CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 14 De algemene toelichting bij de regeling zonder renvooi.pdf

RAAD 18 september 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam: Basisregeling. (VN2024-007101)67.966 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 6 van 8

bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. In het tweede lid van artikel 3.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is bepaald dat het eerste lid niet geldt voor een gedeelte van een gebouw als het omgevingsplan in dat gedeelte van het gebouw geen geluidgevoelige ruimten toelaat, tenzij het gebouw een woonschip of woonwagen is. Het derde lid bepaalt dat onder een geluidgevoelig gebouw ook wordt verstaan een geluidgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit mag worden gebouwd.

62

In bijlage I van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt voor een omschrijving van wat een geluidgevoelige ruimte is verwezen naar artikel 3.22 van datzelfde besluit. Daar is bepaald dat een geluidgevoelige ruimte een verblijfsruimte of verblijfsgebied is van een: a. woonfunctie of bijeenkomstfunctie die een nevengebruiksfunctie is van die woonfunctie; b. onderwijsfunctie; c. gezondheidszorgfunctie met bedgebied of bijeenkomstfunctie die een nevengebruiksfunctie is van die gezondheidszorgfunctie; of d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied. Woonschepen en woonwagens Zoals uit het voorgaande blijkt, gelden voor woonschepen en woonwagens enkele specifieke regels. Onder een woonschip wordt verstaan een drijvend bouwwerk met een woonfunctie op een locatie die in het omgevingsplan is aangewezen als een ligplaats voor een woonschip (artikel 3.10 Besluit kwaliteit leefomgeving). Onder een woonwagen wordt verstaan een woonfunctie op een locatie bestemd voor het plaatsen van een woonwagen (begripsbepaling in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving). In artikel 3.22 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is bepaald dat een woonschepen en woonwagens geen geluidgevoelige ruimten hebben. Dat betekent dat daar geen binnenwaarden gelden (artikel 3.53 van het Besluit kwaliteit leefomgeving).

Artikel 3.23 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt vervolgens dat voor woonschepen en woonwagens de standaardwaarden en grenswaarden voor geluid gelden op de begrenzing van de locatie. Dat wil dus zeggen op de begrenzing van de locatie die als ligplaats voor een woonschip is aangewezen, en op de begrenzing van de locatie die is bestemd voor een woonwagen. Geluidaandachtsgebied Wat onder een geluidaandachtsgebied moet worden verstaan is eveneens bepaald in bijlage I van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Die begripsomschrijving is vanwege artikel 1.1 ook van toepassing op dit omgevingsplan. Verwezen wordt naar artikel 3.20 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. In het eerste lid is bepaald dat het gaat om een locatie langs een weg of spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde in Lden, bedoeld in tabel 3.34 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. In het tweede lid is bepaald dat op het bepalen van het geluidaandachtsgebied de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing zijn. Het geluidaandachtsgebied wordt bepaald op basis van de geluidcontour van de standaardwaarde. De rekenmethode om het geluidaandachtsgebied te bepalen is beschreven in bijlage IVc van de Omgevingsregeling. Voor het bepalen van het geluidaandachtsgebied wordt gebruikt gemaakt van de geluidbrongegevens.

Bij het bepalen van het geluidaandachtsgebied wordt uitgegaan van een worst case-benadering, zodat zeker is dat alle locaties waarbij de standaardwaarde(n) mogelijk worden overschreden, worden meegenomen in het onderzoek. Dit betekent ook dat het alsnog mogelijk is dat uit het geluidonderzoek blijk dat binnen het geluidaandachtsgebied de standaardwaarde niet wordt overschreden (zie uitgebreider onder: nadere informatie over systematiek wegverkeerslawaai). Het bepalen van een geluidaandachtsgebied is een rekenkundige exercitie. In artikel 11.52 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is bepaald dat een geluidaandachtsgebied moet worden vastgelegd in het geluidregister. Geluidaandachtsgebieden worden dus niet vastgelegd in het omgevingsplan (zie ook toelichting op artikel 3.20 van het Besluit kwaliteit leefomgeving). Geluidaandachtsgebieden worden als fysiek geografisch gebied vastgelegd. De geluidbrongegevens moeten daartoe worden aangeleverd ten behoeve van het geluidregister, via de Centrale Voorziening Geluidgegevens (CVGG). De Centrale Voorziening Geluidgegevens (CVGG) wordt het digitale systeem voor het uitwisselen van geluidgegevens. Het Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen zijn verplicht geluidgegevens via deze voorziening te delen. De voorziening zorgt ervoor dat deze gegevens eenvoudig vindbaar, inzichtelijk en beschikbaar zijn.

De CVGG wordt parallel aan het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) ingericht. Naar verwachting komen relevante delen van de CVGG in de toekomst ook in het DSO. Gegevens voor het geluidregister worden aangeleverd met het Informatiemodel Geluid. Dit informatiemodel zal beschikbaar worden gesteld op de website van het Bureau sanering verkeerslawaai. Totdat voor een gemeenteweg, lokale spoorweg of waterschapsweg de basisgeluidemissie is vastgelegd, bevat artikel 17.5 van de Omgevingsregeling overgangsrecht. Dat artikel regelt het geluidaandachtsgebied voor gemeentewegen, lokale spoorwegen en waterschapswegen voor de periode vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet tot aan het moment dat voor een gemeenteweg, lokale spoorweg of waterschapsweg de basisgeluidemissie uiterlijk moet zijn vastgelegd. Op dat moment vervalt dit geluidaandachtsgebied en wordt op basis van artikel 3.10 het bij de basisgeluidemissie horende geluidaandachtsgebied bepaald. Dit (tijdelijke) geluidaandachtsgebied vervalt op het moment dat de basisgeluidemissie is vastgelegd. Op basis van artikel 3.10 wordt dan het bijbehorende geluidaandachtsgebied bepaald. Artikel 17.5 Omgevingsregeling voorkomt zo dat het geluidaandachtsgebied voor deze bronnen niet gedefinieerd is tot aan het moment dat de basisgeluidemissie is vastgelegd.

63

Artikel 17.5 Omgevingsregeling bepaalt dat tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip waarop de gegevens voor de basisgeluidemissie uiterlijk worden verzameld, het geluidaandachtsgebied bestaat uit het gebied dat zich aan weerszijden van de as van de weg uitstrekt tot de volgende afstand, gemeten vanaf de rand van de weg of de buitenste spoorstaaf van de spoorweg: a. voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/u of minder geldt: 100 m; b. voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een onbekende maximumsnelheid of een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en c. voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m. Als een lokale spoorweg grotendeels is verweven of gebundeld met een gemeenteweg wordt bij de toepassing van het eerste lid het totaal van het aantal sporen of rijstroken beschouwd. Bij een wijziging van het omgevingsplan waarmee wordt voorzien in het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw, wordt beoordeeld of sprake is van een geluidaandachtsgebied.

9.2.5.2 Geluid door industrieterreinen met geluidproductieplafonds als omgevingswaarden Subparagraaf 5.1.4.2a.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat de instructieregels voor de vaststelling van omgevingsplannen die betrekking hebben op een industrieterrein. Dat zijn de terreinen waarvoor op grond van de Omgevingswet geluidproductieplafonds moeten worden vastgesteld. In de instructieregels van deze subparagraaf wordt geen onderscheid gemaakt tussen een omgevingsplan voor een nieuw industrieterrein of voor de wijziging van een bestaand industrieterrein. In alle gevallen gelden dezelfde instructieregels. Voor een meer uitgebreide toelichting op de instructieregels dan hieronder gegeven, wordt verwezen naar hoofdstuk 5 en de artikelgewijze toelichting van de Nota van Toelichting bij het Aanvullingsbesluit Geluid (Staatsblad 2020, 557). In de Omgevingswet is bepaald dat voor een industrieterrein geluidproductieplafonds als omgevingswaarden moeten worden vastgesteld. Een geluidproductieplafond voor een industrieterrein begrenst het geluid door een industrieterrein en beschermt daarmee de omgeving van het industrieterrein tegen het gezamenlijke geluid van alle activiteiten op een industrieterrein. Daarom wordt een geluidproductieplafond ook vastgesteld als een omgevingswaarde: een aan de overheid gestelde eis over de staat of kwaliteit van de fysieke leefomgeving.

