CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 15 De artikelsgewijze toelichting bij de regeling zonder renvooi.pdf

RAAD 18 september 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam: Basisregeling. (VN2024-007101)70.434 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 8

Dit houdt tevens een meetregel in, namelijk dat de bruto-vloeroppervlakte wordt bepaald overeenkomstig NEN 2580. Dat wordt in dit tweede lid bepaald. Derde lid : Het derde lid bepaalt dat op het bepalen van het geluid op een gevel de meet- en rekenvoorschriften, gesteld bij en krachtens de Omgevingswet, van toepassing zijn.

Artikel 3.3 Toepassingsbereik

52

Artikel 3.3 bepaalt dat afdeling 3.2 van toepassing is op het gebruik van gronden en bouwwerken.

Artikel 3.4 Voorrangsbepaling met betrekking tot regels in het tijdelijk deel omgevingsplan of een TAM-omgevingsplan Dit artikel bevat enkele voorrangsregels. Het eerste lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' de regels in deze paragraaf buiten toepassing blijven voor zover het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan afwijkende regels over hetzelfde onderwerp bevat. In dat geval zijn de regels in dat tijdelijk deel van toepassing. Het tweede lid bevat een soortgelijke regel voor als ergens een TAM-omgevingsplan is vastgesteld. Zoals toegelicht in paragraaf 6.4 van de algemene toelichting heeft het Rijk tijdelijk een alternatieve maatregel beschikbaar gesteld voor het publiceren van wijzigingen van het omgevingsplan: de TAM-IMRO. Daarmee hoeft niet via de nieuwe digitale standaarden een wijziging van het omgevingsplan beschikbaar gesteld te worden, maar kan dat nog via de IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening). Direct na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is er tijdelijk geen plicht om de STOP/TPOD te gebruiken. Dit regelt artikel 11.1 lid 2 van het Besluit elektronische publicaties. Een besluit tot wijziging van het omgevingsplan met toepassing van TAM-IMRO wordt een TAMomgevingsplan genoemd.

Hoewel een TAM-omgevingsplan met de oude standaard wordt gepubliceerd, waardoor het digitaaltechnisch geen onderdeel is van het omgevingsplan, maakt het juridisch gezien daarvan wel onderdeel uit. Een besluit tot wijziging van het omgevingsplan met toepassing van TAM-IMRO zal in heel veel gevallen gepaard gaan met het voor het besluitgebied laten vervallen van het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren met het oog op het faciliteren van een nieuwe ontwikkeling. Deze subparagraaf geldt in principe ook waar een TAM-omgevingsplan geldt. In een TAM-omgevingsplan kunnen echter lokaal afwijkende regels zijn opgenomen. Het tweede lid bepaalt dat in dat geval de regels van het TAMomgevingsplan van toepassing zijn. Het tweede lid heeft alleen betrekking op een gebied waar bij vaststelling van het TAM-omgevingsplan tevens het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is komen te vervallen. Die specificatie is nodig omdat met een TAMomgevingsplan ook thematisch aanvullende regels kunnen worden toegevoegd aan het omgevingsplan, zonder dat bijvoorbeeld het onder oud recht vastgestelde bestemmingsplan daarbij komt te vervallen. Omdat het onder oud recht vastgestelde bestemmingsplan dan nog geldt, moet daar het eerste lid van toepassing zijn.

Of bij vaststelling van een TAM-omgevingsplan tevens het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is komen te vervallen, blijkt uit hetzelfde raadsbesluit waarmee een TAM-omgevingsplan is vastgesteld.

Artikel 3.5 Inrichting en gebruik van het bij een hoofdgebouw behorend erf, erfbebouwing Artikel 3.5 bevat algemene regels over het gebruik van het bij hoofdgebouwen behorend erf en de daarop aanwezige erfbebouwing. Eerste lid: Het eerste lid bepaalt dat het gebruik en het erf behorende bij een hoofdgebouw overeenkomstig het gebruiksdoel van dit hoofdgebouw dient te zijn. Het gebruiksdoel volgt uit afdeling 2.3. Het bij een hoofdgebouw behorende erf zal in de meeste gevallen hetzelfde gebruiksdoel hebben als dat van het hoofdgebouw. Omdat het hoofdgebouw meerdere gebruiksdoelen kan hebben, kan dat ook gelden voor het bijbehorend erf. Ook is mogelijk dat bij een hoofdgebouw met meerdere gebruiksdoelen het bijbehorend erf slechts een enkel gebruiksdoel heeft. Tweede lid: Het tweede lid bepaalt dat onder het gebruik van een bij een hoofdgebouw behorend erf dat in overeenstemming is met een onder afdeling 2.3 aan een locatie gegeven gebruiksdoel wordt verstaan een inrichting en gebruik op een wijze die naar algemene maatstaven als een normale inrichting en gebruik van het bijbehorende erf wordt beschouwd. Denk hierbij een parkeervoorzieningen op het erf behorend bij een bedrijf, het gebruik van het erf bij een woning als tuin, speelmogelijkheden voor kinderen op een bij een kinderdagverblijf behorend erf, of dat bij een kantoor medewerkers zich in de tuin begeven om te lunchen.

Hiermee wordt de jurisprudentie onder de Wro gevolgd (zie o.a. ABRvS 20 april 2011 ECLI:NL:RVS:2011:BQ1895 en ABRvS 5 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1790). Derde lid:

53

Indien het onwenselijk wordt geacht dat het erf bedrijfsmatig wordt gebruikt, dan kan de aanduiding ‘tuin’ aan de gronden zijn toegekend. Het derde lid verbindt aan die aanduiding het gevolg dat daar een bedrijfsmatig gebruik van het erf niet is toegestaan. Daarbij is bepaald dat onder een bedrijfsmatig gebruik in ieder geval opslag wordt begrepen.

Artikel 3.6 Voorrangsbepaling met betrekking tot regels in het tijdelijk deel omgevingsplan of een TAM-omgevingsplan Dit artikel bevat enkele voorrangsregels. Het eerste lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' de regels in deze paragraaf buiten toepassing blijven voor zover het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan afwijkende regels over hetzelfde onderwerp bevat. In dat geval zijn de regels in dat tijdelijk deel van toepassing. Het tweede lid bevat een soortgelijke regel voor als ergens een TAM-omgevingsplan is vastgesteld. Zoals toegelicht in paragraaf 6.4 van de algemene toelichting heeft het Rijk tijdelijk een alternatieve maatregel beschikbaar gesteld voor het publiceren van wijzigingen van het omgevingsplan: de TAM-IMRO. Daarmee hoeft niet via de nieuwe digitale standaarden een wijziging van het omgevingsplan beschikbaar gesteld te worden, maar kan dat nog via de IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening). Direct na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is er tijdelijk geen plicht om de STOP/TPOD te gebruiken. Dit regelt artikel 11.1 lid 2 van het Besluit elektronische publicaties. Een besluit tot wijziging van het omgevingsplan met toepassing van TAM-IMRO wordt een TAMomgevingsplan genoemd.

Hoewel een TAM-omgevingsplan met de oude standaard wordt gepubliceerd, waardoor het digitaaltechnisch geen onderdeel is van het omgevingsplan, maakt het juridisch gezien daarvan wel onderdeel uit. Een besluit tot wijziging van het omgevingsplan met toepassing van TAM-IMRO zal in heel veel gevallen gepaard gaan met het voor het besluitgebied laten vervallen van het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren met het oog op het faciliteren van een nieuwe ontwikkeling. Deze subparagraaf geldt in principe ook waar een TAM-omgevingsplan geldt. In een TAM-omgevingsplan kunnen echter lokaal afwijkende regels zijn opgenomen. Het tweede lid bepaalt dat in dat geval de regels van het TAMomgevingsplan van toepassing zijn. Het tweede lid heeft alleen betrekking op een gebied waar bij vaststelling van het TAM-omgevingsplan tevens het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is komen te vervallen. Die specificatie is nodig omdat met een TAMomgevingsplan ook thematisch aanvullende regels kunnen worden toegevoegd aan het omgevingsplan, zonder dat bijvoorbeeld het onder oud recht vastgestelde bestemmingsplan daarbij komt te vervallen. Omdat het onder oud recht vastgestelde bestemmingsplan dan nog geldt, moet daar het eerste lid van toepassing zijn.

