CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 2a TOELICHTING Amsterdam oudZuid.pdf

Raadscommissie Woningbouw en Volkshuisvesting 16 november 2022, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Aanwijzen van drie gebieden tot gemeentelijk beschermd stadsgezicht (VN2022-031450)22.778 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Beschermd stadsgezicht Amsterdam-Zuid

Datum in procedure:

Toelichting bij het besluit tot aanwijzing van het beschermd stadsgezicht Amsterdam-Zuid gemeente Amsterdam (Noord-Holland) ex artikel 35 Monumentenwet 1988

Datum aanwijzing:

•

DEEL 1: Oud Zuid

•

DEEL 2: Plan Zuid

Errata:

Amsterdam, Amsterdam-Zuid

De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de minister van Infrastructuur en Milieu zijn bevoegd om gezamenlijk beschermde stads- en dorpsgezichten aan te wijzen. Het rechtsgevolg van de aanwijzing is dat de gemeenteraad ter bescherming van een stads- of dorpsgezicht een bestemmingsplan, als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening, vast moet stellen. In die zin kan de aanwijzing tevens een stimulans betekenen voor een te voeren ruimtelijk kwaliteitsbeleid. In totaal zijn er in Nederland meer dan 400 beschermde stads- en dorpsgezichten met een geschiedenis die teruggaat tot vóór het jaar 1850. In het kader van het Monumenten Inventarisatie Project is ook de stedenbouw uit de periode 1850-1940 landelijk geïnventariseerd. Het besluit tot aanwijzing van Amsterdam-Zuid in de gemeente Amsterdam als beschermd stadsgezicht vloeit voort uit deze inventarisatie. Vanwege de omvang van het beschermde gezicht is de beschrijving ervan opgesplitst in twee delen: Oud Zuid en Plan Zuid.

1

TOELICHTING bij het besluit tot aanwijzing van het beschermd stadsgezicht Amsterdam-Zuid Stadsdelen Amsterdam-Oost, Amsterdam-West en Amsterdam-Zuid, gemeente Amsterdam (Noord-Holland)

DEEL 1: Oud Zuid

2

Inleiding Het beschermd stadsgezicht Amsterdam-Zuid, onderdeel Oud Zuid is een stedelijke uitbreiding uit de tweede helft van de 19e eeuw aan de zuidzijde van de Amsterdamse binnenstad. Globaal strekt het gebied zich van west naar oost uit tussen de Overtoom en de Amstel. Aan de zuidzijde wordt zij begrensd door de stedelijke uitbreiding 'Plan Zuid' van H.P. Berlage. De bebouwing dateert in de kern uit de periode 1850–1910. Het gebied is voor een deel gebaseerd op het Uitbreidingsplan voor Amsterdam van Publieke Werken uit 1876, ook bekend als Plan Kalff, genoemd naar de toenmalige directeur van de dienst. De uitbreiding staat model voor de stedenbouw uit de periode van voor de woningwet: eind negentiende-eeuwse bouw die deels particulier en deels onder de hoede van de overheid tot stand kwam. Toen het Plan Kalff in 1877 werd vastgesteld was er nog sprake van een grotendeels landelijk gebied, waar op sommige plaatsen een begin was gemaakt met stedelijke uitbreiding door particuliere ondernemers. Ook het in 1865 geopende 'Nieuwe Park', sinds 1880 Vondelpark geheten, was er al. Op enkele plaatsen zijn ook nog prestedelijke structuren te herkennen, onder meer langs de Overtoom en de linker Amsteloever. Een groot deel van het uitbreidingsgebied behoorde toen nog tot de gemeente Nieuwer Amstel; in 1896 werd het uitbreidingsgebied door Amsterdam geannexeerd.

Binnen Oud Zuid is een drietal deelgebieden te onderscheiden met een eigen karakter. Omwille van het overzicht zal deze driedeling in de beschrijving worden aangehouden. Allereerst de strook Overtoom/Vondelbuurt, dat het gebied ten noorden van het Vondelpark omvat, met inbegrip van de Overtoom. Daarnaast het gebied Vondelpark-/Concertgebouw-/Museumpleinbuurt, waarin begrepen het Willemspark en Duivelseiland. Tot slot de Pijp en de Amsteloevers. Het Vondelpark komt in deze toelichting slechts zijdelings aan de orde. Het park is een Rijksmonument, waarvoor reeds een uitgebreide redengevende beschrijving is gemaakt. Bij het beschermd gezicht Oud Zuid zijn drie bestuursgebieden betrokken. De kern van het gezicht ligt in Stadsdeel Zuid. De strook Overtoom/Vondelbuurt behoort tot Stadsdeel West, de oostelijke Amsteloever (Weesperzijde) ligt in Stadsdeel Oost. Zie ook oriëntatiekaart. De deelgebieden De vroegste bebouwing in strook Overtoom/Vondelbuurt was gerelateerd aan de bedrijvigheid die zich langs de Overtoom ontwikkelde. Na 1870 werd het gebied ingepast in het uitbreidingsplan van Kalff. De structuur en de bebouwing van de Overtoom gaan terug op de tijd dat dit een belangrijke ontsluitingsweg was, waar zich later ook industrie vestigde.

De aangrenzende Vondelbuurt Vondelstraat met aantakkende straten - is een voorbeeld van door particulier initiatief ontwikkelde negentiendeeeuwse stedenbouw. De bouw is een uitdrukking van de economische en culturele bloei van de stad in deze periode; bij de aanleg speelden architecten als P.J.H. Cuypers en N. Redeker Bisdom een belangrijke rol. 3

Het gebied Vondelpark-/Concertgebouw-/ Museumpleinbuurt is vanouds opgezet als woongebied voor de gegoede burgerij. In dit gebied zijn ook belangrijke culturele instellingen te vinden als het Rijks- en het Stedelijk Museum, het Concertgebouw en het Van Goghmuseum. De structuur van de wijk wordt gekenmerkt door de waaiervorm van de Museumpleinbuurt , de rechtlijnige opzet met gesloten bouwblokken van de Concertgebouwbuurt en het aansluitende Willemspark als villawijk. Het 'Duivelseiland' vormt de zuidpunt van dit gedeelte. Het ging hier om een 'restgebied', dat wat later is ingevuld in een duidelijk soberder opzet. De Pijp ligt ingeklemd tussen hetvoorgaande gebied, begrensd door de Hobbemakade en de Amsteldijk. De noordpunt (Frans Halsbuurt) van de wijk kwam nog tot stand op basis van de uitbreidingsplannen van J.G. van Niftrik(1866). De bebouwing van de Pijp bestaat overwegend uit gesloten bouwblokken. Een uitzondering vormt de voormalige buurtschap Meerhuizen in het oostelijk deel van de Pijp. Tot aan de Lutmastraat is de structuur grotendeels gebaseerd op de vroegere slotenverkaveling. Het gebied ten zuiden daarvan (ook wel Nieuwe Pijp genoemd) maakt deel uit van het Plan Zuid van H.P. Berlage uit 1917 en valt buiten dit beschermd gezicht.

De beide Amsteloevers - in het westen de Amsteldijk en in het oosten de Weesperzijde - vormen twee linten die vanwege de ontwikkelingsgeschiedenis van bebouwing langs de Amstel onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden en in samenhang moeten worden beschouwd.

4

Deze beschrijving onderscheidt de volgende deelgebieden en buurten (zie oriëntatiekaart): • Strook Overtoom/Vondelbuurt o Overtoom o Vondelbuurt • Vondelpark-/Concertgebouw-/Museumpleinbuurt o Museumpleinbuurt o Concertgebouwbuurt en Willemspark o Duivelseiland • De Pijp en Amsteloevers o Kades o Frans Halsbuurt o Noordelijke Pijp o Meerhuizen o Strook 1900 o Amsteloevers (Amsteldijk en Weesperzijde)

Ontstaan en ontwikkeling Strook Overtoom/Vondelbuurt Dit gebied ontstond eind negentiende eeuw tussen het Vondelpark en de Overtoom. De Overtoom en de Vondelstraat zijn de hoofdwegen in deze buurt. De Overtoom vormde als onderdeel van de Heilige Weg al sinds de viertiende eeuw een belangrijke uitvalsweg. De Vondelstraat behoort met de Roemer Visscherstraat en de Tesselschadestraat tot de vroegste, door particulieren ontwikkelde straten in de negentiende eeuwse ring. De ontwikkeling van de Vondelbuurt is niet los te zien van die van het Vondelpark, dat op particulier initiatief werd aangelegd met als voornaamste motief om de aantrekkelijkheid en de waarde van de nieuw te bouwen herenhuizen in dit gebied te verhogen. Het gebied werd later ingepast in het uitbreidingsplan (Plan Kalff, vak 5). Aan het gebied Overtoom/Vondelbuurt lag dus geen vooropgezet plan ten grondslag. De enige ingreep uit dit plan was de aanleg van de Eerste Constantijn Huygensstraat, die onderdeel moest gaan vormen van de Ceintuurbaan rond de stad. Die doorbraak kwam pas in 1938 tot stand met de aanleg van de Vondelbrug. De Overtoom en de daarop uitkomende dwarsstraten lagen tot 1898 grotendeels in de gemeente Nieuwer Amstel, de Vondelstraat viel nog net binnen de gemeente Amsterdam. Verkeerstechnisch zijn beide nauw met elkaar verbonden, wat structuur en bebouwing betreft verschillen zij sterk.

