CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 14 De algemene toelichting bij de regeling zonder renvooi.pdf

RAAD 18 september 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam: Basisregeling. (VN2024-007101)67.966 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 8 van 8

Voor radarverstoringsgebieden bevatte het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening en de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening al een gelijksoortige regeling. Artikel 5.161a, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt dat gebieden waar bouwwerken communicatie-, navigatie- en radarapparatuur buiten Schiphol of overige burgerluchthavens van nationale en regionale betekenis kunnen verstoren, de locaties zijn, genoemd in bijlage XVa, waarvan de geometrische begrenzing in de Omgevingsregeling is vastgelegd. Artikel 2.31, eerste lid, Omgevingsregeling legt de geometrische begrenzing vast van gebieden waar bouwwerken communicatie-, navigatie- en radarapparatuur buiten Schiphol of overige burgerluchthavens van nationale en regionale betekenis kunnen verstoren, als bedoeld in artikel 5.161a, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving: Geometrische begrenzing gebieden waar bouwwerken apparatuur van luchthavens kunnen verstoren

89

Bijlage III Omgevingsregeling

Artikel 5.161a, tweede en derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevatten de daadwerkelijke instructieregels met betrekking tot toelaatbare bouwhoogtes. Het tweede lid van artikel 5.161a van het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt dat voor zover een omgevingsplan van toepassing is op een gebied als bedoeld in het eerste lid, het omgevingsplan geen bouwwerken toelaat die de maximaal toelaatbare hoogte voor bouwwerken, bedoeld in bijlage XVa, overschrijden. In artikel 2.31, tweede lid, van de Omgevingsregeling is het gebied vastgelegd waar een maximaal toelaatbare hoogte voor bouwwerken geldt:

Geometrische begrenzing maximaal toelaatbare hoogte voor bouwwerken buiten beperkingengebieden luchthavens

Bijlage III Omgevingsregeling

De maximaal toelaatbare hoogtes zelf zijn vastgelegd in bijlage XVa bij het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het derde lid van artikel 5.161a van het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt dat voor zover een omgevingsplan van toepassing is op een gebied als bedoeld in het eerste lid, het omgevingsplan geen windturbines toelaat met een tiphoogte die de maximaal toelaatbare hoogte voor bouwwerken en windturbines, bedoeld in bijlage XVa, overschrijdt. In artikel 2.31, derde lid, van de Omgevingsregeling is het gebied vastgelegd waar een maximaal toelaatbare tiphoogte voor windturbines geldt: Geometrische begrenzing maximaal toelaatbare hoogte voor windturbines buiten beperkingengebieden luchthavens

90

Bijlage III Omgevingsregeling

De maximaal toelaatbare hoogtes zelf zijn vastgelegd in bijlage XVa bij het Besluit kwaliteit leefomgeving. Bij een wijziging van het omgevingsplan die voorziet in bouwwerken binnen de aangegeven gebieden, zal uitvoering worden gegeven aan de instructieregels. De instructieregels zijn niet van toepassing op ontwikkelingen die op het moment van inwerkingtreden van deze bepaling al zijn toegestaan op grond van een omgevingsplan of op grond van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit (zie artikel 5.149 Besluit kwaliteit leefomgeving). De instructieregel houdt dus in dat een omgevingsplan binnen de genoemde gebieden geen nieuwe bouwwerken en windturbines boven een bepaalde hoogte mag toelaten. Het vierde lid van artikel 5.161a van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat daarop een uitzondering. In het omgevingsplan kan worden bepaald dat het verboden is zonder omgevingsvergunning bouwwerken of windturbines te bouwen die hoger zijn dan de op grond van bijlage XVa van het Besluit kwaliteit leefomgeving bedoelde maximale hoogte, als regels worden gesteld die ertoe strekken dat de omgevingsvergunning alleen wordt verleend als die bouwwerken respectievelijk windturbines geen onaanvaardbare gevolgen hebben voor het radarbeeld. Op basis van artikel 4.28 Omgevingsbesluit is de Minister van Defensie adviseur over een aanvraag omgevingsvergunning.

Voor dergelijke bouwwerken kan daarin worden voorzien door het opnemen van een extra beoordelingsregel in paragraaf 4.2.4 van het omgevingsplan. Vooralsnog bestaat hiertoe geen aanleiding.

9.2.13.6 Landelijke fietsen wandelroutes In artikel 5.161b van het Besluit kwaliteit leefomgeving is een instructieregel opgenomen over landelijke fietsen wandelroutes. Dit artikel bepaalt dat als een omgevingsplan voorziet in nieuwe ontwikkelingen die bepaalde landelijke fietsen wandelroutes kunnen doorsnijden, het belang van de instandhouding van die fietsen wandelroutes bij de vaststelling van dat omgevingsplan wordt betrokken. De instructieregel is niet van toepassing op ontwikkelingen die op het moment van inwerkingtreden van deze bepaling al zijn toegestaan op grond van een omgevingsplan of op grond van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit (zie artikel 5.149 Besluit kwaliteit leefomgeving). De betreffende fietsen wandelroutes zijn aangewezen in bijlage XVI bij het Besluit kwaliteit leefomgeving. Voor de betreffende fietsen wandelroutes is in de Omgevingsregeling geen geometrische begrenzing vastgelegd. In Amsterdam gaat het om de volgende routes: • Landelijke fietsroute LF1 Zuiderzeeroute; • Landelijk wandelroute LAW 1-3 Floris V-pad; • Landelijk wandelroute LAW 2 Trekvogelpad; • Landelijke wandelroute LAW 7-1 Pelgrimspad deel 1; • Landelijk wandelroute LAW 8 Zuiderzeepad; •

Landelijk wandelroute LAW 15 Westerborkpad.

Het belang van de instandhouding van de landelijke fietsen wandelroutes is niet absoluut. Dat wil zeggen dat het belang altijd afgewogen moet worden tegen andere maatschappelijke belangen zoals (overweg)veiligheid. De doelstelling van de regel is dus dat de instandhouding van de aangewezen landelijke fietsen wandelroutes een plek heeft in de besluitvorming van het omgevingsplan.

91

Wanneer bij een toekomstige wijziging van het omgevingsplan wordt voorzien in nieuwe ontwikkelingen die een van de genoemde landelijke fietsen wandelroutes kunnen doorsnijden, zal het belang van de instandhouding van de betreffende route in de besluitvorming moeten worden betrokken.

