CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - T3-nameting kwantitatief onderzoek.pdf

Raadscommissie Sociaal, Economische zaken en Democratisering 8 februari 2023, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Amsterdams experiment bijstand – inzichten uit de nameting (T3) en stand van zaken vervolginzet (VN2023-000247)25.544 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Huishoudenstype (o.b.v. uitkering) (ref.=alleenstaande) eenoudergezin

0,40

-0,77

-0,27

0,74

paar zonder kinderen

-0,32

-0,88

0,81

-0,10

paar met kinderen

-1,79

-0,48

-0,48

0,06

Parttime werk op T0

-2,12*

-0,69*

-1,55**

0,07

35-44 jr.

-0,81

-0,13

0,92

0,29

45-54 jr.

-3,08*

-0,14

-0,79

0,12

>54 jr.

-4,03**

0,31

0,80

-0,35

vmbo

-0,41

-0,08

1,50

-0,87

mbo

0,11

0,01

0,16

-0,11

havo/vwo

0,43

-0,65

1,05

-0,53

hbo.wo

-1,68

0,06

-0,10

-0,06

ander

0,55

0,66

-0,61

0,45

Suriname

-2,54

0,84

-1,91

0,12

Antillen

-5,31*

-0,56

-0,65

-0,83

Turkije

0,08

0,42

-0,61

-0,29

Marokko

0,02

1,04

-1,33

-0,43

overig

-0,63

0,77

0,07

0,02

Constante

7,65***

0,16

1,23

3,40**

Leeftijdsgroep op T0 (ref.=18-34 jr.)

Hoogst behaalde diploma (ref.=geen/bao)

Herkomst (ref.=Nederlands)

Noot: significantie *p<0,1; **p<0,05; ***p<0,01

Net als bij de deelname aan betaald werk hebben we ook bij het aantal uren betaald werk onderzocht of het effect van de experimentgroepen verschilt tussen verschillende subgroepen.5 In tabel 16 vermelden we alleen de significante verschillen. Jongeren (onder 45

5 In principe hebben we bij alle kenmerken die in tabel 16 zijn genoemd een tweedeling van de deelnemers

gemaakt op basis van contrasterende kenmerken (bv. mannen vs. vrouwen, jongeren vs. ouderen), waarbij

29

jaar), mannen, deelnemers die aan het begin van het experiment vijf jaar of langer een uitkering ontvingen en de clusters van positieven, lijdzamen en critici (zie bijlage 2) werken gemiddeld significant meer uren per week als zij extra aandacht hebben gehad dan als zij zelfregie hebben gehad. Bij jongeren en mannen is het verschil marginaal significant (p<10%), zodat we voorzichtig moeten zijn met de interpretatie hiervan. Mogelijk zijn deze uitkomsten niet robuust. Bij personen met een lange uitkeringsduur en de zogenaamde positieven, lijdzamen en critici is het effect echter sterk significant en groot: zij werken gemiddeld vier tot vijf uur per week meer als zij extra aandacht hebben gehad dan als zij zelfregie hebben gehad. Bij laagopgeleiden vinden we dat juist degenen die tot de vergelijkingsgroep behoorden meer uren werken. Zelfregie heeft bij laagopgeleiden dus een negatief effect op het aantal uren dat zij werken (het verschil tussen de vergelijkingsgroep en extra aandacht is niet significant). Ook hier geldt weer dat er bij alle groepen die niet in tabel 16 zijn opgenomen er geen significant verschil in aantal gewerkte uren is tussen de deelnemers aan de extra aandachtgroep en de zelfregiegroep. Tabel 16. Significante effecten van de experimentgroep (ref.=zelfregie) op het aantal uren betaald werk (incl. nul uur) op T3 voor verschillende deelgroepen N

Extra Aandacht

Vergelijking

Jong (18-44 jaar)

202

4,14*

2,80

Laagopgeleid (geen, bao, vmbo)

250

2,50

4,59***

Man

181

5,12*

0,94

Lange uitkeringsduur (≥5 jaar) Clusters positieven, lijdzamen, critici

239 417

4,89*** 3,95***

3,73* 1,94

Noot: significantie *p<0,1; **p<0,05; ***p<0,01

Evenals bij de overeenkomstige analyse in hoofdstuk 4 benadrukken we dat men voorzichtig dient te zijn met de interpretatie van deze uitkomsten, omdat ze gebaseerd zijn op relatief kleine aantallen respondenten en bovendien slechts ten dele consistent zijn over de tijd. Van de subgroepen die in tabel 16 worden genoemd, was alleen het effect van extra aandacht voor laagopgeleiden ook op T2, aan het eind van het experiment, statistisch significant. Van de andere effecten in tabel 16 is het dan ook de vraag of zij robuust zijn en niet op toeval berusten.

beide groepen dezelfde orde van grootte hebben. Hierbij is gecontroleerd voor dezelfde achtergrondkenmerken als in tabel 15.

30

7. Overgangen tussen werken en niet-werken Belangrijkste bevindingen: ▪ De helft van de deelnemers had zowel aan het begin van het experiment (T0) als bij de nameting (T3) betaald werk. Een kwart werkte op beide momenten niet. In de extraaandachtgroep had 54% op beide momenten betaald werk, in de zelfregiegroep 44%. ▪ Een derde van de deelnemers werkte op T3 meer uren per week dan op T0, 42% werkte evenveel uren en een kwart werkte minder uren. ▪ In het laatste jaar, tussen T2 en T3, is voor 62% van de deelnemers het aantal gewerkte uren niet veranderd. Voor 13% is het aantal gewerkte uren afgenomen en voor 25% toegenomen. De deelnemers in de zelfregiegroep en de vergelijkingsgroep zijn vaker meer uren gaan werken die in de extra-aandachtgroep. In het vorige hoofdstuk vergeleken we de (tijdsbesteding aan) verschillende activiteiten van de deelnemers op T3 met die op T0 en T2 per experimentgroep. In dit hoofdstuk richten we ons op veranderingen in het al dan niet betaald werken en het aantal uren werk op individueel niveau gedurende de deelname aan het experiment en in het jaar daarna. Als we ons beperken tot de deelname aan betaald werk aan het begin van het experiment (T0), aan het eind van het experiment (T2) en een jaar na het experiment (T3), zijn er acht mogelijke trajecten van niet-werken (N) en wel werken (W) op respectievelijk T0, T2 en T3 (tabel 17).

22% van de deelnemers had op geen van de drie meetmomenten betaald werk, terwijl 40% van de deelnemers op alle drie momenten wel betaald werk had. De overige 38% was afwisselend wel en niet aan het werk. 11% van de deelnemers was aan het begin wel aan het werk, maar op de latere meetmomenten niet meer. Als we de experimentgroepen met elkaar vergelijken zien we dat de deelnemers aan de extra-aandachtgroep minder vaak dan die in de zelfregiegroep en de vergelijkingsgroep op geen van de drie momenten werk hadden en juist vaker wel op ieder moment werk hadden. Tabel 17. Trajecten van werken en niet-werken op T0, T2 en T3 (in % van de deelnemers per experimentgroep) Niet-werken (N) en werken (W) op T0, T2 en T3

Extra Aandacht

Zelfregie

Vergelijking

Totaal

N-N-N

19

25

24

22

N-W-N

4

2

0

2

N-N-W

1

6

7

5

N-W-W

11

6

5

7

W-N-N

10

12

10

11

W-W-N

2

5

6

4

W-N-W

7

8

10

8

W-W-W

47

36

38

40

Totaal

100

100

100

100

In de tabel 18 vergelijken we alleen de situatie op T0 en T3. Bijna de helft van alle deelnemers werkte zowel aan het begin van het experiment als een jaar na afloop van het experiment. Van de deelnemers in de extra-aandachtgroep was dit ruim de helft, van die in de zelfregiegroep minder dan de helft. Van de zelfregiegroep had 27% zowel aan het begin als op T3 geen betaald werk, van de extra-aandachtgroep was dit 22%. 31

Tabel 18. Trajecten van werken en niet-werken op T0 en T3 (in % van de deelnemers per experimentgroep) Niet-werken (N) en werken (W) op T0 en T3

Extra Aandacht

Zelfregie

Vergelijking

Totaal

N-N

22

27

24

24

N-W

12

12

12

12

W-N

12

17

16

15

W-W

54

44

48

49

Totaal

100

100

100

100

Tot slot vergelijken we in tabel 19 het al dan niet betaald werken aan het eind van het experiment (T2) en een jaar later bij de nameting (T3). Voor 81% van de deelnemers is de situatie niet veranderd: zij werkten op beide momenten (bijna de helft) of zij werkten op geen van beide momenten (een op de drie). 13% werkte aan het eind van het experiment niet en een jaar later wel, terwijl 6% aan het eind van het experiment wel werkte, maar een jaar later niet meer. De deelnemers aan de extra-aandachtgroep werkten aanzienlijk vaker op beide momenten dan de deelnemers in de zelfregiegroep en de vergelijkingsgroep, maar zij zijn minder vaak in dit jaar aan het werk gegaan. We concluderen dat de beginsituatie zich in veel gevallen heeft bestendigd: 81% van de deelnemers viel bij de nameting in dezelfde categorie van werken of niet-werkend als aan het begin van het experiment. Tabel 19. Trajecten van werken en niet-werken op T2 en T3 (in % van de deelnemers per experimentgroep) Niet-werken (N) en werken (W) op T2 en T3