De keuze voor het systeem van geluidproductieplafonds vloeit ook voort uit de wens om bron en omgeving in de beheersfase beter juridisch te scheiden. Onder de Wet geluidhinder was een grenswaarde voor een nieuwe woning ook direct een grenswaarde voor het industrieterrein die de geluidrechten van het industrieterrein kon aantasten. In het systeem van geluidproductieplafonds is dat niet meer mogelijk omdat bij omgevingsprocedures altijd moet worden uitgegaan van het geluid door het industrieterrein bij volledige benutting van de geldende geluidproductieplafonds. Daarmee zijn het geluid door activiteiten op het industrieterrein en het geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw juridisch losgekoppeld. Een ander voordeel van het systeem van geluidproductieplafonds is dat besloten kan worden om niet direct, maar pas op termijn aan een geluidproductieplafond te voldoen. Dat geeft flexibiliteit en voorkomt dat industrieterreinen 'op slot' gaan zoals onder de Wet geluidhinder. Instructieregels met betrekking tot het industrieterrein De instructieregels voor industrieterreinen bestaan op de eerste plaats uit regels met betrekking tot het toelaatbare geluid op geluidreferentiepunten van de geluidbron, dat wil zeggen door het industrieterrein als geheel.

Bij het bepalen van het toelaatbare geluid op geluidreferentiepunten wordt het geluid betrokken dat de bestaande en toekomstige activiteiten op het industrieterrein produceren en het geluid op geluidgevoelige gebouwen in de omgeving dat daardoor wordt veroorzaakt. Voor het geluid op bestaande geluidgevoelige gebouwen gelden normen waaraan getoetst wordt. Het toelaatbare geluid op geluidreferentiepunten wordt daarna, net als bij wegen en spoorwegen, vastgelegd met geluidproductieplafonds die in dit geval rond het industrieterrein liggen. Een geluidproductieplafond is daarmee het resultaat van de afweging tussen het benutten van een industrieterrein en het beschermen van de omgeving tegen het geluid van dat industrieterrein. De geluidproductieplafonds worden in de regel vastgesteld door de gemeente als onderdeel van het omgevingsplan voor het industrieterrein. In het omgevingsplan wordt ook de begrenzing van het industrieterrein vastgelegd. Instructieregels voor activiteiten op een industrieterrein Een tweede groep van instructieregels voor het geluid van industrieterreinen richt zich op activiteiten op het industrieterrein die geluid veroorzaken. Die instructieregels verplichten de gemeente om in het omgevingsplan geluidregels op te nemen voor de toegelaten activiteiten om te borgen dat de geluidproductieplafonds worden

64

nageleefd. De geluidregels voor activiteiten op een industrieterrein zijn vergelijkbaar met de geluidregels voor activiteiten die niet op een industrieterrein worden uitgevoerd. Belangrijk verschil is dat de geluidregels voor activiteiten op een industrieterrein zijn gericht op het voldoen aan het geluidproductieplafond, terwijl de geluidregels voor activiteiten buiten industrieterreinen worden gerelateerd aan omliggende geluidgevoelige gebouwen. De geluidregels kunnen in het omgevingsplan worden afgestemd op de aard van de activiteiten en de locatie op het industrieterrein, waardoor een op de lokale situatie toegesneden geluidverdeling kan ontstaan. Bij de beoordeling van een aanvraag voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten wordt rekening gehouden met de voor de betreffende percelen in het omgevingsplan opgenomen geluidregels. Wat zijn industrieterreinen? De geluidregels zijn van toepassing op industrieterreinen. Industrieterreinen zijn in dit verband terreinen waar 'bij algemene maatregel van bestuur aangewezen activiteiten kunnen worden verricht, die in aanzienlijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken' (deze worden vaak ook ‘grote lawaaimakers’ genoemd).

Die activiteiten zijn aangewezen in artikel 5.78b van het Besluit kwaliteit leefomgeving, dat voor het merendeel van deze activiteiten overigens verwijst naar een bijlage bij het Besluit activiteiten leefomgeving. Voor een bedrijventerrein waarop geen grote lawaaimakers zijn toegelaten, hoeven geen geluidproductieplafonds te worden vastgesteld. Het besluit biedt wel de mogelijkheid om een bedrijventerrein te voorzien van geluidproductieplafonds. Daarmee wordt het betreffende bedrijventerrein voor de werking van dit besluit gelijkgesteld aan een industrieterrein, met alle rechten én plichten die daaraan zijn verbonden. Bevoegd gezag voor industrieterreinen In de Omgevingswet is bepaald dat de gemeenteraad bevoegd is tot het vaststellen van geluidproductieplafonds rond industrieterreinen gelegen in haar gemeente. Voor industrieterreinen die bij omgevingsverordening zijn aangewezen zijn provinciale staten het bevoegd gezag. In de Omgevingsverordening Noord-Holland is Westpoort aangewezen als industrieterrein van regionaal belang. De ligging van het geluidaandachtsgebied speelt bij die bevoegdheid geen rol; het kan geheel in de eigen gemeente liggen maar ook gedeeltelijk in andere gemeenten.

Met het vaststellen van een geluidproductieplafond neemt de gemeente ook een besluit over de toelaatbaarheid van het geluid op geluidgevoelige gebouwen in het geluidaandachtsgebied van dat industrieterrein, ook als die gebouwen in een andere gemeente liggen. Anders gezegd: het primaat ligt bij het bevoegd gezag voor de bron, in dit geval een industrieterrein. Dat was onder de Wet geluidhinder overigens niet anders. De geluidproductieplafonds De werking van het systeem is als volgt. De plafonds leggen de bovengrens vast voor het geluid op geluidreferentiepunten van een industrieterrein als geheel. Regels in het omgevingsplan borgen dat het geluid voldoet aan die bovengrens. Daarmee wordt de omgeving beschermd tegen het gezamenlijke geluid van alle activiteiten op een industrieterrein. Gemeenten hebben tot een nader te bepalen tijdstip de tijd om geluidproductieplafonds vast te stellen. Daarbij wordt ook bekeken welke regels in het omgevingsplan nodig zijn om te borgen dat er wordt voldaan aan de geluidproductieplafonds.

Met het oog op beheersing van geluid van milieubelastende activiteiten op industrieterreinen bevat Hoofdstuk 9 een specifieke regel, namelijk dat de langtijdgemiddelde geluidproductie van deze activiteiten niet meer mag bedragen dan 50 dB(A) in de dagperiode (7.00-19.00), 45 dB(A) in de avondperiode (19.00-23.00) tot 40 dB(A) in de nachtperiode (23.00-7.00) op 50 meter afstand (zie artikel 9.50 Waarde industrieterrein). Indien voor een activiteit een maatwerkvoorschrift geldt (waaronder mede wordt verstaan voorschriften van milieuvergunningen die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn gesteld), dan dient de milieubelastende activiteit aan dat maatwerkvoorschrift te voldoen. Hiernaast kunnen bestemmingsplannen (tijdelijk deel omgevingsplan) ook regels bevatten met het oog op beheersing van de totale geluidproductie van het industrieterrein. Zo gelden bijvoorbeeld in Westpoort de aanvullende regels van het Geluidverdeelplan. Bij het vaststellen van de geluidproductieplafonds dient het bevoegd gezag te beoordelen of deze regels voldoende zijn om de naleving van de geluidproductieplafonds te borgen of er aanvullende of andere regels meer geschikt zijn. In dat geval worden die aanvullende regels aan het omgevingsplan toegevoegd.