9.2.14 Gebruik van bouwwerken (aanwijzing woningbouwcategorieën) Paragraaf 5.1.7a van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels over het gebruik van bouwwerken. Artikel 5.161c van het besluit bepaalt dat een omgevingsplan dat bouwactiviteiten toelaat waarvoor op grond van artikel 13.11, eerste lid, van de wet kosten moeten worden verhaald, voor bepaalde categorieën van woningen regels over te realiseren categorieën woningen kan bevatten. De instructieregel is alleen van toepassing op nieuwe bouwen gebruiksmogelijkheden in het omgevingsplan. Voor een meer uitgebreide toelichting op de instructieregels dan hieronder gegeven, wordt verwezen naar pagina 83 en verder van de Nota van Toelichting bij het Aanvullingsbesluit grondeigendom Omgevingswet (Staatsblad 2020, 532). Artikel 5.161c van het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt in welk geval regels over bijzondere woningbouwcategorieën in een omgevingsplan mogen worden gesteld. Dit is het geval als een omgevingsplan bouwactiviteiten toelaat waarvoor op grond van artikel 13.11, eerste lid, van de Omgevingswet, zoals ingevoegd met de Aanvullingswet grondeigendom, verplicht kosten moeten worden verhaald. De instructieregel is dus gericht op percelen waar kostenverhaal van toepassing is, zoals eigen grond.

De regeling is niet van toepassing op gronden die de gemeente in eigendom heeft of in erfpacht uitgeeft, omdat kostenverhaal en eisen aan de woningbouwcategorie dan kunnen worden geregeld bij de gronduitgifte of via de erfpachtakte. Artikel 5.161c van het Besluit kwaliteit leefomgeving regelt dat in een omgevingsplan in dit geval regels mogen worden gesteld op grond waarvan er woningen van bepaalde categorieën moeten worden gerealiseerd. Hiermee is een voortzetting beoogd van de systematiek in de Wet ruimtelijke ordening, waarin in een bestemmingsplan en exploitatieplan – naast regels over kostenverhaal – ook regels over woningbouwcategorieën kunnen worden gesteld. Op grond van artikel 5.161c van het Besluit kwaliteit leefomgeving kunnen regels over te realiseren woningen ook voor kostenverhaalplichtige activiteiten worden gesteld als het kostenverhaal bij de toelating van die activiteiten niet publiekrechtelijk wordt geregeld. Bijvoorbeeld als het kostenverhaal volledig via privaatrechtelijke overeenkomsten is verzekerd. Het aanwijzen van doelgroepen waarvoor de woningen in stand worden gehouden zal plaatsvinden via het omgevingsplan. Hetzelfde geldt voor het bepalen van de termijnen waarvoor woningen als sociale huurwoningen, sociale koopwoningen of geliberaliseerde woningen voor middenhuur in stand worden gehouden.

De termijnen die in het omgevingsplan kunnen worden gesteld, zijn in het derde lid begrensd. Het opnemen in het omgevingsplan is een wijziging ten opzichte van het Besluit ruimtelijke ordening, dat uitgaat van het omschrijven van doelgroepen in een gemeentelijke verordening. Als in het omgevingsplan nieuwe bouw- of gebruiksmogelijkheden worden opgenomen wordt bepaald of gelijktijdig regels over woningbouwcategorieën moeten worden opgenomen. Daarbij zal worden betrokken of er voor het kostenverhaal een privaatrechtelijke overeenkomst wordt afgesloten of een kostenverhaalsgebied zal worden aangewezen in het omgevingsplan (zie hoofdstuk 8 van de regels van het omgevingsplan).

9.2.15 Bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen Paragraaf 5.1.8 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels over het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen. Artikel 5.162 van het besluit bepaalt dat voor zover een omgevingsplan voorziet in nieuwe ontwikkelingen met gevolgen voor de inrichting van de openbare buitenruimte, in het omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het bevorderen van de toegankelijkheid van die openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking. Voor een meer uitgebreide toelichting op de instructieregels dan hieronder gegeven, wordt verwezen naar paragraaf 8.1.10 van de Nota van Toelichting bij het Besluit kwaliteit leefomgeving (Staatsblad 2018, 292). De instructieregel brengt mee dat bestuursorganen als zij nieuwe ontwikkelingen mogelijk maken het belang van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen met een beperking moeten afwegen tegen de overige betrokken belangen. De tekst van artikel 5.162 brengt tot uitdrukking dat gemeenten met inachtneming van, vaak al bestaand, beleid het belang van toegankelijkheid kan meewegen met het oog op een gelijkwaardige wijze van gebruikmaking van de openbare ruimte door een ieder.

Zo kan bij regels in het omgevingsplan over de inrichting expliciet aandacht worden besteed aan de toegankelijkheid voor mensen in een rolstoel en mensen met bijvoorbeeld visuele beperkingen. Vaak hebben gemeenten een beleidsplan voor de kwaliteit van openbare ruimten waarbij ook vaak al aandacht is besteed aan mindervaliden. Als maatregelen nodig zijn kunnen deze geborgd worden in de regels van het omgevingsplan. De 'Integrale toegankelijkheidsstandaard' (ITS) wordt hierbij betrokken voor zover die gaat over de openbare buitenruimte. In de ITS zijn algemene toegankelijkheidsrichtlijnen en normen omgewerkt naar bouwtechnische eisen die kunnen worden toegepast bij ontwerp en realisatie van integraal

92

toegankelijke projecten. Het gaat er in de openbare buitenruimte, die heel divers is, niet om dat de ITS naar de letter wordt toegepast, maar dat deze behulpzaam is bij het maken van een afweging welke onderdelen van de openbare ruimte voor een ieder toegankelijk moeten zijn en tot welke regels dit in het omgevingsplan leidt. Daarnaast heeft bijvoorbeeld ook het kennisplatform CROW-richtlijnen voor integrale toegankelijkheid van de openbare buitenruimte. Er is gegeven de huidige praktijk geen aanleiding regels op te nemen te bevordering van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen. Of bij een wijziging van het omgevingsplan waarmee nieuwe ontwikkelingen worden mogelijk gemaakt die gevolgen hebben voor de inrichting van de openbare buitenruimte maatregelen in de vorm van regels nodig zijn, moet per afzonderlijk wijzigingsbesluit worden beoordeeld.

