CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 14 De algemene toelichting bij de regeling zonder renvooi.pdf

RAAD 18 september 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam: Basisregeling. (VN2024-007101)67.966 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 7 van 8

Het gebruik van een dergelijke locatie is gevoelig voor risico’s als gevolg van blootstelling aan een aanwezige bodemverontreiniging. Onder de aanduiding bodemgevoelige locatie valt eveneens de direct aan dat gebouw grenzende tuin of het grenzend terrein op hetzelfde perceel. Zeker bij een huis met tuin kunnen gezondheidsrisico’s optreden als de bodem van de tuin verontreinigd is. Een tuin of perceel kan ook grenzen aan een drijvend bouwwerk of een woonwagen. Onder de aanduiding bodemgevoelige locatie vallen niet gebouwen waarin personen korter dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn (bijvoorbeeld gebouwen voor de opslag van materialen en goederen), bouwwerken geen gebouw zijnde (bijvoorbeeld een brug) en bouwwerken die de grond niet raken (zoals een extra verdieping toevoegen). Ook worden bijgebouwen < dan 50 m2 niet als bodemgevoelig aangemerkt. Bij dit soort gebouwen is het gezondheidsrisico dat voortvloeit uit de bouwactiviteit verwaarloosbaar.

9.2.8.2 Toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie Paragraaf 5.1.4.5.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels over het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. Met onderdeel 4.2.4.4 van de planregels wordt uitvoering gegeven aan de daarin opgenomen instructieregels. In dat onderdeel zijn beoordelingsregels opgenomen met betrekking tot aanvragen om een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken. In de artikelgewijze toelichting bij de artikelen in dat onderdeel wordt uitgebreid ingegaan op de wijze waarop aan de instructieregels uitvoering is gegeven. Kortheidshalve wordt daarnaar verwezen.

9.2.8.3 Nazorg Paragraaf 5.1.4.5.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat een instructieregel over nazorg. Als een sanering van de bodem is uitgevoerd door het aanbrengen van een afdeklaag (een leeflaag van schone grond of een duurzaam aaneengesloten verhardingslaag) om blootstelling te voorkomen, dan is het voor de bescherming van de gezondheid van belang dat die afdeklaag in stand blijft. Door een bedoelde of onbedoelde handeling kan het resultaat van deze bodemsanering namelijk ongedaan worden gemaakt. Deze instructieregel zorgt ervoor dat het omgevingsplan regels bevat die de instandhouding, het onderhoud en het zo nodig vervangen van de afdeklaag en andere maatregelen die de blootstellingsroute blokkeren, garanderen. Het omgevingsplan geeft ook aan op welke manier en binnen welke termijn de maatregelen in stand moeten worden gehouden. De instructieregel voorziet in een harde, dwingende doorwerking. De gemeente moet bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het beschermen van de gezondheid, zich aan deze instructieregel houden.

De regels in het omgevingsplan hebben de vorm van een algemene regel, dat de eigenaar of erfpachter verplicht om een afdeklaag in stand te houden, te onderhouden of te vervangen, als het saneren van de bodem door middel van een afdeklaag heeft plaatsgevonden op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift.

74

Aan paragraaf 5.1.4.5.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt uitvoering gegeven met onderdeel 9.4.5.1 van het omgevingsplan.

9.2.8.4 Aanwijzing bodembeheergebieden en indeling landbodem in bodemfunctieklassen Paragraaf 5.1.4.5.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels over de aanwijzing bodembeheergebieden en indeling landbodem in bodemfunctieklassen. In het Besluit activiteiten leefomgeving worden kwaliteitseisen gesteld aan grond, baggerspecie en (vermengde) mijnsteen die worden toegepast. Met maatwerkregels of maatwerkvoorschriften kan van deze kwaliteitseisen worden afgeweken. Daarbij is als voorwaarde bij het toepassen van grond, baggerspecie of (vermengde) opgenomen mijnsteen van een mindere kwaliteit dan in het Besluit activiteiten leefomgeving voorgeschreven dat het toe te passen materiaal afkomstig is uit een aangewezen bodembeheergebied. In een omgevingsplan kan een bodembeheergebied worden aangewezen. Er kunnen een of meer gebieden worden aangewezen. Daarnaast hoeft één bodembeheergebied niet te bestaan uit een aaneengesloten geheel. Een bodembeheergebied is niet aan de grenzen van de gemeente gebonden. Een gemeente kan een groter gebied aanwijzen waaruit grond, baggerspecie of (vermengde) mijnsteen afkomstig mag zijn. Als een groter gebied dan de eigen gemeente wordt aangewezen waaruit de grond, baggerspecie of (vermengde) mijnsteen afkomstig mag zijn, dan betekent dit niet dat dit materiaal zondermeer ook buiten de grenzen van de gemeente mag worden toegepast.

Een bodembeheergebied wordt in het omgevingsplan vastgelegd. Het gaat om de geometrische begrenzing. Het is aan de gemeente te bepalen hoe dit wordt vastgelegd, bijvoorbeeld door de grenzen op een kaart vast te leggen. Aan paragraaf 5.1.4.5.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt als volgt uitvoering gegeven. In de Nota Bodembeheer Amsterdam is de bodemfunctieklassenkaart opgenomen, en is een bodembeheergebied aangewezen als onderdeel van het gebiedsspecifiek toetsingskader Besluit bodemkwaliteit. De bodemfunctieklassenkaart en het gebiedsspecifiek toetsingskader maken onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan (gelet op artikel 22.1, aanhef en onder b van de Omgevingswet). Op termijn wordt de kaart en het toetsingskader overgezet naar het nieuwe deel van het omgevingsplan. Hiervoor zijn de onderdelen 9.4.3 en 9.4.4 gereserveerd in het omgevingsplan.

9.2.9 Geur Paragraaf 5.1.4.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels met betrekking tot geur. De instructieregel houdt in dat in een omgevingsplan wordt rekening gehouden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen en dat een omgevingsplan erin moet voorzien dat de geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Bij geurgevoelige gebouwen gaat het om (delen van) gebouwen die bestaan uit de volgende gebruiksfunctie: een woonfunctie, waaronder de gebruiksfuncties drijvende woonfunctie en woonwagen vallen, een onderwijsfunctie, een gezondheidzorgfunctie met bedgebied en een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied. Een gebouw met een andere functie dan de genoemde functies, is geen geurgevoelig gebouw. Wel kan de gemeenteraad in het omgevingsplan in aanvulling op deze omschrijving van geurgevoelige gebouwen andere geurgevoelige gebouwen aanwijzen. Het moet wel gaan om een gebouw waar hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen. Voor een meer uitgebreide toelichting op de instructieregels dan hieronder gegeven, wordt verwezen naar paragraaf 8.1.6.6 van de Nota van Toelichting bij het Besluit kwaliteit leefomgeving (Staatsblad 2018, 292). De meeste geurstoffen zijn al te ruiken bij heel lage hoeveelheden. Veel geurstoffen zijn op zichzelf niet schadelijk voor de gezondheid.

