CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 15 De artikelsgewijze toelichting bij de regeling zonder renvooi.pdf

RAAD 18 september 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam: Basisregeling. (VN2024-007101)70.434 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 6 van 8

65

als elke afzonderlijke woning beschikt over een bijnageluidluwe gevel. Daaronder wordt blijkens de begripsbepaling, opgenomen in bijlage I, verstaan een gevel waarop het berekende geluid niet hoger is dan de standaardwaarde +3dB. Kan niet aan de voorwaarde gesteld in het derde of vierde lid worden voldaan, dan kan op grond van het eerste lid alsnog een hogere waarde aanvaardbaar worden gevonden. Of geluidbeperkende maatregelen in dat geval, mede gelet op het tweede lid, wel of niet genomen kunnen worden, moet in dat geval blijken uit de aanvraag. Het begrip woning, zoals gebruikt in het derde en vierde lid, is in bijlage I omschreven als een zelfstandige woonruimte, of een geheel aan onzelfstandige woonruimten die onderdeel uitmaken van hetzelfde adres. Deze omschrijving is ook op het derde en vierde lid van toepassing. Dat betekent dat wanneer sprake is van een woning met daarin meerdere onzelfstandige woonruimten, de woning als geheel wordt beschouwd, en dus niet elke onzelfstandige woonruimte afzonderlijk. Vijfde lid: In het tweede lid wordt het tweede lid van artikel 5.78u van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing verklaard. Kortheidshalve wordt verwezen naar de daarop van toepassing zijnde artikelgewijze toelichting.

Zesde en zevende lid: Het vijfde en zesde lid geven uitvoering aan hetgeen is bepaald in artikel 5.78u, vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Kortheidshalve wordt verwezen naar de daarop van toepassing zijnde artikelgewijze toelichting.

Artikel 3.30 Belang van een geluidluwe gevel Artikel 3.30 bevat een regeling die analoog is aan artikel 5.78ab van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het artikel geeft aan hoe in de belangafweging het belang van een geluidluwe gevel een rol moet spelen. Het artikel schrijft voor dat bij de toepassing van artikel 3.29 het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel moet worden betrokken. Het 'betrekken bij' van dit belang geldt als het geluid hoger is dan de standaardwaarde, maar lager is dan de grenswaarde. Het gemeentelijk beleid onder oud recht was dat bij andere geluidgevoelige gebouwen dan woningen, het belang van een stille zijde niet werd meegewogen. Het Besluit kwaliteit leefomgeving schrijft echter voor dat met het oog op de gezondheid dit bij alle geluidgevoelige gebouwen moet gebeuren. Dit betekent dat het vereiste zoals opgenomen in dit artikel zowel bij woningen geldt als bij andere geluidgevoelige gebouwen.

Artikel 3.31 Beoordelen aanvaardbaarheid gecumuleerd geluid Artikel 3.31 bevat een aanvullend beoordelingscriterium dat analoog is aan artikel 5.78ac van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Artikel 3.29 voorziet in de mogelijkheid tot het toelaten van geluid dat de standaardwaarde overschrijdt. Het kan zijn dat het geluidgevoelige gebouw ook wordt belast door geluid afkomstig van andere geluidbronsoorten. Bijvoorbeeld een woning die wordt belast door geluid afkomstig van een gemeenteweg en tegelijkertijd ook door geluid afkomstig van een industrieterrein. Als zo’n woning binnen het geluidaandachtsgebied van beide geluidbronsoorten wordt toegelaten, moet uiteraard getoetst worden aan de standaarden grenswaarden van beide geluidbronsoorten. Eerste lid: In het eerste lid is bepaald dat de gemeente bij het toepassen van de artikelen waarmee de standaardwaarde overschreden kan worden, ook de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op de betreffende geluidgevoelige gebouwen moet beoordelen. Het artikel beoogt (in navolging van artikel 5.78ac van het Besluit kwaliteit leefomgeving) dezelfde werking als artikel 3.38 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Tweede en derde lid: Het gecumuleerde geluid is het geluid door geluidbronsoorten en andere activiteiten tegelijk, opgeteld met correctie voor de verschillen in hinderlijkheid.

Daarbij wordt in artikel 3.38 van het Besluit kwaliteit leefomgeving tevens aangegeven welke geluidbronsoorten bij het bepalen van het gecumuleerde geluid in ieder geval worden betrokken (tweede lid) en dat op het bepalen van het gecumuleerde geluid de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing zijn (derde lid). Hoewel dit uit de begripsbepaling kan worden opgemaakt, is (om elke twijfel daarover te voorkomen) zijn artikel 3.38, derde en vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, overgenomen in respectievelijk het derde en vierde lid van artikel 4.54. Voor meer informatie over het bepalen en beoordelen van de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid wordt verwezen naar de toelichting op artikel 3.38 van het Besluit kwaliteit leefomgeving en en de daarin opgenomen toelichting op het begrip 'gecumuleerd geluid' (Staatsblad 2020, nr. 557).

66

Artikel 3.32 Bepalen van gezamenlijk geluid Artikel 3.32 bepaalt dat bij de toepassing van artikel 3.29 het gezamenlijk geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen wordt bepaald en in de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.26, vastgelegd. Deze verplichting is analoog aan de verplichting zoals die is opgenomen in artikel 5.78ad van het Besluit kwaliteit leefomgeving, zij het dat op grond van artikel 3.29 het gezamenlijk geluid niet in het omgevingsplan moet worden vastgelegd, maar in de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Het artikel beoogt (in navolging van artikel 5.78ad van het Besluit kwaliteit leefomgeving) dezelfde werking als artikel 3.39 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. In de begripsbepaling van bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt voor de uitleg van het begrip gezamenlijk geluid ook verwezen naar artikel 3.39 van dat besluit. Vanwege artikel 1.1, tweede lid, van dit omgevingsplan is die begripsbepaling ook van toepassing op dit omgevingsplan. Het gezamenlijk geluid is het geluid door geluidbronsoorten en andere activiteiten tegelijk, energetisch opgeteld zonder correctie voor de verschillen in hinderlijkheid.

Kenmerkend is dat het geluid door bronsoorten en andere geluidbronnen – anders dan bij cumulatie, bedoeld in artikel 3.31 – wordt opgeteld zonder daarbij te corrigeren voor verschillen in hinderlijkheid. Het gezamenlijke geluid wordt alleen toegepast bij het bepalen van geluidwerende maatregelen waarbij verschillen in hinderlijkheid niet relevant zijn. Verder wordt in artikel 3.39 van het Besluit kwaliteit leefomgeving tevens aangegeven welke geluidbronsoorten bij het bepalen van het gecumuleerde geluid in ieder geval worden betrokken (derde lid) en dat op het bepalen van het gezamenlijk geluid de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing zijn (vierde lid). Voor meer informatie over het bepalen en beoordelen van de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid wordt verwezen naar de toelichting op artikel 3.39 van het Besluit kwaliteit leefomgeving en de daarin opgenomen toelichting op het begrip 'gezamenlijk geluid' (Staatsblad 2020, nr. 557). Als artikel 3.29 wordt toegepast, besluit het bevoegd gezag om een nieuw geluidgevoelig gebouw toe te laten op een locatie waar het geluid hoger is dan de standaardwaarde voor de betreffende geluidbronsoort.

