CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2. Faunabeheerplan Damherten 2020-2026.pdf

Raadscommissie Mobiliteit, Luchtkwaliteit, Water (MLW) 1 juli 2021, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van het Faunabeheerplan Damherten in het Noord- en Zuid-Hollandse duingebied 2020-2026 (ZD2021-007618)34.999 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

de graasdruk van damherten te lezen: “Het is de vraag hoe lang de verschillende habitattypen nog kwalificeren, aangezien deze als gevolg van de hoge graasdruk aanzienlijk soortenarmer worden en/of kernsoorten verdwijnen.”44 Daarbij noemt het OBN-team H2190 ‘Vochtige duinvalleien’ expliciet als habitattype waar zorgen over zijn. Van de zogenaamde typische soorten, de graadmeters van de kwaliteit van de habitats, staat bijvoorbeeld de moeraswespenorchis sterk onder druk.

•

Vochtige duinvalleien Voor habitattype H2190 ‘Vochtige duinvalleien’ geldt een doelstelling tot uitbreiding in oppervlakte en verbetering van kwaliteit. De vraat door damherten frustreert ook hier de gewenste ontwikkeling bij herstelprojecten. In een recent OBN-advies valt over

Duinbossen Voor habitattype H2180 ‘Duinbossen’ geldt een doelstelling tot behoud van de oppervlakte en verbetering van kwaliteit. Overbegrazing leidt tot achteruitgang van de structuurvariatie van bossen en struwelen. Het OBN-deskundigenteam duin- en kustlandschap voorspelde in 2013 dat de structuur, met de graasdruk van dat moment, uiteindelijk alleen zou bestaan uit hoog opgaande boomsoorten zonder ondergroei van een kruid- en struiklaag en zonder de karakteristieke fauna die daarvan afhankelijk is.45 De Unie van Bosgroepen Midden-Nederland stelde in een inventarisatie vast dat er geen bosverjonging meer plaatsvindt.46 Een recente analyse van bureau Van der Goes & Groot.47 onderschrijft dit: de kruidlaag in de bossen is verdwenen en de onderste struiklaag ook. Tegelijkertijd wordt de wat hogere struiklaag (die wel overleeft onder de graasdruk) steeds hoger. Daarmee treedt een ‘dubbel effect’ op van het verdwijnen van structuur en is er sprake van een ontwikkeling naar een bos

42. 43. 44.

Oosterbaan e.a. 2019a Oosterbaan e.a. 2019b. Kooijman e.a. 2018.

45. 46. 47.

F A U N A B E H E E R P L A N D A M H E R T E N D U I N G E B I E D E N N O O R D - E N Z U I D - H O L L A N D 2 0 2 0 - 2026

•

van Haperen e.a. 2013. Delforterie 2015. Oosterbaan & Mourik 2020.

52

dat louter bestaat uit hoog opgaande bomen, zoals het OBN-team dat heeft geschetst. Dit staat op gespannen voet met de opgaven: op lange termijn zal de oppervlakte bos afnemen bij een hoge graasdruk (want er treedt geen verjonging op, maar wel sterfte), terwijl behoud de doelstelling is. Op korte termijn (en nu al zichtbaar) is er een afname van kwaliteit door verminderen van structuurvariatie, terwijl verbetering van de kwaliteit een doelstelling is. Het Natura 2000-beheerplan spreekt nadrukkelijke zorgen uit over de duurzame instandhouding van het duinbos als de invloed van damherten niet sterk afneemt.48

Effect op Habitatrichtlijndoelsoort Nauwe korfslak De nauwe korfslak is een Habitatrichtlijnsoort. In het aanwijzingsbesluit van het Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid staat het instandhoudingsdoel ‘behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie’. Het Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid is één van de gebieden die de grootste bijdrage levert aan het behoud van deze soort in Nederland, al is de exacte omvang van de populatie niet bekend. In algemene zin heeft begrazing een negatief effect op deze soort.49 Met de al benoemde effecten van damherten

op duindoornstruwelen en duinbossen lijkt de kwaliteit van het leefgebied voor de soort af te nemen. Stichting Anemoon, de onafhankelijke landelijke experts op het gebied van slakken, stelt daarover: “Door de begrazingsdruk van damherten is een savanneachtig landschap ontstaan, met grote gevolgen voor de vegetatiestructuur, vegetatiesamenstelling en de bodemstructuur. Deze veranderingen hebben geleid tot een zeer sterke afname van slakken in deze duinen, waaronder meerdere rode lijst soorten en de streng beschermde nauwe korfslak.”48 Verdere afname van de kwaliteit als gevolg van damhertenvraat is daarmee onwenselijk.

“Voor duingraslanden, duinheide, duindoornstruwelen, vochtige duinvalleien en duinbossen is schade door overbegrazing en betreding door damherten aangetoond.”

48. 49.

Provincie Noord-Holland 2017. Boesveld & Gmelig Meyling, 2018.

F A U N A B E H E E R P L A N D A M H E R T E N D U I N G E B I E D E N N O O R D - E N Z U I D - H O L L A N D 2 0 2 0 - 2026

53

5.2 EFFECT OP WETTELIJK BELANG ‘VOLKSGEZONDHEID EN OPENBARE VEILIGHEID’ In de periode 2014-2019 is het aantal aanrijdingen met damherten niet gedaald. In 2019 waren er zelfs meer aanrijdingen dan ooit: 62. Ook hebben er meerdere aanrijdingen tussen damherten en treinen plaatsgevonden en is het treinverkeer meerdere keren stilgelegd doordat damherten op of langs het spoor liepen.

FIGUUR 12: Aantal geregistreerde aanrijdingen met damherten 2010 t/m 2019.

Het gevaar van damherten voor de verkeersveiligheid Aanrijdingen met damherten zijn een groot risico voor de verkeersveiligheid. Dit geldt voor alle gemotoriseerd verkeer (auto’s, motorfietsen, brommers) en ook, maar in mindere mate, voor fietsers en treinverkeer. Een botsing met

“Het aantal aanrijdingen met damherten is (nog) niet gedaald”

FIGUUR 13: Maandtotalen van het aantal aanrijdingen met damherten 2014 t/m 2018.

een damhert resulteert in materiële schade, dierenleed en kans op letselschade. Ongelukken ontstaan ook doordat bestuurders plotseling afremmen (gevaar voor achteropkomend verkeer), afgeleid worden of proberen de dieren te ontwijken.

F A U N A B E H E E R P L A N D A M H E R T E N D U I N G E B I E D E N N O O R D - E N Z U I D - H O L L A N D 2 0 2 0 - 2026

Geregistreerde aanrijdingen Het aantal geregistreerde aanrijdingen is na een aanvankelijke dip van 30 stuks in 2015 geleidelijk weer toegenomen naar het niveau van circa 2010 (Figuur 12). Er is wel een ruimtelijke verschuiving

54

“Het aantal aanrijdingen heeft een hoge concentratie rondom de Zeeweg (N200).”

FIGUUR 14: Aantal aanrijdingen en locatie van 2018 t/m mei 2020.

geweest met een concentratie aan de Zeeweg (N200) (Figuur 14). In gebied B zijn de aanrijdingen beperkt na uitvoering van het maatregelenpakket (vooral plaatsing hekken rond de AWD) in de periode 2010-2016. Van de aangereden dieren waarvan het geslacht bekend is, was 94% mannelijk. Het gros van de aanrijdingen

vond plaats in de periode oktober tot en met maart (Figuur 13). Deze piek is gedrag gestuurd. In de periode van de bronst en de winter gaan vooral jonge mannen op zoek naar nieuwe gebieden om concurrentie te vermijden. Het gaat daarbij om voedsel en kans op voortplanting.

F A U N A B E H E E R P L A N D A M H E R T E N D U I N G E B I E D E N N O O R D - E N Z U I D - H O L L A N D 2 0 2 0 - 2026

55

Aanrijdingen op het spoor De spoorlijn Haarlem–Zandvoort doorsnijdt het leefgebied NPZK. In de afgelopen jaren hebben op het traject Overveen-Zandvoort meerdere aanrijdingen tussen treinen en damherten plaatsgevonden (Figuur 15), waardoor het treinverkeer enige tijd moest worden stilgelegd. Verder meldde het treinpersoneel vele malen damherten op en langs het spoor en zelfs op de perrons (Figuur 16). Damherten laten zich door lage hekken niet tegenhouden, daarom zijn de damhertkerende hekken rond de AWD 2.40 meter hoog.

FIGUUR 15: Aantal aanrijdingen van trein met damhert tussen Overveen en Zandvoort (bron: ProRail).