Wel kunnen geuren verschillende nadelige effecten oproepen, zoals (ernstige) hinder, en ze kunnen het algemene dagelijkse leven beïnvloeden. Blootstelling aan geur, zeker bij herhaling, kan ook stressgerelateerde gezondheidseffecten oproepen, waarbij te denken is aan hoofdpijn, duizeligheid, misselijkheid en vermoeidheid. Er bestaan geen algemeen wetenschappelijk geaccepteerde gezondheidskundige normen voor geur. Daardoor is het niet eenvoudig om te bepalen hoeveel geur vanuit gezondheidskundig oogpunt aanvaardbaar is: er zijn op dit moment geen objectieve gezondheidskundige normen vast te stellen die aangeven wat het basisbeschermingsniveau zou moeten zijn. Een situatie wordt gezondheidskundig als goed beschouwd, als er geen of geen ernstige hinder is. Onder geurbelasting (of «immissie») wordt verstaan de concentratie van geur in de lucht. De concentratie kan gemeten of berekend worden. De afstand tussen geuremitterende activiteiten en geurgevoelige gebouwen is daarbij van grote invloed. In het algemeen wordt geurhinder voor de mensen die gebruik maken van geurgevoelige gebouwen voornamelijk veroorzaakt door vier te onderscheiden bronsoorten: • activiteiten van bedrijven (bijvoorbeeld industrie, horeca, afvalwaterzuivering of veehouderijen); • wonen (bijvoorbeeld houtstook of barbecue); • weg-, vliegen waterverkeer; • overige activiteiten (bijvoorbeeld riool of bodemsanering).

75

Bij het stellen van regels in een omgevingsplan met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties speelt de geurbelasting een rol bij verschillende situaties: • de toedeling van functies die geuremitterende activiteiten mogelijk maken in de nabijheid van (bestaande of geplande) geurgevoelige gebouwen; • de toedeling van functies die geurgevoelige gebouwen mogelijk maken in de nabijheid van (bestaande of geplande) geuremitterende activiteiten. Geurbelastende activiteiten De instructieregels zien op de regels in het omgevingsplan die zorgen voor de toedeling van functies die geurbelastende activiteiten en/of geurgevoelige gebouwen in elkaars nabijheid mogelijk maken. Geur van activiteiten waarover met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties geen regels gesteld kunnen worden valt dus buiten de reikwijdte van de instructieregels. De instructieregel ziet niet op de geur afkomstig van wonen. Dit wordt net als onder het voorheen geldende recht overgelaten aan het eigen inzicht van de gemeente. De gemeente kan uit eigen beweging wel regels stellen in het omgevingsplan over de geurbelasting van activiteiten in of bij de woning. De instructieregels gaan wel over de geur van een bedrijf dat vanuit een woning wordt uitgevoerd, of over hobbymatige activiteiten als die het niveau overstijgen dat tot woongedrag behoort.

Subparagraaf 5.1.4.6.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat de algemene instructieregel over de geurbelasting. Deze dient ter opvolging van de algemene regel in artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit milieubeheer. In lijn met de voorheen bestaande regelgeving normeert het Rijk alleen de geuremissie van drie typen geurbronnen: zuiveringtechnische werken, het houden van landbouwhuisdieren en enkele andere agrarische activiteiten. Voor andere geurbronsoorten, bijvoorbeeld petrochemie, koffiebranderijen, suikerraffinage, grasdroogbedrijven, bestonden geen generieke immissienormen of te hanteren afstanden. In het Besluit kwaliteit leefomgeving worden deze ook niet gesteld. Wel zal bij vaststellen van een omgevingsplan – ter uitvoering van de algemene instructieregel over geur in artikel 5.92 van het Besluit kwaliteit leefomgeving – rekening gehouden moeten worden met de geurbelasting als gevolg van dergelijke activiteiten op geurgevoelige gebouwen en zal de geurbelasting van die activiteiten aanvaardbaar moeten zijn. Geurgevoelige gebouwen De instructieregels over geur in dit besluit hebben betrekking op de geurbelasting op geurgevoelige gebouwen. De instructieregels vereisen in ieder geval bescherming van deze gebouwen. Daarnaast kan de gemeente zelf bepalen welke gebouwen zij ook als geurgevoelig aanwijst.

In artikel 9.84 is bepaald wat in dit omgevingsplan onder een geurgevoelig gebouw wordt verstaan. In aanvulling op de door de instructieregels reeds beschermde objecten worden ook als geurgevoelig aangewezen andere gebouwen die geschikt zijn voor menselijk verblijf en daadwerkelijk zodanig worden gebruikt. Hiermee wordt aangesloten bij de definitie van geurgevoelig object zoals dat op het voorheen geldend recht gold. De toedeling van functies die geuremitterende activiteiten mogelijk maken in de nabijheid van (bestaande of geplande) geurgevoelige gebouwen Ten aanzien van de activiteiten met geurnormen (immissienormen of afstanden) wordt aan de instructieregels toepassing gegeven door middel van regels in onderdeel 9.2.3.1 dan wel onderdeel 22.3.6. Voor activiteiten met voedingsmiddelen (niet-industriële bereiding van voedingsmiddelen, voedingsmiddelenindustrie, het slachten van dieren en bewerken van dierlijke bijproducten of uitsnijden van vlees, vis of organen) zijn in onderdeel 9.2.3.3 regels gesteld (verbod om geurhinder te veroorzaken dan wel het treffen van verplichte maatregelen). Voor overige activiteiten geldt een zorgplicht (artikel 9.4 en 9.12) om geurhinder zo veel mogelijk te voorkomen dan wel beperken.

Bij het wijzigen van een omgevingsplan waarmee geuremitterende activiteiten worden toegelaten wordt beoordeeld of deze regels afdoende zijn om een aanvaardbaar geurklimaat te borgen. Hierbij kan onder meer gebruik gemaakt worden van de richtafstanden die in de voormalige handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ waren opgenomen voor geur. Indien nodig, kunnen (generieke of locatiegerichte) regels worden toegevoegd aan het omgevingsplan of er kan een maatwerkvoorschrift genomen worden op grond van artikel 9.5. De toedeling van functies die geurgevoelige gebouwen mogelijk maken in de nabijheid van (bestaande of geplande) geuremitterende activiteiten.

76

Bij het wijzigen van een omgevingsplan waarmee geuremitterende activiteiten worden toegelaten wordt beoordeeld of er sprake is van een aanvaardbaar geurklimaat. Indien activiteiten met geurnormen in de nabijheid zijn wordt beoordeeld of die activiteiten kunnen voldoen aan de regels die zijn gesteld in onderdeel 9.2.3.1 dan wel onderdeel 22.3.6. Ten aanzien van overige geuremitterende activiteiten wordt beoordeeld of er gevolgen zijn voor de bedrijfsvoering. Hierbij kan onder meer gebruik gemaakt worden van de richtafstanden die in de voormalige handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ waren opgenomen voor geur. Indien nodig, kunnen (generieke of locatiegerichte) regels worden toegevoegd aan het omgevingsplan of er kan een maatwerkvoorschrift genomen worden op grond van artikel 9.5. Bebouwingscontour geur Artikel 5.97 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt dat een omgevingsplan dat regels bevat op grond van subparagraaf 5.1.4.6.2 (geur door het exploiteren van zuiveringtechnische werken), 5.1.4.6.3 (geur door het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf) of5.1.4.6.4 (geur door andere agrarische activiteiten) van het Besluit kwaliteit leefomgeving, een of meer bebouwingscontouren geur aanwijst. Artikel 9.13 is hiervoor gereserveerd.

Artikel 12.14 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt dat zolang in het omgevingsplan geen bebouwingscontour geur als bedoeld in artikel 5.97 is aangewezen, de bebouwde kom als bebouwingscontour geur geldt.

9.2.10 Ladder voor duurzame verstedelijking Paragraaf 5.1.5.4 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels over de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking. Artikel 5.129g regelt dat in het geval in het omgevingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt, rekening moet worden gehouden met de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling (laddertoets). Voor een meer uitgebreide toelichting op de instructieregels dan hieronder gegeven, wordt verwezen naar paragraaf 4.3 van de Nota van Toelichting bij het Invoeringsbesluit Omgevingsrecht (Staatsblad 2020, 400). In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten als nationaal belang opgenomen (nationaal belang 13). De SVIR vermeldt: 'Vraaggericht programmeren en realiseren van verstedelijking door provincies, gemeenten en marktpartijen is nodig om groei te faciliteren, te anticiperen op stagnatie en krimpregio’s leefbaar te houden. Ook dient de ruimte zorgvuldig te worden benut en overprogrammering te worden voorkomen.' Om beide te bereiken is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) opgenomen. De instructieregel brengt een motiveringsplicht mee.