In hoofdstuk 9 (artikel 9.34) is een verbod opgenomen voor een specifieke groep van grote lawaaimakers, namelijk voor grote elektro- en verbrandingsmotoren en voor transformatoren om zonder omgevingsvergunning buiten een

65

industrieterrein hun activiteit te verrichten. Die vergunning kan alleen verleend indien de geluidbelasting relatief gering is. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan 5.72a van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Voor de overige grote lawaaimakers bevat het Besluit activiteiten leefomgeving een vergelijkbaar verbod. Tot slot bevat Hoofdstuk 9 verschillende informatieplichten in verband met het beheersen van geluid van het industrieterrein (zie artikel 9.27 en 9.28).

9.2.5.3 Geluid door wegen en lokale spoorwegen zonder geluidsproductieplafonds als omgevingswaarden Subparagraaf 5.1.4.2a.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels met betrekking tot geluid door wegen en lokale spoorwegen zonder geluidsproductieplafonds als omgevingswaarden. Hiermee zijn nieuwe regels gesteld voor gemeentewegen en lokale spoorwegen om woningen en andere geluidgevoelige gebouwen beter te beschermen tegen geluidhinder. Voor een meer uitgebreide toelichting op de instructieregels dan hieronder gegeven, wordt verwezen naar hoofdstukken 6 en 7 van de Nota van Toelichting bij het Aanvullingsbesluit Geluid (Staatsblad 2020, 557). De taak om het geluid van bepaalde gemeentewegen en lokale spoorwegen te beheersen is in het Besluit kwaliteit leefomgeving uitgewerkt in twee te onderscheiden typen instructieregels: instructieregels met een preventieve werking en instructieregels met een correctieve werking. De preventieve instructieregels worden toegepast bij besluitvorming over ruimtelijke ontwikkelingen of over infrastructuur. Het gaat dan bijvoorbeeld om aanleg van of wijzigingen in infrastructuur of de bouw van woningen. Toepassing van deze regels bewerkstelligt voor wat betreft geluid een aanvaardbare kwaliteit van de fysieke leefomgeving.

De correctieve instructieregels volgen uit de Europese richtlijn omgevingslawaai en houdt de verplichting tot het opstellen van een actieplan geluid in. Op grond van de correctieve instructieregels betekent dit in essentie een plicht tot monitoring van het geluid van gemeentewegen en lokale spoorwegen, met daaraan gekoppeld de plicht geluidbeperkende of geluidwerende maatregelen te overwegen als uit de monitoring blijkt dat het geluid van die (spoor)wegen in een bepaalde mate is toegenomen. Een omgevingsplan dat aanleg of wijziging van een (spoor)weg of het gebruik van een spoorweg, toelaat moet voldoen aan de preventieve geluidregels. Deze regels zijn zo geformuleerd dat een gemeente ze direct kan toepassen bij vaststelling van een omgevingsplan, of in het omgevingsplan regels kan opnemen waardoor de toetsing uitgesteld wordt naar een later tijdstip. Als de instructieregels direct worden toegepast, worden zo nodig ook de geluidbeperkende maatregelen vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met het maximale geluid in de omgeving die door het bewuste besluit worden toegelaten. Als het omgevingsplan bijvoorbeeld een weg met vier rijstroken toelaat, zal getoetst moeten worden op basis van die situatie, ongeacht het aantal rijstroken dat in eerste instantie wordt aangelegd. Hetzelfde geldt voor de afstand van de weg tot geluidgevoelige gebouwen.

Een andere mogelijkheid is dat niet wordt uitgegaan van de infrastructuur die in het omgevingsplan in beginsel is toegelaten, maar dat het omgevingsplan regels bevat die een (nieuwe) toetsing van geluid voorschrijven als op termijn een wijziging van infrastructuur mogelijk is zonder dat daar een wijziging van het omgevingsplan voor nodig is. In plaats van in het omgevingsplan gedetailleerd de ligging van een weg of spoorweg vast te leggen, kan de gemeente dan met een binnenplans vergunningstelsel in het omgevingsplan regelen dat op een later moment alsnog wordt getoetst aan de geluidregels (zie meer uitgebreid onder andere paragraaf 2.4 van de Nota van Toelichting bij het Aanvullingsbesluit Geluid, Staatsblad 2020, 557). In dit omgevingsplan is gekozen voor dat laatste. In hoofdstuk 7 is een vergunningplicht opgenomen voor het aanleggen of wijzigen van de betreffende (spoor)wegen en voor het wijzigen van het gebruik van een lokale spoorweg. Overigens valt niet elke wijziging onder de vergunningplicht. In navolging van de instructieregels blijft de vergunningplicht beperkt tot een aantal specifiek benoemde wijzigingen (zie artikel 7.4). Met betrekking tot die activiteiten vindt de finale beoordeling op de aanvaardbaarheid van het geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen plaats in het kader van die vergunningaanvraag.

Het doorschuiven in de tijd van het toetsen aan geluidregels betekent overigens niet dat bij de voorbereiding van het omgevingsplan helemaal geen aandacht aan geluid hoeft te worden besteed. De uitvoerbaarheid van het omgevingsplan moet altijd en dus ook vanuit het perspectief van geluid aannemelijk worden gemaakt. Dat onderzoek kan dan wel globaal zijn, waarbij gebruik wordt gemaakt van de informatie die op dat moment beschikbaar is. In dit omgevingsplan wordt in hoofdstuk 7 met een vergunningplicht uitvoering gegeven aan de preventieve instructieregels voor wat betreft het aanleggen of wijzigen van een gemeenteweg, waterschapsweg of lokale spoorweg, of het wijzigen van gebruik van een lokale spoorweg. In navolging van de instructieregels, zoals opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving, heeft hoofdstuk 7 uitsluitend betrekking op verharde gemeentewegen en waterschapswegen zonder geluidproductieplafonds, niet zijnde een erf in de zin van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met een verkeersintensiteit van meer dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaargemiddelde, en lokale spoorwegen zonder geluidproductieplafonds.

66

De regeling voorziet erin dat bij de aanleg van een nieuwe weg of spoorweg het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger wordt dan de standaardwaarde. Verder voorziet de regeling erin dat bij wijziging van een bestaande weg of spoorweg het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger wordt dan de standaardwaarde of, als het al hoger was dan de standaardwaarde, het niet verder toeneemt. De gemeente kan meer geluid toestaan, maar alleen als geen geluidbeperkende maatregelen mogelijk zijn die ervoor zorgen dat de standaardwaarde niet wordt overschreden of die ervoor zorgen dat het geluid niet toeneemt. In beginsel mag de grenswaarde niet worden overschreden. Geluidbeperkende maatregelen die niet financieel doelmatig zijn of die stuiten op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard hoeven niet te worden afgewogen. Overschrijding van de grenswaarde is alleen mogelijk als zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen dit rechtsvaardigen. Waar een toename van het geluid moet worden beoordeeld, wordt dit getoetst door de situatie direct voor het besluit te vergelijken met de situatie zoals die is na het volledig doorvoeren van het besluit. Uitgangspunt daarbij is het geluid zoals zich dat naar verwachting voordoet in het maatgevende jaar. Dat volgt uit artikel 5.78a.

