CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 15 De artikelsgewijze toelichting bij de regeling zonder renvooi.pdf

RAAD 18 september 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam: Basisregeling. (VN2024-007101)70.434 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 8

Artikel 2.145 Beperkende regel over waar wellness is toegestaan Artikel 2.145 bepaalt dat wellness uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'wellness toegestaan'. In bijlage I is aangegeven dat onder wellness wordt verstaan een voorziening die is gericht op het aanbieden van faciliteiten voor ontspanning voor lichaam en geest in de vorm van combinaties van met name sauna, zwembaden, massageruimten, relaxruimten, zonnestudio's, of kapsalons.

Artikel 2.151 Toepassingsbereik In afdeling 2.3 worden gebruiksdoelen aan locaties gegeven, wordt bepaald welk gebruik daar is toegestaan, en worden regels over het gebruik gegeven. Subparagraaf 2.3.11 bevat regels over prostitutiebedrijven. Artikel 2.151 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in deze subparagraaf. Eerste lid: In het eerste lid is bepaald dat de paragraaf van toepassing is op het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: prostitutiebedrijf '. De inhoudelijke regels over het binnen dit gebruiksdoel toegestane gebruik volgen in de overige bepalingen. Tweede lid: In het tweede lid is bepaald dat de paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: prostitutiebedrijf '. Hiermee is het geografisch werkingsgebied van de regels bepaald.

Artikel 2.152 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: prostitutiebedrijf', toegestaan gebruik Artikel 2.152 bevat regels over het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: prostitutiebedrijf', en over het daar toegestaan gebruik. Het artikel bepaalt dat de gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding ‘gebruiksdoel: prostitutiebedrijf’ als gebruiksdoel prostitutiebedrijf hebben, en dat ze mogen worden gebruikt voor het exploiteren van een prostitutiebedrijf. Daarbij moeten uiteraard de overige regels die op het gebruiksdoel en het gebruik betrekking hebben in acht worden genomen. Ook de Algemene Plaatselijke Verordening bevat regels over prostitutiebedrijven, waaronder een vergunningstelsel voor locatiegebonden prostitutiebedrijven, waarbij aspecten als veiligheid, vrijwilligheid en het beperken van overlast worden betrokken. De specifieke effecten die prostitutiebedrijven hebben op de kwaliteit van de fysieke leefomgeving rechtvaardigen het reguleren van deze activiteiten in het omgevingsplan. Daarbij kan worden gedacht aan de afwijkende tijden waarop deze bedrijven intensief worden bezocht. Dit kan effect hebben op de leefbaarheid en omgevingskwaliteit van de omgeving van dat bedrijf. Daarom is sturing op de locatie van deze activiteit gewenst is. Deze regeling voorziet daarin.

In bijlage I is bepaald wat in dit omgevingsplan onder een prostitutiebedrijf wordt verstaan. Het betreft een voor publiek toegankelijke ruimte, besloten ruimte waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof het bedrijfsmatig is, gelegenheid wordt gegeven tot prostitutie. Deze definitie impliceert dat het prostitutiebedrijf in een gebouw moet zijn gevestigd. Voorbeelden hiervan zijn: een besloten bordeel, of een prostitutie hotel. Deze begripsomschrijving is overgenomen uit de Algemene Plaatselijke Verordening. Dat geldt ook voor de begripsomschrijving van

39

prostitutie. Daaronder wordt verstaan het zich beschikbaar stellen om tegen vergoeding seksuele handelingen met een ander te verrichten.

Artikel 2.153 Beperkende regel over waar raamprostitutie is toegestaan In artikel 2.153zijn beperkende regels opgenomen over waar raamprostitutiebedrijven zijn toegestaan. Deze vorm van een prostitutiebedrijf onderscheid zich doordat de sekswerkers klanten werven vanachter ramen zichtbaar vanaf de weg. Deze ruimtelijke uitstraling op de fysieke leefomgeving maakt het wenselijk om voor deze specifieke activiteit beperkende regels te stellen. Eerste lid: Het eerste lid bepaalt dat het exploiteren van een raamprostitutiebedrijf uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'raamprostitutiebedrijf toegestaan'. Dat betekent dat daar waar een prostitutiebedrijf is toegestaan, in beginsel geen raamprostitutiebedrijf is toegestaan, tenzij dat met de aanduiding uit dit eerste lid mogelijk wordt gemaakt. In bijlage I is de definitie van een raamprostitutiebedrijf uit Algemene Plaatselijke Verordening overgenomen in dit omgevingsplan. Deze luidt als volgt: onder een raamprostitutiebedrijf wordt verstaan een prostitutiebedrijf waar het werven van klanten gebeurt door prostituees die zichtbaar zijn vanaf de weg. Tweede lid: Het tweede lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'raamprostitutiebedrijf toegestaan' het exploiteren van een prostitutiebedrijf uitsluitend in de vorm van een raamprostitutiebedrijf is toegestaan.

Hiermee wordt voorkomen dat er op een locatie ongewenste uitwisseling plaatsvindt van prostitutiebedrijven en raamprostitutiebedrijven.

Artikel 2.154 Omvang en situering prostitutiebedrijf Artikel 2.154 bevat regels over omvang en situering van prostitutiebedrijven, zodat locatiegerichte beperkingen worden gesteld. Deze regels zijn alleen van toepassing als de betreffende aanduiding op een locatie van toepassing is. Zonder aanduiding gelden de beperkingen dus niet. Eerste lid: Het eerste lid bepaalt dat het exploiteren van een prostitutiebedrijf alleen is toegestaan in een hoofdgebouw. Daarbij is expliciet bepaald dat in een eventueel bij het hoofdgebouw behorende erfbebouwing een bedrijfsmatig gebruik voor een prostitutiebedrijf niet is toegestaan. Hiermee wordt voorkomen dat het gebruik van de erfbebouwing het toegestane gebruik van het hoofdgebouw volgt. Hierbij is bepaald dat hiermee wordt afgeweken van de regel uit artikel 2.10 dat het gebruik van een bijbehorende erf in overeenstemming is met het gebruiksdoel van het hoofdgebouw. Tweede lid: Het tweede lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding “bouwlaag waarin een prostitutiebedrijf is toegestaan” een prostitutiebedrijf alleen is toegestaan in de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen. Deze aanduiding gaat altijd gepaard met een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaald in welke bouwlaag of bouwlagen een prostitutiebedrijf is toegestaan. De peildatum is locatieafhankelijk.

Derde lid: Het derde lid bepaalt dat de bestaande bruto-vloeroppervlakte die voor een prostitutiebedrijf wordt gebruikt niet mag worden vergroot. Hiermee wordt beoogd dat de omvang van het prostitutiebedrijf niet wordt vergroot. Uitbreiding van deze activiteit is beleidsmatig niet gewenst vanwege de nadelige invloed op de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Vierde lid: Het vierde lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding “maximum aantal prostitutieramen” het maximum aantal ramen waar achter een prostituee zich presenteert het daar bepaalde aantal is. Deze aanduiding gaat altijd gepaard met een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaald het maximum aantal ramen.

Artikel 2.158 Toepassingsbereik

40

In afdeling 2.3 worden gebruiksdoelen aan locaties gegeven, wordt bepaald welk gebruik daar is toegestaan, en worden regels over het gebruik gegeven. Subparagraaf 2.3.11.2 bevat regels over seksinrichtingen. Artikel 2.158 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in deze subparagraaf. Eerste lid: In het eerste lid is bepaald dat de paragraaf van toepassing is op het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: seksinrichting', en b) op het gebruik van gronden en bouwwerken voor een seksinrichting. De inhoudelijke regels over het binnen dit gebruiksdoel toegestane gebruik volgen in de overige bepalingen. Tweede lid: In het tweede lid is bepaald dat de paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: seksinrichting'. Hiermee is het geografisch werkingsgebied van de regels bepaald.

