CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 15 De artikelsgewijze toelichting bij de regeling zonder renvooi.pdf

RAAD 18 september 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam: Basisregeling. (VN2024-007101)70.434 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 7 van 8

De begripsomschrijvingen van bovengenoemde begrippen zijn toegesneden op de wijze waarop de bescherming van monumenten en archeologische monumenten op gemeentelijk niveau via het toekennen van een beschermde status en daardoor het van toepassing worden van bepaalde regels onder het nieuwe recht van de Omgevingswet vorm krijgt. Dit gebeurt door aan het monument of archeologisch monument in dit omgevingsplan de functieaanduiding gemeentelijk monument te geven (zie artikel 10.3, eerste lid) en, als het gaat om een voorbeschermd monument of archeologisch monument, door het voor de locatie van het monument of archeologisch monument toevoegen van een voorbeschermingsregel aan dit omgevingsplan via een voorbereidingsbesluit vanwege het voornemen om aan dat monument of archeologisch monument in dit omgevingsplan de functieaanduiding gemeentelijk monument te geven. Zoals hiervoor is aangegeven bepaalt artikel 1.1, tweede lid, in samenhang met het Besluit bouwwerken leefomgeving wat moet worden verstaan onder een 'gemeentelijk monument' of een 'voorbeschermd gemeentelijk monument'.

Daarmee zouden buiten de reikwijdte van bovengenoemde begrippen vallen monumenten en archeologische monumenten op gemeentelijk niveau die onder het voor de Omgevingswet geldende recht als gemeentelijk monument of archeologisch monument zijn aangewezen op grond van een gemeentelijke verordening of een voorbeschermde status hebben verkregen op grond van een zodanige verordening, en waaraan nog niet direct bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet in dit omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of waarvoor op dat moment in het omgevingsplan nog geen voorbeschermingsregel is opgenomen. In de praktijk werden onder het voormalige recht onder de begrippen ‘gemeentelijk monument’ en ‘voorbeschermd gemeentelijk monument’ dergelijke monumenten en archeologische monumenten verstaan (hierna samen te noemen: gemeentelijke monumenten ‘oude stijl’). Dit gevolg, dat niet is beoogd, kan zich voordoen tot het bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip waarop gemeenten over een omgevingsplan moeten beschikken dat voldoet aan alle eisen van de Omgevingswet. Uiteraard moeten de hier bedoelde gemeentelijke monumenten ‘oude stijl’ gedurende deze overgangsfase wel adequaat worden beschermd.

Dit is het geval zolang deze in dit omgevingsplan nog niet zijn voorzien van de functie-aanduiding gemeentelijk monument in het omgevingsplan of, voor zover het gaat om voorbeschermde monumenten of archeologische monumenten, ter zake een voorbeschermingsregel in dit omgevingsplan is opgenomen. Daarbij wordt er voor zover het gaat om voorbeschermde monumenten en archeologische monumenten op gewezen dat die onder de Omgevingswet niet per se eerst via een door een voorbereidingsbesluit toe te voegen voorbeschermingsregel aan het omgevingsplan hoeven te worden omgezet naar een voorbeschermd gemeentelijk monument in de zin van de begripsomschrijving uit bijlage I bij het Bbl. Afhankelijk van het tijdsverloop van de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening en van de procedure om tot vaststelling van een nieuw omgevingsplan te komen, kan er voor deze voorbeschermde monumenten en archeologische monumenten ook voor worden gekozen om deze direct, dus zonder hiervoor eerst een voorbeschermingsregel aan het omgevingsplan toe te voegen, in het nieuwe deel van het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven. Dit zal zich met name voordoen als de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening gedurende hetzelfde tijdvak gaande is als de procedure tot vaststelling van het omgevingsplan.

In dat geval kan het zo zijn dat die procedure tot aanwijzing voldoende voorziet

78

in de benodigde voorbescherming en hoeft die voorbescherming niet afzonderlijk met voorbeschermingsregels in het omgevingsplan te worden gecreëerd. Voor zover het gaat om de continuering van de gelding van de gemeentelijke verordeningen zelf en een eventueel daarin opgenomen vergunningplicht wordt in de bescherming van de hier bedoelde gemeentelijke monumenten ‘oude stijl’ al voorzien door de artikelen 22.4 en 22.8 van de Omgevingswet, zoals die artikelen bij de Invoeringswet Omgevingswet zijn toegevoegd. Maar voor een adequate bescherming van deze gemeentelijke monumenten ‘oude stijl’ is ook vereist dat de onderdelen van het omgevingsplan die betrekking hebben op gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten in overeenstemming met de daarvoor geldende begripsomschrijvingen, ook op deze gemeentelijke monumenten ‘oude stijl’ van toepassing zijn. Artikel 4.4 voorziet hierin voor wat betreft dit regelonderdeel. Daarbij is het uiteraard zo dat als bij voorbeschermde monumenten en archeologische monumenten de uitkomst van de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening is dat wordt afgezien van de aanwijzing, op dat moment de voorbescherming vervalt en niet langer sprake is van een ‘monument of archeologisch monument waarop die verordening van overeenkomstige toepassing is’ als bedoeld in het eerste lid.

Het van toepassing zijn van dit artikel op de hier bedoelde gemeentelijke monumenten ‘oude stijl’ kan dus niet alleen worden beëindigd doordat gedurende de overgangsfase daaraan in het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument wordt gegeven of ter zake in het omgevingsplan een voorbeschermingsregel wordt opgenomen (de situaties beschreven in het tweede lid), waardoor de desbetreffende monumenten en archeologische monumenten rechtstreeks onder de begrippen gemeentelijk monument en voorbeschermd gemeentelijk monument komen te vallen, maar ook doordat de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening uiteindelijk niet tot een aanwijzing leidt.

Artikel 4.5 Overgangsrecht met betrekking tot rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten Dit artikel 4.5 bevat overgangsrecht met betrekking tot rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten en gemeentelijke stads- en dorpsgezichten voor de duur dat deze nog niet als zodanig in het omgevingsplan zijn aangewezen. Dit artikel komt in de plaats van artikel 22.3, zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan. De inhoud is ongewijzigd. Dit artikel bevat bevat voor rijksbeschermde stads- en dorpgezichten overgangsrecht. Bij onder het oud recht aangewezen rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten doet zich in relatie tot de toepassing van artikel 4.13, derde lid, en artikel 5.10, aanhef en onder b, in dit omgevingsplan de situatie voor dat deze bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet buiten de bescherming vallen die deze artikelonderdelen bieden aan rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten. Deze artikelonderdelen koppelen de bescherming namelijk aan de in het omgevingsplan aan een locatie gegeven functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht, maar deze functie-aanduiding zal er op het moment van de inwerkingtreding van de Omgevingswet veelal niet zijn.

