Bijlage 2. Faunabeheerplan Damherten 2020-2026.pdf
Tekst van het document
27
Maatregelen na het bereiken van de streefstand: • Op streefstand houden van de populatie damherten. • Uitvoeren van de aanvullende maatregelen naar aanleiding van het onderzoek naar het verbeteren van de verkeersveiligheid langs de Zeeweg (N200). • Evalueren nut en noodzaak van hekken. • Onderzoeken van de wenselijkheid van meer ruimtelijke variatie in beheerintensiteit, inclusief de mogelijkheid van beheervrije zones. • Openstellen van de natuurbrug Zandpoort voor uitwisseling van damherten tussen leefgebieden NPZK en AWD-BN.
Wijze van uitvoering van het beheer De uitvoering gebeurt op de volgende wijze: • IJkpunt is de voorjaarstelling: De jaarlijkse voorjaarstelling in april is het ijkpunt voor de streefstand. • Z.s.m. realiseren van de streefstand: Het realiseren van de streefstanden gebeurt door het snel terugbrengen van de populatie. Dat gebeurt bij voorkeur in een periode van twee beheerseizoenen, met als doel de streefstand te bereiken in april 2022. • Bepalen jaarlijkse reductie: Een modelberekening geeft een indicatie voor de jaarlijkse reductie in de leefgebieden NPZK en AWDBN. In Hoofdstuk 7 wordt hier uitgebreid op ingegaan. Ieder jaar na de voorjaarstelling bepalen de faunabeheereenheden in overleg met experts opnieuw welk afschot in die beheerperiode nodig is. • Beheerperiode: Beheerafschot in de leefgebieden zal plaatsvinden in de periode 1 augustus tot en met 31 maart, met de mogelijkheid gedurende het gehele etmaal te beheren. Het beheerseizoen begint één maand eerder (Zuid-Holland) en drie maanden eerder (Noord-Holland) ten opzichte
Jaarlijks worden de damherten in het gehele leefgebied geteld
•
van de vorige beheerperiode en er geldt geen maximum afschot meer in Noord-Holland om de benodigde beheerinspanning mogelijk te maken. Dat zal de beheerders meer mogelijkheden bieden om hun beheerinspanning te variëren, bijvoorbeeld in relatie tot weersomstandigheden en bezoekersaantallen. Bij een kleinere populatie zal bovendien meer inspanning nodig zijn om de streefstand te behalen binnen de gestelde termijn. In de bufferzone en het nulstandgebied zal het hele jaarrond beheer plaatsvinden, met ook de mogelijkheid gedurende het gehele etmaal te beheren. Geluiddempers, nachtzichtapparatuur, rood licht en kunstlicht: Het gebruik van een geluiddemper beperkt de geluidsoverlast voor andere dieren en mensen. Het gebruik
F A U N A B E H E E R P L A N D A M H E R T E N D U I N G E B I E D E N N O O R D - E N Z U I D - H O L L A N D 2 0 2 0 - 2026
•
van geluiddempers voorkomt bovendien kwetsuren aan gehoor en schouder van de uitvoerder. Daarnaast draagt het bij aan het voorkomen van een negatieve associatie tussen gevaar en de aanwezigheid van mensen. Bij het beheer mag gebruikt gemaakt worden van nachtzichtapparatuur al dan niet aan het geweer. Er mag geen gebruik gemaakt worden van kunstlicht bij beheer in Natura 2000-gebieden, anders dan rood licht om verstoring te voorkomen. Buiten Natura 2000-gebieden mag wel gebruik gemaakt worden van kunstlicht. Afschot na bereiken van de streefstand: Als de streefstand is bereikt, geldt dat het afschot gelijk is aan de netto aanwas voor het komende jaar. Beheerders onderzoeken dan mogelijkheden en wenselijkheid voor het instellen van beheervrije zones.
28
3.4 MONITORING 2020-2026 Monitoring vindt plaats om de trend in de damhertenpopulatie te kunnen volgen en om inzicht te krijgen in het effect van het beheer op de schade aan de natuur, verkeer en landbouwbelangen.
Jaarlijkse trendtelling aantal damherten Vanaf 2011 organiseren de faunabeheereenheden ieder jaar een trendtelling (schemertelling) voor het gehele plangebied, overal volgens hetzelfde protocol. Binnen het leefgebied tellen de beheerders en daarbuiten wildbeheereenheden (WBE’s) en gemeentes. De trendtelling vindt plaats begin april en bestaat uit drie telrondes: de eerste ’s avonds rond zonsondergang, de tweede de volgende ochtend rond zonsopkomst en de derde diezelfde dag rond zonsondergang. De tellers doorkruisen met een auto of te voet het hen toebedeelde gebied via vastgelegde routes. Bij iedere telronde tekenen de tellers alle waargenomen dieren op een kaart in, met tijdstip van waarneming. Het eindtotaal is de som van alle waargenomen damherten per telgebied. Het hoogste resultaat van de drie telrondes wordt gebruikt als de minimaal aanwezige populatie (Minimum Number Alive). Het telresultaat is een onderschatting van het werkelijk aantal damherten, omdat niet het hele terrein kan worden overzien door bijvoorbeeld begroeiing. Het is nog niet goed bekend welk deel van het werkelijk aantal aanwezige herten met deze methode wordt geteld. De schemertelling wordt in Nederland voor hoefdieren algemeen gebruikt en beschouwd als ‘best practice’. In 2004 heeft Alterra (nu Wageningen Environmental Research)11 de schemertelling, zoals die toen al
11.
in de AWD werd uitgevoerd, geëvalueerd. De conclusie van deze evaluatie was dat de telmethode betrouwbaar is als trendtelling.
•
Monitoring natuur Op hoofdlijnen vinden er twee typen monitoring plaats: monitoring van de biodiversiteit van de gebieden en monitoring ten behoeve van Natura 2000-doelstellingen, waarvoor beheerders elke zes jaar rapporteren aan de provincie. Deze reguliere monitoring in het kader van (nationale) Netwerk Ecologische Monitoring (NEM) en/of Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL) en het Natura 2000-beheerplan Kennemerland-Zuid gebeurt voor het hele plangebied en wordt voortgezet. Monitoring biodiversiteit • N aast de Natura 2000-monitoring vindt uitgebreide monitoring plaats van bepaalde soortengroepen in de terreinen om daarmee een goed beeld te krijgen van de soortenrijkdom en ontwikkeling daarvan. Het gaat daarbij onder meer om: broedvogels, libellen, dag- en nachtvlinders, reptielen, amfibieën, paddenstoelen en flora. • Specifiek onderzoek naar de invloed van damherten richt zich op 16 ‘exclosures’ (samen circa 40 ha, afgerasterde stukken duin waar damherten niet in kunnen) in de AWD en enkele in het NPZK. Het onderzoek verge-
•
lijkt de ‘exclosures’ met referentieopnamen buiten de ‘exclosures’. N aast vegetatie en flora is er in het onderzoek met ‘exclosures’ veel aandacht voor fauna: kenmerkende soorten met een hoge indicatiewaarde voor de kwaliteit van het ecosysteem zoals duinparelmoervlinder, kleine parelmoervlinder, argusvlinder, zandhagedis, blauwvleugelsprinkhaan en knopsprietje. Daarnaast worden de dichtheden aan hommels, bijen en vliegen bepaald. Voor mieren is speciale aandacht vanwege hun rol aan de basis van het voedselweb. D e terreinbeheerders monitoren ook de ontwikkeling van de populatie reeën. De ree is een kieskeurige eter en heeft een divers voedselaanbod nodig. Bovendien is de soort gebaat bij een structuurrijk landschap. Deze soort kan daarom een aanwijzing leveren over natuurherstel. De telling van reeën gebeurt in het hele plangebied op dezelfde wijze.
Monitoring ten behoeve van Natura 2000: • M onitoring moet in beeld brengen in hoeverre het gebied voldoet aan de vastgestelde Natura 2000-doelstellingen ten aanzien van de oppervlakte en kwaliteit van de habitattypen en van specifieke soorten waarvoor de gebieden zijn aangewezen. De terreinbeheerders verzamelen
Groot Bruinderink e.a. 2004
F A U N A B E H E E R P L A N D A M H E R T E N D U I N G E B I E D E N N O O R D - E N Z U I D - H O L L A N D 2 0 2 0 - 2026
29
de benodigde informatie in het veld en laten de gegevens opslaan in de Nationale Databank Flora en Fauna. De analyse, beoordeling en rapportage van de gegevens vallen onder de verantwoordelijkheid van de provincies Noord-Holland en Zuid-Holland. De provincies rapporteren vervolgens de stand van zaken via het Interprovinciaal Overleg (koepelorganisatie van de twaalf provincies)/BIJ12 (uitvoeringsorganisatie voor de samenwerkende provincies) aan het ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is verantwoordelijk voor de periodieke algemene rapportages aan de Europese Commissie over de staat van instandhouding van de soorten en habitattypen op landelijk niveau.
