bijlage 2a TOELICHTING Amsterdam oudZuid.pdf
Tekst van het document
De verbinding tussen beide oevers kwam tot stand via twee bruggen, de Nieuwe Amstelbrug (1899-1903) en de Berlagebrug (1927), beide ontworpen door H.P. Berlage. Relatief nieuw is de Torontobrug (1970), die in het noorden
21
Nadere typering van te beschermen waarden de Stadhouderskade verbindt met de Mauritskade. De kwetsbare Nieuwe Amstelbrug wordt nu alleen nog gebruikt voor licht verkeer en tram. Met name het complex van de Berlagebrug met brugwachtershuis en de ver langs de oevers doorlopende kadewand waarin een roeivereniging en een botenhuis zijn opgenomen, is een prachtige symbiose aangegaan met de rivier. Er is een grote variatie in hoogte en vormgeving van de bebouwing aan de Amsteldijk tot aan de Lutmastraat en aan de Weesperzijde tot aan de Burmanstraat. Langs de Amsteldijk trekt in de bebouwingswand de toren van het voormalige Stadhuis van Ouder Amstel de aandacht. De architectuur van de meeste panden verraadt dat zij bedoeld waren voor bewoning door de gegoede burgerij. Dat komt tot uitdrukking in de hoge kwaliteit van de vormgeving, doorgaans rijk versierd en, zeker voor wat de Weesperzijde betreft, ontworpen door indertijd bekende architecten als A. Salm en A.L. van Gendt . De bebouwing aan de Weesperzijde ten zuiden van de Burmanstraat is eenvoudiger met bouwhoogten van drie tot vier lagen. Naar het zuiden toe wordt de architectuur, gebouwd rond 1900, soberder. Het bouwblok uit de jaren 1920 aan de Schollenbrugstraat is vier lagen hoog en als een geheel vormgegeven. Stadsvernieuwing is op beide oevers weinig zichtbaar.
Aan de Amsteldijk zijn dat de uitbreidingen van het Stadhuis van Nieuwer Amstel uit de tijd dat dit Gemeentearchief was, de woningbouw op de kop van de Rustenburgerstraat en verpleegtehuis Tabitha op de plaats van de in 1970 gesloopte Willibrorduskerk. Aan de overzijde is alleen wat stadsvernieuwing rond de Oetgensstraat, met nieuwbouw Montessorischool, zichtbaar. 22
Strook Overtoom/Vondelbuurt • het organische karakter van de Overtoom en zijstraten in contrast met het planmatige karakter van de Vondelbuurt, met daar dwars doorheen de Eerste Constantijn Huygenstraat als structuur uit Plan Kalff • het pluriforme karakter van de Overtoom, zowel in hoogte, omvang en vormgeving, die een doorsnede van de bebouwingsgeschiedenis laat zien, teruggaand tot de achttiende eeuw • het onregelmatig verloop van de rooilijn van de Overtoom en in contrast daarmee de loodrechte straten en stegen • de stegen met bebouwde achterterreinen en oorspronkelijk pre-stedelijke structuren (Saxenburgerstraat, villa Betty • het verschil tussen meer en minder planmatige bebouwing tussen de noord- en zuidzijde van de Overtoom, die de verschillende ontwikkelingsfasen illustreert • de seriematige bebouwing van de straten die uitkomen op de Overtoom en de verticale ritmering van de straatwanden door raamtraveeën, portieken, dakkapellen en hijsbalken • het verschil in bebouwing en status tussen enerzijds de zijstraten van de Overtoom die uitkomen op het Vondelpark en anderzijds de veel soberder Zocherstraat • de planmatige opzet van de Vondelbuurt als buurt voor gegoede burgers met een combinatie van een villaparkachtige en aaneengesloten bebouwing
•
• •
•
•
•
de zichtlijnen op de Vondelkerk en de toren van de Parkkerk en de doorkijkjes en zichtlijnen vanuit de straten op het Vondelpark de rijke architectuur van de Vondelbuurt die de rijkdom van de oorspronkelijke bewoners weerspiegelt de allure van de Vondelstraat, bewerkstelligd door de grote hoogte van de bebouwing in combinatie met de villabouw aan de zuidzijde de samenhang en de overgang tussen straten en Vondelpark, die het karakter van de straat mede bepalen de ruimtelijke functie van de bomen in de Vondelstraat en de Roemer Visscherstraat en de voortuinen in de Vondelstraat en de Tesselschadestraat de vorm van het voormalige bolwerk langs de Singelgracht
Vondelpark-/Concertgebouw-/Museumpleinbuurt • de opzet van de bouwblokken met strakke rooilijnen, die het planmatige karakter van het gebied onderstrepen • het stedenbouwkundige onderscheid tussen de buurten, die de verschillende stedenbouwkundige plannen illustreren • de waaiervormige structuur van de Museumpleinbuurt, bedoeld voor de gegoede burgerij, in contrast met de driehoekige vorm van het soberder opgezette Duivelseiland, tot stand gekomen op basis van een plan van P.J.H. Cuypers en J. Ankersmit • de opzet van Willemspark als villapark in contrast met het gebied tussen Willemsparkweg-Koninginneweg en De Lairessestraat-Cornelis Krusemanstraat, dat in navolging van Plan Kalff de aanwezige slotenverkaveling volgt en strakker in uitvoering is
•
•
• • • •
•
•
•
•
de dominantie van gesloten bouwblokken in overwegend vier bouwlagen, in contrast met de villabebouwing in twee of drie bouwlagen in de Museumpleinbuurt en in het Willemspark de oorspronkelijke functie van grootschalig woongebied, deels bedoeld voor de gegoede burgerij, deels voor de middenklasse, tot uitdrukking komend in de vormgeving van de bouwblokken de De Lairessestraat/Krusemanstraat als hoofdader met strakke bouwblokken en brede wegprofiel de gaafheid van het gebied, dat nauwelijks door stadsvernieuwing is aangetast het Museumplein, dat ondanks herinrichting zijn oorspronkelijke open karakter heeft behouden de prominente locaties van bijzondere gebouwen met hun zichtlijnen, zoals tussen het Rijksmuseum en Concertgebouw, het bibliotheekgebouw aan het Roelof Hartplein, het woningblok achter het Concertgebouw, de Jacob Obrechtkerk en het Amsterdams Lyceum de zichtlijnen op het groen bij de villa’s in het Willemspark, de twee en drie onder een kap bebouwing langs de Koninginneweg en de villa’s in de Museumpleinbuurt de ruimtelijke transparantie in de villagedeelten door de zichtlijnen op het groen en de aanwezigheid van voortuinen, in contrast met het besloten karakter van de straten met hoge, gesloten bouwblokken de vormgeving van de pleinwanden, waarin een samenhang is gezocht met de ertegenover liggende wanden, of waar de architectuur bewust is gericht om die pleinwanden
te creëren (Emmaplein en Valeriusplein) de hoogwaardige architectuur van de villa’s, gekenmerkt door een grote variëteit en veelal 23
•
•
•
•
•
•
ontworpen door belangrijke Nederlandse architecten; een doorsnede van de villa-architectuur uit het begin van twintigste eeuw de oudere, negentiende eeuwse bouwblokken, die worden gekenmerkt door het ontwerp van de panden als aparte eenheden, met een sterke verticale ritmering van de straatwanden door portieken, raamtraveeën, dakkapellen en hijsbalken de latere, meer sobere bouwblokken op Duivelseilend en langs de Van Eeghenstraat en de Alexander Boersstraat, met een ritmering van de straatwand door met name ronde en rechthoekige balkonnetjes en erkers de versterking van de ruimtelijke beleving van de voornaamste straten door boombeplanting en of voortuinen de negentiende-eeuwse pleinruimten: Museumplein, Emmaplein en Valeriusplein, alsmede de pleinruimten op kruispunten van straten, die naast hun oorspronkelijke verkeersfunctie ook een verblijfsfunctie hebben gekregen het contrast tussen enerzijds de aanwezigheid van groen rond de bebouwing in de villabuurten en anderzijds de betekenis van de binnentuinen in de buurten met gesloten bouwblokken, die een belangrijk complement van de stedenbouwkundige opzet vormen Het rijksmonument Vondelpark