Dit omdat de systematiek van bescherming van rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten naar oud recht, anders dan onder de Omgevingswet, niet alleen via het bestemmingsplan en welstandseisen in de gemeentelijke welstandsnota verliep, maar ook via het rechtstreeks werkend sloopvergunningenstelsel in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder h, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Onder de Omgevingswet is het sloopvergunningenregime voor rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten een onderwerp dat als onderdeel van het omgevingsplan wordt geregeld. Direct bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet is in het algemeen nog niet in een adequaat sloopvergunningenregime in het omgevingsplan voorzien, omdat in bestemmingsplannen nog is uitgegaan van het bestaan van de wettelijke vergunningplicht uit artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder h, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Om te voorkomen dat door het wegvallen van die rechtstreeks uit de wet voortvloeiende vergunningplicht een hiaat in de bescherming van een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht ontstaat, is in artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet bepaald dat totdat het omgevingsplan voorziet in een adequaat beschermingsregime dat voldoet aan de in dat artikellid gestelde eisen, voor het slopen in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. Artikel 4.35, tweede lid, van die wet verklaart op deze vergunningplicht de op de vergunningplicht uit artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder h, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht betrekking hebbende weigeringsgrond uit artikel 2.16 van die wet van overeenkomstige toepassing. Voor de toepassing van artikel 4.13, derde lid, van dit omgevingsplan, zou het ontbreken in het omgevingsplan van de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht met zich brengen dat zolang in dit omgevingsplan aan een locatie waarvoor een op grond van het oude recht gegeven aanwijzing als rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht geldt die functie-aanduiding nog niet is gegeven, op die locatie artikel 4.12 en artikel 5.8 zonder beperking van toepassing zouden zijn. Dit is uiteraard onwenselijk.

Artikel 4.5 zorgt dat dit gevolg zich niet voordoet door te bepalen dat artikel 4.13, derde lid, van dit omgevingsplan van overeenkomstige toepassing zijn op deze locaties tot aan het moment waarop daaraan in dit omgevingsplan wel de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.

Artikel 4.6 Toepassingsbereik

79

In artikel 4.6 is bepaald dat afdeling 4.2 van toepassing is op het verrichten van een omgevingsplanactiviteit bouwwerken. In bijlage I is bepaald dat het gaat om een omgevingsplanactiviteit bestaande uit het bouwen van een bouwwerk, en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk. Deze omschrijving bevat een aantal elementen die in bijlage I van de Omgevingswet zelf nader worden omschreven. Op grond van artikel 1.1, tweede lid zijn die begripsbepalingen ook van toepassing op dit omgevingsplan. In bijlage I bij de Omgevingswet is aangegeven dat onder bouwen wordt verstaan 'plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, veranderen of vergroten' van een bouwwerk. Dat betekent dat niet alleen het realiseren van een nieuw bouwwerk onder het bouwen van een bouwwerk valt, maar ook het veranderen van een bouwwerk. Het vervangen van bijvoorbeeld een bestaand kozijn door een nieuw kozijn valt dus onder het bouwen van een bouwwerk.

Ook wat moet worden verstaan onder een bouwwerk is in bijlage I bij de Omgevingswet bepaald, namelijk een constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren, met inbegrip van de daarvan deel uitmakende bouwwerkgebonden installaties anders dan een schip dat wordt gebruikt voor verblijf van personen en dat is bestemd en wordt gebruikt voor de vaart.

Artikel 4.7 Vergunningplicht omgevingsplanactiviteit bouwwerken Artikel 4.7 komt in de plaats van artikel 22.26 zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan. Het is inhoudelijk gelijk aan dat artikel. Op grond van artikel 4.7 is het verboden zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit bouwwerken ter verrichten. Hiermee wordt de vergunningplicht voortgezet zoals die was opgenomen in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor zover die betrekking heeft op artikel 2.10, eerste lid, onder c en d , van die wet. Het gaat daarbij kort gezegd om een beoordeling op passendheid binnen van toepassing zijnde ruimtelijke regels, en op het voldoen aan redelijke eisen van welstand. Voorliggend omgevingsplan bevat aanvullende beoordelingsaspecten, zie onderdeel 4.2.4. Het verbod behoudens vergunning geldt overigens niet als het gaat om vergunningvrije gevallen die zijn aangewezen in artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, tenzij artikel 2.30 van dat besluit van toepassing is.

Bij de aanwijzing in artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving gaat het om een landelijk uniforme categorie gevallen waarin geen omgevingsvergunning is vereist voor het verrichten van een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een bouwwerk (zoals bouwen, verbouwen, vervangen of uitbreiden). In zo’n geval is geen omgevingsvergunning vereist, ook niet als de bouw in strijd zou zijn met een in het omgevingsplan gestelde regel. Voldoet een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een bouwwerk niet aan de in het besluit gestelde voorwaarden, dan mag die activiteit niet zonder omgevingsvergunning worden verricht. In dat geval moet dus wel aan de daarop betrekking hebbende regels worden getoetst. Hetzelfde geldt als één van de in artikel 2.30 van het Besluit bouwwerken genoemde uitzonderingen van toepassing is. De vergunningplicht voorziet niet alleen in het bouwen van een bouwwerk, maar ook in het in stand houden en gebruiken van dat te bouwen bouwwerk. Deze omschrijving wijkt af van de omschrijving in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Met deze nieuwe omschrijving van de vergunningplicht wordt ten opzichte van die vergunningplicht voor 'het bouwen van een bouwwerk', voor zover deze betrekking heeft op de toets aan de ruimtelijke regels als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, onderdeel c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, expliciet gemaakt dat deze niet alleen ziet op een toestemming om het bouwwerk te mogen bouwen maar eveneens ziet op het in stand mogen houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk in overeenstemming met de opgave in de vergunningaanvraag. Hiermee wordt aangesloten op de rechtspraktijk van voor de Omgevingswet en is geen materiële wijziging beoogd. In aansluiting hierop wordt in de beoordelingsregels ook gecodificeerd dat een toets van een bouwaanvraag aan het omgevingsplan niet alleen betrekking heeft op regels over het bouwen van bouwwerken, maar ook op regels over het in stand houden (of aanwezig mogen hebben) van bouwwerken. Verder wordt hiermee, in overeenstemming met de rechtspraktijk van voor de Omgevingswet, gecodificeerd dat wordt getoetst of het voorgenomen gebruik van het bouwwerk niet in strijd is met de hiervoor in het omgevingsplan gestelde regels (zie artikel 4.16).