Monitoring (dreigende) schade aan gewassen BIJ12-Faunazaken registreert de schadegevallen waarvoor grondgebruikers een tegemoetkoming aanvragen via de website https://mijnfaunazakenbij12.nl/. Het gaat hierbij alleen om landbouwschade. Het afschot in de nulstandgebieden en directe omgeving geeft een indicatie van dreigende schade voor de landbouw.
Inspringopening in het damhertkerend hek. Damherten kunnen van buiten het hek wel de AWD in springen, maar ze kunnen niet de AWD uit springen.
Monitoring afschot en openbare veiligheid •
Noord-Holland: De FBE Noord-Holland gebruikt het digitale registratiesysteem FRS (www.faunaregistratie.nl) voor registratie van afschot. Aanrijdingen, dood gevonden en uit het lijden verloste dieren worden geregistreerd via BRS (www.boaregistratie.nl), dit wordt automatisch toegevoegd in FRS. Meldingen van aanrijdingen komen binnen bij de meldkamer van de politie, die een lid van het valwildteam van Noord-Holland inschakelt.
•
Zuid-Holland: De FBE Zuid-Holland gebruikt het digitale registratiesysteem Dora (www.fbehz.nl) om het afschot, de aanrijdingen, de uit het lijden verloste dieren en de dood gevonden dieren te registreren. Meldingen van aanrijdingen komen binnen bij de meldkamer van de politie, die de coördinator van het valwildteam van Zuid-Holland inschakelt. Afhandeling en registratie van aanrijdingen vindt plaats in samenwerking met de politie en de desbetreffende Wildbeheereenheid.
F A U N A B E H E E R P L A N D A M H E R T E N D U I N G E B I E D E N N O O R D - E N Z U I D - H O L L A N D 2 0 2 0 - 2026
“In het plangebied vindt monitoring plaats van onder andere de populatie damherten, de biodiversiteit en Natura 2000-doelstellingen.”
30
3.5 NOODZAKELIJKE ONTHEFFING VAN DE WET NATUURBESCHERMING Om het beheerplan te kunnen uitvoeren is een ontheffing nodig van de Wet natuurbescherming.
De FBE Noord-Holland vraagt Gedeputeerde Staten van Noord-Holland goedkeuring te geven aan het beheerplan. Dit besluit tot goedkeuring wordt genomen in overeenstemming met Gedeputeerde Staten van
Zuid-Holland. Vervolgens vragen de FBE’s van Noorden Zuid-Holland ontheffing aan voor uitvoering van het beheer bij de Omgevingsdiensten van hun provincie. Zij vragen de volgende zaken te ontheffen:
KENMERK
OMSCHRIJVING
Te ontheffen artikelen
Wnb: artikel 3.10, lid 1, onder a, juncto artikel 3.17, lid 1, onder c Voor gehele plangebied: nulstandgebied en leefgebied (inclusief bufferzones):
Belangen
• • • •
Schade aan flora en fauna en instandhouding van natuurlijke habitats; Openbare veiligheid (verkeersveiligheid); Landbouwschade; Overige schade en overlast.
Onderbouwing
Faunabeheerplan damhert 2020 – 2026
Geldigheid
Geldigheidsduur van het faunabeheerplan tot en met einddatum in 2026
Beheerperiode
1 augustus t/m 31 maart en in bufferzones en nulstandgebied gehele jaar
Tijd
Etmaal
Middelen (toegestaan)
• Geweer; • Hond (t.b.v. opsporen gedode/gewonde dieren); • Geluiddemper; • Nachtzichtapparatuur al dan niet aan het geweer; • Kunstlicht, in Natura 2000-gebieden wordt geen kunstlicht ingezet dat niet rood is.
F A U N A B E H E E R P L A N D A M H E R T E N D U I N G E B I E D E N N O O R D - E N Z U I D - H O L L A N D 2 0 2 0 - 2026
Het voorkomen van onnodig lijden is al opgenomen in een actuele opdracht in Noord-Holland, deze opdracht geldt voor de hele provincie. In Zuid-Holland is het opgenomen in een aanwijzing in de zin van art. 67 van de toenmalige Flora- en faunawet, die op grond van art. 9.5 lid 6 Wnb is gelijk gesteld is aan een opdracht in de zin van artikel 3.18 Wet natuurbescherming.
31
DEEL II
ONDERBOUWING
F A U N A B E H E E R P L A N D A M H E R T E N D U I N G E B I E D E N N O O R D - E N Z U I D - H O L L A N D 2 0 2 0 - 2026
32
4.
EVALUATIE UITGEVOERDE MAATREGELEN 2016 - 2020
De basis voor dit hoofdstuk is het document ‘Evaluatie Faunabeheerplan Damhert NoordHolland & Zuid-Holland, periode 2014-2019’.12 De bevindingen hieruit zijn aangevuld met actuele cijfers en bevindingen.
Het ecoduct Zandpoort verbindt de AWD met het NPZK en overbrugt de Zandvoortselaan (N201). Zolang de streefstand nog niet is behaald, zal dit ecoduct afgesloten blijven voor damherten.
12.
Groot Bruinderink & Schoon 2020
F A U N A B E H E E R P L A N D A M H E R T E N D U I N G E B I E D E N N O O R D - E N Z U I D - H O L L A N D 2 0 2 0 - 2026
33
4.
EVALUATIE UITGEVOERDE MAATREGELEN 2016-2020
4.1 OVERZICHT UITGEVOERDE MAATREGELEN 2016-2020 De maatregelen uit het Faunabeheerplan 2016-2020 zijn allemaal uitgevoerd, maar de belangrijkste (beheerafschot binnen het leefgebied) is later (november 2016) gestart dan gepland vanwege lopende juridische procedures.
In het FBP 2016-2020 staat een aantal maatregelen, gericht op het realiseren van een stand van 1000 (getelde) damherten in april 2022, het verlagen van risico’s voor de verkeersveiligheid, het voorkomen van schade aan natuur en gewassen. Hieronder volgt de actuele situatie:
Deel van het 800 meter lange tijdelijk geplaatste hek langs de kust bij Zandvoort.
F A U N A B E H E E R P L A N D A M H E R T E N D U I N G E B I E D E N N O O R D - E N Z U I D - H O L L A N D 2 0 2 0 - 2026
34
V O O R G E N O M E N M A AT R E G E L ( FA U N A B E H E E R P L A N 2 0 1 6 - 2 0 2 0 )
U I TG E V O E R D I N
REDUCTIE AANTAL DAMHERTEN Realiseren natuurbrug Zeepoort.
2016-2020
Beheerafschot binnen het leefgebied ter regulering van de populatie.
2016-2020
VALWILD Uit het lijden verlossen van gewonde of zieke dieren.
2016-2020
WILDROOSTERS EN HEKKEN Handhaven en zo nodig aanpassen van bestaande wildroosters en hekken.
2016-2020
NATUUR(BEHEER- EN INRICHTINGS)MAATREGELEN Realiseren natuurbrug Zeepoort.
2017
Realiseren natuurbrug Duinpoort.
2018
Natuurbrug Zandpoort passeerbaar maken voor damherten.
Gerealiseerd in 2013 maar nog niet opengesteld voor damherten. Dit is afhankelijk van het bereiken van de streefstand aan beide zijden.
EXTRA UITGEVOERDE MAATREGEL Verlagen maximumsnelheid op delen van de Zeeweg (N200) en plaatsen waarschuwingsborden.
2016-2018
Uitrasteren delen waardevolle natuur (‘exclosures’) in de AWD.
2016-2020
Plaatsen van 800 m tijdelijk hek langs de westzijde (zeereep) van de AWD naar aanleiding van een burgerinitiatief in Zandvoort.