Of bij vaststelling van een TAM-omgevingsplan tevens het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is komen te vervallen, blijkt uit hetzelfde raadsbesluit waarmee een TAM-omgevingsplan is vastgesteld.

Artikel 3.7 Van toepassing zijnde parkeernormen In artikel 3.7 is bepaald welke parkeernormen van toepassing zijn. Eerste lid: In het eerste lid is bepaald dat voor de toepassing van deze subparagraaf de normen zoals opgenomen in bijlage IV de geldende parkeernormen zijn. In bijlage IV zijn de parkeernormen opgenomen zoals die zijn vastgesteld in de Nota parkeernormen Auto 2017 (hierna: Nota parkeernormen). Vanuit de regels wordt via artikel 3.7 naar die bijlage verwezen. De bijlage maakt daarmee onderdeel uit van de regels. Een wijziging in die bijlage werkt direct door.

Tweede tot en met vierde lid: In artikel 3.7 wordt conform het geldend beleid een onderscheid gemaakt tussen drie verschillende typen locatie, met elk een eigen parkeernormering. Het gaat om de volgende gebieden: a. A-locaties: kenmerken zich door een zeer goede OV-bereikbaarheid. Gebieden die dicht bij een intercitystation zijn als A-locatie aangemerkt. Ook de binnenstad van Amsterdam en de Wibautas zijn als A-locatie geclassificeerd. In deze gebieden schrijft de gemeente alleen een maximumparkeernorm voor. b. B-locaties: hebben goed openbaar vervoer, maar liggen verder van de intercitystations af. Het grootste deel van Amsterdam wordt als B-locatie geclassificeerd. Hier kiest de gemeente ervoor om naast een

54

c.

maximumparkeernorm ook een minimumparkeernorm te hanteren. Ontwikkelaars worden verplicht om bij nieuwbouw een minimum aantal parkeerplaatsen op eigen terrein te realiseren. C-locaties: bestaan uit Landelijk Noord, Driemond, het Havengebied en een aantal bedrijventerreinen en sportlocaties. De bereikbaarheid per openbaar vervoer is minder goed dan in de rest van de stad. Bij nieuwbouwplannen in deze gebieden is maatwerk nodig. Het kan zijn dat de gemeente eist dat het parkeren op eigen terrein opgelost wordt, maar ook het parkeren op straat kan een optie zijn.

De onderscheiden locaties worden met aanduidingen in het omgevingsplan aangegeven. Het is dan duidelijk welke locatie-type op een specifieke locatie van toepassing is.

Vijfde lid: Uitgangspunt bij die onderverdeling zijn de bestaande A-, Ben C-locaties. Het is echter mogelijk dat bij nieuwe gebiedsontwikkelingen of transformatie op basis van een specifieke afweging andere normen, of bijvoorbeeld een gebiedsnorm, meer gewenst zijn. Ook in dergelijke gevallen kan de afwijkende norm aan de desbetreffende locatie worden gekoppeld. Het vijfde lid voorziet hierin. Hetzelfde geldt uiteraard ook voor bestaande ontwikkelingsgebieden waarvoor het voorheen van toepassing zijnde bestemmingsplan voorzag in een specifieke norm, en waarbij de ontwikkeling nog niet is afgerond. Ook in dat geval is nodig dat (indien gewenst) de afwijkende norm specifiek van toepassing wordt verklaard. Pas wanneer de ontwikkeling is afgerond is immers sprake van een bestaande situatie die, ongeacht de algemeen geldende parkeernorm, in stand gehouden mag worden.

Artikel 3.8 Geen aanpassingsplicht voor legaal bestaande situaties Artikel 3.8 bevat een bepaling van overgangsrechtelijke aard. Op het moment dat subparagraaf 3.2.3.1 in werking treedt, zijn er allerlei bestaande situaties, waarin het aantal aanwezige parkeerplaatsen, gelet op het gebruik, niet overeenkomt met de in artikel 3.7 bedoelde normen. Voor zover die bestaande situaties legaal zijn op het moment dat de in artikel 3.7 bedoelde normen in werking treden, ontstaat dan strijd met die normen. Er is geen verplichting beoogt om die bestaande situatie dan in overeenstemming te brengen met de nieuwe normering. Artikel 3.8 maakt dit duidelijk.

Artikel 3.9 Regels bij het binnenplans wijzigen van bestaand gebruik In artikel 3.9 zijn de regels opgenomen met betrekking tot het benodigd aantal parkeerplaatsen bij het wijzigen van bestaand gebruik. Het gaat om wijziging van bestaand gebruik die binnen de regels van het omgevingsplan is toegestaan. Op grond van artikel 2.3 in samenhang met de regels onder afdeling 2.3 wordt per locatie bepaalt welke gebruik van gronden en bouwwerken is toegestaan. In heel veel gevallen zullen er op één locatie meerdere gebruiksdoelen gelden, en zijn dus meerdere vormen van gebruik toegestaan. Bijvoorbeeld dat op een locatie zowel wonen, zakelijke en administratieve dienstverlening als maatschappelijke dienstverlening zijn toegestaan. Wanneer op een locatie verschillende vormen van gebruik zijn toegestaan, dan maakt dit een wijziging van gebruik binnen de regels van het omgevingsplan mogelijk. Wel kunnen er aan een wijziging van planologisch gebruik in zijn algemeenheid beperkingen of voorwaarden worden gesteld. Dit gebeurt in artikel 3.9. Eerste lid: In het eerste lid is een verbod opgenomen het bestaand gebruik te wijzigen naar een andere vorm van gebruik, wanneer het aantal feitelijk beschikbare parkeerplaatsen op eigen terrein niet in overeenstemming is of wordt gebracht met de voor het nieuwe gebruik geldende parkeernorm. Deze regel geldt in aanvulling op artikel 2.3.

Dat houdt in dat het vereiste in dat artikel in elk geval blijft gelden: het moet gaan om passend gebruik. Bij een wijziging van bestaand gebruik naar nieuw gebruik, waarbij beide gelet op artikel artikel 2.3 zijn toegestaan, moet dus worden voldaan aan de geldende parkeernorm. Wat die gelden parkeernorm is, volgt uit artikel 3.7. Tweede lid: In het tweede lid wordt het toepassingsbereik van deze voorwaarde beperkt, namelijk tot die wijzigingen van planologisch gebruik die in de Nota parkeren als transformatie wordt gezien. Gelet op de Nota parkeren hoeft bij een binnenplanse wijziging van gebruik alleen te worden voldaan aan de gestelde normen wanneer sprake is van wat in de nota ‘transformatie’ wordt genoemd. Van transformatie zoals bedoeld in de Nota parkeren is alleen sprake wanneer sprake is van een van de volgende gebruikswijzigingen: a. van wonen naar een andere vorm van gebruik dan wonen

55

b. c.

van zakelijke en administratieve dienstverlening naar een andere vorm van gebruik dan zakelijke en administratieve dienstverlening (in de nota ‘kantoor’ genoemd) van een vorm van gebruik, niet zijnde wonen of zakelijke en administratieve dienstverlening, naar wonen of zakelijke en administratieve dienstverlening.