9.2.16 De uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving 9.2.16.1 Voorkomen belemmeringen gebruik en beheer hoofdspoorweginfrastructuur en rijkswegen Artikel 5.163 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat een instructieregel over het voorkomen belemmeringen gebruik en beheer hoofdspoorweginfrastructuur en rijkswegen. Het artikel bepaalt dat in een omgevingsplan dat van toepassing is op de hoofdspoorweginfrastructuur of op een weg in beheer bij het Rijk geen regels worden gesteld die het gebruik, de instandhouding, de verbetering of de vernieuwing van die infrastructuur belemmeren. Voor een meer uitgebreide toelichting op de instructieregels dan hieronder gegeven, wordt verwezen naar de artikelgewijze toelichting in de Nota van Toelichting bij het Besluit kwaliteit leefomgeving (Staatsblad 2018, 292). Doel van deze instructieregel is onder meer om een veilig gebruik en een efficiënte wijze van beheer en onderhoud van die (spoor)wegen te verzekeren, fysieke wijzigingen mogelijk te maken binnen het bestaande profiel en het gebruik niet te beperken. Deze instructieregel ziet op alle regels in het omgevingsplan die het gebruik, de instandhouding, de verbetering en de vernieuwing van hoofdspoorweginfrastructuur en wegen in beheer bij het Rijk rechtstreeks belemmeren, ongeacht het oogmerk daarvan.

Het ziet dus niet alleen op het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de wet, maar ook op andere regels in het omgevingsplan zoals lokale omgevingswaarden en maatwerkregels over activiteiten. Een eventuele lokale omgevingswaarde voor bijvoorbeeld luchtkwaliteit dient dus zo gesteld te worden dat deze het gebruik, de instandhouding, de verbetering of de vernieuwing van een rijksweg niet rechtstreeks belemmert. Gemeenten mogen op grond van artikel 5.163 van dit besluit geen eigen regels stellen die het gebruik, de instandhouding, de verbetering of de vernieuwing van een rijksweg of hoofdspoorweg rechtstreeks belemmeren. Een regel die dat wel doet, is in strijd met artikel 5.163 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Bij elk besluit tot wijziging van het omgevingsplan dient (voor zover van toepassing) aan deze instructieregel uitvoering te worden gegeven.

9.2.16.2 Lokale spoorwegen binnen vervoerregio’s Artikel 5.164 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat een instructieregel over het voorkomen belemmeringen gebruik en beheer van het lokaal spoor. Het artikel bepaalt dat in een omgevingsplan de geometrische begrenzing wordt vastgelegd van het beperkingengebied waarbinnen de vergunningplicht voor een beperkingengebiedactiviteit geldt volgens de aanwijzing van dit gebied op grond van artikel 12 van de Wet lokaal spoor door het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam, bedoeld in artikel 20, derde lid, van de Wet personenvervoer 2000. Voor een meer uitgebreide toelichting op de instructieregel dan hieronder gegeven wordt verwezen naar de artikelgewijze toelichting bij dat artikel, en naar paragraaf 8.2.2 van de Nota van Toelichting bij het Besluit kwaliteit leefomgeving (Staatsblad 2018, 292). Op grond van artikel 12.27 van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt uiterlijk twee jaar na inwerkingtreding van dit besluit uitvoering gegeven aan deze instructieregel. Met artikel 21.1 wordt voorzien in een regel waarmee de geometrische begrenzing van het beperkingengebied kan worden vastgelegd. Kortheidshalve wordt naar de artikelgewijze toelichting van dat artikel verwezen.

9.2.16.3 Lozen industrieel afvalwater in openbaar vuilwaterriool Artikel 5.165 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat een instructieregel over het lozen industrieel afvalwater in openbaar vuilwaterriool. De instructieregel heeft alleen betrekking op die gevallen die niet al onderworpen zijn aan een algemene regel uit het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunningplicht. Gedacht kan worden aan lozingen van vet door horeca-activiteiten. De gemeente kan hiervoor regels stellen in het omgevingsplan. Artikel 5.165 Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt dat bij het toelaten van lozen van industrieel afvalwater, anders dan van activiteiten waarop het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing is, wordt voldaan aan bepaalde

93

eisen van de richtlijn stedelijk afvalwater. De richtlijn vereist dat de kwaliteit van het stedelijk afvalwater in het vuilwaterriool gewaarborgd wordt, ook met het oog op de bescherming van de goede werking van het zuiveringtechnisch werk (geen schade aan het riool en geen hindernis voor de werking van de zuivering). Aan deze instructieregel is uitvoering gegeven met de regels in paragraaf 9.3.2. Daarin is de zorgplicht voor het milieu zoals opgenomen in artikel 9.4 nader uitgewerkt voor lozingen. Tevens zijn specifieke lozingsregels opgenomen voor bepaalde activiteiten. In lijn met de zogenaamde voorkeursvolgorde zoals opgenomen in artikel 10.29a Wet milieubeheer zijn er regels gesteld om te zorgen dat er zo min mogelijk afvalwater ontstaat, en dat het afvalwater dat ontstaat zo min mogelijk verontreinigingen bevat. Tevens zijn er regels die borgen dat het water wordt hergebruikt of als dat niet kan wordt geloosd op de bodem of het oppervlaktewater. Zo worden het riool en de RWZI zo efficiënt mogelijk gebruikt. Met deze regels wordt het vuilwaterriool en de zuivering voldoende beschermd.

9.2.16.4 Bebouwingscontour jacht Artikel 5.165a van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat een instructieregel over het aanwijzen van een bebouwingscontour jacht. Voor een meer uitgebreide toelichting op de instructieregel dan hieronder gegeven wordt verwezen naar paragraaf 8.2.3 van de Nota van Toelichting bij het Aanvullingsbesluit natuur Omgevingswet (Staatsblad 2021, 22, p. 340). Om redenen van veiligheid mag er geen jacht plaatsvinden direct bij of tussen bebouwing. Artikel 11.71, vierde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving verbiedt dat. Het is de gemeente die op grond van artikel 5.165a van het Besluit kwaliteit leefomgeving de desbetreffende 'bebouwingscontour jacht' aanwijst. De regeling is een voortzetting van de bepalingen die voorheen waren gesteld in artikel 3.21, derde lid, van de Wet natuurbescherming, en artikel 3.12, derde lid, aanhef en onder e, van het Besluit natuurbescherming. Bij de vaststelling van de bebouwingscontour jacht houdt de gemeenteraad rekening met het belang van veiligheid. De gemeenteraad heeft daarbij enige beoordelingsruimte.