2019
F A U N A B E H E E R P L A N D A M H E R T E N D U I N G E B I E D E N N O O R D - E N Z U I D - H O L L A N D 2 0 2 0 - 2026
35
4.2 EVALUATIE REDUCTIE AANTAL DAMHERTEN De groei van het aantal damherten is niet alleen gestopt, maar ook omgezet in een daling. Het niet behalen van de streefstand binnen de periode van het vorige beheerplan komt vooral door een latere start van het beheer als gevolg van juridische procedures. Daardoor kon de populatie nog doorgroeien. Het was niet mogelijk om de hierdoor opgelopen achterstand op de planning in te halen in de voorgaande beheerperiode. Dit had te maken met een beperking in de vergunning die Noord-Holland had afgegeven in het kader van de toenmalige Natuurbeschermingswet (Natura 2000-vergunning) en met de weersomstandigheden in twee beheerperioden. Beheerresultaten In Figuur 7 is het gerealiseerde afschot per beheerseizoen te zien. Tijdens de beheerperiode 2016/2017 en 2017/2018 was de beheerinspanning voor reductie van
de populatie iets minder dan in de laatste seizoenen als gevolg van weersomstandigheden (bij sneeuw of vorst wordt niet beheerd) en de noodzakelijke inzet op reactief beheer (veel verzwakte dieren).
Valwild In Figuur 8 staan de aantallen valwild per gebied. Van valwild is sprake als een dier overlijdt, anders dan door planmatig beheer. Hiervan is sprake als het een dier ziek is, door een natuurlijke dood overlijdt of door niet natuurlijke oorzaak zoals bijvoorbeeld een aanrijding. De relatief hoge aantallen valwild in het seizoen 2016/17 komt voor een belangrijk deel op het conto van dode of sterk vermagerde dieren die uit hun lijden zijn verlost in de AWD. De op dat moment maximaal doorgegroeide populatie leidde in de winter tot relatief veel sterfte. Nadat het actief beheer goed op gang was gekomen is dergelijke sterfte niet meer voorgekomen. De overige aantallen valwild in deze grafiek worden gedomineerd door slachtoffers van aanrijdingen.
Effect van het beheer op de populatieomvang FIGUUR 7: Afschot aantallen in de vier leefgebieden (NPZK, AWD-BN, CPD en M&B), de bufferzones en de nulstandgebieden per beheerperiode.
F A U N A B E H E E R P L A N D A M H E R T E N D U I N G E B I E D E N N O O R D - E N Z U I D - H O L L A N D 2 0 2 0 - 2026
De populatie is in beide leefgebieden ongeveer evenveel gedaald, maar binnen de populaties is er een verschil (zie paragraaf 2.3). In leefgebied NPZK is sprake van een sterke daling van het aantal mannelijke herten, terwijl die in leefgebied AWD-BN dit juist blijft toenemen. Dit verschil is het gevolg van de noodzakelijke focus in het beheer. In het NPZK wordt relatief veel geschoten
36
in de bufferzone om te voorkomen dat damherten het leefgebied verlaten. Het gaat daarbij hoofdzakelijk om mannelijke dieren. In AWD-BN was bij de start van het beheer de populatie ruim vijf keer groter dan in het NPZK. Ook is in AWD-BN de totale beheeropgave iets groter (reductie van ruim 80% ten opzichte van 74% in NPZK). De focus in het beheer is daarom sterk gericht op vrouwelijke damherten om eerst de capaciteit van de reproductie (de groei) omlaag te brengen. Er is daarom in AWD-BN duidelijker sprake van een daling in het aantal hinden dan in het NPZK.
Resultaten leefgebied De streefstand is nog niet behaald in het leefgebied. Door juridische procedures in 2016 kon het beheer pas in november 2016 goed van start gaan en niet begin 2016 zoals beoogd in het beheerplan. De populatie heeft daardoor op haar hoogtepunt nog een extra seizoen door kunnen groeien. De opgave om tot realisering van de streefstand te komen is daardoor veel groter geworden dan was gepland. Het was niet mogelijk om het jaarlijks te realiseren afschot naar boven bij te stellen om de opgelopen achterstand in
te halen. De in Noord-Holland afgegeven vergunning in het kader van de toenmalige Natuurbeschermingswet (Natura 2000-vergunning) stond namelijk een groter afschot dan circa 100 dieren per week niet toe.
Resultaat nulstandgebied De streefstand in het nulstandsgebied is behaald als we het telresultaat bekijken. Jaarlijks worden nog steeds damherten aangetroffen, waaruit blijkt dat voorzetting van het beheer in de nulstandsgebieden en de bufferzone nodig blijft (wordt geïllustreerd door de afschotcijfers buiten het leefgebied, zie Bijlage 2: Cijfers per provincie). Maar ook voortzetting van het beheer in het leefgebied zal gaan bijdragen aan vermindering van toestroom naar de nulstandgebieden.
Evaluatie wijze van uitvoering
FIGUUR 8: Aantallen valwild van damherten per beheerperiode in de vier gebieden.
F A U N A B E H E E R P L A N D A M H E R T E N D U I N G E B I E D E N N O O R D - E N Z U I D - H O L L A N D 2 0 2 0 - 2026
Het beheer is op een veilige wijze uitgevoerd binnen de kaders die de vergunning en ontheffing daarvoor hebben gesteld. Daarnaast was het streven om het publiek zo min mogelijk te confronteren met de uitvoering van het beheer. Gezien de omvang van de opdracht en het feit dat de leefgebieden ook drukbezochte recreatiegebieden zijn, was dit een forse opgave. De beheerders hebben drukbezochte terreindelen vermeden bij de uitvoering en op piekmomenten van bezoek zijn zij gestopt met de uitvoering van populatiebeheer. Ook het gebruik van een geluidsdemper heeft bijgedragen de uitvoering zonder overlast voor bezoekend publiek. De beheerteams hebben regelmatig hun uitvoeringsstrategie gewijzigd, om te zorgen dat het lerend effect bij de damherten van het beheer zo laag mogelijk blijft, zodat de uitvoering doelmatig en effectief blijft.
37
4.3 EVALUATIE OVERIGE MAATREGELEN Er zijn in de voorgaande planperiode drie natuurbruggen gereed gekomen, over de Zeeweg (N200), de Zandvoortselaan (N201) en over het spoor van Haarlem naar Zandvoort, waarvan er twee in gebruik zijn genomen. Verder is er 800 m tijdelijk hek bijgekomen om de overlast in Zandvoort te beperken en zijn er extra verkeersmaatregelen genomen. Daarnaast is een aantal kwetsbare groeiplaatsen beschermd tegen begrazing.
Natuurbruggen
Damhertkerend hekwerk AWD
Met de bouw van de natuurbruggen is uitvoering gegeven aan het meerjarenplan ontsnippering (provincie Noord-Holland). Het hoofddoel van deze natuurbruggen is uitwisseling van soorten in de duinen van Zuid-Kennemerland (Bijlage 6: Gerealiseerde ecoducten en aangebrachte hekken). De natuurbruggen en de inrichting van de omgeving zijn ook ondersteunend aan het voorkomen van aanrijdingen. In deze beheerperiode zal verdere optimalisatie plaatsvinden van de omgeving van Natuurbrug Zeepoort ter voorkoming van aanrijdingen. • Natuurbrug Zeepoort (2017) overbrugt de Zeeweg (N200). Deze natuurbrug kan specifiek voor damherten beter functioneren door meer damhertkerende hekken langs de weg te plaatsen voor het voorkomen van aanrijdingen met damherten. • Natuurbrug Duinpoort (2018) overbrugt de spoorlijn Haarlem–Zandvoort, waardoor damherten het spoor veilig kunnen oversteken. Ter voorkoming van aanrijdingen en vertraging op het spoor kan deze natuurbrug net zoals natuurbrug Zeepoort beter functioneren met een uitbreiding van damhertkerende hekken langs het spoor.
F A U N A B E H E E R P L A N D A M H E R T E N D U I N G E B I E D E N N O O R D - E N Z U I D - H O L L A N D 2 0 2 0 - 2026
•
Natuurbrug Zandpoort (2013) overbrugt de Zandvoortselaan (N201) en verbindt de AWD met het NPZK. Zolang de populatie nog niet beperkt is tot de streefstand, zal deze natuurbrug afgesloten blijven voor damherten om te voorkomen dat de populatie in het NPZK toeneemt door overloop uit de AWD. Hierdoor zal de schade in het NPZK beperkt blijven en kunnen de damherten niet via het NPZK het leefgebied verlaten.