Extra Aandacht

Zelfregie

Vergelijking

Totaal

N-N

28

37

34

33

N-W

8

14

17

13

W-N

6

7

6

6

W-W

58

42

43

48

Totaal

100

100

100

100

Een overgang van niet-werken naar werken of omgekeerd zegt nog niets over het aantal uren dat men meer of minder is gaan werken. Ook respondenten die op beide momenten betaald werk hadden, kunnen meer uren zijn gaan werken. Om hierin meer inzicht te krijgen onderscheiden we drie soorten werk, namelijk een kleine deeltijdbaan (minder dan 20 uur per week), een grote deeltijdbaan (20-35 uur per week) en voltijdwerk (36 uur per week of meer). In Tabel 20 vergelijken we de overgangen van de deelnemers naar aantal uren werk tussen T0 en T3. Omdat op T0 vrijwel niemand in voltijd werkte, hebben we deze categorie niet opgenomen. We zien dat 69% van degenen die op T0 geen betaald werk hadden ook op T3 niet betaald werken. 14% van hen heeft een kleine deeltijdbaan gevonden, 12% een grote deeltijdbaan en 4% is voltijds gaan werken. Van degenen die op T0 een kleine deeltijdbaan hadden, heeft iets meer dan de helft op T3 nog steeds een kleine deeltijdbaan. Een kwart van hen is echter gestopt met werken, terwijl ook bijna een kwart meer uren is gaan werken. Van degenen die op T0 een grote deeltijdbaan hadden is bijna de helft minder gaan werken: 21% werkt op T3 niet meer en 25% heeft een kleine deeltijdbaan. 10% is echter doorgestroomd naar een voltijdbaan. Kijken we vervolgens naar de drie experimentgroepen, 32

dan is het patroon bij elk van die groepen min of meer vergelijkbaar. In de zelfregiegroep zijn echter minder deelnemers die op T0 niet werkten op T3 werkzaam in een grote deeltijdbaan of een voltijdbaan dan de deelnemers aan de extra-aandachtgroep en de vergelijkingsgroep. In de zelfregiegroep en vergelijkingsgroep zijn meer deelnemers die op T0 een kleine deeltijdbaan hadden in die kleine deeltijdbaan blijven hangen, terwijl de deelnemers in de extra-aandachtgroep vaker zijn doorgestroomd naar een grote deeltijdbaan. Van de deelnemers in de zelfregiegroep die op T0 een grote deeltijdbaan hadden, hadden relatief veel ook op T3 nog een grote deeltijdbaan, terwijl overeenkomstige deelnemers in de andere twee groepen vaker minder uren zijn gaan werken. Tabel 20. Overgangen tussen categorieën van aantal gewerkte uren van T0 naar T3 naar experimentgroep (in % van betreffende categorie op T0) Uren werk op T3 uren werk op T0

Geen werk

Kleine deeltijd

Grote deeltijd

Voltijd

Totaal

Geen werk

69

14

12

4

100

Kleine deeltijd

24

53

18

5

100

Grote deeltijd

21

25

44

10

100

Totaal

41

33

20

6

100

Geen werk

68

14

13

5

100

Kleine deeltijd

15

63

12

10

100

Grote deeltijd

20

27

40

13

100

Totaal

35

39

18

9

100

Geen werk

73

16

7

4

100

Kleine deeltijd

28

52

20

0

100

Grote deeltijd

21

21

52

7

100

Totaal

44

33

20

4

100

Geen werk

67

13

17

4

100

Kleine deeltijd

29

42

22

7

100

Grote deeltijd

24

28

40

8

100

Totaal

44

28

23

6

100

Totaal

Extra Aandacht

Zelfregie

Vergelijking

In tabel 21 maken we een soortgelijke vergelijking tussen T2 en T3, oftewel de veranderingen in het aantal gewerkte uren sinds de afloop van het experiment. We zien dat in iedere urencategorie 68% tot 80% in dezelfde categorie is gebleven. Voor de overgrote meerderheid is het aantal uren dat men werkt sinds de beëindiging van het experiment dus niet sterk veranderd. Niettemin is 26% van degenen die op T2 niet betaald werkten een jaar later wel aan het werk. Omgekeerd is van degenen die op T2 wel werkten 10% tot 14% op T3 33

gestopt met werken. De verschillen tussen de experimentgroepen zijn, mede in het licht van de relatief kleine aantallen, bescheiden. Tabel 21. Overgangen tussen categorieën van aantal gewerkte uren van T2 naar T3 naar experimentgroep (in % van betreffende categorie op T0) Uren werk op T3 uren werk op T2

Geen werk

Kleine deeltijd

Grote deeltijd

Voltijd

Totaal

Geen werk

74

14

8

3

100

Kleine deeltijd

10

80

9

1

100

Grote deeltijd

14

7

71

7

100

Voltijd

11

5

16

68

100

Totaal

41

33

20

6

100

Geen werk

79

13

3

5

100

Kleine deeltijd

4

89

5

2

100

Grote deeltijd

9

12

70

9

100

Voltijd

22

0

0

78

100

Totaal

35

39

18

9

100

Geen werk

75

17

7

1

100

Kleine deeltijd

15

75

11

0

100

Grote deeltijd

16

3

71

10

100

Voltijd

0

25

25

50

100

Totaal

45

32

19

3

100

Geen werk

70

12

12

5

100

Kleine deeltijd

12

74

12

2

100

Grote deeltijd

20

5

75

0

100

Voltijd

0

0

33

67

100

Totaal

43

29

22

6

100

Totaal

Extra Aandacht

Zelfregie

Vergelijking

In Tabel 22 kijken we niet naar de overgangen tussen categorieën, maar naar de verandering in het aantal uren dat de deelnemers betaald werken tussen T0 en T3 en tussen T2 en T3. Een kwart van de deelnemers werkte op T3 minder uren per week dan op T0 en een derde meer uren. Van 42% is het aantal uren niet veranderd. In de zelfregiegroep en de vergelijkingsgroep is de gewerkte tijd vaker met meer dan 8 uur afgenomen dan in de extraaandachtgroep. In de vergelijkingsgroep is het aantal uren echter ook het vaakst met meer dan 8 toegenomen. In het laatste jaar, tussen T2 en T3, is voor 62% van de deelnemers het aantal gewerkte uren niet noemenswaardig veranderd. Voor 13% is het aantal gewerkte uren afgenomen en voor 34

25% toegenomen. Voor de deelnemers in zelfregie en de vergelijkingsgroep is het aantal uren vaker toegenomen dan voor die in de extra-aandachtgroep, mogelijk doordat de laatsten vaak op T2 al meer uren werkten. Tabel 22. Verschil in aantal gewerkte uren per week tussen T0 en T3 en tussen T2 en T3 naar experimentgroep (in % per categorie in T0) Extra Aandacht

Zelfregie

Vergelijking

Totaal

<-8 uur

10

15

16

14

-8 tot <-1 uur

11

11

11

11

-1 tot +1 uur

43

45

38

42

>1 tot 8 uur

15

10

11

12

>8 uur

21

18

25

21

Totaal

100

100

100

100

<-8 uur

7

8

7

7

-8 tot <-1 uur

8

4

7

6

-1 tot +1 uur

62

62

61

62

>1 tot 8 uur

11

10

6

9

>8 uur

12

16

19

16

Totaal

100

100

100

100

Verschil in uren tussen T3 en T0

Verschil in uren tussen T3 en T2

35

8. Kenmerken van betaald werk Belangrijkste bevindingen: ▪ Bijna de helft van de werkende deelnemers heeft een vast contract. Dit is meer dan aan het begin van het experiment en bij de meting halverwege het experiment (T1). ▪ Degenen die aan het eind van het experiment een flexibel contract hadden zijn in het jaar daarna tweemaal zo vaak hun werk kwijtgeraakt als degenen die een vast contract hadden. ▪ De werkende deelnemers werken gemiddeld 19 uur per week. Dat is ruim een uur meer dan aan het eind van het experiment en ruim vier uur meer dan aan het begin van het experiment. ▪ De deelnemers aan de extra-aandachtgroep werken gemiddeld 2,5 uur per week meer dan de deelnemers aan de zelfregiegroep. Dit verschil is statistisch significant als rekening wordt gehouden met andere persoonskenmerken. ▪ Een op de drie werkenden zou graag meer uren willen werken. ▪ De werkenden zijn over het algemeen tevreden met hun werk; zij geven gemiddeld het cijfers 7,6. Dat is iets minder dan op T2, maar even hoog als op T1. In dit hoofdstuk richten we ons op de deelnemers die op T3 betaald werk hebben en beschrijven we een aantal kenmerken van dat werk. In tabel 23 vergelijken we het dienstverband van de werkenden op T0, T1 en T3.6 Bedenk hierbij dat het niet op ieder moment om dezelfde groep gaat, omdat het aantal werkenden varieert tussen de meetmomenten.