Uit de tekst van artikel 5.165a van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waar dat bepaalt dat de bebouwingscontour moet aansluiten bij het stedelijk gebied en de lintbebouwing, en uit de omschrijving van het begrip 'stedelijk gebied' in de bijlage bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, blijkt echter dat het niet de bedoeling is dat de bebouwingscontour in belangrijke mate ook nietbebouwd gebied met een landelijk karakter van het gemeentelijke grondgebied omvat, waardoor het gebruik van het jachtgeweer in de gemeente feitelijk onmogelijk zou worden gemaakt. In het kader van een zorgvuldige voorbereiding van dit onderdeel van het omgevingsplan ligt het in de rede dat de gemeente de faunabeheereenheid of wildbeheereenheid direct betrekt bij de voorbereiding van de vaststelling van de begrenzing van de bebouwingscontour jacht. Artikel 21.3 is gereserveerd om aan deze instructieregel op enig moment uitvoering te geven. Zolang in het omgevingsplan geen bebouwingscontour jacht is aangewezen, geldt op grond van de bij besluit van de gemeenteraad aangewezen bebouwde kom, bedoeld in artikel 3.21, derde lid, van de Wet natuurbescherming, zoals dat artikel luidde onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 3.1 van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet, als bebouwingscontour jacht (artikel IV, derde lid, van het Aanvullingsbesluit natuur Omgevingswet).

9.2.16.5 Bebouwingscontour houtkap Artikel 5.165b van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat een instructieregel over het aanwijzen van een bebouwingscontour houtkap. Dat is nodig, omdat de regels in afdeling 11.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving uitsluitend gelden buiten het stedelijk gebied van gemeenten (artikel 11.111, tweede lid, aanhef en onder a, Besluit activiteiten leefomgeving). De grenzen daarvan – de 'bebouwingscontour kap' – worden door de gemeenteraad vastgesteld in het omgevingsplan. Voor een meer uitgebreide toelichting op de instructieregel dan hieronder opgenomen wordt kortheidshalve verwezen naar artikelgewijze toelichting in de Nota van Toelichting bij het Aanvullingsbesluit natuur Omgevingswet (Staatsblad 2021, 22, p. 340 en verder). Uit de tekst van artikel 5.165b, waar dat bepaalt dat de bebouwingscontour moet aansluiten bij het stedelijk gebied, blijkt dat het niet de bedoeling is dat de bebouwingscontour in belangrijke mate ook niet-bebouwd gebied met een landelijk karakter van het gemeentelijke grondgebied omvat, waardoor de regels van het Bal over de meldingsplicht van houtkap en de herbeplantingsplicht zinledig zouden worden. Ten aanzien van het stellen van regels door gemeenten in het omgevingsplan over houtopstanden binnen de bebouwingscontour houtkap gelden geen beperkingen.

Gemeenten kunnen regels over het vellen van houtopstanden en herbeplanten na het vellen of tenietgaan van houtopstanden buiten de bebouwingscontour wel stellen uit andere oogmerken dan natuurbescherming, behoud van het bosareaal in Nederland of bescherming van landschappelijke waarden. Dergelijke regels zijn nu ook ogenomen in de gemeentelijke Bomenverordening 2014. Op enig moment zal deze verordening gedeeltelijk of geheel opgaan in het omgevingsplan. Hoofdstuk 11 is daarvoor gereserveerd. In de

94

Bomenverordening 2014 is ook een bepaling omtrent de bebouwde kom opgenomen. Het ligt voor de hand de aanwijzing van de bebouwingscontour houtkap in hoofdstuk 11 op te nemen. Zolang in het omgevingsplan geen bebouwingscontour houtkap is aangewezen, geldt de bij besluit van de gemeenteraad aangewezen bebouwde kom, bedoeld in artikel 4.1, onder a, van de Wet natuurbescherming, zoals dat artikel luidde onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 3.1 van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet, als bebouwingscontour houtkap (artikel IV, vierde lid, van het Aanvullingsbesluit natuur Omgevingswet). Op 14 september 2016 heeft de gemeenteraad besloten tot het ‘Wijzigen van de Bomenverordening 2014 en intrekken van de bomenverordeningen van de bestuurscommissies’ (Gemeenteblad 2016, 137183). In onderdeel ‘F Bij Artikel 2 Bepalen bebouwde kom’ is als volgt besloten: ‘De gemeenteraad van Amsterdam heeft een besluit genomen waarbij de bebouwde kom gelijk komt te lopen met de gemeentegrens van Amsterdam zodat de Boswet nergens in de plaats treedt van de Bomenverordening van de centrale stad’. Op 1 januari 2017 is de Boswet opgegaan in de Wet natuurbescherming.

9.3 Instructieregels provinciale verordening 9.3.1 Algemeen In deze paragraaf wordt ingegaan op de provinciale instructieregels voor het omgevingsplan die zijn opgenomen in de provinciale omgevingsverordening Noord-Holland 2022 (Omgevingsverordening NH2022). Artikel 2.6 van de Omgevingswet bepaalt dat Provinciale Staten één omgevingsverordening vaststellen waarin de provinciale regels over de fysieke leefomgeving zijn opgenomen. Artikel 2.23 van de Omgevingswet bevat de grondslag om instructieregels op te nemen over gemeentelijke omgevingsplannen. Provincie Noord-Holland heeft de ambities voor de fysieke leefomgeving opgenomen in een omgevingsvisie. De hoofdambitie van de Omgevingsvisie NH2050 is een evenwichtige balans tussen economische groei en leefbaarheid. Om de lange termijn ambities waar te maken zet de provincie Noord-Holland onder andere programma’s en projecten in en onderzoekt nieuwe vormen van samenwerking om samen met partners maatschappelijke opgaven te slechten. De sturingsfilosofie zoals deze in de Omgevingsvisie is verwoord gaat uit van het principe ‘Lokaal wat kan, regionaal wat moet’, gelet op de diversiteit aan regio’s, om ruimte te bieden aan maatwerk en om vorm te kunnen geven aan een wendbare samenleving. Hierbij staat de opgave centraal. Dat bepaalt de wijze van sturing en samenwerking.

