Bijlage 1A - Programma van Eisen concessie Amsterdam 2025 (zonder bijlagen).pdf
Tekst van het document
3.8.3 Feestdagen en Evenementen
De vervoervraag wijkt op feestdagen af van de vervoervraag op reguliere Dagen. Op veel feestdagen is de vervoervraag minder groot; op bepaalde feestdagen juist groter. De Concessiehouder past daarom zijn Dienstregeling op algemeen erkende feestdagen, zoals genoemd in de Algemene termijnenwet, artikel 3, aan.
1
2
3
Artikel 29 Feestdagen en Evenementen Op Koningsdag biedt de Concessiehouder minimaal de Dienstregeling aan die geldt op een zaterdag. In de Nacht voorafgaand aan en de Nacht volgend op Koningsdag geldt minimaal de Dienstregeling voor de Nacht van vrijdag op zaterdag. De Concessieverlener kan de Concessiehouder op basis van een ambtelijk akkoord toestemming geven om waar nodig de Lijnvoering van Lijnen op Koningsdag aan te passen. De Concessiehouder biedt uiterlijk vier weken voor Koningsdag zijn voorstel tot aanpassing van de Dienstregeling op Koningsdag ter goedkeuring aan de Concessieverlener aan. Rond de overgang van Oudejaarsdag naar Nieuwjaarsdag mag de Concessiehouder op basis van een ambtelijk akkoord van de Concessieverlener het Openbaar Vervoer tussen 22:00 en 23:00 afbouwen en tussen 23:00 en 01:00 uur stilleggen. In de Nacht volgend op Oudejaarsdag geldt de Dienstregeling voor de Nacht van zaterdag op zondag, waarbij de Nachtlijnen volgens Dienstregeling rijden. De Concessiehouder biedt uiterlijk vier weken voor Oudejaarsdag zijn voorstel tot aanpassing van de Dienstregeling op Oudejaarsdag en Nieuwjaarsdag ter goedkeuring aan de Concessieverlener aan. Op alle overige algemeen erkende feestdagen zoals genoemd in de Algemene termijnenwet, artikel 3, verricht de Concessiehouder ten minste de Dienstregeling die geldt op een zondag.
In de Nacht voorafgaand aan een algemeen erkende feestdag, niet zijnde Koningsdag, verricht de Concessiehouder ten minste Openbaar Vervoer volgens de Geldende pagina 56 van 161
Dienstregeling voor de Nacht van zaterdag op zondag. In de Nacht volgend op een algemeen erkende feestdag verricht de Concessiehouder ten minste Openbaar Vervoer volgens de Geldende Dienstregeling zoals die zou gelden wanneer er geen sprake zou zijn geweest van een feestdag. In afwijking van het bepaalde in de vorige volzin, verricht de Concessiehouder in de Nacht volgend op een feestdag ten minste Openbaar Vervoer volgens de Geldende Dienstregeling voor de Nacht van zaterdag op zondag, indien de Dag volgend op de feestdag ook een feestdag is. Het is de Concessiehouder na voorafgaande instemming van de Concessieverlener toegestaan om in achten voorafgaand aan of volgend op een algemeen erkende feestdag een andere Dienstregeling te hanteren, wanneer de te verwachten vervoervraag hiertoe aanleiding geeft en zolang met deze Dienstregeling aan de overige eisen in het Programma van Eisen wordt voldaan. De Concessieverlener kan de Concessiehouder op basis van een ambtelijk akkoord toestemming geven om waar nodig de Lijnvoering van Lijnen tijdens Grootschalige Evenementen, zoals bedoeld in artikel 36, lid 5, aan te passen, onder de voorwaarde dat voor de beoogde aanpassing geen TBGN-procedure benodigd is.
De Concessiehouder dient voor te voorziene Grootschalige Evenementen, zoals bedoeld in dit lid, uiterlijk vier weken voor de (eerste) Dag van betreffende Grootschalige Evenement een voorstel tot aanpassing van de Dienstregeling tijdens het betreffende Grootschalige Evenement ter goedkeuring bij de Concessieverlener in. Indien de Concessieverlener constateert dat de Concessiehouder een Geldende Dienstregeling hanteert die in strijd is met het bepaalde in dit artikel, kan de Concessieverlener de Concessiehouder een Aanwijzing geven om binnen vier weken de Geldende Dienstregeling zodanig aan te passen dat de Geldende Dienstregeling niet meer in strijd is met het bepaalde in dit artikel. De Concessiehouder is gehouden om binnen die termijn de door de Concessieverlener verlangde aanpassingen door te voeren.
4
5
3.9
JAARPLAN VERVOER
De door de Concessiehouder op te stellen Dienstregeling dient te voldoen aan een aantal eisen, zowel wat betreft de opzet als de totstandkoming van de Dienstregeling. De Dienstregeling dient in overeenstemming te zijn met het Concessiebesluit, het Programma van Eisen en het Jaarplan Vervoer. De Concessieverlener hecht er daarbij veel waarde aan dat de Concessiehouder belanghebbenden zoals de Concessiegemeenten en de RAR nauw betrekt bij het opstellen van het Jaarplan Vervoer. Het Jaarplan Vervoer is een van de Jaarplannen van de Concessiehouder. Zoals alle Jaarplannen dient het Jaarplan Vervoer een invulling van het Ontwikkelplan te zijn. Het Jaarplan Vervoer geeft aan welke voorstellen uit het Ontwikkelplan in het eerstvolgende Dienstregelingjaar worden gerealiseerd en op welke wijze dit plaats gaat vinden. Het Jaarplan Vervoer voldoet tevens aan de uitgangspunten van het van de Concessieverlener verstrekte Kaderbrief. De Concessieverlener stelt het Jaarplan Vervoer vast.
1
Artikel 30 Inhoud Jaarplan Vervoer Het door de Concessiehouder in te dienen ontwerp Jaarplan Vervoer (Bijlage 2) voldoet aan de eisen gesteld bij of krachtens het Concessiebesluit, waaronder de eisen in dit hoofdstuk (Vervoerkundige Uitgangspunten). Het ontwerp Jaarplan Vervoer voldoet tevens in ieder geval aan de volgende eisen: a. het bevat een toelichting hoe de Concessiehouder aan alle in de artikelen in dit hoofdstuk voldoet; b. het bevat een toelichting hoe de Concessiehouder aan de uitgangspunten in het van de Concessieverlener verstrekte Kaderbrief, zoals bedoeld in artikel 30, lid 1, voldoet;
pagina 57 van 161
c. het bevat een toelichting hoe de Concessiehouder aan het bepaalde in het Ontwikkelplan voldoet; d. het bevat een toelichting op de effecten van het ontwerp Jaarplan Vervoer op het AMRI-overeenkomst, de Strategische Activa en op sociale en fysieke veiligheid; e. het bevat gemotiveerde voorstellen voor aanpassingen van het Openbaar Vervoeraanbod in het volgende Dienstregelingjaar en een doorkijk naar de beoogde wijzigingen voor het daaropvolgende Dienstregelingjaar, in ieder geval voor zover voor deze wijzigingen substantiële infrastructurele wijzigingen nodig zijn; f. het bevat een analyse van specifieke doelgroepen en gemotiveerde voorstellen hoe de Concessiehouder beter gaat inspelen op de behoeften van deze doelgroepen; g. het bevat de informatie zoals omschreven in Bijlage 4, waaronder begrepen een voorstel voor de nummering van Lijnen zoals bedoeld in artikel 28, lid 4; h. de omvang van het in het volgende Dienstregelingjaar aan te bieden Openbaar Vervoer, uitgedrukt in Dienstregelingkilometers, staat in verhouding tot het referentieniveau voor het betreffende Dienstregelingjaar tenzij de Concessieverlener in het kader van een Jaarplan Vervoer anders beschikt; i.