Artikel 5.78ad van het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt dan dat als het toe te laten geluidgevoelige gebouw door meerdere geluidbronsoorten of geluidbronnen wordt belast, de waarde van het gezamenlijk geluid bij het nemen van dat besluit moet worden bepaald en in het omgevingsplan worden vastgelegd. De wetgever gaat ervan uit dat het geluid wordt bepaald bij het toelaten van het betreffende gebouw in het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Het bepalen van dat geluid kan ook worden verschoven naar een omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplan (zie Staatsblad 2020 557, p. 356). De Omgevingswet biedt de mogelijk om het toelaten en het toetsen aan standaarden grenswaarden door te schuiven naar het moment waarop een omgevingsvergunning voor bouwen wordt aangevraagd. In voorliggend omgevingsplan is het doorschuiven van dat toetsmoment als uitgangspunt genomen. Het is dan ook in het kader van de vergunningaanvraag dat definitief over een mogelijke toepassing van artikel 3.29 wordt besloten. Dat is ook het eerste moment dat het gezamenlijk geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen kan worden bepaald en vastgelegd.

Het is om die reden dat in artikel 3.32 is bepaald dat het gezamenlijk geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen niet in het omgevingsplan, maar in de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt vastgelegd. De waarde van dat gezamenlijk geluid is nodig voor het toepassen van de regels van het Besluit bouwwerken leefomgeving met betrekking tot de geluidwering van het nieuwe geluidgevoelige gebouw. In artikel artikel 4.103, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt verwezen naar het gezamenlijk geluid op de gevel van het geluidgevoelige gebouw. Bij de toepassing van artikel 4.103 Van het Besluit bouwwerken leefomgeving hoeft geen onderzoek te worden gedaan naar het geluid op de gevel van het geluidgevoelige gebouw dat maatgevend is voor de geluidwering van het gebouw. De waarde van het gezamenlijke geluid wordt al bepaald bij het toelaten van het betreffende gebouw in het omgevingsplan of een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of, als de bepaling is doorgeschoven, bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit (Staatsblad 2020 557, p. 357). Bij de meeste nieuwe geluidgevoelige gebouwen moet de geluidwering leiden tot het voldoen aan een binnenwaarde van 33 dB.

Artikel 3.33 Vergunningvoorschriften Artikel 3.33 bepaalt dat aan de omgevingsvergunning die voorschriften kunnen worden verbonden die nodig zijn met het oog op het voorkomen van onaanvaardbare geluidhinder.

Artikel 3.35 Vergunningplicht huisvesting in verband met mantelzorg in een bestaand bouwwerk

67

Artikel 3.35 roept een vergunningplicht in het leven voor huisvesting in verband met mantelzorg. Dit artikel komt in de plaats van artikel 22.36, onder c, zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan. Eerste lid: In het eerste lid is geregeld dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een bestaand bouwwerk te gebruiken voor huisvesting in verband met mantelzorg. Huisvesting in verband met mantelzorg is een geluidgevoelig gebruik. De vergunningplicht is in het leven geroepen met het oog op een beoordeling van de aanvaardbaarheid van het geluid op de gevel. Op grond van de begripsbepaling voor mantelzorg, opgenomen in bijlage I, wordt onder mantelzorg verstaan intensieve zorg of ondersteuning, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, ten behoeve van zelfredzaamheid of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond. Deze omschrijving is gelijk aan die onder oud recht van toepassing was.

Er is gelet op de omschrijving pas sprake van mantelzorg als de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond. Het overleggen van deze verklaring is als aanvraag vereiste opgenomen in het zevende lid. Tweede lid: Het tweede lid bevat een uitzondering op de vergunningplicht, bedoeld in het eerste lid. De uitzondering is van overgangsrechtelijke aard. Onder oud recht was huisvesting in verband met mantelzorg op grond van artikel 2, bijlage II van het toenmalige Bor zonder omgevingsvergunning toegestaan. Voor die gevallen waarin onder oud recht huisvesting in verband met mantelzorg mocht plaatsvinden, en op het moment dat artikel 3.35 in werking is getreden ook daadwerkelijk plaatsvindt, wordt bepaald dat de bestaande huisvesting in verband met mantelzorg mag worden voortgezet. Het tweede lid bepaalt daartoe dat het eerste lid niet van toepassing is voor zover een gebouw voor het moment dat dit artikel in werking is getreden rechtmatig is gebouwd en in gebruik is genomen voor huisvesting in verband met mantelzorg.

Of sprake is van rechtmatige huisvesting in verband met mantelzorg op het moment dat dit artikel in werking is getreden, moet blijken uit de verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond. Die (gedateerde) verklaring moest er (gelet op de onder oud recht geldende begripsomschrijving) zijn op het moment dat een gebouw voor huisvesting in verband met mantelzorg in gebruik was genomen. Derde lid: Het derde lid biedt de mogelijkheid dat locaties worden aangewezen waar de vergunningplicht, bedoeld in het eerste lid, niet van toepassing is. Vierde lid: Het vierde lid bepaalt dat als een nog onder oud recht vastgesteld, en niet vervallen bestemmingsplan huisvesting in verband met mantelzorg expliciet toestaat, het eerste lid niet van toepassing is.

Artikel 3.36 Beoordelingsregels Artikel 3.36 bevat de inhoudelijke beoordelingsregels. Eerste lid: In het eerste lid is bepaald dat de vergunning alleen wordt verleend als: a. het geluid op het gebouw, met het oog op de bescherming van de gezondheid, aanvaardbaar is; en b. het gebruik van het bestaande bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg niet leidt tot beperkingen bij de bestaande uitoefening van milieubelastende activiteiten, bedoeld in afdeling 9.2. Met het eerste lid, aanhef en onder a, wordt geborgd dat daadwerkelijk een beoordeling op de aanvaardbaarheid van het geluid op de gevel kan plaatsvinden.

68

Het eerste lid, aanhef en onder b, moet ervoor zorgen dat het gebruik van een bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg niet leidt tot beperkingen bij de bestaande uitoefening van milieubelastende activiteiten, bedoeld in afdeling 9.2. Die afdeling bevat verschillende normen waaraan bij het uitoefenen van een milieubelastende activiteit moet worden voldaan. Veelal gelden die normen ter plaatse van een gevoelige functie, zoals wonen. Omdat ook huisvesting in verband met mantelzorg als een effect-gevoelig gebruik moet worden gezien, kan het toestaan van huisvesting in verband met mantelzorg leiden tot beperkingen voor bedrijven in de omgeving. Dat is niet gewenst. Vandaar dat deze beoordelingsregel is opgenomen. Wanneer vanwege de beoogde huisvesting in verband met mantelzorg sprake zou zijn van een normoverschrijding door een bedrijf in de omgeving, hoeft dat op zich nog geen reden te zijn de vergunning te weigeren. Wanneer ondanks een overschrijding van normen voor een bepaalde milieubelastende activiteit toestemming voor huisvesting in verband met mantelzorg toch in de rede ligt, kan eventueel (voor zover in afdeling 9.2 de mogelijkheid daarvoor bestaat) met een maatwerkvoorschrift aan het bedrijf een ruimere norm worden gegeven.