Artikel 2.159 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: seksinrichting', toegestaan gebruik Artikel 2.159 bevat regels over het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: seksinrichting', en over het daar toegestaan gebruik. Het artikel bepaalt dat de gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding ‘gebruiksdoel: seksinrichting’ als gebruiksdoel seksinrichting hebben, en dat ze mogen worden gebruikt voor het exploiteren van een seksinrichting. Daarbij moeten uiteraard de overige regels die op het gebruiksdoel en het gebruik betrekking hebben in acht worden genomen. Het exploiteren van een seksinrichting wordt niet alleen door het omgevingsplan gereguleerd, maar ook door de Algemene Plaatselijke Verordening. Voor het gebruik van begrippen en definities hiervan wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de Algemene Plaatselijke Verordening. In bijlage I is bepaald wat onder een seksinrichting wordt verstaan.

Artikel 2.160 Omvang en situering seksinrichtingen Artikel 2.160 bevat regels over omvang en situering van seksinrichtingen, zodat locatiegerichte beperkingen worden gesteld. Deze regels zijn alleen van toepassing als de betreffende aanduiding op een locatie van toepassing is. Zonder aanduiding gelden de beperkingen dus niet. Eerste lid: Het eerste lid bepaalt dat het exploiteren van een seksinrichting alleen is toegestaan in een hoofdgebouw. Daarbij is expliciet bepaald dat in een eventueel bij het hoofdgebouw behorende erfbebouwing een bedrijfsmatig gebruik voor een seksinrichting niet is toegestaan. Hiermee wordt voorkomen dat het gebruik van de erfbebouwing het toegestane gebruik van het hoofdgebouw volgt. Hierbij is bepaald dat hiermee wordt afgeweken van de regel uit artikel 2.10 dat het gebruik van een bijbehorende erf in overeenstemming is met het gebruiksdoel van het hoofdgebouw. Tweede lid: Het tweede lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'bouwlaag waarin een seksinrichting is toegestaan' een seksinrichting alleen is toegestaan in de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen. Deze aanduiding gaat altijd gepaard met een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaald in welke bouwlaag of bouwlagen een seksinrichting is toegestaan.

Derde lid: Het derde lid bepaalt dat de bestaande bruto-vloeroppervlakte die voor een seksinrichting wordt gebruikt niet mag worden vergroot. Hiermee wordt beoogd dat de omvang van de seksinrichting niet wordt vergroot. Uitbreiding van deze activiteit is beleidsmatig niet gewenst vanwege de nadelige invloed op de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. De peildatum is locatie-afhankelijk.

Artikel 2.164 Toepassingsbereik In afdeling 2.3 worden gebruiksdoelen aan locaties gegeven, wordt bepaald welk gebruik daar is toegestaan, en worden regels over het gebruik gegeven. Paragraaf 2.3.12 bevat regels over het gebruik voor agrarische activiteiten. Subparagraaf 2.3.12.1 gaat over veehouderijen en paardenfokkerijen. Artikel 2.164 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in dit onderdeel.

41

Eerste lid: In het eerste lid is bepaald dat de subparagraaf van toepassing is op het gebruiksdoel van locaties met de aanduiding 'gebruiksdoel: veehouderij of paardenfokkerij'. De inhoudelijke regels over het binnen dit gebruiksdoel toegestane gebruik volgen in de overige bepalingen. Tweede lid: In het tweede lid is bepaald dat de subparagraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: veehouderij of paardenfokkerij'. Hiermee is het geografisch werkingsgebied van de regels bepaald.

Artikel 2.165 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: veehouderij of paardenfokkerij', toegestaan gebruik Artikel 2.165 bevat regels over het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: veehouderij of paardenfokkerij', en over het daar toegestaan gebruik. Het artikel bepaalt dat de gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: veehouderij of paardenfokkerij' als gebruiksdoel veehouderij of paardenfokkerij hebben, en dat ze mogen worden gebruikt voor het uitoefenen van een agrarisch bedrijf in de vorm van een veehouderij of paardenfokkerij. Daarbij moeten uiteraard de overige regels die op het gebruiksdoel en het gebruik betrekking hebben in acht worden genomen. In bijlage I wordt een omschrijving gegeven van wat wordt verstaan onder agrarisch bedrijf. Dat is een bedrijf gericht op het voortbrengen van producten door het telen van gewassen of het houden van dieren, daaronder begrepen een productiegerichte paardenhouderij, houtteelt, zaadveredeling en de teelt van watergebonden organismen als planten, algen, weekdieren, schelpdieren en vissen. Deze omschrijving is gelijk aan die in de provinciale omgevingsverordening. In bijlage I wordt ook een omschrijving gegeven van wat wordt verstaan onder een paardenfokkerij.

Het gaat om een agrarisch bedrijf gericht op het houden van paarden, waarbij uitsluitend of in hoofdzaak handelingen aan en met paarden worden verricht die primair gericht zijn op het voortbrengen, africhten, trainen en verhandelen van paarden. Een nadere omschrijving van veehouderij is niet gegeven. Wat hieronder wordt verstaan, wordt voldoende duidelijk geacht.

Artikel 2.166 Beperking met betrekking tot intensieve veehouderijen Artikel 2.166 bevat een beperking voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf in de vorm van een intensieve veehouderij. Dat is alleen toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij. Daarbij is tevens bepaald dat ten hoogste één bouwlaag gebruikt mag worden voor het houden van dieren. In bijlage I is opgenomen dat onder een intensieve veehouderij moet worden verstaan een intensieve veehouderij als bedoeld in de provinciale omgevingsverordening. Die omschrijft het als een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf dat slacht-, fok, leg-, pelsof melkdieren houdt, zonder of nagenoeg zonder weidegang of vrije uitloop, met uitzondering van veehouderij waarin producten worden vervaardigd die gecertificeerd zijn volgens in Nederland geldende regelgeving van de Europese Unie voor biologische producten en met uitzondering van viskwekerij.

Artikel 2.167 Beperking met betrekking tot opslag Artikel 2.167 bepaalt dat opslag uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘agrarisch bedrijfsperceel’.

Artikel 2.168 Beperking met betrekking tot paardenbakken Artikel 2.168 bevat een beperking met betrekking tot paardenbakken, namelijk dat deze uitsluitend zijn toegestaan ten behoeve van het agrarisch bedrijf, en uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘agrarisch bedrijfsperceel’. Daarbij is in het tweede lid bepaald dat de maximum bruto-vloeroppervlakte van de paardenbak de ter plaatse van de aanduiding ‘maximum oppervlak paardenbak’ bepaalde waarde bedraagt. Deze aanduiding gaat altijd gepaard met een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaalt het maximum oppervlak. Gelet op artikel 2.2, derde lid, geldt dat maximum per afzonderlijk aanduidingsvlak. Is een dergelijke aanduiding niet opgenomen, dan geldt geen maximum oppervlakte.

Artikel 2.169 Beperking met betrekking tot de teelt van ruwvoedergewassen Artikel 2.169 bepaalt dat de teelt van ruwvoedergewassen is toegestaan tot maximaal 10% van de gronden behorende bij een agrarisch bedrijf waarbij de gronden duurzaam in gebruik zijn en de teelt bedoeld is voor de eigen bedrijfsvoering. In bijlage I is een definitie opgenomen van wat ruwvoedergewassen zijn. Tot gronden die duurzaam in gebruik zijn behoren zowel de gronden die in eigendom zijn als gronden die langdurig via huur of pacht deel uitmaken van het bedrijf.