Over het algemeen kan voor het maatgevende jaar uitgegaan worden van de situatie tien jaar na de beoogde realisatie van het plan, bijvoorbeeld tien jaar na realisatie van een wegverbreding of van een woonwijk. Als dit echter leidt tot een te grote onderschatting van het geluid, dient een ander jaar gekozen te worden als maatgevend jaar. De regeling, opgenomen in hoofdstuk 7, is alleen van toepassing op gebieden waar het onder oud recht vastgestelde ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is vervallen. Daar waar dat niet het geval is, is op het aanleggen of wijzigen van wegen of spoorwegen zonder geluidproductieplafonds de overgangsrechtelijke regeling van toepassing zoals opgenomen in afdeling 22.4.

9.2.5.4 Toelaten van geluidgevoelige gebouwen in geluidaandachtsgebieden Subparagraaf 5.1.4.2a.4 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels met betrekking tot het toelaten van nieuwe geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied van een weg, spoorweg of een industrieterrein. Dat omvat ook het wijzigen van toegelaten geluidgevoelige gebouwen voor zover dat een nadelig effect heeft op het geluid op die gebouwen. De instructieregels zien echter niet op geluidgevoelige gebouwen die al eerder toegelaten zijn. Voor een meer uitgebreide toelichting op de instructieregels dan hieronder gegeven, wordt verwezen naar hoofdstuk 9 van de Nota van Toelichting bij het Aanvullingsbesluit Geluid (Staatsblad 2020, 557). Twee algemeen geformuleerde normen vormen de basis voor het toelaten van geluidgevoelige gebouwen. Ten eerste moet in een omgevingsplan rekening gehouden worden met het geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen. Ter uitvoering van die regel wordt in ieder geval de cumulatie van geluid bezien. Ten tweede moet het omgevingsplan erin voorzien dat het geluid van een weg, spoorweg of industrieterrein op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is.

Aan die norm wordt in ieder geval voldaan als het geluid voldoet aan de standaardwaarde, maar het besluit laat ruimte om gemotiveerd ook hogere geluidniveaus aanvaardbaar te achten. Bij de standaardwaarde is in en om het gebouw sprake van een goed woon- en leefklimaat. De standaardwaarde beschermt het gebouw én de directe omgeving, zoals buitenruimten, tegen het geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw moeten waar nodig geluidbeperkende maatregelen worden getroffen om het geluid te laten voldoen aan de standaardwaarde. Het betreft dan alle geluidbeperkende maatregelen die financieel doelmatig zijn en waartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan. Als dat niet mogelijk is, moeten geluidbeperkende maatregelen worden getroffen om een overschrijding van de standaardwaarde zoveel mogelijk te beperken. Hoewel dat voor geluid niet de voorkeur heeft, kan het bevoegd gezag besluiten om een geluidgevoelig gebouw toe te laten op een locatie waar het geluid op de gevel hoger is dan de standaardwaarde. Het geluidniveau mag dan niet hoger zijn dan de grenswaarde. Voorwaarde is dat wel geluidbeperkende maatregelen worden getroffen om de overschrijding van de standaardwaarde zoveel mogelijk te beperken.

Ook hierbij gaat het om geluidbeperkende maatregelen die financieel doelmatig zijn en waartegen geen overwegende bezwaren vanstedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan. Het bevoegd gezag kan tussen de standaardwaarde en de grenswaarde een afweging maken over het geluid op de gevel. Wat in een bepaalde situatie voor wat betreft te treffen maatregelen mogelijk is en qua geluid toelaatbaar is, is een onderdeel van de integrale besluitvorming, waarbij alle factoren die in de betreffende casus aan de orde zijn tegen elkaar worden afgewogen. Aan een overschrijding van de standaardwaarde wordt wel als extra voorwaarde gesteld dat de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op het betreffende geluidgevoelig gebouw moet worden beoordeeld. Omdat het

67

geluid boven de standaardwaarde ligt, is de gemeente verplicht om het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel te betrekken bij haar besluit. Het is aan de gemeente om te bepalen in welke gevallen boven de standaardwaarde het realiseren van een geluidluwe gevel gewenst wordt gevonden. De Wet geluidhinder bood de mogelijkheid om in situaties waarin sprake was van bijzondere stedenbouwkundige situaties, bijvoorbeeld bij het vervangen van een geluidbelaste woning door een nieuwe woning, meer geluid toelaatbaar te achten dan bij reguliere nieuwbouw. Die mogelijkheden zijn in dit besluit in een gestroomlijnde vorm voortgezet en bieden een zekere mate van afwegingsruimte boven de grenswaarden voor het geluid op de gevel. Die uitzonderingen zijn nodig om bepaalde gewenste maatschappelijke ontwikkelingen en verbeteringen niet te blokkeren. De drie flexibiliteitsgevallen zijn, kort samengevat, een nieuw geluidgevoelig gebouw dat wordt toegelaten: • ter vervanging van een bestaand ouder geluidgevoelig gebouw (vervangende nieuwbouw); • door functiewijziging van een bestaand gebouw (transformatie); of • in het geluidaandachtsgebied van een industrieterreinen met zeehavengebonden activiteiten.

De voornoemde flexibiliteitsartikelen worden pas toegepast in gevallen waarin het niet mogelijk is om het geluid te beperken tot de standaardwaarde en het ook niet mogelijk is om het geluid te beperken tot de grenswaarde. Toepassing van de flexibiliteitsartikelen is daarom alleen aan de orde als de maatregelen die daarvoor nodig zijn naar het oordeel van de gemeente niet financieel doelmatig zijn of dat daartegen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan. Omdat de grenswaarde wordt overschreden moeten wel geluidbeperkende maatregelen worden getroffen die de overschrijding van de grenswaarde zoveel mogelijk beperken. Bij het toestaan van overschrijdingen van de grenswaarde voor het geluid op de gevel worden zwaardere eisen gesteld aan de motivering dan bij gebruikmaking van de reguliere afwegingsruimte tussen standaardwaarde en grenswaarde. Uiteraard moet het geluid in nieuwe geluidgevoelige gebouwen ook altijd voldoen aan de binnenwaarden. Dat is geregeld in het Besluit bouwwerken leefomgeving. Bij vervangende nieuwbouw, functiewijziging en zeehavengebonden activiteiten mag de grenswaarde met niet meer dan 5 dB worden overschreden.

Als geen sprake is van één van de bijzondere stedenbouwkundige situaties als in de vorige paragraaf beschreven of als het geluid op de nieuwe geluidgevoelige gebouwen hoger is dan de grenswaarde +5 dB, dan kan het geluid toch aanvaardbaar worden geacht als er geen sprake is van te openen delen in de gevel waarop de grenswaarde wordt overschreden, of als het gebouw wordt voorzien van een bouwkundige constructie die het geluid op ramen en deuren (te openen delen) beperkt tot de grenswaarde (dit is een zogenaamde ‘niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen’). Als ook dat niet mogelijk is, kan het geluidgevoelige gebouw nog worden toegelaten als zwaarwegende economische of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen dit rechtvaardigen. In dat geval wordt de gevel aangemerkt als niet-geluidgevoelige gevel. De geluidbelasting op een niet-geluidgevoelige gevel (al dan niet met bouwkundige maatregelen) wordt niet betrokken bij een eventuele wijzigen van de geluidbron of het toelaten van een nieuwe geluidbron. De geluidtoets voor geluidgevoelige gebouwen op geluidgevoelige locaties wordt in principe gemaakt bij een wijziging van het omgevingsplan waarmee een nieuw geluidgevoelig gebouw wordt toegelaten.

