CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 15 De artikelsgewijze toelichting bij de regeling zonder renvooi.pdf

RAAD 18 september 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam: Basisregeling. (VN2024-007101)70.434 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 8 van 8

De aanvullende bepalingen regelen dat zo’n vergunning ook moet worden geweigerd als sprake is van een nog onder oud recht lopende procedure van een bestemmingsplan of inpassingsplan op grond van de voormalige Wet ruimtelijke ordening. De vergunning kan worden verleend als de activiteit in overeenstemming is met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan. Hiermee wordt het regime van voorbereidingsbescherming, zoals dat bestond onder artikel 3.3 van de voormalige Wabo, voortgezet met de mogelijkheid de vergunning te weigeren. Hiermee wordt voorkomen dat voorbereidingsbescherming verloren zou gaan en onbedoeld vergunning zou moeten worden verleend voor ontwikkelingen die met het oog op de in voorbereiding zijnde nieuwe regeling ongewenst zijn. Hier is sprake van een ontbrekend overgangsrecht, wat in specifieke situaties onredelijk is. Met het vervallen van artikel 22.33 in de bruidsschat, verwijst artikel 2.2 Vangnetregeling Omgevingswet naar een niet langer bestaand artikel in het omgevingsplan. Met het hier opgenomen vierde lid wordt de werking ervan gecontinueerd.

Artikel 4.17 Specifieke beoordelingsregels bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing beschermd dorpsof stadsgezicht Dit artikel 4.17 komt in de plaats van artikel 22.33 zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan. De bepaling is inhoudelijk ongewijzigd. Eerste lid: Het eerste lid bevat aanvullende beoordelingsregels die zien op twee specifieke overgangsrechtelijke situaties die verband houden met het feit dat de Omgevingswet niet langer een aanhoudingsplicht kent zoals die was geregeld in artikel 3.3 van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Die aanhoudingsplicht kon gelden vanwege een voorbereidingsbesluit dat was genomen ter voorbereiding van een nieuw bestemmingsplan of vanwege een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht waarvoor nog geen tot bescherming daarvan strekkend bestemmingsplan gold.

Toepassing van deze beoordelingsregels leidt ertoe dat, ondanks dat aan de beoordelingsregels uit artikel 4.16 wordt voldaan, de vergunning toch moet worden geweigerd als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft een nog onder oud recht genomen voorbereidingsbesluit van kracht is of een besluit krachtens de Wet luchtvaart dat geldt als een zodanig voorbereidingsbesluit, of een onder oud recht gedane aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht waarvoor nog geen tot bescherming daarvan strekkend omgevingsplan geldt.

89

Tweede lid: Op de plicht om in zo’n geval de vergunning te weigeren bestaat een uitzondering in het geval het bouwplan niet in strijd is met het omgevingsplan dat in voorbereiding is. Deze uitzonderingsmogelijkheid is opgenomen in het tweede lid. Dit is vergelijkbaar met de situatie onder oud recht, waarin artikel 3.3, derde en zesde lid, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht de mogelijkheid bood de onder oud recht toepasselijke aanhoudingsplicht te doorbreken. In praktische zin betekent de regeling dat onder nieuw recht aangevraagde omgevingsvergunningen voor het verrichten van een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk in een gebied waar een nog onder oud recht tot stand gekomen regime van voorbereidingsbescherming van toepassing is, respectievelijk dat onder oud recht als beschermd stads- of dorpsgezicht is aangewezen maar waarop nog geen voldragen beschermingsregime van toepassing is, in beginsel moeten worden geweigerd. Zo kan de vergunning dus worden geweigerd voor activiteiten die in de toekomst niet meer wenselijk worden geacht en onmogelijk zullen worden gemaakt met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan. De vergunning kan ook worden geweigerd voor activiteiten waarvan het nog onvoldoende zeker is om te kunnen vaststellen of deze met het toekomstige omgevingsplan aanvaardbaar zullen blijven.

Ten tijde van de te nemen beslissing op de aanvraag is het besluit tot wijziging van het omgevingsplan immers nog in voorbereiding en is het mogelijk nog onvoldoende vastomlijnd om te kunnen vaststellen of bepaalde activiteiten daarin uiteindelijk zullen worden toegestaan. Een andere mogelijkheid in zo’n geval kan overigens ook zijn om met instemming van de aanvrager, met toepassing van artikel 4:15, tweede lid, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht, de beslistermijn op te schorten tot een moment waarop de voorbereiding zich in een zodanig stadium bevindt dat wel kan worden vastgesteld hoe het bouwplan zich verhoudt tot het in voorbereiding zijnde omgevingsplan. Gewezen wordt in dat verband op het tweede lid, dat de mogelijkheid biedt om de vergunning toch te verlenen als kan worden vastgesteld dat de betrokken activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht. In het laatste geval zal een dergelijk omgevingsplan onder meer moeten voorzien in op de karakteristieken van het beschermde stads- of dorpsgezicht afgestemde beoordelingsregels voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Zie ook artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.

Met dit tweede lid wordt een vergelijkbare voorziening getroffen als in het al eerder genoemde artikel 3.3, derde en zesde lid, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Verschil is echter dat met het tweede lid niet de toepasselijke aanhoudingsplicht wordt doorbroken maar dat in plaats van de vergunning te moeten weigeren, de mogelijkheid is gegeven om de vergunning, onder de vergelijkbare condities dat de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan, toch te verlenen. Voor een meer uitgebreide toelichting op de gevolgen van het vervallen van de aanhoudingsplicht op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt verwezen naar de toelichting bij de tweede nota van wijziging van het wetsvoorstel Invoeringswet Omgevingswet (Kamerstukken II 2018/19, 34986, nr. 9, p. 35-42).

Artikel 4.18 Specifieke beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht In het eerste lid van dit artikel wordt, in aanvulling op de beoordelingsregels uit artikel 4.16, eerste lid, de mogelijkheid gegeven om een omgevingsvergunning toch te verlenen als de activiteit waarop de aanvraag betrekking heeft in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, maar niet in strijd is met de regels die zijn gesteld voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht. Dit betreft regels die in (van het tijdelijke deel van het omgevingsplan deel uitmakende) bestemmingsplannen of inpassingsplannen kunnen zijn opgenomen op grond van artikel 3.6, eerste lid, onder a en b, van de voormalige Wet ruimtelijke ordening. Voor het voortzetten van de figuren van wijzigingsplannen en uitwerkingsplannen is niet in overgangsrecht voorzien. Het college van burgemeester en wethouders kan na inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook geen toepassing meer geven aan deze bepalingen. In plaats van deze specifieke wijzigingsbevoegdheden of uitwerkingsplichten, kan toepassing worden gegeven aan de generieke delegatiemogelijkheid op grond van artikel 2.8 van de Omgevingswet.