Artikel 2.173 Toepassingsbereik

42

In afdeling 2.3 worden gebruiksdoelen aan locaties gegeven, wordt bepaald welk gebruik daar is toegestaan, en worden regels over het gebruik gegeven. Paragraaf 2.3.12 bevat regels over het gebruik voor agrarische activiteiten. Subparagraaf 2.3.12.2 gaat over het telen van gewassen in de open lucht. Artikel 2.173 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in dit onderdeel. Eerste lid: In het eerste lid is bepaald dat de subparagraaf van toepassing is op het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: gewassenteelt in de open lucht'. De inhoudelijke regels over het binnen dit gebruiksdoel toegestane gebruik volgen in de overige bepalingen. Tweede lid: In het tweede lid is bepaald dat de subparagraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: gewassenteelt in de open lucht'. Hiermee is het geografisch werkingsgebied van de regels bepaald.

Artikel 2.174 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: gewassenteelt in de open lucht', toegestaan gebruik Artikel 2.174 bevat regels over het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: gewassenteelt in de open lucht', en over het daar toegestaan gebruik. Het artikel bepaalt dat de gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: gewassenteelt in de open lucht' als gebruiksdoel gewassenteelt in de open lucht hebben, en dat ze mogen worden gebruikt voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf gericht op het telen van gewassen in de open lucht, niet zijnde bosbouw, sieren fruitteelt. Daarbij moeten uiteraard de overige regels die op het gebruiksdoel en het gebruik betrekking hebben in acht worden genomen. In bijlage I wordt een omschrijving gegeven van wat wordt verstaan onder agrarisch bedrijf. Dat is een bedrijf gericht op het voortbrengen van producten door het telen van gewassen of het houden van dieren, daaronder begrepen een productiegerichte paardenhouderij, houtteelt, zaadveredeling en de teelt van watergebonden organismen als planten, algen, weekdieren, schelpdieren en vissen. Deze omschrijving is gelijk aan die in de provinciale omgevingsverordening. Wat onder gewassenteelt in de open lucht wordt verstaan wordt voldoende duidelijk geacht.

Artikel 2.175 Beperking met betrekking tot opslag Artikel 2.175 bepaalt dat opslag uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘agrarisch bedrijfsperceel’.

Artikel 2.176 Beperking met betrekking tot teeltondersteunende voorzieningen Artikel 2.176 bevat een beperking met betrekking tot teeltondersteunende voorzieningen. Die zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘agrarisch bedrijfsperceel’. In bijlage I is aangegeven dat onder teeltondersteunende voorzieningen worden verstaan voorzieningen die toegepast worden om de teelt van groente, fruit, bomen of potplanten te bevorderen en te beschermen, zoals hagelnetten, stellingen en regenkappen en teeltondersteunende kassen.

Artikel 2.180 Toepassingsbereik In afdeling 2.3 worden gebruiksdoelen aan locaties gegeven, wordt bepaald welk gebruik daar is toegestaan, en worden regels over het gebruik gegeven. Paragraaf 2.3.12 bevat regels over het gebruik voor agrarische activiteiten. Subparagraaf 2.3.12.3 gaat over glastuinbouw. Artikel 2.180 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in dit onderdeel. Eerste lid: In het eerste lid is bepaald dat de subparagraaf van toepassing is op het gebruiksdoel van locaties met de aanduiding 'gebruiksdoel: glastuinbouw'. De inhoudelijke regels over het binnen dit gebruiksdoel toegestane gebruik volgen in de overige bepalingen. Tweede lid: In het tweede lid is bepaald dat de subparagraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: glastuinbouw'. Hiermee is het geografisch werkingsgebied van de regels bepaald.

Artikel 2.181 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: glastuinbouw', toegestaan gebruik In artikel 2.174 bevat regels over het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: glastuinbouw', en over het daar toegestaan gebruik. Het artikel bepaalt dat de gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: glastuinbouw' als gebruiksdoel glastuinbouw hebben, en dat ze mogen worden gebruikt voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf in de vorm van glastuinbouw . Daarbij moeten uiteraard de overige regels die op het gebruiksdoel en het gebruik betrekking hebben in acht worden genomen.

43

In bijlage I wordt een omschrijving gegeven van wat wordt verstaan onder agrarisch bedrijf. Dat is een bedrijf gericht op het voortbrengen van producten door het telen van gewassen of het houden van dieren, daaronder begrepen een productiegerichte paardenhouderij, houtteelt, zaadveredeling en de teelt van watergebonden organismen als planten, algen, weekdieren, schelpdieren en vissen. Deze omschrijving is gelijk aan die in de provinciale omgevingsverordening. War onder glastuinbouw wordt verstaan wordt voldoende duidelijk geacht.

Artikel 2.182 Beperking met betrekking tot kassen Artikel 2.182 bepaalt dat kassen uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'kas toegestaan'. Wat onder een kas moet worden verstaan is bepaald in bijlage I, waarbij wordt verwezen naar de provinciale omgevingsverordening. Daarin is opgenomen dat het gaat om een bouwwerk van hoofdzakelijk glas of ander lichtdoorlatend materiaal, bedoeld voor de teelt van assimilerende organismen. Op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een kas zijn uiteraard de regels in hoofdstuk 4 van toepassing.

Artikel 2.183 Beperking met betrekking tot teeltondersteunende voorzieningen Artikel 2.176 bevat een beperking met betrekking tot teeltondersteunende voorzieningen. Die zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘agrarisch bedrijfsperceel’. In bijlage I is aangegeven dat onder teeltondersteunende voorzieningen worden verstaan voorzieningen die toegepast worden om de teelt van groente, fruit, bomen of potplanten te bevorderen en te beschermen, zoals hagelnetten, stellingen en regenkappen en teeltondersteunende kassen.

Artikel 2.187 Toepassingsbereik In afdeling 2.3 worden gebruiksdoelen aan locaties gegeven, wordt bepaald welk gebruik daar is toegestaan, en worden regels over het gebruik gegeven. Paragraaf 2.3.13 bevat regels over het gebruiksdoel van locaties met de aanduiding 'gebruiksdoel: water'. Artikel 2.187 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in dit onderdeel. Het eerste lid bepaalt dat deze paragraaf van toepassing is op het gebruiksdoel, de inrichting en het gebruik van locaties met de aanduiding 'gebruiksdoel: water'. De inhoudelijke regels over het binnen dit gebruiksdoel toegestane gebruik volgen in de overige bepalingen. In het tweede lid is bepaald dat deze paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: water'. De inhoudelijke regels over gebruiksdoel en gebruik volgen in de overige bepalingen.

Artikel 2.188 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: water', toegestaan gebruik Artikel 2.188 bevat regels over het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: water', en over het daar toegestaan gebruik. Eerste lid: Het eerste lid bepaalt dat locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: water' bedoeld zijn voor waterberging, waterhuishouding en watervoorzieningen, waaronder in ieder geval worden begrepen sloten, vijvers, vaarten, kanalen, grachten, plassen, waterwegen en overige waterpartijen. Met dit gebruiksdoel wordt een vervolg gegeven aan een werkwijze die ook in bestemmingsplannen onder de voorheen geldende Wet ruimtelijke ordening werd gehanteerd met waterbestemmingen. Tweede lid: In waterbestemmingen werd voorheen veelal ruimte gelaten voor allerlei voorzieningen, bouwwerken en andere werken. Dit wordt in het tweede lid gecontinueerd. Het tweede lid bepaalt dat de gronden ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: water' in elk geval bedoeld zijn voor het realiseren van de daar aangegeven voorzieningen, bouwwerken en andere werken.