Overtoom De Overtoom is ontstaan na demping van de Overtoomsevaart , waarlangs vroeger de Heilige Weg liep. Deze vormde de grens van twee polders: de Buitendijkse

Binnenpolder en de Stads- en Godshuispolder. De Heilige Weg was een pelgrimsroute die vanuit Sloten langs de Schinkel en de Overtoomsevaart naar Amsterdam liep. De Overtoomsevaart dankt haar naam aan de overtoom een dam waar de schepen overheen getrokken werden - in de Schinkel, die sinds 1514 in gebruik was. Langs de noordelijke oever stonden molens, stokerijen en katoenfabriekjes, daarachter strekten de landerijen zich uit. Dit gebied werd in de loop van de 19de eeuw langzaamaan geïndustrialiseerd. Pas vanaf 1880 raakte de noordzijde van de Overtoom bebouwd met stedelijke woonhuizen en bedrijfspanden. Tot die tijd kende deze zijde, mede door de haventjes voor de molenwerven, geen doorlopende weg. De Pestbrug die over land toegang gaf tot het Pesthuis in de Godshuispolder was lange tijd de enige verbinding tussen beide oevers; in 1893 kwam daar nog een houten hulpbrug bij. De bouw van woningen kwam zowel in het Amsterdamse deel als in dat van Nieuwer Amstel aarzelend op gang; rond 1900 was de noordzijde tot aan de Jan Pieter Heijestraat volgebouwd. De demping van de Overtoom in 1902 gaf aan de bouw een extra impuls. Het gedeelte ten westen van de Jan Pieter Heijestraat kwam in twee etappes tot stand: tot aan de Rijnvis Feithstraat volgens een plan uit 1902; het laatste stuk tot aan de Kostverlorenvaart volgens een plan uit 1910.

De uitvalsweg liep dus aan de zuidzijde van de Overtoom en de bebouwing ontstond hier vooral bij de overslagpunten aan de uiteinden - bij de stadspoort (Leidschepoort) en de zogenoemde ‘Dubbele buurt’ rond de overtoom in de Schinkel -, waaronder herbergen en 5

stalhouderijen en bedrijven die in de stad niet geduld werden zoals laken- en wolweverijen, pottenbakkerijen en molens. Daarbuiten bleef het tot ongeveer 1890 onbebouwd, op enkele grote buitenplaatsen na, zoals ‘Blijdenhof’ en ‘Saxenburg’. De bebouwing buiten de Leidschepoort volgde de aanwezige slotenverkaveling in zuidwestelijke richting en bepaalde mede het onregelmatig verloop van de rooilijn langs de Overtoom en de richting van de verbindingsstraten. De haaks op de Overtoomsevaart uitkomende sloten werden op verschillende plaatsen tot stegen gedempt zodat zij toegang konden geven tot de bebouwing achter op de percelen. Veel van die steegjes zijn er nog, soms toegankelijk via een poort in de straatwand, dikwijls verbreed tot straten. Ze zijn kenmerkend voor de structuur van de Overtoombuurt. Soms is zelfs de bebouwing van de achterterreinen nog aanwezig. Tot op de dag van vandaag bleef de structuur rond de Overtoom vrijwel ongewijzigd. De functie van uitvalsroute en verbinding met de nieuwe stadsdelen bleef belangrijk, waarbij de paardentram werd vervangen door de elektrische tram en de traditionele bedrijvigheid door autoverhuurbedrijven en meubelzaken. Vondelbuurt De Vondelstraat werd aangelegd over het voormalige Leyerdorperspad. De weg die naar de Leidsepoort voerde lag in het verlengde van dit pad. De straat kwam tot stand door samenwerking van de architecten P.J.H.

Cuypers, J.J.W. van den Biesen en J.N. Redeker Bisdom en was vooral bestemd voor de gegoede burgers die de drukke 6

binnenstad wilden ontvluchten. De aanleg van de straat gebeurde in verschillende fasen tussen 1867 en 1900. Op Cuypers' initiatief werd ook de Tesselschadestraat aangelegd. Voor de aanleg van de Roemer Visscherstraat moesten rond 1890 drie huizen in de Tesselschadestraat weer worden afgebroken. De gemeente stelde aan de bebouwing en profilering van de straten eisen die het karakter van de buurt sterk hebben bepaald. Voor de zuidzijde van de Vondelstraat stelde zij een vrijstaande bebouwing als villa’s en tweeonder-een-kap panden als voorwaarde, waardoor de tegenstelling tussen de geslotenheid van de noordwand en het villaparkachtig karakter aan de overzijde ontstond en de overgang tussen stad en park op vanzelfsprekende wijze plaats vindt. Ook de voortuinen in de Tesselschadestraat kwamen er door toedoen van de gemeente, evenals middenbeplanting in de Roemer Visscherstraat. Deze middenberm werd echter als hinderlijk ervaren en verdween weer. Voor de aanleg van de doorbraak Eerste Constantijn Huygensstraat was sloop van enkele huizen in de oostwand van de Vondelstraat nodig. Hier bepalen gesloten zijgevels de bebouwing van de straat. De Tweede Constantijn Huygensstraat werd in 1898 aangelegd. Vondelpark-/Concertgebouw-/Museumpleinbuurt Oorspronkelijk maakte dit gebied deel uit van de Binnendijkse Buitenvelderste polder.

Het voor warmoezerijen en lusthoven in gebruik zijnde land werd verkaveld door zuidoost-noordwest lopende sloten die haaks op de Boerenwetering en de Singelgracht uitmondden. Afgezien van het Schapenburgerpad (achter de P.C Hooftsraat), het verdwenen Mennonietenpad en het Schagerpad (nu Ruysdaelstraat) kon het gebied alleen te

water doorkruist worden. De verbindingswegen Amstelveenseweg en Stadhouderskade liepen om het gebied heen. De grens tussen Amsterdam en Nieuwer Amstel bevond zich op het huidige tracé van de Van Baerlestraat en Roelof Hartstraat. Museumpleinbuurt en Duivelseiland De bebouwing rond de P.C Hooftstraat, de Museumpleinbuurt en Duivelseiland (het driehoekvormig gebied tussen de Nicoalaes Maesstraat en de Roelof Hartsstraat) viel binnen de grenzen van Amsterdam. Deze beide gebieden zijn evenmin verkaveld volgens het in 1877 vastgestelde Plan Kalff. De P.C. Hooftstraat werd al in 1872 aangelegd en raakte in de jaren daarna snel bebouwd. Het gebied achter het Rijksmuseum werd van het plan uitgezonderd, omdat de overheid daar een luxueuze wijk had gepland waarvoor een afzonderlijk ontwerp moest worden gemaakt. Pas in 1891 zou door de raadslieden J. Ankersmit en P.J.H. Cuypers (ook architect van het Rijksmuseum), het definitieve plan voor de Museumpleinbuurt worden gemaakt. In de tussentijd waren het Rijksmuseum (1885) en het Concertgebouw (1888) voltooid en hadden al enkele plannen voor het terrein achter het museum de revue gepasseerd. Het uiteindelijke plan werd gekenmerkt door straten die naar het zuiden in een waaier uitlopen, met het Rijksmuseum als middelpunt. Verder beoogde het een gesloten bebouwing voor dit wigvormige gebied.