FIGUUR 16: Aantal meldingen door treinpersoneel van damherten op of langs het spoor tussen Overveen en Zandvoort (bron: ProRail).

F A U N A B E H E E R P L A N D A M H E R T E N D U I N G E B I E D E N N O O R D - E N Z U I D - H O L L A N D 2 0 2 0 - 2026

56

5.3 EFFECT OP WETTELIJK BELANG ‘ERNSTIGE SCHADE AAN GEWASSEN’ Na 2014 is er geen enkele schade aan gewassen (in deze regio vooral bloembollen) meer gemeld. De maatregelen - beheer in de bufferzones en op de landbouwpercelen en het plaatsen van hekken - zijn effectief gebleken. Noord-Holland

Zuid-Holland FIGUUR 17: S  chade aan gewassen door damherten in Noord-Holland.

FIGUUR 18: Schade aan gewassen door damherten in Zuid-Holland.

Definitie schade De provincies hebben in hun beleidsregels omschreven wat zij verstaan onder ‘belangrijke schade’: • Provincie Noord-Holland: Belangrijke schade: “door wettelijk beschermde diersoorten aangerichte landbouwschade aan landbouwgewassen die door of vanwege BIJ12-Faunazaken is getaxeerd op € 250,- of hoger per perceel waarop schade is aangericht”. • Provincie Zuid-Holland: In artikel 3.1 onder 1 (Beleidsregel uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland)

staat dat onder belangrijke schade aan gewassen wordt verstaan “de door in het wild levende diersoorten aangerichte schade aan landbouwgewassen welke op grond van de door BIJ12 gehanteerde taxatieregels getaxeerd wordt op € 250,- of meer per geval”.

Schade in de periode 2016-2020 In de afgelopen planperiode is bij BIJ12-Faunazaken geen aanvraag ingediend voor tegemoetkoming voor schade aan

F A U N A B E H E E R P L A N D A M H E R T E N D U I N G E B I E D E N N O O R D - E N Z U I D - H O L L A N D 2 0 2 0 - 2026

gewassen (in deze regio vooral bloembollen) en is er dus ook geen schade uitgekeerd. Het plaatsen van hekken rond de AWD sinds 2007 en afschot, met name in de bufferzones, zijn op dit punt effectief gebleken. De grote schades die in het verleden zijn opgetreden (Figuur 17 en Figuur 18)50 zijn in de voorgaande planperiode geheel voorkomen. Damherten betreden nog steeds de landbouwgronden en daarmee is het voorkomen van schade een blijvend aandachtspunt en blijft beheer nodig om schade te voorkomen.

57

5.4 EFFECT OP WETTELIJK BELANG ‘SCHADE EN OVERLAST’ Damherten zorgen voor schade aan begraafplaatsen en tuinen en ze veroorzaken overlast voor omwonenden.

Omwonenden (particulieren) ondervinden nog steeds overlast en schade door damherten. Deze schade bestaat onder andere uit vraat-, vertrappings- en graafschade in tuinen. Ook zijn er veel klachten over de aanwezigheid van dieren op (de berm van) wegen en in de stedelijke bebouwing, waar ze schade aanrichten aan particuliere eigendommen. De media maken herhaaldelijk melding van dit type schade, maar een formele registratie ontbreekt. Ook ontvangt de Politie Noord-Holland nog steeds regelmatig meldingen van damherten in bermen en tuinen. Soms leidt dit tot gevaarlijke situaties (Figuur 19). Bijvoorbeeld als een groepje damherten in paniek is geraakt door een hond. Damherten brengen ook schade toe aan begraafplaatsen in of nabij het leefgebied. Het gaat dan met name om schade die ontstaat door vertrapping, door betreding van grafperken en door vraat aan grafstukken en groen.

50.

BIJ12-Faunazaken

FIGUUR 19: Damherten in Zandvoort

F A U N A B E H E E R P L A N D A M H E R T E N D U I N G E B I E D E N N O O R D - E N Z U I D - H O L L A N D 2 0 2 0 - 2026

58

6.

ONDERBOUWING STREEFSTANDEN DAMHERTENPOPULATIE Het FBP 2015-2020 beschrijft de streefstanden van de damhertenpopulatie in de verschillende leefgebieden en een onderbouwing daarvan. Deze streefstanden en de onderbouwing blijven onveranderd van kracht. Het onderzoek met behulp van ‘exclosures’ dat is beschreven in paragraaf 4.3 zal ook inzicht verschaffen in de mate van natuurherstel in relatie tot de streefstand.

F A U N A B E H E E R P L A N D A M H E R T E N D U I N G E B I E D E N N O O R D - E N Z U I D - H O L L A N D 2 0 2 0 - 2026

59

6.

ONDERBOUWING STREEFSTANDEN DAMHERTENPOPULATIE

“In Duitsland worden damherten beheerd tot een“maatschappelijk aanvaardbare dichtheid.”

6.1 STUDIES NAAR POPULATIEOMVANG EN SCHADE In vrijwel alle Europese populaties damherten bepalen verschillende belangen en prioriteiten daarin de gewenste dichtheid. Die ligt meestal tussen de 7 en 20 dieren per 100 ha, met uitschieters naar 45-50 dieren per ha in zeer goede bosbiotopen.

Uit de klassieke Duitse literatuur blijkt dat damherten in de vrije natuur in hoge dichtheden kunnen voorkomen. Ueckermann en Hansen beschrijven zeer goede bosbiotopen met 45-50 stuks per 100 ha, gemengde zeer goede biotopen (50% veld) met circa 20 stuks per 100 ha en arme biotopen zonder veld met circa 8 stuks per 100 ha, zonder welzijnsproblemen voor de damherten. Overigens vond wel bijvoedering plaats in strenge winters. Hogere dichtheden komen wel voor in de natuur (tot 100 stuks per 100 ha, vergelijkbaar met de huidige dichtheid in de AWD), maar daarbij kan de ziekte miltvuur optreden en kan ook gewichtsafname plaatsvinden. In het verleden zag men bos, meer dan nu het geval is, als productie-

51. 52.

medium van hout. Schade (schillen, knoppenvraat en dergelijke) treedt volgens Ueckermann en Hansen bij genoemde dichtheden zeker op. Daarom benoemen zij een ‘maatschappelijk aanvaardbare damhertendichtheid’: een dichtheid waarbij anti-vraat- en beschadigingsmaatregelen vrij eenvoudig en effectief de optredende benadeling van de vegetatie kunnen tegengegaan. Hij ontwierp ook een biotoopafhankelijk dichtheidsrekenmodel. Gebieden die alleen uit bos bestaan kunnen in hun optiek tussen de 2 en 10 stuks per 100 ha bevatten en gemengde terreinen tussen de 4 en 14 stuks per 100 ha.51 Een Duitse studie uit 2002 komt uit op een maximaal maatschappelijk aanvaardbare dichtheid van 7 dam-

herten per 100 ha52, gezien de wintervoedselsituatie, bescherming van de houtproductie en natuurwaarden. Het onderzoek vond plaats in een gebied in Brandenburg/Duitsland van meer dan 10.000 km2, vrij eenzijdig open bosgebied: naaldhout op zandgrond, met ondergroei van grassen en adelaarsvaren - een relatief arm biotoop. Het voedselaanbod in de winter is de beperkende factor. De uitkomst van deze studie komt in grote lijnen overeen met de conclusies van Ueckermann en Hansen. In de AWD was de getelde dichtheid in april 2016 (nog voor het kalverseizoen) opgelopen tot ten minste 114 (getelde) dieren per 100 ha.

Ueckermann & Hansen 2002 Ahrens e.a. 2002.

F A U N A B E H E E R P L A N D A M H E R T E N D U I N G E B I E D E N N O O R D - E N Z U I D - H O L L A N D 2 0 2 0 - 2026

60

6.2 VERTALING NAAR STREEFSTANDEN PER LEEFGEBIED De streefstand in leefgebied NPZK is 200 damherten. In leefgebied AWD-BN is de streefstand 600-800 damherten. Beide gebieden zijn ongeveer even groot. Het verschil zit hem in het feit dat leefgebied AWD-BN meer mogelijkheden heeft voor het plaatsen van hekken, waardoor de populatie groter kan zijn zonder verhoogde risico’s voor verkeersveiligheid, gewassen of tuinen. Bij het bepalen van de streefstanden is de schadehistorie (in samenhang met de populatieontwikkeling) een belangrijk uitgangspunt geweest. Daarnaast is een inschatting gemaakt van het aantal damherten dat binnen het leefgebied goed kan leven, gezien de leefomstandigheden en omgevingskenmerken van dat gebied, zonder dat schade aan de natuur ontstaat.