De Omgevingsverordening bevat juridische regels en geeft de weerslag van de afweging tussen ruimte voor ontwikkelingen en bescherming. De regels geven de kaders waarbinnen deze ruimte voor afweging en maatwerk mogelijk is. De regels zijn er onder andere op gericht om zoveel mogelijk binnenstedelijk te verdichten en het landschap te behouden en beschermen. Dat wil niet zeggen dat er niets mogelijk is in het landelijk gebied, maar het vraagt wel om een goede onderbouwing en landschappelijke inpassing. Voor gebieden met grotere landschappelijke, ecologische, aardkundige en cultuurhistorische waarde, is deze bewijslast logischerwijs zwaarder. In deze paragraaf wordt ingegaan op de wettelijke grondslag van de omgevingsverordening en worden de provinciale instructieregels voor het omgevingsplan op hoofdlijnen beschreven. Voor een gedetailleerde uitleg wordt verwezen naar de toelichting van de provinciale Omgevingsverordening NH2022. In afdeling 6.2 van de Omgevingsverordening NH2022 zijn de instructieregels voor de gemeentelijke omgevingsplannen opgenomen. Op grond van artikel 5.21, tweede lid, van de Omgevingswet en artikel 8.0b van het Besluit kwaliteit leefomgeving gelden deze instructieregels ook als beoordelingsregels voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

In de instructieregels voor omgevingsplannen wordt genuanceerd omgegaan met de bestaande belangen verbonden aan al aanwezige bebouwing en activiteiten. In veel gevallen is daarbij sprake van zogenoemde eerbiedigende werking, waarbij de instructieregel alleen werkt voor nieuwe situaties. In andere gevallen is het de bedoeling dat de instructieregel ook voor bestaande situaties gaat gelden. In de Omgevingsverordening NH2022 is een ontheffingsbevoegdheid opgenomen gebaseerd op artikel 2.32, eerste lid, van de Omgevingswet. Kern van deze regeling is dat in bijzondere gevallen het onverkort toepassen van de provinciale regels kan leiden tot een onevenredig nadeel bij de verwezenlijking van gemeentelijk beleid en daarom ontheffing mogelijk is. Bij de Omgevingsverordening NH2022 horen een voorbereidingsbesluit en delegatiebesluit. Daar waar Gedeputeerde Staten in het delegatiebesluit NH2022 worden gedelegeerd om nadere (inhoudelijke) regels te stellen, zijn deze regels opgenomen in bijlage 10 van de verordening.

95

Voor geitenhouderijen, windturbines en provinciale monumenten is er een voorbereidingsbesluit op grond van artikel 4.16, eerste lid, van de Omgevingswet genomen. De reden hiervoor is dat de Omgevingsverordening NH2022 over deze onderwerpen een aantal instructieregels bevat ter vervanging van bestaande rechtstreeks werkende regels uit de Omgevingsverordening NH2020. Aangezien deze instructieregels nog niet zijn verwerkt in omgevingsplannen is het wenselijk om tot het moment dat gemeenten deze instructieregels hebben verwerkt in hun omgevingsplannen voorbeschermingsregels te stellen. Deze voorbeschermingsregels zullen direct onderdeel uitmaken van de omgevingsplannen vanaf het moment dat de Omgevingswet in werking treedt.

9.3.2 Stedelijke functies Eén van de ontwikkelprincipes uit de Omgevingsvisie NH2050 is dat wonen en werken zoveel mogelijk binnenstedelijk worden gerealiseerd en geconcentreerd. In de instructieregels zijn hiervoor in paragraaf 6.2.2 stedelijke functies instructieregels opgenomen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen, voormalige agrarische bouwpercelen en kleinschalige ontwikkelingen (geen woningbouw) in het werkingsgebied Landelijk Gebied. In Amsterdam (en in de gehele Metropoolregio Amsterdam) is er voor (kleinschalige)woningbouwontwikkelingen geen ruimte in landelijk gebied. Voor dergelijke kleine ontwikkelingen is binnenstedelijk voldoende ruimte te vinden. In specifieke gevallen, zoals voormalige agrarische bebouwing, is onder voorwaarden beperkt woningbouw mogelijk. In de Omgevingsvisie NH2050 is de doelstelling opgenomen om vraag en aanbod van woon- en werklocaties kwantitatief en kwalitatief beter met elkaar in overeenstemming te brengen. Gekozen is voor het behouden van het metropolitane landschap, maar met toevoeging of verandering van functies. En om het landschap te sparen, is in de Omgevingsvisie gekozen voor verdichting van de bestaande kernen. Een zorgvuldig gebruik en verdeling van de schaarse ruimte is van belang. Voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen is daarom de instructieregel opgenomen dat daarvoor regionale afspraken nodig zijn.

De regionale afspraken betreffen nieuwe stedelijke ontwikkelingen van woningbouw, bedrijventerreinen en kantoorlocaties, detailhandel en overige stedelijke voorzieningen. Voor bepaalde functies zijn daarnaast specifieke instructieregels opgenomen. Nieuwe detailhandel wordt bij voorkeur gevestigd bij bestaande winkelgebieden en mag niet leiden tot onaanvaardbare leegstand. Daarnaast worden er voorwaarden gesteld aan verblijfsrecreatie in Landelijk Gebied, logiesactiviteiten op bedrijventerreinen, de functies die zich kunnen vestigen op een industrieterrein van provinciaal belang zoals Westpoort, middelgrote en grote datacenters en woningen binnen de LIB5 zone rond Schiphol. Kleinschalige ontwikkelingen (geen woningbouw) in het werkingsgebied Landelijk Gebied zijn slechts toegestaan onder voorwaarden. Bij een wijziging van het omgevingsplan wordt voor nieuwe ontwikkelingen gemotiveerd op welke wijze uitvoering wordt gegeven aan de instructieregels uit de omgevingsverordening.

9.3.3 Duurzame energie In de Omgevingsvisie NH2050 is de doelstelling opgenomen om ruimte te bieden aan onder meer energietransitie, in het licht van een duurzame economie, met innovatie als belangrijke motor. In het kader van het Klimaatakkoord zijn door gemeenten, waterschappen, de provincie, andere belanghebbenden en inwoners afspraken gemaakt over plekken in Noord-Holland waar duurzame energie met windturbines en zonnepanelen kan worden opgewekt. De zoekgebieden die daarvoor op basis van al deze gesprekken en onderzoeken in aanmerking komen zijn vastgelegd in de Regionale Energiestrategieën 1.0 voor Noord-Holland Noord en Noord-Holland Zuid (RES’en). De provincie neemt de hieruit voortvloeiende afspraken, net als de gemeenten en waterschappen, op in haar regelgeving. Voor de provincie betekent dit dat de Omgevingsverordening NH2022 ruimte maakt voor de afspraken uit de RES’en; de RES’en worden leidend voor wind op land. In paragraaf 6.2.3 zijn instructieregels opgenomen waar gemeenten aan moeten voldoen die in hun omgevingsplannen windturbines mogelijk maken binnen zoekgebieden wind en wind+zon die in de RES’en 1.0 zijn opgenomen. Zo krijgen gemeenten de mogelijkheden om te bepalen waar in de gemeente ruimte is voor windenergie.