Het gaat om voorzieningen, bouwwerken en andere werken die over het algemeen passend zijn binnen groenvoorzieningen zoals bruggen, beschoeiingen, (aanleg)steigers, en daarmee vergelijkbare werken en bouwwerken en overige naar aard en omvang ondergeschikte werken en bouwwerken, maar ook groenvoorzieningen van ondergeschikte omvang, nutsvoorzieningen, ondergrondse infrastructurele voorzieningen en waterstaatkundige werken. Daarbij wordt in de aanhef van het tweede lid wel het voorbehoud gemaakt dat elders in dit omgevingsplan een bepaling is opgenomen op grond waarvan in specifieke gevallen een bepaalde voorziening, een bepaald bouwwerk of ander werk, niet is toegestaan. Daarmee wordt ruimte gelaten voor locatiespecifieke maatwerkregels. Derde lid: Het derde lid maakt expliciet dat het tweede lid niet betekent dat die het realiseren van daarin genoemde voorzieningen, bouwwerken, en andere werken, zondermeer zijn toegestaan. Er kunnen aanvullende regels van

44

toepassing kunnen zijn, bij voorbeeld in de vorm van een vergunningplicht. Gedacht kan worden aan de regels voor het oprichten, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, zoals die zijn opgenomen in hoofdstuk 4 van dit omgevingsplan, en die onverkort van toepassing zijn op het realiseren van de in het tweede lid genoemde bouwwerken. Voor zover het oprichten, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk niet vergunningvrij is, dan moet de bouwaanvraag ook worden getoetst op de vraag of het beoogde gebruik in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 2.3. Dat volgt uit artikel 4.16 in samenhang gelezen met artikel 5.14. Oftewel, een bouwaanvraag voor een vergunningplichtig bouwwerk wordt getoetst aan het gebruiksdoel zoals vastgelegd in dit artikel 2.188. In wezen is dit niet anders dan onder oud recht, waarbij de bouwvergunning wanneer die op grond van de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht nodig was, werd geweigerd wanneer die in strijd was met de geldende bestemming. Vierde lid: Het vierde lid tot slot bepaalt dat gronden en bouwwerken ter plaatse van de functie 'water' mogen worden gebruikt op een wijze die gelet op de inrichting passend is.

Artikel 2.194 Toepassingsbereik In afdeling 2.3 worden gebruiksdoelen aan locaties gegeven, wordt bepaald welk gebruik daar is toegestaan, en worden regels over het gebruik gegeven. Paragraaf 2.3.14 bevat regels over het gebruiksdoel van locaties met de aanduiding 'gebruiksdoel: verkeer'. Artikel 2.194 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in dit onderdeel. Het eerste lid bepaalt dat deze paragraaf van toepassing is op het gebruiksdoel, de inrichting en het gebruik van locaties met de aanduiding 'gebruiksdoel: verkeer'. De inhoudelijke regels over het binnen dit gebruiksdoel toegestane gebruik volgen in de overige bepalingen. In het tweede lid is bepaald dat deze paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: verkeer'. De inhoudelijke regels over gebruiksdoel en gebruik volgen in de overige bepalingen.

Artikel 2.195 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: verkeer', toegestaan gebruik Artikel 2.195 bevat regels over het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: verkeer', en over het daar toegestaan gebruik. Eerste lid: Het eerste lid bepaalt dat locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: verkeer' bedoeld zijn voor het realiseren, in stand houden en gebruiken van wegen, OV-stations, spoorwegen, metrolijnen, trambanen, woonerven, publiek toegankelijke parkeergarages en publiek toegankelijke parkeerterreinen, overige parkeergelegenheid in de openbare ruimte, voeten fietspaden, publiek toegankelijke fietsparkeergarages en publiek toegankelijke fietsparkeerterreinen, en pleinen. Met dit gebruiksdoel wordt een vervolg gegeven aan een werkwijze die ook in bestemmingsplannen onder de voorheen geldende Wet ruimtelijke ordening werd gehanteerd met bestemmingen Verkeer. In bestemmingsplannen werd daarbij vaak onderscheid gemaakt tussen verschillende verkeersbestemmingen, waarbij de ene bijvoorbeeld wel wegen of spoorwegen toestond, en de andere niet. Dit onderscheid is in dit omgevingsplan niet gemaakt. In subparagraaf 2.3.14.2 zijn regels opgenomen die specifiek bepalen waar bepaalde specifieke vormen van verkeer, zoals wegen en spoorwegen, wel en niet zijn toegestaan.

Tweede lid: In verkeersbestemmingen werd voorheen veelal ruimte gelaten voor allerlei voorzieningen, bouwwerken en andere werken. Dit wordt in het tweede lid gecontinueerd. Het tweede lid bepaalt dat de gronden ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: verkeer' in elk geval bedoeld zijn voor het realiseren van de daar aangegeven voorzieningen, bouwwerken en andere werken. Het gaat om bruggen en duikers, de tot de wegen of paden behorende bermen, taluds en zijkanten, waterstaatkundige en civieltechnische (kunst)werken, alsmede de aan de wegen liggende parkeerplaatsen en ondergrondse infrastructurele voorzieningen, beschoeiingen, (aanleg)steigers, en daarmee vergelijkbare ondergeschikte werken en bouwwerken en overige naar aard en omvang ondergeschikte werken en bouwwerken, groenvoorzieningen en watervoorzieningen van ondergeschikte omvang en nutsvoorzieningen. Daarbij wordt in de aanhef van het tweede lid wel het voorbehoud gemaakt dat elders in dit omgevingsplan een bepaling is opgenomen op grond waarvan in specifieke gevallen een bepaalde voorziening, een bepaald bouwwerk of ander werk, niet is toegestaan. Daarmee wordt ruimte gelaten voor locatiespecifieke maatwerkregels. Derde lid:

45

Het derde lid maakt expliciet dat het tweede lid niet betekent dat die het realiseren van daarin genoemde voorzieningen, bouwwerken, en andere werken, zondermeer zijn toegestaan. Er kunnen aanvullende regels van toepassing kunnen zijn, bij voorbeeld in de vorm van een vergunningplicht. Gedacht kan worden aan de regels voor het oprichten, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, zoals die zijn opgenomen in hoofdstuk 4 van dit omgevingsplan, en die onverkort van toepassing zijn op het realiseren van de in het tweede lid genoemde bouwwerken. Voor zover het oprichten, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk niet vergunningvrij is, dan moet de bouwaanvraag ook worden getoetst op de vraag of het beoogde gebruik in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 2.3. Dat volgt uit artikel 4.16 in samenhang gelezen met artikel 5.14. Oftewel, een bouwaanvraag voor een vergunningplichtig bouwwerk wordt getoetst aan het gebruiksdoel zoals vastgelegd in dit artikel 2.208. In wezen is dit niet anders dan onder oud recht, waarbij de bouwvergunning wanneer die op grond van de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht nodig was, werd geweigerd wanneer die in strijd was met de geldende bestemming. Vierde lid: Het vierde lid tot slot bepaalt dat gronden en bouwwerken ter plaatse van de functie 'water' mogen worden gebruikt op een wijze die gelet op de inrichting passend is.