Op T0 had 38% van de werkenden een vast contract, op T1 was dit iets meer, namelijk 40% en op T3 was dit toegenomen tot 47%. We zien ditzelfde patroon in iedere experimentgroep, maar het sterkst in de extra-aandachtgroep, waar op T0 iets meer dan een derde en op T3 de helft van de werkenden een vast contract heeft. In de zelfregiegroep is het aandeel werkenden met een vast contract nauwelijks veranderd. Tegelijkertijd is het aandeel werkenden met een flexibel contract beduidend afgenomen tussen T2 en T1, met 14%. Deze afname was het grootst in de vergelijkingsgroep. Ook het aandeel zelfstandigen is afgenomen. Op T2 werkte nog 1% van de deelnemers als zelfstandige, terwijl dit op T0 en T2 4% was. Logischerwijze laat het aandeel werkenden met een flexibel contract het omgekeerde patroon zien: op T0 had 57% van de werkenden een flexibel contract, op T3 nog maar 46%. De afname was het grootst in de extra-aandachtgroep en de vergelijkingsgroep. Het aandeel werkenden dat als zzp’er werkt was op alle meetmomenten klein, maar is wel iets toegenomen. Vanwege het kleine aantal is een vergelijking tussen de experimentgroepen niet zinvol.

6 We vermelden hier niet de uitkomsten van T2, omdat deze door een andere codering van de antwoorden,

niet vergelijkbaar zijn. Dit betekent ook dat de conclusie in de T2-rapportage dat het aandeel werkenden met een vast contract sterk was toegenomen, bij nader inzien waarschijnlijk niet juist is.

36

Tabel 23. Dienstverband van deelnemers met betaald werk op T0, T1 en T3 (% van aantal werkenden per experimentgroep per meetmoment) Extra Aandacht

Zelfregie

Vergelijking

Totaal

T0

36

45

34

38

T1

39

49

37

42

T3

49

49

42

47

Verschil T3-T0

13

4

8

8

Verschil T3-T1

10

0

5

5

T0

58

52

62

57

T1

57

47

56

53

T3

45

44

49

46

Verschil T3-T0

-13

-8

-13

-11

Verschil T3-T1

-12

-3

-7

-7

T0

6

4

4

5

T1

4

4

6

5

T3

6

8

9

7

Verschil T3-T0

0

4

4

3

Verschil T3-T1

2

3

3

3

Vast contract

Flexibel contract (tijdelijk, uitzend, oproep)

Zzp'er

Is de contractvorm van invloed op de kans dat men een jaar later nog betaald werk heeft? Tabel 24 laat zien dat er inderdaad een samenhang is, al is die niet bijzonder sterk. Van degenen die aan het eind van het experiment een vast contract hadden, was 91% een jaar later nog aan het werk, van degenen die een flexibel contract hadden was dit 83%. De kans om zonder werk te raken was voor deelnemers met een flexibel contract dus ongeveer tweemaal zo groot als voor degenen met een vast contract (17% versus 9%). Tussen de experimentgroepen zijn de verschillen klein. Tabel 24. Aandeel werkenden op T2 dat op T3 nog werkt naar contract op T2 (% werkende respondenten per contracttype op T2) Dienstverband op T2

Extra Aandacht

Zelfregie

Vergelijking

Totaal

Vast

92

91

88

91

Flexibel

87

78

84

83

Totaal

90

86

87

88

In tabel 25 onderzoeken we welke factoren van invloed zijn op de kans dat een werkende op T3 een vast contract had. In de eerste analyse nemen we alleen kenmerken van de deelnemer op T0 als verklarende variabelen mee, in de tweede analyse ook het hebben van werk en het soort contract op T2. Het al dan niet hebben van werk en van een vast contract op respectievelijk T0 en T2 hebben de grootste invloed op de kans om op T3 betaald werk te hebben. Er zijn geen significante verschillen tussen de experimentgroepen. 37

Tabel 25. Logistische regressie van de kans van werkenden op een vast contract op T3 (odds ratio's) alleen kenmerken op T0

ook werkkenmerken op T2

Betaald werk op T0

4,18***

2,77**

Vast contract op T0

3,40***

1,94*

Betaald werk op T2

8,68***

Vast contract op T2

5,73***

Experimentgroep (ref.=Vergelijking) Extra Aandacht

1,62

1,32

Zelfregie

1,11

1,16

Vrouw (ref.=man)

0,84

0,94

Huishoudenstype (o.b.v. uitkering) (ref.=alleenstaande) eenoudergezin

1,02

0,66

paar zonder kinderen

0,79

0,56

paar met kinderen

0,42

0,24*

parttime werk op T0

2,79***

1,27

Duur uitkering op T0 (ref.=7-12 mnd.) 1-6 mnd.

1,16

0,68

>1-2 jr.

0,76

0,47

>2-3 jr.

0,81

0,36

>3-5 jr.

0,42

0,34

>5-10 jr.

0,84

0,50

>10 jr.

0,92

0,50

Leeftijdsgroep op T0 (ref.=18-34 jr.) 35-44 jr.

0,27***

0,37*

45-54 jr.

0,63

0,71

>54 jr.

0,45*

0,37*

Hoogst behaalde diploma (ref.=geen/bao) vmbo

0,90

0,85

mbo

1,62

1,40

havo/vwo

1,23

0,76

hbo.wo

1,89

1,66

ander

1,21

0,96

Herkomst (1e of 2e generatie) (ref.=Nederlands) Suriname

0,98

1,39

Antillen

1,60

2,26

Turkije

0,96

1,83

Marokko

0,84

0,74

overig

0,95

1,15

onbekend

1,55

1,96

Constante

0,09***

0,03***

Noot: significantie *p<0,1; **p<0,05; ***p<0,01

38

Ook verder zijn er nauwelijks significante effecten. Alleen valt op dat degenen die op T0 jonger dan 35 jaar waren op T3 vaker een vast contract hebben dan degenen die ouder waren (al is het verschil met de 45-54-jarigen niet significant). Tabel 26 laat zien in welke sectoren de deelnemers op T3 werkzaam zijn. Zorg en welzijn, dienstverlening en horeca zijn de belangrijkste sectoren: ruim de helft van de respondenten werkt in een van deze drie sectoren. Zoals we ook op T2 al constateerden werken deelnemers aan de zelfregiegroep relatief vaak in de schoonmaak, terwijl deelnemers in de extra-aandachtgroep vaker in de dienstverlening werken. Op T2 werkten de deelnemers in de extra-aandachtgroep ook relatief vaak in het onderwijs, maar dit verschil is op T3 verdwenen. Mogelijk ging het daarbij vaak om tijdelijke banen. Tabel 26. Verdeling van werkende deelnemers over sectoren (% van werkenden per experimentgroep) Extra Aandacht

Zelfregie

Vergelijking

Totaal

Horeca

15

13

19

16

Industrie/productie

9

12

7

9

Beveiliging

1

1

0

1

Schoonmaak

7

18

10

12

Retail

3

7

10

6

Zorg/welzijn

23

21

20

21

Dienstverlening

21

13

17

17

Ambachtelijke beroepen en persoonlijke verzorging Onderwijs

2

2

0

1

6

6

6

6

Overig

13

7

11

10

Totaal

100

100

100

100

In hoofdstuk 6 hebben we het gemiddelde aantal uren betaald werk van de deelnemers aan de drie experimentgroepen vergeleken. Daarbij telden we ook deelnemers die geen betaald werk verrichtten mee. In Tabel 27 richten we ons alleen op de deelnemers die betaald werk hebben. Op T0 werkten zij gemiddeld 14,6 uur per week, op T2 17,7 uur en op T3 19,0 uur. De werkenden zijn sinds het begin van het experiment gemiddeld dus meer dan vier uur meer gaan werken. Het gemiddeld aantal gewerkte uren is het sterkst toegenomen in de extra-aandachtgroep en de vergelijkingsgroep met ruim vijf uur en het minst in de zelfregiegroep met drie uur. Ruim de helft (56%) van de werkenden werkt minder dan 20 uur, maar op T0 was dit nog 71%. Ook in het laatste jaar, na afloop van het experiment, zijn de werkenden gemiddeld ruim een uur meer gaan werken, vooral degenen die tot de vergelijkingsgroep behoorden.