Bij de uitvoering van het plan werd nog rekening gehouden met het grillige verloop van de gemeentegrens ter hoogte van de Nicolaes Maesstraat. Tot de annexatie stopte de Ceintuurbaan bij de Boerenwetering. De Roelof Hartstraat (nu: Van Baerlestraat) sloot met een slinger aan op de

Rustenburgerstraat. Na de annexatie kwam een provisorische verbinding met de Ceintuurbaan tot stand en pas in de jaren tien de verbinding zoals die nu nog bestaat. In de periode 1878 en 1902, toen tot uitvoering van het plan van Ankersmit en Cuypers werd besloten, zou de bebouwing van het Museumpleinkwartier weinig planmatig verlopen. Zoals gezegd raakte de P.C. Hooftstraat het eerst bebouwd, de Vossiusstraat volgde in de jaren tachtig. Het ten westen daarvan lopende Schapenburgerpad werd niet bebouwd en bleef een landelijk element. In de aanleg van de P.C. Hooftstraat was al met de ligging van de dwarsstraten rekening gehouden. Het grote centrale terrein, achter het Rijksmuseum, werd vooral gebruikt voor sportevenementen en grote tentoonstellingen. Aanvankelijk verliep de verkoop van percelen aan de nieuwe straten niet zo vlot, maar vanaf 1895 trad er versnelling in. Bezorgdheid bij architecten over de architectonische kwaliteit van sommige huizen leidde tot de oprichting van de eerste welstandscommissie, de ‘Commissie van advies inzake de bebouwing van Gemeentebouwterreinen in Amsterdam’. De verdere bebouwing van de Museumpleinbuurt kwam onder haar supervisie tot stand.

De blokken direct langs het plein werden voornamelijk bebouwd met villa’s, de gesloten bouwblokken kwamen aan de straten daarachter, aan de Jan Luykenstraat en in het buurtje ten oosten van het Museumplein, dat ook bekend staat als Duivelseiland. Dit Duivelseiland, ten zuiden van de Gabriël Metsustraat, werd slechts in grote trekken volgens het plan van Cuypers bebouwd. Met uitzondering van het Roelof Hartplein waarvan de vormgeving was meegenomen in Plan Zuid uit 7

1917, kwam deze buurt door opeenvolgende vastgestelde plannen van particuliere bouwmaatschappijen en van de gemeente zelf tot stand. Na de afbraak van een oude waskaarsenfabriek in 1906 raakte dit gebied langzaam volgebouwd volgens een door Lambrechtsen van Rithem aangepast plan. Concertgebouwbuurt en Willemspark Het gebied ten zuiden van de Van Baerlestraat dat tegenwoordig bekend staat als de Concertgebouwbuurt, lag tot de annexatie 1896 in de gemeente Nieuwer Amstel. Vanwege de dreigende annexatie legde Nieuwer Amstel bij wijze van provocatie al in 1892 langs de grens de Alexander Boersstraat aan als verbindingsstraat. In het verlengde van de Paulus Potterstraat werd een begin gemaakt met de bebouwing van de Parkweg, de latere Wilemsparkweg. Deze fungeerde als toegang tot het Willemspark, een initiatief van de NV Bouwonderneming ‘Willemspark’. Deze vroeg in 1877 aan L.P. Zocher een plan te maken in aansluiting op het Vondelpark. Het Willemspark was bedoeld voor de bouw van villa’s als alternatief voor de rijke burgers die naar villaparken in ‘t Gooi vertrokken. In vormgeving sluit het dan ook naadloos op het Vondelpark aan. Het plangebied strekte zich uit van het Vondelpark tot aan de zuidelijke bebouwing van de Willemsparkweg en de Koninginneweg. De Willemsparkweg was in 1883-1884 op een dijk aangelegd en was aanvankelijk als een toegangsweg tot dit park gedacht.

In de lijn van de parkaanleg kreeg de Koninginneweg een slingerend verloop. De Willemsparkweg raakte pas rond 1900 geheel bebouwd. De eerste villa’s in het parkgedeelte verschenen pas na 8

1890, daarna enkele rond 1910. Het merendeel dateert uit de jaren twintig en dertig. Tot 1902 was de enige ingang naar het Vondelpark de monumentale entree aan de Van Eeghenstraat, na dat jaar werd deze aangevuld met ingangen aan het eind van de Van Eeghenstraat, bij de Koningslaan en aan de Amstelveenseweg. Het merendeel van de bebouwing aan de Koninginneweg kwam rond 1900 tot stand. Voor het gedeelte tussen de Konginneweg-Willemsparkweg en de De Lairessestraat was vermoedelijk al voor 1900 een algemeen stedenbouwkundig plan gemaakt. Particuliere bouwmaatschappijen waarvan ‘Weltevreden’ de grootste was, dienden deelplannen in met een preciezere aanduiding van de rooilijnen. De opzet is sterk vergelijkbaar met de principes van het plan Kalff. De slotenverkaveling werd als richtlijn gebruikt. Er ontstonden lange straten die overigens breder zijn dan in de Pijp. De vorm van het Emmaplein en de ruitvormige pleintjes in de Johannes Verhulststraat , die zo kenmerkend zijn voor deze buurt, werden in de plannen opgenomen. Vermoedelijk is het plan van Kalffs opvolger, L.C.M. Lambrechtsen van Ritthem, het uitgangspunt voor deze bebouwing geweest. De Amstelveenseweg vormt de zuidwestelijke begrenzing van de concertgebouwbuurt en was oorspronkelijk een dijkweg die het polderland scheidde van het boezemwater van de Schinkel.

Zij begint bij de Overtoom en was tot in de jaren tien van de twintigste eeuw een landelijke, smalle weg, geflankeerd door bomen. Met de Amsteldijk was het de enige uitvalsweg naar het zuiden. De straat raakte in de loop van de jaren twintig bebouwd, door de toename van het verkeer werd de straat aanzienlijk breder. In het

onregelmatige verloop van de rooilijnen is nog de landelijke herkomst terug te zien. Naoorlogse ontwikkelingen Na de tweede wereldoorlog hebben in de beschreven buurten geen vergaande ontwikkelingen plaatsgevonden. Stadsvernieuwingsoperaties zoals die in Amsterdam Oost en West kwamen hier niet voor. Alleen het Museumplein zou enkele grote gedaanteverwisselingen ondergaan. Na de Tweede Wereldoorlog kreeg de ruimte een inrichting, gebaseerd op een plan van C. van Eesteren: een boulevard van 20 meter breed op de as van het plein met aan weerszijden gazons en boombeplanting. De Hobbemastraat werd verbreed. Daarnaast vond uitbreiding van het Stedelijk Museum plaats en kwam er een KLM-terminal. In 1992 werd uiteindelijk de architect Sven Ingvar Andersson gevraagd een herinrichtingsplan te maken. Uitgangspunten waren het scheppen van een open groene ruimte voor manifestaties, de mogelijkheid voor het Stedelijk Museum en het Van Goghmuseum om uit te breiden, een waardige pleinzijde voor het Rijksmuseum en een ondergrondse parkeergarage voor 500 auto’s en 20 bussen. In het uitgevoerde plan werd de aanvankelijk weggelaten fietsroute om het plein alsnog opgenomen en van de voorgenomen sluiting van de onderdoorgang van het Rijksmuseum werd afgezien. In 1999 werd het hernieuwde Museumplein in gebruik genomen.

Bij de recente verbouwing van het Rijksmuseum is de fietsonderdoorgang na veel discussie gehandhaafd. De Pijp en Amsteloevers De Pijp is een gaaf voorbeeld van een wijk voor arbeiders en middenstanders, die door particulier ondernemerschap aan het eind van de negentiende eeuw tot stand is

gekomen. Aan de randen van de wijk, langs de kades, verrezen ook luxe panden voor de gegoede burgerij. Grofweg zijn binnen dit gebied de volgende bebouwingsfasen te onderscheiden: • de Stadhouderskade en Ruysdaelkade, met vroege, niet planmatige bebouwing • De Oude Pijp, deels tot stand gekomen naar een uitbreidingsplan van Van Niftrik uit 1868 (Frans Halsbuurt), de rest op basis van het Uitbreidingsplan van Publieke Werken uit 1877. • Strook 1900, tussen 1898 en 1920 bebouwd volgens plannen van Kalffs opvolger Lambrechtsen van Ritthem en een eerste Plan van Berlage uit 1905 • Meerhuizen, een dorpsachtige buurt zonder voorafgaand stedenbouwkundig plan tot stand gekomen toen het nog tot de gemeente Nieuwer Amstel behoorde • De Amsteloevers, respectievelijk de bebouwing aan de Amsteldijk (west) en Weesperzijde (oost). De bebouwing kwam met name na 1860 tot stand. De Pijp

De Pijp ligt evenals de Concertgebouwbuurt in de Binnendijkse Buitenpolder. Voorafgaand aan de eerste bouwinitiatieven uit het vierde kwart van de 19e eeuw bestond het gebied vooral uit weilanden, warmoezerijen en buitenplaatsen. De buitenplaatsen waren te vinden langs de Boerenwetering, de Singelgracht en de Amsteldijk. In de noordwestelijke punt van deze polder waren alleen het Otterspad en de paden aan weerszijden van de Zaagmolensloot als verbindingen aanwezig. Het vervoer liep voornamelijk over water. Ten zuiden van de grens Amsterdam-Nieuwer Amstel liepen meer paden van de Amstel tot aan de Boerenwetering zoals Kuiperspad, het 9