In beginsel geldt die motiveringsplicht voor een besluit tot wijziging van het omgevingsplan waarmee een 'ladderplichtige' ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. De gemeenteraad kan er uit een oogpunt van fasering van onderzoek voor kiezen de toepassing van de ladder door te schuiven, maar hoeft dit niet te doen. Doorschuiven van de laddertoets kan aan de orde zijn wanneer in een omgevingsplan een bebouwingmogelijkheid wordt opgenomen die is toegelaten via een omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsactiviteit. Hoewel in het omgevingsplan in een dergelijke vergunningplicht wordt voorzien, in de vorm van een vergunningplicht voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken, is ervan afgezien de motiveringsplicht door te schuiven. Er is dan ook geen beoordelingsregel met betrekking tot de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen. Motivering vindt plaats bij elk afzonderlijk besluit tot wijziging van het omgevingsplan, waarmee een 'ladderplichtige' ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. Waar nodig worden voor de betreffende ontwikkeling regels gesteld, bijvoorbeeld over de omvang van gebruik.

9.2.11 Cultureel erfgoed en werelderfgoed 9.2.11.1 Algemeen Paragraaf 5.1.5.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels met betrekking tot cultureel erfgoed en werelderfgoed. Artikel 5.130 bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Met het oog op het belang van het behoud van cultureel erfgoed worden in een omgevingsplan in ieder geval regels gesteld ter bescherming van daarvoor in aanmerking komend cultureel erfgoed. Voor een meer uitgebreide toelichting op de instructieregels dan hieronder gegeven, wordt verwezen naar paragraaf 8.1.7.5 van de Nota van Toelichting bij het Besluit kwaliteit leefomgeving (Staatsblad 2018, 292). De instructieregels houden met name verband met de verplichtingen uit het verdrag van Granada, het verdrag van Valletta en het werelderfgoedverdrag. De verplichtingen hebben betrekking op bekende of aantoonbaar te

77

verwachten overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden en de terreinen waarin of waarop deze zich bevinden (archeologische monumenten) en andere door de mens tot stand gebrachte of in wisselwerking tussen de mens en omgeving ontstane objecten, ensembles, patronen en structuren (gebouwde en aangelegde monumenten, stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen), die onderdeel uitmaken van onze fysieke leefomgeving en een beeld geven van een historische situatie of ontwikkeling. Het doel van de instructieregel is om in een vroeg stadium inzicht te verschaffen in het in het desbetreffende gebied aanwezige cultureel erfgoed en dit voldoende te beschermen. Het belang moet, naast andere belangen, uitdrukkelijk worden meegewogen bij het vaststellen van omgevingsplannen. Dat betekent dat het bevoegd gezag een analyse moet maken van het aanwezige cultureel erfgoed en de conclusies daarvan moet vertalen in het omgevingsplan. Het bevoegd gezag moet daartoe een toereikend beschermingsregime instellen. Het rekening houden met cultureel erfgoed vertaalt zich over het algemeen in regels in het omgevingsplan, die ertoe kunnen leiden dat bepaalde activiteiten in het geheel niet kunnen plaatsvinden of dat activiteiten slechts onder beperkingen kunnen plaatsvinden.

Die beperkingen kunnen in de vorm van voorschriften aan een in het omgevingsplan opgenomen omgevingsvergunning worden verbonden.

9.2.11.2 Monumenten Artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving regelt dat in een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met het belang van het behoud van onder meer monumenten, zoals (bouw)werken, tuinen en parken en archeologische monumenten. In hoofdstuk 10 van de planregeling is ter uitvoering van deze instructieregel voor monumenten een beschermende regeling opgenomen. Gemeentelijke monumenten Afdeling 10.1 heeft betrekking op gemeentelijke monumenten die als zodanig zijn aangewezen. Binnen de Amsterdamse werkwijze worden archeologische monumenten niet als gemeentelijk monument aangewezen. Gemeentelijke archeologische monumenten vallen dus niet onder de beschermende regeling van afdeling 10.1. Voor bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten is aan aparte regeling opgenomen in afdeling 6.2 van de planregeling. Meer daarover in paragraaf 9.2.11.4 van deze toelichting. De regeling voor gemeentelijke monumenten voorziet in beschermingsregels voor gemeentelijke monumenten. Dit geldt voor zowel bestaande gemeentelijke monumenten als nieuw aan te wijzen gemeentelijke monumenten. Nieuwe gemeentelijke monumenten zullen worden aangewezen door middels een wijziging van het omgevingsplan aan de betreffende locatie de aanduiding 'gemeentelijk monument' te geven.

Vervolgens geldt er onder meer een specifieke zorgplicht om beschadiging of vernieling te voorkomen, en een vergunningplicht voor bepaalde activiteiten in, aan op of bij het gemeentelijk monument. Die regels gelden ook voor bestaande, bij beschikking aangewezen gemeentelijke monumenten. Op termijn zullen ook die bestaande gemeentelijke monumenten met een locatieaanduiding in het omgevingsplan worden aangewezen. Voor een meer inhoudelijke toelichting op de wijze waarop gemeentelijke monumenten worden beschermd (en dus aan artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving uitvoering wordt gegeven) wordt verwezen naar paragraaf 11.10 van de algemene toelichting, en naar de artikelgewijze toelichting bij afdeling 10.1 van de planregeling. Provinciale monumenten Over provinciale monumenten bevat de provinciale omgevingsverordening instructieregels voor omgevingsplannen. Met de regels over provinciale monumenten wordt uitvoering gegeven aan een instructieregel in de provinciale omgevingsverordening. Meer daarover in paragraaf 9.3.7 van deze toelichting. Rijksmonumenten Met betrekking tot rijksmonumenten bevat het omgevingsplan geen regels. De regulering van rijksmonumenten is op rijksniveau geregeld. Zo bevat artikel 5.1, eerste lid, onder b, van de Omgevingswet, de vergunningplicht voor het verrichten van een rijksmonumentenactiviteit.

Daaronder wordt verstaan een activiteit inhoudende het slopen, verstoren, verplaatsen of wijzigen van een rijksmonument of een voorbeschermd rijksmonument of het herstellen of gebruiken daarvan waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. De Omgevingswet bevat verder aanvullende regels over bijvoorbeeld de beoordeling van vergunningaanvragen, die verder uitgewerkt zijn in Algemene maatregel van bestuur (zie onder andere artikel 5.22 Omgevingswet). Nadere regels (waaronder een algemene zorgplicht en beoordelingsregels) zijn opgenomen in hoofdstuk 13 van het Besluit activiteiten leefomgeving. De bescherming van rijksmonumenten is daarmee uitputtend op rijksniveau geregeld. Wel is het bevorderen van het gebruik van monumenten ook van toepassing op rijksmonumenten.

