarkt bij de jeugdhulpaanbieder. Ketenpartners vertellen wisselende ervaringen te hebben over de samenwerking met de gezinsmanagers. Een van de ketenpartners vertelt dat in de meeste van haar casussen een duidelijk actueel beeld ligt van de gezinsmanager over het gezin en de hulpverlening waar ze bij betrokken wordt.

In een van de casussen met een langere looptijd wordt het beeld minder duidelijk. Een van de ketenpartners vertelt dat gezinsmanagers niet echt samenwerken, maar lijkt te vinden dat de ketenpartner voor de gezinsmanager werkt. In een van de dossiers zien de inspecties een apart hulpverleningsplan van een ketenpartner, dat aansluit op het plan van Jeugdbescherming Regio Amsterdam. In andere dossiers zien de inspecties de hulpverleningsplannen van ketenpartners niet. In enkele dossiers lezen de inspecties afspraken over de voortgang op de doelen en welke partij verantwoordelijk is voor de doelen. Handelen bij visieverschillen Als gezinsmanagers visieverschillen ervaren met ketenpartners, kunnen ze deze eerst met collega’s in het BTO bespreken of in individuele overleggen met de teammanagers en gedragsdeskundigen. Daarna kan ook een van de bestuurders een gesprek aangaan met een ketenpartner, vertellen gedragsdeskundigen. Gedragsdeskundigen vertellen dat de meeste visieverschillen ontstaan door schaarste in de zorg, maar dat Jeugdbescherming Regio Amsterdam en ketenpartners het in de basis, over de veiligheid, met elkaar eens zijn. Zowel gezinsmanagers als ketenpartners geven voorbeelden dat onderlinge visieverschillen in de organisaties kunnen worden opgeschaald.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16788519/1