Wildroosters en hekken Het grootste deel van de wildroosters en hekken was al geplaatst voor 2016. In de afgelopen planperiode zijn deze gehandhaafd zoals gepland, en naar behoefte aangepast. Zo is tijdelijk 800 m nieuw hek geplaatst langs de westrand van de AWD, aansluitend op de bebouwde kom van Zandvoort in zuidelijke richting (Bijlage 6: Gerealiseerde ecoducten en aangebrachte hekken). Het doel was verminderde uittreding van damherten vanuit de AWD en daarmee vermindering van de overlast in Zandvoort. Initiatiefnemers en beheerders ervaren dat het hek in combinatie met de uitvoering van actief beheer heeft geleid tot vermindering van het aantal damherten dat regelmatig de bebouwde kom van Zandvoort intrekt. Ook heeft Waternet het hek langs de
38
Langevelderslag vervangen. Daar waar hekken in combinatie met een bufferzone of nulstandbeheer zijn geplaatst is het aantal aanrijdingen sterk afgenomen. Overigens is er wel discussie over het grote aantal hekken en wildroosters, omdat ze niet alleen damherten tegenhouden, maar ook een barrière vormen voor andere dieren en mensen. Het staat haaks op het nationaal en provinciaal beleid dat juist is gericht op het verbinden van natuurgebieden om daarmee de natuur robuuster te maken. Hekken werken ook verstorend voor het landschapsbeeld. Op de ene locatie telt dit zwaarder dan op de andere locatie.
Verkeersmaatregelen Op delen van de Zeeweg (N200) is de maximum snelheid verlaagd en zijn er sinds 2018 grote mobiele matrixborden geplaatst om weggebruikers te wijzen op het risico van damherten op de rijbaan (Figuur 9). Laatstgenoemde maatregel was niet gepland in het FBP 2016-2020, maar is later toegevoegd als extra preventieve maatregel in verband met het aantal aanrijdingen.
Exclosures In de AWD heeft Waternet in de periode 2015-2016 op kleine schaal verschillende uiterst kwetsbare groeiplaatsen beschermd met rasters (zogenaamde ‘exclosures’). Het gaat daarbij om bescherming van bijzondere plantensoorten zoals Parnassia, Kruisbladgentiaan en verschillende orchideeënsoorten, maar ook om cruciale nectarbronnen voor de duinparelmoervlinder. In de winter van 2019-2020 zijn daar nog eens 16 grote graaskooien bijgekomen om karakteristieke duinhabitats op grotere schaal te beschermen en tegelijkertijd onderzoek te verrichten naar het eventueel herstel van de soortenrijkdom zonder de invloed van damherten. In totaal is zo meer dan 40 ha natuur beschermd tegen de invloed van de damherten. Dat lijkt veel maar het is nog geen 1,5% van de totale AWD.
Figuur 9: Waarschuwingsborden en snelheidsbeperking op de Zeeweg (N200)
F A U N A B E H E E R P L A N D A M H E R T E N D U I N G E B I E D E N N O O R D - E N Z U I D - H O L L A N D 2 0 2 0 - 2026
39
4.4 EVALUATIE EFFECT VAN DE MAATREGELEN OP DE DOELEN Het doel ‘voorkomen schade aan gewassen’ is gerealiseerd door afschot in het nulstandgebied in combinatie met hekken. De overige doelen (natuur, verkeersveiligheid, overlast) zijn niet gerealiseerd, met name omdat de damhertenpopulatie nog onvoldoende is verkleind.
Beschermen flora, fauna en habitats Uit de evaluatie blijkt dat damherten een sterk negatief effect hebben op de flora en fauna in de leefgebieden en daarmee staan ook de doelstellingen voor Natura 2000-gebieden onder druk. Bij de start van de vorige planperiode (2015) was er sprake van ernstige schade aan natuurwaarden in het plangebied als gevolg van een te grote druk van de damhertenpopulatie, toen 3765 getelde damherten. Het beheer heeft de explosieve stijging van de populatie weliswaar gestopt, maar de populatie is in 2020 nog niet op de streefstand. Een verbetering van de natuurwaarde is dan ook nog niet te zien. Hoofdstuk 5 gaat uitgebreid in op de huidige toestand van de natuur in het gebied.
Borgen volksgezondheid en openbare veiligheid Het aantal aanrijdingen is gestegen van 33 in 2015 naar 62 aanrijdingen in 2019 (zie Figuur 12 in paragraaf 5.2). Aanrijdingen vinden vooral plaats rondom het NPZK en met name rondom de Zeeweg (N200) (zie Figuur 14 in paragraaf 5.2). Per jaar vinden er ongeveer 10 aanrijdingen van damherten met de trein plaats en zijn er ongeveer 20 meldingen van damherten op of langs het spoor (zie Figuur 15 en Figuur 16 in paragraaf 5.2). De hekken rondom de AWD lijken duidelijk effect te hebben. Na het realiseren van deze hekken (2012) is het aantal aanrijdingen direct rondom de AWD nihil.
Incidenteel komen nog wel damherten via het strand Zandvoort binnen. Rond het NPZK vinden nog steeds aanrijdingen plaats. Een belangrijke maatregel om dat te voorkomen, de populatiereductie tot de streefstand van 200 getelde damherten, is nog niet bereikt. Langs de grenzen van het NPZK staan vrijwel geen damhertkerende hekken. In dit gebied zijn grondeigenaren en beheerders vanuit landschappelijke, ecologische en pragmatische overwegingen terughoudend met het plaatsen van hekken (onder andere vanwege de grote grenslengte, zowel door de vorm als door de doorsnijdingen met infrastructuur zoals wegen, spoorlijnen, circuit Zandvoort en het golfterrein). De verwachting was dat de natuurbruggen Zeepoort in 2017 (over de Zeeweg (N200) en Duinpoort in 2018 (over de spoorlijn Haarlem – Zandvoort) eveneens zouden bijdragen aan het terugdringen van het aantal aanrijdingen. Echter, de realisatie van de natuurbruggen in combinatie met de geringe populatie-afname heeft het aantal aanrijdingen niet minder doen worden.
een gevolg van actief beheer en het plaatsen van een tijdelijk hek van 800 m ten zuiden van Zandvoort langs de zeereep.
Voorkomen ernstige schade aan gewassen Beheer door afschot in de bufferzones en het nulstandgebied, in combinatie met eerder geplaatste rasters is effectief gebleken voor het voorkomen van landbouwschade. De gemelde schade was nihil de afgelopen jaren (zie paragraaf 6.2). Jaarlijks worden nog steeds damherten aangetroffen op de landbouwgronden (het nulstandgebied). Hieruit blijkt dat voorzetting van het beheer in de nulstandsgebieden en de bufferzone nodig blijft (wordt geïllustreerd door de afschotcijfers buiten het leefgebied, (zie Bijlage 2: Cijfers per provincie). Maar ook voortzetting van het beheer in het leefgebied zal gaan bijdragen aan vermindering van toestroom naar de nulstandgebieden, in de verwachting dat bij een lagere dichtheid de behoefte om weg te trekken zal afnemen.
Voorkomen schade of overlast Met name mensen in Zandvoort ervaren nog schade en overlast van damherten. Hoewel het hek nog niet lang staat, bevestigen inwoners en beheerders dat vanaf begin 2020 het aantal damherten dat vanuit de AWD Zandvoort inloopt minder is geworden. Dit is
F A U N A B E H E E R P L A N D A M H E R T E N D U I N G E B I E D E N N O O R D - E N Z U I D - H O L L A N D 2 0 2 0 - 2026
40
4.5 CONCLUSIE TEN AANZIEN VAN HANDHAVEN VAN DE HUIDIGE DOELEN Uit de evaluatie blijkt dat de doelen nog niet zijn gerealiseerd en nog steeds zeer relevant zijn. Het is dan ook noodzakelijk om de doelen te handhaven in het Faunabeheerplan 2020-2026.
Monitoring van met name de schade aan natuurwaarden en verkeersveiligheid toont aan dat de noodzaak om vast te houden aan de doelstellingen nog steeds groot is en deels zelfs is toegenomen. De natuurwaarden gaan steeds verder achteruit. Schade aan landbouwgewassen is weliswaar nul geworden, maar dat is dankzij de combinatie van de geplaatste hekken en continu uitvoering van beheer in het leefgebied, bufferzones en het nulstandgebied. Dus ook hiervoor is voortzetting van het beheer noodzakelijk. De te behartigen belangen en de daarbij geformuleerde doelstellingen zijn nog onverminderd van kracht.
“De noodzaak om vast te houden aan de vorige doelstellingen is nog steeds groot en is deels zelfs toegenomen.”
F A U N A B E H E E R P L A N D A M H E R T E N D U I N G E B I E D E N N O O R D - E N Z U I D - H O L L A N D 2 0 2 0 - 2026
41
4.6 ADVIEZEN UIT DE EVALUATIE VOOR HET FAUNABEHEERPLAN 2020-2026 De evaluatie van het Faunabeheerplan Damherten 2016-2020 bevat adviezen voor het Faunabeheerplan Damherten 2020-2026. Het belangrijkste advies is het realiseren van een snellere reductie van het aantal damherten, met name vanwege schade aan flora en fauna en daarmee samenhangende Natura 2000-doelstellingen.