Pijp en Amsteloevers • de stedenbouwkundige opzet van de Pijp, waarin de ontwikkelingsfasen van de buurt - van spontaan naar gepland - zijn af te lezen • de pluriformiteit van de buurt, zowel qua opzet als functies 24
• • • •
•
•
•
•
de organische gegroeide bebouwing van de Stadhouderskade en in mindere mate de Ruysdaelkade de voormalige buurtschap Meerhuizen, een organisch gegroeide prestedelijke structuur enkele monumentale industriegebouwen die herinneren aan het industriële verleden van Meerhuizen de noordelijke Pijp, gebaseerd op de plannen van Van Niftrik (1868) en Kalff (1876) en gekenmerkt door lange straten die grotendeels het patroon van de vroegere slotenverkaveling volgen de hiërarchie van straten, tot uiting komend in de verschillende breedten van de straat en de mate van beplanting de Frans Halsbuurt, als enige deel dat is uitgevoerd volgens de plannen van Van Niftrik (1868) in een strakke gridstructuur en de puntstructuren die de overgang naar Plan Kalff markeren de strook 1900, bebouwd volgens een plan van Lambrechtsen van Ritthem het rooilijnverloop en de afgeschuinde blokken en pleinen, die de overgang illustreren tussen het plan Lambrechtsen van Ritthem en Plan Zuid van Berlage de onregelmatige rooilijnen, de verschillen in bouwhoogte en de boomaanplant langs de kades, die herinneren aan de onsystematische totstandkoming van de bebouwing voor met name de gegoede burgers de hoge kwaliteit van de architectuur langs de beide Amsteloevers, die van noord naar zuid de ontwikkeling van bouwstijlen laat zien de dominantie in de wijk van negentiende-eeuwse gesloten bouwblokken, voornamelijk
oost-west georiënteerd en bedoeld voor de arbeiders- en middenklasse
• •
•
•
•
•
•
het groene karakter van de binnentuinen binnen de gesloten bouwblokken de dominantie van de woonfunctie, bedoeld voor alle lagen van de bevolking: de gegoede burgers langs de kades, rond het Sarphatipark en in de Hemonylaan, de arbeiders en middenklasse in de kern van de buurt de gaafheid van de Pijp, waar de bestaande structuur niet wezenlijk is aangetast door grootschalige stadsvernieuwingsprojecten de variatie in bouwhoogte in de Frans Halsbuurt, Meerhuizen en langs de kades, in contrast met de consequente bouwhoogte van vier lagen in de planmatig aangelegde straten de architectuur van de negentiende-eeuwse bebouwing en die van de strook 1900, die wordt gekenmerkt door het ontwerp van de panden als aparte eenheden, ook als zij deel uitmaken van een serie of een ensemble, tot uiting komend in een sterke ritmering van de straatwanden door portieken, raamtraveeën, dakkapellen en hijsbalken de verhouding straatbreedte en bouwhoogte, die de lange, nauwe straten hun karakteristieke ruimtewerking geeft het Sarphatipark, als groene oase in een verder dichte, versteende wijk
Begrenzing De grenzen van het beschermd stadsgezicht Amsterdam Zuid - deelgebied Oud Zuid zijn (met de klok mee): • Noord: de noordelijke bebouwing met de achtertuinen van de Overtoom, de Singelgracht tot aan de Amstel • Oost: de oostzijde van de Amstel tot aan de Berlagebrug, inclusief de bebouwing van de Weesperzijde met de achtertuinen tussen de Mauritsstraat en de Schollenbrugstraat • Zuid: de zuidgrens komt overeen met de noordgrens van het deelgebied Amsterdam Zuid - Plan Zuid: de Amstel tussen Berlagebrug en Lutmastraat, de Lutmastraat, Cornelis Trooststraat, Ruysdaelkade, Roelof Hartstraat, Roelof Hartplein, Bronckhorststraat, Barth. Roelofsstraat, Jacob Obrechtplein, Jacob Obrechtstraat, Nicolaas Maesstraat, Banstraat, De Lairessestraat, Corn. Krusemanstraat • West: de Amstelveenseweg Samen met de begrenzing van deelgebied 2, Plan Zuid, vormt dit de begrenzing van beschermd stadsgezicht Amsterdam Zuid. De exacte begrenzing is aangegeven op de bijgevoegde begrenzingskaart MSP/32/03
25
Waardering
Het 19e-eeuwse stedelijke uitbreidingsgebied van Amsterdam, hier beschreven als 'Oud Zuid', is door aard, omvang en gaafheid een uniek voorbeeld van Nederlandse stedenbouw tussen 1860 en 1910. Deze stedenbouw kenmerkt zich door een mix van particulier initiatief en overheidsbemoeienis, een gevarieerde bebouwing zowel voor de gegoede burgerij als voor middenstanders en arbeiders, soms organisch en dikwijls meer of minder planmatig tot stand gekomen. ‘Oud Zuid’ is van grote stedenbouwkundige, architectonische en cultuurhistorische waarde als stedelijke uitbreiding uit de periode van 'speculatieve woningbouw', voordat de woningwet van kracht werd (1901). De bebouwing in 'Oud Zuid' is gemiddeld van hoge kwaliteit en relatief gaaf bewaard gebleven. De stedelijke uitbreiding 'Oud Zuid' is zowel voorloper als tegenhanger van het later (na 1917) en volledig planmatig tot stand gekomen Plan Zuid van H.P. Berlage, dat aansluit op Oud Zuid. Beide plannen samen geven een uniek overzicht van de Nederlandse stedenbouw tussen 1850-1940. Binnen Oud Zuid zijn drie deelgebieden onderscheiden: de strook Overtoom/Vondelbuurt, het gebied Vondelpark-/Concertgebouw/Museumpleinbuurt en de Pijp en Amsteloevers.
26
Strook Overtoom/Vondelbuurt De Strook Overtoom/Vondelbuurt, het gebied rond de Overtoom en de Vondelstraat, is een gebied waar de 19e-eeuwse stadsuitbreiding hand in hand ging met aanpassingen aan een pre-stedelijke structuur. De Overtoom heeft een grote cultuurhistorische betekenis als een van de oudste verbindingswegen van en naar Amsterdam. In de bebouwing en profilering van de Overtoom, en in de straten, stegen en achterterreinen die daarop uitkomen, herkennen we nog de functie die het gebied eeuwen lang voor Amsterdam uitoefende: als verkeersverbinding, als gebied dat voorzag in agrarische producten, als locatie voor buitenverblijven en uitspanningen, en later als vestigingsplaats voor industrie. Waar de Overtoom zijn aanzien kreeg door een eeuwenlang transformatieproces, behoren de Vondelstraat, de Tesselschadestraat en de Roemer Visscherstraat (de Vondelbuurt) in stedenbouwkundig en architectonisch tot de mooiste en vroegste voorbeelden van de ontwikkeling van een planmatige negentiende-eeuwse stadsuitbreiding door particulier initiatief. Belangrijk voor de Vondelbuurt is de sterke samenhang met het Vondelpark. De bouw was bedoeld voor de gegoede burgerij, die in het derde kwart van de negentiende eeuw de dichtbevolkte binnenstad wilde ontvluchten.
Particuliere bouwondernemers zorgden hier voor een hoogwaardig woonmilieu, waar belangrijke architecten als P.J.H. Cuypers en N. Redeker Bisdom en later ook bekende architecten als Ed. Cuypers, A.W. Weissmann en A.L. van Gendt hun stempel op drukten. De buurt is ook in architectonisch opzicht van hoge kwaliteit. Het gebied Overtoom/Vondelbuurt is stedenbouwkundig en sociaalhistorisch van groot belang als illustratief onderdeel van de 19e-eeuwse Amsterdamse stadsuitbreidingen. Vondelpark-/Concertgebouw-/ Museumpleinbuurt Het deelgebied tussen Vondelpark en Boerenwetering heeft vanaf haar ontstaan een chique reputatie vanwege de nabijheid van het Vondelpark, het groen in de straten, de gemiddeld ruime opzet van de buurten en de hoge kwaliteit van de architectuur. Dit geldt in mindere mate voor Duivelseiland, dat soberder is opgezet. De kwaliteit van de Museumpleinbuurt werd van begin af aan bewaakt door de overheid zelf, die het uitzonderde van het Plan Kalff, en door particulieren door middel van de allereerste welstandscommissie. Bovendien vestigde de gegoede burgerij zich graag in de nabijheid van belangrijke culturele gebouwen als het Rijksmuseum en het Concertgebouw. De kwaliteit van de bebouwing van het Willemspark werd door de bouwexploitanten zelf bewaakt.