Bij een dergelijke wijziging wordt gemotiveerd op welke wijze uitvoering wordt gegeven aan de instructieregels, opgenomen in paragraaf 5.1.4.2a.4 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Daarbij worden in het omgevingsplan die regels opgenomen, die ervoor zorgen dat sprake is van een aanvaardbaar geluid. Mogelijkheid om de beoordeling door te schuiven naar het concrete bouwinitiatief Het toelaten van geluidgevoelige gebouwen gebeurt in beginsel door het wijzigen van het omgevingsplan. Met ruimtelijke regels over gebruik en bouwwerken wordt bepaald waar een geluidgevoelig gebouw kan komen. Dat met ruimtelijke regels op een bepaalde locatie in een geluidgevoelig gebouw wordt voorzien, betekent echter niet dat het zonder meer is toegestaan. Er geldt een vergunningplicht voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken, waarbij aan een aantal aanvullende beoordelingsregels wordt getoetst. De Omgevingswet biedt de mogelijkheid om de finale beoordeling of sprake is van een aanvaardbaar geluid door te schuiven naar de beoordeling van een vergunningaanvraag. Dat kan wenselijk zijn wanneer dat het eerste moment is waarop voldoende gegevens beschikbaar zijn om de geluidsbelasting en eventueel te betrekken maatregelen goed te kunnen beoordelen.

Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer de wijziging van een omgevingsplan voorziet in globale regels voor gebiedsontwikkeling, waarbij nog niet gedetailleerd is vastgesteld waar gebouwen komen, hoe die worden vormgegeven, wat de fasering van realisatie gaat zijn en waar geluidgevoelig gebruik wordt gevestigd. In dat geval kan het in de rede liggen de finale beoordeling door te schuiven naar de vergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken. In subparagraaf 4.2.4.7 van de planregels wordt in die mogelijkheid voorzien. In het betreffende onderdeel zijn beoordelingsregels opgenomen die betrekking hebben op de aanvaardbaarheid van het geluid op de gevel van

68

geluidgevoelige gebouwen. En ook voor de binnen de gebruiksregels toegestane omzetting van het gebruik van een bestaand gebouw naar een geluidgevoelig gebruik wordt de mogelijkheid geboden de finale beoordeling door te schuiven naar een concreet initiatief (onderdeel 3.2.6 van de planregels). Deze finale toets is alleen van toepassing op locaties waarvoor dat expliciet is bepaald. Uitgangspunt is dus dat de finale beoordeling plaatsvindt bij wijziging van het omgevingsplan. Is dat niet goed mogelijk, dan kan dat finale toetsmoment worden doorgeschoven. Het doorschuiven van het toetsen aan geluidregels betekent overigens niet dat bij de voorbereiding van een wijziging van het omgevingsplan helemaal geen aandacht aan geluid hoeft te worden besteed. De uitvoerbaarheid van het omgevingsplan moet altijd en dus ook vanuit het perspectief van geluid aannemelijk worden gemaakt. Dat onderzoek kan dan wel globaal zijn, waarbij gebruik wordt gemaakt van de informatie die op dat moment beschikbaar is. Bij de opbouw van de beoordelingsregels is de systematiek van paragraaf 5.1.4.2a.4 van het Besluit kwaliteit leefomgeving gevolgd. Daarbij is tevens voorzien in de mogelijkheid dat de grenswaarde in bepaalde gevallen kan worden overschreden. Zoals ook uit de Nota van Toelichting bij het Besluit kwaliteit leefomgeving blijkt, vraagt dit een zware motivering.

Daarbij wordt voorzien in twee fasen in de besluitvorming. Allereerst wordt de mogelijkheid om een overschrijding van de grenswaarde aanvaardbaar te vinden bepaald in het omgevingsplan. Daartoe is bepaald dat de regels waarmee een overschrijding kan worden toegestaan alleen gelden ter plaatse van in het omgevingsplan aangegeven locaties. Het geografisch toepassingsbereik van de mogelijkheid is daarmee beperkt. Het aangegeven van die locaties gebeurt bij wijzigingsbesluit van het omgevingsplan. Het is aan de gemeenteraad (of, indien gedelegeerd, aan het college) om bij wijziging van het omgevingsplan te besluiten over de aanvaardbaarheid van mogelijke toepassing van deze mogelijkheid. Vervolgens vindt de definitieve beoordeling of een overschrijding van de grenswaarde aanvaardbaar is plaats in het kader van de concrete vergunningaanvraag voor een bouwwerk of wijziging gebruik. Vervangen van een bestaand ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan Bij het vervangen van een ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan, bijvoorbeeld een onder oud recht vastgesteld bestemmingsplan dat een geluidgevoelig gebouw toelaat, hoeft op grond van artikel 5.78, tweede lid, geen toepassing te worden gegeven aan paragraaf 5.1.4.2a.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Er is in dat geval immers sprake van geluidgevoelig gebouw dat reeds rechtmatig is toegestaan op het tijdstip van de wijziging van het omgevingsplan. Hetzelfde geldt voor geluidgevoelige gebouwen die op grond een omgevingsvergunning voor een buitenplanseomgevingsplanactiviteit zijn toegestaan. Het maakt daarbij niet uit of het gebouw daadwerkelijk is gerealiseerd. Bepalen geluidaandachtsgebied Paragraaf 5.1.4.2a.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is alleen van toepassing op het toelaten van geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied. Wat onder een geluidaandachtsgebied moet worden verstaan is bepaald in bijlage I van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Die begripsomschrijving is vanwege artikel 1.1 ook van toepassing op dit omgevingsplan. Verwezen wordt naar artikel 3.20 van datzelfde besluit. In het eerste lid is bepaald dat het gaat om een locatie langs een weg of spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde in L den, bedoeld in tabel 3.34 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. In het tweede lid is bepaald dat op het bepalen van het geluidaandachtsgebied de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing zijn. Het geluidaandachtsgebied wordt bepaald op basis van de geluidcontour van de standaardwaarde.

De rekenmethode om het geluidaandachtsgebied te bepalen is beschreven in bijlage IVc van de Omgevingsregeling. Voor het bepalen van het geluidaandachtsgebied wordt gebruikt gemaakt van de geluidbrongegevens. Bij het bepalen van het geluidaandachtsgebied wordt uitgegaan van een worst case-benadering, zodat zeker is dat alle locaties waarbij de standaardwaarde(n) mogelijk worden overschreden, worden meegenomen in het onderzoek. Dit betekent ook dat het alsnog mogelijk is dat uit het geluidonderzoek blijk dat binnen het geluidaandachtsgebied de standaardwaarde niet wordt overschreden (zie uitgebreider onder: nadere informatie over systematiek wegverkeerslawaai). Het bepalen van een geluidaandachtsgebied is een rekenkundige exercitie. In artikel 11.52 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is bepaald dat een geluidaandachtsgebied moet worden vastgelegd in het geluidregister. Geluidaandachtsgebieden worden dus niet vastgelegd in het omgevingsplan (zie ook toelichting op artikel 3.20 van het Besluit kwaliteit leefomgeving). Geluidaandachtsgebieden worden als fysiek geografisch gebied vastgelegd. De geluidbrongegevens moeten daartoe worden aangeleverd ten behoeve van het geluidregister, via de Centrale Voorziening Geluidgegevens (CVGG). De Centrale Voorziening Geluidgegevens (CVGG) wordt het digitale systeem

69

voor het uitwisselen van geluidgegevens. Het Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen zijn verplicht geluidgegevens via deze voorziening te delen. De voorziening zorgt ervoor dat deze gegevens eenvoudig vindbaar, inzichtelijk en beschikbaar zijn. De CVGG wordt parallel aan het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) ingericht. Naar verwachting komen relevante delen van de CVGG in de toekomst ook in het DSO. Gegevens voor het geluidregister worden aangeleverd met het Informatiemodel Geluid. Dit informatiemodel zal beschikbaar worden gesteld op de website van het Bureau sanering verkeerslawaai.