Hoedemakerspad (nu: Van Ostadestraat) en het Verwerspad (nu: Tolstraat). Industrie concentreerde zich rond de Zaagmolensloot in de vorm van een aaneenrijging van houtzaagmolens op beide oevers met kleine inhammen voor aanlegplaatsen. Deze molens waren al sinds 1638 in gebruik. De sloot mondde aanvankelijk uit in de Amstel. In 1881 werd zij genormaliseerd op 20 meter breedte en in het Oosteinde omgebogen naar de Singelgracht. Na 1883 werd de verbinding tussen de Pijp en de oude stad via de Weteringbarrière vervangen door een verbinding tussen het Rijksmuseum en de Spiegelgracht, een brug tussen de Vijzelstraat en de Ferdinand Bolstraat, en werd het Westeinde aangelegd en de verbinding van de Utrechtse barrière verbreed. De invulling van het plan uit 1877 verliep grofweg van noord naar zuid. De eerste woningbouw verscheen langs de waterlopen en werd voornamelijk gebouwd voor de gegoede burgerij. Daarnaast verrezen aan de kade langs de Singelgracht diverse bedrijven en instituten waarvoor in de binnenstad geen plek was. Daaronder bevonden zich onder meer de Heinekenbrouwerij (1866), de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten (1871-1875), de later afgebroken metaalfabriek Becht en Sijserinck en de St. Jozeph gezellenvereniging.

Ook in de straten van de Noordelijke Pijp zijn nog veel resten van bedrijfsgebouwen te vinden, waaronder de voormalige rijtuigenfabriek ‘Spijker’ aan de Gerard Doustraat. Zij zijn minder opvallend omdat zij in de straatwand zijn opgenomen.

10

Frans Halsbuurt Van het eerste, door Dr. S. Sarphati ontworpen uitbreidingsplan uit 1862, dat zich uitstrekte tot aan het Hoedemakerspad (nu Van Ostadestraat), kwam weinig terecht. Het enige dat gerealiseerd werd, waren de verbindingen met de nieuwe wijk: het Westeinde in het verlengde van de Van Woustraat en het Oosteinde richting de latere Hemonystraat. Het eerste blokje woningen kwam gereed in de driehoek tussen Stadhouderskade, Gerard Doustraat en Boerenwetering, dat nog ontwikkeld is volgens een deelplan van stadsingenieur Van Niftrik uit 1869. Na de afwijzing van zijn als te duur en te groots ervaren uitbreidingsplan, had de gemeente hem gevraagd een aangepast plan te gebruiken voor dit deelgebied. Het strakke grid dat Van Niftrik ontwierp ontleende hij aan het afgekeurde plan. Dit deel van de Pijp, rond de Frans Halsstraat, was rond 1884 zo goed als bebouwd. Noordelijke Pijp De rest van de Noordelijke Pijp werd tot aan de gemeentegrens bebouwd volgens het uitbreidingsplan uit 1877 van de nieuwe directeur van Publieke Werken, J. Kalff en dat in samenwerking met Van Niftrik was ontworpen. Het was een recht-toe-recht aan plan, waarbij, anders dan in het plan uit 1868, de gemeentegrenzen gerespecteerd werden en de bestaande slotenverkaveling werd gevolgd.

De bebouwing bestaat uit gesloten bouwblokken met groene binnentuinen, naar analogie van de verkaveling van de grachtengordel. De 30 meter brede Ceintuurbaan vormde de verbinding met de andere uitbreidingswijken, al ging de gemeente er pas in 1903 toe over om door middel

van de Nieuwe Amstelbrug een direct verbinding met Amsterdam-Oost te leggen. Tijdens de uitvoering van het Plan Kalff werden wel enkele wijzigingen doorgevoerd, zoals de demping van de Zaagmolensloot. Tenslotte kregen de Gerard Doustraat en de Albert Cuypstraat aan het westelijke uiteinde op de hoogte van de Frans Halsstraat een knik om een aansluiting te krijgen op de brug over de Boerenwetering. Toen het plan voor een Centraal Station ten zuiden van de grachtengordel van de baan was, kwam er ruimte voor een park. Het naar Sarphati genoemde park ging in 1886 open en was aangelegd naar een ontwerp van Van Niftrik. In de westzijde van de Pijp, tussen de Van Ostadestraat en de Lutmastraat, zijn enkele blokken nog gerealiseerd volgens een plan van C.L.M. Lambrechtsen van Ritthem, in deze beschrijving aangeduid met 'Strook 1900'. Lambrechtsen van Ritthem zette het principe van Kalffs uitbreidingsplan voort, maar wel gaf hij de straten in dit deel, enigszins los van de bestaande verkaveling, een gebogen verloop, dat we terugzien in de Lutmastraat. Hoogteverschillen Opvallend in De Pijp zijn de hoogteverschillen van het maaiveld. Bij de eerste bebouwing werden veel bouwblokken aan de zuidzijde van de Gerard Doustraat iets boven polderpeil gebouwd, ten noorden daarvan werd gebouwd op stadspeil.

In 1873 werd besloten dat alle bouwgrond tot stadspeil moest worden opgehoogd; de onderste vloer mocht niet lager zijn dan -65 cm AP waardoor het aanbrengen van souterrains werd voorkomen. Dat de gemeente Nieuwer Amstel deze voorwaarden niet stelde, blijkt uit de helling in de straten

tussen de Van Woustraat en de Amsteldijk die voor de annexatie in de oostelijke Pijp zijn aangelegd, zoals de Rustenburgerstraat en de Kuiperstraat. Westelijke Amsteloever en Meerhuizen Aanvankelijk lagen aan beide Amsteloevers veel lusthoven, zoals Amstelrust en Rustenburgh aan de Amsteldijk en Buiten Lust aan de Weesperzijde, afgewisseld met de daarbij behorende opstallen en boerderijen. Zij waren daar door rijke Amsterdammers als buitenplaats gebouwd. In de tweede helft van de 19e eeuw verrezen langs de Amsteldijk de eerste herenhuizen voor de gegoede burgerij. Het achterland van de Amsteldijk was vooral in gebruik bij warmoezerijen en door molens opgewekte industrie. Van de ontsluitingswegen naar dit achterland was het Verwerspad (de latere Tolstraat) het belangrijkst, daarna verschenen door het plempen van enkele sloten de Rustenburgerstraat (vroeger Rust en Werkpad), de Van Ostadestraat (Hoedemakerspad) en de Kuiperstraat. Aan de westelijke Amsteloever lag de oude buurtschap Meerhuizen, die zich bevond tussen de Ceintuurbaan en de Lutmastraat. Met Amstelveen was het één van de dichtst bebouwde buurten van de gemeente Nieuwer Amstel. Tussen 1880 en 1900 ontwikkelde zich hier een bedrijvig woongebied met onder meer wagenmakerijen en schildersbedrijven. Dit maakte onderlinge verbindingsstraatjes nodig.

Amsterdam was na de annexatie van dit gebied, die in 1896 onder veel protest van Nieuwer Amstel een feit werd, gebonden aan de afspraken tussen Nieuwer Amstel en de grondeigenaren. Daarom liet zij in de verdere planvorming voor het geannexeerde gebied de hier aanwezige structuur ongemoeid. 11

De goedkope grond in dit noordelijk deel van Nieuwer Amstel trok ook grootschaliger bebouwing aan zoals de remise van de Amsterdamse Omnibusmaatschappij (gesloopt), de Van Leerfabriek (afgebrand), de diamantslijperij Asscher (1907), en het raadhuis (1892, tevens voormalig Gemeentearchief) aan de Amsteldijk. Samen met de Van Leerfabriek aan de Rustenburgerstraat, ontwierp A.L. van Gendt in 1891 kleinschalige arbeiderswoningen die tot de eerste experimenten van de sociale woningbouw behoorden. Hierna raakten de Van Ostadestraat, Rustenburgerstraat, Kuiperstraat, en Willibrordusstraat naar het westen toe snel bebouwd. Eind jaren negentig werden ook de Ferdinand Bol- en de Van Woustraat verlengd tot aan de Rustenburgerstraat. Soms moest daarvoor bestaande bebouwing wijken. Oostelijke Amsteloever De oostelijke Amsteloever maakt deel uit van de Overamstelse polder en behoorde vanaf de Grensstraat naar het zuiden toe eveneens tot de gemeente Nieuwer Amstel. Tot in de tweede helft van de negentiende eeuw was dit gebied voor landbouw en veeteelt in gebruik. Net als aan de Amsteldijk aan de overkant, vormden enkele buitenplaatsen met de bijbehorende opstallen, molens, maar ook enkele katoendrukkerijen dicht tegen de Amstel aan de belangrijkste bebouwing. Vanaf de iets oostelijker van de Amstel gelegen Weesperpoort was het jaagpad langs de Amstel te bereiken.