Evenals in de Museumpleinbuurt vestigde zich hier de gegoede burgerij, welvarend geworden in de handel en het bankwezen. In het Willemspark is de
samenhang tussen Vondelpark en villapark opmerkelijk. Het villapark is een goed voorbeeld van de pogingen van Amsterdam om de vlucht van gegoede burgers naar villaparken in ‘t Gooi tegen te gaan en deze bevolkingsgroep aan zich te binden. Bij de uitvoering van de plannen van Cuypers (Museumpleinbuurt) en de NV Willemspark hoorde een kwalitatief hoogstaande architectuur, ontworpen door de belangrijkste architecten van de negentiende en begin twintigste eeuw. Het deelgebied Vondelpark-/Concertgebouw-/Museumpleinbuurt ontleent mede zijn waarde aan het feit dat het vrijwel gaaf bewaard is gebleven en nauwelijks te lijden heeft gehad onder ingrijpende stadsvernieuwing. Pijp en Amsteloevers Kenmerkend voor de Pijp zijn het dichtbebouwde karakter, de grote menging van kleinschalige functies en de locatie dicht tegen de binnenstad aan. Bovendien heeft de Pijp niet zo drastisch te maken gehad met sloop en nieuwbouw als andere delen van de Amsterdamse 19e-eeuwse Ring en Gordel ’20-‘40. Daarom is de noordelijke Pijp een gaaf voorbeeld van een negentiende eeuwse wijk die, met Plan Kalff als onderlegger, vooral door particulier initiatief tot stand kwam. Daarnaast zijn naast enkele bijzondere gebouwen als de voormalige Heinekenbrouwerij, de Oranjekerk, de Diamantslijperij Asscher en Cinetol, ook enkele belangrijke voorbeelden te zien van negentiende-eeuwse sociale woningbouw.
27
Stedenbouwkundig is de Pijp bijzonder omdat hier verschillende historische stedenbouwkundige systemen bij elkaar komen: de organische gegroeide structuren langs de kades en de voormalige buurtschap Meerhuizen, de Frans Halsbuurt als enig uitgevoerd onderdeel van het plan van Van Niftrik uit 1868, en de rest van de noordelijke Pijp tot aan de Lutmastraat die bebouwd zijn volgens het Plan Kalff, het plan Lambrechtsen van Ritthem en een eerste plan van Berlage (1905). De bebouwing langs de Amsteloevers aan de Amsteldijk en de Weesperzijde heeft stedenbouwkundig, architectonisch en cultuurhistorisch grote waarde, door haar sterke relatie met de rivier, en omdat zij getuigt van de economische bloeiperiode aan het eind van de negentiende eeuw. Veel van de huizen zijn ontworpen door indertijd belangrijke architecten. Samen met de rivier, de van veel groen voorziene profilering van de oevers, en de beide door Berlage ontworpen brugcomplexen vormen de Amsteloevers een beeldbepalend onderdeel van de stad Amsterdam.
28
TOELICHTING bij het besluit tot aanwijzing van het beschermd stadsgezicht Amsterdam-Zuid Stadsdelen Amsterdam-Oost, Amsterdam-West en Amsterdam-Zuid, gemeente Amsterdam (Noord-Holland)
DEEL 2: Plan Zuid
29
Inleiding
Ontstaan en ontwikkeling
Plan Zuid is een belangrijk en goed bewaard voorbeeld van de wijze waarop vanaf het begin van de 20e eeuw de problematiek van de volkshuisvesting in de grote steden werd aangepakt door middel van grote stedenbouwkundige plannen voor grote aantallen woningen. Het plan, ontworpen door H.P. Berlage en in 1915 aan de Amsterdamse gemeenteraad gepresenteerd, werd vanaf 1917 gerealiseerd. Het merendeel van de bebouwing kwam voor de Tweede Wereldoorlog tot stand, maar een deel ook daarna. In het plan zocht Berlage naar een goede aansluiting op de bestaande stad, terwijl het stedenbouwkundig concept van de uitbreiding zelf zoveel mogelijk volgens esthetische principes werd gerealiseerd, met grote aandacht voor een hiërarchisch stratenpatroon en monumentale accenten. Als goedbewaarde planmatig ontwikkelde structuur met architectonisch samenhangende bebouwing vertegenwoordigt het Plan Zuid grote internationale waarde en wordt het internationaal gerekend tot de belangrijkste stedenbouwkundige plannen uit de eerste helft van de 20e eeuw.
Voorgeschiedenis in hoofdlijnen In de jaren zestig van de 19e eeuw was het gebied ten zuiden van de Singelgracht, op de industrie aan weerszijden van de Boerenwetering na, nog vrijwel onbebouwd. Nadat een eerste plan voor de uitbreiding van Amsterdam door stadsingenieur J.G. van Niftrik uit 1867 wegens onuitvoerbaarheid werd afgekeurd, werd in 1876 door directeur gemeentewerken Jan Kalff in samenwerking met Van Niftrik een geheel ander plan ingediend. Kalffs plan voorzag in een uitbreidingsring rondom de Singelgracht rond de Amsterdamse historische binnenstad. Uitgangspunt voor Kalff was het aanwezige verkavelingpatroon van het landelijke gebied met landbouwgronden en bijbehorende verbindings- en ontwateringssloten. In zijn plan integreerde hij reeds ontworpen plannen van particulieren. Er ontstond een structuur van langgerekte, parallel aan elkaar lopende straten in de wijken de Pijp en de Kinkerbuurt. De Pijp, het gebied ten zuiden van de Singelgracht, werd vanaf 1869 in hoog tempo bebouwd met dicht opeengestapelde huurwoningen in gesloten bouwblokken langs smalle en langgerekte straten.
Plan Zuid, als onderdeel van het te beschermen stadsgezicht Amsterdam Zuid, heeft de volgende grenzen: • noord: Cornelis Krusemanstraat; De Lairessestraat; Banstraat; Jacob Obrechtplein; Roelof Hartstraat; Cornelis Trooststraat; Lutmastraat; • oost: Amstel; zuid: Amstel; Utrechtse brug; President Kennedylaan; Europaplein; Wielingenstraat; Diepenbrockstraat; Zuider Amstelkanaal; • west: Schinkel; Amstelveenseweg.
30
In 1896 werden delen van gemeente Nieuwer Amstel geannexeerd. Hierdoor ontstond voor de gemeente de mogelijkheid aan de zuidzijde van de stad een nieuw uitbreidingsplan te ontwikkelen voor een gebied van 1380 hectare. L.C.M. Lambrechtsen van Ritthem, de directeur van Dienst Publieke Werken en opvolger van Kalff, vervaardigde hiervoor in 1899 een plan, dat uitging van een licht gebogen gordel van parallelle straten tussen de Amstel en het Vondelpark en koos daarbij de reeds
bestaande bebouwingsringen als uitgangspunt. De grote verwantschap van dit plan met de structuur van de Pijp, waarvan de tekortkomingen in die tijd steeds duidelijker naar voren kwamen, was voor de raadsleden de belangrijkste aanleiding om van het plan af te zien. Vervolgens klopte de gemeenteraad aan bij de architect H.P. Berlage, die werd uitgenodigd een plan voor de zuidelijke stadsuitbreiding op te stellen. Dit ‘Plan van uitbreiding zuidzijde der gemeente’ werd in 1904 gepresenteerd en op 11 januari 1905 door de gemeenteraad goedgekeurd. Het plan oogstte echter ook aanzienlijke kritiek, omdat het een groot contrast toonde tussen dichte bebouwing met een ingewikkeld stratenpatroon en een uitgestrekt villagebied van open bebouwing te midden van veel groen. Het plan werd niet uitgevoerd. Na tien jaar moest het uitbreidingsplan voor Zuid, overeenkomstig de voorschriften van de Woningwet (1901), worden herzien. In de tussentijd had Berlage zich, mede naar aanleiding van de kritiek op zijn eerdere plan en een eveneens niet uitgevoerd uitbreidingsplan voor Den Haag van 1907-1908, aanzienlijk verdiept in de monumentale stedenbouw, of ‘stadsbouwkunst’. Het Plan van 1915 Berlages tweede, herziene plan voor Amsterdam-Zuid werd door hemzelf van een uitgebreide toelichting voorzien.