39

Tabel 27. Aantal (betaald) gewerkte uren per week op T0, T2 en T3 (% van werkenden per experimentgroep en gemiddeld aantal uren) Extra Aandacht

Zelfregie

Vergelijking

Totaal

1-19 uur

70

73

70

71

20-35 uur

29

25

28

27

>35 uur

1

2

2

2

Totaal

100

100

100

100

Gemiddeld (uren)

14,6

14,4

14,8

14,6

1-19 uur

58

60

62

60

20-35 uur

33

35

28

33

>35 uur

9

4

9

8

Totaal

100

100

100

100

Gemiddeld (uren)

18,7

16,4

17,8

17,7

1-19 uur

59

59

51

56

20-35 uur

27

35

39

33

>35 uur

14

7

11

11

Totaal

100

100

100

100

Gemiddeld (uren)

19,9

17,4

19,9

19,0

Verschil gemiddelde T0-T3

5,3

3,0

5,1

4,4

Verschil gemiddelde T2-T3

1,2

1,0

2,1

1,3

T0

T2

T3

In tabel 28 geven we de resultaten van een lineaire regressieanalyse van het aantal uren dat de werkenden op T3 per week werken. De werkende deelnemers aan de zelfregiegroep werken gemiddeld ruim drie uur minder per week dan de deelnemers aan de vergelijkingsgroep. Daarnaast werken ook degenen die aan het begin van het experiment al werkten minder uren. Wellicht kunnen zij, bijvoorbeeld vanwege hun gezondheid, niet meer uren werken dan zij al voor het experiment deden. Ook ouderen (vanaf 55 jaar) werken minder uren, maar deelnemers met een Marokkaanse achtergrond werken juist meer uren. (Het gaat hierbij wel om kleine aantallen, dus de resultaten dienen met voorzichtigheid te worden geïnterpreteerd.)

40

Tabel 28. Lineaire regressie van het aantal uren betaald werk per week van werkenden op T3 (gewogen) Uren werk op T0

0,35***

Werkzaam op T0

-3,41

Experimentgroep (ref.=Vergelijking) Extra Aandacht

-1,71

Zelfregie

-3,21**

Vrouw (ref.=man)

1,62

Huishoudenstype (o.b.v. uitkering) (ref.=alleenstaande) eenoudergezin

-0,98

paar zonder kinderen

1,99

paar met kinderen

-0,66

Parttime werk op T0

-8,95***

Leeftijdsgroep op T0 (ref.=18-34 jr.) 35-44 jr.

-0,08

45-54 jr.

-1,19

>54 jr.

-4,57**

Hoogst behaalde diploma (ref.=geen/bao) vmbo

-0,21

mbo

0,32

havo/vwo

-0,18

hbo/wo

0,96

ander

2,36

Herkomst (1e of 2e generatie) (ref.=Nederlands) Suriname

1,56

Antillen

-0,09

Turkije

2,03

Marokko

4,93**

overig

0,98

Constante

24,55***

Noot: significantie *p<0,1; **p<0,05; ***p<0,01

31% van de werkenden op T3 zou meer uren willen werken (Tabel 29). Van degenen die nu minder dan 20 uur per week werken, wil 34% meer werken, van degenen die 20-35 uur werken 21%. Vooral de werkenden die deel uitmaakten van de extra-aandachtgroep, willen relatief vaak meer uren werken. In de zelfregiegroep geldt dit vooral voor degenen die meer dan 20 uur werken. De meest genoemde reden om niet meer uren te willen werken is dat men ziek of arbeidsongeschikt is. Bijna de helft van de respondenten die niet meer wil werken geeft deze reden.

41

Tabel 29. Aandeel werkenden dat meer uur wil werken naar huidige aantal uren (%) Extra Aandacht

Zelfregie

Vergelijking

Totaal

1-19 uur

40

29

37

34

20-35 uur

20

31

13

21

Totaal

35

29

30

31

De meest genoemde belemmering om het aantal uren te gaan werken dat men zou willen is, dat de huidige werkgever daarvoor geen mogelijkheden biedt (tabel 30). 41% van de werkenden die meer uren zouden willen werken, noemt deze belemmering als eerste. Persoonlijke belemmering, zoals zorgtaken, het volgen van een opleiding en gezondheid worden door ongeveer een kwart van de werkenden genoemd. Onder de andere redenen vallen onder meer dat men niet voldoende gezond is of het werk te zwaar is en de coronacrisis (dus deze zouden deels bij de categorie ziek/arbeidsongeschikt kunnen worden ingedeeld). Tabel 30. De grootste belemmering om het gewenste aantal uren ook daadwerkelijk te werken? Extra Aandacht

Zelfregie

Vergelijking

Totaal

Huidige werkgever biedt geen mogelijkheden

39

35

50

41

Zorg voor gezin/huishouden of andere zorgtaken

0

10

14

7

Ik volg een opleiding

0

3

5

2

Ik ben ziek/arbeidsongeschikt

18

13

9

14

Andere reden

39

39

23

35

Totaal

100

100

100

100

Net als bij de eerder metingen zijn de werkenden over het algemeen tevreden met hun werk: het gemiddelde cijfer dat zij aan hun werk geven is 7,6 (Tabel 31). Dat is wel 0,2 punt minder dan op T2, maar evenveel als op T1 (op T0 is deze vraag niet gesteld). 58% geeft een 8 of hoger, 6% geeft een onvoldoende. Op T2 was dat respectievelijk 66% en 4%. De verschillen tussen de experimentgroepen zijn klein.

42

Tabel 31. Cijfer voor tevredenheid met werk op T1, T2 en T3 (% en gemiddelde op schaal van 0-10) Extra Aandacht

Zelfregie

Vergelijking

Totaal

0-5

5

3

10

6

6-7

40

40

38

39

8-10

55

56

52

55

0-5

4

3

7

4

6-7

31

31

26

30

8-10

65

66

68

66

0-5

5

5

8

6

6-7

38

38

33

37

8-10

58

57

59

58

T1

7,6

7,8

7,4

7,6

T2

7,9

7,7

7,7

7,8

T3

7,7

7,6

7,4

7,6

Verschil gemiddelde T1-T3

0,0

-0,1

0,0

-0,1

Verschil gemiddelde T2-T3

-0,2

-0,1

-0,3

-0,2

T1

T2

T3

Gemiddelde

43

9. Belang en voorkomen van werkaspecten Belangrijkste bevindingen: ▪ De deelnemers (zowel werkenden als niet-werkenden) vinden inhoudelijk leuk werk, prettige mensen om mee te werken en de zekerheid om de baan te behouden de belangrijkste werkaspecten. Goed salaris en werk met stabiele inkomsten volgen daarna. ▪ Ruim vier op de vijf werkenden zeggen dat zij werk hebben waarop zij trots kunnen zijn, inhoudelijk leuk werk en prettige mensen om mee te werken. Slechts de helft zegt dat men een goed salaris heeft. Bij de nameting zijn voor het eerst een reeks werkaspecten aan de respondenten voorgelegd met de vraag hoe belangrijk zij deze vinden en (indien zij betaald werk doen) in welke mate deze van toepassing zijn op hun huidige werk. Deze werkaspecten zijn grotendeels ontleend aan de tweejaarlijkse Waarde van Werk Monitor (WWM) van AIAS-HSI en maken het in beginsel mogelijk om de waarden en waardering van de deelnemers aan het experiment te vergelijken met een dwarsdoorsnede van de bevolking. In dit hoofdstuk worden echter alleen de resultaten voor de deelnemers aan het experiment vermeld. Tabel 32 geeft aan welk percentage van alle respondenten en van de respondenten die op T3 betaald werk verrichten verschillende aspecten van werk zeer belangrijk of tamelijk belangrijk vinden.

Omdat de percentages ‘zeer belangrijk’ het meest variëren richten we hier de aandacht vooral op deze antwoordcategorie. Ruwweg twee derde van alle respondenten, maar ook van de werkenden, vindt inhoudelijk leuk werk, prettige mensen om mee te werken en de zekerheid om de baan te behouden zeer belangrijk. Nog eens een kwart vindt deze aspecten tamelijk belangrijk, zodat minder dan 10% deze werkaspecten niet (zo) belangrijk vindt. Tabel 32. Het belang van verschillende aspecten van werk % alle respondenten

Inhoudelijk leuk werk

Zeer belangrijk 69

Tamelijk belangrijk 24

% werkenden Zeer belangrijk 69

Tamelijk belangrijk 23

Prettige mensen om mee te werken

67

25

69

23

De zekerheid om de baan te behouden

65

26

68

25

Goed salaris

62

28

59

31

Werk met stabiele inkomsten

59

31

60

31

Werk waar ik trots op kan zijn

59

31

57

33

Niet te veel druk of spanning

47

33

48

31

Werk waarin je nieuwe dingen leert

45

39

43

39

Werk met veel sociale contacten

43

37

43

37

Werk dat nuttig is voor de samenleving

41

38

39

39

Werk waar de samenleving waardering voor heeft

40

35

38

37

Werk waarin je zelf je werktijden kunt bepalen

30

33

29

32

Werk waarbij je zelf kunt bepalen wáár je werkt

16

25

14

21

44

Een goed salaris volgt pas op de vierde plaats bij alle respondenten en op de vijfde plaats bij de werkenden. Rond de 60% vindt dit zeer belangrijk, ongeveer evenveel als ‘stabiele inkomsten’ en ‘werk waar ik trots op kan zijn’. Bij de andere werkaspecten zegt minder dan de helft dat zij deze zeer belangrijk vinden, maar toch altijd nog een ruime meerderheid tamelijk of zeer belangrijk. Alleen ‘werk waar je zelf kunt bepalen wáár je werkt’ wordt door niet meer dan 41% van alle respondenten en 35% van de werkenden tamelijk of zeer belangrijk gevonden. Aan de werkende deelnemers hebben we ook gevraagd in hoeverre deze werkaspecten op hun huidige werk van toepassing zijn. In tabel 33 geven we het percentage dat het er mee eens of helemaal mee eens is dat de werkaspecten op hun werk van toepassing is. We vergelijken dit met het percentage uit de vorige tabel dat zegt dat men het betreffende werkaspect zeer belangrijk vindt. Het verschil tussen beide percentages is een indicatie voor ontevredenheid over bepaalde werkaspecten. In de meeste gevallen is het percentage dat zegt dan een werkaspect van toepassing is echter groter dan het percentage dat dit werkaspect zeer belangrijk vindt. Meer dan 80% van de werkenden zegt dat zij werk hebben waar zij trots op kunnen zijn, dat zij prettige mensen hebben om mee te werken en dat zij inhoudelijk leuk werk hebben.