Als aannemelijk is dat een bouwactiviteit ten dienste staat van een met het bestemmingsplan strijdig gebruik, was dit immers in de rechtspraktijk een reden om de vergunning voor een bouwactiviteit mede aan te merken als aanvraag voor een afwijking van het bestemmingsplan (op grond van artikel 2.10, tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) en te weigeren als de vergunning niet met toepassing van artikel 2.12 van genoemde wet kan worden verleend. Als de opgave in de vergunningaanvraag over het voorgenomen gebruik geen aanleiding is geweest om de vergunning te weigeren, mag het bouwwerk in overeenstemming met die opgave worden gebruikt. Van belang is op te merken dat de vergunningplicht ziet op de combinatie van het bouwen, in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk. Er ontstaat met de nieuwe omschrijving dus geen zelfstandige vergunningplicht voor latere gebruiksveranderingen in het betrokken bouwwerk. Zolang voor een later tot stand te brengen ander gebruik op grond van hoofdstuk 3 van het omgevingsplan geen afzonderlijke vergunningplicht in het

80

leven is geroepen en het nieuwe gebruik in overeenstemming is met de regels voor het gebruik van bouwwerken uit het omgevingsplan, is er een binnenplanse noch buitenplanse vergunning voor die gebruikswijziging nodig. Verder is van belang op te merken dat een verleende vergunning voor de desbetreffende omgevingsplanactiviteit voorziet in toestemming voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, op grond van het omgevingsplan zoals dat luidt ten tijde van de genomen beslissing. Latere wijzigingen in dit omgevingsplan, waarbij nieuwe rechtstreeks werkende regels worden toegevoegd, kunnen inbreuk maken op rechten die krachtens een eerder verleende vergunning voor een omgevingsplanactiviteit zijn ontstaan. Dit kan zowel vergunningen voor binnenplanse als buitenplanse omgevingsplanactiviteiten treffen. Onder de Wet ruimtelijke ordening moest bij bestemmingsplannen worden voorzien in een gestandaardiseerd eerbiedigend overgangsrecht. Dit standaard overgangsrecht wordt onder de Omgevingswet niet langer voorgeschreven. Bij het stellen van nieuwe regels in het omgevingsplan kan gekozen worden uit een breed geschakeerd palet aan overgangsrecht. Toch wordt als uitgangspunt gehanteerd dat wordt voorzien in eerbiedigend overgangsrecht (zie hoofdstuk 23).

Een meer directe en onvoorwaardelijke werking van een regel kan onder omstandigheden echter ook gerechtvaardigd en wenselijk zijn. In artikel 23.7 is in elk geval bepaald dat een bouwwerk waarop het overgangsrecht voor bestaande bouwwerken in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, van toepassing is, in stand mag worden gehouden.

Artikel 4.8 Algemene beoordelingsregel In artikel 8.0a van het Besluit kwaliteit leefomgeving is bepaald dat als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning, de vergunning moet worden verleend. Als een vergunning wordt gevraagd voor een omgevingsplanactiviteit moet eerst worden nagegaan of de activiteit met toepassing van binnenplanse beoordelingsregels kan worden vergund. Wanneer de vergunning op grond van deze beoordelingsregels niet kan worden geweigerd, moet de vergunning worden verleend. Deze kant van het stelsel werkt limitatief-imperatief. Buiten het gelimiteerde stelsel van beoordelingsregels in het omgevingsplan (limitatief), kunnen geen andere gronden worden aangevoerd om de vergunning te weigeren. Wanneer de aangevraagde activiteit op grond van de binnenplanse beoordelingsregels (al dan niet onder het stellen van aan de vergunning te verbinden voorschriften) aanvaardbaar is te achten, moet (imperatief) de vergunning worden verleend. In paragraaf 4.2.4 zijn met het oog op uiteenlopende belangen afzonderlijke beoordelingsregels opgenomen. Elk van die beoordelingsregels kan aanleiding geven tot het weigeren van de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken.

Het voldoen aan een van die afzonderlijke beoordelingsregels kan echter op zichzelf niet leiden tot vergunningverlening. Dat kan alleen het geval zijn wanneer geen van de beoordelingsregels aanleiding geeft tot het weigeren van een vergunning. Artikel 4.8 bevat, om dit te borgen, een algemene beoordelingsregel over aanvragen om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken. De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend, als de activiteit niet in strijd is met de regels die in deze paragraaf zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning. In combinatie met artikel 8.0a van het Besluit kwaliteit leefomgeving houdt dit in dat als de vergunning op grond van de in deze paragraaf gestelde regels niet kan worden geweigerd, de vergunning ook moet worden verleend.

Artikel 4.9 Algemene aanvraagvereisten omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken Dit artikel 4.9 komt in de plaats van artikel 22.35, onderdelen a tot en met e en g zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan. Het vervangt tevens artikel 22.286 Bruidsschat. Het artikel is inhoudelijk ongewijzigd, zij het dat een deel van de erin opgenomen aanvraagvereisten in de hierna volgende artikelen is opgenomen. Dit artikel bevat de algemene aanvraagvereisten voor de aanvraag van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een bouwwerk. De aanvraagvereisten zijn grotendeels ontleend aan de artikelen uit de voormalige Regeling omgevingsrecht. De aanvraagvereisten zijn aanvullend op de aanvraagvereisten zoals opgenomen in de Omgevingsregeling. In artikel 4.9 zijn die aanvraagvereisten geregeld, die op alle aanvragen van toepassing zijn. Aanvraagvereisten die verband houden met specifieke beoordelingsregels zijn in de subparagrafen 4.2.4.3 tot en met 4.2.4.14 opgenomen. Aan de aanvraagvereisten is toegevoegd de eis dat een opgave van de bouwkosten wordt gedaan. De bouwkosten vormen doorgaans de grondslag voor de legesberekening voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een

81

omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit. In de voormalige Regeling omgevingsrecht was in de algemene aanvraagvereisten geregeld dat van de kosten van de werkzaamheden van de te verrichten activiteiten opgave wordt gedaan. In de Omgevingsregeling komt dit als algemeen aanvraagvereiste niet meer voor. Daarom moet dit bij een activiteit waarvoor dit van belang is, zoals de in dit artikel bedoelde omgevingsplanactiviteit, bij de specifieke aanvraagvereisten voor die activiteit worden geregeld.

Artikel 4.10 Toepassingsbereik Met dit artikel wordt het toepassingsbereik van paragraaf 4.2.3 bepaalt. Het eerste lid bepaalt dat in deze paragraaf bouwwerken worden aangewezen waarop de vergunningplicht, bedoeld in artikel 4.7, niet van toepassing is. Dat die vergunningplicht voor de elders in deze paragraaf aan te wijzen bouwwerken niet geldt, betekent echter niet dat die bouwwerken zijn toegestaan. Of een bouwwerk is toegestaan, en binnen welke ruimtelijke voorwaarden, wordt bepaald in artikel 5.6. Het tweede lid maakt duidelijk dat op bouwwerken waarop de vergunningplicht, bedoeld in artikel 4.7, niet van toepassing is, artikel 5.6 onverkort van toepassing is. Het tweede lid heeft heeft vooral een signaalfunctie. Een regel van gelijke strekking is ten overvloede ook opgenomen in artikel 4.12, tweede lid.