Met name de stedenbouwkundige principes van Camillo Sitte1, Joseph Stübben2 en de architectonische invulling van nieuwe stadswijken in Duitse steden - met name Berlijn en de vele literatuur die daarover in deze periode in Duitsland verscheen, dienden Berlage tot inspiratie bij zijn uitwerking van Plan Zuid. Tegelijkertijd had hij in lezingen 1 2
Der Städtebau nach seinen künstlerischen Grundsätzen, Wenen 1889. Der Städtebau, Darmstadt 1890.
en publicaties ook meerdere keren zijn voorkeur uitgesproken voor een monumentale uitbreiding van Amsterdam met een uitgebalanceerd evenwicht tussen stedelijke ruimte en architectuur. Het Parijs van de boulevards, die onder leiding van Haussmann vanaf 1870 waren aangelegd, zag hij als ‘de mooiste moderne stad van de wereld’. Enkele belangrijke stedenbouwkundige principes van waaruit Berlage Plan Zuid ontwierp, waren het niet verdoezelen van het massale karakter van de woningbouw, de nadruk op de pleinruimtes ten koste van de straten en het gebruik van architectuur als middel om de stedenbouwkundige ruimtes vorm te geven, of in de woorden van zijn grote voorbeeld W. Curt Berends met ‘Hausmaterial raum gestalten’. Hij streefde dan ook naar een architectonische eenheid tussen, straat, plein en stadsdeel. Plan Zuid is ook niet meer een concentrisch plan als dat van zijn voorganger, maar is voornamelijk oostwest-gericht. Het bestaat uit twee delen: het oostelijk deel is georganiseerd rond een Y-vormig wegenverloop en heeft het centrum rond het huidige Victorieplein, de kern van het westelijk deel is een drietand met de Minervalaan als centrale ader en met het oorspronkelijk aan het uiteinde daarvan geprojecteerde Station Amsterdam-Zuid als centrum.
In de uitleg van het stratenpatroon heeft hij een synthese gezocht tussen monumentaliteit in de vorm van brede verkeersassen die pleinen met elkaar verbinden, en schilderachtigheid in de vorm van knikkende noordzuidstraten die bovendien de verbinding leggen met de oude stad. Deze werden door middel van bruggen verbonden met de hoofdstraten in de 19e-eeuwse stadsdelen. Belangrijke hoofdmomenten in de koppeling van oud aan nieuw zijn het Haarlemmermeerplein, 31
Valeriusplein, het Jacob Obrechtplein en het Roelof Hartplein. Het cirkelsegment van de Apollolaan dat de drie radiaalwegen van de drietand verbindt, maakt deel uit van een hoofdverkeersweg, een soort Parkway of boulevard, tussen de Vondelbuurt en de Amstel. Deze hoofdverkeersweg (Apollolaan, Churchilllaan) heeft zijn vertrekpunt in de as van het Valeriusplein, in de richting van het Olympiaplein en volgt in evenwijdige lijn het beloop van het Noorder Amstelkanaal met een brug over de Boerenwetering en vervolgt zich vandaar kaarsrecht tot een plein (Victorieplein) waar een vergelijkbare verkeersweg (Rooseveltlaan) uit zuidwestelijke richting uitkomt. Van dit plein zet de brede verkeersweg zich voort in oostelijke richting (Vrijheidslaan), waar een brug over de Amstel (Berlagebrug) toegang tot het oostelijke stadsdeel geeft. Al deze wegen, evenals de weg langs de Boerenwetering, hebben een breedte van zestig meter, ‘om daardoor in de gelegenheid te zijn, ze alle verkeer, zooals de moderne tijd dat eischt, te doen opnemen en ze bovendien tot een aangenamen wandelweg te maken (Parkweg).’ De zuidelijke weg tussen Schinkel en Park en de weg langs de Boerenwetering ten zuiden van het Noorder Amstelkanaal, bekend geworden als de Zuidelijke Wandelweg, stelde Berlage zich primair als wandelwegen voor. Beide zouden bij de uitvoering een andere invulling krijgen.
Het water heeft een structurerende functie in Plan Zuid. De splitsing van het Amstelkanaal in een Noordelijke en Zuidelijke arm vindt plaats op het scharnierpunt tussen de beide plandelen. Op die plaats is een groter waterplein gecreëerd. Hier vindt ook de verbinding tussen de oude en 32
nieuwe stad plaats en de doorsnijding van oud (de Boerenwetering) en nieuw water. Berlage benadrukt in zijn toelichting juist de eenheid van het plan door de waterlopen binnen het gebied niet als grenzen, maar als substantiële onderdelen in de structuur op te nemen. In dat opzicht is het niet toevallig dat hij deze, om een relatie met de historische binnenstad te benadrukken, in zijn toelichting meerdere malen als ‘gracht’ aanduidt. De hoofdstructuur is in grote lijnen bepaald door het Noorder Amstelkanaal tussen Schinkel en Amstel en het oorspronkelijk geplande tracé van de zuidelijke spoorbaan. Hoewel Berlage er in zijn toelichting weinig aandacht aan besteedde, was het openbare groen wel degelijk een integraal bestanddeel van het ontwerp. Een presentatietekening van zijn plan uit 1915 geeft aan waar hij plantsoenen en parken had gedacht en in welke straten beplanting met bomen. Op die tekening doet hij ook voorstellen voor de straatprofielen. Op basis van foto’s uit de jaren twintig is te concluderen dat de relatie bebouwing en breedte van de straten verklaarbaar is uit de oorspronkelijke (maar vaak niet meer aanwezige) straatprofilering. De belangrijkste groene long van het plan was het zuidoostelijk gelegen Beatrixpark, dat pas na de oorlog zou worden uitgevoerd. De invulling van het plan bestond overwegend uit woonbebouwing verdeeld over drie klassen.
De eerste klasse bestond uit eengezinshuizen, de tweede uit ‘tweegezinshuizen’, de derde uit de volkswoningen, die respectievelijk 17, 26 en 150 hectare van het oppervlak in beslag nemen. De woonoppervlakte zou door variatie in het aantal verdiepingen nog kunnen worden opgevoerd. In het plan moesten volgens opdracht van de gemeente diverse
openbare gebouwen worden opgenomen, zoals een Academie voor Beeldende Kunsten, een academisch ziekenhuis, een tramremise en talrijke kerken en scholen. De 1e klasse woningen werden geprojecteerd ten noorden van het westelijk deel, rond het geplande Academiegebouw (waar uiteindelijk het Hiltonhotel kwam te staan), de 2e klasse woningen langs het Noordelijk Amstelkanaal, de overige delen waren voor woningbouw 3e klasse gereserveerd. Toch zou het merendeel worden gebouwd voor de lagere klassen, omdat begin jaren twintig woningcorporaties met behulp van subsidies bevoordeeld werden. Berlage plaatste de openbare en grotere gebouwen op centrale punten in zijn plan, wat in belangrijke mate bijdroeg aan het monumentale karakter van Plan Zuid. De gevraagde Academie van Beeldende Kunsten werd door Berlage in het westelijk plandeel, op de as van de stationsstraat geprojecteerd, op de kruising met de hoofdverkeersweg. ‘Het kruispunt dezer beide wegen vormt daar ter plaatse een plein, hetwelk gelegenheid geeft tot een monumentale behandeling in overeenstemming met de omgeving.’ Het Zuiderstation was zowel vanuit het stadscentrum een belangrijk richtpunt als, van buiten de stad gezien, het begin van de stad.
‘Het is dus een eisch van goede stadsbouwkunst, een station als een belangrijk architektonisch middelpunt te beschouwen, van waaruit het toeloopend, eventueel afloopend stratennet moet worden geprojecteerd.’ Dit station moest daarom veelzijdig in het stratennet worden ontsloten, met drie straten, die door middel van bruggen over het Noorder Amstelkanaal op de bestaande stad aansloten. De geprojecteerde Stationsstraat (Minervalaan) zou als monumentale verkeersweg en wandelboulevard met winkelgalerijen het
hart van het westelijke deel van de uitbreiding worden. De hoofdverkeersweg (Apollolaan) komt dan ook aan het noordelijke eindpunt van de Stationsstraat uit, de zuidelijke verkeersweg zou via het park langs het station, als zuidgrens van het plan, in de richting van de Schinkel doorlopen. Een ander monumentaal gebouw had als afsluiting van de Vrijheidslaan in het oostelijk plandeel moeten fungeren, maar daarvoor in de plaats kwam de Wolkenkrabber van J.F. Staal. De scheiding tussen de oude stad en Plan Zuid is in het oostelijk plandeel gemakkelijker te trekken dan in het westelijk plandeel. De Lutmastraat en in het verlengde daarvan de Cornelis Trooststraat markeren de grens tussen oud en nieuw. Uitgevoerde delen van Berlage’s plan uit 1903 zijn wel herkenbaar. In het gebied tussen de De Lairessestraat-Corn. Krusemanstraat die de noordgrens van het westelijk plandeel vormen, en het Noorder Amstelkanaal schuiven drie opeenvolgende plannen over elkaar heen: eerst dat van Lam-brechtsen, vervolgens nam Berlage in zijn eerste ontwerp uit 1905 daar een gedeelte van over en in 1917 zou zijn definitief vastgestelde plan voor Amsterdam-Zuid voor het grootste gedeelte als onderlegger dienen. Daarmee werd dit gebied een duidelijk overgangsgebied tussen de 19e- en vroeg 20e-eeuwse stedenbouw.