78

Bevordering gebruik van monumenten Artikel 5.130, tweede lid, onderdeel c, bepaalt dat bij het stellen van regels in het omgevingsplan rekening wordt gehouden met het bevorderen van het gebruik van monumenten, zo nodig door wijziging van die monumenten, rekening houdend met de monumentale waarden. Deze bepaling omvat het beginsel dat het gebruik van gebouwd cultureel erfgoed kan bijdragen aan de instandhouding ervan – leegstand betekent op termijn verval. Eventuele wijzigingen voor hedendaags gebruik en herbestemming dienen daarbij met respect voor de monumentale waarden plaats te vinden. Dit onderdeel implementeert artikel 11 van het verdrag van Granada. Deze instructieregel heeft betrekking op zowel gemeentelijke, provinciale als rijksmonumenten. Aan deze regel wordt uitvoering gegeven bij besluiten tot wijziging van het omgevingsplan die betrekking hebben op het gebruik van de betreffende gronden en bouwwerken. Voorkomen van aantasting van de omgeving van monumenten Artikel 5.130, tweede lid, onderdeel d, onder 1, bepaalt dat bij het stellen van regels in het omgevingsplan rekening wordt gehouden met het voorkomen van aantasting van de omgeving van rijksmonumenten, voorbeschermde rijksmonumenten en monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, voor zover die monumenten door die aantasting worden ontsierd of beschadigd.

De instructieregel vraagt gemeenten om in het omgevingsplan regels te stellen om aantasting van de omgeving van (voor)beschermde monumenten te voorkomen. Het gaat bij dit onderdeel niet zozeer om het voorkomen van de aantasting van de omgeving op zich, maar om een aantasting van de omgeving van een (voor)beschermd monument die dat monument ontsiert of beschadigt. Het verrichten van activiteiten of de aanwezigheid van een (bouw)werk in de omgeving van een monument kan bijvoorbeeld het aanzicht en de waardering van dat monument negatief beïnvloeden. Daarnaast kan de omgeving van een monument ook van invloed zijn op de instandhouding of het functioneren van een monument. Deze instructieregel heeft betrekking op zowel gemeentelijke, provinciale als rijksmonumenten. De afweging welke regels te stellen kan niet in zijn algemeenheid worden gemaakt, maar vindt plaats in het kader van afzonderlijke wijzigingsbesluiten waarbij bijvoorbeeld bebouwingsactiviteiten worden toegestaan. Aan deze regel wordt uitvoering gegeven bij besluiten tot wijziging van het omgevingsplan waarmee bebouwing in de omgeving van monumenten wordt mogelijk gemaakt.

9.2.11.3 Beschermd stads- en dorpsgezicht Artikel 5.130, tweede lid, onderdeel d, onder 2, bepaalt dat bij het stellen van regels in het omgevingsplan rekening wordt gehouden met het karakter van in het omgevingsplan beschermde stads- of dorpsgezichten of beschermde cultuurlandschappen door de sloop van bestaande gebouwen, de bouw van nieuwe gebouwen of andere belangrijke veranderingen. Aan deze instructieregel wordt op verschillende wijzen uitvoering gegeven. Allereerst bevat paragraaf 4.3.1 een regeling met betrekking tot sloopactiviteiten ter plaatse van beschermd stadsen dorpsgezicht. Uitgangspunt van de regeling is een sloopverbod behoudens vergunning. Aan de vergunningplicht is een beoordelingsregel gekoppeld, die borgt dat een belangenafweging plaatsvindt. Voor een meer inhoudelijke toelichting op de regeling zelf wordt kortheidshalve verwezen naar de paragraaf 11.4.3.1 van deze toelichting en naar artikelgewijze toelichting bij de betreffende artikelen. Daarnaast bevat afdeling 6.6 een regeling met betrekking tot bepaalde aanlegactiviteiten ter plaatse van beschermd stads- en dorpsgezicht. Uitgangspunt van de regeling is voor de specifiek aangegeven activiteiten een verbod behoudens vergunning. Aan de vergunningplicht is een beoordelingsregel gekoppeld, die borgt dat een belangenafweging plaatsvindt.

Voor een meer inhoudelijke toelichting op de regeling zelf wordt kortheidshalve verwezen naar de paragraaf 11.6.6 van deze toelichting en naar artikelgewijze toelichting bij de betreffende artikelen. Tot slot wordt uitvoering gegeven aan deze instructieregel met de regels over bouwwerken, opgenomen in hoofdstuk 5. Daar wordt bepaald waar bouwwerken mogen komen, en waar niet. Dat wordt niet ineens voor heel Amsterdam bepaald, maar wordt gebied voor gebied bepaald bij afzonderlijke wijzigingsbesluiten. Daar waar een wijzigingsbesluit voorziet in het toestaan van nieuwe bouwwerken, en dat wijzigingsbesluit heeft betrekking op beschermd stads- of dorpsgezicht, dan zal bij dat afzonderlijke wijzigingsbesluit uitvoering worden gegeven aan deze instructieregel. Daarbij geldt dat artikel 5.8, dat voor heel Amsterdam bepaalde bouwwerken generiek toestaat, niet van toepassing is ter plaatse van een beschermd stads- en dorpsgezicht (artikel 5.9). Een ook de regeling vergunningvrije bouwwerken, zoals opgenomen in artikel 4.12, blijft deel buiten toepassing ter plaatse van beschermd stads- en dorpsgezicht (artikel 4.13). Daarbij wordt (waar dat onder de voorheen geldende Wet

79

algemene bepalingen omgevingsrecht en het Besluit omgevingsrecht wel het geval was) niet langer onderscheid gemaakt tussen rijksbeschermde gezichten en gemeentelijk beschermde gezichten.

9.2.11.4 Archeologische verwachtingsgebieden en archeologische monumenten Artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving regelt dat in een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met het belang van het behoud van archeologische monumenten. Daarbij geldt het beginsel tot conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in de bodem. Het gaat om de fysieke bescherming van de archeologische monumenten. Het streven naar behoud van de archeologische monumenten in de bodem, oftewel behoud in situ, heeft als doel om het bodemarchief als bron van kennis van ons verleden en van cultuurbeleving beschikbaar te houden voor komende generaties. Behoud ex situ – dat wil zeggen behoud van de archeologische vondst in een depot, samen met de opgravingsdocumentatie en het opgravingsrapport – is aan de orde als het niet mogelijk blijkt om archeologische monumenten in situ te behouden of als er andere belangen zwaarder wegen. De informatiewaarde van het archeologisch monument kan dan worden veiliggesteld door een opgraving. In afdeling 6.2 is ter uitvoering van deze instructieregel voor bekende en aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten een beschermende regeling opgenomen.

Uitgangspunt van de regeling is een verbod behoudens vergunning voor de uitoefening van bepaalde bodemverstorende activiteiten binnen gebieden waarvan bekend is of verwacht wordt dat sprake is van een archeologische vindplaats. Aan de vergunningplicht is een beoordelingsregel gekoppeld, die borgt dat een belangenafweging plaatsvindt. Voor een meer inhoudelijke toelichting op de regeling zelf wordt kortheidshalve verwezen naar de paragraaf 11.6.2 van deze toelichting en naar artikelgewijze toelichting bij de betreffende artikelen.

9.2.11.5 Werelderfgoed Artikel 5.131 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat de instructieregel dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van de uitzonderlijke universele waarde van werelderfgoed. De verplichting om rekening houden te houden met het behoud van werelderfgoed komt voort uit het werelderfgoedverdrag. Deze instructieregel is een vangnetbepaling die het belang van het werelderfgoed nogmaals expliciet benadrukt. Omdat de bescherming van werelderfgoed plaatsvindt door de aanwijzing als beschermd monument (op rijks-, provinciaal of gemeentelijk niveau), als beschermd stads- of dorpsgezicht of anders door het stellen van regels in het omgevingsplan, is het behoud van het werelderfgoed ook het onderwerp van regeling van de (instructie)regels over het behoud van cultureel erfgoed in algemene zin en over rijksmonumenten. Bij besluiten tot wijziging van het omgevingsplan, waarbij activiteiten worden toegestaan die gevolgen kunnen hebben voor waarde van werelderfgoed, dient reklening te worden gehouden met dat belang.