Als vergunningverlening op grond van artikel 4.16, eerste lid, niet mogelijk is, maar een bouwplan niet in strijd is met de regels die zijn gegeven voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht, kan de vergunning echter toch binnenplans worden verleend. Hierbij bestaat overigens beslissingsruimte. Onder de werking van de voormalige Wet ruimtelijke ordening moest bij de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of een uitwerkingsplicht (voor zover de bij een uitwerkingsplicht in acht te nemen regels daarvoor de ruimte laten) ook nog zelfstandig beoordeeld worden of het wijzigingsof uitwerkingsplan, los van de daarbij in acht te nemen regels, in overeenstemming was met een goede ruimtelijke ordening. Om die reden is geen imperatief karakter gegeven aan deze aanvullende mogelijkheid om een vergunning voor een bouwplan, dat niet in strijd is met die voor een wijzigingof uitwerking gegeven regels, toch te kunnen verlenen. Het gevolg hiervan is dat, ook al is een bouwplan met de regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht niet in strijd, ook nog een

90

zelfstandige beoordeling moet plaatsvinden of het bouwplan uit een oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar kan worden geacht. In het tweede lid van dit artikel worden alle instructieregels en instructies waaraan moet worden getoetst bij de beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit van overeenkomstige toepassing verklaard op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend. Ook dit vindt zijn oorsprong in de voormalige Wet ruimtelijke ordening. Bij de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of een uitwerkingsplicht moesten, los van de daarbij in acht te nemen regels uit het moederplan, ook de regels uit het voormalige Besluit algemene regels ruimtelijke ordening en de provinciale ruimtelijke verordening in acht worden genomen. Met het tweede lid wordt verzekerd dat ook bij de in het eerste lid geïntroduceerde mogelijkheid om binnenplans een vergunning te verlenen met toepassing van de regels die zijn gesteld voor een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht, geen situatie ontstaat die niet is toegelaten op grond van een onder nieuw recht gestelde instructieregel of gegeven instructie.

Artikel 4.19 Algemene mogelijkheid om bij omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken af te wijken van de ruimtelijke regels over bouwwerken Artikel 4.19 maakt voor de in het eerste lid aangewezen gevallen mogelijk dat die, ook wanneer ze in strijd zijn met ruimtelijke regels over bouwwerken, bedoeld in artikel 5.6, met een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kunnen worden toegestaan. Het verlenen van deze vergunning gebeurt in afwijking van artikel 4.16, eerste lid. Daarin is bepaald dat een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken alleen wordt verleend als de omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet in strijd is met artikel 5.6. Daarin is in het eerste lid bepaald dat een bouwwerk uitsluitend mag worden gebouwd, in stand gehouden en gebruikt op een wijze die in overeenstemming is met de in hoofdstuk 5 opgenomen ruimtelijke regels over bouwwerken. Het tweede lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' in afwijking van het eerste lid geldt dat een bouwwerk uitsluitend mag worden gebouwd, in stand gehouden en gebruikt op een wijze die in overeenstemming is met afdeling 5.3 of met het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan opgenomen ruimtelijke regels over bouwwerken.

Daarmee bepaalt artikel 5.6 kort gezegd dat een bouwwerk moet voldoen aan algemene ruimtelijke regels over bouwwerken, zoals die voorheen in bestemmingsplannen werden gesteld. De afwijkmogelijkheid heeft allereerst betrekking op de gevallen genoemd in artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, die vanwege artikel 2.30 van het Besluit bouwwerken leefomgeving niet vergunningvrij zijn toegestaan. Artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving bepaalt voor bepaalde bouwwerken dat deze ongeacht de regels in het omgevingsplan zonder omgevingsvergunning zijn toegestaan. Het omgevingsplan kan voor de in dit artikel genoemde bouwwerken in beginsel geen beperkingen bevatten. Artikel 2.30 van het Besluit bouwwerken leefomgeving bevat echter wel beperking op artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Deze beperkingen zijn opgenomen met het oog op de bescherming van cultureel erfgoed. In de aangegeven gevallen is artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, of zijn onderdelen daarvan, niet van toepassing. Voor die gevallen kan het omgevingsplan dus wel regels bevatten. Op grond van het omgevingsplan geldt daarvoor dan de vergunningplicht zoals opgenomen in artikel 4.7. Voor zover een betreffend bouwwerk in strijd is met de ruimtelijke regels over bouwwerken, kan binnenplans van die regels worden afgewezen.

De afwijkmogelijkheid heeft ook betrekking op gevallen genoemd in artikel 4.12, die vanwege artikel 4.14 niet vergunningvrij zijn. Dat ze niet vergunningvrij zijn, is vanwege strijd met de ruimtelijke regels over bouwwerken, bedoeld in artikel 5.6. Omdat ze daarmee in strijd zijn, zou daarom de vergunning moeten worden geweigerd. Artikel 4.19 voorziet erin dat voor die gevallen, in afwijking van de geldende ruimtelijke regels voor bouwwerken, toch vergunning kan worden verleend. Verder heeft de mogelijkheid betrekking op een deel van de gevallen die onder oud recht vielen onder artikel 4, van bijlage II van het toenmalige Besluit omgevingsrecht. Daaraan zijn toegevoegd bouwwerken of onderdelen ervan die onder oud recht in bestemmingsplannen veelal met algemene bouwregels werden toegestaan of een binnenplanse afwijkmogelijkheden vergunbaar waren. Met opname in dit artikel van dergelijke gevallen wordt mogelijk gemaakt om allerlei kleinere initiatieven via een binnenplanse vergunning toe te staan. Op de binnenplanse omgevingsvergunning is artikel 4.17 van de Omgevingswet niet van toepassing. Dit betekent dat het omgevingsplan niet in overeenstemming hoeft te worden gebracht met een verleende vergunning. De lijst van gevallen, zoals opgenomen in het eerste lid, is enerzijds beperkt ten opzichte van artikel 4, van bijlage II van het toenmalige besluit omgevingsrecht.