Zowel Lambrechtsen als Berlage namen de inrichting van het 19e-eeuwse deel als uitgangspunt: zij trokken de dwarsstraten door tot aan het kanaal, waarvan er drie - de Corn. Schuytstraat, Emmastraat en de Emmalaan/het Valeriusplein - verbindingsstraten vormen met Plan Zuid. Berlage borduurde in zijn plan voort op de monumentale werking van het Emmaplein met het brede Valeriusplein, dat in het Amsterdams Lyceum, een afsluiting vindt en een toegangspoort vormt naar de nieuwe 33
stad. De oost-west lopende straten ten noorden van de Cornelis Schuytsraat eindigen alle op pleintjes in de driehoek binnen de Van Baerlestraat/Roelof Hartstraat, Noorder Amstelkanaal en de De Lairessestraat. Het orthogonale systeem maakt hier plaats voor een compositie van onregelmatig gevormde bouwblokken. Het Jacob Obrechtplein waarin de bebouwing van drie opeenvolgende plannen samenkomt, is wat dat betreft een scharnierpunt in de stadsontwikkeling van dit gebied. Gelet op de grootschaligheid van de bouwopgave, was Berlage van mening dat de bebouwingswijze niet vrij kon worden gelaten maar ‘een blokbouw op groote schaal en […] van grootschen aanleg’ moest zijn, een bouwwijze die volgens hem in de 19e eeuw bijna geheel verloren was gegaan. In zijn eigen tijd herkende Berlage geen eenheid van architectuurstijl. Zelfs onder het toeziend oog van een schoonheidscommissie die slechts preventief en niet opbouwend te werk zou kunnen gaan, zou nooit een bevredigende stedenbouwkundige eenheid ontstaan. Hij pleitte er daarom al in de toelichting voor, blokbebouwing en bouwaanvragen voor complete straten of stadsgedeelten aan grote bouwmaatschappijen en corporaties te gunnen, gecontroleerd door de overheid en raadgevende esthetische lichamen.
‘Het door ontwerper gemaakte plan bestaat nu uit verschillende symmetrische plangedeelten, zoodat het voor een dergelijke bebouwingswijze bijzonder bevorderlijk is niet alleen, maar daarvoor zelfs een vereischte, wil het aan de dienovereenkomstige aesthetische verwachtingen beantwoorden.’ Voor het gebied ten zuiden van de Trompenburgstraat tussen de Amstel en de Ferdinand Bolstraat (Rijnstraat) 34
had Berlage een tuinstad van ongeveer 57 hectare gereserveerd, omdat ‘nu in dezen tijd de tuinstadbeweging snel voorwaarts gaat, in het uitbreidingsplan Zuid der gemeente Amsterdam een dergelijke wijk niet mocht ontbreken.’ Hij gebruikte daarbij het ontwerp van J.F. Repko waarmee deze een prijsvraag had gewonnen van de Sociaal Technische Vereeniging van Demokratische Ingenieurs en Architecten. Overigens zou niet veel later, om precies te zijn na de annexatie van 1921, de gemeente in Amsterdam-Noord starten met grote tuindorpprojecten (zie beschermd stadsgezicht Amsterdam-Noord). Tussen Amstel, Boerenwetering, Ferdinand Bolstraat en spoorbaan ten slotte, ontwierp Berlage een parkaanleg. Uitvoering Het tweede uitbreidingsplan voor Amsterdam-Zuid werd door de gemeenteraad vastgesteld op 26 oktober 1917. In 1918 werd met de verwezenlijking van het plan begonnen, dat in fasen werd gerealiseerd. De bebouwing kwam tot stand door grote stukken grond uit te geven aan woningcorporaties of in geval van de Vrijheidslaan samenwerkende particuliere bouwondernemers. Daardoor is in verschillende delen van het plan een duidelijke samenhang in architectuur, stedenbouwkundige ruimte en straatprofilering te bespeuren. De verschillende deelplannen staan aangegeven op waarderingskaart II.
Als eerste deelgebied werd de Edelstenenbuurt (Diamantbuurt) ten noorden van het Amstelkanaal, dichtbij de Amstel, gerealiseerd. In 1922 werd besloten tot de bouw van een aantal in het plan voorgestelde bruggen, als verbindingen tussen de 19e-eeuwse ring, in 1925 gevolgd door een tweede serie over de grachten binnen het gebied zelf. De bruggen werden naar ontwerpen van architect P.L. Kramer gerealiseerd. Andere deelplannen: P.L. Takbuurt,
Hillegaertsstraat, Harmoniehof, Bertelmanstraat. In 1925 was het gehele gebied ten noorden van de Vrijheidslaan en het Noorder Amstelkanaal grotendeels bebouwd. In augustus 1926 werd de Commissie Zuid geïnstalleerd, die bij de uitvoering van Plan Zuid de Schoonheidscommissie verving en tot 1933 zou bestaan. Hierin hadden zitting, de directeuren van Publieke Werken, Bouw en Woningtoezicht, de Woningdienst, het hoofd van de afdeling Grondexploitatie van Publieke Werken, stadsarchitect A.R. Hulshoff, één bouwondernemer en de architecten J.F. Staal en P. Vorkink. Deze commissie kreeg officieel als taak Burgemeester en Wethouders te adviseren over herzieningen van Berlages plan en over de uit te voeren straten- en bebouwingsplannen. In de praktijk had de Commissie Zuid vergaande bevoegdheden en denkbeelden over de esthetische en architectonische invulling van het stedenbouwkundig plan, waarover naar eigen goeddunken kon worden beslist. Doel van hun voorstellen was vooral om zoveel mogelijk een aaneengesloten bebouwing te krijgen. Niet alleen werd ervaren architecten meerdere malen verzocht hun tekeningen zodanig aan te passen dat zij aan de wensen van de commissie voldeden, maar ook gaf de commissie veelvuldig, door middel van silhouettekeningen de vereiste compositie aan, zodat de architect nog slechts een aangepaste invulling hoefde te maken.
In de uitwerking van het Plan Zuid was vastgelegd dat de bebouwing, op een drietal uitzonderingen na, nergens meer dan vier woonlagen of vijf bouwlagen zou mogen bedragen. Slechts ter hoogte van het latere Victorieplein en op twee belangrijke kruisingen van de Stationsstraat (August Allebéplein en Minervaplein) werd toegestaan hogere,
markante gebouwen te realiseren. J.F. Staal’s wolkenkrabber kwam al in 1932 tot stand, de voorgestelde bebouwing van het Minervaplein werd, naar ontwerp van C.J. Blaauw, weliswaar in 1932, begonnen, maar pas na de oorlog in 1958 afgebouwd. Voor het Allebéplein werd een besloten prijsvraag georganiseerd om de geplande Academie voor Beeldende Kunsten van een waardige pleinwand te voorzien. Het ontwerp van de winnaar, J. Boterenbrood, uit 1929 zou niet meer worden uitgevoerd. Bij de invulling van de verschillende deelgebieden werd vastgehouden aan enkele belangrijke principes, die voor de eenheid binnen het gebied zorgen. Er werd zoveel mogelijk uitgegaan van hovenbebouwing, dat wil zeggen woningbouwblokken van vier à vijf lagen langs de doorgangswegen, bouwblokken van drie lagen daarachter, die bovendien zoveel mogelijk rond hoven zijn gelegd. De ensembles rond het Raphaelplein en rond het Bachplein zijn daarvan goede voorbeelden. Twee van de op waarderingskaart II aangegeven deelplannen, die goed herkenbaar zijn, zijn die van Jan Gratama voor de Stadionbuurt (1920) en van de Amstels Bouwvereniging in de Meerhuizenstraat e.o.(1921). Gratama hield bij het aangeven van de straatsilhouetten zelfs de perspectivische werking van het straatbeeld in het oog.