9.2.12 Behoud van ruimte voor toekomstige functies 9.2.12.1 Algemeen Paragraaf 5.1.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels over het behoud van ruimte voor toekomstige functies. De paragraaf bevat instructieregels met betrekking tot aangewezen reserveringsgebieden. Voor een meer uitgebreide toelichting op de instructieregels dan hieronder gegeven, wordt verwezen naar paragraaf 8.1.8 en de artikelgewijze toelichting van de Nota van Toelichting bij het Besluit kwaliteit leefomgeving (Staatsblad 2018, 292). Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties vereist in bepaalde gevallen dat gebieden worden vrijgehouden voor toekomstige ontwikkelingen die alleen op bepaalde locaties kunnen plaatsvinden. Het Besluit kwaliteit leefomgeving kent in navolging van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) een aantal reserveringsgebieden, waar vanwege de voorzienbare toekomstige aanleg van werken of objecten regels gelden over activiteiten die een dergelijke aanleg zouden bemoeilijken. Het gaat om gebiedsreserveringen voor de lange termijn voor de grote rivieren, gebieden rond autowegen, autosnelwegen en hoofdspoorwegen, gebieden voor de aanleg van buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, ruimte voor de Parallelle Kaagbaan en de reservering van de Tweede Maasvlakte voor deep sea gebonden activiteiten.

Door reserveringsgebieden aan te wijzen voor de uitbreiding of aanleg van hoofdinfrastructuur is verzekerd dat in die gebieden geen nieuwe ontwikkelingen plaatsvinden die een belemmering vormen voor de uitbreiding of aanleg van de infrastructuur. Hiermee wordt vooraf duidelijkheid gegeven over enerzijds het gebied dat benodigd is voor de voorziene infrastructuur en anderzijds over de ontwikkelingen die met het oog daarop niet gewenst zijn. Dat voorkomt dat er in een gebied activiteiten worden toegelaten waarvan voorzienbaar is dat deze niet verricht kunnen worden of dat bouwwerken worden gebouwd die op korte termijn weer moeten verdwijnen. Dat zou niet alleen nadelig zijn voor de initiatiefnemer, maar kan ook leiden tot vertraging van en oplopende kosten voor de beoogde infrastructuur.

80

De reserveringsgebieden zijn aangewezen in de Omgevingsregeling. Binnen Amsterdam zijn alleen reserveringsgebieden aangewezen voor de uitbreiding of aanleg van een autoweg of autosnelweg.

9.2.12.2 Autowegen, autosnelwegen en hoofdspoorwegen Artikel 5.134 van het Besluit kwaliteit bepaalt dat voor zover een omgevingsplan van toepassing is op een reserveringsgebied voor de uitbreiding of aanleg van een autoweg, autosnelweg of hoofdspoorweg, het omgevingsplan geen bouwactiviteiten toelaat, met uitzondering van een bouwactiviteit die betrekking heeft op een bouwwerk dat wordt toegelaten voor een periode van ten hoogste vijf jaar. Artikel 5.132 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt dat dit niet van toepassing is voor zover activiteiten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit al rechtmatig op een locatie worden verricht of zijn toegestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van die bepalingen. Het verbod op het toelaten van nieuwe bouwactiviteiten heeft gelet op artikel 5.132 van het Besluit kwaliteit leefomgeving geen betrekking op die bouwwerken die onder de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht vergunningvrij waren, en evenmin op bouwwerken die op grond van het ruimtelijk plan, zoals dat gold op het moment van inwerkingtreding van de desbetreffende bepalingen van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Ten opzichte van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening is het verbod op het toelaten van nieuwe bouwactiviteiten uitgebreid tot alle bouwactiviteiten, waar dit verbod voorheen was beperkt tot het bouwen van bouwwerken waarvoor een toenmalige omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht was vereist. Deze wijziging houdt verband met de voorgenomen wijziging van de vergunningplicht voor de bouwactiviteit op grond van het omgevingsplan. Gemeenten kunnen zelf bepalen in hoeverre voor bouwactiviteiten een vergunningplicht moet gelden. De reserveringsgebieden voor de uitbreiding of aanleg van een autoweg, autosnelweg of hoofdspoorweg zijn de locaties, die in de Omgevingsregeling zijn aangewezen en waarvan de geometrische begrenzing in die regeling is vastgelegd. De volgende reserveringsgebieden zijn binnen Amsterdam relevant: Geometrische begrenzing reserveringsgebieden voor de uitbreiding van een autoweg of autosnelweg

Bijlage III Omgevingsregeling

Met de Omgevingsregeling wordt binnen Amsterdam langs de oostelijke ring A10 een reserveringsgebied voor de uitbreiding van een autoweg of autosnelweg aangewezen. De instructieregel is hierop van toepassing. Hieraan wordt als volgt uitvoering gegeven. Een omgevingsplanactiviteit bouwwerken is (vergunningvrij of niet) alleen toegestaan als die niet in strijd is met de in hoofdstuk 5 gestelde regels over bouwwerken. Met de regels in die afdeling wordt bepaald waar bouwwerken zijn toegestaan. Met uitzondering van afdeling 5.3 en afdeling 5.4 geldt dat hoofdstuk niet waar het onder oud recht vastgestelde ruimtelijk plan (bestemmingsplannen en dergelijke) nog niet is vervangen. Bij het vervangen van dat nog geldende ruimtelijk plan moet voor het betreffende gebied worden bekeken op welke wijze uitvoering moet worden gegeven aan de instructieregels. Dat kan bijvoorbeeld betekenen dat er beperkingen moeten gaan gelden voor het toelaten van bouwwerken geen gebouw zijnde, die op grond van artikel 5.36, eerste lid, elders wel zijn toegestaan. Maar dat is afhankelijk van de ruimte die het te vervangen ruimtelijk plan biedt. Want als ook dat onder

81

oud recht vastgestelde ruimtelijke plan dergelijke bouwwerken toestond, is sprake van een bouwactiviteit die al rechtmatig kon worden verricht of was toegestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van die bepalingen Voor wat betreft afdeling 5.3 geldt dat die een generieke regeling bevat voor bouwwerken die in beginsel overal zijn toegestaan (artikel 5.8). Dit artikel komt een op een over vanuit het Besluit omgevingsrecht. Het betreft derhalve bouwwerken die al rechtmatig op een locatie zijn toegestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van de instructieregels. Deze blijven toegestaan.

9.2.13 Behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten 9.2.13.1 Algemeen Paragraaf 5.1.7 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels over het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten. Voor een meer uitgebreide toelichting op de instructieregels dan hieronder gegeven, wordt verwezen naar paragraaf 8.1.9 en de artikelgewijze toelichting van de Nota van Toelichting bij het Besluit kwaliteit leefomgeving (Staatsblad 2018, 292).

9.2.13.2 Landsverdediging en nationale veiligheid 9.2.13.2.1 Algemeen In paragraaf 5.1.7.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn instructieregels opgenomen met betrekking tot landsverdediging en nationale veiligheid. De artikelen 5.151 tot en met 5.155 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevatten de instructieregels. In artikel 5.150 van het Besluit kwaliteit leefomgeving worden de verschillende gebieden aangewezen waarop de instructieregels van toepassing zijn.