Artikel 4.11 Algemene afbakeningseisen Dit artikel 4.11 komt in de plaats van artikel 22.23 zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan. Het artikel is inhoudelijk ongewijzigd. De in dit artikel opgenomen afbakeningseisen zijn ongewijzigd overgenomen uit artikel 5, eerste en tweede lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. Eerste lid: In het eerste lid is opgenomen dat vergunningvrij bouwen niet is toegestaan als het oorspronkelijke bouwwerk waarin, waaraan, waarop of waarbij gebouwd wordt, zonder de daarvoor vereiste vergunning is gebouwd of wordt gebruikt. Dit kan zowel gaan om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, onder a, van de Omgevingswet als een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a, van die wet. In het geval het bouwwerk (geheel of gedeeltelijk) illegaal is gebouwd of wordt gebruikt, is het onwenselijk dat eventuele latere aanpassingen van of uitbreidingen aan of bij dit gebouw vergunningvrij en daarmee legaal zouden kunnen zijn. De mogelijkheid tot vergunningvrij bouwen is daarom zowel hier, als in het Bbl uitgesloten. Tweede lid: In het tweede lid wordt geregeld dat het aantal woningen niet mag toenemen door de vergunningvrije mogelijkheden.

De formulering is ten opzichte van die in het oorspronkelijke artikel 22.23 enigszins aangepast. Daarin was aangegeven dat het aantal woningen gelijk dient te blijven. In de jurisprudentie is een lijn ontwikkeld over de betekenis die aan deze woorden moet worden gehecht. Die betekenis komt niet direct overeen met de verwachting die een gemiddeld persoon daarvan zou hebben. Het vereiste dat het aantal woningen gelijk blijft, moet worden opgevat als dat het aantal woningen niet toeneemt ten opzichte van wat het omgevingsplan (toen nog het bestemmingsplan) mogelijk maakt. De formulering van het tweede lid is in overeenstemming met die lijn gebracht. Ook is de uitzondering voor huisvesting in verband met mantelzorg geschrapt. Onder de Omgevingswet wordt een mantelzorgwoning aangemerkt als geluidgevoelig. Dat brengt mee dat een inhoudelijke beoordeling op aanvaardbaarheid van het geluid op de gevel nodig is.

Artikel 4.12 Uitzondering op de vergunningplicht omgevingsplanactiviteit bouwwerken, ruimtelijke regels over bouwwerken onverkort van toepassing Dit artikel 4.12 komt grotendeels in de plaats van artikel 22.27 zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan. De inhoud daarvan is ongewijzigd. Wel zijn er aanvullingen op gedaan. Eerste lid: In het eerste lid zijn bouwwerken aangewezen waarvoor de vergunningplicht, bedoeld in artikel 4.7, niet van toepassing is. Met deze categorie van bouwwerken wordt artikel 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, met enkele ondergeschikte aanpassingen en een aanvulling van erfen perceelafscheiding (hoger dan een meter maar niet hoger dan twee meter), voortgezet. Onderdeel h zondert van de binnenplanse vergunningplicht uit buisleidingen anders dan buisleidingen waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is. Hierdoor

82

ontstaat een vergelijkbare samenhang tussen dit artikelonderdeel van de bruidsschat en het genoemde artikelonderdeel uit het Besluit bouwwerken leefomgeving als de samenhang tussen de onderdelen in de artikelen 2 en 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. In onderdeel i zijn ten opzichte van artikel 3, bijlage II van het voormalige Besluit omgevingsrecht enkele voorwaarden geschrapt (geen verandering van de draagconstructie of (sub)brandcompartimentering), aangezien die om bouwtechnische redenen gesteld werden en geen invloed hebben op de ruimtelijke kwaliteit van het bouwen zoals die door een omgevingsplan wordt gereguleerd. In onderdeel i is ten opzichte van artikel 22.27, zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan, als vereiste toegevoegd dat de bouwhoogte niet mag toenemen. Onderdeel j is ten opzichte van artikel 22.27, zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan, toegevoegd. Het bepaalt dat ook tuinhuizen, kassen en bergingen op volkstuinparken voor wat betreft de omgevingsplanactiviteit bouwwerken vergunningvrij zijn. Uiteraard mits voldaan wordt aan de ruimtelijke regels over bouwwerken, gesteld in hoofdstuk 5 (zie het tweede lid).

Onderdeel k is ten opzichte van artikel 22.27, zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan, toegevoegd. Het bepaalt dat gewoon onderhoud in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument, voor wat betreft de omgevingsplanactiviteit bouwwerken vergunningvrij is, voor zover detaillering, profilering en vormgeving van het bouwwerk niet worden gewijzigd. Gewoon onderhoud aan monumenten wordt hiermee voor wat betreft de omgevingsplanactiviteit bouwwerken gelijkgesteld aan gewoon onderhoud aan bouwwerken die geen monument zijn. Artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving zondert gewoon onderhoud, voor zover detaillering, profilering en vormgeving van het bouwwerk niet worden gewijzigd, uit van regels over bouwwerken in het omgevingsplan. Artikel 2.30 van het Besluit bouwwerken leefomgeving bevat daarop weer een uitzondering voor monumenten. Dat maakt gewoon onderhoud aan monumenten een vergunningplichtige omgevingsplanactiviteit bouwwerken, tenzij het omgevingsplan die vergunningplicht laat vervallen. Het eerste lid voorziet hierin. Die uitzondering bestond onder oud recht niet, en is ook ongewenst.

Bescherming van de monumentale waarde van waarde gaat niet over de band van de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, maar via een vergunningplicht voor activiteiten in, aan, op of bij monumenten. Voor wat betreft gemeentelijke en provinciale monumenten zijn daartoe regels opgenomen in hoofdstuk 10. Voor Rijksmonumenten is dat geregeld in de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving. Tweede lid: Dat de vergunningplicht uit artikel 4.7 niet van toepassing is, betekent niet dat de betreffende bouwwerken zondermeer zijn toegestaan. Ook zonder vergunningplicht zal voldaan moeten worden aan de algemene regels over bouwwerken, zoals elders gesteld in dit omgevingsplan. De overige ruimtelijke regels over bouwwerken blijven onverminderd van kracht. Dat betekent dat een bouwwerk onverminderd aan de materiële regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van het bouwwerk moet voldoen. Het tweede lid maakt dit met een verwijziging naar artikel 5.6 duidelijk. Concreet betekent dit dat het bouwwerk ook passend moet zijn binnen de regels, gesteld in afdeling 5.5 tot en met afdeling 5.8 of, voor zover de ruimtelijke regels tijdelijk deel omgevingsplan nog niet zijn komen te vervallen, binnen de daarin gestelde regels.

Als aan de ruimtelijke regels over bouwwerken niet wordt voldaan, verbindt artikel 4.14 daaraan de consequentie dat alsnog de vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken geldt. Onderdeel van de regels in het tijdelijk deel kan ook een bepaling zijn dat daarvan bij omgevingsvergunning van kan worden afgeweken. Deze binnenplanse vergunningplichten kunnen bijvoorbeeld op grond van artikel 3.6, eerste lid, onder c, van de voormalige Wet ruimtelijke ordening, in een van het tijdelijk deel uitmakend bestemmingsplan zijn opgenomen. Ook deze binnenplanse vergunningplichten blijven onverminderd van kracht, met als gevolg dat er toch een binnenplanse vergunning nodig kan zijn voor de betrokken bouwwerken. Als zo’n binnenplanse vergunning niet kan worden verleend of als het bouwwerk of het voorgenomen gebruik daarvan, niet voldoet aan andere in het omgevingsplan gestelde materiële regels, is sprake van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. In dat geval is er voor het bouwwerk een buitenplanse vergunning nodig op grond artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet. Net als bij de werking van artikel 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, zijn de betrokken bouwwerken dus alleen maar vergunningvrij als aan alle overige regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken uit dit omgevingsplan wordt voldaan.