Adviezen over versnelde reductie aantal damherten • •
•
ersnel de reductie van het aantal damherten V ter bescherming van habitats. Toets opnieuw of de huidige maximalisering van de weekaantallen in het kader van gebiedsbescherming onder de Wet natuurbescherming noodzakelijk is. Stel voor beide provincies een gelijke, maar ruimere periode open voor beheer. Laat het beheer binnen de gestelde periode open voor alle dagen en uren van de week.
“Er is een versnelde reductie van het aantal damherten nodig.”
Adviezen over evaluatie en monitoring •
Adviezen over wijze van uitvoering • • •
ta bij het beheer het gebruik van nachtzichtapS paratuur en geluiddempers toe. Richt de bufferzones effectiever in en zorg dat ze in het veld duidelijker herkenbaar zijn. Zorg dat de voorwaarden voor melden binnen de provincies gelijk worden getrokken, net als het digitale registratiesysteem voor het melden van beheerresultaten.
F A U N A B E H E E R P L A N D A M H E R T E N D U I N G E B I E D E N N O O R D - E N Z U I D - H O L L A N D 2 0 2 0 - 2026
•
•
•
Z et de bestaande monitoring (netwerk ecologische monitoring, SNL) voort. V oer een nieuwe toetsing uit voor Natura 2000-gebieden op schade aan de instandhoudingsdoelstellingen, op basis van nieuwe inzichten en vijf jaar beheerervaring . B lijf de reeënpopulatie monitoren. De ree kan een bijzondere plek innemen in de toekomstige monitoring voor biodiversiteit. E valueer nut en noodzaak van hekken en wildroosters.
42
5.
ONDERBOUWING SCHADELIJKE EFFECTEN DAMHERTENPOPULATIE
Dit hoofdstuk geeft invulling aan de eis in de Verordening faunabeheer van Noord-Holland en de Omgevingsverordening Zuid-Holland om in het Faunabeheerplan 2020-2026 op te nemen: “een beschrijving van de mate waarin de in het faunabeheerplan bedoelde belangen in de 6 jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan zijn geschaad”.
Damherten zijn in staat om struwelen te gronde te richten.
F A U N A B E H E E R P L A N D A M H E R T E N D U I N G E B I E D E N N O O R D - E N Z U I D - H O L L A N D 2 0 2 0 - 2026
43
5.
ONDERBOUWING SCHADELIJKE EFFECTEN DAMHERTENPOPULATIE
5.1 EFFECT OP WETTELIJK BELANG ‘WILDE FLORA EN FAUNA EN NATUURLIJKE HABITATS’ Het aantal damherten in de duinen van Zuid-Kennemerland en met name in de AWD is uit balans geraakt met de overige natuurwaarden. De verstorende effecten overheersen de positieve effecten die grazers kunnen hebben en de soortenrijkdom neemt af. Door deze afname van de soortenrijkdom zijn ook de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000 bedreigd, waarmee niet meer kan worden voldaan aan wettelijke verplichtingen die voor deze regio zijn uitgewerkt in het Natura 2000-beheerplan Kennemerland-Zuid 2016-2022.
De rol van damherten in het ecosysteem van de duinen Als gevolg van de grote variatie in bodem en biotopen hebben de duinen een grote soortenrijkdom aan planten en dieren. Van de Nederlandse flora komt ongeveer 65% van de soorten in de duinen voor en circa 10% is vrijwel uitsluitend of geheel aan de duinen gebonden. Ook het feit dat in het
13. 14.
Nationaal Park Hollandse Duinen (waar Meijendel-Berkheide, Coepelduynen en Boswachterij Noordwijk deel van uitmaken) in 2018 in één jaar maar liefst bijna 7000 soorten planten en dieren zijn aangetroffen13, waarvan naar schatting 80% in de duinen14, illustreert de soortenrijkdom. Vergeleken met andere natuurgebieden staat de natuur in de duinen er nog goed voor, maar ook
Slangekruid is een algemene plant in veel duingebieden en een belangrijke nectarbron voor veel insecten. Door overbegrazing door damherten is deze soort volledig verdwenen in de AWD.
hier gaat de soortenrijkdom snel achteruit. Vooral soorten van open en halfopen habitats staan onder grote druk. Zonder beheer groeien open landschappen snel dicht met ruige, algemene planten-, struiken- en boomsoorten. Begrazing vormt een natuurlijke rem voor deze ontwikkeling. Begrazing is dan ook een van de sturende processen voor de instandhouding van de soortenrijkdom in natuurgebie-
https://www.nationaalparkhollandseduinen.nl/de-soorten-van-het-5000-soortenjaar/ Persoonlijke communicatie Vincent Kalkman (EIS Kenniscentrum Insecten), juli 2020.
F A U N A B E H E E R P L A N D A M H E R T E N D U I N G E B I E D E N N O O R D - E N Z U I D - H O L L A N D 2 0 2 0 - 2026
44
den zoals de duinen. Begrazing door damherten kan dan ook een positieve bijdrage leveren aan de instandhouding van de soortenrijkdom in de duinen. Tot in de beginjaren van de 21e eeuw werd dat ook zo ervaren in de duinen van Zuid-Kennemerland. Grazers zoals damherten hebben op verschillende manieren invloed op het functioneren van een ecosysteem. Direct, door het afgrazen van plantaardige biomassa, het omzetten hiervan in goed afbreekbare mest en het verstoren van de bodem (lostrappen of juist aandrukken). Maar ook indirect, door onder andere een verandering van het microklimaat, een afname van de strooiselophoping, verandering in vegetatiesamenstelling en bloemaanbod en concurrentie met andere herbivoren. Grote grazers zijn daarmee enerzijds faciliterend voor veel planten- en diersoorten, anderzijds zorgen zij ook voor verstoring. Bij een te hoge graasdruk overheersen de verstorende effecten.
TABEL 2: Huidige toename en afname van groeivormen in Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid (bron: Oosterbaan & Mourik 2020)
•
Groeivormen Met name giftige soorten en mossen (met name groot laddermos) zijn sterk toegenomen. Damherten eten deze soorten niet. Alle andere groeivormen zijn afgenomen, met als meest extreme voorbeeld de korstmossen (-70%) (Tabel 1). De oorzaak van de enorme afname van korstmossen ligt vermoedelijk in betreding van grote aantallen herten (vertrapping). De afname van hoge kruiden, lage struiken en jonge houtige gewassen hangt samen met vraat door damherten.
15. 16.
Oosterbaan & Mourik 2020 Oosterbaan e.a. 2019a
Onderzoek naar het effect van damherten op het ecosysteem Er is in het plangebied veel onderzoek gedaan naar de effecten van damherten op flora, fauna en de beschermde natuurwaarden. Daarbij is onder andere gekeken naar trends van soorten binnen de AWD en hoe die correleerden met toenemende aantallen damherten. Daarnaast is ook gekeken naar de trend van dezelfde soorten in het ongeveer even grote NPZK dat deel uitmaakt van hetzelfde Natura 2000-gebied, maar waar het aantal damherten veel lager is. In een enkel geval is ook gekeken naar trends elders in de duinstreek. De beschrijving van de effecten gaat van een hoog abstractieniveau naar steeds meer detail over wat bekend is over specifieke soorten.
F A U N A B E H E E R P L A N D A M H E R T E N D U I N G E B I E D E N N O O R D - E N Z U I D - H O L L A N D 2 0 2 0 - 2026
Giftige soorten +34%
Korstmossen -70%
Mossen +46%
Hoge kruiden -45%
Jonge houtige gewassen -26%
Oosterbaan & Mourik (2020) tonen op basis van bestaande flora- en vegetatiekarteringen op drie schaalniveaus effecten aan van overbegrazing van damherten op de vegetatie: biomassa, groeivormen en flora. Biomassa De biomassa van planten en bomen in het duin is met de groei van de populatie damherten sterk afgenomen. KWR stelde vast: “[Na] één groeiseizoen zonder begrazing is de bovengrondse vaatplantbiomassa, bedekking van de kruidlaag, de hoogte van de hoge kruidlaag en de hoogte van de lage kruidlaag hoger”. In 20 jaar tijd is de gemiddelde planthoogte een derde lager geworden door vraat.15
AFNAME SOORTEN
Lage struiken -28%
Effect op vegetatie
•
TOENAME SOORTEN
•
F lora Oosterbaan e.a. (2019a) komen in de provinciale florakartering in het kader van Natura 2000monitoring (uitvoering veldwerk: 2017-2018) tot vergelijkbare conclusies en stellen dat vrijwel alle niet-giftige of sterk geurende soorten in meer of mindere mate last hebben van de begrazing door damherten (Tabel 1). “Feitelijk valt of staat het behoud en het verbeteren van de flora in de AWD met de vermindering van het damhert.”16 (Oosterbaan et al. 2019a). Naast vraat stellen zij ook betreding aan de orde. “Er wordt op zo’n intensieve schaal rondgelopen door damherten dat van een herstel op plagplekken en oevers van poeltjes weinig sprake is […]. Struweelrijke noordhellingen zijn zo stukgelopen dat de planten geen kans krijgen uit te groeien en zaad te zetten. […] veel korstmossen [zijn] nog aanwezig, maar blijven door overmatige betreding klein tot zeer klein.” (Oosterbaan et al. 2019a). Ook Mourik concludeert op basis van vijftig jaar plantenmonitoring in de AWD dat alleen zeer lage of giftige kruiden en sterke matvormende grassen overleven (Tabel 2).