In het tweede lid is daarom bepaald dat de voorwaarde, zoals die is opgenomen in het eerste lid, alleen van toepassing is op deze drie gevallen van wijziging van planologisch gebruik. In andere gevallen is wijziging van gebruik toegestaan zonder dat de parkeernormen daarbij een rol spelen. Uiteraard moet het nieuwe gebruik, gelet op het bepaalde in artikel 2.3, wel passend zijn. Om een voorbeeld te geven: wanneer het omgevingsplan op een locatie zowel een restaurant als detailhandel toestaat, dan kan wijziging van een restaurant naar detailhandel plaatsvinden, zonder dat het aantal parkeerplaatsen met het nieuwe gebruik in overeenstemming behoeft te worden gebracht. De afweging dat dit passend is, is reeds gemaakt bij het besluit waarmee beide vormen van gebruik op dit locatie zijn toegestaan. Wanneer het omgevingsplan op dezelfde locatie ook zakelijke en administratieve dienstverlening zou toestaan, dan moet bij een omzetting van restaurant naar zakelijke dienstverlening wél aan de parkeernormering voor zakelijke dienstverlening voldaan worden.

Artikel 3.10 Regels over het wijzigen van het aantal parkeerplaatsen op eigen terrein In artikel 3.10 zijn regels opgenomen over het wijzigen van het aantal parkeerplaatsen op eigen terrein. Eerste lid: In de Nota parkeren is geen beleid geformuleerd ten aanzien van het wijzigen van het aantal parkeerplaatsen bij behoud van bestaand gebruik en bestaande bebouwing. Als uitgangspunt is daarbij gehanteerd dat een bestaand aantal parkeerplaatsen niet gewijzigd wordt. Het is van belang dit uitgangspunt wel juridisch te borgen. Dat gebeurt in dit artikel. Het zorgt ervoor dat bij behoud van een bestaand bouwwerk, en bij voortzetting van bestaand gebruik, het aantal parkeerplaatsen niet zomaar gewijzigd kan worden. Daartoe is in het eerste lid als hoofdregel opgenomen dat het verboden is het aantal parkeerplaatsen dat feitelijk op eigen terrein beschikbaar is, te wijzigen. Tweede lid: In het tweede lid wordt een tweetal uitzonderingen gemaakt. Onder a wordt bepaald dat de wijziging van het aantal parkeerplaatsen is toegestaan indien daarmee wordt voldaan aan de geldende parkeernormen. Wat die gelden parkeernorm is, volgt uit het bepaalde in artikel 3.7. Dit is in elk geval relevant wanneer de parkeernorm bestaat uit een bandbreedte. Elke wijziging bij ongewijzigd planologisch gebruik van het aantal parkeerplaatsen binnen de gegeven bandbreedte is dan toegestaan.

Maar ook wanneer de bestaande situatie niet voldoet aan de norm, maar voorzien wordt in een wijziging van het aantal parkeerplaatsen waarmee wel aan de norm voldaan zal worden, is toegestaan. Dat kan bijvoorbeeld aan de orde zijn wanneer de geldende parkeernorm sinds het ontstaan van de bestaande situatie, is gewijzigd. Onder b is bepaald dat de wijziging eveneens is toegestaan wanneer het nieuwe aantal parkeerplaatsen weliswaar niet in overeenstemming is met de geldende parkeernormen, maar daar wel meer mee in overeenstemming komt. Ook hier geldt dat dit zich kan voordoen wanneer de geldende parkeernorm sinds het ontstaan van de bestaande situatie, is gewijzigd. Elke wijziging van het aantal parkeerplaatsen waarmee meer op het geldend beleid wordt aangesloten, is toegestaan. Derde lid: Het derde lid bevat vervolgens een uitzondering op het tweede lid. Bij nieuwe gebiedsontwikkeling of transformatie komt het vaak voor dat op basis van een specifieke afweging andere normen, of bijvoorbeeld een gebiedsnorm, meer gewenst zijn. Hetzelfde geldt uiteraard ook voor bestaande ontwikkelingsgebieden waarvoor het voorheen van toepassing zijnde bestemmingsplan voorzag in een specifieke norm. Ook in dat geval is nodig dat (indien gewenst) de afwijkende norm specifiek van toepassing wordt verklaard.

In die gevallen is van belang dat het feitelijk aantal parkeerplaatsen daarmee ook in overeenstemming blijft. Het derde lid voorziet hierin.

Artikel 3.11 Maatwerkvoorschrift met betrekking tot het aantal parkeerplaatsen Artikel 3.11 biedt de mogelijkheid om bij maatwerkvoorschrift in concrete gevallen af te wijken van de aangegeven artikelen. Daarbij is aangegeven in welke gevallen van deze bevoegdheid gebruik kan worden gemaakt. Eerste lid:

56

In het eerste lid, onder a, wordt voorzien in de situatie dat op andere wijze in voldoende mate in parkeergelegenheid wordt voorzien. De beschikbare autoparkeerplaatsen in de openbare ruimte kunnen een rol spelen bij deze beoordeling, indien wordt aangetoond dat deze autoparkeerplaatsen beschikbaar zijn, maar bijvoorbeeld ook de mogelijkheid van dubbelgebruik van parkeergelegenheid en de mate waarin dat is geborgd kan worden betrokken. Indien bijvoorbeeld meerdere activiteiten in een gebouw plaatsvinden kan sprake zijn van dubbelgebruik, waardoor kan worden afgeweken van de minimum parkeernorm. De initiatiefnemer kan dit aantonen met bijvoorbeeld een parkeerbalans. Onder b wordt de situatie genoemd waarbij sprake is van bestaande gebouwde parkeervoorzieningen en het voldoen aan de parkeernorm op overwegende bezwaren stuit. Indien bijvoorbeeld sprake is van een gebouwde parkeervoorziening en het bestaande gebruik van het gebouw wordt gewijzigd naar een functie met een hogere (minimum) parkeernorm, kan het onder omstandigheden onevenredig bezwarend zijn om uitbreiding van het aantal parkeerplaatsen als voorwaarde te stellen. Tot slot is onder c voorzien in (overige) bijzondere omstandigheden. De genoemde omstandigheden onder a en b zijn niet uitputtend.

Er kunnen ook nog andere gevallen zijn waarbij het voldoen aan de minimumof maximumparkeernorm door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit. De vraag of aan de gestelde condities is voldaan, is aan het bevoegd gezag dat op een verzoek om een maatwerkvoorschrift heeft te beslissen. Tweede en derde lid: In het tweede lid is aangegeven dat aan het maatwerkvoorschriften kunnen worden verbonden die nodig zijn om het behoud van een passend aantal parkeerplaatsen te waarborgen. Een belanghebbende kan een verzoek indienen tot het geven van een maatwerkvoorschrift. In het derde lid zijn specifiek hierop betrekking hebbende aanvraagvereisten geformuleerd.

Artikel 3.12 Voorrangsbepaling met betrekking tot regels in het tijdelijk deel omgevingsplan of een TAM-omgevingsplan Dit artikel bevat enkele voorrangsregels. Het eerste lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' de regels in deze paragraaf buiten toepassing blijven voor zover het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan afwijkende regels over hetzelfde onderwerp bevat. In dat geval zijn de regels in dat tijdelijk deel van toepassing. Het tweede lid bevat een soortgelijke regel voor als ergens een TAM-omgevingsplan is vastgesteld. Zoals toegelicht in paragraaf 6.4 van de algemene toelichting heeft het Rijk tijdelijk een alternatieve maatregel beschikbaar gesteld voor het publiceren van wijzigingen van het omgevingsplan: de TAM-IMRO. Daarmee hoeft niet via de nieuwe digitale standaarden een wijziging van het omgevingsplan beschikbaar gesteld te worden, maar kan dat nog via de IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening). Direct na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is er tijdelijk geen plicht om de STOP/TPOD te gebruiken. Dit regelt artikel 11.1 lid 2 van het Besluit elektronische publicaties. Een besluit tot wijziging van het omgevingsplan met toepassing van TAM-IMRO wordt een TAMomgevingsplan genoemd.