De in het derde tot en met elfde lid van dat artikel 4 genoemde 'gebruiksafwijkingen' zijn niet overgenomen. Los van het feit dat positionering in hoofdstuk 2 meer voor de hand liggend zou zijn, betreft het (met uitzondering van het in het elfde lid genoemde geval) gebruiksafwijkingen waarvan

91

het wenselijk is dat die na (of voorafgaand aan) vergunningverlening ook daadwerkelijk in het omgevingsplan worden opgenomen. Bovendien zou voor de in het negende en elfde lid van dat artikel 4 genoemde gevallen een uitzondering moeten worden gemaakt vanwege regelgeving op het gebied van milieueffectrapportage. Dat zou de regeling nodeloos ingewikkeld maken. Ook zonder een eventuele uitzondering vanwege regelgeving op het gebied van milieueffectrapportage, zijn het dermate onbegrensde gevallen, dat een brede afweging met het oog op een evenwichtige toedeling van functies en locaties nodig is. De buitenplanse omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is daarom het aangewezen instrument om deze gevallen indien gewenst juridisch mogelijk te maken (naast uiteraard de mogelijkheid om het omgevingsplan te wijzigen). Verder is de lijst van gevallen uitgebreid met gevallen die onder oud recht in een ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan via een binnenplanse afwijkmogelijkheid vergunbaar waren. Op die gevallen was, naast een beoordeling op de binnenplanse beoordelingsregels, ook altijd een beoordeling op goede ruimtelijke ordening van toepassing. Deze beoordeling is vertaald naar de in het derde lid opgenomen beoordelingsregels.

Zolang een ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan nog niet is vervangen, blijven die binnenplanse afwijkmogelijkheden van dat ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing. Omdat ze op grond daarvan vergunbaar zijn, vormt artikel 4.16, tweede lid, geen weigeringsgrond voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken. In dat geval wordt aan dit artikel 4.19 niet toegekomen.

Artikel 4.20 Beoordelingsregels van toepassing op artikel 4.19 In dit artikel zijn de beoordelingsregels opgenomen die van toepassing zijn op artikel 4.19, eerste lid. In het eerste lid zijn de beoordelingsregels gegeven. Op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef van de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingswet kon een omgevingsvergunning voor de gevallen, bedoeld in artikel 4, bijlage II, van het toenmalige Besluit omgevingsrecht, slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd was met een goede ruimtelijke ordening. Datzelfde criterium was van toepassing op in een ruimtelijk plan opgenomen binnenplanse afwijkmogelijkheden. Deze afweging is vervangen door een aantal meer concrete vereisten. In het eerste lid is bepaald dat aan artikel 4.19, eerste en tweede lid, alleen toepassing wordt gegeven als: a. de activiteit niet leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat; b. door de activiteit de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de van de locatie en de omgeving daarvan niet onevenredig wordt aangetast; c. het belang van het behoud van cultureel erfgoed zich daartegen niet verzet; d. e.

f.

g.

de activiteit, voor zover het gaat om een activiteit, bedoeld in het eerste lid, onder a of b, niet plaatsvindt op een locatie, bedoeld in artikel 5.11; en de activiteit, voor zover die leidt tot een overschrijding van de maximum bouwhoogtes zoals die zijn bepaald in het Luchthavenindelingbesluit Schiphol, in overeenstemming is met: 1. een door de verantwoordelijke minister afgegeven verklaring van geen bezwaar bij overschrijding van de toegestane bouwhoogte zoals bepaald in artikel 2.2.2 van dat besluit; of; 2. een door de Inspectie Leefomgeving en Transport afgegeven advies bij overschrijding van de toegestane bouwhoogte zoals bepaald in artikel 2.2.2a van dat besluit; de activiteit, voor zover die leidt tot een overschrijding van de maximum bouwhoogtes zoals die is bepaald in artikel 4.109, onder f, van de Omgevingsverordening Noord-Holland 2022, in overeenstemming is met door gedeputeerde staten afgegeven verklaring van geen bezwaar; en het gebruik van het te bouwen bouwwerk in overeenstemming is met artikel 2.3.

In het tweede lid is bepaald dat aan artikel 4.19, eerste lid, aanhef en onder c, geen toepassing wordt gegeven als sprake is van strijd met een instructieregel, gesteld in hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, of in de provinciale omgevingsverordening. Dit impliceert dat ook daaraan wordt getoetst. De overige in artikel 4.19, eerste en tweede lid bedoelde gevallen zijn van een aard en omvang dat deze beoordeling achterwege kan blijven. Bij de toepassing van artikel 4.19, eerste lid, wordt rekening gehouden met het belang van het voorkomen van hittestress, het behoud van groen, en het rainproof maken Amsterdam. Er is geen sprake van een weigeringsgrond, maar wel een verplichting deze aspecten in de beoordeling te betrekken. Artikel 4.21 bepaalt dat aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kunnen met het oog op dat belang voorschriften worden verbonden.

Artikel 4.21 Voorschriften Dit artikel bepaalt dat bij toepassing van artikel 4.19 over de daar bedoelde bouwwerken aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, met het oog op de bescherming van de in het tweede lid bedoelde belangen, voorschriften kunnen worden verbonden.

92

Artikel 4.22 Aanvraagvereisten Dit artikel bepaalt dat bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken dat slechts vergund kan worden met toepassing van artikel 4.19, die gegevens worden verstrekt die naar het oordeel van het bevoegd gezag nodig zijn om de beoordeling, bedoeld in artikel 4.20, te kunnen doen. Een nadere concretisering van de aanvraagvereisten is, gelet op de uiteenlopende gevallen waarop artikel 4.19 betrekking heeft, niet in zijn algemeenheid worden gegeven. Het ligt voor de hand dat een initiatiefnemer die voornemens is een vergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken aan te vragen, waarbij toepassing van artikel 4.19 nodig is, voorafgaand aan een aanvraag in overleg treedt met de gemeente. Tijdens dat vooroverleg kan aan de orde komen de vraag of het college bereik zou zijn medewerking te verlenen, maar ook gegevens bij een aanvraag verstrekt zouden moeten worden.

Artikel 4.23 Overige beoordelingsregels onverkort van toepassing, uitzonderingen Dit artikel bepaalt (volledigheidshalve) dat de overige in deze paragraaf opgenomen beoordelingsregels onverkort van toepassing zijn. Zo wordt ook bij toepassing van artikel 4.19 bijvoorbeeld getoetst of het uiterlijk van het bouwwerk afbreuk doet aan de omgevingskwaliteit. Dat komt overeen met de welstandstoets zoals die in het verleden ook van toepassing was op gevallen die vielen onder artikel 4 van bijlage II Bor, die mogelijk waren op grond van algemene bouwregels in het bestemmingsplan, of die vergunbaar waren op grond van een binnenplanse afwijkmogelijkheid. Ook de andere beoordelingsaspecten worden, voor zover relevant, betrokken. Het tweede lid bevat hierop een uitzondering. Daarin is bepaald dat voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op een bouwwerk bedoeld in artikel 4.19, eerste lid, onder a of b, de beoordelingsregels genoemd in subparagraaf 4.2.4.3 tot en met 4.2.4.7 buiten toepassing blijven. Hiermee wordt voor deze bouwwerken een vervolg gegeven aan de situatie zoals die onder oud recht gold. Onder de toenmalige Wabo gold voor deze bouwwerken dat een bouwvergunning niet nodig was, maar dat bij strijd met het bestemmingsplan wel een afwijkvergunning nodig was.