Rond driekwart heeft werk dat nuttig is voor de samenleving en werk met veel sociale contacten. Slechts de helft vindt echter dat men een goed salaris heeft. Dit is het enige werkaspect dat meer mensen zeer belangrijk vinden dan zeggen dat het voor hun huidige werk geldt. Werk waarin je zelf je werktijden of je werkplek kunt bepalen hebben maar weinig respondenten, maar over het algemeen vinden zij dit ook niet zo belangrijk. Tabel 33. De mate waarin werkaspecten van toepassing zijn op het huidige werk en het percentage dat de werkaspecten zeer belangrijk vindt (% van de werkenden) (Helemaal) mee eens van toepassing 83

Zeer belangrijk 57

Prettige mensen om mee te werken

83

69

Inhoudelijk leuk werk

82

69

Werk dat nuttig is voor de samenleving

77

39

Werk met veel sociale contacten

75

43

Werk met stabiele inkomsten

72

60

Werk waar de samenleving waardering voor heeft

71

38

De zekerheid om de baan te behouden

69

68

Werk waarin je nieuwe dingen leert

68

43

Niet teveel druk of spanning

61

48

Goed salaris

50

59

Werk waarin je zelf je werktijden kunt bepalen

34

29

Werk waarbij je zelf kunt bepalen wáár je werkt

16

14

Werk waar ik trots op kan zijn

45

10. Niet-werkenden en zoeken naar werk Belangrijkste bevindingen: ▪ Ruim een op de drie deelnemers heeft geen betaald werk. ▪ De helft van hen (dus een op de zes deelnemers) wil wel betaald werken. ▪ 40% van de niet-werkenden is positief over de kans om binnen 12 maanden werk te hebben. ▪ 39% zegt dat de kans op werk groter is dan 12 maanden geleden. Dit hoofdstuk richt zich op de deelnemers die geen betaald werk verrichten en hun wensen en verwachtingen met betrekking tot werk. 179 van de 513 geïnterviewden (35%) bij de nameting op T3 verrichten geen betaald werk. Tabel 34 laat zien dat iets meer dan de helft van hen wel zou willen werken. Dat is aanzienlijk minder dan op T2, aan het eind van het experiment, toen bijna twee derde wilde werken. Dit heeft waarschijnlijk te maken met het feit dat een aantal deelnemers die op T2 als gevolg van de coronacrisis het werk onvrijwillig waren kwijtgeraakt, op T3 weer aan het werk zijn gegaan, zodat er minder onvrijwillig werklozen zijn overgebleven. De verschillen tussen de deelnemers aan de verschillende experimentgroepen zijn vrij klein. Tabel 34. Aandeel van de niet-werkenden dat wil werken op T0, T2 en T3 (% van de niet-werkenden per experimentgroep) Extra Aandacht

Zelfregie

Vergelijking

Totaal

T0

63

68

64

65

T2

64

66

66

65

T3

49

54

56

53

40% van de niet-werkenden is positief tot zeer positief gestemd over de kans om binnen 12 maanden betaald werk te hebben (tabel 35). Ze zijn daarmee optimistischer dan een jaar eerder aan het eind van het experiment. Vergeleken met T1, halverwege het experiment, toen deze vraag voor het eerst werd gesteld, zijn er echter meer werkenden die (zeer) negatief zijn over hun kans op werk. De niet-werkende deelnemers aan de extraaandachtgroep zijn minder positief over hun kans op werk dan de deelnemers aan de zelfregiegroep en de vergelijkingsgroep. Juist zij zijn ook beduidend minder positief dan op T1, toen zij nog die extra aandacht kregen. Het percentage van de extra-aandachtgroep dat (zeer) negatief gestemd is, is gegroeid van 31% op T1 naar 41% op T3.

46

Tabel 35. Kans om binnen twaalf maanden betaald werk te hebben T1, T2 en T3 (% van de niet-werkenden per experimentgroep) Extra Aandacht

Zelfregie

Vergelijking

Totaal

Zeer positief

22

19

24

21

Positief

16

25

10

18

Neutraal

31

21

31

27

Negatief

18

21

19

19

Zeer negatief

13

15

17

15

Totaal

100

100

100

100

Zeer positief

8

11

13

11

Positief

24

28

19

24

Neutraal

34

20

31

28

Negatief

18

27

24

24

Zeer negatief

16

14

13

14

Totaal

100

100

100

100

Zeer positief

19

24

11

19

Positief

16

22

26

21

Neutraal

25

22

20

22

Negatief

25

16

31

23

Zeer negatief

16

16

11

14

Totaal

100

100

100

100

T3 t.o.v. T1

-4

3

3

1

T3 t.o.v. T2

3

8

6

6

T1

T2

T3

Verschil (zeer) positief

We hebben ook expliciet gevraagd of men de kans op werk nu groter of kleiner acht dan 12 maanden geleden (tabel 36). 39% van de niet-werkenden zegt op T3 dat de kans groter is geworden, 22% dat deze kleiner is geworden (de rest zegt dat de kans niet veranderd is). Vergeleken met T2 zeggen op T3 veel meer niet-werkenden dat hun kans op werk groter is geworden. Dit is begrijpelijk, aangezien op T2 de gevolgen van de coronapandemie nog goed merkbaar waren, terwijl er op T3 alweer sprake is van een krappe arbeidsmarkt. Opnieuw zien we dat de deelnemers aan de extra-aandachtgroep het minst positief zijn over de verandering van hun kans op werk. In deze groep zijn er op T3 zelfs meer niet-werkenden die menen dat hun kans op werk kleiner is geworden dan die menen dat hun kans groter is geworden, terwijl dit bij de deelnemers aan de twee andere groepen omgekeerd is. Mogelijk zijn zij minder optimistisch geworden over hun kans op werk doordat zij geen extra aandacht meer krijgen.

47

Tabel 36. Vergelijking van de kans op werk ten opzichte van twaalf maanden geleden op T1, T2 en T3 (% van de niet-werkenden per experimentgroep) Extra Aandacht

Zelfregie

Vergelijking

Totaal

Kans groter dan 12 maanden geleden

36

39

31

35

Kans kleiner dan 12 maanden geleden

27

26

25

26

Totaal

100

100

100

100

Kans groter dan 12 maanden geleden

11

17

8

12

Kans kleiner dan 12 maanden geleden

28

22

21

23

Totaal

100

100

100

100

Kans groter dan 12 maanden geleden

30

50

34

39

Kans kleiner dan 12 maanden geleden

39

15

14

22

Totaal

100

100

100

100

T3 t.o.v. T1

-5

11

4

4

T3 t.o.v. T2

19

33

27

27

T1

T2

T3

Verschil kans groter dan 12 maanden geleden

48

11. Het (willen) volgen van een opleiding Belangrijkste bevindingen: ▪ 12% van de deelnemers volgt een opleiding, in twee derde van de gevallen gericht op het vinden van betaald werk. ▪ De helft van degenen die geen opleiding volgen zou wel een opleiding of cursus willen doen. Bij de nameting zijn enkele extra vragen gesteld over de wensen en belemmeringen voor het volgen van een opleiding. 12% van de deelnemers volgt op T3 een opleiding (tabel 37). In twee derde van de gevallen is die opleiding gericht op het vinden van werk. De helft van degenen die een opleiding volgen doet dit op eigen initiatief. In 20% van de gevallen is de opleiding aangeraden door de klantmanager en in 11% van de gevallen door de werkgever. Tabel 37. Volgen van een opleiding en initiatief daartoe (% van alle respondenten resp. van de respondenten die een opleiding willen volgen) % van alle respondenten Volgt een opleiding

12

% van personen die opleiding volgen 100

Waarvan gericht op het vinden van werk

8

68

Op eigen initiatief

6

52

klantmanager

2

20

werkgever

1

11

Aangeraden door

Aan de respondenten die geen opleiding volgen is gevraagd waarom niet. Hiervoor wordt een breed scala aan redenen gegeven (tabel 38). ‘Heb ik geen tijd voor’ en ‘Geen interesse’ worden het vaakst genoemd, maar samen toch slechts door 26% van de respondenten die geen opleiding volgen. Ook fysieke of mentale gezondheidsproblemen worden relatief vaak genoemd. 51% van degenen die geen opleiding volgen zou wel een opleiding of cursus willen doen.