Hoewel een TAM-omgevingsplan met de oude standaard wordt gepubliceerd, waardoor het digitaaltechnisch geen onderdeel is van het omgevingsplan, maakt het juridisch gezien daarvan wel onderdeel uit. Een besluit tot wijziging van het omgevingsplan met toepassing van TAM-IMRO zal in heel veel gevallen gepaard gaan met het voor het besluitgebied laten vervallen van het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren met het oog op het faciliteren van een nieuwe ontwikkeling. Deze subparagraaf geldt in principe ook waar een TAM-omgevingsplan geldt. In een TAM-omgevingsplan kunnen echter lokaal afwijkende regels zijn opgenomen. Het tweede lid bepaalt dat in dat geval de regels van het TAMomgevingsplan van toepassing zijn. Het tweede lid heeft alleen betrekking op een gebied waar bij vaststelling van het TAM-omgevingsplan tevens het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is komen te vervallen. Die specificatie is nodig omdat met een TAMomgevingsplan ook thematisch aanvullende regels kunnen worden toegevoegd aan het omgevingsplan, zonder dat bijvoorbeeld het onder oud recht vastgestelde bestemmingsplan daarbij komt te vervallen. Omdat het onder oud recht vastgestelde bestemmingsplan dan nog geldt, moet daar het eerste lid van toepassing zijn.

Of bij vaststelling van een TAM-omgevingsplan tevens het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is komen te vervallen, blijkt uit hetzelfde raadsbesluit waarmee een TAM-omgevingsplan is vastgesteld.

57

Artikel 3.13 Van toepassing zijnde normen voor fietsstalling In artikel 3.13 is bepaald welke parkeernormen van toepassing zijn. Voor de van toepassing zijnde fietsstallingsnormen wordt verwezen naar bijlage V. In het tweede lid tot en met het vierde lid wordt voor de toepassing van die beoordeling een onderscheid gemaakt tussen de verschillende gebieden, ingedeeld op de intensiteit van het fietsgebruik. Het is mogelijk dat voor specifieke locaties op basis van een specifieke afweging andere normen, of bijvoorbeeld een gebiedsnorm, meer gewenst zijn. Ook in dergelijke gevallen kan de afwijkende norm aan de desbetreffende locatie worden gekoppeld. Het vijfde lid voorziet hierin.

Artikel 3.14 Geen aanpassingsplicht voor legaal bestaande situaties Artikel 3.14 bevat een bepaling van overgangsrechtelijke aard. Op het moment dat subparagraaf 3.2.3.2 in werking treedt, zijn er allerlei bestaande situaties, waarin het aantal aanwezige stallingsplaatsen, gelet op het gebruik, niet overeenkomt met de in artikel 3.13 bedoelde normen. Voor zover die bestaande situaties legaal zijn op het moment dat de in artikel 3.13 bedoelde normen in werking treden, ontstaat dan strijd met die normen. Er is geen verplichting beoogt om die bestaande situatie dan in overeenstemming te brengen met de nieuwe normering. Artikel 3.14 zorgt hiervoor.

Artikel 3.15 Regels bij het binnenplans wijzigen van bestaand gebruik In artikel 3.15 zijn de regels opgenomen met betrekking tot het benodigd aantal stallingsplaatsen bij het wijzigen van bestaand gebruik. Het gaat om wijziging van bestaand gebruik die binnen de regels van het omgevingsplan is toegestaan. Op grond van artikel 2.3 in samenhang met de regels onder afdeling 2.3 wordt per locatie bepaalt welke gebruik van gronden en bouwwerken is toegestaan. In heel veel gevallen zullen er op één locatie meerdere gebruiksdoelen gelden, en zijn dus meerdere vormen van gebruik toegestaan. Bijvoorbeeld dat op een locatie zowel wonen, zakelijke en administratieve dienstverlening als maatschappelijke dienstverlening zijn toegestaan. Wanneer op een locatie verschillende vormen van gebruik zijn toegestaan, dan maakt dit een wijziging van gebruik binnen de regels van het omgevingsplan mogelijk. Wel kunnen er aan een wijziging van planologisch gebruik in zijn algemeenheid beperkingen of voorwaarden worden gesteld. Dit gebeurt in artikel 3.15. Daarin is een verbod opgenomen het bestaand gebruik te wijzigen naar een andere vorm van gebruik, wanneer het aantal feitelijk beschikbare plaatsen voor fietsstalling op eigen terrein niet in overeenstemming is of wordt gebracht met de voor het nieuwe gebruik geldende fietsstallingsnorm. Deze regel geldt in aanvulling op artikel 2.3.

Dat houdt in dat het vereiste in dat artikel in elk geval blijft gelden: het moet gaan om passend gebruik. Bij een wijziging van bestaand gebruik naar nieuw gebruik, waarbij beide gelet op artikel artikel 2.3 zijn toegestaan, moet dus worden voldaan aan de geldende stallingsnorm. Wat die gelden norm is, volgt uit artikel 3.13.

Artikel 3.16 Regels over het wijzigen van het aantal plaatsen voor fietsstalling op eigen terrein In artikel 3.16 zijn regels opgenomen over het wijzigen van het aantal stallingsplaatsen voor fietsen op eigen terrein. In de Nota fietsparkeren is geen beleid geformuleerd ten aanzien van het wijzigen van het aantal parkeerplaatsen bij behoud van bestaand gebruik en bestaande bebouwing. Als uitgangspunt is daarbij gehanteerd dat een bestaand aantal stallingsplaatsen niet gewijzigd wordt. Het is van belang dit uitgangspunt wel juridisch te borgen. Dat gebeurt in dit artikel. Het zorgt ervoor dat bij behoud van een bestaand bouwwerk, en bij voortzetting van bestaand gebruik, het aantal stallingspaatsen niet zomaar gewijzigd kan worden. Daartoe is in het eerste lid als hoofdregel opgenomen dat het verboden is het aantal feitelijk beschikbare plaatsen voor fietsstalling op eigen terrein te verminderen, tenzij voldaan blijft worden aan de minimum norm, bedoeld in artikel 3.13.

Artikel 3.17 Maatwerkvoorschrift met betrekking tot het aantal fietsstallingsplaatsen Artikel 3.17 biedt de mogelijkheid om bij maatwerkvoorschrift in concrete gevallen af te wijken van de aangegeven artikelen. Daarbij is aangegeven in welke gevallen van deze bevoegdheid gebruik kan worden gemaakt. In het eerste lid wordt voorzien in de mogelijkheid een maatwerkvoorschrift te stellen waarmee wordt afgeweken van artikel 3.15 voor zover sprake is van een wijziging van gebruik naar een andere vorm van gebruik, niet zijnde wonen. Dat kan nodig zijn wanneer op andere wijze in voldoende mate in stallingsgelegenheid wordt voorzien, het redelijkerwijs onmogelijk is om voldoende plaatsen voor fietsstalling op eigen terrein te realiseren of als de impact van de stallingsbehoefte op de openbare ruimte klein is. Het bevoegd gezag heeft beoordelingsruimte bij de vraag of hiervan sprake is. In het tweede lid is aangegeven dat aan het maatwerkvoorschriften kunnen worden verbonden die nodig zijn om het behoud van een passend aantal parkeerplaatsen te waarborgen. Een belanghebbende kan een verzoek indienen tot het geven van een maatwerkvoorschrift. In het derde lid zijn specifiek hierop betrekking hebbende aanvraagvereisten geformuleerd.

58

Artikel 3.18 Voorrangsbepaling met betrekking tot regels in het tijdelijk deel omgevingsplan of een TAM-omgevingsplan Dit artikel bevat enkele voorrangsregels. Het eerste lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' de regels in deze paragraaf buiten toepassing blijven voor zover het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan afwijkende regels over hetzelfde onderwerp bevat. In dat geval zijn de regels in dat tijdelijk deel van toepassing. Het tweede lid bevat een soortgelijke regel voor als ergens een TAM-omgevingsplan is vastgesteld. Zoals toegelicht in paragraaf 6.4 van de algemene toelichting heeft het Rijk tijdelijk een alternatieve maatregel beschikbaar gesteld voor het publiceren van wijzigingen van het omgevingsplan: de TAM-IMRO. Daarmee hoeft niet via de nieuwe digitale standaarden een wijziging van het omgevingsplan beschikbaar gesteld te worden, maar kan dat nog via de IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening). Direct na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is er tijdelijk geen plicht om de STOP/TPOD te gebruiken. Dit regelt artikel 11.1 lid 2 van het Besluit elektronische publicaties. Een besluit tot wijziging van het omgevingsplan met toepassing van TAM-IMRO wordt een TAMomgevingsplan genoemd.