Zandvoort, golfterrein). Daarom dient de streefstand ook lager te zijn. Zie ook de hierna aangehaalde historie van aanrijdingen rond de AWD, De Blink en Boswachterij Hollands Duin (de leefgebieden van de twee gebieden zijn ongeveer even groot en dus goed vergelijkbaar).

Leefgebied Nationaal Park Zuid-Kennemerland

De streefstand in de AWD-BN ligt op 600-800 getelde dieren (dichtheid 15-20 damherten per 100 ha). Dit was de stand rond de jaren 2006-2008. De situatie toen: • De schade en overlast waren acceptabel, zowel binnen het leefgebied als daarbuiten. • Er was een evenwicht tussen de recreatieve waarde van wild (zowel damhert als ree), biodiversiteit en een acceptabele schade en overlast buiten het leefgebied. Tot ongeveer 2004 was het aantal aanrijdingen rond dit leefgebied beperkt, daarna begon het jaarlijkse aantal aanrijdingen snel op te lopen. In 2006 werden al negentien aanrijdingen geregistreerd. In 2004 was de minimale populatie 367 damherten. Gezien deze gegevens ligt het meer voor de hand om de populatie van 2004 of iets eerder als referentie voor de streefstand te gebruiken (ongeveer 300 dieren). Omdat Waternet echter de afgelopen jaren hekken heeft geplaatst, kan de streefstand hoger zijn, in de verwachting dat door de hekken en het

De streefstand in het NPZK ligt op 200 getelde dieren (dichtheid 6 damherten per 100 ha). Dit was de stand rond het jaar 2010. De situatie toen: • Een beperkt aantal damherten verliet het leefgebied waardoor slechts enkele aanrijdingen plaatsvonden. • Er waren geen zichtbare negatieve effecten op de ecologie. • Bezoekers van het NPZK hadden de kans damherten te ontmoeten. De streefstand in het leefgebied NPZK ligt lager dan de streefstand binnen het leefgebied AWD-BN. Uitgangspunt in het beleid van het NPZK is nadrukkelijk om geen hekken te plaatsen (in tegenstelling tot het beleid van de gemeente Amsterdam voor de AWD). Dit onder andere vanuit landschappelijke, ecologische en pragmatische overwegingen: dit gebied heeft in verhouding een veel grotere grenslengte dan de AWD, zowel door de vorm als door de doorsnijdingen met infrastructuur (wegen, spoorlijnen, circuit

Leefgebied Amsterdamse Waterleidingduinen, De Blink en Boswachterij Noordwijk

F A U N A B E H E E R P L A N D A M H E R T E N D U I N G E B I E D E N N O O R D - E N Z U I D - H O L L A N D 2 0 2 0 - 2026

overige voorgenomen beheer de aanrijdingen bij de gekozen streefstand toch minimaal zullen zijn. Alterra (tegenwoordig Wageningen Environmental Research) heeft berekend dat in de AWD een gezonde populatie van circa 600 damherten duurzaam zonder concurrentie om voedsel moet kunnen leven op het natuurlijke voedselaanbod in de AWD. De berekening houdt op deze wijze ook rekening met dierenwelzijn. Doordat voedselschaarste niet zal optreden, zullen dieren ook minder geneigd zijn om om deze reden naar de omgeving te trekken. De methode berust op het schatten van het voedselaanbod in de nawinter, de energetische bottleneck voor de damhertpopulatie en de energiebehoefte van de herten.53 Een andere factor is de beheersbaarheid van een populatie. Hoe groter de populatie, hoe groter de aanwas en hoe meer afschot er ieder jaar zal moeten plaatsvinden om groei van de populatie te voorkomen. Op basis van bovenstaande factoren is de streefstand voor leefgebied AWD-BN 600 tot 800 getelde damherten. Met een geslachtsverhouding van ca 1:1 betekent dit een aanwas van 200 tot 400 per jaar. Als de streefstand is bereikt, bestaat er geen direct bezwaar meer tegen het toegankelijk maken van de natuurbrug tussen leefgebied NPZK en AWD-BN voor damherten.

Hiermee wordt vrije uitwisseling tussen de damhertenpopulatie tussen leefgebied NPZK en AWD-BN mogelijk en zal er sprake zijn van een effectieve populatie van in totaal circa 1000 (getelde) dieren.

Leefgebied Coepelduynen en Meijendel en Berkheide In leefgebieden CPC en M&B is op dit moment nog geen sprake van een populatie van damherten. Daarom is er voor deze leefgebieden nog geen gewenste stand of streefstand vastgesteld. Zodra er zich in dit gebiedsdeel een populatie ontwikkelt, zal een streefstand worden bepaald.

53.

Groot Bruinderink e.a. 2013.

61

6.3 EFFECT STREEFSTAND OP STAAT VAN INSTANDHOUDING Een ontheffing voor het beheer van damherten kan alleen worden verleend als dit geen afbreuk doet aan de instandhouding van de populatie van deze soort. Op landelijk niveau neemt het aantal damherten toe en de landelijke staat van instandhouding is gunstig. De barrières tussen het leefgebied NPZK en AWD-BN zorgen niet voor een volledige afsluiting waardoor er effectief sprake is van een streefstand van circa 800-1000 (getelde) dieren. Een populatie damherten wordt als levensvatbaar beschouwd als de omvang minimaal 50 exemplaren bevat. De streefstand ligt ruim boven dit minimale aantal. De conclusie is dat het voorgenomen beheer van de damherten geen afbreuk zal doen aan het streven de populatie van de soort in haar natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.

Voor het beheer van damherten kan alleen een ontheffing worden verleend als dit geen afbreuk doet aan het streven de populatie van de soort in haar natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Zie artikel 3.10, tweede lid juncto 3.8, vijfde lid, onder c, van de Wet natuurbescherming.

houding van de soort (het niveau waarop de staat van instandhouding moet worden beoordeeld) is gunstig, de soort is stabiel of neemt in omvang toe. Het damhert staat sinds 2009 niet meer op de Rode Lijst en wordt sindsdien niet meer in haar voortbestaan bedreigd.

Landelijke populatieontwikkeling

Effect van het voorgenomen beheer op de staat van instandhouding

Landelijk komen grote vrijlevende populaties damherten (vele honderden dieren) voor in de duingebieden van Kennemerland (NPZK, de AWD), Schouwen-Duiveland (Kop van Schouwen), de Veluwe en kleinere populaties in de Manteling van Walcheren, het Horsterwold, Friesland (Dokkum, Oranjewoud, en Kollumerwaard), Groningen (Lauwersmeergebied) en op de Utrechtse Heuvelrug. Vanuit deze natuurgebieden zwerven dieren regelmatig uit naar de omgeving. Op landelijk niveau nemen de aantallen toe en door vestiging in verschillende gebieden ontstaan steeds meer populaties. Er zijn in Nederland minimaal negen duurzame populaties. De landelijke staat van instand-

Om de invloed te bepalen van het voorgenomen beheer op de staat van instandhouding, is het nodig (artikel 1.1. Wnb) om vast te stellen wat het effect is van alle invloeden bij elkaar op de verspreiding en omvang van de populaties van de soort op het grondgebied, bedoeld in artikel 2 van de Habitatrichtlijn. De beoordeling vindt in dit geval plaats door het beschouwen van het effect van het voorgenomen beheer van de damhertenpopulatie in het beheergebied op de landelijke staat van instandhouding. Als het beheer geen bedreiging vormt voor de instandhouding van de populatie in het beheergebied, is er ook geen sprake

F A U N A B E H E E R P L A N D A M H E R T E N D U I N G E B I E D E N N O O R D - E N Z U I D - H O L L A N D 2 0 2 0 - 2026

van verslechtering van de landelijke staat van instandhouding. De streefstand in leefgebied NPZK is 200 (getelde) damherten. In leefgebied AWD-BN is de streefstand 600-800 (getelde) damherten. Beide gebieden zijn ongeveer even groot. Aannemelijk is dat er genetische uitwisseling plaatsvindt tussen de gebieden. De populatie is weliswaar opgesplitst in twee deelpopulaties die in hoge mate gescheiden zijn door barrières, maar die barrières zorgen niet voor een volledige afsluiting. Er zijn zowel in het verleden als recent waarnemingen van uitwisseling van damherten tussen beide deelpopulaties gedaan. Effectief is er dus sprake van een streefstand van circa 800-1000 (getelde) dieren. De minimale omvang van een levensvatbare populatie damherten wordt geschat op 50 exemplaren.54 Groot Bruinderink en Lammertsma hebben uitspraken gedaan over het beheer van damherten in de Manteling van Walcheren. Zij stellen dat vanuit de gewenste genetische variatie bij een geslachtsverhouding van 1:1 een damhertpopulatie van 50 exemplaren voldoende groot is. De streefstanden in het beheergebied liggen ruim boven dit minimale aantal.