45
•
Het aantal karakteristieke soorten en hun bedekking neemt af Oosterbaan & Mourik (2020) komen tot de conclusie dat veel voor het duin karakteristieke soorten er weinig rooskleurig voorstaan. Zo is tussen 1997 en 2017 van 177 gekarteerde soorten 72% in aantal afgenomen ten opzichte van maar 24% toegenomen soorten. Voor door insecten bestoven soorten geldt dit nog iets sterker: 76% is afgenomen en 19% toegenomen. De bedekkingen van zowel open als gesloten duingraslandsoorten, alsmede die van kruidenrijke, bloemrijke graslanden zijn sterk afgenomen. Door de toename van de kleinschalige verstuivingsdynamiek in het afgelopen decennium zijn er met name in de kalkrijke buitenduinen van de AWD juist steeds meer geschikte plekken gekomen voor pioniersoorten, maar die zijn toch afgenomen. Bij overbegrazing
“65% van de Nederlandse flora komt voor in de duinen en circa 10% komt vrijwel uitsluitend of geheel in de duinen voor.”
17. 18. 19.
door damherten komen alleen de giftige, sterk geurende of stekelige (grotere) plantensoorten nog tot bloei, zoals Jacobskruiskruid en Veldhondstong. De normaal gesproken algemene nectarplanten van de duinen zoals slangenkruid, ossentong en middelste teunisbloem lopen door vraat niet meer uit en bloeien daarmee niet of nauwelijks meer. Dat negatieve effecten aan de orde zijn in de AWD bleek al in 2015 uit onderzoek van Floron, die een significante afname van 10% van de plantensoorten vaststelde en dat weet aan damhertbegrazing.17 Bloeiende kruiden hoger dan 15 cm waren al in 2014 – toen de hertenpopulatie zijn piek nog niet bereikt had – zeer sterk afgenomen (Figuur 10).18 Uit onderzoek van Mourik19 blijkt verder dat de forse afname van 78 soorten tussen de decaden 19962005 en 2006-2015 veel sterker is dan de lichte afname
die op basis van de trend verwacht werd; namelijk: de trend dat in vijftig jaar tijd structureel een geleidelijke afname van soorten is te zien. Mourik wijt dit aan de hoge graasdruk. Diverse voorbeelden van specifieke soorten worden aangehaald. Zo waren er in de periode 2006-2014 nog 54 groeiplaatsen van het landelijk zeldzame rond wintergroen, maar in 2015-2016 waren dat er nog maar zes. Duinwespenorchis (een zeldzame ondersoort van brede wespenorchis): van 49 naar twee. Het omringende kruipwilgstruweel waarin deze twee soorten groeien was bijna verdwenen door vraat. KNNV Zuid-Kennemerland toont aan dat zeldzame soorten met grote bladen en/of lange bloeistengels zoals gewone agrimonie, voorjaarshelmkruid (typische soort Natura 2000) en kuifhyacint sterker zijn afgenomen dan lage kruiden.
FIGUUR 10: Verschuivingen in het aandeel algemene grasachtige, lage kruiden en hoge kruiden in 2013-2014 t.o.v. 1995-2005 (Mourik, 2015).
Odé & Beringen 2015 Mourik 2015 Mourik 2017
F A U N A B E H E E R P L A N D A M H E R T E N D U I N G E B I E D E N N O O R D - E N Z U I D - H O L L A N D 2 0 2 0 - 2026
46
De vegetatie buiten de hekken bevat meer hoge kruiden en grassen dan binnen de hekken, waar ze worden weggegraasd door damherten.
Moeraswespenorchis komt alleen nog tot bloei in ‘exclosures’
•
Ook algemene soorten nemen af Ook becijfert KNNV Zuid-Kennemerland dat 66% van de algemene soorten (veel) zeldzamer is geworden in de periode 2013-2014 ten opzichte van het jaar 2000. Dat ook algemene soorten afnemen, baart zorgen omdat ze dienen als voedselbron voor diersoorten op elk niveau. Zoals verwacht nemen (giftige) gele composieten als jacobskruiskruid niet af. Hoewel die als nectarbron gebruikt worden door bijvoorbeeld vlinders, is de waarde daarvan beperkt. De bloei concentreert zich in de zomer en dat biedt daarom voor voor- en najaarssoorten of -generaties geen uitkomst.20
•
Soorten komen minder goed tot bloei Eigen onderzoek van Waternet met behulp van zogenaamde graaskooien21 liet in kwantitatieve zin al zien welke negatieve impact damhertenbegrazing kan hebben op de bloemrijkdom en aanwezigheid van waardplanten voor vlinders. Naast dat planten in aantal zijn afgenomen, of (op locaties) zijn verdwenen, zijn eetbare planten die wel nog aanwezig zijn in een andere fysieke staat dan bij een lagere of ontbrekende graasdruk. Veel planten – hoewel nog wel aanwezig – komen niet of nauwelijks meer in bloei.22 Dit wordt ook opgemerkt in de florakartering (Oosterbaan et al. 2019a): “Dit geldt niet alleen voor zeldzame planten, maar ook [algemene] soorten als kruipend zenegroen, gewone ossentong en slangenkruid zijn sporadisch in bloei aangetroffen. Daarnaast zijn ook driedistel, gewone agrimonie, echt bitterkruid, rietorchis,
20. 21. 22.
Wallis de Vries 2017 Reussien 2013, Aldershof 2014 Mourik 2015
F A U N A B E H E E R P L A N D A M H E R T E N D U I N G E B I E D E N N O O R D - E N Z U I D - H O L L A N D 2 0 2 0 - 2026
brede wespenorchis en schermhavikskruid vrijwel alleen vegetatief gekarteerd”.23 Waternet gebruikte moeraswespenorchis als voorbeeldsoort om de ‘fysieke gesteldheid’ te meten. De orchideeën werden binnen rasters waar damherten niet bij kunnen (geplaatst als beschermingsmaatregel tegen vraat) gemiddeld ruim twee maal zo hoog en hadden bijna tweemaal zo lange bladeren en ruim tweemaal zoveel bloemen als exemplaren net buiten het raster.24 Dat komt overeen met de resultaten van de florakartering 2017-2018 waarbij werd vastgesteld dat slechts 5% van de moeraswespenorchissen buiten de rasters tot bloeien komt, tegenover 95% daarbinnen. Het aantal bloeiende planten binnen het raster lag op 131, op de onbeschermde locatie buiten het raster – op een in potentie even geschikte groeiplaats – werden er slechts twaalf gevonden.25 Vaatplanten zijn buiten het raster dus niet alleen sterk in aantal achteruit gegaan, maar de planten die het wél overleefden verkeerden daarmee ook nog in een beduidend slechtere toestand.23 Daarmee is er een ‘dubbel effect’: veel groeiplaatsen van soorten verdwijnen en daar waar individuen wel nog opkomen, verliezen ze (een deel van) hun ecologische betekenis. Deze planten kunnen zich namelijk niet of minder goed voortplanten en verliezen aan betekenis voor insecten (onder andere verlies nectaraanbod).
In die zin is het effect in werkelijkheid nog groter dan de ‘kale’ gegevens van een kartering doen vermoeden, waarin wel de aanwezigheid maar niet de toestand van de plant wordt geregistreerd.
23. 24. 25.
Oosterbaan & Mourik 2020 Van der Spek & van der Voet 2018 Oosterbaan e.a. 2019a
47
Effect op fauna •
26. 27.