Dat hield in dat geen welstandsbeoordeling plaatsvond, maar dat uitsluitend werd een beoordeeld of werd voldaan aan een goede ruimtelijke ordening. Het tweede lid beoogt hieraan een vervolg te geven.

Artikel 4.24 Beoordelingsregel met betrekking tot het uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken Artikel artikel 4.24 komt in de plaats van artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder b, en het tweede lid, onder b, zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan. De bepaling is redactioneel in overeenstemming met de in de Omgevingswet gehanteerde terminologie, en in opbouw enigszins aangepast. Inhoudelijk is de strekking ervan gelijk. Eerste lid: Met dit artikel wordt een voortzetting gegeven aan artikel 2.10, eerste lid, onder d, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en aan het voormalig artikel 12a van de Woningwet. Daarin was de welstandsbeoordeling voor bouwwerken geregeld. In dit omgevingsplan wordt niet langer gesproken van een beoordeling op redelijk eisen van welstand, maar gaat het om een beoordeling van het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk. De impact van dat uiterlijk en de plaatsing op een goede omgevingskwaliteit wordt beoordeeld. Op grond van het eerste lid geldt daartoe dat de vergunning wordt geweigerd als het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, onaanvaardbare afbreuk doet aan een goede omgevingskwaliteit.

Tweede lid: Het tweede lid bevat een uitzondering op de eis dat het bouwwerk geen onaanvaardbare afbreuk mag doen aan een goede omgevingskwaliteit, namelijk als het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning toch moet worden verleend. Deze uitzondering is een voortzetting van het recht zoals dat gold onder de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Woningwet. Derde lid: Het derde lid geeft aan dat de beoordeling of sprake is van onaanvaardbare afbreuk aan de omgevingskwaliteit, bedoeld in het eerste lid, wordt beoordeeld volgens de criteria van de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet. Vierde lid: In het vierde lid is bij wijze van overgangsrechtelijke bepaling de formulering overgenomen uit artikel 22.29 zoals dat uiteindelijk bij wijze van Bruidsschat in het omgevingsplan is gekomen. Dit vierde lid refereert aan de

93

welstandsnota zoals die onder oud recht diende te worden vastgesteld. Voor zover deze nog niet is vervangen door beleidsregels als bedoeld in het derde lid, geldt deze welstandsnota als beoordelingskader.

Artikel 4.25 Vergunningvoorschriften met betrekking tot het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk Artikel 4.25 biedt de mogelijkheid dat aan de omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden met betrekking tot het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk die nodig zijn met het oog op het voorkomen van een onaanvaardbare afbreuk van de omgevingskwaliteit.

Artikel 4.26 Gebieden en bouwwerken waarvoor geen regels over het uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken gelden In de welstandsnota zijn welstandsvrije gebieden en welstandsvrije objecten aangegeven. Dit kan ook in een nieuwe beleidsregel worden gedaan, in de zin dat daarin wordt aangegeven dat geen regels over het uiterlijk van bouwwerken worden gegeven. In artikel 4.26 is bepaald dat voor zover in de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.24, derde lid, of in de welstandsnota, bedoeld in artikel 4.24, vierde lid, gebieden of categorieën van bouwwerken zijn aangewezen waarvoor geen regels over het uiterlijk of plaatsing van bouwwerken gelden dan wel geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn, het uiterlijk of en de plaatsing van het bouwwerk waarop dit van toepassing wordt geacht geen onaanvaardbare afbreuk te doen aan een goede omgevingskwaliteit. In die gebieden, of voor die bouwwerken, geldt het specifieke aanvraagvereiste met betrekking tot de welstandsbeoordeling ook niet, zie artikel 4.27. Op grond van artikel 12, tweede lid, van de Woningwet, kon de gemeenteraad welstandsvrije bouwwerken en gebieden aanwijzen. Die mogelijkheid bestaat ook onder de Omgevingswet. Artikel 4.19 van de Omgevingswet bevat niet de instructie om regels te stellen over het uiterlijk van bouwwerken, maar kent een facultatieve formulering.

Als in het omgevingsplan dergelijke regels zijn gesteld en de toepassing daarvan behoeft uitleg, dan stelt de gemeente daarover beleidsregels vast. Tegelijkertijd staat artikel 4.19 Omgevingswet er niet aan in de weg dat de beleidsregels ook betrekking hebben op de plaatsing van bouwwerken. In de algemene toelichting is hierop, en op wat dit betekent voor de ruimte van de beoordeling, nader ingegaan. In artikel 4.24, eerste lid, is (analoog aan de welstandstoets onder oud recht) als uitgangspunt genomen de regel dat het uiterlijk of plaatsing van een bouwwerk geen onaanvaardbare afbreuk mag doen aan de omgevingskwaliteit. Op grond van het eerste lid wordt de vergunning alleen verleend als het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, geen onaanvaardbare afbreuk doet aan de omgevingskwaliteit. Verder is bepaald dat die beoordeling plaatsvindt aan de hand van een vastgesteld beleidsregel (derde lid), of, voor zolang als die nog geldt, aan de hand van de welstandsnota (vierde lid).

Artikel 4.27 Aanvraagvereisten in verband met beoordeling van het uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken Artikel 4.27 bevat de aanvraagvereisten die specifiek verband houden met de beoordeling aan regels over het uiterlijk of de plaatsing van bouwwerken, bedoeld in subparagraaf 4.2.4.3. Dit artikel komt in de plaats van artikel 22.35, onder i, zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan. In de aanhef is aangegeven dat dit aanvraagvereiste niet van toepassing is op gebieden en bouwwerken, bedoeld in artikel 4.26. Artikel 4.28 Toepassingsbereik De regels voor bouwen op verontreinigde bodem zijn en blijven grotendeels gedecentraliseerd. De gemeente is bevoegd tot het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het Rijk stelt in paragraaf 5.1.4.5.1 (Toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie) van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) instructieregels voor de gemeente om te waarborgen dat de gemeente in het omgevingsplan regels stelt die waarborgen dat de gemeente in het omgevingsplan regels stelt ter voorkoming van onaanvaardbare gezondheidsrisico’s vanwege bodemverontreiniging bij het gebruik van een bodemgevoelig gebouw.

Met deze subparagraaf wordt met beoordelingsregels die betrekking hebben op aanvragen om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, regels over voorschriften die aan de omgevingsvergunning verbonden moeten worden en specifieke aanvraagvereisten invulling gegeven aan deze instructieregels. Eerste lid: In artikel 4.28 wordt het toepassingsbereik van deze subparagraaf bepaald en beperkt tot die gevallen waarin een aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie.