het is uitvoerbaar gelet op de capaciteit van de infrastructuur en de capaciteit en inzetbaarheid van het beschikbare Materieel, met inbegrip van tijdelijk niet beschikbare infrastructuur waarvan de Concessiehouder wordt geacht op de hoogte te zijn. De Concessiehouder betrekt daarbij de Concessiegemeenten; j. het omvat een omschrijving van de realiseerbaarheid van bijvoorbeeld aanpassingen van de beschikbare infrastructuur, zonder dat hiervoor een financiële bijdrage van de Concessieverlener nodig is, tenzij de Concessieverlener vooraf expliciet met deze aanpassingen heeft ingestemd; k. het bevat een onderbouwing op welke wijze de positieve effecten van een investering in infrastructuur worden vertaald in de Dienstregeling ten goede aan de Reizigers, zoals bedoeld in artikel 27, lid 7; l. het omvat een beschrijving van de afstemming met aangrenzende concessies; m. het is in ieder geval gebaseerd op de resultaten van kwalitatief en kwantitatief onderzoek van de Concessiehouder waaronder, maar niet beperkt tot, • de analyse van de wensen van Reizigers; • de belangrijkste klachten ten aanzien van het Lijnennet en de Geldende Dienstregeling; • een analyse van het gebruik van het Openbaar Vervoer; • een analyse van demografische, infrastructurele, ruimtelijke en sociaaleconomische ontwikkelingen; en • de Rijtijden. n.
het is in ieder geval gebaseerd op de wensen van de Concessieverlener en de Concessiegemeenten en omvat in ieder geval de volgende onderdelen: i. de effecten van de wijzigingsvoorstellen voor de kwantiteiten (Dienstregelingkilometers) en Reizigers, per voorstel en in een totaaloverzicht, waarbij de Concessiehouder in ieder geval aangeeft hoeveel Reizigers voor- en nadeel ondervinden, onderscheiden naar de diverse doelgroepen zoals forenzen, scholieren, recreatieve Reizigers en Reizigers met een mobiliteitsbeperking, alsmede de cumulatieve Reistijdverandering voor deze groepen Reizigers. Uitgangspunt daarbij is dat de voordelen van het geheel van alle wijzigingsvoorstellen voor Reizigers in beginsel substantieel groter zijn dan de nadelen, tenzij de Concessieverlener anders bepaalt; ii. de gevolgen voor de ontsluiting van Woon- en Werkgebieden, bediening van Haltes, frequentie, fijnmazigheid, Lijnvoering, Aansluitingen, lokale fiets- en
pagina 58 van 161
2 3
loopnetwerken, fietsenstallingen, toegankelijke Haltes en Afstemming tussen Lijnen op gezamenlijke trajecten; iii. in geval Haltes niet meer (door een Andere Lijn) bediend worden, een zorgvuldige afweging van de gevolgen voor de onder i en ii beschreven aspecten; iv. in geval van een wijziging in de Lijnvoering, een zorgvuldige afweging van de gevolgen voor verkeersveiligheid en leefbaarheid (inpassing in en overlast voor de omgeving), beperkingen van de beschikbare infrastructuur en de eisen aan de ontsluiting van Woon- en Werkgebieden; en v. het gaat vergezeld van het advies van de RAR. De Concessiehouder vermeldt daarbij gemotiveerd of, en zo ja, op welke wijze, rekening is of zal worden gehouden met de adviezen van RAR. Indien onderdelen van adviezen van de RAR niet of niet geheel zijn overgenomen in het ontwerp Jaarplan Vervoer, motiveert de Concessiehouder waarom van de desbetreffende onderdelen van de adviezen is afgeweken. Het door de Concessiehouder in te dienen ontwerp Jaarplan Vervoer is tevens voorzien van een onderbouwing op basis van de actuele Vervoerprognose, zoals bedoeld in artikel 3. De kosten van alle in het Jaarplan Vervoer voorgestelde wijzigingen die betrekking hebben op de uitvoering van de Concessie, zijn voor rekening en risico van de Concessiehouder en komen op generlei wijze ten laste van de Concessieverlener.
pagina 59 van 161
4
BETROUWBAARHEID
De betrouwbaarheid van het Openbaar Vervoer is van grote invloed op de beleving die Reizigers bij het Openbaar Vervoer hebben. Ontbreekt het vertrouwen in de betrouwbaarheid van het Openbaar Vervoer, dan kiest een deel van de mensen voor andere vervoermiddelen. Een betrouwbare en regelmatige uitvoering van de Dienstregeling is belangrijk om optimaal in te spelen op de behoeften van de Reizigers. De taken en verantwoordelijkheden voor de uitvoeringskwaliteit van de Dienstregeling liggen bij de Concessiehouder. De Concessiehouder voldoet daarbij ten minste aan de in dit hoofdstuk beschreven normen en eisen. De Concessieverlener heeft de Ambitie om meer integraal te sturen op een betrouwbare uitvoering van de Dienstregeling. Daarbij bepaalt de samenhang tussen de Concessie, de Strategische Activa, sociale veiligheid, het AMRI-overeenkomst en wetgeving over fysieke veiligheid de uitvoering van de Exploitatie, gezamenlijk: het Werkend Reizigersvervoersysteem (WRVS).
4.1
VERVOERGARANTIE
Voor Reizigers is het belangrijk om de zekerheid te hebben dat als zij op een Halte staan ze ook met de eerstvolgende Rit mee kunnen. Om te bewerkstelligen dat Reizigers zo comfortabel mogelijk kunnen reizen stelt de Vervoerregio bovendien hoge normen ten aanzien van de door de Concessiehouder in te zetten capaciteit.
1
2 3
4
Artikel 31 Vervoergarantie De Concessiehouder vervoert met de eerstkomende Rit van een Lijn alle Reizigers, alsmede de door hen meegevoerde handbagage en levende dieren, die zich op een Halte of Station bevinden om te reizen met de desbetreffende Rit van de desbetreffende Lijn (met in achtneming van de Algemene voorwaarden stads- en streekvervoer 2015 of diens opvolger(s)). De Concessiehouder draagt er zorg voor dat op iedere Rit de aangeboden capaciteit niet lager is dan de minimale capaciteit die is vastgelegd in de Geldende Dienstregeling, tenzij de Concessieverlener vooraf met de inzet van een lagere capaciteit heeft ingestemd. De Concessiehouder draagt er zorg voor dat op iedere Lijn in iedere richting tijdens ieder uur van de Dag en Nacht op het drukste punt gemiddeld niet meer dan 60% van het maximale aantal zit- en staanplaatsen in de Voertuigen bezet is, die de Concessiehouder tijdens het desbetreffende uur voor de uitvoering van de Ritten van de desbetreffende Lijn in de desbetreffende richting inzet. Om de eisen in lid 3 te voldoen, gaat de Concessiehouder bij het bepalen van het benodigde aantal zit- en staanplaatsen voor elke Lijn uit van het Voertuig met het laagste aantal zit- en staanplaatsen dat op enige Rit van de betreffende Lijn in het betreffende Uurblok wordt ingezet.
In het geval van trajecten die door meerdere Lijnen worden bediend en waarop naar het oordeel van de Concessieverlener sprake is van parallelliteit, gaat de Concessiehouder bij het bepalen van het benodigde aantal zit- en staanplaatsen voor elke Lijn uit van het Voertuig met het laagste aantal zit- en staanplaatsen dat op enige Rit op het betreffende traject in het betreffende Uurblok wordt ingezet. Als trajecten waarop naar het oordeel van de Concessieverlener sprake is van parallelliteit, gelden in ieder geval alle trajecten die door meerdere door Metro’s bediende Lijnen worden bediend. In het geval dat, naar het oordeel van de Concessieverlener, de overwegingen van de Concessiehouder aanleiding tot afwijkingen geven, mag de Concessiehouder hiervan afwijken. De Concessiehouder dient hiervoor in zijn concept Jaarplan Vervoer een gemotiveerd voorstel in. De Concessieverlener stelt dit voorstel al dan niet vast. pagina 60 van 161
5
6 7
8
9
10
De Concessiehouder gaat bij de berekening van het maximum aantal staanplaatsen in een Voertuig als bedoeld in leden 3 en 4 uit van ten hoogste vier staande Reizigers per m2 in dat deel van de binnenruimte van het Materieel dat bestemd is voor het vervoer van staande Reizigers. Ter toetsing van de berekening van het maximum aantal staanplaatsen, levert de Concessiehouder aan de Concessieverlener plattegronden van elk type Voertuig waarop is aangegeven welk deel van de binnenruimte van het desbetreffende type Voertuig bestemd is voor het vervoer van staande Reizigers en wat de totale oppervlakte van dit deel van de binnenruimte is (uitgedrukt in m2). Ruimte voor het vervoer van rolstoelen en ruimte voor opklapbare zitplaatsen worden geacht deel uit te maken van het voor staanplaatsen beschikbare vloeroppervlak. In aanvulling op het bepaalde in lid 3 draagt de Concessiehouder er zorg voor dat Reizigers in een Ontsluitende Lijn op zo veel mogelijk Ritten kunnen zitten. De Concessiehouder draagt er blijvend zorg voor dat op iedere Lijn de aangeboden capaciteit steeds voldoende is om aan het bepaalde in leden 1 en/of 3 te voldoen.