In het andere plangebied werd van te voren bepaald welke delen door een architect zouden worden ontworpen, daarna werden de bouwpercelen onder de bouwers verloot. De Commissie Zuid probeerde erop toe te zien dat in heel Plan Zuid dezelfde architect verantwoordelijk was voor de vormgeving van twee tegenover elkaar liggende straatwanden en coördineerde zorgvuldig de aansluiting tussen blokken van verschillende hoogtes (zie bijvoorbeeld de bouwblokken aan weerszijden van de Topaasstraat). 35
Verder werd vaak, wanneer een straat uitkomt op een Tkruising, in het verlengde van de zichtlijn een accent aangebracht in de dwars daarop lopende straatwand. Ook hoeken van bouwblokken kregen een accent wanneer zij als toegangspoorten tot de wijk fungeerden, wat op verschillende punten aan de Scheldestraat en Rijnstraat goed zichtbaar is. Bij de overgang van straat naar pleinruimte zijn verder vernauwingen van de straatbreedte ontworpen, om het plein een besloten indruk te verschaffen zoals dat gebeurt aan vier zijden van het Minervaplein. Op de ordekaarten zijn de accenten in de bebouwing weergegeven waaruit de samenhang tussen vormgeving van de samenhang tussen architectuur en openbare ruimte blijkt. De artistieke controle van de Commissie Zuid leidde tot een in relatief korte tijd gerealiseerde nieuwbouwwijk, die in stedenbouwkundig en architectonisch opzicht nog altijd een grote samenhang vertoont. De architecten van de Amsterdamse School, die met het ontwerpen van de gevels werden belast, wisten de architectonische mogelijkheden van de wand van een bouwblok als geheel optimaal te benutten.
Wijzigingen ten opzichte van het oorspronkelijke plan Tot de Tweede Wereldoorlog groeide Amsterdam-Zuid gestaag volgens het plan van Berlage uit 1917, maar door toedoen van de crisis zou het deel ten westen van het Beatrixpark en ten zuiden van het Zuider Amstelkanaal pas na de oorlog worden bebouwd. Nieuwe uitbreidingen van het Amsterdamse grondgebied maakten echter ook andere aanpassingen van Plan Zuid gewenst. Door de annexatie van verschillende randgemeenten in 1921 werd het mogelijk een groot uitbreidingsplan voor de gehele stad te maken. In 1928 werd daartoe speciaal een nieuwe afdeling Stadsontwikkeling aan de Dienst der Publieke Werken 36
toegevoegd. Dit had ook gevolgen voor Plan Zuid. Door de annexatie was de zuidelijke stadsgrens van Amsterdam verlegd naar de Kalfjeslaan, waardoor de mogelijkheid ontstond om ten zuiden van de voorgestelde spoorbaan een nieuwe uitbreidingswijk, Buitenveldert, aan te leggen. Dit werd in het Algemeen Uitbreidingsplan van 1934 vastgelegd. Voor Plan Zuid betekende dit dat het Zuiderstation uit het programma van eisen werd geschrapt. Men ging op zoek naar mogelijkheden om de noord-zuidgerichte wegen van Plan Zuid in de nieuwe zuidelijke uitbreiding door te trekken, terwijl voor het snelverkeer de Rivierenlaan (sinds 1964 President Kennedylaan) werd voorzien, ter ontlasting van de drukte op de Amsteldijk. Deze amputatie van de structuur van het oorspronkelijke plan leidde tot een aantal kleinere, maar ook twee grote wijzigingen. Zo werd de aanvankelijk als cruciaal beschouwde Stationsstraat (Minervalaan) uiteindelijk niet meer dan een wat suffige, brede woonstraat, zonder goede verbinding met het veel later op een verschoven positie ontstane Station Zuid/WTC. Het oorspronkelijk geplande August Allebéplein, op de kruising van de Stationsstraat en de hoofdverkeersweg, werd in het geheel niet gerealiseerd. Daarmee kreeg het Daniel Willinkplein aan de voet van de Wolkenkrabber geen tegenhanger in het westelijke deel.
In de jaren zestig werd deze ruimte ingevuld met randbebouwing, terwijl het middelpunt, voor het huidige Hilton Hotel, niet meer dan een armetierige plantsoeninvulling van indifferent karakter kreeg, met een gebrekkige aansluiting op de groenstroken van de Apollolaan. Nog drastischer was de afwijking van Berlages raamplan voor de secundaire verkeersweg. De geprojecteerde Zuider Amstellaan (Rooseveltlaan), die vanaf het Victorieplein door het park zou worden
voortgezet tot aan de Schinkel, loopt nu stuk op een verkeerscircuit (Europaplein) en het in 1961 begonnen RAIcomplex. Bij de verdere invulling van Plan Zuid in de jaren dertig, stelde de Afdeling Stadsontwikkeling door middel van vier uitbreidingsplannen belangrijke wijzigingen voor in het oorspronkelijke plan van Berlage. Het ‘Plan Rijnstraat’ (1931) met zijn noord-zuidgerichte halfopen verkaveling langs de President Kennedylaan (voorheen: Rivierenlaan), kwam in de plaats van Repko’s tuinstad. Van Eesteren experimenteerde met een afwisseling van gesloten bouwblokken en blokken, die aan een zijde geopend waren en die van verschillende lengte waren. Hiermee vulde hij een restgebied van onregelmatige vorm op, die met de curve aan de zuidoosthoek uitnodigde tot een waaiervormige opzet. Het verschil in lengte van de blokken werd geaccentueerd door boombeplanting en door het plaatsen van twee hoge woongebouwen in de groenstrook langs de President Kennedylaan. Eén daarvan werd ook gerealiseerd. Bij het ontwerp van de blokken wilde Van Eesteren de open ruimte voor en achter even groot maken voor voldoende toetreding van licht en lucht. Ook legde hij de blokken consequent noord-zuid. De woonstraten variëren in breedte van 20 tot 25 meter afhankelijk van de bouwhoogte. De straten hebben deels een van de rest van Plan Zuid afwijkende, asymmetrische profilering.
De benodigde scholen en speelplaatsen kregen een zodanige plaatsing dat er meer openheid rondom de gebouwen zou ontstaan. In het plan werd de overgang van de stedelijke bebouwing naar een recreatieve zone vormgegeven met een park langs de Amstel (tegenwoordig Martin Luther Kingpark). De ligging van de Amstel werd echter niet
benadrukt. De toegepaste principes gebruikte Van Eesteren later bij het ontwerp van Landlust. In het ‘Uitbreidingsplan tusschen Zuider Amstelkanaal, Muzenplein, Haringvlietstraat en Diepenbrockstraat’, liet Van Eesteren zien dat hij de door hem als achterhaald beschouwde principes van Berlage goed beheerste. Als centrum van de wijk fungeert het Vossiusgymnasium. Langs het Amstelkanaal en de Boerenwetering legde hij halfopen bebouwing. Rond het gymnasium creëerde hij met korte stroken woonbebouwing die door garages met elkaar verbonden zijn, een gesloten stadsbeeld. Door het aanbrengen van een knik in de toevoerwegen, plaatste hij het gymnasium in een breder perspectief, waarmee hij een monumentaal effect bereikte, dat Berlage altijd nastreefde. Openbaar groen was in het ontwerp niet opgenomen, omdat de luxe woningen elk een eigen tuin kregen. De uitbreidingsplannen ‘Rivierenlaan’ en ‘Zuider Amstelkanaal’ van 1939 en 1940 werden uiteindelijk pas na de Tweede Wereldoorlog gerealiseerd, waardoor de verschillen met de vroege invulling van Plan Zuid nog groter zijn. Het laatstgenoemde plan gaf het gebied tussen het Zuider Amstelkanaal en de Ringbaan een nieuwe indeling, waarbij de Minervalaan, de Beethovenstraat, en de Parnassusweg als uitvals- en verbindingswegen naar Buitenveldert werden ingevuld.
Het karakter van de bebouwing week hier dan ook meer af van Berlages ideeën dan in de omgeving van het Vossius Gymnasium. De architectuur van het gesloten bouwblok en van de aaneengesloten straatwand, de crux van Berlage’s ‘stadbouwkunst’, heeft hier plaatsgemaakt voor strokenbouw, die loodrecht op de doorgaande wegen is geplaatst. Uiteindelijk werd het gebied ten zuiden van de 37
Rivierenlaan (de huidige President Kennedylaan) tussen de Waalstraat en het Westerscheldeplein, in 1939 aangenomen als het Uitbreidingsplan Rivierenlaan, in 1951 opnieuw vastgesteld en vervolgens uitgevoerd. Het uitbreidingsplan Zuider Amstelkanaal, tussen Zuider Amstelkanaal, Stadiongracht, Schinkel, Ringspoordijk en Boerenwetering was in 1940 al aangenomen, maar werd in 1953 vernieuwd. Vanaf 1954 werd ten zuiden van het Zuider Amstelkanaal de Minervalaan doorgetrokken en aan weerszijden met villa’s bebouwd. In plaats van het oorspronkelijke cultuurplein op de kruising van de Minervalaan met de Apollolaan werden in 1957 twee kantoorgebouwen neergezet, met daar tegenover in 1962-1963, op de plaats van de Academie van Beeldende Kunsten, het Hilton Hotel. Het laatste, nog onbebouwde perceel aan dit plein zonder naam, werd in 1989 bezet door het gebouw van de Morgan Bank. In 1960 werd aan de zuidelijke grens van de Beethovenstraat de Princesseflat gebouwd. Langs het stadionplein verrees, vóór het stadion uit 1928, het eerste Citroëngebouw (1931) in 1964 het tweede. Ten zuiden van het Zuider Amstelkanaal en het stadion aan het IJsbaanpad, verrees in 1960 het Burgerweeshuis.