Tweede lid: Het tweede lid bepaalt dat op de aanvraag en de beoordeling of het geluid op het gebouw, met het oog op de bescherming van de gezondheid, aanvaardbaar is, paragraaf 3.2.6 van overeenkomstige toepassing is. Daarbij wordt aangegeven dat de omgevingsvergunning (anders dan bepaald in artikel 3.27, aanhef en onder a) niet wordt geweigerd wegens strijd met artikel 2.3, eerste of tweede lid. Strijd met artikel 2.3 vormt dus geen weigeringsgrond. Die uitzondering is nodig, omdat artikel 2.5, eerste lid, bepaalt dat gronden en bouwwerken ter plaatse van een gebruiksdoel 'wonen' mogen worden gebruikt ten behoeve van wonen. Onder wonen wordt verstaan het gebruik van woonruimte ten behoeve van bewoning, en het daaraan ondergeschikt zijnde gebruik van de bij de woonruimte behorende gronden en opstallen. Het is dus alleen woonruimte die bewoont mag worden. Bij woonruimte behorende opstallen mogen niet worden bewoond. Het in gebruik nemen van een bijbehorende opstal voor het gebruik van huisvesting in verband met mantelzorg, zou dus in strijd zijn met artikel 2.3. Dit vormt in dit geval geen weigeringsgrond. Derde en vierde lid: Het derde en vierde lid bevatten een absolute weigeringsgrond vanwege externe veiligheid. Vanwege externe veiligheid zijn in het Besluit kwaliteit leefomgeving instructieregels opgenomen.

Met het derde lid wordt uitvoering gegeven aan de instructieregel, opgenomen in artikel 5.7 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Daarin is bepaald dat in een omgevingsplan een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico van een activiteit in acht wordt genomen van ten hoogste 1 op de 1.000.000 per jaar voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties. De in het derde lid opgenomen weigeringsgrond krijgt toepassing nadat aan de betreffende zones de in het tweede lid genoemde aanduidingen zijn gegeven. De beperking dat het eerste lid niet van toepassing is, geldt immers alleen ter plaatse van de in het tweede lid, onder a tot en met f, genoemde locaties. Het verbinden van die aanduidingen aan de betreffende zones zal gebiedsgewijs gebeuren, bij het vervangen van nog geldende ruimtelijke besluiten, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, die bij wijze van overgangsrecht als tijdelijk deel onderdeel zijn van dit omgevingsplan. Tot het moment dat die ruimtelijke besluiten zijn vervallen, wordt met het vierde lid voorzien in een overgangsregeling. Het vierde lid doet hetzelfde als het derde lid, voor locaties waar het onder oud recht vastgesteld bestemmingsplan nog niet is vervangen.

Dit vierde lid, onderdelen a en b, komt in de plaats van en is inhoudelijk gelijk aan artikel 22.39 zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan. Onderdeel c is daaraan toegevoegd. De in dit lid opgenomen situaties kunnen gelden daar waar het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan nog niet is komen te vervallen. Deze situaties waren opgenomen in artikel 5, derde lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. Ook hieraan ligt ten grondslag de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico van ten hoogste een op de miljoen per jaar voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties die op grond van artikel 5.7 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in een omgevingsplan in acht moet worden genomen. Voor zover het eerste lid betrekking heeft op die gebouwen is het niet wenselijk dat op locaties waar door de in die onderdelen bedoelde activiteiten overschrijding van de norm voor het plaatsgebonden risico aan de orde zou kunnen zijn, de in die onderdelen bedoelde activiteiten zouden kunnen worden verricht. Het vierde lid bepaalt dat in dat geval de vergunning wordt geweigerd.

Tenzij op grond van bepalingen elders in dit omgevingsplan alsnog toegestaan, betekent dit dat mantelzorg binnen die zones in strijd is met dit omgevingsplan, en dat een buitenplanse omgevingsvergunning of wijziging van het omgevingsplan is vereist.

69

Het gaat in de eerste plaats om de locaties waarvoor het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, zelf al vanwege de overschrijding van het plaatsgebonden risico bouwmogelijkheden die kunnen leiden tot kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen niet toelaat. Het gaat hier om artikel 3.36, vierde lid, onder a, dat een omzetting is van artikel 5, derde lid, onder b, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. De verwijzing naar dit omgevingsplan is hier uitdrukkelijk beperkt tot het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, dat kort samengevat bestaat uit de onder het voormalige recht geldende planologische regelingen. Dit omdat die regelingen uitgaan van de in de desbetreffende onderdelen van artikel 5, derde lid, gehanteerde begrippen en systematiek, die onder de Omgevingswet anders zijn. Het is aan gemeenten om daar bij het vaststellen van het omgevingsplan toepassing aan te geven. Dat zal gebiedsgewijs bij het vervangen van dit tijdelijk deel bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, gebeuren. Tot dat dit gebeurd is blijft de bepaling zoals die bij wijze van bruidsschat was opgenomen in artikel 22.39 van toepassing, zij het dat die bepaling is verplaatst naar (onder andere) dit vierde lid, en gewijzigd in een weigeringsrond.

Daarbij is de bepaling in artikel 22.39, onder a, komen te vervallen, omdat die situatie zich binnen Amsterdam niet voordoet. Het vierde lid, onder b, bevat daarnaast ook een weigeringsgrond als de beoogde locatie is gelegen binnen afstanden die degene die een vergunningvrije milieubelastende activiteit verricht op grond van het Bal in verband met het plaatsgebonden risico in acht moet nemen. Het gaat dan om de afstanden tussen bepaalde installaties of opslagvoorzieningen waar met stoffen wordt gewerkt die een veiligheidsrisico voor de omgeving met zich kunnen brengen en te beschermen gebouwen en locaties. Op grond van het Bal geldt als hoofdregel dat veiligheidsafstanden zoals hier bedoeld gelden tot de begrenzing van de locatie waarop de milieubelastende activiteit wordt verricht. Hierdoor zijn er ook geen beperkingen aan de gebruiksruimte buiten die begrenzing. Maar het Bal staat in een aantal situaties afwijking van deze regel toe. Onderdeel b is alleen voor die gevallen van praktisch belang. De zinsnede ‘voor zover … van toepassing is’ in de verschillende subonderdelen van het vierde lid, onder b, brengt dat tot uitdrukking. Degene die een milieubelastende activiteit als hier bedoeld verricht, moet op grond van het Bal op het moment dat de veiligheidsafstanden van toepassing worden buiten de locatie waar hij zijn activiteit verricht, het bevoegd gezag daarover informeren.

Het bevoegd gezag moet ervoor zorgen dat deze gegevens terecht komen in het landelijk register externe veiligheidsrisico’s en aldus voor een ieder kenbaar zijn. Bij de opsomming van activiteiten in het vierde lid, onder c, is aangesloten bij de opsomming van activiteiten in bijlage VII, onder A, bij het Besluit kwaliteit leefomgeving. Dat onderdeel van die bijlage geeft voor de daarin genoemde vergunningvrije milieubelastende activiteiten uit het Bal vastgestelde afstanden waarbij wordt voldaan aan de norm voor het plaatsgebonden risico. De opgesomde activiteiten, zoals die in het vierde lid, onder c, onder verwijzing naar de desbetreffende artikelen uit het Bal zijn overgenomen, omvatten zes activiteiten die niet worden genoemd in artikel 5, derde lid, onder c, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. Het gaat hier om de subonderdelen 2°, 5°, 6°, 7°, 12° en 13°. Voor de activiteit, bedoeld in subonderdeel 2° (het tanken van voertuigen of werktuigen met LPG), heeft dat als achtergrond dat deze activiteit onder het recht voor de Omgevingswet nog vergunningplichtig was. Door de verschuiving van vergunningplichtig naar vergunningvrij moet de activiteit nu aan de opsomming in het vierde lid, onder c, worden toegevoegd.

Voor de overige toegevoegde activiteiten is gelet op het belang van de externe veiligheid evenmin aanleiding om deze voor de toepassing van het vierde lid, onder c, buiten beschouwing te laten.