94

In de begripsbepalingen van het Besluit activiteiten leefomgeving is bepaald wat wordt verstaan onder een bodemgevoelig gebouw. Vanwege artikel 1.1, tweede lid, is die omschrijving ook van toepassing op dit omgevingsplan. De begripsbepaling verwijst naar de definitie van een bodemgevoelig gebouw in artikel 5.89g van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Daarin is bepaald dat een bodemgevoelig gebouw een gebouw of een gedeelte van een gebouw is dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. De omschrijving sluit aan bij de term ‘verblijfsfunctie’ die werd gebruikt in de voormalige regels over het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond in de Woningwet. Met verblijfsfunctie werd een plek aangeduid waar mensen gemiddeld ten minste twee uur per etmaal aaneengesloten verblijven. De term gebouw is in het Besluit kwaliteit leefomgeving en het Besluit bouwwerken leefomgeving gedefinieerd als: bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt, hieronder vallen ook een woonschip of een woonwagen. De term bouwwerk is in de wet gedefinieerd. In een bodemgevoelig gebouw kunnen zich alle in het Besluit bouwwerken leefomgeving gehanteerde gebruiksfuncties bevinden, mits daar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn.

Voorbeelden van gebouwen die buiten de reikwijdte van het begrip bodemgevoelig gebouw vallen, zijn een transformatorhuisje, een gemaal, een schuur bij een woning of een loods waar alleen kort wordt geladen of gelost en waar de rest van de tijd geen personen of werknemers verblijven. Bij het bepalen of het gaat om een bodemgevoelig gebouw is ook van belang dat sprake is van het bouwen (toelaten) van een gebouw of een deel van een gebouw ‘dat de grond raakt’. De ratio hiervan is dat daar blootstelling kan plaatsvinden en risico’s voor de gezondheid kunnen optreden. Het gaat bijvoorbeeld niet om het aanbouwen van een uitbouw op de eerste verdieping of een dakkapel, omdat bij dergelijke bouwactiviteiten de gezondheidsrisico’s door de bodemkwaliteit niet toenemen. Blootstelling kan bij een woonschip of woonwagen plaatsvinden, voornamelijk door het direct aangrenzende terrein of de tuin, net als bij andere woningen met een tuin (zie ook de toelichting op het derde lid hierna). Hoewel een woonschip strikt genomen niet de grond raakt, kunnen er wel vergelijkbare gezondheidsrisico’s optreden als bij grondgebonden woningen met een tuin en daarom zijn ze expliciet toegevoegd aan het begrip bodemgevoelig gebouw. Bijbehorende bouwwerken tot 50 m2 vallen niet onder de definitie van bodemgevoelig gebouw en zijn daarmee uitgezonderd van de plicht om een bodemonderzoek uit te voeren.

De geringe omvang van die bouwactiviteit staat niet in verhouding tot de lasten van bodemonderzoek en sanering en daartoe verplichten wordt niet gerechtvaardigd geacht aangezien de gezondheidsrisico’s door zo een beperkte toevoeging aan een bestaand hoofdgebouw niet significant toenemen. De waarde van 50 m2 sluit aan bij de onderste afbakening die in het Besluit omgevingsrecht was opgenomen voor bijbehorende bouwwerken: iedereen met een tuin tot 100 m2 mag 50% hiervan vergunningvrij bebouwen en hoeft hiervoor geen bodemonderzoek te verrichten. Deze ondergrens in het tweede lid van artikel 5.89g gaat nooit over het bouwen van een hoofdgebouw, alleen om aanbouwen of bijbehorende bouwwerken als onderdeel van of bij reeds bestaande hoofdgebouwen. Het moment waarop een nieuw hoofdgebouw wordt gebouwd, is het passende moment om bodemonderzoek te doen en maatregelen te treffen, ook voor de tuin waar mogelijk in de toekomst wordt uitgebouwd. Dat sluit niet uit dat het verstandig kan zijn om een bodemonderzoek te doen, zeker als er informatie is die aanleiding geeft tot een vermoeden dat er (historische) verontreiniging aanwezig kan zijn.

Indien wordt gegraven in de bodem ten behoeve van het bouwen, zijn bovendien de regels over graven in de bodem van het Besluit activiteiten leefomgeving of de regels over kleinschalig graven in dit omgevingsplan van toepassing, waarbij bodemonderzoek over het algemeen aan de orde is. Het Besluit activiteiten leefomgeving bevat tevens een begripsbepaling voor een bodemgevoelige locatie. Het verwijst naar artikel 5.89h van het Besluit kwaliteit leefomgeving waarin is bepaald wat in ieder geval onder een bodemgevoelige locatie moet worden verstaan. Daarin is bepaald dat een bodemgevoelige locatie een locatie is waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit (artikel 5.89h, onder a van het Besluit kwaliteit leefomgeving). Bovendien valt een onmiddellijk aan een woonschip of woonwagen grenzende tuin of grenzend terrein onder de definitie van een bodemgevoelige locatie (artikel 5.89h, onder c van het Besluit kwaliteit leefomgeving). De term «toelaten» geeft aan dat hier ook een gebouw of deel van een gebouw wordt verstaan dat nog niet aanwezig is. Voor het gemak wordt hierna uitgegaan van het voorbeeld van een woning. Dit betekent dat al wordt aangesloten bij het moment dat een woning is geprojecteerd, dat wil zeggen dat de functie wonen is toegedeeld aan de locatie.

Dat kan een andere functie zijn dan de huidige functie, bijvoorbeeld als gevolg van functiewijziging al dan niet na sloop van bestaande bebouwing. Ook als een woning nog niet feitelijk aanwezig is, kan er dus sprake zijn van een bodemgevoelig gebouw in de zin van paragraaf 5.1.4.5.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Zie verder paragraaf 7.5 van het algemeen deel van de toelichting van het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet (Staatsblad 2021, 98).

95

Een bodemgevoelige locatie is ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw (artikel 5.89h, onder b van het Besluit kwaliteit leefomgeving). Omdat het aaneengesloten terrein van één eigenaar kan bestaan uit meerdere kadastrale percelen, is ervoor gekozen om niet uit te gaan van het kadastrale perceel. Dit sluit aan bij de voormalige regels over het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond in de Woningwet. De strekking daarvan is in artikel 5.89h van het Besluit kwaliteit leefomgeving duidelijker gecodificeerd. De tuin is immers bij uitstek gevoelig voor contact door mensen met bodemverontreiniging (bijvoorbeeld door het naar binnen lopen (huisstof), spelende kinderen, tuinieren en verbouwen van voedselgewassen, enzovoorts). Tweede lid: In het tweede lid staat een omschrijving van een sanerende maatregel. Een sanerende maatregel is een maatregel die getroffen wordt om schadelijke gezondheidseffecten van bodemverontreiniging weg te nemen. Bij het uitvoeren van sanerende maatregelen zijn er twee mogelijkheden: • Het uitvoeren van de sanering vindt plaats volgens paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Dit zijn de regels over het saneren van de bodem. • De sanering vindt plaats onder het overgangsrecht.