49

Tabel 38. Redenen om geen opleiding te volgen % van alle respondenten 88

% van personen die geen opleiding volgen 100

Heb ik geen tijd voor

11

13

Geen interesse

11

13

Gezondheid (fysieke of mentale belemmeringen)

8

9

Krijg het niet vergoed

7

8

Wordt me niet aangeboden

7

7

Heb ik niet nodig voor mijn (huidige) baan

5

5

Niet aan gedacht

4

5

Leeftijd (te oud, bijna met pensioen)

3

3

Beheers de taal niet goed genoeg

2

3

(Andere} verplichtingen

2

2

Liever een baan

1

2

Levert mij niets op

1

1

Geen opvang kinderen

1

1

Geen juiste vooropleiding

0

0

Anders

24

28

Zou een opleiding/cursus willen doen

45

51

Volgt geen opleiding Reden om geen opleiding te volgen

50

12. Contact met de klantmanager Belangrijkste bevindingen: ▪ Drie op de vier deelnemers die nog een bijstandsuitkering ontvangen zeggen de afgelopen 12 maanden contact gehad te hebben met de klantmanager. Volgens de registratie van WPI was dit met 84% van de deelnemers in de bijstand. ▪ Degenen die nog bijstand ontvangen zeggen gemiddeld ruim driemaal contact te hebben gehad met de klantmanager; de deelnemers aan de extra-aandachtgroep wat vaker dan de deelnemers aan de zelfregiegroep. ▪ Volgens de registratie van WPI is er in het laatste jaar gemiddeld 9 maal contact geweest met de deelnemers aan het experiment die nog een uitkering ontvangen (inclusief telefoontjes en appjes). ▪ De deelnemers geven hun klantmanager gemiddeld het cijfer 7,6. Dit is vergelijkbaar met de twee vorige meetmomenten (T1 en T2), maar iets minder dan aan het begin van het experiment. De verschillen tussen de experimentgroepen zijn klein. In dit hoofdstuk richten we ons op het contact tussen de deelnemer aan het experiment en de klantmanager (tegenwoordig klantbegeleider). Hierbij maken we zowel gebruik van informatie die de deelnemers in het interview hebben verstrekt als van informatie die door WPI is geleverd. De informatie van WPI heeft ook betrekking op deelnemers die op T3 (nog) niet geïnterviewd zijn.

Tabel 39 laat zien dat bij de nameting 76% van de deelnemers die nog een bijstandsuitkering ontvangen, zeggen de afgelopen 12 maanden contact te hebben gehad met de klantmanager. Dit is een afname ten opzichte van de eerdere metingen aan het begin en het einde van het experiment. Deze afname heeft zich niet alleen voorgedaan bij de deelnemers aan de extra-aandachtgroep, maar ook bij die aan de zelfregiegroep. Ook het aantal keren dat men contact had is fors afgenomen, van gemiddeld 5,3 op T2 (inclusief degenen die geen contact hebben gehad) naar 3,2 op T3. Deze afname was het grootst bij de deelnemers aan de zelfregiegroep en het kleinst bij de deelnemers aan de vergelijkingsgroep. Dit laatste is begrijpelijk, aangezien er voor deze groep feitelijk weinig is veranderd sinds het einde van het experiment. Maar het is verrassend dat de deelnemers aan de zelfregiegroep een grotere afname in het aantal contacten rapporteren dan de deelnemers aan de extraaandachtgroep. Omdat het gemiddelde gevoelig is voor uitschieters naar boven (een klein aantal respondenten met zeer veel contacten kan het gemiddelde fors opschroeven), vermelden we ook de mediaan: het aantal contacten waar de helft van de respondenten op of onder zit. Op T3 was dit 2, dat wil zeggen dat de helft van de respondenten maximaal tweemaal contact heeft gehad met de klantmanager in het afgelopen jaar.

Op T2 was dit nog tweeëneenhalf tot viermaal.

51

Tabel 39. Contact met klantmanager in de afgelopen twaalf maanden op T0, T2 en T3 (% van resp. gemiddelde per deelnemer per experimentgroep, excl. uitstromers) Extra aandacht

Zelfregie

Vergelijking

Totaal

T0

72

74

76

74

T2

87

77

82

82

T3

77

71

82

76

Verschil T3-T0

5

-3

6

2

Verschil T3-T2

-9

-6

0

-6

T0

7,6

4,7

5,6

5,9

T2

5,7

5,8

4,3

5,3

T3

3,5

3,1

3,0

3,2

Verschil T3-T0

-4,1

-1,6

-2,5

-2,7

Verschil T3-T2

-2,3

-2,7

-1,3

-2,1

T0

3

2,5

3

3

T2

4

3

2,5

3

T3

2

2

2

2

Verschil T3-T0

-1

-1

-1

-1

Verschil T3-T2

-2

-1

-1

-1

% contact

Aantal maal contact Gemiddeld

Mediaan

Tabel 40 geeft wat nadere informatie over de contacten met de klantmanager van de deelnemers die nog steeds een bijstandsuitkering ontvangen. 57% zegt nog dezelfde klantmanager te hebben als een jaar geleden. In de extra-aandachtgroep en de zelfregiegroep zijn dat er meer dan in de vergelijkingsgroep. 62% zegt dat de klantmanager meestal contact heeft gezocht. 32% van de deelnemers zegt dat het contact het afgelopen jaar is veranderd, het meest voor de deelnemers aan de extra-aandachtgroep. Het onderwerp dat het meest besproken is in het contact met de klantmanager is betaald werk, gevolgd door gezondheid. De deelnemers aan de extra-aandachtgroep bespreken verhoudingsgewijs vaker gezondheid en minder vaak betaald werk dan de deelnemers aan de andere twee experimentgroepen.

52

Tabel 40. Contacten met klantmanager van respondenten die niet uit de bijstand zijn gestroomd (% van deelnemers per experimentgroep die niet zijn uitgestroomd resp. % van deze respondenten die contact hebben gehad) Zelfde klantmanager als een jaar geleden

Extra Aandacht 62

Zelfregie

Vergelijking

Totaal

59

49

57

Wie heeft meestal contact gezocht (% van resp. die contact hebben gehad) ikzelf

28

36

27

30

klantmanager

66

54

66

62

Contact afgelopen jaar veranderd

39

30

29

32

Betaald werk

30

40

39

37

Gezondheid

24

17

19

20

Financiën

10

6

10

9

Gezinssituatie

5

0

5

3

Onbetaald werk

3

1

4

2

Anders

23

27

16

23

Onderwerp dat het meest aan bod kwam

Ook de deelnemers aan het experiment die op T3 uit de bijstand zijn gestroomd kunnen het afgelopen jaar nog contact hebben gehad met hun klantmanager, hetzij doordat zij pas recent zijn uitgestroomd, hetzij doordat zij ook na hun uitstroom nog contact hebben gehad (nazorg). Vanwege het kleine aantal (125) zijn deze gegevens niet uitgesplitst naar experimentgroep (tabel 41). 29% van de uitstromers heeft het afgelopen jaar nog contact gehad met de klantmanager, ongeveer even vaak op eigen initiatief als op initiatief van de klantmanager. Dit contact kan overigens zowel voor als na het moment van uitstroom hebben plaatsgevonden. Degenen die nog contact hebben gehad, hebben over het algemeen wel veel contacten gehad: gemiddeld zesmaal. Hierdoor hebben alle uitstromers, inclusief degenen die geen contact meer hebben gehad, gemiddeld toch bijna tweemaal contact gehad met de klantmanager. De helft van degenen die contact hebben gehad, zegt dat dit het afgelopen jaar veranderd is. Betaald werk was in de helft van de gevallen het onderwerp waarover men met de klantmanager heeft gesproken.

53

Tabel 41. Contacten met klantmanager van respondenten die uit de bijstand zijn gestroomd (% van deelnemers die zijn uitgestroomd resp. % van deze respondenten die contact hebben gehad) Afgelopen 12 maanden contact met klantmanager (% van alle uitstromers)

29

Wie heeft meestal contact gezocht (% van resp. die contact hebben gehad) ikzelf

43

klantmanager

46

Gemiddeld aantal contacten met klantmanager (incl. 0)

1,7

Idem, alleen degenen die contact hebben gehad7

5,9

Contact afgelopen jaar veranderd

50

Onderwerp dat het meest aan bod kwam Betaald werk

53

Gezondheid

6

Financiën

14

We kunnen het contact tussen de deelnemers en de klantmanagers ook in beeld brengen op basis van de registratie door WPI. Tabel 42 geeft voor vier achtereenvolgende periodes van vier kwartalen (beginnende bij de start van het experiment) het percentage van de deelnemers die aan het eind van de periode nog een bijstandsuitkering ontvingen met wie de klantmanagers contact hebben gehad en het gemiddelde aantal contacten per deelnemer. Hoewel we gegevens hebben voor alle deelnemers die op T0 zijn geïnterviewd, beperken we ons voor de vergelijkbaarheid tot de deelnemers die ook op T3 zijn geïnterviewd. In de laatste periode (van het tweede kwartaal van 2021 tot en met het eerste kwartaal van 2022) melden de klantmanagers iets vaker dat zij contact hebben gehad met de deelnemers dan de deelnemers zelf, namelijk met 84% van de deelnemers die nog in de bijstand zitten. Vergeleken met het laatste jaar van het experiment is dit een aanzienlijke afname, ook voor de vergelijkingsgroep. Het gemiddelde aantal contacten per deelnemer dat de klantmanagers in het afgelopen jaar melden is met bijna 9 aanzienlijk groter dan wat de deelnemers opgeven. Dit grote verschil kan komen doordat klantmanagers ook appjes en telefoontjes registreren die de deelnemers mogelijk niet als contact opgeven of zich herinneren.