Buiten de RES zoekgebieden 1.0 wind en wind+zon zijn alleen kleine windturbines (tot 15 meter) op agrarische bouwpercelen toegestaan en mogen bestaande windparken onder voorwaarden worden vervangen/vernieuwd. De beschermingsregimes, zoals de regels voor o.a. het Bijzonder Provinciaal Landschap, Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde en het Natuurnetwerk Nederland of natuurverbinding en stiltegebieden blijven van kracht. Hiervoor gelden instructieregels op basis van andere paragrafen van de omgevingsverordening. Bij een wijziging van het omgevingsplan wordt voor nieuwe ontwikkelingen gemotiveerd op welke wijze uitvoering wordt gegeven aan de instructieregels uit de omgevingsverordening.

96

9.3.4 Land en tuinbouw In de Omgevingsvisie NH2050 is de doelstelling opgenomen om ruimte te bieden aan de ontwikkeling van onder meer duurzame landbouw, in het licht van het bereiken van een duurzame economie, met innovatie als belangrijke motor. In paragraaf 6.2.4 zijn de instructieregels op genomen, waarbij de ruimtelijke inpassing van het agrarisch bouwperceel een leidend principe is. Alle bebouwing dient te worden geconcentreerd op het bouwperceel. Bij nietagrarische bedrijfsactiviteiten is geregeld welke activiteiten zijn toegestaan. Met betrekking tot het toestaan van nieuwe bouwpercelen, uitbreiding van glastuinbouwbedrijven en het niet-agrarische bedrijfsactiviteiten als zelfstandig bedrijf, zijn regels opgesteld. De intensieve veehouderij kan een grote impact hebben op de leefomgeving, door bijvoorbeeld geurhinder, uitstoot van fijnstof, ammoniak, zoönosen en endotoxinen. Ook is dierenwelzijn een onderwerp dat tot maatschappelijke discussies leidt. Om die redenen is een vergroting van het aandeel intensieve veehouderij niet gewenst. In artikel 6.43 is vastgelegd wat wel en niet wordt toegestaan met betrekking tot de intensieve veehouderij. Nieuwvestiging of omschakeling (geheel of gedeeltelijk) naar intensieve veehouderij is niet toegestaan. Enkel de intensieve veehouderijen gevestigd vóór 30 november 2011 mogen verplaatsen.

De provincie heeft per 12 december 2018 een verbod ingesteld op nieuwvestiging, uitbreiding van en omschakeling naar geitenhouderijen. Dit verbod is ingesteld vanwege het mogelijke risico voor de volksgezondheid van omwonenden die in de nabijheid van een geitenhouderij wonen. De oorzaak van de mogelijke risico’s worden nog onderzocht. Het ingestelde verbod is gebaseerd op het zogenoemde voorzorgsbeginsel. In artikel 6.44 is de instructieregel voor gemeenten opgenomen, die in acht moet worden genomen bij het vaststellen van omgevingsplannen. Via het voorbereidingsbesluit is geregeld dat in de periode dat deze instructieregel nog niet is verwerkt in het omgevingsplan het verbod al van kracht is. Bij een wijziging van het omgevingsplan wordt voor nieuwe ontwikkelingen gemotiveerd op welke wijze uitvoering wordt gegeven aan de instructieregels uit de omgevingsverordening. Voor de begrippen voor agrarische activiteiten in het omgevingsplan wordt aangesloten bij de begrippen uit de omgevingsverordening. Intensieve veehouderij en geitenhouderijen zijn in de basisregeling omgevingsplan alleen mogelijk binnen een begrensd werkingsgebied.

9.3.5 Beschermd landelijk gebied In de Omgevingsvisie NH2050 is opgenomen dat ontwikkelingen en beheer passend zijn bij de waarden, karakteristiek en het draagvermogen van het landschap. Noord-Holland kent een enorme variatie aan waardevolle landschappen. Voor de leefomgevingskwaliteit is in de Omgevingsvisie 2050 opgenomen dat het essentieel deze waarden en karakteristieken van landschap, natuur en cultuurhistorie te benoemen, te behouden, waar nodig adequaat te herstellen en waar mogelijk te versterken en te ontwikkelen. De gebieden waar behoud en versterking van natuur en landschap voorop staan vormen samen het beschermd landelijk gebied (BLG). In gebieden met een geringere aanwezigheid van natuuren landschappelijke waarden zijn meer mogelijkheden voor ontwikkelingen dan in het beschermd landelijk gebied (BLG). In paragraaf 6.2.5 van de Omgevingsverordening NH2022 zijn instructieregels opgenomen voor drie algemene regimes: • Natuurnetwerk Nederland (NNN) • Bijzonder provinciaal landschap (BPL) • Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde (UNESCO werelderfgoed) Daarnaast zijn er instructieregels voor beschermde stiltegebieden en grondwaterbeschermingsgebieden. De laatste komen niet voor binnen gemeente Amsterdam. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is gericht op behoud en bescherming van de wezenlijke kenmerken en waarden van natuur en landschap.

De bijzondere natuurwaarden en de enorme biodiversiteit van het NNN zijn van grote betekenis voor een gezonde leefomgeving. Per NNN-gebied zijn de wezenlijke kenmerken en waarden beschreven in een bijlage van de omgevingsverordening. Omgevingsplannen moeten gericht zijn op de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN of de natuurverbindingen. Ook moeten deze plannen verzekeren dat de kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het natuurnetwerk Nederland en de natuurverbindingen niet achteruit gaan. Voor nieuwe activiteiten of wijziging van bestaande activiteiten bevat de omgevingsverordening een beschermende regeling die moet waarborgen dat er geen nadelige gevolgen zijn voor de wezenlijke kenmerken en waarden. Het Bijzonder provinciaal landschap (BPL) omvat gebieden die landschappelijk, aardkundig, ecologisch of cultuurhistorisch van bijzondere waarde zijn én niet vallen binnen de NNN-begrenzing of benoemd zijn als

97

Provinciaal monument. Het BPL is beschreven in kernkwaliteiten per deelgebied. Voor gemeente Amsterdam gaat het om de gebieden Tuinen van West, Waterland, Amstelscheg en Vechtstreek Noord. In het BPL staat het behoud en versterken van de landschappelijke waarden en de betekenis van het landschap voor het aangrenzende stedelijk gebied centraal. In het BPL zijn ruimtelijke ontwikkelingen, met uitzondering van nieuwe stedelijke ontwikkelingen, toegestaan wanneer de beschreven kernkwaliteiten niet worden aangetast. Per locatie kan aan de hand van de kernkwaliteiten een zorgvuldige afweging worden gemaakt welke ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk en welke niet wenselijk zijn. Het UNESCO werelderfgoed is gericht op de universele waarden van werelderfgoed en kan ook binnen het NNN of het BPL zijn gelegen. In de gemeente Amsterdam betreft dit instructieregels voor delen van de Stelling van Amsterdam in Noord en bij Weesp. De grachtengordel is ook aangewezen als UNESCO werelderfgoed, maar hierover zijn geen instructieregels opgenomen in de Omgevingsverordening NH2022. Daarnaast gelden binnen Amsterdam instructieregels voor de stiltegebieden Ransdorp, Holysloot in Noord en het stiltegebied Vechtplassen en polders in Weesp.