9.2.13.2.2 Militaire terreinen of een terrein met een militair object Artikel 5.151 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt dat voor zover een omgevingsplan van toepassing is op een militair terrein of een terrein met een militair object, het omgevingsplan geen activiteiten toelaat die het gebruik van dat terrein of object kunnen belemmeren. Militaire terreinen en terreinen met een militair object zijn de locaties, genoemd in bijlage XIV, onder A, waarvan de geometrische begrenzing in de Omgevingsregeling (artikel 2.41, eerste lid) is vastgelegd: Geometrische begrenzing militaire terreinen en terreinen met een militair object

Bijlage III Omgevingsregeling

In Amsterdam zijn geen militaire terreinen of terreinen met een militair object aanwezig. De daarop van toepassing zijnde instructieregel is op het omgevingsplan Amsterdam niet van toepassing.

9.2.13.2.3 Onveilige gebieden bij een militaire schietbaan Artikel 5.152 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt dat voor zover een omgevingsplan van toepassing is op een onveilig gebied bij een militaire schietbaan, het omgevingsplan geen activiteiten toelaat die het gebruik van dat gebied als oefenen schietgebied kunnen belemmeren. Onveilige gebieden bij militaire schietbanen zijn de locaties, genoemd in bijlage XIV, onder B, waarvan de geometrische begrenzing in de Omgevingsregeling (artikel 2.41, tweede lid) is vastgelegd: Geometrische begrenzing van de onveilige gebieden bij militaire schietbanen

82

Bijlage III Omgevingsregeling

In Amsterdam zijn geen onveilige gebieden bij militaire schietbanen aanwezig. De daarop van toepassing zijnde instructieregel is op het omgevingsplan Amsterdam niet van toepassing.

9.2.13.2.4 Gebieden waar bouwwerken een militaire zenden ontvangstinstallatie kunnen verstoren Artikel 5.153 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt dat voor zover een omgevingsplan van toepassing is op een gebied waar bouwwerken een militaire zenden ontvangstinstallatie kunnen verstoren, het omgevingsplan het bouwen van bouwwerken met een hoogte van meer dan 22 m vanaf het maaiveld niet toelaat. Gebieden waar bouwwerken een militaire zenden ontvangstinstallatie kunnen verstoren zijn de locaties, genoemd in bijlage XIV, onder C, waarvan de geometrische begrenzing in de Omgevingsregeling (artikel 2.41, derde lid) is vastgelegd: Geometrische begrenzing van de gebieden waar bouwwerken een militaire zenden ontvangstinstallatie kunnen verstoren

Bijlage III Omgevingsregeling

In Amsterdam zijn geen gebieden waar bouwwerken een militaire zenden ontvangstinstallatie kunnen verstoren aanwezig. De daarop van toepassing zijnde instructieregel is op het omgevingsplan Amsterdam niet van toepassing.

9.2.13.2.5 Laagvliegroutes voor jachten transportvliegtuigen Artikel 5.154 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt dat voor zover een omgevingsplan van toepassing is op een gebied waar zich een laagvliegroute voor jachten transportvliegtuigen bevindt, het omgevingsplan het bouwen van bouwwerken met een hoogte van meer dan 40 m vanaf het maaiveld niet toelaat. Gebieden waar zich een militaire laagvliegroute voor jachten transportvliegtuigen bevindt, zijn de locaties, genoemd in bijlage XIV, onder D, waarvan de geometrische begrenzing in de Omgevingsregeling (artikel 2.41, vierde lid) is vastgelegd: Geometrische begrenzing van gebieden waar zich een militaire laagvliegroute bevindt

83

Bijlage III Omgevingsregeling

In Amsterdam zijn geen laagvliegroutes voor jachten transportvliegtuigen aanwezig. De daarop van toepassing zijnde instructieregel is op het omgevingsplan Amsterdam niet van toepassing.

9.2.13.2.6 Gebieden waar bouwwerken het radarbeeld kunnen verstoren Artikel 5.155 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt daartoe dat voor zover een omgevingsplan van toepassing is op gebieden waar bouwwerken het radarbeeld kunnen verstoren, het omgevingsplan niet toelaat dat: a. binnen een straal van 15 km vanaf de radar bouwwerken worden gebouwd die de maximale hoogte van bouwwerken, bedoeld in de tabel in bijlage XIV, onder E, overschrijden; en b. binnen een straal van 15 tot 75 km vanaf de radar windturbines worden gebouwd met een tiphoogte die de maximale hoogte van windturbines, bedoeld in de tabel in bijlage XIV, onder E,overschrijdt. In Nederland zijn acht essentiële militaire radarstations in gebruik, waarmee een radarbeeld van het Nederlandse luchtruim wordt opgebouwd voor de beveiliging van het nationale luchtruim en de veilige afhandeling van het militaire en het burgerluchtverkeer. Sommige radarstations bevinden zich op het terrein van een militaire luchthaven, andere radarstations liggen daarbuiten. Het merendeel van deze radarstations is opgenomen in een netwerk. Dit netwerk wordt door zowel de militaireals de burgerluchtverkeersleidingsinstanties gebruikt. Hoge bouwwerken in gebieden rond een radarstation kunnen leiden tot verstoring van het radarbeeld dat de gezamenlijke radarstations opbouwen.

Of dat het geval is, en in welke mate, is afhankelijk van de hoogte, breedte, opstelling, opbouw en het materiaal van een bouwwerk. Om er zeker van te zijn dat de radars een goed beeld van het luchtruim houden, dient voordat een omgevingsplan hoge bouwwerken in een gebied rondom een radar toelaat, zeker te zijn gesteld dat die bouwwerken geen onaanvaardbare gevolgen voor het radarbeeld hebben. Windturbines kunnen, door hun omvang en overwegend stalen en bewegende onderdelen, een ernstige verstoring van het radarbeeld veroorzaken. Daarom gelden voor windturbines grotere afstanden tot een radar dan voor overige bouwwerken. Gebieden waar bouwwerken het radarbeeld kunnen verstoren, zijn de locaties binnen een straal van 75 km rondom de radarstations, genoemd in bijlage XIV, onder E, waarvan de geometrische begrenzing in de Omgevingsregeling (artikel 2.41, vijfde en zesde lid) is vastgelegd. Op grond van artikel 5.161a, vijfde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn de artikelen 5.150, vijfde lid, en 5.155 van dat besluit van overeenkomstige toepassing op de locatie rondom radarstations, genoemd in bijlage XIV, onder F. Een groot deel van Amsterdam ligt binnen de begrenzingzones waarbinnen bouwwerken een radarbeeld zouden kunnen verstoren: Geometrische begrenzing gebieden waar bouwwerken het civiele radarbeeld kunnen verstoren

84

Bijlage III Omgevingsregeling

Geometrische begrenzing van gebieden waar windturbines het radarbeeld kunnen verstoren

Bijlage III Omgevingsregeling

Wanneer in de betreffende gebieden met een wijziging van het omgevingsplan wordt voorzien in nieuwe bouwwerken, dan dient aan de instructieregels uitvoering te worden gegeven. In bijlage XIV, onder E, van het Besluit kwaliteit leefomgeving is vastgelegd welke maximale hoogtes voor bouwwerken in het algemeen en voor windturbines gelden. Nieuwe bouwwerken en nieuwe windturbines die de gestelde hoogtes niet overschrijden, hebben naar verwachting geen onaanvaardbare gevolgen voor het radarbeeld en kunnen in een omgevingsplan gewoon worden toegelaten. Bij een wijziging van het omgevingsplan waarmee nieuwe bouwmogelijkheden worden opgenomen wordt aan de instructieregels uitvoering gegeven. De instructieregel is niet van toepassing op ontwikkelingen die op het moment van inwerkingtreden van deze bepaling al zijn toegestaan op grond van een omgevingsplan of op grond van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit (zie artikel 5.149 Besluit kwaliteit leefomgeving). De instructieregel houdt dus in dat een omgevingsplan binnen de genoemde gebieden geen nieuwe bouwwerken en windturbines boven een bepaalde hoogte mag toelaten. Het derde lid van artikel 5.155 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat daarop een uitzondering.