De contacten met de deelnemers aan de extra-aandachtgroep zijn in het afgelopen jaar, sinds de afloop van het experiment, het sterkst teruggelopen. Zij hebben met hen nog wel iets frequenter contact gehad dan met de deelnemers aan de zelfregiegroep en de vergelijkingsgroep. Met de deelnemers in de zelfregiegroep en de vergelijkingsgroep is het aantal contacten juist licht toegenomen. Het aantal contacten per jaar vertoont bij iedere experimentgroep vanaf het eerste jaar van het experiment tot aan het eind van het experiment een dalende trend.

7 Exclusief een respondent die zegt 88 maal contact te hebben gehad.

54

Tabel 42. Aandeel deelnemersa dat in periodes van vier kwartalen contact heeft gehad met de klantmanager en gemiddeld aantal contacten volgens WPI (percentage per experimentgroep resp. gemiddeld aantal contacten) 2018 Q22019 Q1

2019 Q22020 Q!

2020 Q22021 Q1

2021Q22022Q1

Extra aandacht

100

99

99

81

Zelfregie

100

99

99

84

Vergelijking

97

98

98

87

Totaal

99

99

99

84

Extra aandacht

19,1

19,3

12,3

9,4

Zelfregie

14,2

11,1

7,9

8,1

Vergelijking

13,7

11,4

8,6

8,9

Totaal

15,6

13,8

9,6

8,8

Aandeel deelnemers met wie contact is geweest

Gemiddeld aantal contacten per deelnemer

Noot a: alleen deelnemers die aan het eind van de periode nog een bijstandsuitkering ontvingen en op T3 zijn geïnterviewd.

Deze dalende trend is ook duidelijk zichtbaar in Figuur 6, waarin we zowel het gemiddelde totale aantal contacten per deelnemer per kwartaal weergeven als het aantal van verschillende soorten contacten. Bij de zelfregiegroep en vergelijkingsgroep neemt het aantal contacten al vanaf het begin van het experiment af, om vanaf de tweede helft van 2020 te stabiliseren. Bij de extra-aandachtgroep neemt het aantal contacten vanaf 2020 sterk af, mogelijk als gevolg van de coronacrisis. We zien dat in deze experimentgroep vooral het aantal gesprekken in 2020 sterk daalt, maar dat, enigszins verrassend, ook het aantal digitale contacten afneemt. Het aantal telefonische contacten met de deelnemers aan de extra-aandachtgroep was gedurende het experiment steeds hoger dan met de deelnemers aan de andere twee groepen, maar is sinds het einde van het experiment ook verminderd.

55

Figuur 6. Gemiddeld aantal contactmomenten per kwartaal per deelnemer a volgens de registratie van de klantmanagers, totaal en naar soort contact

Noot a: deelnemers die op T3 zijn geïnterviewd en aan het eind van het kwartaal een bijstandsuitkering ontvingen

Bij een aantal vormen van communicatie kunnen we een onderscheid maken naar de richting waarin wordt gecommuniceerd: bij telefonisch contact, digitale communicatie (SMS, chat, email) en documenten zijn uitgaande en inkomende berichten apart geregistreerd. We kunnen dit zien als een indicatie voor wie het initiatief heeft genomen bij het leggen van contact: bij uitgaande berichten is dat veelal de klantmanager en bij inkomende berichten de deelnemer. In Figuur 7 vergelijken we het aantal uitgaande en inkomende berichten per deelnemer per kwartaal. We zien allereerst dat er aanzienlijk meer uitgaande dan inkomende contacten zijn. Dit duidt erop dat de klantmanager veel vaker het initiatief neemt tot contact dan de deelnemer. Dit geldt ook voor de zelfregiegroep. Dit kan komen doordat er ook aan de deelnemers die zelfregie hebben periodiek mededelingen moeten worden gedaan. Zowel het aantal uitgaande als het aantal inkomende berichten is gedurende de gehele looptijd van het experiment groter in de extra-aandachtgroep dan in de twee andere experimentgroepen, al wordt het verschil wel steeds kleiner. In het jaar na afloop van het experiment is er vrijwel geen verschil meer. Tussen de vergelijkingsgroep en de zelfregiegroep is er nauwelijks verschil in het aantal uitgaande berichten.

Vanaf het tweede kwartaal van 2020 zien we echter dat de deelnemers aan de zelfregiegroep wat vaker berichten sturen aan de klantmanager dan de deelnemers aan de vergelijkingsgroep en na de beëindiging van het experiment ongeveer even vaak als de deelnemers aan de extra56

aandachtgroep. Het lijkt er dus op dat de deelnemers aan de zelfregiegroep vanaf 2020 verhoudingsgewijs wat vaker zelf het initiatief hebben genomen om contact te zoeken met de klantmanager. Figuur 7. Gemiddeld aantal uitgaande (links) en inkomende (rechts) berichten per kwartaal per deelnemer

Bij iedere meting hebben we de respondenten gevraagd een rapportcijfer te geven voor hun tevredenheid met hun klantmanager. Tabel 43 geeft een overzicht van het gemiddelde cijfer per experimentgroep voor alle vier meetmomenten. Een jaar na afloop van het experiment gaven de deelnemers hun klantmanager gemiddeld het cijfer 7,6. Dat is iets meer dan een jaar eerder, evenveel als op T1, halverwege het experiment en wat minder dan aan het begin van het experiment. Op T2 constateerden we dat de deelnemers aan de extraaandachtgroep in het begin van het experiment minder tevreden waren dan de deelnemers aan de zelfregie- en vergelijkingsgroep en aan het eind juist meer tevreden. Een jaar na afloop van het experiment zijn de verschillen tussen de drie groepen nog maar klein, al zijn de deelnemers aan de vergelijkingsgroep nog steeds het minst tevreden. Vergeleken met het begin van het experiment zijn zowel de deelnemers aan de zelfregiegroep als die aan de vergelijkingsgroep minder tevreden geworden, terwijl de tevredenheid van de deelnemers aan de extra-aandachtgroep per saldo gelijk is gebleven. Tabel 43. Gemiddeld cijfer voor klantmanager op T0, T1, T2 en T3 Extra aandacht

Zelfregie

Vergelijking

Totaal

T0

7,8

8,2

7,8

7,9

T1

7,6

7,7

7,5

7,6

T2

7,9

7,6

6,8

7,5

T3

7,8

7,7

7,4

7,6

Verschil T3-T0

0,0

-0,5

-0,4

-0,3

Verschil T3-T2

-0,1

0,1

0,6

0,1

Met behulp van gegevens van WPI schetsen we in tabel 44 hoeveel verschillende klantmanagers de deelnemers vanaf het begin van het experiment hebben gehad. Hierbij zijn alleen klantmanagers meegeteld die volgens de officiële registratie langer dan een week (7 kalenderdagen) bij een deelnemer betrokken waren. Vrijwel alle deelnemers hebben meerdere klantmanagers gehad. Gemiddeld hebben de deelnemers 6,6 verschillende klantmanagers gehad. Het mediane aantal is 6, dat wil zeggen dat de helft van de deelnemers zes of minder klantmanagers heeft gehad. 9% van de deelnemers heeft meer 57

dan tien klantmanagers gehad. Tussen de experimentgroepen is er weinig verschil in het aantal klantmanagers dat men heeft gehad. Tabel 44. Aantal klantmanagers per deelnemer vanaf het begin van het experiment (% verdeling per experimentgroep en gemiddelde en mediane aantal) Extra Aandacht

Zelfregie

Vergelijking

Totaal

1-3

12

10

18

13

4-5

29

32

21

28

6-10

48

50

52

50

>10

11

8

9

9

Gemiddelde

6,7

6,5

6,5

6,6

Mediaan

6

6

6

6

De aantallen klantmanagers in tabel 44 zijn aanzienlijk groter dan wat we op T2 rapporteerden. Het gemiddelde aantal was toen 3,6. Dit suggereert dat veel deelnemers in het laatste jaar, na afloop van het experiment, meerdere klantmanagers hebben gehad. Uit tabel 45 blijkt dat men in dit jaar gemiddeld bijna 2 klantmanagers heeft gehad.8 Tabel 45. Gemiddeld aantal klantmanagers na afloop van het experiment Extra Aandacht

1,9

Zelfregie

1,7

Vergelijking

2,1

Totaal

1,9

8 Dit is alleen berekend voor de deelnemers die nog een bijstandsuitkering ontvangen.

58

13. Het welzijn van de deelnemers Belangrijkste bevindingen: ▪ Ruim de helft van de deelnemers heeft last van een of meer langdurige (chronische) ziekten, aandoeningen of handicaps. Meer dan vier op de vijf hiervan (bijna de helft van alle deelnemers) worden hierdoor belemmerd in de dagelijkse gang van zaken. ▪ Op een samengestelde indicator voor het welzijn die loopt van 0 tot 10 scoren de deelnemers gemiddeld 7,4. Dit is iets hoger dan een jaar eerder en een halve punt hoger dan aan het begin van het experiment. De verschillen tussen de experimentgroepen zijn verwaarloosbaar. ▪ De score op de welzijnsindicator wordt vooral bepaald door het welzijn op T0 en door de gezondheid en de financiële situatie op T3. Dit hoofdstuk beschrijft het fysieke en mentale welbevinden van de deelnemers aan het experiment. Tabel 46 laat zien dat ruim de helft van de deelnemers last heeft van een of meer langdurige (chronische) ziekten, aandoeningen en handicaps. 9 Sinds het begin van het experiment is dit aandeel wel iets afgenomen. Iets minder dan de helft van de respondenten wordt hierdoor ook belemmerd bij de dagelijkse gang van zaken. Ook dit is iets minder dan op T0.