Bovendien zal bij het beheer zo goed mogelijk rekening worden gehouden met de populatiedynamiek (waarvan het openen van de natuurbrug tussen het NPZK en de AWD een maatregel is, doordat het de genetische uitwisseling vergroot) en zal beheer geen negatieve invloed hebben op de verspreiding van de soort op het grondgebied van Nederland. De conclusie is dat het voorgenomen beheer van de damherten geen afbreuk zal doen aan het streven de populatie van de soort in haar natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.

54.

Soule & Wilcox 1980, Groot Bruinderink & Lammertsma 2001, van den Brink & Dekker 2019. 62

7.

BEHEERSCENARIO’S

In dit hoofdstuk worden de verschillend beheerscenario’s beschreven die zullen leiden tot het behalen van de streefstand.’

Damherten langs het hek in de AWD

F A U N A B E H E E R P L A N D A M H E R T E N D U I N G E B I E D E N N O O R D - E N Z U I D - H O L L A N D 2 0 2 0 - 2026

63

7.

BEHEERSCENARIO’S

7.1 BEHEER TOT HET BEHALEN VAN DE STREEFSTANDEN Voortzetting van het beheer met dezelfde intensiteit zoals in de afgelopen beheerperiode betekent dat het nog een aantal jaar duurt voordat de streefstanden zijn bereikt. Gezien de schade aan de belangen natuur en verkeer bestaat er een sterke voorkeur voor een intensivering van de beheerinspanning, met als doel de streefstanden eerder te behalen en de belangen veilig te stellen. Voorkeursscenario is het realiseren van de streefstanden in de leefgebieden NPZK en AWD-BN in de periode tot en met 2022. Wageningen Environmental Research heeft met behulp van een geavanceerd computermodel een indicatie gegeven over hoe groot het afschot moet zijn om de streefstanden binnen die periode te realiseren.

Modellering populatieontwikkeling Voor dit beheerplan heeft Wageningen Environmental Research (WEnR) de populatieontwikkeling van de damherten geanalyseerd en mogelijke beheerscenario’s gekwantificeerd. Daarvoor heeft WEnR van de populaties in de leefgebieden AWD-BN en NPZK een model gebouwd. Voor uitgebreide details daarover en de uitkomsten van de verschillende beheervarianten verwijzen we naar de rapportage van WEnR. We

leggen hier kort uit hoe het model is opgebouwd en hoe er mee is gewerkt en presenteren alleen de meest waarschijnlijk geachte uitkomsten. Het model wordt gevoed met gegevens die werkelijk zijn gemeten in de populatie. Dat zijn vooral gegevens uit de AWD-populatie, maar er is weinig reden om aan te nemen dat populatiegegevens in het NPZK daarvan significant afwijken. Juist door de uitvoering van het beheer zijn

F A U N A B E H E E R P L A N D A M H E R T E N D U I N G E B I E D E N N O O R D - E N Z U I D - H O L L A N D 2 0 2 0 - 2026

inmiddels veel details bekend over de populaties. Ontbrekende gegevens zijn aangevuld op basis van wetenschappelijke literatuur. Gegevens uit de populaties zijn niet als één vast getal opgenomen, maar er wordt gewerkt met zogenaamde kansverdelingen. Het model houdt daardoor rekening met onzekerheden in zowel de huidige populatieomvang en -structuur en de verschillende parameters

64

zoals overlevingskansen en reproductie. Het model berekent uiteindelijk een populatie met daarin een verdeling naar leeftijdscategorie zowel voor de mannelijke, als voor de vrouwelijke dieren. Op basis van de berekende populaties heeft WEnR aangegeven welk afschot nodig zou zijn om een streefstand te bereiken in 2 of 6 jaar (de looptijd van dit beheerplan). De berekening geeft met een bandbreedte de meest waarschijnlijke uitkomsten op grond van populatieontwikkelingen in de afgelopen jaren. In werkelijkheid kunnen kleine variaties optreden in populatieparameters zoals sterfte en geboorte. Verder kan er bij de uitvoering van het beheer gevarieerd worden in de verhoudingen tussen de verschillende leeftijdsklassen en geslachten. De hier gepresenteerde afschotcijfers moeten dus gezien worden als een betrouwbare indicatie van het benodigde afschot bij verschillende scenario’s. Veel gegevens van de populaties zijn bekend, maar uitgebreide kennis over welk percentage van de werkelijke populatie wordt waargenomen bij de jaarlijkse tellingen ontbreekt (zie ook 3.4). In het model is dit uitgedrukt als de trefkans op het zien van een dier tijdens de telling (Pobs). Omdat deze niet goed bekend is zijn verschillende scenario’s berekend voor verschillende trefkansen (trefkans van 90%, 75%, 60% en 50%).

Dat geeft veel mogelijke uitkomsten, maar in dit beheerplan presenteren we alleen de meest waarschijnlijk geachte uitkomsten. Voor de AWD zijn goede aanwijzingen dat circa 75% van de werkelijke populatie wordt geteld.55 In dit beheerplan geven we daarom voor de populatie in het leefgebied AWD-BN

55. 56.

de resultaten van de scenario’s, waarbij een observatiekans van 75% is aangehouden. Voor de populatie in het leefgebied NPZK is de observatiekans minder duidelijk. Door de onoverzichtelijkheid van het terrein en de geringere ontsluiting door paden is die naar alle waarschijnlijkheid lager dan in de AWD. Voor het NPZK worden daarom de resultaten weergegeven die horen bij een ‘60% observatiekans’.

Bij de berekening van de verschillende beheerscenario’s is de populatieomvang in 2020 het uitgangspunt. Vanwege de coronamaatregelen is de telling in 2020 iets anders uitgevoerd dan andere jaren en was niet op tijd duidelijk of deze telling kwalitatief goed genoeg zou zijn.56 Daarom is gerekend met een modelmatig berekende populatieomvang 2020, op basis van voorgaande jaren.

Medio januari 2020 zijn alle herten geteld met inzet van een vliegtuig uitgerust met lasermeetapparatuur en fotocamera. Vergelijking van deze gegevens met tellingen uit 2020 en 2019 leidt tot de conclusie dat circa 75% van de werkelijke populatie is geteld. Zie voor een uitgebreide toelichting Telrapportage damherten duingebieden Noord- en Zuid-Holland 2020.

F A U N A B E H E E R P L A N D A M H E R T E N D U I N G E B I E D E N N O O R D - E N Z U I D - H O L L A N D 2 0 2 0 - 2026

65

SCENARIO 0: Niet verder ingrijpen

SCENARIO 1: Beheer naar de streefstand uiterlijk 2026

Bij het beëindigen van het populatiebeheer zullen de populaties in de AWD-BN en NPZK weer exponentieel gaan groeien. Volgens de modelberekening zal de populatie in de AWD-BN na 5 jaar ruim boven de 7000 dieren uitkomen en die in het NPZK boven de 1700. Niet verder ingrijpen in de damhertpopulatie zal de negatieve effecten die uitgebreid zijn beschreven in dit beheerplan weer vergroten. Dit scenario wordt daarom niet gezien als een reële optie. Het schetst slechts de ontwikkeling bij het achterwege blijven van actief beheer.

In dit scenario wordt de volle looptijd van dit beheerplan benut voor het realiseren van de streefstanden. Het jaarlijks aantal te schieten dieren is dan relatief gering, maar in totaal wel meer als gevolg van de jaarlijkse aanwas. Figuur 20 en Figuur 21 geven de indicatie voor de omvang van het jaarlijks afschot in twee beheervarianten: • Mannelijke en vrouwelijke dieren worden in gelijke verhouding geschoten. • Afschot bevat 75% vrouwelijke dieren.

Dit laatste scenario remt de jaarlijkse toename meer, dus de te schieten aantallen kunnen lager zijn. Gezien de nog steeds toenemende schade aan natuurwaarden en blijvend hoog aantal aanrijdingen heeft ook dit scenario niet de voorkeur.

NPZK

AWD-BN

FIGUUR 20: Afschotaantallen NPZK bij een aangenomen observatiekans van 60% in twee beheervarianten voor het scenario om de streefstand in 2026 te behalen.

FIGUUR 21: Afschotaantallen AWD-BN bij een aangenomen observatiekans van 75% in twee beheervarianten voor het scenario om de streefstand in 2026 te behalen.