In het rapport Versterking stiltegebieden Noord-Holland 2017 dat is opgesteld in opdracht van de provincie wordt de kwaliteit van genoemde gebieden beoordeeld als goed. Nieuwe activiteiten in het omgevingsplan moeten rekening houden met een maximaal toelaatbare waarde in het stiltegebied van LAeq,24h = 35dB(A) op 50 m afstand vanaf de activiteit. De instructieregel is niet van toepassing op natuurlijke geluiden, waaronder ook gebiedseigen geluiden zoals agrarische bedrijven en tuinonderhoud. Bij een wijziging van het omgevingsplan wordt voor nieuwe ontwikkelingen gemotiveerd op welke wijze uitvoering wordt gegeven aan de instructieregels uit de omgevingsverordening.

9.3.6 Ruimtelijke inpassing in landelijk gebied In de Omgevingsvisie NH2050 is als doelstelling opgenomen de unieke kwaliteiten van de diverse landschappen en de cultuurhistorie te benoemen, behouden en versterken. Ruimtelijke kwaliteit is daarbij het uitgangspunt. Er wordt onderscheid gemaakt in draagvermogen van de verschillende landschappen. In paragraaf 6.2.6 van de Omgevingsverordening NH2022 zijn instructieregels opgenomen voor de ruimtelijke inpassing. De Leidraad Landschap en Cultuurhistorie (Leidraad) is een van de provinciale instrumenten om te kunnen sturen op Ruimtelijke kwaliteit. De Leidraad wordt vastgesteld door Gedeputeerde Staten en beschrijft de provinciale belangen ten aanzien van landschappelijke en cultuurhistorische waarden. De paragraaf regelt dat de ambities en ontwikkelprincipes, zoals die zijn beschreven voor de verschillende ‘ensembles en structuren’ in de Leidraad, richtinggevend zijn (‘rekening houden met’). Hier kan slechts gemotiveerd van worden afgeweken. De ontwikkelprincipes die als ‘kans’ gemarkeerd staan, zijn inspirerend (‘betrekken bij’). Er moet aandacht aan worden besteed, maar het aspect heeft geen bijzondere, verzwaarde status. Ditzelfde geldt voor de analyse en ontstaansgeschiedenis.

Bij een wijziging van het omgevingsplan wordt voor nieuwe ontwikkelingen gemotiveerd op welke wijze uitvoering wordt gegeven aan de instructieregels uit de omgevingsverordening.

9.3.7 Cultureel erfgoed In de Omgevingsvisie NH2050 is de doelstelling opgenomen ruimtelijke ontwikkelingen te faciliteren, onder voorwaarde van behoud en ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit en het benoemen, behouden en versterken van de unieke kwaliteiten van de diverse landschappen en de cultuurhistorie. Het provinciale erfgoedregister is momenteel samengesteld uit monumenten die van bovenlokaal belang zijn, passend binnen de zogenoemde structuren van provinciaal belang zoals deze nu opgenomen zijn in de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie. Binnen gemeente Amsterdam zijn in de Omgevingsverordening NH2022 provinciale monumenten aangeduid, waaronder de Noorder IJ-en Zeedijken. Gemeenten zijn bevoegd om aanvragen voor omgevingsvergunningen voor activiteiten af te handelen die zien op wijzigingen van een provinciaal monument. Hetzelfde geldt voor toezicht en handhaving met betrekking tot provinciale monumenten. De provincie heeft daarom in paragraaf 6.2.7 van de Omgevingsverordening NH2022 instructieregels opgenomen om gemeenten in het omgevingsplan een vergunningenstelsel voor provinciale monumenten te laten opnemen. Voor de periode die gemeenten nodig hebben om deze instructieregels uit te voeren, gelden voorbeschermingsregels op grond van een voorbereidingsbesluit.

Ook zijn er instructieregels opgenomen om gemeenten in het omgevingsplan een vergunningplicht te laten opnemen op grond waarvan het verboden is om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning in een provinciaal beschermde structuur een bouwwerk te slopen. Dat hoeft alleen voor zover in de

98

omgevingsverordening ergens binnen het plangebied een werkingsgebied Cultureel Erfgoed provinciaal beschermde structuur geldt. Dat is binnen Amsterdam nergens het geval. Aan de instructieregel voor een vergunningstelsel voor provinciale monumenten is uitvoering gegeven met afdeling 10.2.

9.3.8 Klimaatadaptatie In de Omgevingsvisie NH2050 is de doelstelling opgenomen van een klimaatbestendig en waterrobuust NoordHolland. Dat geldt voor stad, land en infrastructuur. Het gaat om het voorbereid zijn op wateroverlast, hittestress, verdroging en verzilting en het beperken van de gevolgen van overstromingen. De instructieregels zijn opgenomen in paragraaf 6.2.8 van de Omgevingsverordening NH2022. De provincie vraagt gemeenten om in omgevingsplannen de risico’s ten aanzien van klimaatverandering in beeld te brengen voor nieuwe ontwikkelingen. Dit kunnen risico’s zijn voor het plan zelf en ook voor de omgeving. De instructie die in dit artikel wordt gegeven is een procesmatige verplichting, het artikel geeft geen verbod tot bepaalde ontwikkelingen. Het beschrijft hoe moet worden gehandeld en dat een gemotiveerde afweging moet worden gemaakt die voorkomt dat bij nieuwe ontwikkelingen kansen op klimaatadaptatie onbenut blijven. Bij een wijziging van het omgevingsplan wordt voor nieuwe ontwikkelingen gemotiveerd op welke wijze uitvoering wordt gegeven aan de instructieregels uit de omgevingsverordening.

9.3.9 Provinciale wegen Paragraaf 6.2.9 van de Omgevingsverordening NH2022 stelt dat omgevingsplannen die (mede) zien op een provinciale weg geen regels mogen bevatten die het gebruik, de instandhouding, de verbetering of de vernieuwing van die provinciale weg kunnen belemmeren. Bij een wijziging van het omgevingsplan wordt voor nieuwe ontwikkelingen gemotiveerd op welke wijze uitvoering wordt gegeven aan de instructieregels uit de omgevingsverordening.