Als op grond van die andere regels een vergunning nodig is, of als het bouwwerk of het voorgenomen gebruik in strijd is met andere regels uit dit omgevingsplan, moet toch een vergunning worden aangevraagd.

83

Artikel 4.13 Vanwege cultureel erfgoed geldende beperking op artikel 4.12, vergunningplicht artikel 4.7 van toepassing Dit artikel 4.13 komt in de plaats van artikel 22.28 zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan. Het artikel is inhoudelijk ongewijzigd overgenomen, zij het dat het toepassingsbereik van het derde lid is verruimd naar ook gemeentelijk beschermde stads- en dorpsgezichten. Dit artikel bevat uitzonderingen en aanvullende randvoorwaarden voor de in artikel 4.12 aangewezen gevallen. Gevolg is dat, als uitzondering op de uitzondering, de vergunningplicht toch blijft gelden voor die gevallen (als niet aan de aanvullende randvoorwaarden wordt voldaan). Deze systematiek is overgenomen uit de artikelen 4a en 5, vierde lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. De vergunningvrije mogelijkheden zijn in het kader van de bescherming van cultureel erfgoed beperkt in geval van (voor)beschermde monumenten en archeologische monumenten en rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten.

Eerste en tweede lid: Het eerste bevat een beperking voor de in artikel 4.12, eerste lid, genoemde bouwwerken voor zover de activiteit in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument. Van die beperking is uitgezonderd gewoon onderhoud aan monumenten, zoals bedoeld in artikel 4.12, eerste lid, onder k. Het tweede lid bevat een beperking voor de in artikel 4.12 genoemde bouwwerken voor zover de activiteit bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument. Voor de regulering van (bouw)activiteiten in de omgeving van – bij – (voor)beschermde monumenten is in ieder geval relevant de instructieregel in artikel 5.130, tweede lid, onder d, onder 1°, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, dat de aantasting van de omgeving van deze monumenten moet worden voorkomen voor zover deze daardoor zouden worden ontsierd of beschadigd. Voor omgevingsplanactiviteiten in, aan, op of bij (voor)beschermde monumenten of archeologische monumenten zal het daarbij vooral draaien om de vraag of de activiteit van invloed kan zijn op de monumentale waarden. Het gevolg van de beperking is dat de betreffende activiteit niet vergunningvrij is.

In het kader van de vergunningaanvraag kan de beoordeling plaatsvinden. Derde lid: In het derde lid is om dezelfde redenen een beperking op artikel 4.12 opgenomen voor omgevingsplanactiviteiten bouwwerken die worden verricht op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functieaanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht of gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven. Alleen de onder a tot en met d aangegeven gevallen zijn daar vergunningvrij. De mogelijkheden om binnen een rijksof gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht meer omgevingsplanactiviteiten vergunningvrij te maken, worden enerzijds specifiek begrensd door het niveau van bescherming dat ten tijde van de aanwijzing als beschermd gezicht op grond van de Monumentenwet 1988 of de instructie op grond van artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet voldoende beschermend werd geacht. Anderzijds vormt de generieke instructieregel in artikel 5.130, tweede lid, onder d, onder 2°, van het Besluit kwaliteit leefomgeving in algemene zin een ondergrens. Deze instructieregel bepaalt dat aantasting van het karakter van beschermde stads- en dorpsgezichten (ongeacht op welk overheidsniveau deze zijn beschermd) moet worden voorkomen.

Hoewel in de artikelsgewijze toelichting bij artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is opgemerkt dat het tweede lid, onder d, onder 2°, zich in eerste instantie richt op stads- en dorpsgezichten (en cultuurlandschappen) die op initiatief van de gemeente zelf worden beschermd, is de bepaling uitdrukkelijk ook van toepassing op rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten. Dit is ook nodig, omdat veel aanwijzingen als rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht inmiddels zo’n vijftig jaar oud zijn en de meeste nog op het oude stelsel zijn geënt, waarin van rechtswege een bouwvergunningplicht gold. Daardoor zijn die als instructie aangemerkte oude aanwijzingen in de praktijk niet altijd leesbaar als een actuele en gedetailleerde instructie als bedoeld in artikel 2.34 van de Omgevingswet. De instructieregel in artikel 5.130, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving verplicht de gemeente in zo’n geval de karakteristieken van het beschermde gezicht aanvullend te analyseren en te betrekken bij de vraag of er ruimte is voor aanvullende vergunningvrije omgevingsplanactiviteiten. In het licht van het voorgaande wordt ook nog gewezen op het – ook rechtstreeks de gemeenten bindende – verdrag van Granada.

Op basis van artikel 4 van dat verdrag moet het beschermingsregime zo ingericht worden dat het bevoegd gezag ter voorkoming van ontsiering, vernieling of afbraak van beschermd cultureel erfgoed in een

84

passende controle en goedkeuringsprocedure in kennis wordt gesteld van alle plannen tot het slopen of wijzigen (“afbraak of verandering”) van een (voor)beschermd monument of aantasting van de omgeving van zo’n monument, of waardoor een beschermd gezicht of cultuurlandschap geheel dan wel gedeeltelijk wordt aangetast als gevolg van de sloop van bestaande gebouwen, de bouw van nieuwe gebouwen, of belangrijke veranderingen waardoor het karakter van het gezicht of cultuurlandschap zou worden aangetast. Artikel 14, eerste lid, van dit verdrag vraagt verder in de verschillende stadia van besluitvorming te zorgen voor passende structuren voor informatie, overleg en samenwerking tussen de centrale overheid, de regionale en lokale overheden, culturele instellingen en verenigingen en het publiek (participatie). In de meeste gevallen zal een preventieve toets aan het omgevingsplan in de vorm van een vergunningplicht met het oog op bovenstaande overwegingen wenselijk blijven. De hoeveelheid activiteiten in, aan, op en bij beschermde monumenten en archeologische monumenten en in beschermde stads- en dorpsgezichten die in een gebied vergunningvrij zullen kunnen worden na aanpassing van het omgevingsplan zal naar verwachting dus ook niet veel afwijken van de mogelijkheden die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet landelijk in het voormalige Besluit omgevingsrecht waren opgenomen.

Vierde en vijfde lid: Het vierde en vijfde lid moeten worden gelezen in samenhang met elkaar. Het vierde lid is een voortzetting van artikel 5, vierde lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, waarbij op basis van de jurisprudentie één wijziging is aangebracht. Het vierde lid verklaart als hoofdregel de op grond van artikel 4.12, aanhef en onder a en b, bestaande mogelijkheden om een bijbehorend bouwwerk of een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf te bouwen zonder de vereiste omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit buiten toepassing, als er op de locatie van het bouwwerk op grond regels in het tijdelijk deel omgevingsplan regels gelden over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit. In het vijfde lid is hierop weer een uitzondering gemaakt. In navolging van artikel 22.28, vierde lid, onder b, zoals dat bij wijze van bruidsschat onderdeel was geworden van dit omgevingsplan, is op basis van de jurisprudentie aan de regeling in dit omgevingsplan een vijfde lid opgenomen.