F A U N A B E H E E R P L A N D A M H E R T E N D U I N G E B I E D E N N O O R D - E N Z U I D - H O L L A N D 2 0 2 0 - 2026

66

SCENARIO 2: Beheer naar de streefstand uiterlijk 2022 Gezien de eerder toegenomen dan afgenomen schade aan de belangen natuur en verkeer heeft dit scenario een sterke voorkeur. Het vereist echter een flinke verhoging van de jaarlijkse beheerinspanning. Het volgens het model benodigde afschot is vooral in het seizoen 2020/21 bijna even hoog als dat in de afgelopen jaren. Door de kleiner wordende populatie zal het echter meer tijd kosten dit te realiseren. Door

de elders in dit beheerplan beschreven gewenste wijziging van de ontheffing en vergunning ontstaat daarvoor ruimte. In Figuur 22 is te zien dat voor dit scenario in het leefgebied AWD-BN in het seizoen 2020/21 circa 1700 herten geschoten moeten worden en in het laatste seizoen ongeveer 800 tot 900 afhankelijk van de wijze van uitvoering (meer of minder vrouwelijke dieren in het afschot).

NPZK

FIGUUR 22: Afschotaantallen NPZK bij een aangenomen observatiekans van 60% in twee beheervarianten voor het scenario om de streefstand in 2022 te behalen.

Voor het leefgebied NPZK staan de aantallen in Figuur 23. Uiteraard is het te realiseren afschot sterk afhankelijk van de in te schatten trefkans tijdens de tellingen (hoeveel procent is geteld). Bij een trefkans van 60% zijn de aantallen ruim 400 in het eerste seizoen en nog eens ruim 200 in het laatste seizoen.

AWD-BN

FIGUUR 23: Afschotaantallen AWD-BN bij een aangenomen observatiekans van 75% in twee beheervarianten voor het scenario om de streefstand in 2022 te behalen.

F A U N A B E H E E R P L A N D A M H E R T E N D U I N G E B I E D E N N O O R D - E N Z U I D - H O L L A N D 2 0 2 0 - 2026

67

7.2 BEHEER NA HET BEHALEN VAN DE STREEFSTAND Een berekening met een geavanceerd computermodel geeft een indicatie over hoe groot het afschot moet zijn om de populatie op de streefstand te houden, als die eenmaal is gerealiseerd, namelijk ongeveer 470 dieren per jaar.

“Na het behalen van de streefstand moet er in de AWD-BN circa 400 en in het NPZK circa 70 dieren per jaar geschoten worden, om de streefstand te behouden.”

Na het behalen van de streefstanden is het jaarlijkse afschot gericht op het in stand houden van die streefstand. Jaarlijks zal dus een aantal dieren geschoten worden gelijk aan de aanwas met een min of meer gelijke verdeling over de herten en hinden. Onder natuurlijke omstandigheden is de sterfte het hoogste in de jongste leeftijdsklasse. Bij voorkeur zal bij het beheer daarop ook de focus liggen. De precieze waarden voor het te realiseren afschot zijn weinig zinvol om te geven, omdat ze sterk afhankelijk zijn van de demografische opbouw van de populatie op dat moment en de leeftijdsklasse waarin wordt geschoten. Wel kunnen we een ruwe indicatie geven. Op basis van het resultaat van de jaarlijkse tellingen zal het beheer meer in detail moeten worden ingevuld. Een getelde streefstand van ca 600-800 dieren in leefgebied AWD-BN betekent een werkelijke populatie van circa 1000 dieren als we weer uitgaan van 75% geteld ten opzichte van de werkelijkheid. Bij een geslachtsverhouding van circa 1:1 zullen jaarlijks circa 400 dieren geschoten moeten worden om de stand op dit peil te houden.Voor het NPZK gaan we uit van een geteld percentage van 60%. Dat betekent voor het in stand houden van de streefstand van 200 getelde dieren dat jaarlijks circa 70 dieren geschoten moeten worden.

F A U N A B E H E E R P L A N D A M H E R T E N D U I N G E B I E D E N N O O R D - E N Z U I D - H O L L A N D 2 0 2 0 - 2026

68

8.

ONDERZOCHTE ALTERNATIEVEN VOOR DE MAATREGELEN

Dit hoofdstuk geeft een beschrijving van de alternatieve maatregelen die genomen kunnen worden om de schade door damherten te reduceren. Er wordt beschreven of deze maatregelen toegepast kunnen worden en of ze al zijn toegepast.

Damhertkerend hek zoals dat langs een groot deel van de AWD te vinden is.

F A U N A B E H E E R P L A N D A M H E R T E N D U I N G E B I E D E N N O O R D - E N Z U I D - H O L L A N D 2 0 2 0 - 2026

69

8.

ONDERZOCHTE ALTERNATIEVEN VOOR DE MAATREGELEN

8.1 ALTERNATIEVE MAATREGELEN POPULATIEREDUCTIE Er is onderzoek verricht naar de mogelijkheden voor de reductie van de populatie door andere maatregelen dan afschot, zoals ‘verhuizen van damherten’, ‘vangen en doden in een vangkraal’, ‘anticonceptie toedienen’, of ‘roofdieren inzetten’. Deze maatregelen blijken ofwel niet toepasbaar ofwel niet te leiden tot de gewenste doelen. Anticonceptie

In 2013 is het vangen en verplaatsen van damherten uitgebreid onderzocht. De conclusie was dat dit geen haalbare optie is. Het vergt een grote inspanning om dieren te vangen, wat leidt tot verstoring van natuur-

waarden en stress onder de dieren. Gebieden om de dieren weer uit te zetten blijken niet in de nabij omgeving aanwezig. Dat betekent dat na een verplichte periode van quarantaine lange diertransporten zouden volgen. Dit is vanuit het oogpunt van dierenwelzijn ongewenst. Ook ver van huis kon slechts een te beperkt aantal dieren worden uitgezet. In 2015 is de optie opnieuw onderzocht op verzoek van de wethouder van Amsterdam, maar de uitkomst was hetzelfde. Ook in Oostvaardersplassen is in 2018 nog onderzoek verricht naar de mogelijkheid in dit geval edelherten te vangen en verplaatsen. Dit is ook als nauwelijks uitvoerbaar beoordeeld.58 Het oordeel van een ervaren dierenarts op dit gebied luidt “verplaatsing van grote groepen herten is noch gewenst noch realistisch”59

57. 58.

59. 60.

In het voorgaande beheerplan is uitgebreid stilgestaan bij mogelijke andere bevredigende oplossingen voor reductie van de populatie damherten, anders dan door afschot. Dit komt overeen met de eisen in de Wet natuurbescherming en de maatschappelijke wens. In de evaluatie57 is hier opnieuw naar gekeken op basis van recent beschikbare kennis en inzichten. De conclusie is dat van alle methoden gericht op reductie van de populatie, op dit moment, afschot als enige optie over blijft.

Verhuizen

Groot Bruinderink & Schoon 2020 Externe begeleidingscommissie beheer Oostvaardersplassen 2018

In het verleden zijn quick-scans uitgevoerd naar het toepassen van anticonceptie.60 Anticonceptie kan een waardevolle methode zijn om hoefdierpopulaties te beheren. Maar het is afhankelijk van onder meer het doel, het gebied, de populatiegrootte en het beschikbare budget, om te bepalen of het in een betreffende situatie een zinvol beheermiddel is. Want het moet wel praktisch uitvoerbaar zijn. En dat is het in het geval van het duingebied niet, want een relatief groot deel van de dieren moet behandeld worden, en daarvoor individueel herkenbaar zijn en het moet elk jaar herhaald worden. Het gaat in het duingebied om te veel dieren, die lang niet allemaal zichtbaar zijn. Daarbij is het gebied te uitgestrekt en dat levert een te groot aantal onzekerheden op. Diverse onderzoeken onderschrijven de conclusie dat

Linthorst 2019 Kuiper & van Wieren 2010, Lammertsma & Jansman 2016

F A U N A B E H E E R P L A N D A M H E R T E N D U I N G E B I E D E N N O O R D - E N Z U I D - H O L L A N D 2 0 2 0 - 2026

70

onvoldoende onderzocht zijn. Afhankelijk van het beheer, het doel en de soort- en gebiedsspecifieke populatiegegevens, moet 50-90% (!) van de vruchtbare vrouwtjes in een populatie behandeld worden om de populatie te stabiliseren of te reduceren. In geschikte situaties, bijvoorbeeld in gesloten rasters, kan men een populatie eerst met lethale methoden reduceren en vervolgens door middel van anticonceptie op het gewenste aantal houden.

anticonceptie geen haalbare methode is om een hertenpopulatie te reduceren. •

•

61. 62.