9.2.5.5 Indirecte akoestische effecten van veranderend verkeer Subparagraaf 5.1.4.2a.5 bevat instructieregels met betrekking tot indirecte akoestische effecten van wijzigingen door veranderend verkeer. Deze subparagraaf gaat over indirecte effecten die het gevolg zijn van veranderingen in de verkeersintensiteit op gemeentewegen, waterschapswegen en lokale spoorwegen waarover geen besluit wordt genomen. Voor een meer uitgebreide toelichting op de instructieregels dan hieronder gegeven, wordt verwezen naar hoofdstuk 9 van de Nota van Toelichting bij het Aanvullingsbesluit Geluid (Staatsblad 2020, 557). Als gevolg van ontwikkelingen elders kan op bestaande wegen sprake zijn van een grote toename van verkeer. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de realisatie of uitbreiding van een woonwijk, kantorencomplex, bedrijventerrein, winkelcentrum of toeristische attractie. Andere voorbeelden zijn de aanleg van een rondweg of het aanleggen van een nieuwe aansluiting op een rijksweg waardoor verkeersstromen wijzigen en bestaande wegen drukker worden. De gevolgen van een toename van het verkeer op wegen die buiten een plangebied liggen wordt aangeduid als het indirecte akoestische effect. De Wet geluidhinder bevatte geen regels voor het beoordelen van het indirecte akoestische effect van ruimtelijke plannen die leidden tot toename van verkeer op bestaande infrastructuur.

Een toetsing voor geluid vond echter wel plaats in het kader van een goede ruimtelijke ordening als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening. Daarbij werd in de regel aansluiting gezocht bij het normenkader van de Wet geluidhinder. De instructieregel beoogt voor wijzigingen in de omgeving eenzelfde effect voor geluid te hebben als de plicht tot goede ruimtelijke ordening voorheen had. Daarbij is geregeld dat het indirecte akoestische effect op dezelfde wijze moet worden beoordeeld als het directe effect. Voor het indirecte akoestische effect geldt als drempel dat sprake moet zijn van een toename van het geluid op een geluidgevoelig gebouw van meer dan 1,5 dB. Dat verschil wordt bepaald voor de situatie in een maatgevend jaar. Voor dat tijdstip wordt vergeleken het geluid zonder het effect van het ruimtelijke plan (de zogenoemde autonome ontwikkeling) en het geluid inclusief het indirecte akoestische effect. Als vuistregel geldt hierbij dat meestal geen sprake is van een toename van het geluid met meer dan 1,5 dB als de toename van de verkeersintensiteit, bij ongeveer gelijkblijvende verkeerssamenstelling, niet groter is dan 40%. Aan deze instructieregel wordt uitvoering gegeven bij afzonderlijke besluiten tot wijziging van het omgevingsplan, waarmee wordt voorzien in de realisatie van een ruimtelijk plan.

9.2.5.6 Indirecte akoestische effecten van wijziging in de geluidoverdracht Subparagraaf 5.1.4.2a.6 regelt dat er aandacht is voor de geluideffecten van wijzigingen in het geluidaandachtsgebied van wegen, spoorwegen en industrieterreinen. De paragraaf ziet dus op alle geluidbronnen die een geluidaandachtsgebied hebben, heeft geen betrekking op wijzigingen aan die bronnen maar juist wel op fysieke wijzigingen in het geluidaandachtsgebied. Het kan bijvoorbeeld gaan om de sloop van een groot bouwwerk dat geluid afschermt, de bouw van een nieuw bouwwerk dat geluid reflecteert richting geluidgevoelige bouwwerken, of om het wijzigen van grasland in een wateroppervlak dat leidt tot een toename van geluid. Dit zijn voorbeelden van fysieke wijzigingen die de geluidoverdracht door een geluidbronsoort naar geluidgevoelige gebouwen veranderen. Net als in andere paragrafen is beoordeling niet aan de orde voor niet-geluidgevoelige gevels. De instructieregel houdt in dat bij wijzigingen in een omgevingsplan die de geluidoverdracht zo beïnvloeden dat die leiden tot een significante toename van het geluid op geluidgevoelige gebouwen de gemeente moet bezien of er geluidbeperkende of geluidwerende maatregelen getroffen worden. De instructieregel beoogt voor wijzigingen in het geluidaandachtsgebied eenzelfde effect voor geluid te hebben als de plicht tot goede ruimtelijke ordening voorheen had.

Daarom is er vrijheid voor de gemeente om per geval te beoordelen wat een significante toename van geluid is en welke maatregelen eventueel getroffen worden. Dit is gedaan om lokaal maatwerk mogelijk te maken. Aan deze instructieregel wordt uitvoering gegeven bij afzonderlijke besluiten tot wijziging van het omgevingsplan. Daarbij moet worden overwogen of in bepaalde gevallen een sloopvergunningplicht in het leven moet worden geroepen. Dat moet zeker worden overwogen bij gebiedsontwikkeling waarbij in een voorgeschreven fasering

70

rekening is gehouden met de geluidafschermende werking van bijvoorbeeld eerstelijns bebouwing. Die afweging wordt per afzonderlijk wijzigingsbesluit gemaakt. In paragraaf 4.3.2 is een reservering opgenomen voor een dergelijke sloopvergunningplicht.

9.2.5.7 Geluid rond luchthavens Paragraaf 5.1.4.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is gereserveerd voor instructieregels met betrekking tot geluid rond luchthavens. Tot het moment dat hierover instructieregels zijn opgenomen, zijn de regels over geluid, gesteld bij of krachtens de Wet luchtvaart, van toepassing. In paragraaf 9.4.1 wordt hierop ingegaan.

9.2.5.8 Geluid door enkele specifieke activiteiten Paragraaf 5.1.4.2.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels met betrekking tot geluid door enkele specifieke activiteiten. Windturbines en windparken Artikel 5.74 en 5.75 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevatten instructieregels met betrekking tot windturbines en windparken. De instructieregels hebben betrekking op het toestaan in het omgevingsplan van zowel solitaire windturbines als van windparken of op het toestaan van geluidgevoelige gebouwen die belast worden met het geluid van windturbines. Kort gezegd houdt de instructieregel in dat de aangegeven standaardwaarden voor geluid door windturbines en windparken op geluidgevoelige gebouwen in het omgevingsplan moeten worden opgenomen. Daarbij wordt de mogelijkheid geboden andere waarden op te nemen. Met artikel 9.169 wordt aan deze instructieregel uitvoering gegeven voor zover het gaat om maximaal drie windturbines. De standaardwaarden zijn als waarden opgenomen. Voor windparken met meer dan drie windturbines bevat het Besluit activiteiten leefomgeving geluidregels. Civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen Artikel 5.76 en 5.77 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevatten instructieregels met betrekking tot civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen.

Deze zijn binnen Amsterdam niet aanwezig. In artikel 9.226 is een verbod opgenomen om zonder omgevingsvergunning een buitenschietbaan of een militair springterrein op een militair terrein te exploiteren. Op het verlenen van die omgevingsvergunning zijn de beoordelingsregels in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing verklaard. Bij die beoordeling wordt toepassing gegeven aan de instructieregels.