Het overgangsrecht staat beschreven in artikel 3.1 van de Aanvullingswet bodem. De Wet bodembescherming en het Besluit uniforme saneren zijn van toepassing als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet: a. een besluit is genomen dat spoedige sanering nodig is; b. een (deel)saneringsplan Wet bodembescherming is ingediend; of c. een melding is gedaan volgens het Besluit uniforme saneringen. Met een sanering onder het overgangsrecht kan een vergelijkbaar resultaat worden behaald als met een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 (Saneren van de bodem) van het Besluit activiteiten leefomgeving. Zowel een sanering onder het Besluit activiteiten leefomgeving als onder het overgangsrecht moet erop zijn gericht dat de gebruikers van het gebouw geen ontoelaatbare schadelijke gezondheidseffecten ondervinden door een verontreiniging in de bodem.

Artikel 4.29 Beoordelingsregels met betrekking tot bodemgevoelige gebouwen op bodemgevoelige locatie In dit artikel zijn specifieke beoordelingsregels opgenomen die gelden als de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken gaat over het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Artikel 4.29 komt in de plaats van artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder c, en artikel 22.30, zoals die bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel waren geworden van dit omgevingsplan. Eerste lid: In dit lid is het beoordelingskader opgenomen waaraan een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie wordt getoetst. Onderdeel a In dit onderdeel is een beoordelingsregel opgenomen ten aanzien van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem. De waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem is in het tweede tot en met vierde lid opgenomen. Een omgevingsvergunning kan worden verleend als de de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden of bij overschrijding van die waarde als aannemelijk is dat een sanerende maatregel wordt genomen. De sanerende maatregel wordt genomen voorafgaand aan of tijdens de bouw en in ieder geval voor het in gebruik nemen van het bodemgevoelige gebouw.

Het gaat om een saneringsmaatregel als bedoeld in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving of een sanering onder het overgangsrecht. Voor beide situaties geldt dat er ook voldaan moet worden aan onderdeel b. Onderdeel b In aanvulling op de artikelen 22.29 en 22.30 zoals die bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel waren geworden van dit omgevingsplan stelt de gemeente Amsterdam aanvullende beoordelingsregels voor het bouwen op verontreinigde bodem. In de voormalige Bouwverordening Amsterdam was opgenomen dat aan de omgevingsvergunning voor bouwen (van een bodemgevoelig gebouw) voorschriften konden worden verbonden om de bodem alsnog geschikt te maken. Om een grondslag voor een dergelijk

96

voorschrift in het omgevingsplan te creëren is onderdeel b toegevoegd aan het eerste lid. Volgens onderdeel b kan een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden verleend als het bevoegd gezag van oordeel is dat er geen verontreiniging van de bodem is die zodanig is dat schade te verwachten is voor de gezondheid van gebruikers van het gebouw (en ook wordt voldaan aan onderdeel a, onder 1 of 2 ). Als er wel verontreiniging in de bodem aanwezig is (anders dan bedoeld in onderdeel a, onder 2) die schadelijk zou kunnen zijn voor de gezondheid van de gebruikers van het gebouw maar aannemelijk is dat met een of meer maatregelen de bodem of het gebouw toch geschikt kan worden gemaakt voor het beoogde gebruiksdoel kan de omgevingsvergunning ook worden verleend onder het voorschrijven van die maatregelen (zolang ook wordt voldaan aan onderdeel a, onder 1 of 2). De maatregelen staan in artikel 4.31 genoemd. Onderdeel b werkt als een vangnet voor niet-genormeerde stoffen of situaties waarin weliswaar de interventiewaarde niet wordt overschreden, maar er toch onacceptabele gezondheidsrisico’s zijn, bijvoorbeeld wanneer sprake is van voortschrijdende inzichten over de schadelijkheid van een stof. Genormeerde stoffen waarvoor een interventiewaarde bodemkwaliteit is vastgesteld vallen al onder onderdeel a.

Tweede lid: Onderdeel a: Net als onder de voormalige Wet bodembescherming, is in dit lid bepaald dat sprake is van een overschrijding van de waarde toelaatbare kwaliteit bodem als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie is overschreden in meer dan 25 m3 bodemvolume. Voor de waarde toelaatbare kwaliteit bodem houdt de gemeente Amsterdam voor de meeste gevallen de interventiewaarden bodemkwaliteit aan. Deze interventiewaarden staan in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving. Anders dan bij een saneringsgeval onder de Wet bodembescherming is het voor de beoordeling van de aanvraag niet nodig om de exacte hoeveelheid verontreiniging of de contour voor een bepaalde concentratie stoffen in beeld te brengen. De regel is niet gericht op het opsporen en aanpakken van heel kleine verontreinigingen. Er zijn alleen maatregelen nodig als het gaat om een verontreiniging in meer dan 25 m3 bodemvolume boven de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem. Onderdeel b: Voor PFAS (polyen perfluoralkylstoffen) zijn geen interventiewaarden bodemkwaliteit vastgesteld en zijn dus ook geen interventiewaarden voor PFAS opgenomen in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving. Voor de bescherming van de gezondheid van de gebruikers van het gebouw is het nodig om voor PFAS waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast te stellen.

Ook bij een verontreiniging met PFAS geldt de ondergrens van 25m3 bodemvolume. Voor de waarden van PFAS in de vaste bodem is aangesloten bij de INEV’s (Indicatieve niveaus voor ernstige verontreiniging). De INEV’s zijn afgeleid door het RIVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) en gelden als de meest actuele wetenschappelijke inzichten. Het is ongewenst dat grond met een PFAS-verontreiniging boven de opgenomen waarden wordt herschikt onder de afdeklaag door de verwachte effecten op het milieu en de gezondheid. Derde lid: De ondergrens van 25 m3 bodemvolume, zoals die in het tweede lid wordt aangehouden, geldt niet voor asbest, omdat asbest ook in kleine hoeveelheden gevaar voor de gezondheid kan opleveren. Bij het aantreffen van asbest in de bodem boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, ongeacht het volume, moeten sanerende maatregelen worden genomen. De uitzondering op het volumecriterium van 25m3 voor asbest is een voortzetting van het beleid in de Circulaire bodemsanering onder de voormalige Wet bodembescherming. Vierde lid: In het vierde lid worden waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor lood vastgesteld. De gemeente Amsterdam wil haar inwoners aanvullend beschermen tegen schadelijke gevolgen van bodemlood.