In 1961 en 1965, ontstond op de plaats waar volgens het oorspronkelijke plan de zuidelijke verkeersweg zou worden doorgetrokken als zuidelijke verbinding, naast het verkeersplein (Europaplein), respectievelijk tentoonstellingshallen en een congrescentrum (de ‘nieuwe’ RAI), die midden jaren negentig werden uitgebreid ten koste van het Beatrixpark. Langs de zuidzijde van het Zuider Amstelkanaal kwam in 1967 de Gerrit Rietveld Academie. In 1971 werd op de plaats van de oude Rai het Okura Hotel met toren gebouwd. Op de plaats van de gesloopte fabrieksgebouwen 38
ten zuiden van de tramremise Lekstraat werd in 1973 het grootschalige kantoorgebouw ‘Rivierstaete’ neergezet. De bebouwing van het bouwblok tussen de Ferdinand Bolstraat, de Lutmastraat, de Tweede van der Helststraat en het Amstelkanaal, op de plaats van het oude RAIcomplex met het Okura Hotel, seniorenwoningen, een kinderboerderij, benzinepomp en een kantoorgebouw breekt met het karakter van de bebouwing in de directe omgeving. In de afgelopen decennia werd op meerdere plaatsen nieuwe bebouwing in de bestaande structuur ingevoegd, o.a. aan het Meerhuizenplein en Victorieplein. Ook zijn een tweetal kerken gesloopt en vervangen door relatief eenvoudige (woon-)bebouwing (v.m. Waalkerk aan de Waalstraat en de v.m. Thomas van Aquinokerk aan de Rijnstraat) . Tussen de hierboven aangehaalde voorbeelden bevinden zich er enkele, die duidelijk maken dat nieuwbouw in Plan Zuid, wanneer daarbij geen rekening werd gehouden met de schaal, vorm en afwerking en het karakter van de bestaande bebouwing van het gebied, niet altijd geslaagd kan worden genoemd. In deze eigentijdse invullingen van onderdelen is vaak nadrukkelijk afstand genomen van het architectonische karakter dat Berlage in zijn uitbreidingsplan in 1915 voor ogen stond.
Met andere woorden, de genius loci, de architectonische verbijzondering van een straat, plein en stadsgedeelte in Plan Zuid, is in latere wijzigingen en toevoegingen, niet altijd gerespecteerd. Niettemin is de stedenbouwkundige structuur van de uitbreiding ook met deze nieuwbouwprojecten, tot op heden volledig intact gebleven.
Huidig ruimtelijk karakter In de structuur van het beschermd stadsgezicht is de vernieuwende opzet van het stedenbouwkundig plan duidelijk herkenbaar. Over het oorspronkelijk aanwezige verkavelde land met zijn typische patroon van wegen en sloten werd een geheel nieuwe, door artistieke principes ingegeven structuur gelegd. Sinds het ontstaan van Plan Zuid, beginnend in 1917, is de ruimtelijke structuur van het gebied stabiel gebleven, afgezien van de afwijkingen die in de praktijk bij invulling van delen van het stedenbouwkundig plan zijn gemaakt. Op ondergeschikte punten in het gebied zijn nieuwe invullingen gemaakt na sloop van verwaarloosde gebouwen, zijn gevels en bekroningen van bestaande straatwanden gewijzigd, en de straatprofielen naar de eisen van verkeer en parkeerbehoefte aangepast. Het overheersende stedenbouwkundige stramien van het geheel is daarbij onaangetast gebleven. Dit stadsdeel is geen historische, in verschillende eeuwen en perioden gegroeide structuur, maar een stadsdeel dat volgens een stedenbouwkundig plan werd ontwikkeld en vervolgens in korte tijd werd gebouwd onder toezicht van een speciale bouwbegeleidingscommissie. Wel hebben verschillende invullingen van deelgebieden sterk een eigen karakter, dat echter binnen de marges blijft die door de Commissie Zuid werden gesteld.
Op de reeds genoemde waarderingskaart II zijn de verschillende deelplannen aangegeven waaronder de Diamantbuurt, de P.L. Takstraat, Harmoniehof en de Stadionbuurt, waarbij de grote eenheid van architectonische detaillering en stedenbouwkundige structuur demonstreren dat zij als afzonderlijke projecten werden uitgevoerd.
Deze deelgebieden, die door de verkeerswegen en waterwegen van de hoofdstructuur worden begrensd, zijn in het algemeen door hun geringere bebouwingshoogte te onderscheiden waardoor naar binnen gekeerde, als eenheid herkenbare buurten zijn ontstaan. Bestemming Oorspronkelijk opgezet als een plan om te voorzien in een grote woningbehoefte, is het gebied dat Plan Zuid beslaat nog steeds voornamelijk in gebruik als woongebied. De Rijnstraat, Maasstraat, Scheldestraat, Beethovenstraat en Stadionweg zijn nog steeds de belangrijkste winkelstraten. Zoals hiervoor al genoemd, zijn bestemmingen als een Academie voor Beeldende Kunsten en een ziekenhuis (gepland in de P.L. Takbuurt) nooit gerealiseerd. In de plaats daarvan kwam een wolkenkrabber, een woonwijkje en een Hilton-hotel. Ook van de op de presentietekening aangegeven bestemmingen voor melkinrichtingen zijn er geen bewaard gebleven. Stedenbouwkundige structuur In de beschrijving van het plan uit 1915 bij het overzicht van de ontstaans- en ontwikkelingsgeschiedenis (b) is aangegeven hoe het nieuwe zuidelijke stadsdeel van Berlage door middel van aansluiting op de wegen in de 19eeeuwse gordel aan de bestaande stad zou worden vastgemaakt.
Die verbinding komt tot stand door noordzuidradialen, te weten van oost naar west de Rijnstraat die overgaat in de Van Woustraat, de Scheldestraat die overgaat in de Ferdinand Bolstraat, de Beethovenstraat overgaand in de J.M. Coenenstraat en de Parnassusweg, die zich via het Olympiaplein verbindt met het Valeriusplein 39
en de De Lairessestraat met aan de randen de Amsteldijk en de Amstel-veenseweg. De aanhechtingspunten tussen de nieuwe en oude stad vindt plaats op de as van de Emmalaan-Valeriusplein, het Roelof Hartplein en het Muzenplein. De hoofdverbindingen binnen het Plan Zuid zijn de Minervalaan en de drietand Vrijheidslaan, Rooseveltlaan en Churchilllaan. Zij leggen verbindingen tussen de belangrijkste plekken, zoals pleinen en parken, in de wijk. Belangrijke verbindingsroutes tussen de buurtdelen onderling worden gevormd door de Waalstraat, de Maasstraat en de Stadionweg-Marathonweg. Een integraal onderdeel van deze structuur zijn de waterwegen van het Amstelkanaal, dat zich bij het Muzenplein vertakt in een Noordelijke en een Zuidelijke arm. Met de oevers en de boombeplanting langs de kade vormen de Amstelkanalen belangrijke groene aders in de wijk. In het ten noorden van het Noordelijk Amstelkanaal gelegen westelijk deel van Plan Zuid vindt de overgang plaats tussen de 19e-eeuwse stad en Plan Zuid. De belangrijkste oost-westader is de De Lairessestraat, de belangrijkste noord-zuidader is het Valeriusplein. De overige noord-zuidstraten lopen in het westelijke deel van deze buurt uit in pleinen, in het oostelijk deel stuiten zij op het Noorder Amstelkanaal of leggen een verbinding met de nieuwe stad (Cornelis Schuytstraat, Emmastraat).
Aan de oostzijde zijn de Nicolaas Maesstraat, de Frans van Mierisstraat en de Ruysdaelstraat over de Van Baerlestraat doorgetrokken. Het Jacob Obrechtplein is een scharnierpunt geworden tussen de beide stedenbouwkundige systemen. Dit plein is samen met de andere pleinen in dit stadsdeel een integraal onderdeel van Plan Zuid.