 e Commissie Van Geel heeft in haar rapport voor D Provinciale Staten van Flevoland voorgesteld om de edelhertenpopulatie in de Oostvaardersplassen terug te brengen van 2300 tot 490 dieren in het eerste jaar (2018-2019) om daarna uit te gaan van een vaste najaarspopulatie van 660 stuks.61 Ook daar kwam nadrukkelijk de vraag boven of dit kon door middel van anticonceptie in plaats van dieren weg te vangen of te beheren. In de duingebieden van Noord- en Zuid-Holland spelen vergelijkbare vragen met betrekking tot de populatie damherten. Dit is verder onderzocht door de Universiteit Utrecht, in opdracht van de provincie Flevoland.62 De conclusie was ook hier dat praktische toepassing niet mogelijk was. Het vereist bijvoorbeeld dat dieren gevangen worden en individueel herkenbaar zijn, dan wel blijven. E  en quick-scan van de beschikbare literatuur naar specifieke anticonceptie, hun werking en toepassing, laat zien dat het geboortecijfer van verschillende soorten hoefdieren significant vermindert door de toediening van twee typen vaccins.63 De eenvoudigste vormen van deze vaccins zijn gedurende één jaar effectief. Andere vereisen daarnaast tweemalige toediening in het eerste jaar. Er bestaan ook vormen van anticonceptie die met één injectie meerdere jaren anticonceptie bieden. Een nadeel van dit soort vaccins is dat ze het gedrag van behandelde dieren veranderen.

Langdurige behandeling kan bijvoorbeeld ook blijvende onvruchtbaarheid veroorzaken terwijl de langetermijneffecten

Externe begeleidingscommissie beheer Oostvaardersplassen 2018 Stout e.a. 2020

•

•

 r is nog een quick-scan gedaan naar anticonceptieE methoden bij hoefdieren in de natuur en de aspecten die een rol spelen bij de praktische toepassing daarvan.64 Anticonceptie omvat alle methoden om geboortebeperking te realiseren, waaronder de prikpil. Als anticonceptiemiddelen zijn beschikbaar hormonen, hormoonagonisten en immuno-anticonceptie. Hormonen zijn beproefd bij wilde hoefdieren, waarbij veel middelen overigens onvoldoende of niet werken bij hertachtigen. Sommige preparaten zijn wel werkzaam gebleken bij hoefdieren, maar worden vanwege welzijns- en milieuproblemen niet meer toegepast en onderzocht. Onderzoekers zijn van oordeel dat alleen immuno-anticonceptie vanuit ecologisch, ethologisch en milieuaspect in aanmerking lijkt te komen voor een veldproef, met als doel een rendabele methode die praktisch uitvoerbaar is en het juiste effect heeft zonder ongewenste bijeffecten. In nog een andere verkenning naar de mogelijkheid van toepassing van anticonceptie op grote populaties wilde hoefdieren in gebieden van enkele duizenden ha groot stelt een ervaren dierenarts dat in dit soort

63. 64.

Kuiper & van Wieren 2010 Lammertsma & Jansman 2016

F A U N A B E H E E R P L A N D A M H E R T E N D U I N G E B I E D E N N O O R D - E N Z U I D - H O L L A N D 2 0 2 0 - 2026

omstandigheden anticonceptie middels injectie niet haalbaar en zelfs onzinnig is.65 Hij stelt daarbij ook dat het toedienen van de prikpil door grote aantallen dieren in een kraal te drijven op grote weerstand zal stuiten onder dierenartsen vanwege de hoge stressfactor bij de dieren. Bij de andere wijze van injecteren van het anticonceptiemiddel, het zogenaamde darten, wordt een dier geïnjecteerd op afstand (25 - 40 m) met behulp van een verdovingsgeweer. Dit vergt grote expertise, individueel herkenbare dieren, dient elk jaar herhaald te worden en is niet uitvoerbaar bij populaties met een omvang in het plangebied van dit faunabeheerplan.

Introductie natuurlijke vijanden Lynx en wolf zijn natuurlijke vijanden van het damhert. Alterra66 heeft de mogelijkheden onderzocht om deze soorten te introduceren in de AWD. Conclusie is dat het gebied te klein is voor een duurzame populatie wolven of lynxen. Ook leidt de aanwezigheid van wolven en/of lynxen tot ongewenste effecten in de omgeving en voor bezoekers in de AWD.

Vangkraal In theorie bestaat de mogelijkheid om in een strenge winter de damherten bij te voeren in een vangkraal (hekwerk) en ze daarin te vangen en te doden. Strenge winters komen zeker in de kustregio nog maar zelden voor. Bovendien is de verwachting onder terreinbeherende organisaties, dat hiervoor weinig maatschappelijk draagvlak zal zijn. Verder is het zo dat huidige Wet natuurbescherming (Artikel 3.33, lid 2, Wnb) dit verbiedt en geen ontheffing toestaat op dit verbod.

65. 66.

Linthorst 2019 Groot Bruinderink et al. 2007

71

8.2 ALTERNATIEVE MAATREGELEN TEN BEHOEVE VAN BELANG VERKEERSVEILIGHEID Voor het verminderen van de schade door aanrijdingen met damherten zijn verschillende maatregelen denkbaar, zoals het plaatsen van (nog meer) hekken, faunapassages, wildspiegels en reflectoren, geurgordijn, statische of dynamische waarschuwingsborden, maaien van bermen en verlagen van de rijsnelheid. De mogelijkheden van deze maatregelen zijn op dit moment al optimaal benut, of ze zijn om diversen redenen niet geschikt.

“Alternatieven voor afschot zijn niet toepasbaar of zullen niet tot de gewenste doelen leiden.”

Hekken Hekken vormen fysieke barrières die verhinderen dat dieren de weg betreden. Wildroosters of elektrische matten hebben dezelfde functie, maar dan op plekken waar het hek onderbroken is, bijvoorbeeld door een zijweg, oprit of toegangsweg. Hekken worden in Nederland en Europa zeer frequent toegepast. Er is geen uitgebreid onderzoek gedaan naar de effectiviteit van deze maatregel, maar in de meeste gevallen is de ervaring dat ze effectiever zijn dan populatiereductie om te voorkomen dat dieren het leefgebied verlaten. Echt volledig effectief zijn hekken pas als ze de juiste dimensies hebben en een leefgebied helemaal afsluiten. De nadelen zijn evident: volledige afsluiting van leefgebieden leidt tot habitatversnippering en het geïsoleerd raken van populaties met verminderde genetische uitwisseling als gevolg en kunnen het landschapsbeeld aantasten. Onder terreinbeheerders en wegbeheerders lijkt overeenstemming over: •

 oepassing van hekken bij rijkswegen is in de T meeste situaties een geschikte maatregel.

67.

Uit onderzoek (Van der Grift, et al., 2019)

• • • •

 oepassing van hekken bij provinciale wegen is in T sommige situaties een geschikte maatregel. Toepassing van hekken bij lokale wegen is meestal geen geschikte maatregel. Te toepasbaarheid is met name afhankelijk van het aantal zijwegen en inritten. Totale afsluiting van een leefgebied met rasters is niet wenselijk.

Om de AWD zijn damhertkerende hekken geplaatst. Alleen de westzijde (zeereep) is niet helemaal afgesloten. Het plaatsen van nog meer hekken dan er nu al staan is niet wenselijk.

Hekken in combinatie met een faunapassage Hekken vormen fysieke barrières die verhinderen dat grotere wilde dieren zoals herten de weg betreden. De faunapassages zijn bedoeld om uitwisseling tussen (sub)populaties aan weerszijden van de weg mogelijk te maken. Het idee hierbij is ook dat dieren hierdoor minder de neiging hebben om onder, over of om het hek

F A U N A B E H E E R P L A N D A M H E R T E N D U I N G E B I E D E N N O O R D - E N Z U I D - H O L L A N D 2 0 2 0 - 2026

heen te gaan waardoor ze alsnog op de weg terechtkomen. Hekken in combinatie met een faunapassage worden in Nederland en Europa zeer frequent toegepast. Van der Grift e.a. (2017)67 onderzochten het effect van Natuurbrug Treekerwissel en de bijbehorende hekken langs de N227 op het aantal aangereden reeën. De aanleg van de hekken en het ecoduct resulteerden in een statistisch significante 90% reductie van het aantal aangereden reeën. Deze reductie werd echter voor een deel weer tenietgedaan door een toename in het aantal aanrijdingen net buiten de hekken. Buiten Nederland is er geen onderzoek gedaan naar de effectiviteit. In het plangebied zijn drie ecoducten gebouwd (zie Hoofdstuk 4). Het ecoduct tussen de AWD en het NPZK (De Zandpoort) is nog afgesloten voor damherten totdat de streefstand is bereikt.