De gemeente Amsterdam heeft daarom specifiek beleid voor bodemverontreiniging met lood, waaronder een subsidieregeling en het faciliteren van afvoer van grond. Gebleken is dat blootstelling aan lood nog schadelijker is voor de gezondheid dan eerst werd gedacht, met name voor de hersenontwikkeling van jonge kinderen. Naar aanleiding van een EFSAadvies (European Food and Safety Authority) heeft het RIVM een rapport opgesteld. De GGD heeft op basis hiervan gezondheidskundige advieswaarden afgeleid. Het Amsterdamse loodbeleid is hierop gebaseerd en er zijn waarden in de inmiddels ingetrokken nota Bodembeheer vastgelegd. Dit is beleidsneutraal vertaald naar een waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem voor lood in dit omgevingsplan voor locaties waar verwacht wordt dat kinderen vaak in aanraking kunnen komen met de bodem (zoals een tuin of buitenruimte bij een woning, kinderdagverblijf of school). In afwijking van het uitgangspunt in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt hierbij uitgegaan van de gemeten waarde, zonder dat een bodemtypecorrectie wordt toegepast. Voor het toetsen of

97

sprake is van gezondheidsrisico’s kan het beste van de gemeten waarde wordt uitgegaan. Dit is in lijn met het advies van de GGD over lood. Bij een bodemgevoelige gebruiksfunctie waar geen contact met de bodem door jonge kinderen voor de hand ligt, zoals winkels of kantoren met eventuele buitenruimte of tuin, wordt de interventiewaarde aangehouden conform de bijlage IIA Bal (met bodemtypecorrectie). In de onderstaande tabel zijn voor een beter begrip voor verschillende bodemgevoelige gebouwen de waarden voor de stoffen lood en PFAS weergegeven. Waarden voor lood en PFAS voor verschillende bodemgevoelige gebruiksfunctie Bodemgevoelige gebruiks

Waarden PFOS en overi Waarden lood (in mg/kg ds)

Waarden PFOA (in µg /kg ds)

functie

ge PFAS (in µg /kg ds)

Woning met tuin Kinderdagverblijf met buiten 370

60

59

60

59

ruimte School met buitenruimte Winkel, kantoor, overige bo

demgevoelige gebouwen

Interventiewaarde conform

bijlage IIA Bal

Artikel 4.30 Vergunningvoorschriften met betrekking tot een bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: uitvoering sanering Dit artikel bepaalt dat aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor een bodemgevoelig gebouw die wordt verleend terwijl de bodem verontreinigd is boven de waarde toelaatbare kwaliteit bodem, in ieder geval het voorschrift wordt verbonden dat voorafgaand aan de ingebruikname van het bodemgevoelige gebouw, een sanering van de bodem is uitgevoerd (onderdeel a) en het bevoegd gezag hierover een week voor ingebruikname wordt geïnformeerd (onderdeel b). Onderdeel a: Dit onderdeel is opgenomen om te waarborgen dat bij overschrijding van de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem de sanering ook daadwerkelijk plaatsvindt. Hierdoor zijn er handhavingsmogelijkheden als tijdens de bouw bijvoorbeeld geen dampdichte vloer of geen mechanische ventilatie wordt gerealiseerd (bouwkundige maatregelen die onderdeel kunnen uitmaken van een sanering). Hiermee is het ook mogelijk om tijdens de bouw te handhaven, in plaats van alleen nadat er gebouwd is. Dit onderdeel geeft invulling aan artikel 5.89k van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Onderdeel b: Onderdeel b verplicht de initiatiefnemer om minimaal een week voor ingebruikname van (een deel van) het bodemgevoelige gebouw de gemeente te informeren op welke manier de sanering is uitgevoerd. De termijn van een week geeft het bevoegd gezag de gelegenheid om voldoende en tijdig toezicht te houden en om te beoordelen of de sanering is afgerond en inderdaad heeft opgeleverd dat de bodem geschikt is gemaakt voor het bodemgevoelige gebouw. Dit lid geeft invulling aan artikel 5.89m van het Besluit kwaliteiten leefomgeving. Het Besluit activiteiten leefomgeving kent een vergelijkbare informatieplicht na beëindiging van de activiteit bodemsanering (artikel 4.1246). De initiatiefnemer kan in één keer aan beide informatieplichten voldoen. Onderdeel b komt in de plaats van artikel 22.31 zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan. De bepaling is aangepast door een termijn van een week te verbinden aan de informatieplicht.

98

Artikel 4.31 Vergunningvoorschrift met betrekking tot een bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: bodem of gebouw alsnog geschikt maken Eerste lid: Als sprake is van een bodemverontreiniging met een niet-genormeerde stof die ongewenste gezondheidseffecten kan hebben of als sprake is van een situatie waarin een genormeerde stof onder de waarde toelaatbare kwaliteit toch ongewenste gezondheidseffecten kan hebben, kan het bevoegd gezag voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden waarin maatregelen verplicht worden gesteld met het oog op het alsnog geschikt maken van de bodem of het gebouw. Deze maatregelen voorkomen dat gebruikers van het gebouw aan een ongezonde situatie worden blootgesteld en zijn vergelijkbaar met de genoemde saneringsmaatregelen in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Tweede lid: In dit lid is de verplichting voor de initiatiefnemer opgenomen om minimaal een week voor ingebruikname van (een deel van) het bodemgevoelige gebouw de gemeente te informeren op welke manier de maatregelen (als bedoeld in het eerste lid) zijn genomen.

Artikel 4.32 Aanvraagvereisten in verband met beoordeling bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie Artikel 4.32 bevat de aanvraagvereisten die specifiek verband houden met de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, bedoeld in subparagraaf 4.2.4.4. Dit artikel komt, voor zover betrekking hebbend op de beoordeling van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, in de plaats van artikel 22.35, onder j, zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan. Aanvullend daarop zijn het tweede tot en met vijfde lid opgenomen voor een beleidsneutrale voortzetting van de regels over bouwen op verontreinigde bodem onder de voormalige Bouwverordening Amsterdam. Eerste lid: Onderdeel a: Volgens artikel 5.89ka van het Besluit kwaliteit leefomgeving is het verplicht om in het omgevingsplan te eisen dat bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw bodemonderzoeken als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden verstrekt. Daarom verplicht dit onderdeel om bodemonderzoek als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving bij de aanvraag in te dienen.