Hoewel een TAM-omgevingsplan met de oude standaard wordt gepubliceerd, waardoor het digitaaltechnisch geen onderdeel is van het omgevingsplan, maakt het juridisch gezien daarvan wel onderdeel uit. Een besluit tot wijziging van het omgevingsplan met toepassing van TAM-IMRO zal in heel veel gevallen gepaard gaan met het voor het besluitgebied laten vervallen van het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren met het oog op het faciliteren van een nieuwe ontwikkeling. Deze subparagraaf geldt in principe ook waar een TAM-omgevingsplan geldt. In een TAM-omgevingsplan kunnen echter lokaal afwijkende regels zijn opgenomen. Het tweede lid bepaalt dat in dat geval de regels van het TAMomgevingsplan van toepassing zijn. Het tweede lid heeft alleen betrekking op een gebied waar bij vaststelling van het TAM-omgevingsplan tevens het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is komen te vervallen. Die specificatie is nodig omdat met een TAMomgevingsplan ook thematisch aanvullende regels kunnen worden toegevoegd aan het omgevingsplan, zonder dat bijvoorbeeld het onder oud recht vastgestelde bestemmingsplan daarbij komt te vervallen. Omdat het onder oud recht vastgestelde bestemmingsplan dan nog geldt, moet daar het eerste lid van toepassing zijn.

Of bij vaststelling van een TAM-omgevingsplan tevens het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is komen te vervallen, blijkt uit hetzelfde raadsbesluit waarmee een TAM-omgevingsplan is vastgesteld.

Artikel 3.19 Ondergeschikt kantoorgebruik Artikel 3.19 bevat regels over het gebruik van bedrijfsruimte als ondergeschikte kantoorruimte. Eerste lid: Het eerste lid bepaalt dat het inrichten en in gebruik te nemen van bedrijfsruimte voor ondergeschikt kantoorgebruik is toegestaan, maar uitsluitend als aan de aangegeven voorwaarden wordt voldaan. De voorwaarden zijn cumulatief weergegeven, dat wil zeggen dat aan beide voorwaarden moet worden voldaan. Allereerst eerst is in onderdeel a bepaald dat het moet gaan om niet-zelfstandige kantoorruimte die ondersteunend is aan de eigen bedrijfsuitoefening. De ondergeschiktheid aan de eigen bedrijfsuitoefening staat hier centraal. Hieronder valt bijvoorbeeld niet het inrichten van een deel van een bedrijfsruimte als kantoor en het verhuren daarvan als zelfstandige kantoorruimte. Dan is sprake van zakelijke en administratieve dienstverlening. Ten tweede is in onderdeel b bepaald dat het gaat om een maximum van 30% kantoorvloer per vestiging. In de begripsbepalingen is opgenomen dat onder kantoorvloer moet worden verstaan een ruimte, die hoofdzakelijk is ingericht voor bureauwerkzaamheden. Het gebruik tot maximum 30% van de bedrijfsruimte als kantoorvloer ten behoeve van het eigen bedrijfsuitoefening is hiermee overal bij recht toegestaan. Tweede lid: Het tweede lid bepaalt hoe het percentage kantoorvloer wordt bepaald.

Het percentage kantoorvloer wordt bepaald over het totaal bruto-vloeroppervlakte aan bedrijfsgebouwen. Ruimten voor algemeen gebruik zoals gangen, toiletruimten, trappenhuizen, verblijfsruimte en dergelijke worden naar evenredigheid toegekend aan de ondergeschikte kantoorruimte en overige bedrijfsruimte, waarbij de verdeling op basis van vierkante meters plaatsvindt. Een deel van ruimten voor algemeen gebruik wordt dis een het oppervlak kantoorvloer toegerekend. Derde lid:

59

Het derde lid bevat een locatiegerichte uitzondering. Bepaald is dat in afwijking van het eerste lid ter plaatse van de aanduiding 'afwijkend maximum percentage ondergeschikt kantoorvloer' in afwijking van het eerste lid, onder b, als maximum percentage kantoorvloer per vestiging de daar bepaalde waarde geldt. Dit lid is van toepassing in gebieden waar het in het eerste lid bepaalde maximum van 30% onredelijk bezwarend is. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn op bepaalde bestaande bedrijventerreinen waar op grond van de voorheen geldende regeling een hoger percentage was toegestaan. Deze regel biedt de mogelijkheid om locatiegericht maatwerk toe te passen. De afwijking heeft alleen betrekking op het maximum percentage zoals genoemd in het eerste lid, onder b. Het vereiste dat het moet gaan om niet-zelfstandige kantoorruimte die ondersteunend is aan de eigen bedrijfsuitoefening blijft van toepassing. Vierde lid Het vierde lid bevat een eveneens locatiegerichte uitzondering. Bepaald is dat ter plaatse van de aanduiding 'uitzondering maximum percentage ondergeschikt kantoorvloer' het in het eerste lid, onder b, genoemd maximum percentage niet van toepassing is op bedrijven die zich uitsluitend of overwegend bezighouden met opslag in de open lucht.

Omdat het percentage, genoemd in het eerste lid, onder b, gerekend wordt over het totaal bruto-vloeroppervlakte aan bedrijfsgebouwen, zou dit percentage voor de locaties waar de aanduiding geldt te beperkend zijn.

Artikel 3.20 Voorrangsbepaling met betrekking tot regels in het tijdelijk deel omgevingsplan of een TAM-omgevingsplan Dit artikel bevat enkele voorrangsregels. Het eerste lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' de regels in deze paragraaf buiten toepassing blijven voor zover het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan afwijkende regels over hetzelfde onderwerp bevat. In dat geval zijn de regels in dat tijdelijk deel van toepassing. Het tweede lid bevat een soortgelijke regel voor als ergens een TAM-omgevingsplan is vastgesteld. Zoals toegelicht in paragraaf 6.4 van de algemene toelichting heeft het Rijk tijdelijk een alternatieve maatregel beschikbaar gesteld voor het publiceren van wijzigingen van het omgevingsplan: de TAM-IMRO. Daarmee hoeft niet via de nieuwe digitale standaarden een wijziging van het omgevingsplan beschikbaar gesteld te worden, maar kan dat nog via de IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening). Direct na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is er tijdelijk geen plicht om de STOP/TPOD te gebruiken. Dit regelt artikel 11.1 lid 2 van het Besluit elektronische publicaties. Een besluit tot wijziging van het omgevingsplan met toepassing van TAM-IMRO wordt een TAMomgevingsplan genoemd.

Hoewel een TAM-omgevingsplan met de oude standaard wordt gepubliceerd, waardoor het digitaaltechnisch geen onderdeel is van het omgevingsplan, maakt het juridisch gezien daarvan wel onderdeel uit. Een besluit tot wijziging van het omgevingsplan met toepassing van TAM-IMRO zal in heel veel gevallen gepaard gaan met het voor het besluitgebied laten vervallen van het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren met het oog op het faciliteren van een nieuwe ontwikkeling. Deze subparagraaf geldt in principe ook waar een TAM-omgevingsplan geldt. In een TAM-omgevingsplan kunnen echter lokaal afwijkende regels zijn opgenomen. Het tweede lid bepaalt dat in dat geval de regels van het TAMomgevingsplan van toepassing zijn. Het tweede lid heeft alleen betrekking op een gebied waar bij vaststelling van het TAM-omgevingsplan tevens het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is komen te vervallen. Die specificatie is nodig omdat met een TAMomgevingsplan ook thematisch aanvullende regels kunnen worden toegevoegd aan het omgevingsplan, zonder dat bijvoorbeeld het onder oud recht vastgestelde bestemmingsplan daarbij komt te vervallen. Omdat het onder oud recht vastgestelde bestemmingsplan dan nog geldt, moet daar het eerste lid van toepassing zijn.