In het omgevingsplan kan worden bepaald dat het verboden is zonder omgevingsvergunning bouwwerken of windturbines te bouwen die hoger zijn dan de op grond van bijlage XIV, onder E, van het Besluit kwaliteit leefomgeving bedoelde maximale hoogte, als regels worden gesteld die ertoe strekken dat de omgevingsvergunning alleen wordt verleend als die bouwwerken respectievelijk windturbines geen

85

onaanvaardbare gevolgen hebben voor het radarbeeld. Op basis van artikel 4.28 Omgevingsbesluit is de Minister van Defensie adviseur over een aanvraag omgevingsvergunning. Voor dergelijke bouwwerken kan daarin worden voorzien door het opnemen van een extra beoordelingsregel in paragraaf 4.2.4 van het omgevingsplan. Vooralsnog bestaat hiertoe geen aanleiding.

9.2.13.3 Elektriciteitsvoorziening 9.2.13.3.1 Inleiding Paragraaf 5.1.7.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving voorziet erin dat voldoende ruimte beschikbaar is voor een adequate infrastructuur in de vorm van vestigingslocaties voor grootschalige elektriciteitsproductie en van hoogspanningsverbindingen. Daarnaast is het voor de voorzieningszekerheid, de inpassing van duurzaam opgewekte elektriciteit en de economische efficiency van de energievoorziening van belang dat het koppelnet daar waar nodig wordt uitgebreid en zo wordt aangepast dat de uitwisseling van elektriciteit met het buitenland en van de windturbineparken in de Noordzee goed mogelijk is. Deze bepalingen, zoals voorheen opgenomen in het Barro, hebben (aldus de Nota van Toelichting bij het Besluit kwaliteit leefomgeving) tot doel om het beleid voort te zetten zoals geformuleerd in het Derde Structuurschema Elektriciteitsvoorziening (SEV III) conform de daarin opgenomen uitvoeringsparagraaf en te laten doorwerken in de omgevingsplannen. Ten eerste heeft het SEV III betrekking op het globaal reserveren van locaties die geschikt zijn voor installaties voor elektriciteitsopwekking met een vermogen van ten minste 500 MW. Ten tweede geeft het SEV III invulling aan het waarborgingsbeleid kernenergie.

Dit waarborgingsbeleid heeft ten doel om op drie geselecteerde locaties – Borssele, Maasvlakte I en Eemshaven – te waarborgen dat er geen ontwikkelingen plaatsvinden die de eventuele bouw van een nieuwe kerncentrale belemmeren. In de uitvoeringsparagraaf van het SEV III is ook aangegeven dat in een AMvB maatregelen zullen worden vastgelegd waarmee het waarborgingsbeleid kernenergie op de daarvoor aangewezen locaties geëffectueerd moet worden. In deze titel is dit waarborgingsbeleid vooral gericht op het voorkomen van de vestiging van nieuwe, nu nog niet toegelaten, kwetsbare gebouwen en locaties en het voorkomen van het ontstaan van dichtbevolkte gebieden in de nabijheid van de aangewezen vestigingslocaties. Ten derde bevat het SEV III ruimtelijke reserveringen voor de trajecten van hoogspanningsverbindingen met een spanning van 220 kV en hoger. De regels in dit besluit continueren de doorwerking van het rijksbeleid op deze punten.

9.2.13.3.2 Locaties voor grootschalige elektriciteitsopwekking In artikel 5.157 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn instructieregels opgenomen om voldoende ruimte voor grootschalige elektriciteitsopwekking van ten minste 500 MW door elektriciteitscentraleste te waarborgen. Op grond van artikel 5.156 van het Besluit kwaliteit leefomgeving gaat het om locaties voor grootschalige elektriciteitsopwekking met een of meer elektriciteitsproductie-installaties met een gezamenlijk vermogen van ten minste 500 MW en de daarmee verbonden werken en infrastructuur, met uitzondering van kernenergiecentrales en elektriciteitsproductie-installaties die elektriciteit opwekken door windenergie. Elektriciteitscentrales kunnen ook bestaan uit meerdere kleine installaties, die een gezamenlijk vermogen hebben van ten minste 500 MW. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een locatie voor grootschalige elektriciteitsopwekking, dient op die locatie elektriciteitsopwekking met een vermogen van ten minste 500 MW toe te laten, te voorzien in voldoende ruimte daarvoor en geen beperkingen te bevatten voor installaties voor grootschalige elektriciteitsopwekking. Het gaat hierbij zowel om voldoende ruimte in fysieke zin, als om voldoende milieugebruiksruimte voor (installaties voor) grootschalige elektriciteitsopwekking.

Het toelaten van grootschalige elektriciteitsopwekking en het uitsluiten van beperkingen voor installaties houdt ook in dat de elektriciteitsproductie-eenheden op de aangewezen locaties steeds volledig gebruikt kunnen worden. Een gemeente zal daarnaast in het omgevingsplan geen beperkingen in energiepolitieke zin aan een locatie voor grootschalige elektriciteitsopwekking mogen opleggen. Op een locatie waar al een of meerdere installaties met een gezamenlijk vermogen van 500 MW of meer gerealiseerd zijn, voldoet een omgevingsplan vanzelfsprekend al aan deze instructieregel. Als een gemeente op een locatie voor grootschalige elektriciteitsopwekking het omgevingsplan wil wijzigen of een omgevingsvergunning voor een afwijkactiviteit wil verlenen, dan kan de gemeenteraad in overleg tredenmet het bevoegd gezag voor de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit voor de exploitatie van de elektriciteitsproductie-installatie. In dat overleg kan concreet nagegaan worden of aan de voorwaarden voor geschiktheid voor ten minste 500 MW elektrisch vermogen en exploitatie daarvan voldaan wordt en blijft worden.

In artikel 5.156 van het Besluit kwaliteit leefomgeving worden deze locaties aangewezen in de bijbehorende bijlage XV, onder A, waarvan de geometrische begrenzing in de Omgevingsregeling (artikel 2.36, eerste lid) is vastgelegd: Geometrische begrenzing locaties voor grootschalige elektriciteitsopwekking

86

Bijlage III Omgevingsregeling

Bij het wijzigen van het omgevingsplan, waarbij de onder oud recht vastgestelde bestemmingsplannen worden vervangen of ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt, zal voor het betreffende gebied aan de instructieregels van artikel 5.156 en 5.157 Besluit kwaliteit leefomgeving uitvoering worden gegeven. Daarbij wordt tevens beoordeeld of er nog aanvullende regels nodig zijn. Gedacht kan worden aan beperkingen voor bouwwerken die in beginsel overal zijn toegestaan.

9.2.13.3.3 Waarborging locaties kernenergiecentrale Artikel 5.158 bevat een instructieregel ter waarborging van voldoende ruimte voor elektriciteitsopwekking door (eventueel in de toekomst te realiseren) kernenergiecentrales. De instructieregel is alleen van toepassing voor zover een omgevingsplan van toepassing is op een locatie voor een kernenergiecentrale. Locaties voor een kernenergiecentrale zijn de locaties, genoemd in bijlage XV, onder B, waarvande geometrische begrenzing in de Omgevingsregeling (artikel 2.36, tweede lid) is vastgelegd. In Amsterdam zijn geen locaties aangewezen voor een kernenergiecentrale. De instructieregel kan bij wijzigingsbesluiten van het omgevingsplan buiten beschouwing blijven.