Artikel 3.37 Aanvraagvereisten Artikel 3.37 bevat een aanvraagvereisten. Allereerst wordt i het eerste lid bepaald dat de aanvraagvereisten, opgenomen in artikel 3.34, onverkort van toepassing zijn. Het tweede lid bepaalt in aanvulling daarop dat bij de aanvraag om omgevingsvergunning een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur wordt verstrekt, waaruit de behoefte aan mantelzorg blijkt.

Artikel 3.38 Vergunningplicht voor het wijzigen van een buisleiding met gevaarlijke stoffen, de druk of de vervoerde stof Artikel 3.38 bevat een vergunningplicht voor de genoemde wijzigingen voor zover deze leiden tot een wijziging van het aandachtsgebied. De reden voor de vergunningplicht is dat bij wijziging aan de buisleiding (bv. van de diameter, wanddikte, diepte onder het maaiveld en materiaalsoort) of bij wijziging van de druk of de vervoerde stof kunnen de risico’s voor de omgeving wijzigen. De vergunningplicht zorgt ervoor dat die wijzigingen vooraf op aanvaardbaarheid kunnen worden beoordeeld. De vergunningplicht geldt alleen voor zover daardoor de ligging van het aandachtsgebied wijzigt. Bij overige wijzigingen zijn de ruimtelijke implicaties beperkt.

Artikel 3.39 Beoordelingsregel omgevingsvergunning buisleiding gevaarlijke stoffen Artikel 3.39 bevat de beoordelingsregels die op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in het vorig artikel van toepassing is. Voor de beoordeling van de omgevingsvergunning is aangesloten bij de relevante externe veiligheidsaspecten uit het toetsingskader voor milieubelastende activiteiten die op grond van het Besluit

70

activiteiten leefomgeving vergunningplichtig zijn. Het toetsingskader is opgenomen in artikel 8.9 t/m 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving Eerste lid: In het eerste lid is het bepaalde onder artikel 8.9, eerste lid, aanhef en onder g, verwerkt. Dit onderdeel ziet op het treffen van de nodige maatregelen om ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan te beperken. Arbeidsveiligheid valt hierbuiten, nu dit niet de fysieke leefomgeving betreft. Tweede lid: In het tweede lid is overeenkomstig artikel 8.10a, eerste lid, aanhef en onder c, Besluit kwaliteit leefomgeving bepaald dat de aanvraag in ieder geval getoetst wordt aan het groepsrisico. Hierbij worden toegelaten gebouwen en locaties meegenomen, dus ook nog niet aanwezige gebouwen en locaties. Derde lid: In het derde lid wordt overeenkomstig artikel 8.10a, derde lid, Besluit kwaliteit leefomgeving bepaald dat bij de toetsing aan het groepsrisico wordt rekening gehouden met de aandachtsgebieden. In artikel 5.12 en 5.13 Besluit kwaliteit leefomgeving zijn de verschillende categorieën van aandachtsgebieden aangewezen en begrensd.

Artikel 3.40 Aanvraagvereisten Eerste lid: Om de beoordeling als bedoeld in artikel 3.150 te kunnen maken heeft het bevoegd gezag de gegevens nodig zoals genoemd in het eerste lid. De gegevens bedoeld in onderdeel b dient de leidingbeheerder ‘voorhanden’ te hebben op grond van artikel 4.1115, tweede lid van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Het Bal bevat geen verplichting om deze aan te leveren bij het bevoegd gezag. Indien deze gegevens reeds zijn aangeleverd (uit eigen beweging of op verzoek) aan het bevoegd gezag, dan hoeven ze niet nog een keer verstrekt te worden gelet op artikel 16.55, vijfde lid van de Omgevingswet. Tweede lid: Gelet op artikel 4.1, tweede lid, van de Omgevingswet kunnen bij ministeriële regeling meet- en rekenvoorschriften worden gesteld over activiteiten waarvoor in het omgevingsplan regels zijn gesteld. Artikel 4.12 van de Omgevingsregeling bevat regels voor het berekenen van aandachtsgebieden. In dit omgevingsplan hoeft in principe geen verwijzing opgenomen te worden naar deze rekenbepaling. Dit is hier wel gedaan voor de leesbaarheid van de regelgeving.

Artikel 3.41 Vergunningvoorschriften Op grond van artikel 4.5 van de Omgevingswet kunnen aan een omgevingsvergunning voorschriften verbonden worden indien hiervoor expliciet de mogelijkheid is opgenomen in het omgevingsplan. Daartoe dient artikel 3.41. Bij een aanvraag die tot een verruiming van het aandachtsgebied leidt, kan de bebouwde omgeving binnen het aandachtsgebied of de binnen dat gebied toegelaten nieuwe gebouwen of locaties ertoe leiden dat aanvullende voorschriften aan de omgevingsvergunning voor worden verbonden ter bescherming van personen in die gebouwen of op die locaties.

Artikel 3.42 Geografisch werkingsgebied, toepassingsbereik en oogmerk Deze regeling geldt alleen ter plaatse van de aanduiding 'ambachtelijk bedrijf'. Bij het wijzigen van het omgevingsplan voor een concrete locatie (en waarmee het bestemmingsplan wordt vervangen in de eerste periode) moet worden beoordeeld waar het wenselijk is om de regeling te laten gelden. Het is de bedoeling dat die aanduiding alleen op locaties worden geplaatst waar op het moment van het wijzigen van het omgevingsplan daar een ambachtelijk bedrijf al aanwezig is. Bij het wijzigen van het omgevingsplan waarbij deze aanduiding wordt geplaatst (en waardoor de regeling gaat gelden) dient de volledige afweging plaats te vinden hoe de regeling voldoet aan de evenwichtige toedeling van functies aan locaties en de specifieke instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het tweede lid bevat een aanvulling op het eerste lid. Zoals toegelicht in paragraaf 6.4 van de algemene toelichting heeft het Rijk tijdelijk een alternatieve maatregel beschikbaar gesteld voor het publiceren van wijzigingen van het omgevingsplan: de TAM-IMRO. Daarmee hoeft niet via de nieuwe digitale standaarden een wijziging van het omgevingsplan beschikbaar gesteld te worden, maar kan dat nog via de IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening).

Direct na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is er tijdelijk geen plicht om de STOP/TPOD te gebruiken. Dit regelt artikel 11.1 lid 2 van het Besluit elektronische publicaties. Een besluit tot wijziging van het omgevingsplan met toepassing van TAM-IMRO wordt een TAM-omgevingsplan genoemd. Hoewel een TAM-omgevingsplan met de oude standaard wordt gepubliceerd, waardoor het digitaaltechnisch geen onderdeel is van het omgevingsplan, maakt het juridisch gezien daarvan wel onderdeel uit. Een besluit tot wijziging van het omgevingsplan met toepassing van TAM-IMRO zal in heel veel gevallen gepaard gaan met het voor het besluitgebied laten vervallen van het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren

71

met het oog op het faciliteren van een nieuwe ontwikkeling. Echter kan daarbij niet de aanduiding, bedoeld in het eerste lid, aan het besluitgebied worden gegeven met toepassing van de nieuwe standaard STOP-TP. Daaraan staat juist de toepassing van de oude standaard in de weg. Om, mocht dat nodig zijn, paragraaf 3.2.9 toch van toepassing te laten zijn, bepaalt het tweede lid dat, in aanvulling op het eerste lid, deze paragraaf ook geldt ter plaatse van het besluitgebied van een TAM-omgevingsplan, maar uitsluitend voor zover dat in een TAM-omgevingsplan is bepaald. Het derde lid bepaalt dat deze paragraaf van toepassing is op het wijzigen van een bestaand gebruik als ambachtelijk bedrijf naar een ander gebruik, uitsluitend voor zover het met de wijziging beoogde gebruik niet in strijd is met artikel 2.3. Dat houdt in dat als het beoogde gebruik in strijd is met artikel 2.3, de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.43, niet kan worden verleend. Volledigheidshalve is dit ook bepaald in de beoordelingsregel (artikel 3.44, aanhef en onder a). Bij strijd met artikel 2.3 kan aan een dergelijke gebruikswijziging slechts medewerking worden verleend door middel van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

In bijlage I is bepaald dat onder ambachtelijk bedrijf wordt verstaan een bedrijf dat goederen geheel of overwegend door middel van handwerk vervaardigt, bewerkt of herstelt naar ander gebruik. Dit kan een ambachtelijke meubelmaker, fietsenmaker, kledingreparatiezaak of iets dergelijks zijn. Hoewel ambachtelijke bedrijfsvoering over het algemeen kleinschaligheid veronderstelt, wordt dat in dit artikel niet geregeld. Daartoe kunnen elders in het omgevingsplan, namelijk in onderdeel 2.3.6 regels gesteld worden ten aanzien de maximum bruto vloeroppervlakte van een vestiging. Het vierde lid bepaalt het oogmerk van de regeling.

Artikel 3.43 Vergunningplicht wijziging ambachtelijke bedrijf naar ander gebruik Dit artikel bevat het verbod om zonder vergunning een ambachtelijk bedrijf te wijzigen naar een ander gebruik. Uiteraard is het wel mogelijk zonder de bedoelde omgevingsvergunning een ambachtelijk bedrijf te wijzigen naar een andere vorm van ambachtelijk bedrijf.

Artikel 3.44 Beoordelingsregel Dit artikel bevat de beoordelingscriteria voor de verlening van de omgevingsvergunning. De aanhef en onderdeel a bepaalt allereerst dat de omgevingsvergunning alleen wordt verleend als de activiteit in overeenstemming is met artikel 2.3. Dat artikel bepaalt dat het verboden is gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met een in afdeling 2.3 aan een locatie gegeven gebruiksdoel en de daarop betrekking hebbende regels, of op een wijze die in strijd is met de regels over gebruik. Voor zover het onder oud recht vastgestelde ruimtelijk plan nog niet is vervallen, wordt daarin tevens bepaald dat het verboden is gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan aan een locatie gegeven bestemming, of op een wijze die in strijd is met de daarop betrekking hebbende regels over gebruik. De beoordelingsregel voorziet er dus in dat wordt getoetst of de wijziging passend is met elders gestelde regels over gebruik. Heeft de vraag betrekking op een wijziging naar gebruik als wonen, maar wonen is op grond van artikel 2.3 op de betreffende locatie niet toegestaan, dan moet de omgevingsvergunning wijziging gebruik worden geweigerd.

De aanhef en onderdeel b bepaalt dat het beoogd ander gebruik moet bijdragen aan een divers en lokaal aanbod aan voorzieningen, passend bij het karakter van het gebied. Dat andere gebruik moet met andere woorden een meerwaarde betekenen voor de stad, bijdragen en aan divers en lokaal aanbod van voorzieningen en het karakter van een gebied, bijvoorbeeld de Pijp als volksbuurt, versterken. is dat niet het geval, dan moet de vergunning worden geweigerd.

Artikel 3.45 Aanvraagvereiste De aanvraag dient de in dit artikel genoemde gegevens te bevatten.

Artikel 3.46 Geografisch werkingsgebied en oogmerk Met paragraaf 3.2.10 wordt uitvoering gegeven aan enkele instructieregels uit paragraaf 5.1.2.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Deze paragraaf ziet erop dat binnen een ‘beperkingengebied plaatsgebonden risico’ beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen zich niet of niet zonder meer kunnen vestigen. Zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties zijn uiteraard ook niet toegestaan, maar die gebruiksdoelen worden dan ook niet mogelijk gemaakt binnen het beperkingengebied. Zeer/ kwetsbaar of beperkt kwetsbare gebouwen en kwetsbare en beperkt kwetsbare locaties zijn in bijlage VI bij het Besluit kwaliteit leefomgeving aangewezen. Gelet op de begripsbepaling in bijlage I Besluit kwaliteit leefomgeving en op het bepaalde in artikel 1.1, tweede lid in dit omgevingsplan, hoeft voor die begrippen in het omgevingsplan niet opnieuw een definitie te worden opgenomen.

72

Artikel 3.46 bepaalt het werkingsgebied en oogmerk van de regels in deze paragraaf. Eerste lid: De beschermende regeling in deze paragraaf hoeft alleen te gelden daar waar het plaatsgebonden risico 1 op de 1.000.000 per jaar of hoger is. De gebieden waar dat het geval is, worden in dit omgevingsplan aangewezen met de aanduiding 'beperkingengebied plaatsgebonden risico’. In het eerste lid is bepaald dat deze afdeling alleen daar van toepassing is. Daarbuiten geldt deze afdeling dus niet. Het toekennen van deze aanduiding vindt in eerste instantie plaats bij het vervangen van het oud recht vastgestelde ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan, zoals een bestemmingsplan. Waar dat nog niet is gebeurd, is deze aanduiding nog niet aan een locatie gegeven. Dat brengt mee dat deze paragraaf niet geldt waar het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan nog niet is komen te vervallen. Tweede lid: Het tweede lid bevat een aanvulling op het eerste lid. Zoals toegelicht in paragraaf 6.4 van de algemene toelichting heeft het Rijk tijdelijk een alternatieve maatregel beschikbaar gesteld voor het publiceren van wijzigingen van het omgevingsplan: de TAM-IMRO. Daarmee hoeft niet via de nieuwe digitale standaarden een wijziging van het omgevingsplan beschikbaar gesteld te worden, maar kan dat nog via de IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening).

Direct na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is er tijdelijk geen plicht om de STOP/TPOD te gebruiken. Dit regelt artikel 11.1 lid 2 van het Besluit elektronische publicaties. Een besluit tot wijziging van het omgevingsplan met toepassing van TAM-IMRO wordt een TAM-omgevingsplan genoemd. Hoewel een TAM-omgevingsplan met de oude standaard wordt gepubliceerd, waardoor het digitaaltechnisch geen onderdeel is van het omgevingsplan, maakt het juridisch gezien daarvan wel onderdeel uit. Een besluit tot wijziging van het omgevingsplan met toepassing van TAM-IMRO zal in heel veel gevallen gepaard gaan met het voor het besluitgebied laten vervallen van het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren met het oog op het faciliteren van een nieuwe ontwikkeling. Echter kan daarbij niet de aanduiding, bedoeld in het eerste lid, aan het besluitgebied worden gegeven met toepassing van de nieuwe standaard STOP-TP. Daaraan staat juist de toepassing van de oude standaard in de weg. Om, mocht dat nodig zijn, paragraaf 3.2.10 toch van toepassing te laten zijn, bepaalt het tweede lid dat, in aanvulling op het eerste lid, deze paragraaf ook geldt ter plaatse van het besluitgebied van een TAM-omgevingsplan, maar uitsluitend voor zover dat in een TAM-omgevingsplan is bepaald.