Het bodemonderzoek is nodig om te bepalen of de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem wordt overschreden of om eventueel vast te stellen dat er andere verontreinigingen aanwezig zijn (nietgenormeerde stoffen), waarvoor wel een detectiegrens is bepaald. In dat geval is een sanerende maatregel volgens het Besluit activiteiten leefomgeving of een sanering onder het overgangsrecht (genormeerde stoffen), of maatregelen bedoeld in artikel 4.31, een voorwaarde voor het bouwen. Zie verder de toelichting hierna op onderdeel b. Onderdeel b: Als sprake is van overschrijding van de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem moeten daarnaast gegevens en bescheiden worden verstrekt die aannemelijk maken dat een sanering zal plaatsvinden. Dat kan bijvoorbeeld een melding zijn als bedoeld in artikel 4.1236 van het Besluit activiteiten leefomgeving, een ingediend saneringsplan onder de Wet bodembescherming, of een beschrijving van de voorgenomen maatregelen, of andere documentatie die aannemelijk maakt dat een sanerende maatregel in voorbereiding is en zal worden uitgevoerd. Tweede lid: In de bodem kan zich bodemvreemd materiaal bevinden. Als sprake is van meer dan 50% bodemvreemd materiaal, wordt gebruik gemaakt van andere onderzoekrichtlijnen dan bij bodem met minder dan 50% bodemvreemd materiaal.

Bij de aanwezigheid van asbestverdacht bouw- of sloopafval of asbestverdacht recyclinggranulaat wordt de bodem onderzocht met een asbestonderzoek volgens NEN 5707 als sprake is van minder dan 50% bodemvreemd materiaal. Als sprake is van meer dan 50% bodemvreemd materiaal vindt een asbestonderzoek plaats volgens NEN 5897. Derde lid:

99

Op grond van de inmiddels ingetrokken bouwverordening Amsterdam moest er na een vooronderzoek een verkennend bodemonderzoek volgen, met onder bepaalde voorwaarden een uitzondering voor de locaties die vallen binnen zones 1 en 2 van de Bodemkwaliteitskaart Amsterdam. Dit is in het derde lid beleidsneutraal omgezet naar het omgevingsplan. In zone 1 of 2 van de Bodemkwaliteitskaart Amsterdam is een verkennend onderzoek alleen verplicht als uit het vooronderzoek bodem een verdenking op specifieke bodemverontreiniging naar voren komt. Met een specifieke verontreiniging wordt een verontreiniging bedoeld die is veroorzaakt door een puntbron, bijvoorbeeld een lekkage bij een bedrijf. Naast specifieke verontreinigingen kunnen er ook diffuse verontreinigingen aanwezig zijn, die niet te relateren zijn aan een puntbron. Vierde lid: Bij tijdelijke bouwwerken (maximaal 15 jaar), wordt het verplicht uitvoeren van een verkennend onderzoek als bedoeld in het derde lid, in relatie tot de beperkte instandhoudingstermijn van een tijdelijk bouwwerk niet altijd proportioneel geacht indien er geen of nauwelijks verdenkingen zijn van een specifieke verontreiniging (puntbron) op basis van het vooronderzoek.

Wat onder een tijdelijk bouwwerk verstaan moet worden is in bijlage I bij artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving bepaald, namelijk een bouwwerk met een instandhoudingstermijn van ten hoogste 15 jaar op dezelfde locatie. De definitie van het Besluit bouwwerken leefomgeving is op dit omgevingsplan van overeenkomstige toepassing, gelet op artikel 1.1, tweede lid. Vijfde lid: Om het mogelijk te maken dat de gegevens uit een bodemonderzoeksrapport efficiënt kunnen worden ingevoerd in het bodeminformatiesysteem, regelt het vijfde lid dat de resultaten van een bodemonderzoek ook moeten worden verstrekt in het XML-formaat (naast indiening van het gehele onderzoeksrapport in PDF-formaat) voor zover de gegevens zich daarvoor lenen. Dit sluit aan bij de beoordelingsrichtlijnen en protocollen van de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer (SIKB) die van toepassing zijn op de organisaties die bodemonderzoek verrichten. In die richtlijnen en protocollen wordt voor de digitale uitwisseling van bodemgegevens uitgegaan van de datastandaard SIKB0101 waarin het bestandsformaat XML is voorgeschreven. Het eisen van een XML-formaat is beleidsneutraal, omdat in de Bouwverordening Amsterdam het uitvoeren van een bodemonderzoek volgens de Amsterdamse Richtlijn voor onderzoek (ARVO) was voorgeschreven, waarin de verplichting tot indienen XML-formaat is opgenomen.

Met een XML-bestand kunnen de resultaten van het bodemonderzoek, na beoordeling, geautomatiseerd en dus snel worden ingevoerd in het bodeminformatiesysteem van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied en zijn daarmee snel door iedereen online te raadplegen. Het XML-bestand voldoet technisch aan het actuele SIKB0101 uitwisselingsformaat of aan het één na laatste formaat. Zie voor alle eisen die worden gesteld aan de aanlevering van bodemonderzoeksresultaten de Amsterdamse Richtlijn voor bodemonderzoek (ARVO).

Artikel 4.33 Beoordelingsregel met betrekking tot het aantal parkeerplaatsen voor auto's In deze subsubparagraaf zijn beoordelingsregels opgenomen met betrekking tot autoparkeerplaatsen. Artikel 4.33 bevat de feitelijke beoordelingsregel. Eerste lid: In het eerste lid is bepaald dat een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken alleen wordt verleend als het aantal parkeerplaatsen voor auto’s dat op eigen terrein wordt gerealiseerd en feitelijk beschikbaar wordt gehouden, gelet op het beoogd gebruik als bedoeld in artikel 4.9, onder b, en de omvang daarvan, in overeenstemming is met de geldende parkeernormen, bedoeld in artikel 3.7. De verwijzing naar het beoogd gebruik, bedoeld in artikel 4.9, onder b, heeft betrekking op het algemeen aanvraagvereiste dat gegevens worden verstrekt over zowel het bestaand als het beoogd gebruik. In artikel 4.38 is als aanvullend aanvraagvereiste opgenomen dat gegevens worden verstrekt over de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein. Artikel 4.33 bevat beoordelingsregels met betrekking tot parkeernormering waaraan de bouwaanvraag zal worden getoetst. Voor zover een aanvraag om een bouwvergunning tevens ziet op een ander dan het bestaand gebruik, dan kan sprake zijn van een wijziging van gebruik dat in de Nota fietsparkeren als transformatie wordt gezien.

De beoordeling aan de daarop van toepassing zijnde normen wordt in dat geval meegenomen in de aanvraag van de bouwvergunning. Nadat een bouwwerk is vergund en gerealiseerd is sprake van een bestaande situatie. Vanaf dat moment zijn de regels zoals gesteld in onderdeel 3.2.3.1 van toepassing. Opgemerkt wordt nog dat er ook initiatieven zijn voor wijziging van gebruik of nieuwbouw die niet rechtstreeks passend of vergunbaar zijn binnen de regels van dit omgevingsplan. In dat geval kan een initiatiefnemer een

100

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14509256/1