40
In het ten noorden van het Amstelkanaal gelegen oostelijk deel van Plan Zuid delen de noord-zuid lopende primaire en secundaire verkeersstraten de zogenoemde Nieuw Pijp in vieren; de Jozef Israëlskade legt daartussen een verbinding. Van west naar oost zijn dat de buurt rond de Vredeskerk, het Okuraterrein, de P.L. Takbuurt en de Edelstenenbuurt. In de vormgeving van de gesloten blokken is het creëren van pleinen geïntegreerd. In het midden en oostelijke gedeelte zijn de blokken overwegend noordzuid gelegen. In het meest westelijke deel domineert de Vredeskerk en fungeert als draaipunt tussen het noordelijk en zuidelijk deel. De 26 meter brede Van Hillegaertstraat deelt dit deel in tweeën. Het bovenste deel wordt diagonaal doorsneden door de Pijnackerstraat, een element dat afkomstig is uit Berlages eerste plan en de richting volgt van de blokken aan het Cornelis Troostplein. Die richting komt overeen met die van de Stadionweg en het Amstelkanaal in het westelijke deel van Plan Zuid. Bebouwingskarakter De huidige monumentale kwaliteiten van Plan Zuid gaan terug op het oorspronkelijke stedenbouwkundige plan en de nagestreefde architectonische samenhang.
De invulling van het architectonische masterplan met gesloten bouwblokken van verschillend ontwerp, aantal bouwlagen en materiaalgebruik vertonen zoveel onderlinge verwantschap, dat de gehele bebouwing een karakteristieke eenheid vertoont. Opvallend is dat dit in latere invullingen (bewust of onbewust) niet altijd het geval is. Ten oosten van de Boerenwetering is afgezien van het blok tussen de Lutmastraat, Tweede van der Helststraat, het Amstelkanaal en de Ferdinand Bolstraat, de samenhang
tussen architectuur en stedenbouwkundige ruimte intact gebleven. De hoogte van de blokken en de breedte van de straten zijn nauw op elkaar betrokken. Dat geldt met name voor de P.L. Takbuurt en de Edelstenenbuurt waar zijn stedenbouwkundige principe van vier lagen hoge bebouwing langs de randen en drie lagen hoge blokken daarbinnen is toegepast. Dit brengt met zich mee dat binnen een blok de hoogte van drie naar vier lagen kan verspringen zoals langs de Jozef Israëlskade. De breedte van de straten is niet zozeer bepaald door de hoogte van blokken, maar door de plaats die zij in de hiërarchie van de verkeersstructuur innemen. De straten die assen vormen in een buurt - P.L. Takstraat, Willem Pastoor-, Talmastraat, Smaragdstraat - meten van 22 tot 32 meter breed, de overige 15 meter. Op hun beurt kunnen de smalle straten zich verwijden tot 20 meter of meer, zoals dat gebeurt bij de Van Helt Stocade-, de Cornelis Springerstraat, Topaasstraat en Granaatstraat om op zichzelf staande stedenbouwkundige ruimtes te vormen. De architectuur van de bouwblokken bepaalt door het terugspringen van wanden of hoeken in feite de vorm van de stedenbouwkundige ruimtes van straten en pleinen. Pleinruimtes zijn ontworpen als afsluiting van straten (Topaasstraat, P.L.
Takstraat), als opmaat van een brede as (Smaragdstraat) of als stedenbouwkundige ruimte op zich (Henriëtte Ronnerplein en Thérèse Schwartzeplein). Hoeken van pleinen worden geaccentueerd door verbijzonderingen in de architectuur (bijvoorbeeld in de hoekbebouwing van de P.L. Takstraat van P. Kramer), straten krijgen een ritmering door het aanbrengen van erkers, dwars geplaatste daken of schoorstenen in de
verder als een geheel vormgegeven straatwanden. Dikwijls accentueren de elkaar spiegelende straatwanden de samenhang in de straat. In het oostelijk deel van de Zuidelijke Pijp is deze samenhang vooral te zien in de woningbouw van J. Stuyt en Lippits. Nu spelen ook vrijstaande schoolgebouwen mee in het stedenbouwkundige beeld van de wijk zoals op de koppen van de P.L. Takstraat is te zien en aan het Smaragdplein. Ten westen van de Boerenwetering ontstond in het gedeelte ten noorden van het Noorder Amstelkanaal, door de aansluiting van het Plan Zuid op de bebouwing van de Vondel- en Concertgebouwbuurt, een overgangsgebied, waarin zoals gezegd de twee te onderscheiden gebieden met hun eigen orthogonale systeem in elkaar geweven zijn. Opvallend is dat dit gebied minder coherente architectonisch controle onderging. Het noord-oostelijk deel bestaat voornamelijk uit rechthoekige woningbouwblokken van 4 lagen hoog en dateert van rond 1900. Enkele woningen in de Ruysdaelstraat zijn zelfs veel vroeger te dateren, omdat deze straat gelegd is op het Schagerpad dat als een van de eerste straten buiten de Singelgracht werd geëxploiteerd en bebouwd. In opzet, structuur en architectuur sluit de overige bebouwing in dit deel aan bij Duivelseiland.
Voorbij de Hondecoeterstraat naar het westen toe en voorbij de Ruysdaelstraat naar het zuiden komt nog wat bebouwing van rond 1910 voor, maar verder naar het westen dateert de bebouwing vooral van rond 1925. De bebouwing van De Lairessestraat zelf dateert tot aan de Emmastraat voornamelijk van rond 1910 en is drie lagen hoog, terwijl de hoeken door hogere bebouwing geaccentueerd worden. Voorbij de Emmastraat komen wooncomplexen uit de jaren twintig waaronder 41
grootschalige appartementencomplexen van F.A. Warners en G. Rutgers. De bebouwingsblokken ten zuiden van de De Lairessestraat verschillen sterk in vorm en omvang. De woningbouw aan de beide uiteinden van dit gebied maken deel uit van door J.C. van Epen ontworpen buurtjes (zie waarderingskaart II). Daartussen bevinden zich blokken die bestaan uit villa’s, uit een groot gebouw (Terrasgebouw van G. Rutgers, 1925) die samen met een appartementgebouw van Warners de pleinwand voor het Amsterdams Lyceum vormt of uit aangesloten bebouwing, waarin soms op zeer zichtbare wijze de bijdrage van verschillende ontwerpers is te herkennen. Voor het gebied ten zuiden van het Amstel-Noorder Amstelkanaal geldt hetzelfde als voor de Zuidelijke Pijp is gezegd. In de architectonische uitwerking van het stedenbouwkundig plan zijn de wegen van de hoofdstructuur geaccentueerd. Dit blijkt met name uit de manier waarop de gevelwanden op verschillende plaatsen (met name Rooseveltlaan, delen van de Churchillaan en de hoekbebouwingen) als gespiegelde wanden zijn ontworpen en uitgevoerd. De hoofdwegen zijn bovendien geprofileerd met ruime groenstroken, als middenberm (Churchillaan/Apollolaan, Minervalaan) of als stroken tussen de hoofd- en ventwegen (Vrijheidslaan, Rooseveltlaan).
Op kruisingen van de verkeerswegen bevinden zich (verkeers)pleinen of ruime openbare gebieden, benadrukt door middel van markante gebouwen of speciaal in de architectuur geaccentueerde pleinwanden. De kop van de Vrijheidslaan aan de oostelijke begrenzing van het gebied is door middel van de hogere hoekbebouwing als poortachtige structuur ontworpen ten opzichte van de 42
Berlagebrug. De noordelijke en zuidelijke entrees tot Plan Zuid aan de Rijnstraat, Scheldestraat, Amstelveenseweg, de Parnassusweg en in mindere mate de Beethovenstraat, zijn door middel van vergelijkbare symmetrische hoekbebouwing en met sculptuur verrijkte bruggen als poorten gearticuleerd. Binnen de structuur is op enkele plaatsen afgeweken van de maximaal toegestane bouwhoogte van vier woonlagen/vijf bouwlagen (inclusief verhoogde kappen), om op kruisingen van wegen en zichtlijnen verticale accenten mogelijk te maken. Op het Victorieplein fungeert de zogenaamde Wolkenkrabber (met aan de voet het standbeeld van H.P. Berlage door H. Krop) als stedenbouwkundig hoogtepunt van het oostelijke deel van de uitbreiding, terwijl in het westelijke deel de bebouwing rond het Minervaplein en rond de kruising van de Apollolaan en de Minervalaan door middel van hoogbouw zijn geaccentueerd. Het Olympiaplein, in de zichtas van de Parnassusweg, heeft een dubbele visuele afsluiting gekregen door het verticaal gerichte Van Heutszmonument (1935) en het aan de noordzijde van het Noorder Amstelkanaal als poortgebouw ontworpen Amsterdams Lyceum (1920).