Derde lid: In het derde lid is het oogmerk van de regeling opgenomen, namelijk de bescherming van kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen. De bescherming wordt bereikt door de vestiging van deze gebouwen binnen het beperkingengebied te beperken. Hiermee blijven deze gebouwen (en uiteraard de daarin verblijvende personen) op een grotere (en dus meer veilige) afstand van de risicobronnen.

Artikel 3.47 Verbod gebruik kwetsbaar gebouw Eerste lid: Op grond van artikel 5.7, eerste lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt in een omgevingsplan een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico van een activiteit in acht genomen van ten hoogste 1 op de 1.000.000 per jaar voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties. Het plaatsgebonden risico is de kans op het overlijden van een onbeschermd en continu aanwezig persoon buiten de begrenzing van de locatie waar een activiteit wordt verricht als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door die activiteit (artikel 5.6 Besluit kwaliteit leefomgeving). Aan deze instructieregel wordt in de eerste instantie uitvoering gegeven om in het beperkingengebied (waar het plaatsgebonden risico hoger is dan genoemde grenswaarde) geen gebruiksdoelen toe te laten die kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties kunnen bevatten. Bij enkele gebruiksdoelen (zoals bedrijf en administratieve dienstverlening) zijn zowel beperkt kwetsbare als kwetsbare gebouwen denkbaar. Om het gebruik van gebouwen als kwetsbaar gebouw te voorkomen is het verbod in het eerste lid opgenomen. Kwetsbare gebouwen zijn in bijlage VI bij het Besluit kwaliteit leefomgeving aangewezen.

Gelet op de begripsbepaling in bijlage I Besluit kwaliteit leefomgeving en op het bepaalde in artikel 1.1, tweede lid in dit omgevingsplan, hoeft voor die begrippen in het omgevingsplan niet opnieuw een definitie te worden opgenomen.

73

Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat dit artikel ziet op het gebruik van bestaande gebouwen. Het oprichten van een nieuwe kwetsbare gebouwen binnen het beperkingengebied is tevens verboden op grond van de samenhang van de artikelen 4.16, 5.14, 2.3 en dit artikel. Tweede lid: Op grond van artikel 5.5 Besluit kwaliteit leefomgeving geldt de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico niet voor functioneel gebonden kwetsbare gebouwen. Met het tweede lid wordt aan die instructieregel uitvoering gegeven.

Artikel 3.48 Vergunningplicht wijziging naar beperkt kwetsbaar gebouw Eerste lid: Op grond van artikel 5.11, eerste lid Besluit kwaliteit leefomgeving geldt er een standaardwaarde voor het plaatsgebonden risico van een aangewezen risicoactiviteit van 1 op de 1.000.000 per jaar voor beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties. Hiermee wordt in een omgevingsplan rekening gehouden. De term ‘rekening houden’ betekent in de systematiek van het Besluit kwaliteit leefomgeving dat van de standaardwaarde gemotiveerd afgeweken kan worden. Het plaatsgebonden risico is de kans op het overlijden van een onbeschermd en continu aanwezig persoon buiten de begrenzing van de locatie waar een activiteit wordt verricht als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door die activiteit (artikel 5.6 Besluit kwaliteit leefomgeving). Beperkt kwetsbare gebouwen zijn in bijlage VI bij het Besluit kwaliteit leefomgeving aangewezen. Gelet op de begripsbepaling in bijlage I Besluit kwaliteit leefomgeving en op het bepaalde in artikel 1.1, tweede lid in dit omgevingsplan, hoeft voor die begrippen in het omgevingsplan niet opnieuw een definitie te worden opgenomen.

Aan deze instructieregel wordt in de eerste instantie uitvoering gegeven om in het beperkingengebied (waar het plaatsgebonden risico hoger is dan genoemde standaardwaarde) geen gebruiksdoelen toe te laten die beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties kunnen bevatten, alsmede door in hoofdstuk 4 de bouwmogelijkheden te beperken. In voorkomende gevallen is het wel mogelijk om beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties toe te laten mits dit bij wijziging van het omgevingsplan zorgvuldig wordt gemotiveerd. In aanvulling op deze werkwijze stelt dit artikel beperking aan het gebruik van gebouwen binnen het beperkingengebied om te voorkomen dat nieuwe of andere beperkte kwetsbare gebouwen zullen worden gebruikt. Dit artikel ziet op een tweetal situaties. Ten eerste geldt er een beperking wanneer het gebruik van een niet-kwetsbaar gebouw (een gebouw dat niet aan te merken is als kwetsbaar, beperkt kwetsbaar of zeer kwetsbaar gebouw) wordt omgezet naar een beperkt kwetsbaar gebouw (passend in het toegestane gebruiksdoel). Dergelijke nietkwetsbaar gebouw kan bij voorbeeld een berging zijn (‘overige gebruiksfunctie’ conform het Besluit bouwwerken leefomgeving). Als bijvoorbeeld een bedrijf (binnen het gebruiksdoel bedrijf) dergelijke berging in gebruik wil nemen voor productieactiviteiten (gebruiksfunctie industrie cf. Besluit bouwwerken leefomgeving).

Na die wijziging kan het gebouw als beperkt kwetsbaar gebouw gezien worden. Ten tweede geldt er een beperking voor het wijzigen van een reeds bestaand beperkt kwetsbaar gebouw. De wijziging kan bestaan uit omzetting naar een andere (toegelaten) gebruiksfunctie, bv. de omzetting van een bedrijfsruimte naar kantoor. De wijziging kan ook aanpassing van de bedrijfsvoering zijn waardoor het aantal te verblijven personen toeneemt. Toename van het aantal verblijvende personen heeft gevolgen voor het groepsrisico (aantal doden in geval van een calamiteit), maar ook voor de mogelijkheden van hulpverlening en rampenbestrijding. Dit is in lijn met de beperking die nu al geldt in Westpoort. Voor deze situaties geldt de beperking dat de wijziging niet zonder meer is toegestaan, maar alleen door middel van een vergunning. Gelet op het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn beperkt kwetsbare gebouwen in het beperkingengebied in principe niet wenselijk en daarom alleen na zorgvuldige belangenafweging mogelijk. Het instrument omgevingsvergunning biedt het bevoegd gezag de ruimte om een maatwerk-beoordeling te maken voor het specifieke geval. Tweede lid: Op grond van artikel 5.5 Besluit kwaliteit leefomgeving geldt de standaardwaarde voor het plaatsgebonden risico niet voor functioneel gebonden beperkt kwetsbare gebouwen. Met het tweede lid wordt aan die instructieregel uitvoering gegeven.

Artikel 3.49 Beoordelingsregels In dit artikel is bepaald waaraan een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het nieuwe / gewijzigde gebruik van een beperkt kwetsbaar gebouw wordt getoetst.

74

Eerste lid: De aanhef en onderdeel a bepaalt allereerst dat de omgevingsvergunning alleen wordt verleend als de activiteit in overeenstemming is met artikel 2.3. Dat artikel bepaalt dat het verboden is gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met een in afdeling 2.3 aan een locatie gegeven gebruiksdoel en de daarop betrekking hebbende regels, of op een wijze die in strijd is met de regels over gebruik. Voor zover het onder oud recht vastgestelde ruimtelijk plan nog niet is vervallen, wordt daarin tevens bepaald dat het verboden is gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan aan een locatie gegeven bestemming, of op een wijze die in strijd is met de daarop betrekking hebbende regels over gebruik. Hiermee wordt erin voorzien dat wordt getoetst of de wijziging passend is met elders gestelde regels over gebruik. Zoals bij artikel 3.48 toegelicht, zijn beperkt kwetsbare gebouwen in het beperkingengebied in principe niet wenselijk. Daarom kan een nieuw / gewijzigd gebruik alleen worden toegestaan zwaarwegende economische of maatschappelijke redenen dit rechtvaardigen (onderdeel b). Hiernaast wordt de beoordeeld de veiligheidssituatie beoordeeld.