De rivier had toen nog een zeer grillig verlopende oeverlijn, die later is rechtgetrokken. De komst van de Rhijnspoorweg (1843, waar nu de Wibautstraat loopt) gaf een stimulans aan de bouw van industrie en dit bracht weer de behoefte aan huisvesting met zich mee. Tussen de spoorlijn en de Amstel 12

verschenen in de loop van de negentiende eeuw enkele grote bedrijven waaronder de Nederlands Beijersch Bierbrouwerij (1864) op het terrein van Buiten Lust, de Delibrouwerij (1885) en een cacaofabriek nabij de Schollenbrug. Resten van deze industrieën zijn soms nog via een poort in de Weesperzijdewand te bereiken. In 1883 was het gedeelte van de Weesperzijde tot aan de Nieuwe Amstelbrug al helemaal bebouwd met woningen voor de gegoede burgerklasse. Veel ervan zijn ontworpen door bekende architecten als A. Salm en A.L. van Gendt. Hoewel Samuel Sarphati dit gedeelte wel betrokken had in zijn uitbreidingsplan rond het Paleis van Volksvlijt uit 1862, komt deze bebouwing niet volgens dit plan tot stand. Het zou uiteindelijk in fasen worden bebouwd door verschillende bouwmaatschappijen die ook voor de aanleg van straten als de Burmanstraat zorgden. Alleen het eerste bouwblok kwam tot stand volgens het in 1877 vastgestelde plan van Publieke Werken, waarbij de Weesperzijdestrook in vak 8 viel. Tussen 1890 en 1891 kocht de gemeente de nog aanwezige tuinen op, zodat de Weesperzijde over de hele lengte bebouwd kon worden. Gemeente Nieuwer Amstel kwam met een eigen uitbreidingsplan voor het gedeelte tussen de Oeterwalerweg (Linnaeusstraat) en de Weesperzijde. Voor de aanleg van de trambaan door de Amsterdamsche Omnibus Maatschappij was het nodig in 1884 de straat te verbreden.

Na het verdwijnen van de tram werd langs het water een brede groenstrook aangelegd waarin ook een voetpad was opgenomen. De komst van clubgebouwen voor diverse roeiverenigingen had ook gevolgen voor het intensiever gebruik van de Amsteloevers. Van deze verenigingen bestaan nog ‘De Hoop’ en ‘Nereus’.

Huidig ruimtelijk karakter Roeivereniging ‘Nereus’ verschoof iets naar het zuiden en haar clubhuis maakt nu onderdeel uit van het brugcomplex dat Berlage ontwierp. ‘De Hoop’ verhuisde na de oorlog naar de plek ter hoogte van de Burmanstraat waar de Amstel een knik maakt. Naoorlogse ontwikkelingen De Pijp heeft na de Tweede Wereldoorlog goeddeels haar oorspronkelijke structuur behouden. Mede door de inzet van verontruste bewoners, was de stadsvernieuwing niet zo ingrijpend als in Oud West en Amsterdam Oost. Een van de eerste projecten was de doorbraak in de Melkfabriekbuurt (genoemd naar de voormalige Melkfabriek Holland) met de aanleg van de Hercules Seghersstraat een nieuwe verbinding met nieuwbouw op de kop van de gesloten bouwblokken. Dit betekende echter geen drastische wijziging van de aanwezige structuur. De stadsvernieuwing in de Pijp kwam vooral neer op vervanging van delen van straatwanden door nieuwbouw; zelden werd een heel bouwblok vervangen. Ook de bebouwing van het oude RAIterrein aan de Ferdinand Bolstraat uit de jaren tachtig en die van het Marie Heinekenplein vormen enclaves die gemakkelijk konden worden ingevoegd in de bestaande structuur.

Minder vanzelfsprekend is dat gebeurd bij de aanleg van het Dora Tamanaplein op het terrein van de afgebrande Van Leerfabriek, dat door woningbouw en uitbreidingen van het voormalig raadhuis en gemeentearchief wordt omsloten.

Strook Overtoom/Vondelbuurt De structuur van het gebied Overtoom/Vondelbuurt kenmerkt zich door een brede hoofdader, gevormd door de Overtoom, waarop haaks straten en smalle stegen uitkomen. De stegen komen in veel gevallen uit op binnenterrein met eigen bebouwing. In het oostelijk deel is tussen Vondelpark en Overtoom de Vondelbuurt gebouwd, met als centrale as de Vondelstraat. Overtoom De Overtoom is een belangrijke verkeersader naar het gebied ten westen van de binnenstad (Oud-West en Oud Zuid, de Baarsjes en de Westelijke Tuinsteden) en is de belangrijkste toegangsweg tot de haaks erop staande straten die toegang geven tot het Vondelpark. De straat dankt haar breedte van 38 meter aan de vroegere Overtoomsevaart en is daardoor vergelijkbaar met gedempte grachten als de Rozengracht en de Elandsgracht. Dat de rooilijn niet overal gelijk ligt heeft ook met deze ontstaansgeschiedenis te maken. Een verklaring is daarnaast het ontbreken van strenge bouwregels in de gemeente Nieuwer Amstel. De zuidwand is min of meer organisch tot stand gekomen en kent een grotere variatie aan bouw. Kenmerkend voor de zuidelijk kant van de Overtoom tussen de Stadhouderskade en de Anna van den Vondelstraat zijn de stegen waarvan er enkele toegankelijk zijn via een poort en andere zijn verbreed tot woonstraat.

Sommige stegen geven toegang tot bebouwing op het binnenterrein, waaronder een voormalige school uit de jaren 1920.

13

Omdat de zuidzijde van de Overtoom als verbindingsweg diende, verrezen hier, toen de Overtoom nog tot Nieuwer Amstel behoorde, vele burgerwoningen van een schaal die eigen is aan een provinciestadje. Er zijn echter ook groepen huizen te vinden van een vroegere datum, zelfs daterend uit de 18de eeuw. De zuidzijde kent daarnaast echter ook enkele grootschalige complexen uit de naoorlogse periode. Bij veel negentiende eeuwse panden die ooit op het gebied van Nieuwer Amstel werden gebouwd, is aan de onderste laag nog zichtbaar dat deze op polderpeil werden opgetrokken. De deuren zijn later omhoog gebracht, waarbij het bovenlicht moest verdwijnen. De architectuur van de zuidzijde laat een ontwikkeling zien van oost naar west, maar door de dynamiek door de tijd zijn er gebouwen uit sterk verschillende perioden naast elkaar te vinden, afgewisseld door complexen uit de jaren 1930 en enkele stadsvernieuwingsblokken uit de jaren 1970-1980. Omdat de bebouwing van de noordwand later (19e eeuw) en binnen een korter tijdbestek tot stand kwam is zij wat vormgeving betreft eenvormiger dan de zuidwand. Vanaf de Jan Pieter Heijestraat is de bebouwing aan de noordzijde consequent vier lagen hoog, omdat deze zijde volgens het uitbreidingsplan van begin twintigste eeuw is bebouwd.

Omdat de Overtoom een gedempte waterloop is, zoals dat ook bij gedempte grachten het geval is, is de samenhang tussen de bebouwing van de noord en zuidzijde niet sterk. Die samenhang werd verder ondermijnd door de verhoogd liggende trambaan en doordat de vrij hoge bomen door 14

rigoureuze kap hun bemiddelende rol verloren. Bij de herprofilering van de Overtoom met vrij liggende fietspaden en parkeerhavens, zijn de bomen die er nog stonden gehandhaafd. Anna van den Vondelstraat - Rijtuigenhof Het gebied rond de Anna van den Vondelstraat en de Rijtuigenhof, waar zich ooit buitens als de ‘Leeuwenburg’ bevonden, bestaat uit enkele kleine stegen en straten, met enkele grootschalige invullingen. Deze waren mogelijk omdat tot de achterterreinen hier lange tijd nog nauwelijks waren bebouwd. Dat maakte ook de bouw van Villa Betty (1877) mogelijk met een grote tuin rondom. De Rijtuigenhof (1985) is een recente invulling met woonerfstructuur op het voormalig terrein van de Amsterdamse Rijtuigmaatschappij, die qua hoogte is aangepast aan de omliggende bebouwing. De 19-eeuwse bouwblokken zijn grotendeels vier lagen hoog en kennen het voor die tijd typerende seriematige karakter. De Parkkerk zorgt door zijn toren voor een baken in deze buurt, maar de kerk voegt zich verder geheel in de straatwand. Beplanting met bomen kennen de straten en stegen niet of nauwelijks. Schoolstraat - Frederikstraat Dit deel kent een eenvoudige structuur van haaks op de Overtoom liggende straten met gesloten bouwblokken. Deze zijn rond 1879 aangelegd en omdat de uit de achttiende eeuw daterende erfgrenzen zijn aangehouden, hebben vele huizen smalle achtertuinen of helemaal geen tuin.