Of bij vaststelling van een TAM-omgevingsplan tevens het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is komen te vervallen, blijkt uit hetzelfde raadsbesluit waarmee een TAM-omgevingsplan is vastgesteld.

Artikel 3.21 Ondergeschikte detailhandel Artikel 3.21 bevat regels over ondergeschikte detailhandel. Het artikel vormt een juridische vertaling van het detailhandelsbeleid met betrekking tot ondergeschikte detailhandel zoals dat is opgenomen in het Detailhandelsbeleid 2018 2022 (p. 58). Kern van dat beleid is dat detailhandel wordt geclusterd, waarop een aantal uitzonderingen geldt, onder meer met betrekking tot ondergeschikte detailhandel. Vanuit de daar gegeven beleidsuitgangspunten is de regeling in dit artikel opgebouwd.

60

Eerste lid: In het eerste lid is bepaald dat het uitoefenen van ondergeschikte vormen van detailhandel op een locatie waar detailhandel op grond van afdeling 2.3 niet is toegestaan, uitsluitend is toegestaan als aan de onder b tot en met c genoemde voorwaarden is voldaan. Met de verwijzing naar afdeling 2.3 wordt bepaald dat daar waar op grond van die afdeling detailhandel is toegestaan, de beperkingen niet van toepassing zijn. Het is mogelijk dat op grond van afdeling 2.3 op één locatie bijvoorbeeld maatschappelijke dienstverlening én detailhandel zijn toegestaan. In dat geval mag zonder de in dit artikel genoemde beperkingen detailhandel worden uitgeoefend. Voor die locaties waar detailhandel op grond van afdeling 2.3 niet is toegestaan, bepaald het eerste lid, aanhef en onder a, allereerst dat ondergeschikte detailhandel dan alleen is toegestaan binnen de uitoefening van een ambachtelijk bedrijf, consumentgerichte dienstverlening, alcoholvrije horeca of een cultuurinstelling. De onder b en c gestelde aanvullende voorwaarden borgen dat het daadwerkelijk gaat om ondergeschikte detailhandel. Onder b is bepaald dat het assortiment moet liggen in het verlengde van de onder a bedoelde bedrijfsuitoefening. Onder c is als voorwaarde toegevoegd dat het gaat om maximaal 20% (met een plafond van 50 m 2) van de brutovloeroppervlakte van het desbetreffende bedrijf.

In afwijking van het beleid is niet opgenomen dat deze uitzondering alleen geldt buiten winkelgebieden. Dat zou immers tot de situatie leiden dat binnen winkelgebieden binnen een ambachtelijke bedrijf, culturele instelling of bij consumentgerichte dienstverlening zoals een kapsalon géén ondergeschikte detailhandel zou mogen plaatsvinden, en daarbuiten wel. Dat is niet conform de bedoeling van het beleid. De betreffende regels zijn derhalve overal van toepassing. Tweede lid: Het tweede lid bepaalt dat de omvang van de ondergeschikte detailhandel bestaat uit het deel van het bruto vloeroppervlak van een gebouw dat daadwerkelijk wordt gebruikt voor verkoopdoeleinden. Derde lid: In het derde lid is de mogelijkheid opgenomen om bij maatwerkvoorschrift af te wijken van de in het eerste lid, onder c, gestelde normering. Dit biedt de mogelijkheid voor maatwerk voor gevallen waarin toepassing van het eerste lid onredelijk bezwarend is. Vierde lid: Het vierde lid bevat aanvraagvereisten.

Artikel 3.22 Geografisch werkingsgebied Dit artikel bepaalt waar deze paragraaf geldt. Eerste lid: Het eerste lid bepaalt dat deze paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'nadere afweging geluid bij gebruikswijziging noodzakelijk'. Waar de aanduiding moet gelden, wordt bij een wijziging van het omgevingsplan die voorziet in het toelaten van een geluidgevoelig gebouw bepaald. Tweede lid: Het tweede lid bevat een aanvulling op het eerste lid. Zoals toegelicht in paragraaf 6.4 van de algemene toelichting heeft het Rijk tijdelijk een alternatieve maatregel beschikbaar gesteld voor het publiceren van wijzigingen van het omgevingsplan: de TAM-IMRO. Daarmee hoeft niet via de nieuwe digitale standaarden een wijziging van het omgevingsplan beschikbaar gesteld te worden, maar kan dat nog via de IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening). Direct na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is er tijdelijk geen plicht om de STOP/TPOD te gebruiken. Dit regelt artikel 11.1 lid 2 van het Besluit elektronische publicaties. Een besluit tot wijziging van het omgevingsplan met toepassing van TAM-IMRO wordt een TAM-omgevingsplan genoemd. Hoewel een TAM-omgevingsplan met de oude standaard wordt gepubliceerd, waardoor het digitaaltechnisch geen onderdeel is van het omgevingsplan, maakt het juridisch gezien daarvan wel onderdeel uit.

Een besluit tot wijziging van het omgevingsplan met toepassing van TAM-IMRO zal in heel veel gevallen gepaard gaan met het voor het besluitgebied laten vervallen van het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren met het oog op het faciliteren van een nieuwe ontwikkeling. Echter kan daarbij niet de aanduiding, bedoeld in het eerste lid, aan het besluitgebied worden gegeven met toepassing van de nieuwe standaard STOP-TP. Daaraan staat

61

juist de toepassing van de oude standaard in de weg. Om, mocht dat nodig zijn, paragraaf 3.2.6 toch van toepassing te laten zijn, bepaalt het tweede lid dat, in aanvulling op het eerste lid, deze paragraaf ook geldt ter plaatse van het besluitgebied van een TAM-omgevingsplan, maar uitsluitend voor zover dat in een TAM-omgevingsplan is bepaald.

Artikel 3.23 Toepassingsbereik In paragraaf 3.2.6 is een vergunningplicht opgenomen voor het wijzigen van het het gebruik van een gebouw naar een geluidgevoelige functie. De regeling is aanvullend op het in artikel 2.3 opgenomen verbod om gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met een onder afdeling 2.3 aan een locatie gegeven gebruiksdoel of gebruiksdoelen, of op een wijze die in strijd is met de daarop betrekking hebbende regels over gebruik. Uit de formulering van dat artikel blijkt al dat aan een locatie één gebruiksdoel kan zijn gegeven, maar dat dat er ook meerdere kunnen zijn. Artikel 2.3 staat er op zich zelf niet aan in de weg dat wanneer aan een locatie meerdere gebruiksdoelen gegeven zijn, het gebruik vrijelijk gewijzigd kan worden. Onder oud recht werd dit ook vaak binnen bestemmingsplannen toegestaan. Zo kon aan een bepaalde locatie een gemengde bestemming worden gegeven, waarbinnen het gebruik in beginsel zonder nader beoordelingsmoment kon worden gewijzigd. In bepaalde gevallen is een nader toetsmoment echter noodzakelijk. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer een wijziging van gebruik plaatsvindt waardoor het gebouw een geluidgevoelige functie krijgt. Daarmee wordt het een geluidgevoelig gebouw in de zin van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Een dergelijke wijziging kan alleen worden toegestaan wanneer dat niet leidt tot een onaanvaardbare geluidbelasting. In veel gevallen kan die afweging worden gemaakt op het moment dat het omgevingsplan wordt gewijzigd. Dat is echter niet altijd het geval. Zeker bij grotere gebiedsontwikkelingen hoeft vooraf niet altijd vast te staan wat de fasering van de ontwikkeling is, en waar welke vormen van gebruik uiteindelijk worden gerealiseerd. In dat geval kan de finale afweging omtrent aanvaardbaarheid worden doorgeschoven naar een vergunningaanvraag. De regels in deze paragraaf voorzien erin dat die afweging kan worden gemaakt. Artikel 3.23 bepaalt het toepassingsbereik van deze paragraaf. Eerste lid: Het eerste lid bepaalt dat deze paragraaf van toepassing is op het wijzigen van het gebruik van een gebouw naar een: a. woonfunctie of nevengebruiksfuncties daarvan; b. onderwijsfunctie of nevengebruiksfuncties daarvan; c. gezondheidszorgfunctie met bedgebied of nevengebruiksfuncties daarvan; of d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied of nevengebruiksfuncties daarvan. Met deze bepaling wordt aangesloten op artikel 3.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarin is bepaald wat onder een geluidgevoelig gebouw wordt verstaan. Met de wijziging van het gebruik naar de genoemde geluidgevoelige functies, wijzigt het gebouw in een geluidgevoelig gebouw.