Om de risico’s zo veel mogelijk te beperken moeten alle redelijkerwijs te vergen maatregelen getroffen zijn (onderdeel c). De hier maatregelen kunnen zowel brongericht als effectgerichte maatregelen zijn als andere maatregelen die de kans op een ongewoon voorval bij de risico veroorzakende activiteit voldoende beperken, zoals het instellen van venstertijden. Tevens is het van belang dat er voldoende mogelijkheden zijn voor personen om zichzelf in veiligheid te brengen (zelfredzaamheid). Tweede lid: Bij de beoordeling van de aanvraag wordt rekening gehouden met het advies van de veiligheidsregio. De veiligheidsregio heeft de meeste expertise over de mogelijke gevolgen voor een ramp, alsmede over de mogelijke maatregelen m.b.t. risicobeperking en zelfredzaamheid. Derde lid: Gelet op artikel 5.11, tweede lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving is het niet mogelijk beperkt kwetsbare objecten binnen de ‘plaatsgebonden risico 10-5 zone’ van een windturbine te realiseren. Bij windturbines geldt er een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico van ten hoogste 1 op de 100.000 per jaar. Van deze grenswaarde is het niet mogelijk om af te wijken, ook niet voor beperkt kwetsbare gebouwen.

Artikel 3.50 Vergunningvoorschriften Op grond van artikel 4.5 van de Omgevingswet kunnen aan een omgevingsvergunning voorschriften verbonden worden indien hiervoor expliciet de mogelijkheid is opgenomen in het omgevingsplan. Daartoe dient dit artikel. In een vergunningvoorschrift kunnen (al dan niet naar aanleiding van het advies van de veiligheidsregio) maatregelen worden opgenomen omwille van veiligheid.

Artikel 3.51 Aanvraagvereisten Dit artikel bevat de aanvraagvereisten met betrekking tot de door de aanvrager te verstrekken informatie. Deze gegevens zijn nodig voor het bevoegd gezag om de aanvraag te kunnen beoordelen.

Artikel 4.1 Toepassingsbereik Artikel 4.1 bepaalt dat dit hoofdstuk van toepassing is op het verrichten van: omgevingsplanactiviteit bouwwerken; b. een omgevingsplanactiviteit slopen.

a. een

Onder een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt verstaan het bouwen van een bouwwerk, en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk. Onder een omgevingsplanactiviteit slopen wordt verstaan het geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen van een bouwwerk. Het begrip 'bouwwerk' Centraal in dit hoofdstuk staan dus activiteiten die betrekking hebben op bouwwerken. Wat een 'bouwwerk' is, wordt bepaald door de in de Omgevingswet opgenomen begripsomschrijving. Het gaat om een constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren, met inbegrip van de daarvan deel uitmakende bouwwerkgebonden installaties anders dan een schip dat wordt gebruikt voor verblijf van personen en dat is bestemd en wordt gebruikt voor de vaart. Onderdeel a: De aanhef en onderdeel a bepalen dat dit hoofdstuk van toepassing is op een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, waaronder wordt verstaan het bouwen van een bouwwerk, en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk. De omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt geregeld in afdeling 4.2. Daarin is onder meer een vergunningplicht opgenomen, is bepaald wanneer die vergunningplicht niet van toepassing is, en zijn

75

beoordelingsregels opgenomen. Aanvullend daarop bevat afdeling 4.4 algemene regels die eveneens van toepassing zijn op de omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Verder bevat hoofdstuk 5 ruimtelijke regels over bouwwerken, die eveneens bij de uitoefening van een omgevingsplanactiviteit bouwwerken in acht moeten worden genomen. Tot slot bevat ook hoofdstuk 22 algemene regels die van toepassing zijn op een omgevingsplanactiviteit bouwwerken. In bijlage I bij de Omgevingswet is aangegeven dat onder bouwen wordt verstaan 'plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, veranderen of vergroten' van een bouwwerk. Dat betekent dat niet alleen het realiseren van een nieuw bouwwerk onder het bouwen van een bouwwerk valt, maar ook het veranderen van een bouwwerk. Het vervangen van bijvoorbeeld een bestaand kozijn door een nieuw kozijn valt dus onder het bouwen van een bouwwerk. Met betrekking tot het 'in stand houden' en 'gebruiken' van bouwwerken wordt opgemerkt dat hiermee expliciet wordt gemaakt dat de regels niet alleen zien op de bouwactiviteit (het bouwen van een bouwwerk), maar ook op het in stand mogen houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk. Hiermee wordt aangesloten op de rechtspraktijk van voor de Omgevingswet. Er is ten opzichte van die rechtspraktijk geen materiële wijziging beoogd.

Van belang is daarbij op te merken dat voor zover dit hoofdstuk van toepassing is op het gebruik van bouwwerken, dit betrekking heeft op de combinatie van het bouwen, in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk. Het antwoord op de vraag welk gebruik is toegestaan, en onder welke voorwaarden, wordt gegeven in hoofdstuk 3 van dit omgevingsplan. Hoofdstuk 4 heeft geen betrekking op latere gebruiksveranderingen in het betrokken bouwwerk. Een meer uitgebreide toelichting hierover wordt gegeven bij artikel 4.7. Onderdeel b: De aanhef en onderdeel b bepalen dat dit hoofdstuk van toepassing is op een omgevingsplanactiviteit slopen binnen een beschermd gezicht, waaronder wordt verstaan het et geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen van een bouwwerk. Hiermee wordt aangesloten op bijlage I bij de Omgevingswet, waarin is bepaald dat onder slopen wordt verstaan het 'geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen'. De omgevingsplanactiviteit slopen wordt geregeld in afdeling 4.3. Wanneer sprake is van sloopwerkzaamheden in het kader van het veranderen van een bestaand bouwwerk, bijvoorbeeld bij het vervangen van een kozijn, is in juridische zin geen sprake van het 'slopen van een bouwwerk', maar van het 'bouwen van een bouwwerk'. Er is dan immers sprake van een 'veranderen van een bouwwerk'.

In dat geval vallen ook de sloopwerkzaamheden, die worden verricht in het kader van de verandering van het bouwwerk, onder de reikwijdte van afdeling 4.2. Dat betekent dat de sloopwerkzaamheden pas mogen plaatsvinden nadat voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken de in artikel 4.7 bedoelde vergunning is verleend (tenzij de vergunningplicht niet van toepassing is). Samenloop met andere activiteiten Het is zeer goed denkbaar dat een omgevingsplanactiviteit bouwwerken of een omgevingsplanactiviteit slopen binnen een beschermd gezicht geheel of gedeeltelijk samenvalt met de uitoefening van een andere activiteit waarover in dit omgevingsplan of in een andere regeling regels zijn gesteld. Gedacht kan worden aan het verbouwen van een bouwwerk dat een gemeentelijk monument is. Er is dan sprake van zowel een omgevingsplanactiviteit bouwwerken als van een omgevingsplanactiviteit gemeentelijke monumenten. Over beide activiteiten bevat dit omgevingsplan afzonderlijke regels. De regels over die verschillende activiteiten zijn gesteld met een uiteenlopend oogmerk. Per activiteit vindt met het oog daarop een belangenafweging plaats. Eén feitelijke handeling kan dus bestaan uit meerdere juridische activiteiten, zoals bedoeld in dit omgevingsplan of in enige andere regeling.