9.2.5.9 Geluid door overige activiteiten Paragraaf 5.1.4.2.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels met betrekking tot geluid door activiteiten, anders dan door specifieke activiteiten. Die instructieregels zijn zowel van toepassing op het toelaten van een activiteit dat geluid veroorzaakt op een toegelaten geluidgevoelig gebouw als op het toelaten van een geluidgevoelig gebouw waarop toegelaten activiteiten geluid veroorzaken. Voor beide situaties geldt dat het geluid door activiteiten op het geluidgevoelig gebouw aanvaardbaar moet zijn. Dit betekent dat er beoordeeld moet worden wat de geluidsituatie op geluidgevoelige gebouwen wordt gelet op de gezamenlijke geluidproductie van alle activiteiten. Hiernaast dient het omgevingsplan te borgen dat het geluid door een activiteit op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Hieraan wordt in ieder geval voldaan als het omgevingsplan de aangegeven standaardwaarden op het geluidgevoelige gebouw en grenswaarden in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen voorschrijft. Van de standaardwaarde is het mogelijk om af te wijken mits er wordt voldaan aan de grenswaarde in geluidgevoelige ruimten geluidgevoelige gebouwen (anders dan binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen).

Het is ook mogelijk om andere regels te stellen dan geluidwaarden (bijvoorbeeld het treffen van maatregelen verplichten of openingstijden beperken) dan wel de aanvaardbaarheid te motiveren zonder het stellen van nadere regels. Voor sommige activiteiten (bv. die in de openbare ruimte) of voor sommige geluidbronnen (bv. stemgeluid) gelden immers de geluidwaarden niet. Aan deze paragraaf wordt uitvoering gegeven met onderdeel 9.2.2.3.2 Geluidregels ter bescherming van geluidgevoelige gebouwen. Daarin zijn de aangegeven standaardwaarden en grenswaarden voorgeschreven. Tevens bevat het afwijkende waarden voor enkele specifieke situaties (bijzondere activiteiten dan wel gebieden). Indien ertoe aanleiding is kunnen voor de afwijkende situaties nader aangevuld worden. Ook is het mogelijk om op grond van artikel 9.5 een maatwerkvoorschrift te stellen aan een individuele activiteit waarmee van de algemene regels wordt afgeweken. De aanvaardbaarheid van activiteiten of geluidbronnen waarvoor de geluidwaarden niet gelden, wordt bij het wijzigen van het omgevingsplan gemotiveerd waarmee geluidgevoelige gebouwen dan wel geluid-veroorzakende activiteiten worden toegelaten.

71

9.2.6 Trillingen Net als geluid kunnen trillingen een nadelige invloed hebben op de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Trillingen hebben effect op de gezondheid en het welzijn (door hinder en slaapverstoring). Ook kunnen trillingen materiële schade aan gebouwen veroorzaken of leiden tot verstoring van gevoelige apparatuur of specifieke handelingen (bijvoorbeeld bij laboratoria of operatiezalen). Trillingen ontstaan doordat een bron (bijvoorbeeld een machine) een kracht uitoefent op de constructie van een gebouw of op de bodem. Het onderscheid tussen de verschijningsvormen van laagfrequent geluid en trillingen is niet altijd even duidelijk waarneembaar. Anders dan bij geluid vindt de overdracht van trillingen echter niet plaats via de lucht, maar via vaste materie (bodem, vloeren, wanden). Bekende trillingsbronnen zijn: wegverkeer, railverkeer (trein, maar ook tram en metro) en bedrijfsmatige activiteiten (stansmachines, draaiende motoren, heftrucks, zwaar materieel e.d.). Met uitzondering van de trillinghinder veroorzaakt door milieubelastende activiteiten van bedrijven zijn er geen wettelijke normen vastgelegd om trillinghinder te beperken. Het wettelijk kader beperkt zich tot de instructieregels in het Besluit kwaliteit leefomgeving, waar in het omgevingsplan in ieder geval rekening mee dient te worden gehouden.

Het wettelijk kader laat onverlet dat gemeenten in het omgevingsplan met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ook in andere gevallen een afweging maken over de verenigbaarheid van activiteiten die trillingen veroorzaken met functies die trillingen ondervinden. Dat kan betekenen dat voldoende afstand wordt gehouden tussen die activiteiten en die functies, of dat er regels worden gesteld over de activiteiten. In aanvulling op het wettelijk kader kan trillinghinder o.a. ten gevolge van verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen in het omgevingsplan worden geregeld. Hierbij geldt dat rekening houden met trillingen twee kanten op werkt: bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten nabij bestaande trillinggevoelige gebouwen, maar omgekeerd ook bij toelaten van trillinggevoelige gebouwen in de nabijheid van bestaande trillingen veroorzakende activiteiten. De instructieregels uit § 5.1.4.4 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn beperkt tot de bescherming van trillinggevoelige gebouwen en trillinggevoelige ruimten tegen trillingen in het frequentie interval van 1 tot 80 Hertz (Hz), ten gevolge van (milieubelastende) ‘activiteiten anders dan wonen’. Ondanks de ruime benaming suggereert zijn veel activiteiten uitgezonderd.

Uitgezonderd van het wettelijk kader zijn: • activiteiten bij wonen (tenzij het gaat om een bedrijf aan huis) • het feitelijk verrichten van bouwen sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein • een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht • verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen • evenementen die niet plaatsvinden op een locatie voor evenementen • tijdelijke trillinggevoelige gebouwen die niet meer dan tien jaar zijn toegelaten • een trillinggevoelig gebouw dat geheel of gedeeltelijk is gelegen op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld, en/of gelegen op een industrieterrein dat onder de Wet geluidhinder ‘gezoneerd’ was De wettelijke instructieregels en de uitwerking daarvan in het omgevingsplan dienen te waarborgen dat trillinggevoelige gebouwen en trillinggevoelige ruimten tegen trillingen van bedrijven beschermd zijn en dat trillingen door een activiteit aanvaardbaar zijn (artikel 5.83 Besluit kwaliteit leefomgeving). De begrippen trillinggevoelige gebouwen en trillinggevoelige ruimten zijn in artikel 5.80 en 5.81 Besluit kwaliteit leefomgeving gedefinieerd.

Op grond van artikel 1.1, tweede lid van dit omgevingsplan zijn deze begripsbepalingen van het Besluit kwaliteit leefomgeving ook op dit omgevingsplan van toepassing. Het gaat om woningen en gebouwen voor onderwijs, en gebouwen voor gezondheidszorgen kinderopvang met bedgebied. Deze categorie komt overeen met geluidgevoelige gebouwen, met het verschil dat woonschepen en woonwagens uitgezonderd zijn van het begrip trillinggevoelig gebouw. Op grond van het tweede lid van artikel 5.83 Besluit kwaliteit leefomgeving moet het omgevingsplan erin voorzien dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Het Besluit kwaliteit leefomgeving geeft daarbij de standaardwaarden waaraan in ieder geval moet worden voldaan. Onderscheid wordt daarbij gemaakt tussen continue trillingen en herhaald voorkomende trillingen. Uitgangspunt bij trillinghinder is primair dat continue trillingen niet voelbaar mogen zijn. Continue trillingen worden doorgaans veroorzaakt door stationaire installaties zoals compressoren of koelmachines en stansen ponsactiviteiten. Herhaald voorkomende trillingen worden meestal veroorzaakt door het aanen afrijden van vrachtwagens en andere transportmiddelen. Voor zowel de continue trillingen als de herhaald voorkomende

72

trillingen zijn normen opgenomen. De normen voor de continue trillingen zijn strenger dan voor de herhaald voorkomende trillingen. De standaardwaarden voor trillingssterkte in het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn ontleend aan de Meet en beoordelingsrichtlijn van trillingen, onderdeel B: Hinder voor personen in gebouwen van de Stichting Bouwresearch (SBR). Daarbij wordt de trilling beoordeeld aan de hand van de maximaal optredende trillingssterkte (Vmax) en de gemiddelde trillingssterkte (Vper). Als de trillingssterkte onder de standaardwaarden blijft, mag verwacht worden dat er geen hinder zal optreden. Aan de instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving over milieubelastende activiteiten is uitvoering gegeven in hoofdstuk 9 van het omgevingsplan. De standaardwaarden zijn, conform wettelijke instructie, opgenomen in onderdeel 9.2.2.4. In afwijking van de standaardwaarden kan de gemeente ook aan de ‘aanvaardbaarheid’ voldoen door het gebruik van andere waarden. In het omgevingsplan kunnen hogere of lagere waarden worden vastgesteld.