Artikel 2.201 Beperkende regels over wegen Artikel 2.201 bevat beperkingen voor rijbanen. Naast deze ruimtelijke beperkingen zijn in hoofdstuk 7 regels opgenomen over het aanleggen of het wijzigen van een gemeenteweg, waterschapsweg of lokale spoorweg. De in dat hoofdstuk opgenomen vergunningplicht is bedoeld om een beoordeling te kunnen doen op gevolgen voor geluidgevoelige bouwwerken. Op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving moet in een omgevingsplan dat de aanleg of wijziging van een gemeenteweg of waterschapsweg mogelijk maakt, aan bepaalde voorwaarden worden voldaan (artikel 5.78m Besluit kwaliteit leefomgeving). In hoofdstuk 7 wordt aan deze instructieregels gevolg gegeven. Dat betekent dat ook voor de aanleg van bijvoorbeeld een gemeenteweg ter plaatse van de aanduiding 'weg toegestaan', behoudens in hoofdstuk 7 aangegeven uitzonderingen, een vergunningplicht geldt. Eerste lid: Het eerste lid bepaalt in het eerste lid dat binnen de gronden met de aanduiding 'gebruiksdoel: verkeer' rijbanen uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'weg toegestaan'. Onder een rijbaan wordt verstaan elk voor rijdende voertuigen bestemd weggedeelte met uitzondering van de fietspaden en de fiets/bromfietspaden. Dat is overeenkomstig artikel 1 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990).

Tweede lid: Het tweede lid bepaalt dat het eerste lid niet van toepassing is als het gaat om een erf in de zin van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, of als een maximumsnelheid geldt van 30km/u. In die gevallen is een weg overal ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: verkeer' toegestaan. Derde lid: Het derde lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal rijstroken' het maximum aantal rijstroken dat is toegestaan de daar bepaalde waarde is. Onder een rijstrook wordt verstaan een door doorgetrokken of onderbroken strepen gemarkeerd gedeelte van de rijbaan van zodanige breedte dat bestuurders van motorvoertuigen op meer dan twee wielen daarvan gebruik kunnen maken. Dat is overeenkomstig artikel 1 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Deze beperking geldt alleen ter plaatse van de genoemde aanduiding. Deze aanduiding gaat altijd gepaard met een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaalt het maximum aantal hotelkamers. Gelet op artikel 2.2, derde lid, geldt dat maximum per afzonderlijk aanduidingsvlak.

Artikel 2.202 Beperkende regels over spoorwegen Artikel 2.202 bepaalt dat binnen de gronden met de aanduiding 'gebruiksdoel: verkeer' wegen uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'spoorweg toegestaan'.

Artikel 2.203 Beperkende regels over tramen metrolijnen Artikel 2.203 bevat beperkingen voor waar binnen de gronden met de aanduiding 'gebruiksdoel: verkeer' tramen metrolijnen zijn toegestaan. Het eerste lid bepaalt dat bovengrondse metrolijnen uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bovengrondse metro toegestaan'. Het tweede lid bepaalt dat ondergrondse metrolijnen uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'ondergrondse metro toegestaan'. Het derde lid bepaalt dat tramlijnen uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'tram toegestaan'.

Artikel 2.204 Vergunningplicht voor het aanleggen of wijzigen van gemeentewegen en waterschapswegen

46

In artikel 2.204 is bepaald dat op het aanleggen of het wijzigen van een gemeenteweg of waterschapsweg hoofdstuk 7 onverkort van toepassing. In dat hoofdstuk is een vergunningplicht opgenomen voor het aanleggen of wijzigen van een gemeenteweg of waterschapsweg. Onder gemeenteweg wordt op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving verstaan een weg in beheer bij een gemeente. Onder een waterschapsweg wordt verstaan een weg in beheer bij een waterschap. Gelet op artikel 1.1, tweede lid, is die omschrijving van toepassing op dit omgevingsplan. De vergunningplicht is bedoeld om een beoordeling te kunnen doen op gevolgen voor geluidgevoelige bouwwerken. Op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving moet in een omgevingsplan dat de aanleg of wijziging van een gemeenteweg of waterschapsweg mogelijk maakt, aan bepaalde voorwaarden worden voldaan (artikel 5.78m Bkl). In hoofdstuk 7 wordt aan deze instructie gevolg gegeven. Dat betekent dat ook voor de aanleg van een weg ter plaatse van de aanduiding 'weg toegestaan', behoudens in hoofdstuk 7 aangegeven uitzonderingen, een vergunningplicht geldt. Dat volgt rechtstreeks uit hoofdstuk 7. Artikel 2.204 heeft in die zin een signaalfunctie, het maakt dit volledigheidshalve duidelijk.

Artikel 2.205 Publiektoegankelijke parkeervoorzieningen Artikel 2.205 bevat regels met betrekking tot publiektoegankelijke parkeervoorzieningen. Met dit artikel wordt voor de gronden met het gebruiksdoel verkeer bepaald waar publiektoegankelijke parkeervoorzieningen zijn toegestaan. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen gebouwde autoparkeervoorzieningen en parkeerterreinen (lid 2). Voor gebouwde parkeervoorzieningen is een regel opgenomen over waar die mogen komen. Voor parkeerterreinen geldt dat die overal ter plaatse van het gebruiksdoel verkeer zijn toegestaan. Wel kunnen daarbinnen locaties worden aangewezen die uitsluitend voor parkeerterrein zijn bedoeld. Eerste lid: Het eerste lid bepaalt dat gebouwde publiektoegankelijke autoparkeervoorzieningen uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘gebouwde publiektoegankelijke parkeervoorziening’. Bij gebouwde autoparkeervoorzieningen moet gedacht worden aan de openbare autoparkeergarages waar tegen betaling door een ieder geparkeerd kan worden. Er kan ook sprake zijn van gebouwde parkeervoorzieningen die deels publiektoegankelijk zijn, deels behoren bij een ander gebruiksdoel. In dat geval zal aan de locatie behalve het gebruiksdoel verkeer nog een ander gebruiksdoel moeten zijn toegekend.

Indien bijvoorbeeld sprake is van een autoparkeergarage in een gebouw die door bewoners van de bovengelegen woningen kan worden gebruikt, maar die ook al dan niet deels publiektoegankelijk is, dan is (deels) sprake van een publiektoegankelijke autoparkeervoorziening, deels van een parkeervoorziening behorend bij het gebruiksdoel wonen. Tweede lid: Het tweede lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding ‘parkeerterrein , de gronden moeten worden ingericht en gebruikt als parkeerterrein. Bij parkeerterreinen moet gedacht worden aan de P+R op Zeeburgereiland en het parkeerterrein in het Amsterdamse bos. Autoparkeervoorzieningen in de openbare ruimte (denk aan parkeervakken langs een rijbaan) zijn niet uitsluitend binnen de aanduiding ‘parkeerterrein’ toegestaan, maar zijn zonder nadere aanduiding binnen het gebruiksdoel ‘verkeer’ toegestaan. Derde en vierde lid: Het derde en vierde lid bevatten elk een beperkende regels met betrekking tot het minimum respectievelijk maximum aantal parkeerplaatsen dat beschikbaar moet of mag zijn voor publiektoegankelijk gebruik. Deze beperkingen gelden uitsluitend ter plaatse van de aangegeven locaties.

Artikel 2.206 Publiektoegankelijke fietsstalling Artikel 2.206 bevat enkele regels met betrekking tot publiektoegankelijke (brom)fietsstallingen. Eerste lid: Het eerste lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'publiektoegankelijke (brom)fietsstalling' een publiektoegankelijke (brom)fietsstalling moet worden gerealiseerd en in stand gehouden. Dit eerste lid betekent dat er een realisatieplicht geldt voor de aangegeven locatie. Het betekent niet dat publiektoegankelijke (brom)fietsstalling uitsluitend op die locaties zijn toegestaan. Publiektoegankelijke (brom)fietsstalling is ook elders toegestaan, voor zover dat in overeenstemming is met een aan de locatie gegeven gebruiksdoelen. Zo zijn voorzieningen voor fietsstalling (zoals fietsnietjes of fietsenrekken) ook elders toegestaan. Tweede lid: Het tweede lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding ‘minimum aantal publiektoegankelijke fietsstallingsplaatsen’ het minimum aantal fietsstallingsplaatsen dat in ieder geval beschikbaar dient te zijn voor publiektoegankelijk gebruik de daar bepaalde waarde is.