Die activiteiten hebben een onlosmakelijke samenhang (want één feitelijke handeling), maar worden elk afzonderlijk gereguleerd. Dat kan inhouden dat voor die ene feitelijke handeling meerdere omgevingsvergunningen nodig zijn. Een aanvraag om een omgevingsvergunning kan naar keuze van de aanvrager op een of meer activiteiten betrekking hebben (artikel 5.7, eerste lid, van de Omgevingswet).

Artikel 4.2 Meet en rekenregels Dit artikel 4.2 bevat meet- en rekenbepalingen die op dit hoofdstuk van toepassing zijn. In diverse onderdelen in dit hoofdstuk worden aanvullend ook nog specifieke, op die onderdelen van toepassing zijnde, meet- en rekenregels gegeven. Eerste lid: Het eerste lid bevat een bepaling van overgangsrechtelijke aard. Bepaald wordt dat ter plaatse van de aanduiding ‘ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen’ de meet- en rekenbepalingen zoals die zijn opgenomen in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing zijn op de ruimtelijke regels in dat ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan.

76

Het werkingsgebied van dit artikel is beperkt tot die gebieden ter plaatse van de aanduiding ‘ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen’. Daarmee wordt ook in de viewer inzichtelijk waar dit artikel van toepassing is, en waar niet. Met het door de tijd heen vervangen en laten vervallen van ruimtelijke plannen, zal dat werkingsgebied, dat eerst heel Amsterdam is, geleidelijk aan steeds kleiner worden. In bijlage I is opgenomen dat onder het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan wordt verstaan de ruimtelijke besluiten, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, die bij wijze van overgangsrecht als tijdelijk deel onderdeel zijn van dit omgevingsplan, totdat deze bij wijzigingsbesluit voor een locatie zijn komen te vervallen. Het gaat om bestemmingsplannen, wijzigingsplannen, uitwerkingsplannen, exploitatieplannen en dergelijke. Totdat die ruimtelijke besluiten zijn komen te vervallen, gelden de daarin opgenomen regels. Die ruimtelijke besluiten bevatten eveneens regels over gebruik en ook daarop van toepassing zijnde meet- en rekenvoorschriften. Het eerste lid bepaalt dat zolang die regels nog niet zijn komen te vervallen, de daarin opgenomen meet en rekenregels van toepassing zijn op de daarin opgenomen regels over gebruik.

Tweede en derde lid: Het tweede en derde lid komen in de plaats van artikel 22.24 zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan. Het artikel is inhoudelijk ongewijzigd. In het tweede en derde lid zijn hiermee de bepalingen over de wijze van meten uit het tweede en derde lid van artikel 1 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht ongewijzigd overgenomen. Vierde lid : Het vierde lid bevat een regel over het bepalen van de bruto-vloeroppervlakte. Bij het toekennen van een maximum programma voor een bepaalde vorm van gebruik wordt gebruik gemaakt van bruto-vloeroppervlakte. Daarmee wordt aangesloten op het Besluit bouwwerken leefomgeving. Op grond van de in het Besluit bouwwerken leefomgeving opgenomen begripsbepaling, die op grond van artikel 1.1 ook van toepassing is op dit omgevingsplan, wordt onder bruto-vloeroppervlakte verstaan bruto-vloeroppervlakte als bedoeld in NEN 2580. Dit houdt tevens een meetregel in, namelijk dat de bruto-vloeroppervlakte wordt bepaald overeenkomstig NEN 2580. Dat wordt in dit vierde lid bepaald. Vijfde lid : Een aantal regels in dit hoofdstuk bevat locatiegerichte normen.

Die normen worden veelal niet weergegeven in de tekst van de regels, maar worden vastgelegd in een informatieobject, dat vervolgens wordt weergegeven op de digitale kaart in het Digitale Stelsel Omgevingswet. Gedacht kan worden aan een regel die het maximum aantal woningen voor een locatie bepaalt. Deze regels bevatten altijd een zinsnede van de strekking 'ter plaatse van de aanduiding X geldt de daar bepaalde waarde'. In de begripsbepalingen is aangegeven wat onder een aanduiding wordt verstaan, namelijk 'een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waarnaar in de regels wordt verwezen, en waarmee in samenhang met die regeltekst regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden'. Een en dezelfde aanduiding kan aan meerdere locaties worden gegeven. Kijk bijvoorbeeld naar de volgende regel: "Ter plaatse van de aanduiding 'aantal woningen' is het maximum aantal woningen de daar bepaalde waarde." De aanduiding 'aantal woningen' kan op meerdere plekken binnen de gemeente aan een locatie worden gekoppeld. De daarop betrekking hebben norm kan per locatie verschillen, maar het kan ook voorkomen dat de norm ook dezelfde is. Dat kan ertoe leiden dat niet duidelijk is of de norm geldt voor alle locaties te samen waar die norm geldt, of voor elke locatie afzonderlijk.

Het vijfde lid maakt duidelijk dat dit laatste het geval is. Zesde lid : Het zes lid bepaalt dat op het bepalen van het geluid op een gevel de meet- en rekenvoorschriften, gesteld bij en krachtens de Omgevingswet, van toepassing zijn.

Artikel 4.3 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil Dit artikel komt in de plaats van artikel 22.5 en 22.4 zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan. Het artikel is ongewijzigd. In door het bevoegd gezag te bepalen situaties kan het nodig zijn dat, voorafgaande aan het bouwen, door of namens het bevoegd gezag rooilijnen, bebouwingsgrenzen of het meetniveau van het te bouwen bouwwerk op het bouwterrein worden vastgesteld en gemarkeerd (uitgezet). In dit artikel is geregeld dat vergunningplichtige

77

bouwwerkzaamheden pas mogen beginnen als door of namens het bevoegd gezag de rooilijnen of bebouwingsgrenzen of het straatpeil zijn uitgezet. Het kan hierbij gaan om activiteiten die op grond van artikel 5.1, tweede lid onder a, van de Omgevingswet vergunningplichtig zijn (de technische bouwactiviteit) of activiteiten die op grond van dit omgevingsplan vergunningplichtig zijn. Het tweede lid bepaalt, ion navolging van artikel 22.4 zoals dat bij wijze van bruidsschat in het omgevingsplan was opgenomen, maatwerkvoorschriften over het eerste lid kunnen worden gesteld.

Artikel 4.4 Overgangsrecht met betrekking tot gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten Artikel 4.4 bevat overgangsrecht met betrekking tot gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumentens. Het artikel komt in de plaats van artikel 22.2 zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan. Het artikel is ongewijzigd overgenomen. De reden voor de overgangsbepaling is dat in dit hoofdstuk regels voorkomen die betrekking hebben op gemeentelijke monumenten of voorbeschermde gemeentelijke monumenten. Wat verstaan wordt onder 'gemeentelijk monument' en een 'voorbeschermd gemeentelijk monument' is vastgelegd in de begripsbepalingen van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Bij een gemeentelijk monument gaat het om een monument of archeologisch monument waaraan in het omgevingsplan de functieaanduiding gemeentelijk monument is gegeven. Bij een voorbeschermd gemeentelijk monument gaat het om een monument of archeologisch monument waarvoor het omgevingsplan een voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om aan dat monument of archeologisch monument in het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven. Gelet op artikel 1.1, tweede lid, zijn deze omschrijvingen van toepassing op dit omgevingsplan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14509256/1