Indien de Concessiehouder vaststelt dat de aangeboden capaciteit op een Lijn structureel onvoldoende is (geworden) om aan het bepaalde in leden 1 en/of 3 te voldoen, zet de Concessiehouder op de desbetreffende Lijn extra capaciteit in en past hij daartoe zo nodig de Geldende Dienstregeling van de desbetreffende Lijn aan, zodat alsnog aan het bepaalde in leden 1 en/of 3 wordt voldaan, tenzij de Concessieverlener en de Concessiehouder anders overeenkomen. Indien als gevolg van voornoemde aanpassing van de Dienstregeling de in de tot het moment van de aanpassing Geldende Dienstregeling opgenomen Aansluitingen en/of Afstemmingen geheel of gedeeltelijk zouden komen te vervallen, past de Concessiehouder tevens de Dienstregeling van Andere Lijnen zodanig aan dat deze Aansluitingen en/of Afstemmingen behouden blijven, tenzij de Concessieverlener en de Concessiehouder anders overeenkomen. De Concessieverlener kan de Concessiehouder opdragen, binnen zes weken na een daartoe gedane Aanwijzing van de Concessieverlener, op een Lijn extra capaciteit in te zetten en daartoe zo nodig de Geldende Dienstregeling van de desbetreffende Lijn aan te passen, indien de Concessieverlener bij de Concessiehouder twijfels heeft geuit of de capaciteit die de Concessiehouder op een Lijn inzet voldoende is om steeds aan het bepaalde in leden 1 en/of 3 te voldoen en: a.
uit actuele gegevens omtrent het aantal Reizigers op de desbetreffende Lijn blijkt dat de op de desbetreffende Lijn ingezette capaciteit inderdaad onvoldoende is om aan het bepaalde in leden 1 en/of 3 te voldoen; of b. de Concessiehouder niet door middel van actuele gegevens omtrent het aantal Reizigers op de desbetreffende Lijn kan aantonen dat de capaciteit die de Concessiehouder op deze Lijn inzet steeds voldoende is om aan het bepaalde in leden 1 en/of 3 te voldoen. Indien door een onvoorzienbare extra vraag van Reizigers op een Rit onvoldoende capaciteit aanwezig is om alle op een Halte aanwezige Reizigers te vervoeren, zorgt de Concessiehouder ervoor dat deze Reizigers zo spoedig mogelijk vanaf de desbetreffende Halte vervoerd worden. De Concessiehouder voert hiertoe zo nodig één of meer extra Ritten uit. De Concessiehouder voert in ieder geval binnen 45 minuten na de geplande vertrektijd van de Rit als bedoeld in de eerste volzin van dit lid één of meer extra Ritten uit indien (i) ook op de Ritten die binnen 30 minuten na deze vertrektijd vanaf de desbetreffende Halte vertrekken onvoldoende capaciteit aanwezig is om alle op de Halte aanwezige Reizigers te vervoeren of (ii) er geen Rit binnen 30 minuten na de geplande vertrektijd vanaf de desbetreffende Halte vertrekt.
De Concessiehouder zet bij een te voorziene extra vraag van Reizigers op voorhand extra capaciteit in door grotere Voertuigen in te zetten of extra Ritten aan te bieden indien:
pagina 61 van 161
a. de Concessiehouder op voorhand inzicht heeft in de omvang van de extra vraag van Reizigers, bijvoorbeeld in geval van feestdagen, werkzaamheden op de weg of aan het hoofdspoornet, en Evenementen; of b. de extra vraag van Reizigers binnen een redelijke termijn, doch minimaal 24 uur van tevoren is aangekondigd bij de Concessiehouder, bijvoorbeeld in geval van incidentele Evenementen.
4.2
RITUITVAL
Reizigers moeten ervan uit kunnen gaan dat hun Rit wordt uitgevoerd. Rituitval is, zeker in een grote stad als Amsterdam, echter nooit helemaal te voorkomen. De Concessieverlener verwacht wel dat de Concessiehouder zich maximaal inspant om de uitval van Ritten te voorkomen en de overlast voor Reizigers te minimaliseren wanneer een Rit onverhoopt toch uitvalt. De Concessiehouder heeft invloed op Rituitval via de Concessie. Rituitval kan echter ook te wijten zijn aan oorzaken die geregeld zijn in het AMRI-overeenkomst. Op termijn ontwikkelt de Concessieverlener normwaarden voor het hele Werkend Reizigersvervoerysteem (WRVS). De eisen in de onderstaande artikelen met betrekking tot Rituitval gelden specifiek voor de Concessie die onderdeel uitmaakt van het WRVS. De mogelijkheid bestaat dat de Concessieverlener deze eisen in de toekomst gedurende de looptijd aanpast en de Concessiehouder ook aan gaat sturen op integrale normen op het hele WRVS. Tot die tijd gelden de eisen zoals opgenomen in de onderstaande artikelen.
1 2
3
4
Artikel 32 Rituitval De Concessiehouder voert alle in de Geldende Dienstregeling vastgelegde Ritten nauwgezet, volledig en adequaat uit. De Concessiehouder zorgt ervoor dat in enig kwartaal het aantal Uitgevallen Dienstregelingkilometers dat te wijten is aan het niet nakomen van in de Concessie opgenomen eisen: • in totaal niet meer dan 0,5% van het totaal aantal in de Geldende Dienstregeling opgenomen Dienstregelingkilometers bedraagt; en • per Ontsluitende Lijn, HOV-Lijn of Nachtlijn niet meer dan 0,5% van het aantal in de Geldende Dienstregeling opgenomen Dienstregelingkilometers van de betreffende Lijn bedraagt; en • per Verbindende Lijn niet meer dan 1,0% van het aantal in de Geldende Dienstregeling opgenomen Dienstregelingkilometers van de betreffende Lijn bedraagt. Voor Lijnen in de categorie Andere Lijnen gelden in principe dezelfde normen als voor Ontsluitende Lijnen, tenzij de Concessieverlener, al dan niet op verzoek van de Concessiehouder, tijdens een procedure van een Jaarplan Vervoer anders bepaalt. De Concessieverlener toetst een eventueel alternatief voorstel van de Concessiehouder aan de belangen van Reizigers.
In afwijking van het bepaalde in lid 2 geldt dat de Concessiehouder vanaf het moment dat de Concessieverlener een normwaarde vaststelt die geldt voor het hele WRVS, ervoor zorgt dat over het hele WRVS in enig kwartaal het aantal Uitgevallen Dienstregelingkilometers niet hoger is dan de van de Concessieverlener bepaalde normwaarde. Indien een Rit van een Lijn die op het moment van Rituitval een minimale frequentie van twaalf Ritten per uur en richting heeft, – onverhoopt – gedeeltelijk of volledig uitvalt, mag de Concessiehouder de in de Geldende Dienstregeling vermelde vertrektijden van de voorafgaande en de eerstvolgende Rit van de desbetreffende Lijn aanpassen ten behoeve van de regelmaat. Indien een Rit van een Lijn die op het moment van Rituitval een minimale frequentie van minder dan twaalf Ritten per uur en richting heeft, – pagina 62 van 161
5
onverhoopt – gedeeltelijk of volledig uitvalt, mag de Concessiehouder de voorafgaande Rit van de desbetreffende Lijn later laten vertrekken ten behoeve van de regelmaat. De Concessiehouder informeert de Vervoerregio maandelijks over het aantal Uitgevallen Dienstregelingkilometers en biedt in het Jaarplan Vervoer een evaluatie van de Rituitval en de Capaciteitsuitval. De Concessiehouder levert daarbij in ieder geval het aantal en het percentage van Uitgevallen Dienstregelingkilometers en Ritten met een lagere capaciteit dan in de Geldende Dienstregeling aangegeven (inclusief Rituitval en Capaciteitsuitval dat te wijten is aan het niet nakomen van in de Concessie opgenomen eisen) alsmede de oorzaken van alle Rituitval in de gehele Geldende Dienstregeling, per Lijntype en per Lijn. De Concessiehouder geeft als oorzaak voor elk Rituitval één van de volgende oorzaken aan: • Personeel; • Materieel; • infrastructuur; • Bijzondere Omstandigheden; • overige hulpdiensten (politie of brandweer); • overig. Het is de Concessiehouder toegestaan om de aangegeven categorieën van oorzaken verder uit te splitsen naar subcategorieën. De Concessieverlener behoudt zich het recht voor om de aangegeven categorieën tijdens de looptijd van de Concessie te wijzigen.