Het eerste lid bepaalt tevens dat de paragraaf uitsluitend van toepassing is voor zover het met de wijziging beoogde gebruik niet in strijd is met artikel 2.3. Dat houdt in dat als het beoogde gebruik in strijd is met artikel 2.3, de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.26, niet kan worden verleend. Volledigheidshalve is dit ook bepaald in de beoordelingsregel (artikel 3.27, aanhef en onder a). Bij strijd met artikel 2.3 kan aan een dergelijke gebruikswijziging slechts medewerking worden verleend door middel van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Tweede lid: Het tweede lid bepaalt dat voor de toepassing van deze paragraaf onder geluid uitsluitend het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen wordt verstaan. Hiermee wordt verduidelijkt welke geluidsbronnen bij de beoordeling van het criterium ‘aanvaardbare mate van geluidbelasting’ worden betrokken. Bij de toepassing van deze paragraaf gaat dus alleen om de geluidbronnen die voorheen door de voormalige Wet geluidhinder, nu door paragraaf 5.1.4.2a van het Besluit kwaliteit leefomgeving worden gereguleerd. Ten aanzien van geluid door andere activiteiten zijn regels opgenomen in hoofdstuk 9 van dit omgevingsplan.

Toetsing aan die regels en aan artikel 5.59 Besluit kwaliteit leefomgeving (aanvaardbaarheid) vindt vooraf bij de toelating van geluidgevoelige en/of geluidveroorzakende activiteiten plaats. Nadere regels voor wijziging gebruik als niet-geluidgevoelige gebouwen naar gebruik als geluidgevoelige gebouw voor geluid door die activiteiten is derhalve niet nodig.

62

Derde lid: Op grond van artikel 3.6 van de Aanvullingswet geluid blijft het oude recht (de Wet geluidhinder) van toepassing zolang er nog geluidproductieplafonds zijn vastgesteld voor een industrieterrein. Op grond van de Wet geluidhinder vindt volledige toetsing aan geluid aan de voorkant, bij toelating van het geluidgevoelig gebouw in het omgevingsplan plaats, conform de systematiek en rekenmethodes zoals bij die wet is bepaald. Een nadere toetsing op grond van dit onderdeel zou niet alleen juridisch gezien overbodig, maar ook onmogelijk zijn gelet op de andere werkwijze van het Besluit kwaliteit leefomgeving die de basis vormt voor deze paragraaf. Vierde lid: Het vierde lid bepaalt dat deze paragraaf niet van toepassing is voor zover het gebruik als geluidgevoelig gebouw reeds betrokken is bij een verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Het is goed mogelijk dat een gebruiksomzetting van een bestaand gebouw naar een geluidgevoelig gebouw gepaard gaat met een verbouwing waarvoor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken is vereist. Wanneer de verbouwing plaatsvindt met het oog op het nieuwe gebruik, dan zal op grond van subparagraaf 4.2.4.7 bij de beoordeling van de aanvraag ook de mate van geluidbelasting op het beoogde geluidgevoelig gebouw worden betrokken.

Wanneer die beoordeling heeft plaatsgevonden is het niet nodig dat voor de wijziging van gebruik zelf nog een vergunning wordt aangevraagd. Hetzelfde geldt voor de situatie dat sprake is van een verleende omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, of een verleende omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Dit vierde lid voorziet hierin.

Artikel 3.24 Meet- en rekenbepalingen Dit artikel bepaalt dat op het bepalen van het geluid op een gevel de meet- en rekenvoorschriften, gesteld bij en krachtens de Omgevingswet, van toepassing zijn.

Artikel 3.25 Waar waarden gelden Dit artikel bepaalt waar waarden voor geluid gelden. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan artikel 5.78, derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Voor een inhoudelijke toelichting wordt kortheidshalve verwezen naar de artikelgewijze toelichting bij artikel 5.78, derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 3.26 Vergunningplicht omgevingsplanactiviteit wijziging gebruik naar geluidgevoelige functie Artikel 3.26 bepaalt dat het verboden is zonder omgevingsvergunning het gebruik van een gebouw te wijzigen naar een: a. woonfunctie of nevengebruiksfuncties daarvan; b. onderwijsfunctie of nevengebruiksfuncties daarvan; c. gezondheidszorgfunctie met bedgebied of nevengebruiksfuncties daarvan; of d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied of nevengebruiksfuncties daarvan. Onder een omgevingsplanactiviteit wijziging gebruik wordt blijkens de omschrijving in bijlage I verstaan een omgevingsplanactiviteit bestaande uit het wijzigen van het bestaand gebruik van gronden of bouwwerken.

Artikel 3.27 Beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit wijziging gebruik naar geluidgevoelige functie Artikel 3.27 bevat beoordelingsregels die van toepassing zijn op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een wijziging gebruik als niet-geluidgevoelig gebouw naar een gebruik als geluidgevoelig gebouw. Onderdeel a: De aanhef en onderdeel a bepaalt allereerst dat de omgevingsvergunning alleen wordt verleend als de activiteit in overeenstemming is met artikel 2.3. Dat artikel bepaalt dat het verboden is gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met een in afdeling 2.3 aan een locatie gegeven gebruiksdoel en de daarop betrekking hebbende regels, of op een wijze die in strijd is met de regels over gebruik. Voor zover het onder oud recht vastgestelde ruimtelijk plan nog niet is vervallen, wordt daarin tevens bepaald dat het verboden is gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan aan een locatie gegeven bestemming, of op een wijze die in strijd is met de daarop betrekking hebbende regels over gebruik. Artikel 3.26 voorziet er dus in dat wordt getoetst of de wijziging passend is met elders gestelde regels over gebruik. Heeft de vraag betrekking op een wijziging naar

63

gebruik als wonen, maar wonen is op grond van artikel 2.3 op de betreffende locatie niet toegestaan, dan moet de omgevingsvergunning wijziging gebruik worden geweigerd. Onderdeel b: De aanhef en onderdeel b bevat de feitelijke beoordelingsregel met betrekking tot het wijzigen van het gebruik naar een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtgebied. In dit onderdeel is bepaald dat een omgevingsvergunning bedoeld in artikel 3.26 alleen wordt verleend als de mate van geluid op de gevel van het geluidgevoelig gebouw, gelet op het belang van de bescherming van de gezondheid, aanvaardbaar is.