Dagvlinders Dat het aanbod van bloemen en nectar sterk achteruit is gegaan, blijkt uit gegevens verzameld door dagvlindertellers. Langs telroutes voor vlinders zijn bloemen geteld die van belang zijn voor vlinders vanwege de nectar in 1992-1996 (nauwelijks damherten), 2007-2008 (aantal damherten rond de streefstand) en 2015-2016 (piekaantallen damherten). In 2015-2016 was het aantal voor vlinders geschikte bloemen met 77% afgenomen ten opzichte van 2007-2008. Ten opzichte van 1992-1996 was dat zelfs 98%.26 Uit drie studies van de Vlinderstichting27 blijkt dat twee derde van de 23 vlindersoorten in de periode 2005-2018 afnam. Die ontwikkeling in de AWD was statistisch significant slechter dan in het NPZK-deel van het Natura 2000-gebied, waar veel minder damherten voorkomen. Ook was er sprake van een slechtere trend in vergelijking met de overige kalkrijke vastelandsduinen. De vlinderstand was in 2015-2016 verder verslechterd ten opzichte van 2014. De afname van de populaties bedroeg in 2015-2016 ten opzichte van 2005 maar liefst 76%. De populaties lijken in 2017-2018, nadat damhertbeheer is gestart, op een laag niveau te stabiliseren ten opzichte van 2015-2016. Van significante verbetering is (nog) geen sprake.
De afname was het sterkst voor de groepen soorten die op basis van hun ecologie op voorhand waren aangemerkt als zeer kwetsbaar of gemiddeld kwetsbaar voor begrazing door damherten. Bij
Wallis de Vries 2017 Wallis de Vries 2015, 2017, 2020
soorten die niet als kwetsbaar voor begrazing waren geclassificeerd was de afname minder sterk. Dat klinkt logisch, maar het toont aan dat vraat van waard- en nectarplanten echt de oorzaak is en niet een onbekende andere factor. Daarnaast is een relatie aangetoond met de dichtheden damherten: hoe hoger de dichtheden, hoe sterker de afname van soorten die matig en zeer kwetsbaar zijn voor vraat. Na toename van de hertenstand in NPZK namen ook daar de voor vraat kwetsbare soorten af. •
•
Nachtvlinders Voor de macro-nachtvlinders werd vastgesteld dat er in 2014 een groter aandeel soorten met een afnemende trend was in de AWD dan in NPZK: 30% van de 393 soorten neemt af in de AWD tegenover slechts 13% van de 420 soorten in NPZK. Ook hier is de afname sterker bij soorten die kwetsbaar zijn voor vraat door damherten. Bij de micro-nachtvlinders – waar veel minder data van beschikbaar zijn – waren geen trendverschillen tussen AWD en NPZK meetbaar, maar is het aantal waargenomen soorten in NPZK wel sterker gestegen dan in de AWD.28
Het groot dikkopje is een van de soorten die achteruitgaat door het verdwijnen van nectarplanten zoals slangenkruid.
Bijen, hommels en zweefvliegen (bestuivers) EIS-Nederland heeft in 2015 de plantendataset van de AWD Plantenwerkgroep gebruikt om de trend van bijen, hommels en zweefvliegen te bepalen.29 Door te kijken naar plantensoorten die van cruciaal belang zijn voor bijen, hommels en zweefvliegen (als waardplant of als nectarbron) is het
28. 29.
Wallis de Vries 2015 Smit 2015
F A U N A B E H E E R P L A N D A M H E R T E N D U I N G E B I E D E N N O O R D - E N Z U I D - H O L L A N D 2 0 2 0 - 2026
De keizersmantel profiteert van de toename van het voor damherten giftige duinkruiskruid
48
mogelijk een onderbouwde inschatting te maken van de omvang van de populaties. Veel bijen en hommels halen namelijk pollen van slechts één of een beperkt aantal soorten planten. Voor zweefvliegen geldt dat hun larven afhankelijk zijn van specifieke planten. Door het voorkomen van insectensoorten te koppelen aan het voorkomen van hun waard- en nectarplanten kan de conclusie blijvend worden gekoppeld aan de actuele stand van de flora, die jaarlijks wordt bijgewerkt. De conclusie van de studie is dat van de 85 soorten bijen en hommels die sinds 1980 in de AWD zijn waargenomen, er 65 zijn afgenomen. Slechts 20 soorten waren stabiel, of hebben een licht positieve trend. Bij 10 soorten is de afname meer dan 50%. Van de heideviltbij resteerde naar schatting nog maar 10% van de populatie. Tussen 1980 en 2015 zijn er 105 soorten zweefvliegen in het gebied waargenomen. 11 Soorten hadden een (sterk) negatieve trend. Slechts 2 soorten zijn toegenomen. Van alle soorten die aan specifieke planten gebonden zijn, wordt de afname geschat op 61%. Deze trends zijn gebaseerd op aanwezigheid van planten op kilometerhokniveau. Dat wil zeggen dat de trend in talrijkheid vermoedelijk nog veel sterker is, want ook binnen de kilometerhokken waar plantsoorten destijds nog aanwezig waren, is naar alle waarschijnlijkheid het aantal planten én het aantal bloemen op die planten sterk achteruitgegaan.
EIS spreekt de verwachting uit dat de berekende trends daarmee een onderschatting zijn van de werkelijke situatie. Dit sluit aan op de conclusie in Oosterbaan & Mourik (2020) dat door insecten bestoven kruiden en lage struiken sterk in oppervlakte zijn afgenomen.
“Veel van de voor de duinen karakteristieke soorten staan er niet rooskleuring voor.”
•
30. 31. 32.
Vogels Grote dichtheden aan damherten hebben effecten op de zangvogelpopulaties in een gebied30, bijvoorbeeld door afnames van insecten of door betreding. Voor nachtegalen is dit in de AWD aangetoond. Deze in Nederland bedreigde soort broedt in struweel dat in de AWD door betreding steeds meer open raakt. Landelijk gezien staan alleen de populaties in de Hollandse duinstreek er nog redelijk goed voor – met de AWD als uitzondering. Daar werd een verband aangetoond tussen toenemende aantallen herten en afnemende aantallen nachtegalen. Dit effect was zowel in de tijd (toenemende aantallen herten) als in de ruimte (locaties met hogere en lagere dichtheden herten) waar te nemen.31 Dit onderzoek wordt ondersteund door buitenlands wetenschappelijk onderzoek dat de relatie tussen herten en nachtegalendichtheden met grootschalige experimenten heeft aangetoond.32 Op basis van de ecologische eisen zijn er bij beheerders zorgen over de houtsnip (typische soort
Newson e.a. 2011 Noordzij & van der Spek 2017 Holt 2010
F A U N A B E H E E R P L A N D A M H E R T E N D U I N G E B I E D E N N O O R D - E N Z U I D - H O L L A N D 2 0 2 0 - 2026
voor het Natura 2000-habitattype Duinbossen). Deze soort heeft bossen met een mozaïek van een kruid- en struiklaag nodig33, terwijl de ondergroei van de duinbossen zoals eerder beschreven sterk onder druk staat. •
Mieren Uit door EIS-Nederland in 2015 onderzochte mierenpopulaties met ondergrondse nesten kwamen geen duidelijke effecten naar voren van damhertbegrazing. Twee soorten met bovengrondse nesten die niet (goed) werden onderzocht, zijn (op basis van literatuuronderzoek) wel kwetsbaar voor begrazing: de behaarde rode bosmier (IUCN Red List; slechts enkele nesten uit de AWD bekend) en de stengelslankmier, die in Nederland alleen in de duinstreek voorkomt in wat waarschijnlijk de grootste populatie ter wereld is. Hoewel enige mate van begrazing nodig is voor het open houden van hun biotopen, is de verwachting dat intensieve begrazing hun nesten zal vernielen.34
33. 34.
Glutz von Blotzheim e.a. 1977 Noordijk & van Loon 2015
49
•
35. 36.
Ree Vanwege de grote concurrentie door damherten zijn reeën in de AWD een zeldzaam verschijnsel geworden. In de rest van het plangebied komen ze nog wel vrij algemeen voor. Reeën zijn op zich geen unieke soort voor de duinen en landelijk of Europees ook niet bedreigd. In die zin is het beperkte voorkomen niet direct een zorgelijke ontwikkeling. Zoals al in Hoofdstuk 3 (monitoring) is vermeld kan de ree worden gezien als indicator voor een structuurrijk landschap met een diversiteit aan groeistadia. De achteruitgang zegt dus iets over de afname van de natuur- en landschapskwaliteit. In de AWD was ten tijde van de eerste waarnemingen van damherten in het gebied een grote populatie reeën aanwezig. De aanvankelijk toenemende reeënpopulatie nam af terwijl de damhertenpopulatie exponentieel toenam (Figuur 11). Inmiddels zijn reeën uit de AWD verdwenen. De Zoogdiervereniging legt een verband tussen het verdwijnen van de ree en de toename van damherten.35 Door het brede voedselspectrum van het damhert en diens intensieve begrazing verarmt de vegetatiestructuur en samenstelling waardoor er minder geschikt voedsel en biotoop voor de reeën overblijft. In diverse onderzoeken is aangetoond dat grotere hertensoorten (waaronder damherten) een sterk negatieve impact hebben op reeënpopulaties.36
Bekker, D. & H. Hollander, 2015 Duncan e.a. 1998, Smit e.a. 1998, Kjellander e.a. 2004, Focardi 2006, Casaer 2015.