Artikel 2.207 Toepassingsbereik In afdeling 2.3 worden gebruiksdoelen aan locaties gegeven, wordt bepaald welk gebruik daar is toegestaan, en worden regels over het gebruik gegeven. Paragraaf 2.3.15 bevat regels over het gebruiksdoel van locaties met de aanduiding 'gebruiksdoel: groen'. Artikel 2.207 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in dit onderdeel. Het eerste lid bepaalt dat deze paragraaf van toepassing is op het gebruiksdoel, de inrichting en het gebruik van locaties

47

met de aanduiding 'gebruiksdoel: groen'. De inhoudelijke regels over het binnen dit gebruiksdoel toegestane gebruik volgen in de overige bepalingen. In het tweede lid is bepaald dat deze paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: groen'. De inhoudelijke regels over gebruiksdoel en gebruik volgen in de overige bepalingen.

Artikel 2.208 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: groen', toegestaan gebruik Artikel 2.208 bevat regels over het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: groen', en over het daar toegestaan gebruik. Eerste lid: In het eerste lid wordt bepaald dat locaties ter plaatse van de functie 'groen' bedoeld zijn voor groenvoorzieningen in de open lucht, waaronder in ieder geval worden begrepen (bos)parken, plantsoenen en open speelplekken, met de daarbij behorende waterpartijen. Met dit gebruiksdoel wordt een vervolg gegeven aan een werkwijze die ook in bestemmingsplannen onder de voorheen geldende Wet ruimtelijke ordening werd gehanteerd met groenbestemmingen. Voor de gronden met een bestemming 'Groen' werd veelal in de bestemmingsomschrijving opgenomen dat die waren bedoeld voor groenvoorzieningen. Groenvoorzieningen werden dan in veel gevallen omschreven als groenvoorzieningen in de open lucht, waaronder in ieder geval werden begrepen (bos)parken, plantsoenen en open speelplekken, met de daarbij behorende waterpartijen. Deze omschrijving is als gebruiksdoel voor de gronden met de functie 'groen' overgenomen. Tweede lid: In groenbestemmingen werd voorheen veelal ruimte gelaten voor allerlei voorzieningen, bouwwerken en andere werken. Dit wordt in het tweede lid gecontinueerd.

Het tweede lid bepaalt dat de gronden ter plaatse van de functie ‘groen’ mede bedoeld zijn voor het realiseren van de daar aangegeven voorzieningen, bouwwerken en andere werken. Het gaat om voorzieningen, bouwwerken en andere werken die over het algemeen passend zijn binnen groenvoorzieningen zoals (bos)parken, plantsoenen en open speelplekken, die het gebruik daarvan ondersteunen, of die over het algemeen geen afbreuk aan die groenvoorzieningen en het gebruik ervan. Daarbij wordt in de aanhef van het tweede lid wel het voorbehoud gemaakt dat elders in dit omgevingsplan een bepaling is opgenomen op grond waarvan in specifieke gevallen een bepaalde voorziening, een bepaald bouwwerk of ander werk, niet is toegestaan. Daarmee wordt ruimte gelaten voor locatiespecifieke maatwerkregels. Denkbaar is bijvoorbeeld dat in bepaalde parken het uitbreiden van verhardingen niet gewenst is. In dergelijke gevallen kan een beperkende maatwerkregel worden opgenomen die aan die gebieden wordt verbonden. Bij voorkeur worden dergelijke beperkingen, voor zover die specifiek betrekking hebben op gronden met de functie 'groen' en op de daarop betrekking hebbende regels, in dit regelonderdeel opgenomen. Derde lid: Het derde lid maakt expliciet dat het tweede lid niet betekent dat die het realiseren van daarin genoemde voorzieningen, bouwwerken, en andere werken, zondermeer zijn toegestaan.

Er kunnen aanvullende regels van toepassing kunnen zijn, bij voorbeeld in de vorm van een vergunningplicht. Gedacht kan worden aan de regels voor het oprichten, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, zoals die zijn opgenomen in hoofdstuk 4 van dit omgevingsplan, en die onverkort van toepassing zijn op het realiseren van de in het tweede lid genoemde bouwwerken. Voor zover het oprichten, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk niet vergunningvrij is, dan moet de bouwaanvraag ook worden getoetst op de vraag of het beoogde gebruik in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 2.3. Dat volgt uit artikel 4.16 in samenhang gelezen met artikel 5.14. Oftewel, een bouwaanvraag voor een vergunningplichtig bouwwerk wordt getoetst aan het gebruiksdoel zoals vastgelegd in dit artikel 2.208. In wezen is dit niet anders dan onder oud recht, waarbij de bouwvergunning wanneer die op grond van de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht nodig was, werd geweigerd wanneer die in strijd was met de geldende bestemming. Vierde lid: Het vierde lid tot slot bepaalt dat gronden en bouwwerken ter plaatse van de functie 'groen' mogen worden gebruikt op een wijze die gelet op de inrichting passend is.

Artikel 2.214 Toepassingsbereik In afdeling 2.3 worden gebruiksdoelen aan locaties gegeven, wordt bepaald welk gebruik daar is toegestaan, en worden regels over het gebruik gegeven. Paragraaf 2.3.16 bevat regels over hoogspanningsverbindingen. Artikel 2.214 bepaalt dat deze paragraaf van toepassing is ter plaatse van de volgende aanduidingen: • gebruiksdoel: bovengrondse hoogspanningsverbinding van tenminste 220 kV • gebruiksdoel: ondergrondse hoogspanningsverbinding van tenminste 220 kV • gebruiksdoel: bovengrondse hoogspanningsverbinding van 110 kV of 150 kV

48

Van ondergrondse hoogspanningsverbindingen met een spanningsniveau van 110 kV en 150 kV wordt de ligging niet in het omgevingsplan wordt gereguleerd. Voor deze verbindingen geldt geen wettelijke regeling voor aanleg en bescherming en er zijn beleidsmatig ook geen aanwijzingen of aanleidingen om dit te regelen. Deze leidingen vallen onder de reikwijdte van artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Dat betekent dat ze niet door middel van het omgevingsplan kunnen worden gereguleerd. Het aanleggen en beschermen van deze leidingen wordt geregeld via de Wior (verordening Werken in de openbare ruimte) en de WIBON (Wet informatieuitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken).

Artikel 2.215 Gebruiksdoel bovengrondse hoogspanningsverbinding met een spanning van ten minste 220 kV Artikel 2.215 bevat regels over het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: bovengrondse hoogspanningsverbinding van ten minste 220kV', en over het daar toegestaan gebruik. In combinatie met artikel 2.3, eerste lid, betekent dit dat een bovengrondse hoogspanningsverbinding van ten minste 220kV op andere locaties niet is toegestaan.

Artikel 2.216 Gebruiksdoel ondergrondse hoogspanningsverbinding met een spanning van ten minste 220 kV Artikel 2.216 bevat regels over het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: ondergrondse hoogspanningsverbinding van ten minste 220kV', en over het daar toegestaan gebruik. In combinatie met artikel 2.3, eerste lid, betekent dit dat een ondergrondse hoogspanningsverbinding van ten minste 220kV op andere locaties niet is toegestaan.