Om de informatie van de Concessiehouder, zoals bedoeld in dit lid, te kunnen toetsen, kan de Vervoerregio gebruik maken van gegevens die verzameld worden om Reizigers van actuele reisinformatie te voorzien en de uitvoeringskwaliteit te beoordelen dan wel van gegevens die in opdracht van de Vervoerregio zijn verzameld. Op basis van deze gegevens kan de Vervoerregio bepalen of de Concessiehouder Ritten (volledig) heeft uitgevoerd.
4.3
PUNCTUALITEIT
Bij betrouwbaarheid is het voor de Reiziger van groot belang om op tijd aan te komen. Een stipte uitvoering van de Dienstregeling is mede van belang zodat Reizigers hun overstap op aansluitende Ritten kunnen halen. De Concessieverlener heeft in deze paragraaf daarom een aantal normen opgenomen wat betreft een punctuele uitvoering van de Geldende Dienstregeling. De Concessieverlener heeft daarbij de Ambitie om in de toekomst op per Lijntype verschillende indicatoren te sturen, afhankelijk van de functie van en de behoeften van de doelgroepen op deze Lijnen. De Concessieverlener eist concreet van de Concessiehouder om: • op HOV-Lijnen meer te gaan sturen op regelmaatbeheersing en een lage rijtijdspreiding in plaats van punctualiteit; • op Ontsluitende en Verbindende Lijnen te voorkomen dat Ritten te vroeg vertrekken. De Concessieverlener heeft de Ambitie om in de Concessie te sturen op de hinder die de Reiziger ervaart (“reizigerspunctualiteit”) in plaats van de uitvoering van middelen. De Concessiehouder heeft invloed op punctualiteit via de Concessie. Punctualiteit kan echter ook te wijten zijn aan oorzaken die geregeld zijn in het AMRI-overeenkomst. Op termijn ontwikkelt de Concessieverlener normwaarden voor het hele Werkend Reizigersvervoerysteem (WRVS).
De eisen in de onderstaande artikelen met betrekking tot punctualiteit gelden specifiek voor de Concessie die onderdeel uitmaakt van het WRVS. De mogelijkheid bestaat dat de Concessieverlener deze eisen in de toekomst gedurende de looptijd aanpast en de Concessiehouder ook aan gaat sturen op integrale normen op het hele WRVS. Tot die tijd gelden de eisen zoals opgenomen in de onderstaande artikelen. pagina 63 van 161
1
2
3
4 5 6
7
8
Artikel 33 Punctualiteit De Concessiehouder draagt er zorg voor dat de Dienstregeling tijdens een Dienstregelingjaar in overeenstemming blijft met de werkelijke/reële Rijtijden, zoals bedoeld in artikel 27, lid 7. De Concessiehouder vergelijkt hiertoe de gerealiseerde Rijtijden met de Rijtijden zoals opgenomen in de Geldende Dienstregeling. De Concessiehouder draagt er zorg voor dat Ritten van HOV-Lijnen, Verbindende Lijnen en Ontsluitende Lijnen en van Nachtlijnen niet eerder vanaf een beginhalte en/of een Knooppunt vertrekken dan is vastgelegd in de Geldende Dienstregeling, tenzij de Concessiehouder gebruik maakt van het bepaalde in artikel 32, lid 4. In afwijking van het bepaalde in lid 2 draagt de Concessiehouder er zorg voor dat in het geval van afwijkingen van de Dienstregeling op een HOV-Lijn die op het moment van Rituitval een minimale frequentie van tien Ritten per uur en richting heeft, de tijd tussen twee opeenvolgende Ritten van deze HOV-Lijn op het beginpunt en op Knooppunten maximaal drie minuten afwijkt van het interval volgens de Geldende Dienstregeling. Indien de Concessiehouder niet voldoet aan de eis in dit lid, worden de betreffende Ritten in afwijking van het bepaalde in lid 12 wel meegeteld bij de in lid 12 opgenomen percentages.
De Concessiehouder draagt er zorg voor dat Ritten van Ontsluitende Lijnen en Ritten van Nachtlijnen op zo min mogelijk Haltes en op geen Station van de respectievelijke Lijn eerder vertrekken dan is vastgelegd in de Geldende Dienstregeling. De Concessiehouder draagt er zorg voor dat alle Ritten van Verbindende en Ontsluitende Lijnen en Ritten van Nachtlijnen binnen 120 seconden na de vertrektijd die in de Geldende Dienstregeling is vastgelegd vanaf de beginhalte vertrekken. De Concessiehouder draagt er zorg voor dat Ritten van HOV-Lijnen binnen 30 seconden na de vertrektijd die in de Geldende Dienstregeling is vastgelegd van de beginhalte vertrekken. In het geval dat de Concessiehouder op de desbetreffende HOV-Lijn op regelmaat stuurt, zoals bedoeld in artikel 32, lid 4, draagt de Concessiehouder er zorg voor dat het interval tussen twee Ritten van de desbetreffende HOV-Lijn nooit korter dan het in de Dienstregeling vermelde interval tussen twee Ritten is en nooit langer dan het in de Dienstregeling vermelde interval tussen twee Ritten plus 30 seconden is. De Concessiehouder draagt er zorg voor dat alle Ritten van Verbindende en Ontsluitende Lijnen en Ritten van Nachtlijnen Lijnen binnen 180 seconden na de vertrektijd die in de Geldende Dienstregeling is vastgelegd vanaf een Knooppunt – niet zijnde het beginpunt van de betreffende Lijn – vertrekken.
De Concessiehouder draagt er zorg voor dat alle Ritten van HOV-Lijnen die uitgevoerd worden door een Bus of Tram binnen 120 seconden na de vertrektijd die in de Geldende Dienstregeling is vastgelegd vanaf elk vastgelegde Knooppunt van HOV-Lijnen zoals bedoeld in dit lid – niet zijnde het beginpunt van de betreffende Lijn – vertrekken, mits de Concessiehouder op deze Lijnen niet op regelmaat stuurt, zoals bedoeld in artikel 32, lid 4. De Concessiehouder draagt er tevens zorg voor dat alle Ritten van HOV-Lijnen die uitgevoerd worden door een Metro binnen 30 seconden na de vertrektijd die in de Geldende Dienstregeling is vastgelegd vanaf elk vastgelegde Knooppunt van HOV-Lijnen zoals bedoeld in dit lid – niet zijnde het beginpunt van de betreffende Lijn – vertrekken, mits de Concessiehouder op deze Lijnen niet op regelmaat stuurt, zoals bedoeld in artikel 32, lid 4. De Concessiehouder gebruikt in ieder geval de volgende Haltes en/of Stations als Knooppunten voor de respectievelijke HOV-Lijnen:
pagina 64 van 161
Knooppunt (Halte- of Stationsnaam op basis van Dienstregeling 2024) Station Zuid Van der Madeweg Ouderkerkslaan (in de richting van Uithoorn) Sacharovlaan (in de richting van Station Zuid) Rietlandpark (in de richting van IJburg) Zuiderzeeweg (in de richting van Centraal Station) Louis Davidsstraat
9
10
11 12
HOV-lijn Alle HOV-Lijnen die worden uitgevoerd door een Metro Alle HOV-Lijnen die worden uitgevoerd door een Metro HOV-Lijn op de verbinding tussen Uithoorn en Station Zuid HOV-Lijn op de verbinding tussen Uithoorn en Station Zuid HOV-Lijn op de verbinding tussen Centraal Station en IJburg HOV-Lijn op de verbinding tussen Centraal Station en IJburg HOV-Lijn op de verbinding tussen Sloterdijk en Schiphol
In geval van vertraging van een Rit van een Lijn of van een trein waarop een Rit van een Ontsluitende Lijn of een Nachtlijn op een Knooppunt volgens de Geldende Dienstregeling Aansluiting biedt, draagt de Concessiehouder er in afwijking van het bepaalde in de leden 5 en 7 zorg voor dat de laatstgenoemde Rit zo lang op het Knooppunt wacht als nodig is om Reizigers te laten overstappen, maar binnen maximaal 300 seconden na de vertrektijd die in de Geldende Dienstregeling is vastgelegd van het Knooppunt vertrekt. In geval van vertraging van een Rit van een Lijn of van een trein waarop een Rit van een Ontsluitende Lijn of een Nachtlijn op de beginhalte of een overige Aansluitpunt, niet zijnde een Knooppunt, volgens de Geldende Dienstregeling Aansluiting biedt, draagt de Concessiehouder er in afwijking van het bepaalde in de leden 5 en 7 zorg voor dat de laatstgenoemde Rit zo lang op de beginhalte of het Aansluitpunt wacht als nodig is om Reizigers te laten overstappen, maar binnen maximaal 180 seconden na de vertrektijd die in de Geldende Dienstregeling is vastgelegd van de beginhalte of het Aansluitpunt vertrekt. In afwijking van het bepaalde in dit artikel mag de Concessiehouder in zijn Jaarplan Vervoer specifieke Aansluitingen opnemen waarbij een Rit langer wacht op een vertraagde Rit waarop Aansluiting wordt geboden.