Wildspiegels en reflectoren Wildspiegels en reflectoren weerkaatsen het licht van passerende voertuigen. Aangenomen wordt dat ze wild

72

attenderen op naderende voertuigen en daardoor afschrikken om op dat moment over te steken. Wildspiegels en reflectoren worden in Nederland en Europa zeer frequent toegepast. Er is zowel in Nederland als in het buitenland onderzoek gedaan naar de effectiviteit van deze maatregel, waaruit moet worden geconcludeerd dat de maatregel niet of zeer beperkt effectief is.68 In het plangebied zijn langs de meeste wegen wildspiegels of reflectoren geplaatst.

Chemische afweerstoffen Het geurgordijn (chemische afweerstoffen) wordt behandeld in de recente verkenning van BIJ12 over maatregelen ter voorkoming van aanrijdingen.69 Chemische afweerstoffen worden aangebracht als geurgordijn met de verwachting dat wild deze stoffen weerzinwekkend vindt en het gebied gaan mijden. Er is slechts zeer geringe gedocumenteerde ervaring met chemische middelen en de resultaten zijn niet bemoedigend.

naast geven zij aan dat een virtueel hekwerk ongeveer vijf jaar meegaat, frequente inspectie en onderhoud nodig heeft om het netwerk met paaltjes en sensoren in goede staat te houden en dat er regelmatig sensoren verdwijnen of worden vernield.

Statische waarschuwingsborden Waarschuwingsborden zijn erop gericht om bestuurders te attenderen op de aanwezigheid van overstekend wild, zodat ze langzamer en alerter rijden. De maatregel wordt zeer frequent toegepast maar over de effectiviteit is niets bekend. In de praktijk blijkt dat mensen hun rijgedrag slechts zeer beperkt aanpassen. Alleen in combinatie met snelheidscontroles kan een lagere rijsnelheid worden bewerkstelligd. Waarschuwingsborden voor overstekend wild zijn breed toegepast in het plangebied. Naast de bekende driehoekige verkeersborden zijn grote waarschuwingsborden geplaatst en langs de Zeeweg zijn ook matrixborden met waarschuwingen voor overstekend wild geplaatst.

Virtueel hekwerk Een virtueel hekwerk bestaat uit sensoren op (hectometer)paaltjes die geactiveerd worden door koplampen, en daarna een geluids- en lichtsignaal produceren. De aanname is dat dit herten attendeert op naderend verkeer en dat ze daardoor niet oversteken. Deze maatregel wordt in Nederland en Europa incidenteel toegepast. In Nederland wordt het systeem op het ogenblik op drie locaties getest. Over de effectiviteit is nog weinig bekend. Praktijkdeskundigen geven aan dat een virtueel hekwerk eenvoudig is te plaatsen, maar nabij bebouwing voor geluidsoverlast kan zorgen. Daar-

Dynamische waarschuwingsborden in combinatie met een faunadetectiesysteem

68. 69.

70.

Van der Grift e.a. 2019 Van der Grift e.a. 2019

Dynamische waarschuwingsborden zijn erop gericht om de bestuurder te attenderen op een bijzondere locatie, zoals een plek waar frequent dieren oversteken. Het bijzondere karakter van de borden (zoals knipperlichten of een indicatie van de rijsnelheid) moet de kans vergroten dat bestuurders hun rijgedrag (onder andere snelheid) aanpassen. Bij koppeling aan een faunadetectiesysteem zijn de waarschuwingsborden alleen actief als er een dier is gedetecteerd. De verwachting is dat dit de kans

vergroot dat bestuurders reageren op de waarschuwing. Deze maatregel wordt in Nederland incidenteel toegepast en in Europa frequent. In de provincie Overijssel is sinds 2011 op vier plekken bij provinciale wegen het signaleringssysteem ProWild ingezet, een dynamisch wildwaarschuwingssysteem van Traffic2000 bv, ter voorkoming van aanrijdingen met dieren. Het heeft een detectiesysteem dat wild detecteert als het op het punt staat over te steken. Dit detectiesysteem activeert verkeerssignaleringsborden die de bestuurders gebieden langzamer te gaan rijden. De resultaten bij de N346 in Diepenheim en bij de N757 bij De Horte zijn veelbelovend. Na aanleg van de signaleringssystemen in de jaren 2011-2012 was het aantal aanrijdingen met reeën op deze twee plekken nog maar ongeveer een kwart van het aantal in de jaren daarvoor. Op de andere twee plekken nam het aantal aanrijdingen minder sterk af, maar hier waren al weinig aanrijdingen voor de aanleg van de systemen. Diepenheim en De Horte waren ‘black spots’, die door het signaleringssysteem grotendeels zijn opgelost.70 In het buitenland is er geen onderzoek gedaan naar de effectiviteit van deze maatregel. Praktijkdeskundigen verwachten dat deze maatregel effectief is en geven verder aan: •

•

 aunadetectiesystemen kunnen populaties F fragmenteren omdat deze systemen vaak worden toegepast met hekken. Om een faunadetectiesysteem succesvol te laten zijn, moeten verkeersdeelnemers bereid zijn hun snelheid aan te passen.

Bron: provincie Overijssel

F A U N A B E H E E R P L A N D A M H E R T E N D U I N G E B I E D E N N O O R D - E N Z U I D - H O L L A N D 2 0 2 0 - 2026

73

•

•

 et is van groot belang dat een faunadetectiesysH teem geen valse signalen geeft, omdat hiermee de kans toeneemt dat automobilisten de signalering gaan negeren. Vanwege de relatief hoge kosten van faunadetectiesystemen is maatschappelijke acceptatie van belang.

Vergroten zicht bestuurder/ bermbeheer Bermbeheer is erop gericht om het zicht van de bestuurders te verbeteren, zodat ze wilde dieren eerder opmerken. Deze maatregel wordt in Nederland incidenteel en in Europa frequent toegepast. Er is echter geen onderzoek gedaan naar de effectiviteit. Bermbeheer is technisch vrij eenvoudig uit te voeren. Praktijkdeskundigen noemen deze maatregel vaak als een optie maar geven ook aan dat de maatregel contraproductief kan zijn omdat maaien ook leidt tot een aantrekkelijke voedselbron (licht verteerbaar eiwitrijk voedsel) en daardoor juist een aantrekkende werking kan hebben. Het structureel korthouden van het gras in de berm kan een negatief effect hebben op natuurwaarden (vlinders, insecten en andere kleine dieren) en de belevingswaarde.

frequent toegepast. Ooms (2010).71 stelt dat verlaging van de rijsnelheid van voertuigen een van de kansrijkste maatregelen is om aanrijdingen met dieren te voorkomen en de ernst van dergelijke aanrijdingen te beperken. Onderzoeksgegevens worden echter niet gepresenteerd. Verder is er geen onderzoek naar de effectiviteit gedaan. Praktijkdeskundigen zien dit als een effectieve maatregel als daarbij handhaving en/of een aangepaste weginrichting wordt doorgevoerd. Op delen van de Zeeweg (N200) is in de afgelopen planperiode de maximumsnelheid verlaagd van 80 naar 50 km per uur.

Verlaging van de stand door verhoogd afschot in de zones die grenzen aan de weg Door het verlagen van de populatiedichtheid direct rond de wegtrajecten waar veel dieren verkeersslachtoffer worden, is er minder kans op aanrijdingen. In beginsel kan deze maatregel goed werken bij dieren met een territoriaal systeem, zoals reeën.72 Damherten hebben echter geen territorium. In de bufferzones van de leefgebieden in de duinen worden wel gericht damherten afgeschoten waarvan vermoed wordt dat ze zich buiten de leefgebieden zouden kunnen gaan begeven, met name mannelijke dieren.

Verlagen rijsnelheid Het verlagen van de rijsnelheid verruimt het blikveld van de bestuurder, waardoor de kans op het tijdig zien van wilde dieren groter wordt en de stopafstand afneemt, zodat er meer tijd is om de dieren te ontwijken. Deze maatregel wordt in Nederland en Europa zeer

71. 72.

Uit onderzoek (Van der Grift, et al., 2019) Van der Grift e.a. 2019

F A U N A B E H E E R P L A N D A M H E R T E N D U I N G E B I E D E N N O O R D - E N Z U I D - H O L L A N D 2 0 2 0 - 2026

74

8.3 ALTERNATIEVE MAATREGELEN TEN BEHOEVE VAN BELANGEN LANDBOUWSCHADE EN OVERLAST Alternatieve maatregelen voor het voorkomen van landbouwschade en overlast zijn er wel, maar ze zijn hooguit een korte periode effectief en daarmee geen serieus alternatief.