Artikel 3.28 Wijziging gebruik naar geluidgevoelige functie aanvaardbaar wanneer wordt voldaan aan de standaardwaarde Met artikel 3.28 wordt uitvoering gegeven aan de instructieregel zoals opgenomen in artikel 5.78t van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Die instructieregel bepaalt dat een omgevingsplan dat een nieuw geluidgevoelig gebouw toelaat, erin voorziet dat het geluid op dat gebouw niet hoger is dan de standaardwaarde, bedoeld in tabel 5.78t van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Eerste lid: Artikel 3.28 neemt als uitgangspunt dat aan de voorwaarde van aanvaardbare mate van geluid in elk geval is voldaan wanneer het geluid op het geluidgevoelig gebouw niet hoger is dan de standaardwaarde, bedoeld in tabel 3.28. Die waarden zijn gelijk aan de standaardwaarden, bedoeld in tabel 5.78t van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Wanneer aan de standaardwaarde wordt voldaan, dan vormt de geluidbelasting geen reden om de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.26, te weigeren. Als het geluid initieel niet voldoet aan de standaardwaarde kunnen geluidbeperkende maatregelen worden getroffen om het geluid te verminderen tot de standaardwaarde. In artikel 3.33 is bepaald dat aan de vergunning voorschriften kunnen worden verbonden over het treffen van geluidbeperkende maatregelen.

Daarmee kan worden geborgd dat noodzakelijke maatregelen om te voldoen aan de standaardwaarde ook daadwerkelijk worden genomen. Het kan daarbij uiteraard alleen gaan om maatregelen waarbij het in de macht van de vergunninghouder ligt om die te nemen. Tweede lid: In het tweede lid wordt het tweede lid van artikel 5.78t van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing verklaard. Kortheidshalve wordt verwezen naar de daarop van toepassing zijnde artikelgewijze toelichting. Derde en vierde lid: Het derde en vierde lid geven uitvoering aan hetgeen is bepaald in artikel 5.78t, derde en vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Kortheidshalve wordt verwezen naar de daarop van toepassing zijnde artikelgewijze toelichting.

Artikel 3.29 Overschrijding van de standaardwaarde Artikel 3.29 bepaalt dat ook een hogere mate van geluid op de gevel dan de standaardwaarde aanvaardbaar kan zijn. Voorwaarde is dat: a. geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarde te voldoen; b. de overschrijding van de standaardwaarde door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt; en c. het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in tabel 5.78u van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Met dit artikel wordt binnenplans invulling gegeven aan de mogelijkheid die artikel 5.78u van het Besluit kwaliteit leefomgeving biedt. Dat artikel maakt mogelijk dat als het geluid op een toe te laten geluidgevoelig gebouw hoger is dan de standaardwaarde, besloten kan worden om meer geluid dan de standaardwaarde toe te laten. Daaraan worden wel eisen gesteld. Die eisen zijn onder a tot en met c één op één overgenomen. Eerste lid: In onderdeel a van het eerste lid is allereerst bepaald dat meer geluid dan de standaardwaarde alleen toelaatbaar is als er geen geluidbeperkende maatregelen getroffen kunnen worden. Onder een geluidbeperkende maatregel wordt in het Besluit kwaliteit leefomgeving verstaan een maatregel die het geluid op een geluidgevoelig gebouw verlaagt.

Het gaat om maatregelen aan de bron en in de overdracht om de geluidbelasting te laten voldoen aan de standaardwaarde van artikel 4.48. Als het nemen van geluidbeperkende maatregelen mogelijk is in een mate

64

waarmee aan de standaardwaarde kan worden voldaan, kan het betreffende gebouw worden toegelaten zonder dat de standaardwaarde wordt overschreden. In onderdeel b van het eerste lid is bepaald dat, als niet door het treffen van maatregelen kan worden voldaan aan de standaardwaarde, de overschrijding van die standaardwaarde wel zoveel mogelijk wordt beperkt met geluidbeperkende maatregelen. Tot slot is in onderdeel c van het eerste lid bepaald dat afwijken mogelijk is tot ten hoogste de grenswaarden van tabel 3.29. Die zijn gelijk aan de grenswaarden zoals opgenomen in artikel 5.78u van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Dit artikel biedt dus flexibiliteit tussen de standaardwaarde en de grenswaarde. Net als in artikel 5.78t van het Besluit kwaliteit leefomgeving is in artikel 5.78u van dat besluit bepaald dat het omgevingsplan erin moet voorzien dat aan de grenswaarde wordt voldaan. De instructieregel schrijft niet voor hoe en op welk moment toetsing aan die norm moet plaatsvinden. Het is aan de gemeente om dit concreet in te vullen. De toetsing kan plaatsvinden bij de vaststelling van het omgevingsplan zelf. Maar het feitelijke toetsen van het geluid kan ook worden doorgeschoven naar een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Met dit artikel is voor dat laatste gekozen.

Tweede lid: In het tweede lid is opgenomen dat geluidbeperkende maatregelen in aanmerking worden genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan. Deze bepaling is nodig, omdat het technisch gezien vrijwel altijd mogelijk isom maatregelen te treffen die het geluid beperken tot de standaardwaarde, echter deze kunnen stuiten op bezwaren. Zo kan een geluidscherm langs een gemeenteweg erg effectief zijn om het geluid te beperken maar kan een dergelijke maatregel uit stedenbouwkundig oogpunt onaanvaardbaar worden gevonden. Daarom is in het tweede lid van dit artikel bepaald dat alleen de maatregelen in aanmerking worden genomen die financieel doelmatig zijn en niet stuiten op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke, verkeerskundige, vervoerskundige of technische aard. De gemeente kan in beleid aanvullende voorwaarden stellen waaronder zij gebruik zal maken van de beleidsruimte tussen standaardwaarde en grenswaarde. Daarbij kan worden gedacht aan voorwaarden die onder de Wet geluidhinder waren verbonden aan de vaststelling van de zogenoemde hogere waarden. Een voorbeeld daarvan is het eisen van een geluidluwe buitenruimte die grenst aan een geluidluwe gevel, of kwantitatieve eisen aan het geluid op een geluidluwe gevel.

Tegen deze achtergrond is in 3.30, eerste lid (in navolging van artikel 5.78ab, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving) geregeld dat bij toepassing van dit artikel het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel wordt betrokken. Derde en vierde lid: Het derde en vierde lid bevatten een tweetal regels waarin is aangegeven wanneer voor woningen in elk geval aan het vereiste van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is voldaan. Wanneer aan de gestelde voorwaarde is voldaan, vormt artikel 3.27 geen weigeringsgrond voor het verlenen van een omgevingsvergunning. Het derde en vierde lid moeten volgordelijk worden doorlopen. In het derde lid is bepaald dat als de aanvraag betrekking heeft op een of meer woningen, en geluidbeperkende maatregelen om aan de standaardwaarden te voldoen niet doelmatig zijn, sprake is van een aanvaardbaar woonen leefklimaat als iedere woning beschikt over een geluidluwe gevel waarop ten hoogste de standaardwaarde is berekend. Bij het bepalen van die waarde moet het gezamenlijk geluid zijn betrokken. Op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt onder een geluidluwe gevel verstaan een gevel die ten opzichte van de andere gevels van een geluidgevoelig gebouw relatief weinig wordt belast door geluid. Gemeenten moeten hier invullen wat wordt verstaan onder 'relatief weinig ten opzicht van andere gevels'.

Een gemeente heeft daarbij beleidsvrijheid. Een gemeente kan zeggen dat er sprake is van een geluidluwe gevel als op die gevel ten hoogste de standaardwaarde is berekend. In het derde lid is hieraan invulling gegeven door te bepalen dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als elke afzonderlijke woning beschikt over een geluidluwe gevel. Een geluidluwe gevel voldoet aan alle daarop betrekking hebbende – standaardwaarden. Getoetst wordt per geluidbronsoort. Ten overvloede wordt opgemerkt dat bij de beoordeling van een geluidluwe gevel dus niet wordt uitgegaan van gecumuleerd of gezamenlijk geluid. In het vierde lid is bepaald dat als de aanvraag betrekking heeft op een gebouw of gedeelte van een gebouw waar bewoning is toegestaan, en geluidbeperkende maatregelen om aan de standaardwaarden te voldoen gelet op het bepaalde in het tweede lid niet doelmatig of bezwaarlijk zijn, sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14509256/1