Voor het bepaalde in leden 2 tot en met 11 geldt als norm dat vanaf het beginpunt of een Knooppunt in een bepaalde periode geen enkele Rit te vroeg mag vertrekken (0%) en dat niet meer dan 10% van de Ritten van een HOV-Lijn, niet meer dan 14% van de Ritten van een Verbindende Lijn en niet meer dan 18% van een Ontsluitende Lijn of een Nachtlijn te laat, dat wil zeggen na de in de leden 2 tot en met 11 genoemde marges, mag vertrekken. Voor Lijnen in de categorie Andere Lijnen gelden in principe dezelfde normen als voor Ontsluitende Lijnen zoals opgenomen in dit artikel, tenzij de Concessieverlener, al dan niet op verzoek van de Concessiehouder, tijdens een procedure van een Jaarplan Vervoer anders bepaalt. De Concessieverlener toetst een eventueel alternatief voorstel van de Concessiehouder aan de belangen van Reizigers. Bij de bepaling van de in dit lid genoemde percentages tellen de Ritten niet mee waarvan de vertrektijden met het oog op een regelmatige uitvoering van de Dienstregeling zijn aangepast, zoals bedoeld in lid 7 en in artikel 32, lid 4, en tellen ook de Ritten niet mee die ten behoeve van een (Gegarandeerde) Aansluiting op een vertraagde Rit vertragingen oplopen zoals bedoeld in artikel 37.
pagina 65 van 161
13
14
15
16
4.4
In afwijking van het bepaalde in lid 12 geldt dat de Concessiehouder vanaf het moment dat de Concessieverlener normwaarden voor de punctualiteit per Lijntype vaststelt die geldt voor het hele WRVS, ervoor zorgt dat over het hele WRVS in enig kwartaal het aantal niet punctuele Ritten niet hoger is dan de van de Concessieverlener bepaalde normwaarden. De Concessiehouder informeert de Vervoerregio maandelijks over het aantal Ritten waarbij de Concessiehouder niet aan bovengenoemde punctualiteiteisen heeft voldaan. Om de informatie van de Concessiehouder te kunnen toetsen, kan de Vervoerregio gebruik maken van gegevens die verzameld worden om Reizigers van actuele reisinformatie te voorzien en de uitvoeringskwaliteit te beoordelen dan wel van gegevens die in opdracht van de Vervoerregio zijn verzameld. Op basis van deze gegevens kan de Vervoerregio bepalen of Ritten op tijd van een Halte of Station zijn vertrokken. De in de Geldende Dienstregeling aangegeven vertrektijden zijn daarbij maatgevend, behalve wanneer de Concessiehouder de vertrektijden van Ritten aanpast om de overlast voor Reizigers zoveel mogelijk te beperken zoals bepaald in leden 2 en 3 en in artikel 32, lid 4. In dat geval zijn de aangepaste vertrektijden maatgevend, mits de Concessiehouder deze controleerbaar heeft vastgelegd.
In het kader van de transitie naar het sturen op reizigerspunctualiteit kan de Concessieverlener in overleg met de Concessiehouder tijdens de looptijd van de Concessie tijdens het opstellen van het Ontwikkelplan de normwaarden zoals bepaald in de artikelen 32 tot en met 34 aanpassen. De Concessiehouder mag in zijn Jaarplan Vervoer gemotiveerde voorstellen indienen voor afwijkende meetpunten voor punctualiteitsnormen dan beginpunten van Lijnen en Knooppunten. De Concessieverlener toetst elk voorstel van de Concessiehouder aan de belangen van Reizigers.
(GEGARANDEERDE) AANSLUITINGEN EN COMFORTABELE OVERSTAP 1
Artikel 34 (Gegarandeerde) Aansluitingen en Comfortabele Overstap De Concessiehouder zorgt ervoor dat Lijnen op Knoop- en overstappunten zo goed mogelijk op elkaar aansluiten en biedt op de respectievelijke Knoop- en overstappunten een Comfortabele Overstap. Een Comfortabele Overstap voldoet in ieder geval aan de volgende criteria: a. de wachttijden op de Halte of Station in het geval van Aansluitingen zo kort mogelijk zijn; b. op de Halte of het Station doelgerichte reizigersinformatie aanwezig is; c. de Halte of het Station alsmede de looproutes ertussen voor alle Reizigers zo toegankelijk mogelijk zijn; d. de looproutes tussen de vervoervormen zo makkelijk en intuïtief mogelijk zijn, waaronder in ieder geval begrepen wordt: zo kort mogelijke en verkeersveilige looproutes, coherente en voldoende wayfinding en doelgerichte reizigersinformatie; e. de looproutes tussen de vervoervormen en de Haltes zelf als prettig worden ondervonden, waaronder in ieder geval begrepen wordt: een (sociaal) veilige omgeving, aandacht voor belevingsaspecten zoals verlichting, groen, kunst en sociale of commerciële voorzieningen; f. de Halte of het Station over een goede beschutting tegen weer en geluid ten behoeve van het wachten beschikt; g. de Halte of het Station over goede wachtvoorzieningen (zoals banken en wachtplekken voor mensen met beperkingen); en h.
de Halte of het Station goed in de ruimtelijke omgeving ingepast is. De Concessiehouder dient daarbij voor elk Knoop- en overstappunt ervoor te zorgen dat in ieder geval aan de criteria a en b wordt voldaan. De Concessiehouder spant zich tevens pagina 66 van 161
2
3
4
5
6
maximaal in om samen met de verantwoordelijke en de betrokken partijen op zoveel mogelijk Knoop- en overstappunten verbeteringen met betrekking tot criteria c tot en met h te realiseren. Hiertoe neemt Concessiehouder jaarlijks in het Jaarplan Vervoer op: • een inventarisatie hoeverre de Knoop- en overstappunten voldoen aan alle criteria van een Comfortabele Overstap zoals opgenomen in dit lid; • een lijst met een prioritering van verbeterpunten van de Knoop- en overstappunten voor wat betreft de criteria c tot en met h); en • een lijst met concrete voorstellen voor verbeteringen in het eerstvolgende Dienstregelingjaar (voor Concessieverlener en overige betrokkenen) voor wat betreft de criteria c tot en met h). Daarnaast dient de Concessiehouder de regie over de realisatie van de in dit lid genoemde verbeteringen te voeren. De Concessiehouder geeft in het Jaarplan Vervoer aan: • waar en wanneer hij Aansluitingen biedt; • in hoeverre daarbij sprake is van Gegarandeerde Aansluitingen; • hoe hij daarbij rekening houdt met loopafstanden voor overstappende Reizigers op Aansluitpunten; • in hoeverre zijn Aansluitingen voldoen aan de criteria van een Comfortabele Overstap; en • welke acties hij onderneemt om zijn Aansluitingen te laten voldoen aan de criteria van een Comfortabele Overstap.
De Concessiehouder geeft vervolgens in de Dienstregeling aan waar en wanneer hij Aansluitingen biedt en in hoeverre daarbij sprake is van Gegarandeerde Aansluitingen. De Concessiehouder biedt op Knoop- en overstappunten met een significant aantal (te verwachten) overstappers Aansluitingen in de meest logische reisrichting van Lijnen en treinen op Ontsluitende Lijnen (en vice versa) en van Verbindende en HOV-Lijnen op Verbindende Lijnen (en vice versa). Daarbij streeft de Concessiehouder naar minimale wachttijden voor Reizigers en houdt maximaal rekening met de benodigde tijd tijdens het overstappen passend bij de loopafstanden bij het overstappen. De Concessiehouder biedt tevens in ieder geval op alle D-Knooppunten waar mogelijk en voor Reizigers relevant Aansluitingen van en naar zijn Lijnen op de laatste Rit van de Dag van een verbinding met Openbaar Vervoer die uitgevoerd wordt door een trein. De Concessiehouder onderbouwt en licht zijn selectie van Aansluitingen toe in zijn Jaarplan Vervoer. De Concessiehouder draagt zorg voor goede overstapsituaties voor metroverbindingen tussen A-knooppunten die niet rechtstreeks door een HOV-Lijn worden geboden (zoals bedoeld in artikel 13, lid 3).