Artikel 2.217 Gebruiksdoel bovengrondse hoogspanningsverbinding met een spanning van 110 kV of 150 kV Artikel 2.217 bevat regels over het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: bovengrondse hoogspanningsverbinding van 110 kV of 150 kV', en over het daar toegestaan gebruik. In combinatie met artikel 2.3, eerste lid, betekent dit dat een bovengrondse hoogspanningsverbinding van 110 kV of 150 kV op andere locaties niet is toegestaan.

Artikel 2.221 Toepassingsbereik en oogmerk In afdeling 2.3 worden gebruiksdoelen aan locaties gegeven, wordt bepaald welk gebruik daar is toegestaan, en worden regels over het gebruik gegeven. Paragraaf 2.3.17 bevat regels over buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Artikel 2.221 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in dit onderdeel. Eerste lid: In het eerste lid is bepaald dat de paragraaf van toepassing is op het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: buisleiding met gevaarlijke stoffen’. De inhoudelijke regels over het binnen dit gebruiksdoel toegestane gebruik volgen in de overige bepalingen. Tweede lid: In het tweede lid is bepaald dat de paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: buisleiding met gevaarlijke stoffen’. Hiermee is het geografisch werkingsgebied van de regels bepaald. Derde lid: In het derde lid wordt het oogmerk van deze paragraaf benoemd, namelijk externe veiligheid. Buisleidingen met gevaarlijke stoffen kunnen voor de omgeving veiligheidsrisico’s opleveren (brand, explosie en, afhankelijk van het stof, giftige wolk). Om hiermee rekening te kunnen houden en de risico’s te kunnen beperken, zijn in deze paragraaf regels opgenomen voor het exploiteren van buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Vierde lid: In het vierde lid wordt bepaald wat onder buisleiding met gevaarlijke stoffen wordt verstaan.

Hierbij is aangesloten bij de werkwijze in de landelijke regelgeving. In bijlage VII, bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarin de risicoactiviteiten worden benoemd, wordt ook een koppeling gelegd met artikel 3.101, eerste lid, onder a tot en met d, van het Besluit activiteiten leefomgeving (zie onderdeel D, onder 2). In het betreffende onderdelen zijn buisleidingen met de volgende stoffen aangewezen: a. aardgas, met een uitwendige diameter van ten minste 50 mm en een druk van ten minste 1.600 kPa; b.

c.

49

andere stoffen dan aardgas, met een uitwendige diameter van ten minste 70 mm of een binnendiameter van ten minste 50 mm en een druk van ten minste 1.600 kPa, als het gaat om gevaarlijke stoffen in de gevarenklasse: 1. ontvlambare gassen, categorie 1 of 2, bedoeld in bijlage I, deel 2, bij de CLP verordening; of 2. ontvlambare vloeistoffen, categorie 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage I, deel 2, bij de CLP verordening; gevaarlijke stoffen in de gevarenklasse acute toxiciteit, categorie 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage I, deel 3, bij de CLP verordening;

d.

kooldioxide, zuurstof of stikstof, met een uitwendige diameter van ten minste 70 mm of een binnendiameter van ten minste 50 mm en een druk van ten minste 1.600 kPa.

Artikel 2.222 Gebruiksdoel van locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: buisleiding met gevaarlijke stoffen' Artikel 2.222 bevat regels over het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: buisleiding met gevaarlijke stoffen’, en over het daar toegestaan gebruik. Het artikel bepaalt dat gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: buisleiding met gevaarlijke stoffen’ als gebruiksdoel buisleiding gevaarlijke stoffen hebben, en dat ze mogen worden gebruikt als tracé van een buisleiding met gevaarlijke stoffen. Daarbij moeten uiteraard de overige regels die op het gebruiksdoel en het gebruik betrekking hebben in acht worden genomen.

Artikel 2.227 Toepassingsbereik Artikel 2.227 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in dit onderdeel. Eerste lid: In het eerste lid is bepaald dat de paragraaf van toepassing is op het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding ‘gebruiksdoel: ambulante handel'. De inhoudelijke regels over het binnen dit gebruiksdoel toegestane gebruik volgen in de overige bepalingen. Tweede lid: In het tweede lid is bepaald dat de paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding ‘gebruiksdoel: ambulante handel'. Hiermee is het geografisch werkingsgebied van de regels bepaald. Het gaat om het maximale werkingsgebied. Voor een aantal regels in deze paragraaf geldt dat het werkingsgebied nader ingeperkt is.

Artikel 2.228 Gebruiksdoel van gronden ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: ambulante handel' Artikel 2.228 bevat regels over het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: ambulante handel', en over het daar toegestaan gebruik. Het artikel bepaalt dat de gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: ambulante handel' als gebruiksdoel ambulante handel hebben, en dat ze mogen worden gebruikt ten behoeve van ambulante handel. Daarbij moeten uiteraard de overige regels die op het gebruiksdoel en het gebruik betrekking hebben in acht worden genomen. In Bijlage I is bepaald dat onder ambulante handel wordt verstaan straathandel, uitgeoefend op een markt of op een staanof ligplaats ambulante handel buiten de markt, niet zijnde venten. Deze omschrijving bevat zelf ook een aantal begrippen die in Bijlage I worden omschreven. Onder een markt wordt verstaan een markt, bedoeld in de Marktverordening. Daarin is bepaald dat het gaat om een door het college aangewezen gedeelte van de openbare weg bestemd voor het uitoefenen van de markthandel door ten minste zeven vergunninghouders.

Onder een staanof ligplaats ambulante handel wordt verstaan een plaats op of aan de openbare weg of het openbaar water buiten een markt, waarop de ambulante handel wordt uitgeoefend.Onder venten wordt verstaan venten, bedoeld in de Verordening staanen ligplaatsen buiten de markt en venten. Daarin is bepaald dat het gaat om het uitoefenen van de ambulante handel, anders dan op een markt-, staanof ligplaats, waarbij niet langer wordt stilgestaan dan voor het bedienen van klanten nodig is. Met de bepalingen in deze paragraaf is aangesloten bij de ‘Marktverordening’ en de ‘Verordening staanen ligplaatsen buiten de markt en venten’. Venten wordt niet in dit onderdeel geregeld, en ook elders wordt dit niet geregeld in het Omgevingsplan Amsterdam, omdat venten de fysieke leefomgeving niet wijzigt. Voor venten is wel een vergunning op grond van de ‘Verordening staanen ligplaatsen buiten de markt en venten’ verplicht.

Artikel 2.229 Maatwerkvoorschriften Artikel 2.229 bepaalt dat ter plaatse van locaties met het gebruiksdoel ambulante handelen door het bevoegd gezag maatwerkvoorschriften vastgesteld kunnen worden over de uitoefening van ambulante handel. Maatwerkvoorschriften kunnen vastgesteld worden ter voorkoming van onaanvaardbare hinder voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Artikel 2.230 Waar markten zijn toegestaan Dit artikel bepaalt waar de te onderscheiden categorieën markten zijn toegestaan.

50

Eerste lid: Het eerste lid bepaalt dat een dagmarkt uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘dagmarkt’. In Bijlage I is bepaald dat onder een dagmarkt wordt verstaan een markt die ten minste vier dagen per week wordt gehouden. Tweede lid: Het tweede lid bepaalt dat een weekmarkt uitsluitend is toegestaan te plaatse van de aanduiding ‘weekmarkt’. In Bijlage I is bepaald dat onder een weekmarkt wordt verstaan een markt die ten hoogste drie dagen per week wordt gehouden. Derde lid: Het derde lid bepaalt dat een periodieke markt uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘periodieke markt’. In Bijlage I is bepaald dat onder een periodieke markt wordt verstaan een markt die gedurende maximaal 26 weken per kalenderjaar wordt gehouden.