De Handreiking Faunaschade en de Faunaschade preventiekit van het BIJ12-Faunazaken gaat uitputtend in op middelen om landbouwschade te verminderen. Denk aan vlaggen, flitslampen, knalapparaten, elektronische geluidsgolven, geurgordijn, aanbieden van alternatief voedsel, boommanchetten en hekken. De conclusie voor alle middelen is dat ze maar voor een korte periode effectief zijn, als ze al effectief zijn.73 Hekken vormen een gunstige uitzondering, maar zijn relatief duur, kunnen de bedrijfsvoering hinderen en zijn vanuit landschappelijk en ecologisch standpunt minder gewenst. Vanwege de kosten en andere nadelen kan het plaatsen van hekken niet altijd in redelijkheid worden gevraagd. Het geurgordijn (chemische afweerstoffen) zoals beschreven in paragraaf 8.2 is ook een alternatieve maatregel. Om overlast en schade aan eigendommen te voorkomen zouden in beginsel dezelfde maatregelen van toepassing kunnen zijn zoals hierboven beschreven voor landbouwschade. Toepassing daarvan stuit evenwel op dezelfde bezwaren, zeker in tuinen.

73.

Wel wordt op kleine schaal, namelijk in de bebouwde kom van Zandvoort, ‘verjaging’ toegepast. Enkele inwoners van Zandvoort drijven op vrijwillige basis in de vroege ochtend

damherten die in de loop van de nacht de bebouwde kom zijn ingelopen weer terug naar het leefgebied. De damherten komen echter bijna iedere nacht weer terug.

Groot Bruinderink e.a. 2007

F A U N A B E H E E R P L A N D A M H E R T E N D U I N G E B I E D E N N O O R D - E N Z U I D - H O L L A N D 2 0 2 0 - 2026

75

L I T E R AT U U R

F A U N A B E H E E R P L A N D A M H E R T E N D U I N G E B I E D E N N O O R D - E N Z U I D - H O L L A N D 2 0 2 0 - 2026

76

LITERATUUR Aggenbach, C.J.S., Clevers, S. & Krajenbrink, H. (2020). Evaluatie van effecten begrazing van damherten op duingraslanden in de Luchterduinen (KWR 2020.024). KWR Water Research Institute, Nieuwegein. Ahrens M., Dobias, K., Gleich, E., Hofmann, G. & Jenssen, M. (2002). Wildökologische Lebensraumbewertung in Brandenburg – wieviel Wild verträgt der Wald? Beiträge zur Jagd- und Wildforschung 27: 219-231. Aldershof, S. (2014). Effect van damhertbegrazing op nectar- en waardplanten in de Amsterdamse Waterleidingduinen. Hogeschool Vilentum, Dronten & Waternet, Amsterdam. Bekker, D.L. & Hollander H. (2015). Effecten van damherten op andere zoogdiersoorten in de Amsterdamse Waterleidingduinen (Rapport 2015.08). Bureau van de Zoogdiervereniging, Nijmegen. Boesveld, A. & Gmelig Meyling, A. (2018). Nauwe korfslak. Impressie effecten van begrazing. Stichting Anemoon, Bennekom. Verkregen van https://www.anemoon.org/projecten/natura2000/fotos/begrazing Breukelen, L. van & Schoon, R. (2003). Beëindiging van de beheersjacht op reeën in de Amsterdamse Waterleidingduinen: Effecten op de populatie. Gemeentewaterleidingen Amsterdam, Amsterdam. Brink, B.D.B. van den & Dekker, J.J.A. (2019). Damherten in Fryslân, verkenning en blik op de toekomst (20190105D). Boerema & van den Brink b.v., Houwerzijl. Casaer J., Adriaens, T. & Huysentruyt, F. (2015).

Advies over de verspreiding en de impact van het damhert in Vlaanderen. Instituut Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Dekker, J.J.A. (2016). Pilot Effectiviteit van Tupoleum tegen vraatschade door ree in grootfruitteelt (2016.01). Jasja Dekker Dierecologie, Arnhem. Delforterie, W. (2015). Bosbeheervisie Amsterdamse Waterleidingduinen 2016 – 2027 (15.30.10911). Bosgroep Midden-Nederland, Ede. Duncan, P., Tixier, H., Hofmann, R. R., & Lechner-Doll, M. (1998). Feeding strategies and the physiology of digestion in roe deer. In R. Andersen, P. Duncan, J.D.C. Linnell (red.). The European roe deer: the biology of success. Scandinavian University Press, Oslo.

Externe begeleidingscommissie beheer Oostvaardersplassen. (2018). Advies Beheer Oostvaardersplassen. Kaders voor provinciaal Beleid Provincie Flevoland. Faunabeheereenheid Zeeland. (2019). Aanvulling faunabeheerplan Zeeland 2015-2019: damherten Haringvreter. Focardi, S., Aragno, P., Montanaro, P., & Riga, F. (2006). Inter-specific competition from fallow deer Dama dama reduces habitat quality for the Italian roe deer Capreolus capreolus italicus. Ecography, 29(3), 407-417. Franklin, I.R., Soulé, M.E., & Wilcox, B.A. (1980). Conservation biology: an evolutionaryecological perspective. Sunderland, MA: Sinauer Associates. Glutz von Blotzheim, U. N., Bauer, K. M., & Bezzel, E. (1977). Handbuch der Vögel Mitteleuropas. Band 7. Charadriiformes (2. Teil). Akademische Verlagsgesellschaft, Wiesbaden. Gool, C.R. van (red.). (2016). Faunabeheerplan damherten in het Noord- en Zuid-Hollandse duingebied 2016-2020. Faunabeheereenheid Noord-Holland en Faunabeheereenheid Zuid-Holland. Grift, E.A. van der, van Bommel, F.P.J., Lammertsma, D.R. & Ottburg, F.G.W.A. (2019). De effectiviteit van maatregelen voor het reduceren van aanrijdingen met reeën. Een verkenning en advies voor een veldproef (Rapport 2936). Wageningen Environmental Research, Wageningen. Grift, E. van der, Seiler, A., Rosell, C., & Simeonova, V.S. (2017). Safe roads for wildlife and people. SAFEROAD Final Report.

CEDR Transnational Road Research Programme Call 2013: Roads and Wildlife. CEDR, Brussels. Groot Bruinderink, G.W.T.A. (2016). Damhert Dama dama. In: S. Broekhuizen, K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (red.). Atlas van de Nederlandse zoogdieren. Natuur van Nederland 12: 293-295. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Groot Bruinderink, G.W.T.A., & Lammertsma, D.R. (2001). Hoefdieren in de Manteling van Walcheren (Alterra-rapport; No. 390). Alterra, Wageningen.

F A U N A B E H E E R P L A N D A M H E R T E N D U I N G E B I E D E N N O O R D - E N Z U I D - H O L L A N D 2 0 2 0 - 2026

77

Groot Bruinderink, G.W.T.A., Lammertsma, D.R., Goedhart, P.W., Buist, W.G., Wegman, R.M.A., & Spek, G.J. (2010). Factoren bij aanrijdingen met wilde hoefdieren op de Veluwe (Alterra-rapport; No. 2026). Alterra, Wageningen. Groot Bruinderink, G.W.T.A., Lammertsma, D.R., & Kuiters, A.T. (2013). Hoeveel damherten en reeën kunnen leven in de Amsterdamse Waterleidingduinen op basis van het natuurlijk voedselaanbod? Alterra, Wageningen. Groot Bruinderink, G.W.T.A., Lammertsma, D.R., & Prins, H.H.T. (2007). Damherten in de Amsterdamse waterleidingduinen; effecten van beleid. (Alterra-rapport; No. 1553). Alterra, Wageningen. Groot Bruinderink, G.W.T.A. & R. Schoon. (2020). Evaluatie Faunabeheerplan Damhert Noord-Holland & Zuid-Holland, Periode 2014-2019. Faunabeheereenheid NoordHolland, Haarlem. Groot Bruinderink, G.W.T.A, Spek, G. J., van Schooten, P. C. H., Wamelink, G. W. W., & Lammertsma, D. R. (2004). Damherten en verkeersveiligheid rond de Amsterdamse Waterleidingduinen. Evaluatie van de telmethoden en adviezen voor toekomstig beheer (Alterra-rapport; No. 1070). Alterra, Wageningen. Haperen, A.M.M. van, Kooijman, A.M., Kuiters, A.T., Nijssen, M., Roon, J.A. van, Schotsman, N. & Slings, Q.L. (2013). Damherten in de Amsterdamse Waterleidingduinen. Hun invloed op het duinlandschap en de kwaliteit van enkele habitats.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10273424/1