Dat houdt in dat op deze verbinding tussen A-knooppunten: • in het geval van frequenties van minder dan tien keer per uur op ten minste één van de twee Lijnen een Aansluiting met een gegarandeerde Cross-platformoverstap op het respectievelijke overstappunt tussen de twee betreffende Metrolijnen moet worden geboden; en • indien beide Lijnen frequenties van tien keer per uur of hoger hebben, een Aansluiting op het respectievelijke overstappunt tussen de twee betreffende Metrolijnen moet worden geboden waarbij de overstaptijd maximaal drie minuten mag bedragen. De Concessiehouder zorgt ervoor dat Nachtlijnen op logische Knooppunten en wanneer het (te verwachten) aantal overstappers dit rechtvaardigt, Gegarandeerde Aansluitingen bieden van en naar treinen en het overige Openbaar Vervoer van andere concessiehouders, voor zover dit binnen de invloedssfeer van de Concessiehouder ligt. De Concessiehouder draagt er zorg voor dat in alle gevallen waarin hij een Aansluiting biedt, in ieder geval de laatste Aansluiting die op een Dag geboden wordt tussen elke Lijn pagina 67 van 161
7
8
9 10
11
12
van het Dagnet die A-knooppunten onderling en/of met andere Knooppunten verbindt, op de laatste Rit van de Dag van een overige Lijn van het Dagnet een Gegarandeerde Aansluiting is. In geval van een Gegarandeerde Aansluiting garandeert de Concessiehouder dat Reizigers op het Aansluitpunt kunnen overstappen op de aansluitende Rit. De Concessiehouder kan aan deze Gegarandeerde Aansluiting op verschillende manieren invulling geven: • de aansluitende Rit blijft op het Aansluitpunt wachten tot de Reizigers uit de vertraagde Rit zijn overgestapt; • vertraagde Reizigers kunnen binnen 20 minuten na aankomst op het Aansluitpunt verder reizen met de eerstvolgende Rit of een extra Rit van de Lijn waarop zij willen overstappen of op een Rit van een Andere Lijn die hun uitstaphalte binnen 20 minuten na aankomst van de Rit waarop zij willen overstappen bedient; • de Concessiehouder biedt Vervangend Vervoer zoals bedoeld in artikel 36, lid 1; en/of • de Concessiehouder geeft in zijn Jaarplan Reizigers (zoals bedoeld in paragraaf 2.2) aan op welke wijze hij invulling zal geven aan de eisen ten aanzien van Gegarandeerde Aansluitingen.
In het geval dat een Reiziger de laatste Rit van de Dag van een Lijn mist als gevolg van het missen van een overstap tussen twee Ritten van Lijnen van de Concessiehouder die volgens de Geldende Dienstregeling gehaald kan worden, biedt de Concessiehouder Vervangend Vervoer zoals bedoeld in artikel 36, lid 1, tenzij Reizigers binnen 20 minuten na aankomst op het Aansluitpunt kunnen overstappen op een extra Rit van de Lijn waarop zij willen overstappen of op een Rit van een Andere Lijn die hun uitstaphalte bedient. De Concessiehouder zorgt ervoor dat Reizigers via een gebruikersvriendelijke procedure een beroep kunnen doen op de Gegarandeerde Aansluiting. Bij vertragingen informeert de Concessiehouder de Reizigers in het vertraagde Voertuig over de eventuele gevolgen van de vertraging voor hun Aansluitingen. De Concessiehouder neemt hiertoe in zijn Jaarplan Reizigers een procedure op voor informatieverstrekking en communicatie richting de Reiziger bij onregelmatigheden.
Indien als gevolg van een aanpassing van de Geldende Dienstregeling van een Lijn de in het Jaarplan Vervoer en in de Dienstregeling opgenomen Aansluitingen en/of Afstemmingen zoals bedoeld in lid 2 geheel of gedeeltelijk zouden komen te vervallen, past de Concessiehouder tevens de Dienstregeling van Andere Lijnen zodanig aan dat deze Aansluitingen en/of Afstemmingen behouden blijven, tenzij de Concessieverlener en de Concessiehouder anders overeenkomen. In aanvulling op de eisen in dit artikel en in artikel 27 dient de Concessiehouder Aansluitingen en Gegarandeerde Aansluitingen op Haltes zoals opgenomen in de Vervoerkundige kaders Uithoornlijn en de Technische uitwerking vervoerkundige kaders Uithoornlijn zoals vastgesteld door het Dagelijks Bestuur van de Vervoerregio Amsterdam op 9 november 2023, te bieden, tenzij de Concessieverlener anders bepaalt. Op de Haltes zoals bedoeld in dit lid, biedt de Concessiehouder in afstemming met concessiehouders van aangrenzende concessies tijdens de gehele bedieningstijd van de betreffende HOVLijn een Aansluiting met een tijdens alle bedieningsperioden gelijkwaardige gemiddelde maximale overstaptijd van vijf minuten (op basis van één etmaal) van en naar een lijn van concessiehouders die deze Haltes aandoen.
De Concessiehouder zorgt tevens in afstemming met concessiehouders van aangrenzende concessies ervoor dat vanaf alle Haltes zoals bedoeld in dit lid een Gegarandeerde Aansluiting met de laatste Rit van de
pagina 68 van 161
Dag van de betreffende HOV-Lijn op een lijn van een aangrenzende concessie wordt geboden. De Concessiehouder geez in zijn Jaarplan Vervoer aan welke overstapmogelijkheden per Halte zoals bedoeld in dit lid, op welk moment van de Dag geboden worden en hoe deze overstapmogelijkheden worden gecommuniceerd in reisinformatie en reisplanners.
4.5
VERGOEDINGSREGELING
Hoewel het streven van de Concessiehouder moet zijn om alle Ritten volgens de Geldende Dienstregeling uit te voeren, is Rituitval of niet op tijd rijden in de praktijk niet altijd te voorkomen. De Concessieverlener verwacht van de Concessiehouder dat hij Reizigers in dat geval compenseert voor dit ongemak.
1
2
3 4
5 6 7 8
9
Artikel 35 Vergoedingsregeling De Concessiehouder hanteert overeenkomstig artikel 33 lid 3 onder sub b van het Bp2000 een Vergoedingsregeling. De Vergoedingsregeling compenseert de betreffende Reiziger (ongeacht de verwijtbaarheid van de Concessiehouder) indien: a. de Reiziger langer dan 60 minuten op een Halte moet wachten dan wel meer dan 60 minuten vertraging oploopt omdat de uitvoeringskwaliteit ten aanzien van Vervangend Vervoer niet voldoet aan de eisen beschreven in artikel 36, lid 1; b. een Gegarandeerde Aansluiting niet gerealiseerd wordt en de Concessiehouder geen of onvoldoende invulling geeft aan de Aansluitgarantie zoals bedoeld in artikel 34; en c. de Reiziger door vertraging of uitval van zijn Rit langer dan 35 minuten op zijn aansluitende Rit heeft moeten wachten waardoor een dubbel opstaptarief in rekening gebracht wordt. De Concessiehouder compenseert als onderdeel van de Vergoedingsregeling Reizigers als bedoeld in lid 1, sub b, door het vergoeden van de volledige taxikosten voor een taxirit vanaf de Halte waar de Reiziger de vertraging heeft opgelopen naar de bestemming van de Reiziger, voor zover gelegen binnen het gehele werkgebied van de Concessieverlener, dus inclusief overige concessies die de Concessieverlener verleent.
De Concessiehouder compenseert als onderdeel van de Vergoedingsregeling Reizigers als bedoeld in lid 1, sub c , door het vergoeden van het opstaptarief. In aanvulling op het bepaalde in lid 1, compenseert de Concessiehouder Reizigers in de eerste maand na de implementatie van grootschalige wijzigingen in de Dienstregeling voor de ondervonden hinder op het moment dat de uitval van Ritten in deze maand meer dan 1% bedraagt en/of meer dan 25% van de Ritten meer dan 120 seconden te laat van hun beginpunt en/of meer dan 180 seconden te laat van een Knooppunt vertrekken. De Concessiehouder stelt Reizigers door middel van een gebruikersvriendelijke procedure in de gelegenheid een beroep te doen op de Vergoedingsregeling. De Concessiehouder legt deze procedure ter goedkeuring voor aan de Concessieverlener. De Concessiehouder draagt er zorg voor dat de Vergoedingsregeling, met inbegrip van de in lid 5 bedoelde procedure, bekend is bij Reizigers. De Concessiehouder spant zich maximaal in om een vergoedingsprocedure in te stellen waarbij Reizigers automatisch, zonder dat de Reiziger daarvoor een beroep op de Vergoedingsregeling moet doen, gecompenseerd worden.