Artikel 2.231 Waar staanof ligplaatsen ambulante handel buiten de markt zijn toegestaan Dit artikel bepaalt dat ambulante handel vanaf een staanof ligplaats voor ambulante handel uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘staanof ligplaats ambulante handel buiten de markt’. Zoals in Bijlage I is aangegeven wordt onder een staanof ligplaats ambulante handel verstaan een plaats op of aan de openbare weg of het openbaar water buiten een markt, waarop de ambulante handel wordt uitgeoefend. Handel vanuit een kiosk wordt niet gezien als ambulante handel, maar als detailhandel.

Artikel 2.232 Maximum aantal marktplaatsen, staanof ligplaatsen buiten de markt Dit artikel bevat beperkende regels over het aantal marktplaatsen of staanof ligplaats ambulante handel buiten de markt. Eerste lid: In het eerste lid is bepaald dat ter plaatse van de aanduiding ter plaatse van de aanduiding ‘maximum aantal marktplaatsen’ het maximum aantal marktplaatsen de daar bepaalde waarde is. Deze beperking geldt uitsluitend ter plaatse van de aangegeven aanduiding. In de regel zal deze beperking op de meeste markten niet gelden omdat de locatie waarbinnen de markt mag plaatsvinden middels de aanduiding 'gebruiksdoel: ambulante handel' precies is aangegeven, maar de grootte van de marktplaatsen (stallen) kan variëren. Tweede lid: In het tweede lid is bepaald dat ter plaatse van de aanduiding ‘maximum aantal staanof ligplaatsen ambulante handel’ het maximum aantal staanof ligplaatsen ambulante handel de daar bepaalde waarde is. Deze beperking geldt uitsluitend ter plaatse van de aangegeven aanduiding. Dat zal het geval zijn als de locatie met de aanduiding 'gebruiksdoel: ambulante handel', teneinde flexibiliteit te bieden, ruim bemeten is en het niet in de bedoeling ligt die hele locatie maximaal voor staanof ligplaatsen te benutten.

Artikel 2.236 Toepassingsbereik van de regels over 'volkstuinpark' Artikel 2.236 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in dit onderdeel. Eerste lid: In het eerste lid is bepaald dat de paragraaf van toepassing is op het gebruiksdoel van locaties ter plaatse van de aanduiding ‘gebruiksdoel: volkstuinpark’. De inhoudelijke regels over het binnen dit gebruiksdoel toegestane gebruik volgen in de overige bepalingen. Tweede lid: In het tweede lid is bepaald dat de paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding ‘gebruiksdoel: volkstuinpark'. Hiermee is het geografisch werkingsgebied van de regels bepaald. Het gaat om het maximale werkingsgebied. Voor een aantal regels in deze paragraaf geldt dat het werkingsgebied nader ingeperkt is.

Artikel 2.237 Gebruiksdoel van gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: volkstuinpark' Artikel 2.237 bevat regels over het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: volkstuinpak', en over het daar toegestaan gebruik. Het artikel bepaalt dat de gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding ‘gebruiksdoel: volkstuinpark' als gebruiksdoel volkstuinpark hebben, en dat ze gebruikt mogen worden ten behoeve van een volkstuinpark. Daarbij moeten uiteraard de overige regels die op het gebruiksdoel en het gebruik betrekking hebben in acht worden genomen. Artikel 2.238 Gebruik van een gebouw als

verenigingsgebouw Dit artikel bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding ‘verenigingsgebouw’ een gebouw voor ontmoeting en administratie van de volkstuinvereniging is toegestaan. Zonder nadere horeca-aanduiding en eventuele alcoholwetvergunning is de activiteit horeca niet toegestaan.

Artikel 2.239 Gebruik van een gebouw als gemeenschappelijk gebouw

51

Dit artikel bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding ‘gemeenschappelijk gebouw’ een gebouw is toegestaan voor stalling en opslag van gemeenschappelijke machines en voorraden.

Artikel 2.240 Beperking met betrekking tot overnachten Het eerste lid bepaalt dat overnachten alleen is toegestaan op de eigen volkstuin. Overnachten door anderen dan de huurder van de volkstuin (i.e. het lid van het volkstuinpark) is daarmee niet toegestaan, om bed & breakfast, verhuur aan derden en verhuur als hotelkamer te voorkomen. In het verlengde van het algemene reglement van de Bond van volkstuinders wordt onder overnachten op de eigen volkstuin, naast overnachten door de huurder tevens verstaan overnachten door diens partner, de ouders van de huurder en van de partner, alsmede door de kinderen van de huurder en van de partner. Het tweede lid bepaalt dat overnachten niet is toegestaan waar dit als zodanig is aangeduid. Hierdoor is alleen op de verblijfsrecreatieve volkstuinparken overnachten toegestaan en dus niet op de dagrecreatieve volkstuinparken en op de nutstuinparken.

Artikel 3.1 Toepassingsbereik Artikel 3.1 bepaalt dat de regels in dit hoofdstuk gaan over het gebruik van gronden en bouwwerken.

Artikel 3.2 Meet- en rekenregels Artikel 3.2 bevat meet- en rekenbepalingen die op dit hoofdstuk van toepassing zijn. In diverse onderdelen in dit hoofdstuk worden aanvullend ook nog specifieke, op die onderdelen van toepassing zijnde, meet- en rekenregels gegeven. Eerste lid: Het eerste lid bevat een bepaling van overgangsrechtelijke aard. Bepaald wordt dat ter plaatse van de aanduiding ‘ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen’ de meet- en rekenbepalingen zoals die zijn opgenomen in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing zijn op de ruimtelijke regels in dat ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan. Het werkingsgebied van dit artikel is beperkt tot die gebieden ter plaatse van de aanduiding ‘ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen’. Daarmee wordt ook in de viewer inzichtelijk waar dit artikel van toepassing is, en waar niet. Met het door de tijd heen vervangen en laten vervallen van ruimtelijke plannen, zal dat werkingsgebied, dat eerst heel Amsterdam is, geleidelijk aan steeds kleiner worden.

In bijlage I is opgenomen dat onder het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan wordt verstaan de ruimtelijke besluiten, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, die bij wijze van overgangsrecht als tijdelijk deel onderdeel zijn van dit omgevingsplan, totdat deze bij wijzigingsbesluit voor een locatie zijn komen te vervallen. Het gaat om bestemmingsplannen, wijzigingsplannen, uitwerkingsplannen, exploitatieplannen en dergelijke. Totdat die ruimtelijke besluiten zijn komen te vervallen, gelden de daarin opgenomen regels. Die ruimtelijke besluiten bevatten eveneens regels over gebruik en ook daarop van toepassing zijnde meet- en rekenvoorschriften. Het eerste lid bepaalt dat zolang die regels nog niet zijn komen te vervallen, de daarin opgenomen meet en rekenregels van toepassing zijn op de daarin opgenomen regels over gebruik. Tweede lid : Het eerste lid bevat een regel over het bepalen van de bruto-vloeroppervlakte. Bij het toekennen van een maximum programma voor een bepaalde vorm van gebruik wordt gebruik gemaakt van bruto-vloeroppervlakte. Daarmee wordt aangesloten op het Besluit bouwwerken leefomgeving. Op grond van de in het Besluit bouwwerken leefomgeving opgenomen begripsbepaling, die op grond van artikel 1.1 ook van toepassing is op dit omgevingsplan, wordt onder bruto-vloeroppervlakte verstaan bruto-vloeroppervlakte als bedoeld in NEN 2580.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14509256/1