Voor hogere waarden kan dit alleen, gelet op het Besluit kwaliteit leefomgeving, indien: • eerder al een vergunning of maatwerkvoorschrift is verleend met daarin een hogere waarde; • het gaat om een afwijking tot 1,8 maal de standaardwaarde op een bedrijventerrein; • het gaat om een afwijking van de standaard- of grenswaarden als zwaarwegende economische of maatschappelijke belangen dit rechtvaardigen. De afweging of afwijking van de standaardwaarden in de rede ligt, moet per gebied of geval worden gemaakt. Dat kan het geval zijn bij een gebiedsgerichte wijziging, waarmee een lokale maatwerkregel aan dit omgevingsplan wordt toegevoegd, of door middel van een maatwerkvoorschrift. In beide gevallen zal de motivering voor de afwijking van de standaardwaarde worden gegeven bij het betreffende besluit.

9.2.7 Slagschaduw van windturbines Paragraaf 5.1.4.4a van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels over slagschaduw van windturbines. Voor een meer uitgebreide toelichting op de instructieregels dan hieronder gegeven, wordt verwezen naar paragraaf 4.8 van de Nota van Toelichting bij het Invoeringsbesluit Omgevingsrecht (Staatsblad 2020, 400). Volgens de instructieregels in het Besluit kwaliteit leefomgeving voorziet het omgevingsplan erin dat de slagschaduw in een slagschaduwgevoelig gebouw aanvaardbaar is. Het besluit voorziet in een standaardwaarde waar gemeenten in hun omgevingsplan bij kunnen aansluiten. Deze standaardwaarde bestaat in feite uit twee getallen, namelijk een gemiddeld aantal dagen in een jaar (17) waarop er niet meer dan 20 minuten slagschaduw mag optreden in verblijfsruimten van een slagschaduwgevoelig gebouw. De waarde is ontleend aan de voormalige Activiteitenregeling milieubeheer en wordt maatschappelijk als een aanvaardbaar beschermingsniveau gezien. Wanneer het omgevingsplan een beschermingsniveau biedt dat voldoet aan deze standaardwaarde, dan wordt de hinder door slagschaduw in een slagschaduwgevoelig gebouw in beginsel aanvaardbaar geacht.

Het staat gemeenten echter, binnen de grenzen van dit besluit, vrij om in het omgevingsplan een andere waarde vast te stellen als de lokale situatie daar aanleiding toe geeft en als dat voor de realisatie van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet nodig is. Het is de bevoegdheid van de gemeente om in het omgevingsplan maatregelen op te nemen waarmee hinder door slagschaduw op eenaanvaardbaar niveau wordt gehouden of eventueel geheel kan worden voorkomen. Het omgevingsplan biedt daarbij meer mogelijkheden dan een maatwerkvoorschrift: zo kunnen ook regels gesteld worden aan de ontvangende kant, bijvoorbeeld over nieuwe slagschaduwgevoelige gebouwen. Een maatregel in het omgevingsplan kan zijn dat wordt geëist dat een windturbine – mits gelegen in het plangebied – op bepaalde momenten stilgezet wordt, maar in het omgevingsplan kan ook worden geborgd dat bepaalde voorzieningen worden getroffen die ervoor zorgen dat de slagschaduw de verblijfsruimten in de woning niet bereikt. Zo kan gedacht worden aan een schaduw afschermend obstakel in de vorm van bijvoorbeeld een muur, begroeide haag of bomenrij. Ook kan het omgevingsplan eisen stellen aan de oriëntatie van de woning (het vloerplan) zodat verblijfsruimten aan de zijde van de woning worden gesitueerd waar geen of minder slagschaduw is.

Daarbij moet uiteraard wel rekening worden gehouden met andere vormen van hinder, zoals geluid. Ook de hoogte van het gebouw dat gevoelig is voor slagschaduw heeft hier invloed op. Gebouwen met een beperkte hoogte, zoals een bungalow, of verdiept aangelegde woningen, hebben minder last van hinder van slagschaduw. Door de gemeenten meer afwegingsruimte te geven om slagschaduwhinder te voorkomen, wordt gebruikmaking van innovatieve oplossingen gestimuleerd. De instructieregels regels werken tweezijdig en moeten zowel bij het toelaten van een windturbine in het omgevingsplan als bij het toelaten van een slagschaduwgevoelig gebouw in acht worden genomen. De aanwijzing van 'slagschaduwgevoelige gebouwen' is gelijk aan die van geluidgevoelige gebouwen: woningen, onderwijsgebouwen en – als daar geslapen wordt – zorggebouwen en kinderdagverblijven.

73

In dit omgevingsplan zijn in onderdeel 9.2.3.4.2 regels opgenomen met betrekking tot slagschaduw door windturbines, anders dan windparken van drie of meer windturbines. In artikel 9.178 is aan de standaardwaarde de verplichting gekoppeld tot het hebben van een stilstandvoorziening, die in werking treedt als de standaardwaarde is bereikt. Voor wat betreft het toelaten van een windturbine of slagschaduwgevoelig gebouw wordt bij het besluit tot wijziging van het omgevingsplan waarmee in de toelating wordt voorzien, verder uitvoering gegeven aan de instructieregels.

9.2.8 Bodemkwaliteit 9.2.8.1 Algemeen Paragraaf 5.1.4.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels met betrekking tot bodemkwaliteit. De instructieregels voor bouwen van gebouwen op bodemgevoelige locaties op verontreinigde bodem verplichten gemeenten met het oog op de gezondheid van aanwezige personen in het omgevingsplan voorwaarden te stellen. Hiermee wordt gewaarborgd dat de gemeente in het omgevingsplan regels stelt die voorkomen dat er onaanvaardbare gezondheidsrisico’s ontstaan. De instructieregels geven aan wat gemeenten ten minste moeten doen en sluiten niet uit dat gemeenten lokale aanvullende regels stellen binnen de lokale afwegingsruimte. Voor een meer uitgebreide toelichting op de instructieregels dan hieronder gegeven, wordt verwezen naar hoofdstuk 7 en de artikelgewijze toelichting in de Nota van Toelichting bij het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet (Staatsblad 2021, 98). De instructieregels in verband met bouwen op verontreinigde bodem geven dwingende beperkingen op het toelaten van een bouwactiviteit van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie en het vervolgens in gebruik nemen van dit bouwwerk. Een bodemgevoelige locatie is een locatie met een (deel van een) gebouw waar aannemelijk is dat personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn en een aan dat gebouw grenzende tuin of terrein.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14509255/1