De Concessiehouder volgt bij het opzetten van de Vergoedingsregeling de toepasselijke wet- en regelgeving en eventuele landelijke afspraken ten aanzien van een Vergoedingsregeling voor het Openbaar Vervoer, en draagt er zorg voor dat de Vergoedingsregeling hiermee niet in strijd is. Indien de Concessiehouder tot een wijziging van de Vergoedingsregeling besluit, legt de Concessiehouder een voorstel tot wijziging van de Vergoedingsregeling ter goedkeuring pagina 69 van 161
aan de Concessieverlener voor. Alvorens de Concessiehouder het wijzigingsvoorstel aan de Concessieverlener voorlegt, legt de Concessiehouder het wijzigingsvoorstel ter advisering voor aan de Reizigers Advies Raad (RAR). De Concessieverlener beslist binnen 20 Werkdagen, gehoord hebbende het advies van de Reizigers Advies Raad, of de Vergoedingsregeling na de voorgestelde wijziging voldoet aan de eisen in dit artikel en stelt de wijziging al dan niet vast.
4.6
AFWIJKEN VAN DE DIENSTREGELING
4.6.1 Incidenten, calamiteiten en Evenementen 1
2
3
4
Artikel 36 Incidenten, calamiteiten en Evenementen Indien bij Incidenten en calamiteiten één of meer Lijnen één of meer Haltes niet kunnen bedienen, spant zich de Concessiehouder maximaal in om vanaf en naar iedere niet bediende Halte per Lijn binnen 60 minuten na de volgens de Geldende Dienstregeling geplande vertrektijd van de eerste als gevolg van het Incident niet uitgevoerde Rit Vervangend Vervoer in te zetten. Het Vervangend Vervoer dient als zodanig herkenbaar te zijn, voldoende capaciteit te hebben en toegankelijk te zijn om de vraag van Reizigers op redelijke wijze te verwerken. In het geval dat het Vervangend Vervoer niet toegankelijk is voor mensen met een mobiliteitsbeperking biedt de Concessiehouder voor deze Reizigers een adequaat alternatief. De Concessiehouder dient de Reizigers op de niet bediende Haltes en in de Voertuigen van de betreffende Lijnen, zoals bedoeld in lid 1, adequaat te informeren over het Vervangend Vervoer. De Concessiehouder informeert Reizigers in ieder geval: • op Haltes en Stations uitgerust met Displays voor het tonen van actuele reisinformatie; • in de Voertuigen; en • via alle digitale kanalen (zoals de website en mobiele apps), over alternatieve reismogelijkheden waarvan zij gebruik kunnen maken. met inachtneming van het bepaalde in Hoofdstuk 7.
In afwijking van het bepaalde in lid 1 hoeft de Concessiehouder geen Vervangend Vervoer vanaf en naar niet bediende Haltes in te zetten indien naar het oordeel van de Concessieverlener: • voor de Reizigers vanaf en naar de betreffende Halte(s) al adequate alternatieve reismogelijkheden (zoals bedoeld in lid 6) bestaan en de Concessiehouder de Reizigers op deze Halte(s), voor zover uitgerust met Displays voor het tonen van actuele reisinformatie, in de Voertuigen van de betreffende Lijn en via digitale kanalen (zoals via zijn website en mobiele apps) adequaat heeft geïnformeerd over deze alternatieve reismogelijkheden; of • de beschikbare infrastructuur de inzet van Vervangend Vervoer vanaf en naar de desbetreffende Halte(s) niet toelaat en de Concessiehouder niet kan uitwijken naar alternatieve routes. De Concessiehouder geeft in zijn Jaarplan Reizigers aan hoe hij aan deze verplichting zal gaan voldoen.
Indien bij Incidenten en calamiteiten één of meer Lijnen één of meer Haltes niet kunnen bedienen, draagt de Concessiehouder er zorg voor dat Reizigers, voor wie het Incident of de calamiteit van invloed kan zijn op hun reis, op de Haltes en in het Materieel met alle de Concessiehouder ter beschikking staande middelen en via digitale kanalen (zoals via zijn website en mobiele apps) worden geïnformeerd over: • de gevolgen van het Incident of de calamiteit voor de uitvoering van de desbetreffende Lijn(en); • adequate alternatieve reismogelijkheden (zoals bedoeld in lid 6); en pagina 70 van 161
5
6
• de inzet van Vervangend Vervoer. met inachtneming van het bepaalde in Hoofdstuk 7. In geval van Grootschalige Evenementen in het Concessiegebied die gevolgen hebben voor de reguliere uitvoering van de Dienstregeling, verricht de Concessiehouder alle noodzakelijke activiteiten om ook in deze gevallen een zo hoog mogelijke uitvoeringskwaliteit te bieden. De Concessiehouder zorgt ervoor dat de uit te voeren noodzakelijke activiteiten niet ten koste gaan van de uitvoering van de reguliere Exploitatie. De Concessiehouder neemt in zijn Jaarplan Vervoer een limitatieve lijst op waarin hij aangeeft welke Grootschalige Evenementen hij voorziet. In het geval van andere Evenementen is het de Concessiehouder toegestaan om kosten voor het bieden van een zo hoog mogelijke uitvoeringskwaliteit in rekening te brengen bij de desbetreffende organisator van het Evenement. Adequate alternatieve reismogelijkheden zijn Ritten van Bus-, Tram- en Metrolijnen (waaronder begrepen Buslijnen van andere concessiehouders) vanaf en naar een niet bediende Halte of vanaf en naar een Halte op maximaal 250 meter loopafstand van de niet bediende Halte, waarvoor geldt dat: a. Reizigers op de niet bediende Halte door gebruik te maken van deze Ritten hun bestemming met maximaal één extra overstap kunnen bereiken; en b.
het aannemelijk is dat deze Ritten voldoende capaciteit hebben om het extra aanbod aan Reizigers als gevolg van het Incident te verwerken.
4.6.2 Omleidingen 1
2
3
4
Artikel 37 Omleidingen In geval van een omleiding stelt de Concessiehouder een Tijdelijke Dienstregeling op die erin voorziet dat de hinder voor Reizigers geminimaliseerd wordt en ervoor zorgt dat zoveel mogelijk Reizigers bij hun gebruikelijke Haltes en/of Stations kunnen blijven in- en uitstappen, ook als een deel van de route van de Lijn niet beschikbaar is. De Concessiehouder verwerkt omleidingen die langer dan één week duren minimaal vijf Werkdagen van tevoren in de op zijn website gepubliceerde Dienstregeling en draagt zorg voor de levering van de geactualiseerde gegevens ten behoeve van reisinformatie op de diverse DRIS-systemen en andere denkbare bronnen van digitale reisinformatie aan de NDOV-loketten en DOVA OV-data conform het bepaalde in het document ‘Concessiebijlage datasets OV’ (Bijlage 5) of diens opvolger(s). De Concessiehouder hangt minimaal vijf Werkdagen van tevoren duidelijk leesbare en begrijpelijke mededeling conform het bepaalde in artikel 68 op de Haltes en Stations langs de routes die als gevolg van de omleiding wijzigen, zonder dat dit ten koste gaat van overige relevante reisinformatie op deze Haltes en Stations.