F A U N A B E H E E R P L A N D A M H E R T E N D U I N G E B I E D E N N O O R D - E N Z U I D - H O L L A N D 2 0 2 0 - 2026
De ree komt in de AWD niet meer voor, maar op andere plekken in de provincie en in het land zijn ze nog veel te vinden.
FIGUUR 11: Aantalsontwikkeling damhert- en reeënpopulatie in de AWD (linker Y-as aantal reeën, rechter Y-as aantal damherten).
50
Effect op de Natura 2000-doelstellingen Deze afname van de soortenrijkdom bedreigt ook de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000. De instandhoudingsdoelstellingen voor deze regio (uitgewerkt in het Natura 2000-beheerplan Kennemerland-Zuid 2016-2022). Het duingebied Meijendel-Berkheide is ook aangewezen als Natura 2000-gebied. Omdat hier nog geen populatie damherten voorkomt en die dus ook niet bedreigend is voor de natuurwaarden in dit gebied gaan we hier niet verder op in. De Habitatrichtlijn verplicht de Europese lidstaten om beschermde gebieden aan te wijzen voor de habitattypen van Bijlage I van de Habitatrichtlijn. De lidstaten mogen deze habitattypen niet laten verslechteren in oppervlakte en kwaliteit. Voor Kennemerland-Zuid gelden op grond van de aanwijzing als Habitatrichtlijngebied doelen voor behoud of uitbreiding van de volgende habitattypen: • H2110 Embryonale duinen: behoud oppervlakte en kwaliteit • H2120 Witte duinen: uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit • H2130 Grijze duinen: uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit • H2150 Duinheiden met struikhei: behoud oppervlakte en kwaliteit • H2160 Duindoornstruwelen: behoud oppervlakte en kwaliteit • H2170 Kruipwilgstruwelen: behoud oppervlakte en kwaliteit • H2180 Duinbossen: subtypen droog (H2180A) en binnenduinrandbos (H2180C): behoud oppervlakte
37. 38.
•
en kwaliteit, voor subtype vochtig: behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit H2190 Vochtige duinvalleien: subtypen open water (H2190A), kalkrijk (H2190B) en hoge moerasplanten (H2190D): uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit; voor subtype ontkalkt (H2190C): behoud oppervlakte en kwaliteit.
Voor de volgende habitatsoorten gelden behouds- of uitbreidingsdoelen voor het leefgebied: • H1014 Nauwe korfslak: behoud omvang en kwaliteit leefgebied • H1318 Meervleermuis: behoud omvang en kwaliteit leefgebied • H1903 Groenknolorchis: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit biotoop Als gevolg van de achteruitgang in flora en fauna is voor vijf van de habitattypen in het plangebied schade door overbegrazing en betreding door damherten aangetoond: de Grijze duinen (duingraslanden), Duinheiden met struikhei, Vochtige duinvalleien, Duindoornstruwelen en Duinbossen. Hier voldoet Nederland dus niet aan de Europese verplichting om ze te beschermen. Ook het behoudsdoel voor de Nauwe korfslak is bedreigd door de overbegrazing door damherten. •
Duingraslanden Voor het Natura 2000-habitattype H2130 ‘Grijze duinen’ geldt in het plangebied een doelstelling tot uitbreiding van oppervlakte en verbetering van kwaliteit. ‘Grijze duinen’ is een zogenaamd ‘prio-
ritair habitattype’, een type dat dreigt te verdwijnen en waarvoor de Europese Unie een bijzondere verantwoordelijkheid heeft. In het Natura 2000-beheerplan staat op pagina 48: “In het gebied is de trend van de oppervlakte Grijze duinen (kalkrijk) duidelijk negatief. Kalkarm grijs duin rukt op naar het westen ten koste van kalkrijk grijs duin. Bij het Van Limburg-Stirumkanaal en Noordwest Natuurkern kan het habitattype Grijze duinen (kalkrijk) zich wellicht uitbreiden door successie vanuit de Witte duinen. Door uitbreiding van de damhertenpopulatie kan een afname in kwaliteit worden verwacht”. Volgens het OBN-deskundigenteam is overbegrazing door damherten de oorzaak dat natuurherstelprojecten zich niet ontwikkelen naar de gewenste habitattypen.37 Dit frustreert de pogingen om aan de Europese verplichtingen te voldoen voor dit habitattype. De Europese Commissie heeft dit al eerder aangekaart bij Europees gesubsidieerde Life+-herstelprojecten. Hoewel damherten een bijdrage leveren aan het tegengaan van het dichtgroeien van het duin, stelde het deskundigenteam óók vast: “In het middenduin en in de buitenduinen treedt lokaal juist verruiging op met soorten die door damherten niet of nauwelijks worden gegeten, zoals helm, duinriet en zandzegge.
Hiermee komen de Natura 2000-doelstellingen wat betreft behoud en/of uitbreiding van oppervlakte en/of kwaliteitsverbetering van het habitattype Grijze Duinen in gevaar.”38 De oppervlakte grasland is tussen 2007 en 2017 toegenomen, van ongeveer 600 naar ruim 800 ha.
Kooijman e.a. 2018 Kooijman e.a. 2018
F A U N A B E H E E R P L A N D A M H E R T E N D U I N G E B I E D E N N O O R D - E N Z U I D - H O L L A N D 2 0 2 0 - 2026
51
Dat komt voornamelijk door afname van ruigte, lage struwelen (kruipwilg, liguster) en hoge struwelen (verwijdering Amerikaanse vogelkers door beheer). Dat is in de basis positief, maar tegelijkertijd is de kwaliteit dusdanig afgenomen dat de verwachting is dat duingraslanden in de AWD niet meer formeel als habitattype te kwalificeren zijn dan wel sterk gedegradeerde types zijn (afname van kwaliteit). Er is door begrazing en betreding sprake van een verandering van het karakter doordat lage struiken, hoge kruiden en korstmossen sterk zijn afgenomen, terwijl giftige soorten, grassen en bladmossen (vooral groot laddermos) sterk zijn toegenomen. Veel karakteristieke soorten van open en gesloten duingrasland, kruidenruigtes en zoomsoorten zijn sterk afgenomen en bloei van veel soorten, waaronder belangrijke nectarplanten, is drastisch afgenomen.39 •
39. 40. 41.
Duinheide Voor het Natura 2000-habitattype H2150 ‘Duinheiden met struikhei’ geldt een doelstelling tot behoud van oppervlakte en kwaliteit. Dit habitattype komt voor op restanten van de zogenoemde Oude Duinen, die langs de Hollandse kust – gedomineerd door kalkrijke, jongere duinen – nauwelijks vertegenwoordigd zijn. Binnen het Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid is alleen 4,5 ha duinheide aanwezig in het zuidoosten van de AWD, in het gebied Paardenkerkhof bij De Zilk. Begrazing door damherten leidt ertoe dat de struikheide nauwelijks meer in bloei komt waardoor er achteruitgang
Oosterbaan e.a. 2019a. Kooijman e.a. 2018 Oosterbaan & Mourik 2020
is in kwaliteit. In 2020 heeft Waternet grote delen uitgerasterd om de damherten buiten de duinheide te houden. •
Duindoornstruwelen Voor habitattype H2160 ‘Duindoornstruwelen’ geldt een doelstelling tot behoud van oppervlakte en kwaliteit. Het OBN-deskundigenteam duin- en kustlandschap stelde vast dat er “een grote achteruitgang is van structuurvariatie in de open duinen (mozaïek struweel en grijze duinen) door overbegrazing van damherten”.40 Een analyse van het bureau Van der Goes en Groot.41 ondersteunt deze constatering met data. De provinciale florakartering van 2016-2018 meldt daarover: “De meeste vegetaties zijn gedegradeerd van bijvoorbeeld gesloten duindoornstruwelen naar open met duinriet verruigde struweel-relicten.”42 Uit de meest recente vegetatiekartering blijkt dat op plekken waar eerder de invasieve exoot Amerikaanse vogelkers is verwijderd, geen duindoornstruweel ontstaat, wat wel de bedoeling was.43 De scherpe afname van de rode lijstsoort nachtegaal is hier een verdere aanwijzing voor: door het openvallen van struweel en betreding blijft minder geschikt habitat over voor deze soort om te broeden.