Dit lid leidt ertoe dat de vergunningvrije bouwmogelijkheden voor een bijbehorend bouwwerk en een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf op grond van artikel 4.12, aanhef en onder a en b, van dit omgevingsplan in een groter aantal gevallen van toepassing blijven, ook al gelden er op de locatie van het bouwwerk op grond regels in het tijdelijk deel omgevingsplan regels over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit. Het vijfde lid regelt namelijk dat die vergunningvrije bouwmogelijkheden in dat geval ook van toepassing blijven als dat ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan een verbod bevat om zonder omgevingsvergunning grondwerkzaamheden te verrichten die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit en daarop regels over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, van toepassing zijn. Op het moment dat sprake is van een dergelijk verbod (een aanlegvergunningplicht) met daarop betrekking hebbende regels over het verrichten van archeologisch onderzoek, is er geen reden om de desbetreffende vergunningvrije gevallen uit artikel 4.12 te beperken.

In dat geval is de bescherming van de archeologische waarden op de locatie voldoende verzekerd door middel van die aanlegvergunningplicht. Dit vijfde lid is een uitvloeisel van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State met nummer ECLI:NL:RVS:2014:2066. Bij deze uitspraak heeft de Afdeling kort samengevat geoordeeld dat het bestaan van een vergunningplicht voor een bouwactiviteit een eventuele vergunningplicht voor het uitvoeren van grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit onverlet laat. Om die reden is het niet langer meer nodig om de bescherming van archeologische waarden die gevolgen kunnen ondervinden van grondwerkzaamheden in het kader van een bouwactiviteit, te laten plaatsvinden via regels die betrekking hebben op die bouwactiviteit. Het zijn twee zelfstandige kaders. In de voormalige planologische regelingen die onderdeel uitmaken van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is dit uiteraard nog niet tot uitdrukking gebracht. Om die reden gebeurt dit nu in het vijfde lid. Het vierde en vijfde lid hebben uitsluitend betrekking op locaties ter plaatse van de aanduiding ‘ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen’.

Daar waar het voorheen geldende ruimtelijk plan is vervangen door nieuwe regels is, wanneer daartoe vanwege mogelijk te verwachten archeologische waarden aanleiding toe bestaat, op grond van afdeling 6.2 een aanlegvergunningplicht opgenomen. Die vergunningplicht ziet op het borgen van de bescherming van archeologische waarden. Een beperking van artikel 4.12 is in dat geval niet nodig. In artikel 22.28, vierde lid, onder a, zoals dat bij wijze van bruidsschat onderdeel was geworden van dit omgevingsplan, was ook de al onder het Besluit omgevingsrecht bestaande uitzondering op de in het vierde lid

85

opgenomen hoofdregel opgenomen dat deze niet geldt als de oppervlakte van het bouwwerk minder dan 50 m2 bedraagt. Deze uitzondering is niet overgenomen. De reden is dat er binnen Amsterdam gebieden zijn waar de verwachting op mogelijk aanwezige archeologische waarden zo groot is dat ook bij grondwerkzaamheden met een oppervlak kleiner dan 50 m2 een aanleiding bestaat tot het doen van archeologisch onderzoek.

Artikel 4.14 Bij strijd met ruimtelijke regels over bouwwerken geldt artikel 4.12 niet, vergunningplicht artikel 4.7 van toepassing Artikel 4.14 bepaalt dat artikel 4.12 niet van toepassing is als het betreffende bouwwerk in strijd is met artikel 5.6. Daarin is in het eerste lid bepaald dat een bouwwerk uitsluitend mag worden gebouwd, in stand gehouden en gebruikt op een wijze die in overeenstemming is met de in hoofdstuk 5 opgenomen ruimtelijke regels over bouwwerken. Het tweede lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' in afwijking van het eerste lid geldt dat een bouwwerk uitsluitend mag worden gebouwd, in stand gehouden en gebruikt op een wijze die in overeenstemming is met afdeling 5.3 of met het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan opgenomen ruimtelijke regels over bouwwerken. Daarmee bepaalt artikel 5.6 kort gezegd dat een bouwwerk moet voldoen aan algemene ruimtelijke regels over bouwwerken, zoals die voorheen in bestemmingsplannen werden gesteld. Artikel 4.14 bepaalt dat als een omgevingsplanactiviteit bouwwerken daarmee in strijd is, artikel 4.12 niet van toepassing is. Dan geldt dus alsnog de vergunningplicht.

Hiervoor is gekozen omdat daarmee de mogelijkheid kan worden gecreëerd om voor bepaalde gevallen af te wijken van die ruimtelijke regels, zonder dat dit leidt tot een extra vergunningplichtige omgevingsplanactiviteit. Onder de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht was voor een bouwwerk dat in strijd was met het bestemmingsplan zowel een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen van een bouwwerk nodig (artikel 2.1, eerste lid, onder a, toenmalige Wabo), als voor de activiteit afwijken van het bestemmingsplan (artikel 2.1, eerste lid, onder c, toenmalige Wabo). Met de gekozen systematiek in het omgevingsplan is dat anders. De beoordeling of in bepaalde gevallen in afwijking van ruimtelijke regels over bouwwerken toch medewerking kan worden verleend, wordt gedaan in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Om daarin te kunnen voorzien, is wel nodig dat er een vergunningplicht geldt voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Artikel 4.14 voorziet daarin. Dat artikel maakt dat voor de betreffende gevallen alsnog de vergunningplicht, bedoeld in artikel 4.7, van toepassing is.

Op grond van artikel 8.0a van het Besluit kwaliteit leefomgeving kan de vergunning alleen worden verleend als de omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Op de beoordeling van een aanvraag om die vergunning, is paragraaf 4.2.4 van toepassing. Onderdeel daarvan is dat wordt getoetst aan de ruimtelijke regels over bouwwerken (subsubparagraaf 4.2.4.2.1, artikel 4.16). Bij strijd met die ruimtelijke regels over bouwwerken zou de vergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken moeten worden geweigerd. In subsubparagraaf 4.2.4.2.2 is echter een afwijkmogelijkheid opgenomen om binnen de daar gestelde voorwaarden toch omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken te verlenen.

Artikel 4.15 Toepassingsbereik In paragraaf 4.2.4 zijn de beoordelingsregels opgenomen die van toepassing zijn op de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Tevens is in deze paragraaf aangegeven waarop vergunningvoorschriften betrekking kunnen hebben. In subparagraaf 4.2.4.1 is allereerst een aantal algemene bepalingen opgenomen. Artikel 4.15 bepaalt het toepassingsbereik van deze paragraaf.