De binnenterreinen zijn meestal slechts 10 meter diep. Een uitzondering vormt de Saxenburgerdwarsstraat, die nog herinnert aan het voormalige buiten op deze plek.

De wanden van de straten die aan beide zijden bebouwd zijn, bestaan voornamelijk uit negentiende-eeuwse woningbouw van 3 tot 4 lagen, soms twee lagen met souterrain. Twee scholen, waarvan een op een binnenterrein, zijn de enige openbare gebouwen. De architectuur van de woningen varieert per straat van eenvoudige aannemersarchitectuur tot de wat chiquere vormgeving van woningen voor de middenklasse. Ook komt hier de voor de negentiende eeuw typisch seriematige woningbouw voor, ontworpen in ensembles van twee of meer panden. De verticaliteit van de vormgeving wordt benadrukt door de ritmering van portieken, venstertraveeën, dakkapellen en hijsbalken. De straten zijn recht met een breedte van 12 meter. De Saxenburgerstraat vormt met de Saxenburgerdwarsstraat een soort buurtje. De straten zelf zijn niet van bomen voorzien. Door de hoogte-breedte verhouding zijn de straten vrij besloten maar niet erg nauw. De haaks op de Overtoom staande straten geven allen, met uitzondering van de Schoolstraat toegang tot het Vondelpark. Tussen de straten en het park is een overgangsstrook met platanen en begroeiing. Het hek markeert de grens tussen beide. Zocherstraat De structuur van dit deel wijkt sterk af door het verloop van de Zocherstraat volgens een uitgerekte S-vorm. De brede straat verwijdt zich aan de zuidzijde tot drie hoven.

Dit was een compensatie voor het oorspronkelijke voornemen om vrijstaande villa’s te bouwen. De noordzijde wordt voor het grootste deel in beslag genomen door de achtergevel van het appartementsgebouw Autopon (1961). Aan het schuin lopende deel van de Zocherstraat zijn de

eind-negentiende-eeuwse panden getrapt in de rooilijn geplaatst hetgeen een intrigerend beeld oplevert. Naast een schoolgebouw (een voormalige HBS) bestaat de bebouwing verder uit woningbouw van vier lagen hoog. Erkers geven de straatwand een eigen ritmering en een over het hele oostelijk deel van de straatwand doorlopend balkon versterkt de eenheid van het complex. De Zocherstraat is met zijn 16 meter vrij breed maar door de hovenstructuur, de vorm en het verloop en de hoge bebouwing kent zij een grote beslotenheid. Het is een boomarme straat. Vondelbuurt De Vondelstraat is de hoofdader van de Vondelbuurt. Ten oosten van de Eerste Constantijn Huygensstraat heeft deze buurt het karakter van een villapark. Ten westen daarvan blijft alleen de Vondelstraat over met een aftakking ter hoogte van de Vondelkerk. De Stadhouderskade is vanuit de buurt nauwelijks te ervaren door de bochtige entrees tot de buurt en de hoge bebouwing van hotels en het Byzantiumcomplex. Wat karakter betreft behoort het Zandpad met bebouwing eigenlijk meer tot het Vondelpark. Zoals gezegd gaan de straten in de Vondelstrook schuil achter de grootschalige bebouwing langs de Stadhouderskade, die varieert van 7 tot 10 lagen hoog, waaronder een hotel uit 1924 en de gebouwen Byzantium (1987) en Aurora (1961).

In de Vondelbuurt vinden we vooral bebouwing van vier lagen hoog, in de vorm van een rechte wand of in de vorm van statige woonpanden met diepe voortuinen. Daarnaast lossere bebouwing van villa’s en twee- of drie-onder-een kappanden van 2 tot 3 lagen hoog. De straten in de Vondelbuurt zijn breed: 16 tot 18 15

meter, en de meeste zijn beplant met bomen. De aanwezigheid van het Vondelpark is in het grootste deel goed te ervaren. Belangrijk herkenningspunt voor de Vondelbuurt is de Vondelkerk, gebouwd in de as van de Vondelstraat. Een nauw met de buurt en park verbonden bouwwerk is de Hollandsche Manege (1882), gelegen tussen de Vondelstraat en Overtoom. In de Vondelbuurt hebben vele architecten van naam zoals P.J.H., Jos en Ed Cuypers en A.W. Weissmann woonhuizen ontworpen, reden waarom de architectuur hier van hoog niveau is. Door de hoge bebouwing aan de Stadhouderskade en het nogal rommelig aandoende verkeersplein onttrekt deze brede verkeersader zich aan de wijk. Het Leidsebosje is door de route vanuit de stad in tweeën gesplitst en teruggebracht tot twee driehoekige plantsoentjes. Vondelpark-/Concertgebouw-/Museumpleinbuurt Dit deelgebied, waarvan ook het Vondelpark en villawijk Willemspark, deel uitmaken werd vanaf het begin opgezet voor de gegoede burgerij. De hoofdstructuur van dit gebied wordt gevormd door twee oost-west lopende routes: Paulus Potterstraat/Willemsparkweg/ Koninginneweg en De Lairessestraat/Cornelis Krusemanstraat. De belangrijkste noord-zuid verbindingen zijn de Van Baerlestraat/Roelof Hartstraat en de Amstelveenseweg. Deze structuur weerspiegelt de opeenvolgende stedenbouwkundige uitbreidingsplannen.

De Van Baerlestraat - als onderdeel van de beoogde ceintuurbaan rond de stad - vormt een duidelijke grens tussen de plannen voor de Museumpleinbuurt en de 16

Concertgebouwbuurt. De driehoekige zuidpunt van dit gebied, Duivelseiland genoemd - een restgebied waar tot 1906 onder meer de Koninklijke Waschkaarsenfabriek stond - wordt ook tot dit deelgebied gerekend. Belangrijke secundaire verbindingen verlopen alleen noordzuid. Dat zijn de Jacob Obrechtstraat, de Emmalaan/ Valeriusplein, en de Cornelis Schuytstraat. Deze laatste twee vormen bovendien een verbinding met Plan Zuid. Zie ook de oriëntatiekaart. De bebouwing bestaat overwegend uit gesloten bouwblokken. Alleen aan weerszijden van het Museumplein en in het Willemspark komen villabouw en ensembles van twee- en drie-onder-één kap voor, met veel groen. De binnentuinen vormen een belangrijk complement van de bebouwing. Museumpleinbuurt/Duivelseiland Kenmerkend voor de Museumpleinbuurt zijn de vanuit het Museumplein uitwaaierende straten, die door geknikte dwarsstraten met elkaar worden verbonden. Hoewel de Vossiusstraat en de P.C.Hooftstraat oorspronkelijk geen deel uitmaakten van het plan voor het gebied, zijn zij daar mede door deze verbindingsstraten wel nauw mee verbonden. Het recente heringerichte Museumplein vormt een groene scheiding tussen beide delen van de buurt. Het Duivelseiland is duidelijk bescheidener van opzet. De bebouwing in het gebied bestaat voornamelijk uit gesloten blokken.

Was het plan van Cuypers en Ankersmit naar hun intenties uitgevoerd dan was de Johannes Vermeerstraat als een rechte straat doorgetrokken tot aan de Roelof Hartstraat waardoor Duivelseiland meer een geheel had gevormd met

de bebouwing rond het Museumplein. Dit werd gefrustreerd door de aanwezigheid van een twee eeuwen oude waskaarsenfabriek, maar ook door het grillig verloop van de gemeentegrens tussen Amsterdam en Nieuwer Amstel. Terwijl de blokken in de Museumpleinbuurt overwegend noord-oost georiënteerd zijn, zijn de woningbouwblokken op Duivelseiland oost-west gericht. De bebouwing van de Museumpleinbuurt bestaat direct rond het park uit villa’s en verder voor het overgrote deel uit gesloten blokbebouwing. De blokken tussen P.C. Hooftstraat en Jan Luykenstraat worden doorsneden door het vroegere Schapenburgerpad. De villa’s tellen drie tot vier bouwlagen, voor het overige tellen de bouwblokken in de Museumpleinbuurt en het Duivelseiland vier lagen. De oudere P.C. Hooftstraat, al rond 1875 bebouwd, bestaat voornamelijk uit drie lagen. Beeldbepalende grotere gebouwen staan rond het Museumplein (Stedelijk Museum, Rijksmuseum) en langs de Van Baerlestraat (Rijkspostbaarbank, nu Conservatorium, en Concertgebouw). Op Duivelseiland staan opvallend veel scholen. Hoewel de manier waarop de gesloten woonblokken zijn vormgegeven in Museumpleinbuurt en Duivelseiland hetzelfde is, verschilt deze sterk in kwaliteit. Bij de een gaat het om woningen voor de gegoede burgerij, op Duivelseiland om speculatiebouw met merendeels etagewoningen.