Ingeval wegbeheerders minder dan drie weken van tevoren bij de Concessiehouder aangeven dat er werkzaamheden plaatsvinden en welke impact deze werkzaamheden eventueel hebben op (de uitvoering van) de Dienstregeling, zorgt de Concessiehouder ervoor dat de in de eerste volzin bedoelde informatie zo snel mogelijk is aangebracht. In het geval dat de Concessiehouder de routes van Ritten in het gevolg van verstoringen en calamiteiten moet wijzigen, draagt de Concessiehouder er maximaal zorg voor dat hij de route van de Lijn(en) aanpast op basis van vooraf door de Concessiehouder opgestelde calamiteitenscenario’s. Dit houdt in ieder geval in dat de Concessiehouder de route van de Lijn(en) dusdanig aanpast dat Reizigers, onder wie Reizigers met een mobiliteitsbeperking, gedurende de Tijdelijke Dienstregeling vanwege de calamiteit zo min mogelijk hinder ondervinden. Dit houdt tevens in ieder geval in dat de Concessiehouder zoveel mogelijk Haltes en of Stations van de route van de Lijn(en) blijft bedienen, mits dit in het belang van Reizigers is. Daarbij maakt de Concessiehouder gebruik van inzichten over het reisgedrag, oftewel herkomst en bestemmingen van de pagina 71 van 161
5 6
4.7
Reizigers. Daarnaast geeft de Concessiehouder prioriteit aan de beperking van hinder op HOV-Lijnen en Ontsluitende Lijnen en verschuift desnoods de inzet van Rijdend Personeel van Andere Lijntypes. In het geval dat een wijziging van de route bij verstoringen en calamiteiten zoals bedoeld in lid 1 tot gevolg heeft dat Ritten niet hun eindpunt bereiken oftewel van hun beginpunt vertrekken, tellen deze Ritten niet mee voor de eisen in artikelen 32 en 33 De Concessiehouder volgt in het geval van vooraf te plannen omleidingen van Tram- en Metrolijnen in ieder geval de bestaande TBGN-procedure of haar opvolger(s).
BETROUWBAARHEID IN HET JAARPLAN REIZIGERS
De Concessieverlener verwacht dat de Concessiehouder de maatregelen die hij treft met het oog op een betrouwbare uitvoering van de Geldende Dienstregeling jaarlijks in het Jaarplan Reizigers vastlegt. De Concessiehouder stelt gedurende de looptijd van de Concessie zijn maatregelen jaarlijks in het Jaarplan Reizigers bij op basis van de ervaringen die hij tijdens de uitvoering van het Openbaar Vervoer zowel binnen als buiten de Concessie heeft opgedaan.
1
Artikel 38 Betrouwbaarheid in het Jaarplan Reizigers In het Jaarplan Reizigers beschrijft de Concessiehouder welke plannen hij heeft en welke maatregelen hij zal treffen om aan de eisen aan de uitvoeringskwaliteit van de Geldende Dienstregeling zoals bedoeld in de artikelen in dit hoofdstuk te voldoen, of respectievelijk om in geval van Evenementen, Incidenten en calamiteiten, de uitvoeringskwaliteit van de Geldende Dienstregeling te verbeteren. De Concessiehouder besteedt in het Jaarplan Reizigers eveneens aandacht aan: a. maatregelen om de communicatie met Reizigers bij Rituitval, verstoringen, omleidingen, calamiteiten en Evenementen op basis van evaluaties te verbeteren waarbij in ieder geval ook de binnengekomen klachten en suggesties van Reizigers worden meegenomen; b. maatregelen om te voorkomen dat Ritten uitvallen of te vroeg of te laat vertrekken, en maatregelen en procedures die aangeven op welke wijze de Concessiehouder de Rituitval, eventueel gewijzigde vertrektijden en eventuele alternatieve reismogelijkheden (inclusief de informatie of die al dan niet toegankelijk zijn) richting Reizigers zal communiceren, waarbij hij gebruik maakt van alle hem ter beschikking staande communicatiemiddelen; c.
de wijze waarop Reizigers geïnformeerd worden over vertragingen, Rituitval, gewijzigde vertrektijden van Ritten en eventuele gevolgen hiervan voor (Gegarandeerde) Aansluitingen; d. de wijze waarop gegevens met betrekking tot Rituitval en gewijzigde vertrektijden aan NDOV-loketten en DOVA OV-data ter beschikking worden gesteld teneinde Reizigers te informeren bij dergelijke verstoringen waarbij hij de bepalingen in het document ‘Concessiebijlage datasets OV’ (Bijlage 5) of diens opvolger(s) in acht neemt; e. maatregelen om te waarborgen dat de Afstemming tussen Lijnen gerealiseerd wordt; f. maatregelen om bij een (tijdelijke) toename van het aantal Reizigers, bijvoorbeeld in geval van Evenementen, de capaciteit op de desbetreffende Lijnen/Ritten snel aan te kunnen passen; g. maatregelen om te waarborgen dat Aansluitingen en Gegarandeerde Aansluitingen gerealiseerd worden en de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de eisen ten aanzien van Gegarandeerde Aansluitingen zoals bedoeld in artikel 34; h. de wijze waarop Vervangend Vervoer georganiseerd en uitgevoerd wordt zoals bedoeld in artikel 36; pagina 72 van 161
i. j.
2
3
(een eventuele wijziging van) de Vergoedingsregeling. de inzet van informatietechnologieën om de betrouwbaarheid van het Openbaar Vervoer te verhogen; en k. de planning van de uitvoering van de voorgestelde maatregelen. De Concessiehouder betrekt in elk Jaarplan Reizigers voor ieder Dienstregelingjaar de ervaringen die hij tot dan toe in het kader van de Concessie en eventueel door onderzoek naar ervaringen met andere concessies heeft opgedaan met maatregelen ter bevordering van de betrouwbaarheid van het Openbaar Vervoer. De Concessiehouder geeft aan op welke wijze hij deze ervaringen in het Jaarplan Reizigers heeft verwerkt. De Concessiehouder verleent zijn medewerking aan door de Concessieverlener geïnitieerde pilots gericht op de toepassing van nieuwe (informatie)technologieën gericht op een verbetering van de betrouwbaarheid en de beleving van het Openbaar Vervoer.
pagina 73 van 161
5
INFRASTRUCTUUR
5.1
INFRASTRUCTUUR
5.1.1 Infrastructuur
De Concessiehouder kan voor de uitvoering van de Concessie, voor wat betreft Auto’s, Bussen, Trams en Metro’s, gebruik maken van infrastructuur. De Concessiehouder wordt geacht zijn Openbaar Vervoeraanbod af te stemmen op de beschikbaarheid, capaciteit en kenmerken van de infrastructuur, waaronder vrije busbanen, busstroken, vrije bus- en trambanen, busstations en metroinfrastructuur, alsook reguliere weginfrastructuur. Het Beheer en Onderhoud van de infrastructuur maakt geen deel uit van de Concessie: dit is de verantwoordelijkheid van de wegbeheerder voor de vrije busbanen en busstations en van GVB Infra B.V., via de AMRIovereenkomst, voor de tram- en metroinfrastructuur.
1 2
Artikel 39 Infrastructuur De Concessiehouder draagt er zorg voor dat het Openbaar Vervoer aanbod is afgestemd op de capaciteit van de infrastructuur en diens kenmerken (o.a. boogstralen, breedte, hoogte en toegestane aslast). Op busstations maakt de Concessiehouder afspraken met de wegbeheerder en eventuele andere vervoerders over het gebruik van de busstations. De Concessiehouder plaatst, indien mogelijk, de Haltes van HOV (Bus- of Tram)- en Verbindende Lijnen zodanig dat de looproutes voor overstappende Reizigers van en naar trein of Metro het kortst zijn.
5.1.2 Tijdelijke Wijzigingen in de infrastructuur 1
2
3
Artikel 40 Tijdelijke Wijzigingen in de infrastructuur Uitsluitend in het geval dat de infrastructuur door de desbetreffende Infrabeheerder zodanig is gewijzigd dat de Concessiehouder voor een beperkte duur niet meer in staat is om de Jaardienstregeling of de Gewijzigde Dienstregeling in zijn geheel en volledig uit te voeren is sprake van een Tijdelijke Wijziging in de infrastructuur. In het geval dat de Concessiehouder ten minste vier weken voor de verwachte ingangsdatum op de hoogte is van een Tijdelijke Wijziging in de infrastructuur, stelt de Concessiehouder, na overleg met de desbetreffende Infrabeheerder, een Tijdelijke Dienstregeling in die erin voorziet dat de hinder voor de Reizigers wordt geminimaliseerd en communiceert deze duidelijk naar Reizigers, onder andere zoals bedoeld in artikel 37. De Concessiehouder is verantwoordelijk voor het borgen van de toegankelijkheid en duidelijk communiceren van Tijdelijke Wijzigingen tijdens het gebruik van de Tijdelijke Dienstregeling. Afwijkingen van de Jaardienstregeling of de Gewijzigde Dienstregeling in geval van een Tijdelijke Wijziging in de infrastructuur zijn slechts toegestaan met voorafgaande schriftelijke toestemming van de Concessieverlener. De Concessieverlener zal deze toestemming alleen verlenen indien: a.