Artikel 4.16 Beoordelingsregel met betrekking tot ruimtelijke regels over bouwwerken Artikel 4.16 komt in de plaats van artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a, zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan. De redactie is enigszins aangepast. Artikel 4.16 is een voortzetting van artikel 2.10, eerste lid, onder c, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Op grond van artikel 4.16 wordt de vergunning geweigerd als het bouwplan in strijd is met de regels die in dit hoofdstuk zijn gesteld over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken. Het artikel regelt de beoordeling van aanvragen om een omgevingsvergunningen voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor wat betreft de toets aan ruimtelijke regels over bouwwerken. Eerste lid: Het eerste lid bepaalt dat de omgevingsvergunning alleen wordt verleend als de activiteit in strijd is met de regels over bouwwerken en het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, zoals gesteld in artikel 5.6. Daarin is in het eerste lid bepaald dat een bouwwerk uitsluitend mag worden gebouwd, in stand gehouden en gebruikt op een wijze die in overeenstemming is met de in hoofdstuk 5 opgenomen ruimtelijke regels over

86

bouwwerken. Het tweede lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' in afwijking van het eerste lid geldt dat een bouwwerk uitsluitend mag worden gebouwd, in stand gehouden en gebruikt op een wijze die in overeenstemming is met afdeling 5.3 of met het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan opgenomen ruimtelijke regels over bouwwerken. Daarmee bepaalt artikel 5.6 kort gezegd dat een bouwwerk moet voldoen aan algemene ruimtelijke regels over bouwwerken, zoals die voorheen in bestemmingsplannen werden gesteld. Onderdeel van de ruimtelijke regels over bouwwerken is artikel 5.14 dat bepaalt dat het gebruik van een bouwwerk in overeenstemming dient te zijn met het ter plaatse geldend gebruiksdoel, de ter plaatse nog geldende bestemming, een verleende buitenplanse omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit om af te wijken van het gebruiksdoel of de nog geldende bestemming, of een onder oud recht verleende afwijkvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c toenmalige Wabo. Doordat ook op toelaatbaar gebruik getoetst wordt, wordt invulling gegeven aan het feit dat de in artikel 4.7 bedoelde vergunningplicht betrekking heeft op een activiteit inhoudende het bouwen van een bouwwerk, maar ook op het in het in stand houden en gebruiken van dat te bouwen bouwwerk.

Hiermee wordt aangesloten op de rechtspraktijk van voor de Omgevingswet dat een toets van een bouwaanvraag niet alleen betrekking heeft op regels over het bouwen van bouwwerken, maar ook of het voorgenomen gebruik van het bouwwerk niet in strijd is met de hiervoor in het omgevingsplan gestelde regels. Als aannemelijk is dat een bouwactiviteit ten dienste staat van een met het bestemmingsplan strijdig gebruik, was dit immers in de rechtspraktijk een reden om de vergunning voor een bouwactiviteit mede aan te merken als aanvraag voor een afwijking van het bestemmingsplan (op grond van artikel 2.10, tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) en te weigeren als de vergunning niet met toepassing van artikel 2.12 van genoemde wet kan worden verleend. Als de opgave in de vergunningaanvraag over het voorgenomen gebruik geen aanleiding is geweest om de vergunning te weigeren, mag het bouwwerk in overeenstemming met die opgave worden gebruikt. Artikel 5.14 brengt mee dat de bouwvergunning uitsluitend kan worden verleend voor een gebruik dat dat niet in strijd is met het bepaalde in artikel 2.3 van dit omgevingsplan. Zoals ook aangegeven bij de toelichting op artikel 4.7 is van belang dat de vergunningplicht ziet op de combinatie van het bouwen, in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk.

Er ontstaat met de nieuwe omschrijving dus geen zelfstandige vergunningplicht voor latere gebruiksveranderingen in het betrokken bouwwerk. Zolang voor een later tot stand te brengen ander gebruik op grond van hoofdstuk 3 van het omgevingsplan geen afzonderlijke vergunningplicht in het leven is geroepen en het nieuwe gebruik in overeenstemming is met de regels voor het gebruik van bouwwerken uit het omgevingsplan, is er een binnenplanse noch buitenplanse vergunning voor die gebruikswijziging nodig. Dit betekent tevens dat wanneer er sprake is van een gebruik van een bouwwerk dat niet in overeenstemming is artikel 2.3, dat artikel het artikel is waarop gehandhaafd wordt. In de beoordelingsregels die verder in deze paragraaf zijn opgenomen, kan wel een verwijzing staan naar elders in dit omgevingsplan gestelde regels. Daarmee wordt die elders gestelde regels van toepassing op de beoordeling. Verder is de verwijzing bij wijze van uitzondering naar regels over het gebruik van bouwwerken komen te vervallen. Die regels zijn opgenomen in hoofdstuk 3 van dit omgevingsplan, waarmee de uitzondering overbodig is geworden. Tweede lid: Met het tweede lid wordt voorzien in de mogelijkheid om vergunningverlening voor ontwikkeling te faseren.

De fasering houdt in dat eerst met een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit planologisch toestemming wordt gegeven voor een bepaalde ontwikkeling die niet past binnen de regels over bouwwerken en gebruik, zoals gesteld in het omgevingsplan. Onder een buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt op grond van bijlage I van de Omgevingswet verstaan een activiteit, inhoudende a) een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, of b) een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan. Als het planologisch voornemen in strijd is met het omgevingsplan, kan daarvoor omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit worden verleend. Vervolgens kan het concrete bouwplan worden uitgewerkt, waarna voor dat concrete bouwplan omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kan worden verleend, voor zover die activiteit passend is binnen de kaders van de reeds verleende omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Ook onder oud recht was deze gefaseerde besluitvorming mogelijk, en werd hiervan veel gebruik gemaakt. Met artikel 12.27a van het Besluit kwaliteit leefomgeving heeft de wetgever erin voorzien dat deze werkwijze kan worden voortgezet.

Dat artikel bepaalt kort gezegd dat als een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor een omgevingsplanactiviteit, er in ieder geval sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor zover de activiteit niet in strijd is met een eerder verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In beide gevallen gaat het om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Zowel het planologisch voornemen als de ruimtelijke bouwactiviteit zijn immers beide in strijd met het omgevingsplan. Hoewel sprake is van een overgangsrechtelijke regeling, biedt artikel 12.27a, aldus de wetgever, ook onder nieuw recht de mogelijkheid om vergunningverlening voor locatieontwikkelingen te faseren (Staatsblad 2022 172, p. 112

87

e.v.). "Het blijft hiermee [ ] mogelijk om eerst een appellabel «planologisch» basisbesluit te nemen in de vorm van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, op grondslag waarvan op een later moment een omgevingsvergunning kan worden verleend voor het feitelijk verrichten van de (nader uitgewerkte) bouwactiviteit. De in eerste instantie verleende omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor een locatieontwikkeling kan bijvoorbeeld al toestemming geven voor bouwrijp maken, kappen van bomen, grondverzet, het aanbrengen van verhardingen en het tot stand brengen van een verkaveling. Ook kan als onderdeel van de vergunning de precieze locatie worden aangewezen waar bouwwerken (bijvoorbeeld woningen) mogen worden gebouwd. Daarbij kan ook al worden aangegeven welke maximale maatvoering de woningen hebben. Naarmate de eerste omgevingsvergunning verder is uitgewerkt, vormt deze nadere uitwerking de basis voor de latere vergunningverlening voor het geconcretiseerde bouwplan.