De gevels van de woonblokken bestaan uit apart vormgegeven huizen of uit ensembles van twee of meer. In de Johannes Vermeerstraat is woningbouw gerealiseerd die verwant is aan Engelse 'terrace' bouw, met huizen van drie of meer verdiepingen met voortuinen.

De breedte van de straten in de Museumplein buurt varieert van 15 tot 26 meter, op Duivelseiland zijn ze zo'n 15 meter breed. In de laatste buurt zien we straten zoals die in de Pijp ook voorkomen met symmetrisch profiel en weinig bomen. De straten in de Museumpleinbuurt zijn in veel gevallen voorzien van een middenstoep of middenberm en een enkele of dubbele rij bomen. In de Johannes Vermeerstraat en de Gabriël Metsustraat heeft een deel van de huizen voortuinen. Concertgebouwbuurt/Willemspark De Willemsparkweg-Koninginneweg vormt de centrale as tussen het Vondelpark in het noorden en De Lairessestraat/Krusemannstraat in het zuiden. Deze as, in het begin recht en vanaf de Emmastraat met enkele curven, leidt naar het Willemspark, dat wordt gekenmerkt door de ligging aan het Vondelpark en een slingerend verloop van straten rond twee vijvers. Terwijl de Willemsparkweg aan beide zijden door doorlopende bebouwing wordt ingesloten, is bij de Koninginneweg de noordzijde bebouwd met blokjes van twee- en drie woningen met doorzichten naar het villapark. De belangrijkste noord-zuid straten die de langwerpige structuur doorsnijden zijn de Jacob Obrechtstraat, de Cornelis Schuytstraat, de Emmastraat, en de Emmalaan. De laatste maakt deel uit van een hoofdas die het Vondelpark en het Valeriusplein verbinden met Plan Zuid.

Het gedeelte tussen Willemsparkweg/Koninginneweg en de De Lairessestraat is een eenvoudig langwerpig grid. Twee pleintjes op de kruising van de Johannes Verhulststraat met twee dwarsstraten en het Valeriusplein zijn de enige open ruimtes in deze buurt. De gesloten bouwblokken zijn oost-west georiënteerd, met uitzondering van de 17

bouwblokken aan het Valeriusplein - het noordelijk blok omvat de Valeriuskliniek - die als wanden van het plein gedacht zijn. Dit plein vormt een belangrijke schakel in de dwarsader tussen Vondelpark en Plan Zuid, die tevens een belangrijke zichtlijn vormt door de aswerking van het Emmaplein en het Valeriusplein, waarvoor het wat hoger gelegen Amsterdams Lyceum (Plan Zuid) als afsluiting zorgt. De tweedeling van dit gebied komt sterk tot uitdrukking in aard en hoogte van de bebouwing. Het Willemspark zelf met in begrip van de Van Eeghenlaan en het westelijk deel van de Van Eeghenstraat, bestaat voornamelijk uit villabebouwing en uit ensembles van twee- of drie onder een kap met een hoogte van drie à vier lagen. Alleen in het midden van het park zijn twee rijen woningen met voortuinen, waarvan een deel aan Engelse 'terrace' woningen doet denken. De oudste bebouwing dateert uit het eind van de negentiende eeuw. Veel van de villa’s zijn echter pas in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw gebouwd. In het overige gedeelte gaat het om gesloten bouwblokken van overwegend vier lagen, soms drie lagen. Een uitzondering hierop vormt de Willemsparkweg zelf die overwegend drie lagen telt omdat deze tot stand kwam toen de straat nog tot Nieuwer Amstel behoorde.

Op de kruispunten zijn ruitvormige pleintjes ontstaan waarvan de architectuur van de hoekbebouwing aan de overzijde steeds gespiegeld wordt. Het merendeel is gebouwd rond 1900 en is vormgegeven in een eenvoudige vormentaal met donker baksteen en versieringen in natuursteen en staal. Tot aan de Jacob Obrechtstraat is de architectuur wat rijker van ornament (in de Alexander Boersstraat zelfs zeer schilderachtig) voorbij die straat wordt de architectuur 18

sober. Vooral in de Lohmanstraat is dit effect duidelijk ervaarbaar. De buurt kent enkele architectonische belangwekkende gebouwen zoals het Concertgebouw (1885), de Jacob Obrechtkerk (1905) en de Valeriuskliniek (1910) en de ellipsvormige woningbouw achter het Concertgebouw. Deze gebouwen hebben een belangrijk stedenbouwkundige functie gekregen als afsluiting van een plein of als focuspunt voor een zichtlijn. De bebouwing langs de Amstelveensweg is zeer gevarieerd. Aan de zuidzijde is tussen Overtoom en Tweede Schinkelstraat nog veel van de oudste bebouwing uit de negentiende eeuw gehandhaafd. De overige bebouwing sluit qua vormgeving en met gesloten bouwblokken van vier lagen hoog aan op de bouw van Concertgebouwbuurt en Plan Zuid. De straten in de Willemsparkbuurt zijn breed, de meeste van 18 tot 20 meter, en op enkele uitzonderingen na (Van Eeghenstraat) beplant met bomen. Het Emmaplein vormt een groene ruimte in de villawijk. Door de hoeken en de zijden te bebouwen is geprobeerd een duidelijke pleinruimte te creëren die echter opener van karakter is dan het zuidelijker gelegen Valeriusplein, de enige grote groene ruimte in het zuidelijke gedeelte. In het zuidelijke deel zijn de oost-west lopende straten 15 meter breed, even breed als in de Pijp.

Toch ogen zij opener door de zichtlijnen die hier niet stuiten op een knik en bovendien zijn de meeste straten hier beplant met bomen. De ervaring van de Lohmanstraat wordt sterk door de scheef gegroeide platanen bepaald. Voor deze hele buurt geldt dat de beplanting, gezien de overwegend geringe architectonische kwaliteit van de bebouwing, belangrijk bijdraagt aan de uitstraling.

Pijp en Amsteloevers De (oude) Pijp is het gebied dat wordt omsloten door de Singelgracht, de Boerenwetering, de Amstel en de Lutmastraat/Cornelis Trooststraat. Het gebied ten zuiden van de Lutmastraat (nieuwe Pijp) is later ontwikkeld als onderdeel van Plan Zuid van Berlage en blijft hier buiten beschouwing. De structuur en de opeenvolgende bebouwingsfasen van de Pijp en de Amsteloevers zijn sinds hun ontstaan weinig veranderd. Enkele grootschalige stadsvernieuwingsprojecten zijn binnen duidelijk omgrensde gebieden gerealiseerd (Heinekenplein, oude RAI-terrein). Vijf hoofdassen verbinden de wijk direct met de gebieden eromheen: oost-westrichting de Stadhouderskade en de Ceintuurbaan, in noord-zuid richting de Ferdinand Bolstraat, de Van Woustraat/Rijnstraat en de Amsteldijk. Stadhouderskade/Ruysdaelkade De Stadhouderskade is een deel van de ring langs de Singelgracht. In de bochten zijn de vroegere bolwerken te herkennen. De woonhuizen aan de Stadhouderskade behoren tot de vroegste bebouwing van de Pijp en bestaan zowel uit herenhuizen, etagewoningen als grotere wooncomplexen. Door verbouwingen en de vestiging van grote instituten (Rijksacademie, Geïllustreerde Pers) ontstond een grote afwisseling in hoogte en vormgeving, met enkele gave negentiende-eeuwse straatwanden.