9.3.10 Regionale luchthavens Paragraaf 6.2.10 van de Omgevingsverordening NH2022 bepaalt dat de regels in deze afdeling zien op de milieugebruiksruimte en de ruimtelijke indeling van het gebied van en rond de luchthavens van regionale betekenis met luchthavenbesluit ex afdeling 8.3.2 van de Wet luchtvaart. Binnen de gemeente Amsterdam betreft het luchthaven Heliport aan de Hornweg op industrieterrein Westpoort. De regels ten aanzien van Luchthaven Heliport Amsterdam in de omgevingsverordening, voortkomend uit het Luchthavenbesluit Heliport Amsterdam, hebben de werking van een voorbereidingsbesluit als bedoeld artikel 4.16 lid 1 van de Omgevingswet. Dit betekent dat deze regels direct werken totdat de gemeenteraad deze verwerkt in een omgevingsplan. Bij vaststelling van een omgevingsplan of het verlenen van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, moet de gemeente de bepalingen in het luchthavenbesluit in acht nemen. Bij een wijziging van het omgevingsplan wordt voor nieuwe ontwikkelingen gemotiveerd op welke wijze uitvoering wordt gegeven aan de instructieregels uit de omgevingsverordening.

9.3.11 Regionale waterkeringen In paragraaf 6.2.11 van de Omgevingsverordening NH2022 is de instructieregel opgenomen dat in het omgevingsplan de regionale waterkering als wordt beschermd en een beschermingszone wordt opgenomen in het omgevingsplan. Bij een wijziging van het omgevingsplan wordt voor nieuwe ontwikkelingen gemotiveerd op welke wijze uitvoering wordt gegeven aan de instructieregels uit de omgevingsverordening.

9.4 Overige wetgeving met regels, vergelijkbaar met instructieregels over het omgevingsplan 9.4.1 Wet luchtvaart De Wet luchtvaart stelt regels aan luchtvaartverkeer. Op grond van die wet worden onder meer ruimtelijke beperkingen gesteld in verband met vliegveiligheid, veiligheid van de omgeving en geluidbelasting. De ruimtelijke

99

beperkingen zijn uitgewerkt in het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB) en in luchthavenbesluiten van de provincie als het gaat om luchthavens van regionale betekenis. Luchthavenindelingbesluit Schiphol In het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB) het beperkingengebied van luchthaven Schiphol en de erbij horende beperkende regels vastgesteld. Binnen het beperkingengebied zijn verschillende zones aangewezen. Voor de gemeente Amsterdam zijn de volgende zones relevant. • Binnen het beperkingengebied externe veiligheid (zogenaamde LIB3 gebied) zijn zeer kwetsbare, kwetsbare of beperkt kwetsbare gebouwen of kwetsbare of beperkt kwetsbare locaties in principe niet toegestaan, behoudens bestaand gebruik. Nieuwe beperkt kwetsbare gebouwen of locaties met een kantoor- of industriefunctie zijn toegestaan, mits het aantal werknemers dat er verblijft niet meer dan 22 per hectare bedraagt. • Binnen het beperkingengebied geluid (LIB4) zijn in principe geen geluidgevoelige gebouwen toegestaan, met uitzondering van bestaand gebruik en kleinschalige ontwikkelingen (maximum 25 woningen binnen bestaand stedelijk gebied). • Binnen het afwegingsgebied geluid en externe veiligheid (LIB5, voorheen bekend als 20Kezone) geldt: o geen nieuwe woningbouwlocaties buiten bestaand stedelijk gebied; o er wordt rekening gehouden met de mogelijke gevolgen van een vliegtuigongeval.

• Voor gebouwen geldt een maximale bouwhoogte zoals aangegeven op de kaart ‘maatgevende kaart toetshoogtes’ (bijlage 4), tenzij het gaat om een expliciet uitgezonderde bouwplan zoals opgenomen in bijlage 7. • Voor gebouwen geldt eveneens een maximale bouwhoogte zoals aangegeven op de kaart ‘toetshoogte radar’ (bijlage 4a), tenzij het gaat om een expliciet uitgezonderde bouwplan zoals opgenomen in bijlage 8 of 8a of de Inspectie Leefomgeving en Transport een positief advies had afgegeven.

Bij het wijzigen van een omgevingsplan of bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit binnen het beperkingengebied worden de regels van het Luchthavenindelingbesluit in acht genomen. Het is mogelijk om van de regels van het Luchthavenindelingsbesluit af te wijken indien de verantwoordelijke minister een verklaring van geen bezwaar heeft afgegeven. Bij het wijzigen van een omgevingsplan binnen het beperkingengebied van Schiphol wordt aangegeven op welke wijze de regels de Wet luchtvaart en het Luchthavenindelingsbesluit in acht zijn genomen. Luchthavenbesluiten Provinciale staten stellen luchthavenbesluiten vast voor overige burgerluchthavens van regionale betekenis. Vaststelling van een luchthavenbesluit voor een luchthaven is vereist indien buiten het luchthavengebied het externe-veiligheidsrisico of de geluidbelasting vanwege het luchthavenluchtverkeer zodanig is dat dit gevolgen heeft voor de ruimtelijke indeling van het gebied rond de luchthaven. Het Besluit burgerluchthavens bepaalt welke beperkingengebieden in het luchthavenbesluit worden aangewezen in verband met externe veiligheid, geluidbelasting en vliegveiligheid en welke beperkingen in die gebieden gelden.

Bij het wijzigen van een omgevingsplan of bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit binnen het beperkingengebied worden de regels van een luchthavenbesluit in acht genomen. Het is mogelijk om van de regels van het luchthavenbesluit af te wijken indien gedeputeerde staten een verklaring van geen bezwaar hebben afgegeven. Bij het wijzigen van een omgevingsplan binnen het beperkingengebied een luchthaven met een luchthavenbesluit wordt aangegeven op welke wijze de regels de Wet luchtvaart, Besluit burgerluchthavens en het luchthavenbesluit in acht zijn genomen.

10 Inhoudelijke thema's 10.1 Het gebruik van gronden en bouwwerken Het omgevingsplan bevat, net als voorheen het bestemmingsplan, regels over het gebruik van gronden en bouwwerken. Deze regels zijn verdeeld over twee hoofdstukken. Hoofdstuk 3 bevat algemene regels over het gebruik van gronden en bouwwerken. Deze regels gelden in principe overal en voor iedereen binnen Amsterdam. Ze zijn in beginsel ook niet beperkt tot een specifiek gebruiksdoel. Wel is het toepassingsbereik van bepaalde onderdelen beperkt tot specifieke gebieden of situaties.

100

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14509255/1