Voor zover bij de eerste vergunning al uitdrukkelijk toegestaan, regelt artikel 12.27a, zoals hiervoor al toegelicht, dat voor de betrokken onderdelen van een bouwplan (zoals bijvoorbeeld de plaatsing in een bouwblok, de bouwhoogte en het bouwvolume) niet opnieuw een afweging hoeft plaats te vinden of hiermee wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In het kader van de tweede vergunningaanvraag vindt alleen beoordeling plaats op de onderdelen van het bouwplan waarin de eerdere vergunning niet voorziet, zoals de beoordeling van de stedenbouwkundige-architectonische detaillering en de toets aan redelijke eisen van welstand." Aan de mogelijkheid die artikel 12.27a van het Besluit kwaliteit leefomgeving biedt, kleeft als nadeel dat niet alleen het 'planologisch' basisbesluit wordt genomen bij wijze van omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, maar dat dit ook zal gelden voor de latere vergunningverlening voor het geconcretiseerde bouwplan. De beoordelingsregels die betrekking hebben op een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voorzien er immers in dat de vergunning alleen wordt verleend voor zover die niet in strijd is met in het omgevingsplan gestelde regels over bouwwerken.

Zie ook artikel 22.29, eerste lid, zoals dat bij wijze van bruidsschat onderdeel is geworden van het omgevingsplan zoals dat van rechtswege is ontstaan op 1 januari 2024. Dat staat er aan in de weg om een (binnenplanse) omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken te verlenen. Deze ongewenste situatie wordt verholpen met het tweede lid van artikel 4.16. Dat voorziet erin dat de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet wordt geweigerd op grond van het eerste lid, voor zover de omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet in strijd is met een verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit om af te wijken van ruimtelijke regels over bouwwerken, gesteld in hoofdstuk 5 of in het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan. Daarmee beoogt het derde lid hetzelfde te doen als artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Bijkomend voordeel is dat ook een eenduidig beoordelingskader van toepassing is op aanvragen om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, ongeacht of die kan worden verleend op grond van binnenplanse ruimtelijke regels of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. In beide gevallen zijn de overige beoordelingsregels, zoals opgenomen in deze paragraaf 4.2.4, onverkort van toepassing.

Hetzelfde geldt voor de aanvraagvereisten. Het tweede lid heeft via artikel 5.14 ook betrekking op vormen van gebruik die niet passend zijn binnen de regels over gebruik, maar waar voor dat strijdig gebruik een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is verleend. Tot slot wordt nog opgemerkt dat de wetgever in de toelichting op artikel 12.27a van het Besluit kwaliteit leefomgeving heeft aangegeven dat de mogelijkheid voor het gefaseerd verlenen van een omgevingsvergunning, zoals artikel 12.27a van het Besluit kwaliteit leefomgeving die biedt, kan vervallen op het moment waarop gemeenten beschikken over een samenhangend omgevingsplan dat voldoet aan alle eisen die de Omgevingswet daaraan stelt. Vanaf dat moment is het, aldus de wetgever, immers relatief eenvoudig om locatiegericht en op onderdelen tot aanpassing te komen van een geheel geconsolideerd omgevingsplan, teneinde nieuwe ruimtelijke initiatieven mogelijk te maken. Of die verwachting van de wetgever juist is, valt de komende jaren te bezien. De wetgever heeft zelf ook ruimte gelaten voor een heroverweging van dit standpunt een een permanente voorzien (Staatsblad 2022 172, p. 71). Voor Amsterdam is hierin met het derde lid van artikel 4.16 voorzien. Mocht toekomstige wetgeving daartoe aanleiding geven, dan zal de regel worden heroverwogen.

Derde lid: Onder oud recht vastgestelde bestemmingsplannen konden een binnenplanse afwijkmogelijkheid bevatten. Deze bestemmingsplannen zijn van rechtswege onderdeel geworden van het omgevingsplan. Op grond van artikel 22.280, zoals dat bij wijze van bruidsschat onderdeel is geworden van dit omgevingsplan, geldt een dergelijke afwijkmogelijkheid als verbod om de activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten. Deze mogelijkheid moet worden gezien als een bevoegdheid

88

(artikel 22.281). Een dergelijke afwijkmogelijkheid kan betrekking hebben op het afwijken van zowel bouwregels als gebruiksregels. Voor zover een concreet voorgenomen omgevingsplanactiviteit bouwwerken in strijd is met de ruimtelijke regels over bouwwerken in het nog geldende bestemmingsplan, maar vergund zou kunnen worden met toepassing van de afwijkbevoegdheid, is het wenselijk dat de afwijkmogelijkheid kan worden betrokken bij de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Het derde lid voorziet daarin. Het beoogt dezelfde werking te hebben als artikel 2.10, tweede lid van de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. De werking van het derde lid kan beperkt blijven tot de mogelijkheid om met de regels van een nog niet vervallen bestemmingsplan af te kunnen wijken van regels over bouwwerken en gebruik, gesteld in datzelfde bestemmingsplan. Het is niet nodig een dergelijke voorzien te treffen voor als een omgevingsplanactiviteit bouwwerken binnenplans in het geheel niet vergunbaar is. Dan kan slechts met een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit toestemming worden verleend. Die omgevingsvergunning heeft dan betrekking op zowel het afwijken van de regels in het omgevingsplan als op de ruimtelijke bouwactiviteit.

Opgemerkt wordt dat de binnenplanse afwijkmogelijkheid, zoals die in nog geldende bestemmingsplannen voorkomt, een bevoegdheid inhielden. Met de verwijziging in het derde lid, onder b, naar artikel 22.281, wordt duidelijk gemaakt dat dat het geval blijft. Artikel 22.281, zoals dat bij wijze van bruidsschat onderdeel is geworden van dit omgevingsplan, bepaalt dat de in een nog geldend bestemmingsplan opgenomen binnenplanse afwijkmogelijkheid wordt gelezen als een bevoegdheid. Daarmee blijft het net als onder de werking van het oude stelsel mogelijk een afweging te maken en de vergunning voor een geboden afwijkingsmogelijkheid in voorkomende omstandigheden toch te weigeren, in het geval de regels voor het verlenen van de afwijking zouden dwingen om de vergunning te verlenen. Vierde lid: Met het vierde lid wordt de werking, zoals beoogd met artikel 2.2 van de Vangnetregeling Omgevingswet, gecontinueerd nu de bruidsschat is vervangen. Met artikel 2.2 Vangnetregeling Omgevingswet is artikel 22.33 van de bruidsschat aangevuld. De in artikel 22.33 opgenomen grondslagen om een onder nieuw recht ingediende aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk te weigeren, werden daarmee uitgebreid.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14509256/1