De gebouwen, de boombeplanting, het uitzicht op het water met de bruggen en de soms hoogwaardige bebouwing aan de overzijde, geven de Stadhouderskade in potentie een hoge ruimtelijke kwaliteit, ondanks het drukke verkeer en parkeerstroken. De Ruysdaelkade, die grenst aan de Boerenwetering, heeft deels een minder statige uitstraling. De bebouwingstypologie sluit meer aan op die

van de Pijp. De boombeplanting en de bruggen zorgen voor een hoge belevingswaarde. Het plantsoen rond het voormalige Gemaal (1924) geeft de plek aan waar zich vroeger een overtoom en het polderhuis bevonden. Noordelijke Pijp De Noordelijke Pijp bestaat tot aan de Lutmastraat uit een raster van oost-west en noord-zuid lopende lange, op sommige punten geknikte straten. Het gedeelte dat volgens het eerste plan van Niftrik is bebouwd, de Frans Halsbuurt, is zeer regelmatig en werd, anders dan de rest van de Noordelijke Pijp, haaks op de slotenverkaveling gelegd. De loop van de brede Zaagmolensloot is nog te herkennen in de ligging van de brede Albert Cuypstraat en is bepalend voor de structuur van dit deel van de Pijp. Zo loopt de Gerard Doustraat over het voormalig Noordelijk Zaagmolenpad, de Govert Flinckstraat over het Zuidelijk Zaagmolenpad. De Ferdinand Bolstraat loopt als belangrijke noord-zuid ader door de Noordelijke Pijp, de knikken in de noord-zuid lopende Van Woustraat volgen de wendingen in de voormalige percelering van het landelijk gebied. Belangrijke secundaire noord-zuid verbindingen zijn de Frans Halsstraat die doorloopt in de Hercules Seghersstraat en de Dusartstraat, en de Van der Helstraat. Pleintjes zijn ontstaan op de plekken waar het regelmatige grid van Van Niftrik op de voormalige Zaagmolensloot (Gerard Doustraat) stuitte.

Omdat de Frans Halsbuurt als eerste ontwikkeld werd, is de afwisseling in hoogte van bebouwing het grootst. Naast 19

bebouwing van overwegend 3 en 4 lagen komt ook bebouwing van 2 lagen hoog voor. Vooral het gedeelte ten westen van de Ferdinand Bolstraat is goed bewaard gebleven, in het deel ten oosten daarvan heeft veel stadsvernieuwing plaats gevonden. De vormgeving van de woningbouw is typisch negentiende-eeuws. Bij iets rijker gedecoreerde panden, zoals die in de Frans Halsstraat, wordt de verticaliteit van de panden versterkt door over verschillende lagen doorlopende pilasters. Typerend zijn de scherpe hoekpanden op plekken waar het noordelijk grid stuit op de Gerard Doustraat. Opvallend in deze buurt zijn de vaak nog gaaf bewaard gebleven winkelpuien. De woonbebouwing in het overige gedeelte van de Noordelijke Pijp, dat zich uittrekt tot en met de Van Ostadestraat is vrijwel overal vier lagen hoog. De architectonische kwaliteit is in de lange doorlopende straten minder hoog. Tot de grotere gebouwen die architectonisch interessant zijn behoren de Synagoge, de Stadskredietbank en de Spijkerfabriek in de Gerard Doustraat, diverse schoolgebouwen, de Muziekbibliotheek in de Ferdinand Bolstraat en de Oranjekerk in de Van Ostadestraat. Een naoorlogse architectonische verbijzondering vormt het 'Afrikahuis' (hoek Van Ostadestraat, H. de Keijserstraat) een betonconstructie die in 1968 werd gebouwd als vervanging van Cuypers' Willibrorduskerk aan de Amsteldijk.

De straten in de Frans Halsbuurt maken een ruimere indruk dan de rest van de Pijp door de combinatie van bredere straten en een grotere afwisseling in bouwhoogte. Uitzonderingen zijn de Albert Cuypstraat op de plek van de voormalige Zaagmolensloot en de als rondweg ontworpen Ceintuurbaan. De stadsvernieuwing rond de Hercules 20

Seghersstraat heeft zich aan de bestaande verhoudingen aangepast. Van oorsprong kenden de straten in de Noordelijk Pijp, afgezien van het Sarphatipark, de Hemonylaan en de Ceintuurbaan, geen enkele beplanting. In de loop der jaren zijn wel bomen aangeplant, o.a. zeer beeldbepalend in de Frans Halsstraat, maar in het algemeen zijn de groenvoorzieningen schaars gebleven. Het Sarphatipark vormt voor veel straten die er op uit komen een groene afsluiting. De ruimtelijke ervaring van de lange rechte straten is in de afgelopen jaren enigszins doorbroken door de verspringende parkeerhavens met boomaanplant en straatmeubilair als parkeermeters, glasbakken, fietsenrekken en rood-witte afsluitingspaaltjes. Meerhuizen Het oostelijk deel tussen de Ceintuurbaan en de Lutmastraat heeft een wat planloze, dorpse structuur, waarin we een buurtschap herkennen die later door de grote stad is opgeslokt. Een duidelijk grid ontbreekt, dwarsstraatjes zijn vanuit het gebruik ontstaan en de breedte van de straten varieert sterk. Door afbraak van grootschalige complexen konden stadsvernieuwingsprojecten worden verwezenlijkt aan de Servaes Noutsstraat en aan het Dora Tamanaplein. De Van Woustraat (een verkeersdoorbraak) en de Amsteldijk zijn de ontsluitingswegen van de buurt.

Het voormalige stadhuis van Ouder Amstel (en oud-gemeentearchief) vormt met het torentje een baken in de wijk en symboliseert het vroegere belang van deze nederzetting. De grote variatie in bouwhoogtes - van het polderhuisje op Rustenburgerstraat 8, de eenlaagse arbeiderswoningen van

A.L. van Gendt in de Lutma-, Robijn en Diamantstraat, tot de vierlaagse kopbebouwing aan de Van Woustraat - en het feit dat sommige panden nog op polderniveau staan verraden nog de ontstaansgeschiedenis van deze buurt. De variëteit is vergroot door de reeds genoemde stadsvernieuwing. Het voormalige Stadhuis (Amsteldijk, 1892) en de oude diamantfabriek van Asscher (Tolstraat, 1907) vormen belangrijk bakens in de wijk. Door de verschillende straatbreedten en bouwhoogten varieert het straatbeeld door de wijk heen. Beplanting met bomen komt in enkele straten voor, maar deze is in veel gevallen pas met de herprofilering en de komst van parkeerhavens aangebracht. Strook 1900 De Strook 1900 bestaat uit oost-west georiënteerde gesloten bouwblokken, waarbij de Ferdinand Bolstraat de hoofdader fungeert. De knikken in de noord-zuid lopende straten zijn te herleiden naar de eerste plannen van Lambrechtsen Van Ritthem en Berlage, die verder nooit zijn uitgevoerd. In dit deel wordt de loop van de straten op drie plaatsen onderbroken door de door Berlage in 1900 ontworpen pleinen die voor belangrijk afwisseling zorgen: het Cornelis Troostplein (een kruispunt van drukke straten), het Van der Helstplein (een rustig plein) en het Hendrik de Keyserplein (een speelplein). Zij markeren de overgang naar de zuidelijke Pijp, die onderdeel is van Plan Zuid van Berlage.

De bebouwing van Strook 1900 bestaat voornamelijk uit woningbouw van vier lagen en komt veelal overeen met een groot deel van de Noordelijke Pijp. Net als in het voormalige buurtschap Meerhuizen is de architectuur ook hier een sterk versoberde versie van de laat negentiende-eeuwse woningbouw. Af en toe kan binnen de

sober vormgegeven straatwanden een pand in Art Nouveau-stijl worden aangetroffen. Het Van der Helstplein is door de verhouding tussen de hoge wanden en de smalle pleinruimte een intiem plein geworden, de beide overige pleinen zijn door hun grote omvang of hun functie open van karakter. Deze pleinen zijn vanaf het begin beplant met bomen. De beplanting in de straten is beperkt en vooral het gevolg van recente herinrichting. In de noord-zuid lopende verkeerswegen als Ferdinand Bolstraat, Van der Helststraat en Van Woustraat zijn geen bomen geplaatst. Amsteloevers De structuur van de Amsteloevers wordt tussen Singelgracht en Berlagebrug bepaald door de loop van de Amstel. Door het rechttrekken van de oevers bleef alleen de lichte knik ter hoogte van de Burmanstraat en de Van Ostadestraat over. De wegen op beide oevers vervullen verschillende functies. Op de Amsteldijk (vroeger Utrechtsezijde geheten) is de rijweg een belangrijke verkeersader met en enkele bomenrij, die in het noorden aansluit op de Stadhouderskade en in het zuiden op de Vrijheidslaan, beide belangrijke oost-west verbindingen. De Weesperzijde is tegenwoordig een lokale straat die zich op verschillende punten vernauwt tot een fietspad met brede groenstroken en een dubbele bomenrij. Langs beide oevers zijn woonarken gelegen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12060260/1