9.2.13.3.4 Waarborging hoogspanningsverbinding Artikel 5.159, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat een instructieregel over hoogspanningsverbindingen met een spanning van ten minste 220 kV. Dit artikel bepaalt dat een omgevingsplan het tracé van een hoogspanningsverbinding dient te bevatten op de locaties die op grond van artikel 5.156, derde lid zijn aangewezen als locatie voor een hoogspanningsverbinding met een spanning van ten minste 220 kV en waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriële regeling is vastgelegd. Het tracé van een hoogspanningsverbinding bestaat uit een strook met een bepaalde afstand tot het hart van de hoogspanningsverbinding, die ook wel de zakelijk rechtstrook genoemd wordt. De breedte van deze strook grond is doorgaans tussen de 60 en 80 meter. Een omgevingsplan dient het gebruik als hoogspanningsverbinding op die locaties toe te laten. Dat geldt eveneens voor de met de hoogspanningsverbinding verbonden schakelen transformatorstations en andere noodzakelijke hulpmiddelen, omdat die onderdeel uitmaken van de hoogspanningsverbinding. Het gaat hier om een bevestiging van de bestaande situatie. De op grond van artikel 5.156, derde lid, aangewezen locaties voor een hoogspanningsverbinding betreffen alleen bestaande hoogspanningsverbindingen.

De handhaving van het tracé van de hoogspanningsverbinding in het omgevingsplan betekent dat het omgevingsplan ook de bruikbaarheid van de hoogspanningsverbinding in stand moet laten. Met bruikbaarheid wordt gedoeld op de functionaliteit van de verbinding en daarmee de leveringszekerheid en betrouwbaarheid van de elektriciteitsvoorziening. In dat verband moet het tracé van de hoogspanningsverbinding zoveel als mogelijk gevrijwaard blijven van nieuwe ontwikkelingen die aan die functionaliteit in de weg kunnen staan, zoals bouwwerken met een bepaalde hoogte of de opslag van stoffen die brandgevaarlijk zijn. In overleg met de beheerder van het landelijk hoogspanningsnet kan bekeken worden of een specifieke ontwikkeling mogelijk is en onder welke voorwaarden.

87

De locaties van deze hoogspanningsverbindingen zijn in artikel 5.156, derde lid, Besluit kwaliteit leefomgeving aangewezen als de tracés tussen de locaties, genoemd in bijlage XV, onder C, waarvan de geometrische begrenzing in de Omgevingsregeling is vastgelegd en de tracés tussen een locatie voor grootschalige elektriciteitsopwekking en het hoogspanningsnet met een spanning van ten minste 220 kV. In Amsterdam liggen enkele bovengrondse hoogspanningsverbindingen met een spanningsniveau van 380 kV. Geometrische begrenzing locaties voor een hoogspanningsverbinding met een spanning van ten minste 220 kV

Bijlage III Omgevingsregeling

Aan de instructieregel wordt als volgt uitvoering gegeven. Met toepassing van de regels in paragraaf 2.3.16 wordt aan de locaties van de bedoelde hoogspanningsverbindingen de aanduiding 'gebruiksdoel: bovengrondse hoogspanningsverbinding van tenminste 220 kV' gegeven. Daarmee wordt het gebruik van de gronden voor deze bovengrondse hoogspanningsverbinding toegestaan. Verder is in afdeling 6.3 voorzien in een aanlegvergunningplicht voor activiteiten die aan de functionaliteit van de hoogspanningsverbinding in de weg kunnen staan. Een vergunning voor de opgenomen aanlegactiviteiten wordt alleen verleend als het belang van de bruikbaarheid van deze bovengrondse hoogspanningsverbinding zich daar niet tegen verzet, waarover de netbeheerder om advies wordt gevraagd door het bevoegd gezag. Beide regelingen zullen voor de desbetreffende locaties toepassing krijgen bij wanneer het onder oud recht vastgestelde ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan wordt vervangen. Dan zullen de aanduidingen aan de locaties worden gegeven, waarmee de betreffende regels gaan gelden. Bij dat vervangen van een onder oud recht vastgesteld ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan zal ook bij het toekennen van bouwmogelijkheden uitvoering worden gegeven aan de instructieregel.

9.2.13.4 Rijksvaarwegen Artikel 5.161 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt dat in een omgevingsplan dat van toepassing is op een rijksvaarweg of een vrijwaringsgebied als bedoeld in artikel 5.160 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, rekening moet worden gehouden met het belang van het veilig gebruik van de vaarweg. Het is van belang dat de navigatie van het scheepvaartverkeer niet wordt verstoord. Daarvoor is het van belang om ruimte langs de vaarweg vrij te houden van bebouwing en opgaande begroeiing. Deze kunnen de navigatie van de scheepvaart verstoren, door het belemmeren van het zicht en het verstoren van radarbeelden. In artikel 5.161 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is daarom bepaalt dat rekening moet worden gehouden met het voorkomen van belemmeringen voor de doorvaart van de scheepvaart, zichtlijnen, navigatieapparatuur, bedienings- en begeleidingsobjecten, de toegankelijkheid van de vaarweg voor hulpdiensten en beheer en onderhoud van de vaarweg. Zo nodig kan de gemeenteraad in overleg met de vaarwegbeheerder bezien of – gelet op de kenmerken van de vaarweg op een bepaalde locatie – een beoogde ontwikkeling daadwerkelijk een belemmering vormt. De breedte van een vrijwaringsgebied is afhankelijk van de afmetingen van het scheepvaartverkeer op de vaarweg.

De breedte van een vrijwaringsgebied varieert van 10 m tot maximaal 50 m aan weerszijden van een vaarweg, op basis van verschillende CEMT-klassen. Waar de afmetingen van de vrijwaringsgebieden per CEMT-klasse voorheen waren vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening, is de geometrische begrenzing van de vrijwaringsgebieden nu vastgelegd in de Omgevingsregeling.

88

Geometrische begrenzing vrijwaringsgebieden rijksvaarwegen

Bijlage III Omgevingsregeling

In gemeente Amsterdam zijn als vrijwaringsgebied aangewezen de vaarwegen en een zone aan weerszijden van het Noordzeekanaal, zijkanaal H, het IJ, en het Amsterdam-Rijnkanaal. Bij wijzigingen van het omgevingsplan die voorzien in nieuwe ontwikkelingen in het vrijwaringsgebied wordt uitvoering gegeven aan de instructieregels.

9.2.13.5 Communicatie-, navigatieen radarapparatuur voor de burgerluchtvaart In artikel 5.161a van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn instructieregels opgenomen om te voorkomen dat bouwwerken communicatie-, navigatie- en radarapparatuur buiten Schiphol of overige luchthavens van nationale en regionale betekenis verstoren. De beperkingen zijn aanvullend op de beperkingen die gelden op grond van het Luchthavenindelingbesluit Schiphol of (andere) luchthavenbesluiten (zie paragraaf 9.4.1 van deze toelichting). Binnen Nederland staat op een aantal locaties communicatie-, navigatie- en radarapparatuur buiten Schiphol of overige luchthavens van nationale en regionale betekenis. Deze apparatuur is nodig voor een veilige afwikkeling van het luchtverkeer. Deze civiele apparatuur moet worden onderscheiden van de militaire radarstations, waarvoor artikel 5.155 een regeling biedt. De civiele en militaire luchtverkeersleidingsdiensten werken intensief samen om een veilige verkeersafwikkeling te garanderen. Hoge bouwwerken, waaronder windturbines, in gebieden rond deze apparatuur kunnen leiden tot verstoring van de werking daarvan. Voordat een omgevingsplan hoge bouwwerken in die gebieden toelaat, moet zeker zijn gesteld dat die bouwwerken geen onaanvaardbare gevolgen hebben voor die apparatuur.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14509255/1