De verschillen tussen de experimentgroepen is relatief klein, maar het valt wel op dat de deelnemers aan de zelfregiegroep wat minder vaak langdurige ziekten, aandoeningen of handicaps hebben dan de deelnemers aan de extra-aandachtgroep en die weer wat minder dan de vergelijkingsgroep. Tabel 46. Last van een of meer langdurige (chronisch) ziekten, aandoeningen of handicaps Extra Aandacht

Zelfregie

Vergelijking

Totaal

T0

60

60

65

61

T3

55

51

59

55

Verschil T3-T0

-5

-9

-6

-7

Belemmert de ziekte, aandoening of handicap u bij de dagelijkse gang van zaken? (% van totaal) T0

49

51

53

51

T3

43

44

50

46

Verschil T3-T0

-6

-7

-4

-5

Aan de deelnemers zijn daarnaast dertien aspecten van hun welzijn en gezondheid voorgelegd, met de vraag deze te waarderen van 0 tot 10. 10 Tabel 47 geeft de gemiddelde en de mediane score naar experimentgroep op T0, T2 en T3. Gemiddeld waarderen de deelnemers hun welzijn met 7,4. Vergeleken met T0 is dit een stijging met een halve punt. Vooral in het laatste jaar, na afloop van het experiment én de coronacrisis, is het welzijn vrij 9 Er wordt hier geen vergelijking gemaakt met de cijfers voor T2 omdat die sterk afwijkend en waarschijnlijk

niet correct zijn. 10 Het gaat om de volgende aspecten: Ik voel me gezond; Ik slaap goed; Ik kan dingen goed onthouden; Ik voel me vrolijk; Ik ben blij met wie ik ben; Ik heb controle over mijn leven; Ik geniet van het leven; Ik heb goed contact met anderen; Mensen nemen mij serieus; Ik kan goed voor mezelf zorgen; Ik weet wat ik kan; Ik kan goed plannen; Ik kan goed met geld omgaan.

59

sterk verbeterd. Ook de mediaan (waar de helft van de respondenten zich onder bevindt) is iets gestegen, zij het wat minder sterk. De verschillen tussen de experimentgroepen zijn te verwaarlozen. Tabel 47. Gemiddelde en mediane score op 13 welzijns-indicatoren op T0, T2 en T3 Extra Aandacht

Zelfregie

Vergelijking

Totaal

T0

6,9

6,8

6,9

6,9

T2

7,0

7,0

7,0

7,0

T3

7,4

7,4

7,3

7,4

Verschil T3-T0

0,5

0,5

0,4

0,5

Verschil T3-T2

0,3

0,4

0,3

0,3

T0

7,1

7,2

7,2

7,2

T2

7,3

7,3

7,2

7,2

T3

7,3

7,4

7,4

7,4

Verschil T3-T0

0,2

0,2

0,2

0,2

Verschil T3-T2

0,0

0,1

0,2

0,2

Gemiddelde

Mediaan

Met behulp van een lineaire regressieanalyse onderzoeken we welke factoren van invloed zijn op het welzijn van de deelnemers. We hebben drie regressieanalyses uitgevoerd. In de eerste analyse verklaren we het welzijn op T3 alleen uit kenmerken van de respondent op T0, aan het begin van het experiment. Tabel 48 laat zien dat het welzijn op T3 in de eerste plaats wordt beïnvloed door het welzijn op T0. Dit duidt erop dat de beoordeling van het welzijn sterk persoonsgebonden is en relatief weinig verandert over de tijd. De experimentgroep waarin men is ingedeeld, is niet van invloed op het welzijn. Verder zijn er alleen relatief zwakke effecten van opleiding en herkomst (alleen significant bij 10%). Als we de gezondheid en het cijfer voor de financiële situatie (zie het volgende hoofdstuk) op T3 aan de analyse toevoegen, blijken beide een sterk effect te hebben op het welzijn. Het effect van het welzijn op T0 blijft echter bijna even groot. In de laatste analyse voegen we ook nog toe of de respondent op T3 betaald werk heeft, maar dit blijkt geen effect te hebben op de welzijnsscore. We concluderen dat het welzijn op T3 vooral wordt bepaald door het welzijn op T0 en door de gezondheid en de financiële situatie op T3.

60

Tabel 48. Regressieanalyse van het totaalcijfer voor het welzijn op T3

Welzijnsscore op T0

met alleen kenmerken op T0 0,28***

met gezondheid en financiële situatie op T3 0,26***

met werk op T3 0,26***

Experimentgroep (ref.=Vergelijking) Extra Aandacht

-0,07

-0,05

-0,04

Zelfregie

0,00

-0,08

-0,08

Gezond op T3

0,56***

0,56***

Cijfer financiële situatie op T3

0,16***

0,17***

Werkzaam op T3 Vrouw (ref.=man)

-0,05 0,04

0,04

0,03

eenoudergezin

0,05

0,00

0,00

paar zonder kinderen

0,04

0,08

0,07

paar met kinderen

-0,08

-0,12

-0,12

Parttime werk op T0

-0,17

-0,15

-0,14

35-44 jr.

-0,16

-0,05

-0,06

45-54 jr.

-0,22

0,02

0,02

>54 jr.

-0,06

0,13

0,13

vmbo

-0,31*

-0,24

-0,25

mbo

0,03

0,11

0,11*

havo/vwo

-0,26

-0,29*

-0,29

hbo.wo

-0,23

-0,11

-0,11**

ander

-0,43**

-0,37**

-0,37*

Suriname

0,27

0,29*

0,29

Antillen

0,20

-0,03

-0,04

Turkije

-0,11

-0,02

-0,02*

Marokko

-0,37*

-0,33*

-0,34

overig

0,04

0,06

0,06***

Constante

5,82***

4,59***

4,59

Huishoudenstype (o.b.v. uitkering) (ref.=alleenstaande)

Leeftijdsgroep op T0 (ref.=18-34 jr.)

Hoogst behaalde diploma (ref.=geen/bao)

Herkomst (1e of 2e generatie) (ref.=Nederlands)

Noot: significantie *p<0,1; **p<0,05; ***p<0,01

61

14. De financiële situatie van de deelnemers en de premie Belangrijkste bevindingen: ▪ 38% van de deelnemers zegt dat sinds de coronacrisis hun financiële situatie is verslechterd. Dat is aanzienlijk meer dan de 25% die een jaar eerder zij dat de financiële situatie was verslechterd. ▪ Slechts 7% zegt dat de financiële situatie is verbeterd. ▪ Gemiddeld geven de deelnemers het cijfer 5,9 voor de tevredenheid met hun inkomen. Dit is iets meer dan op T2 en 0,8 punten meer dan op T0. Het cijfer verschilt nauwelijks tussen de experimentgroepen. ▪ Het aandeel deelnemers met betalingsachterstanden of financiële schulden is, zowel ten opzichte van T2 als ten opzichte van T0, afgenomen. ▪ Het cijfer voor tevredenheid met het inkomen wordt vooral bepaald door dat cijfer op eerdere momenten en door de vraag of men op T3 betaald werk heeft. ▪ In het jaar na afloop van het experiment zegt nog maar een op de drie deelnemers een premie te hebben ontvangen. Volgens de registratie van WPI is dit echter de helft. ▪ In het eerste halfjaar van 2021 ontvingen de deelnemers die een premie ontvingen gemiddeld € 909. Over alle deelnemers die nog een bijstandsuitkering ontvingen gerekend was dit € 463. In dit laatste hoofdstuk analyseren we de financiële situatie van de respondenten en de premie die zij hebben ontvangen.

Tabel 49 laat zien welk deel van de deelnemers op T3 zegt dat hun financiële situatie is verslechterd of verbeterd sinds de coronacrisis. 53% zegt dat de financiële situatie niet is veranderd, maar 38% dat deze is verslechterd. Opmerkelijk genoeg is dat beduidend meer dan een jaar eerder, toen 25% zei dat de financiële situatie is verslechterd. Hoewel we eerder zagen dat in het laatste jaar meer deelnemers aan het werk zijn gekomen, is er dus ook een groeiend aandeel dat zegt dat de financiële situatie is verslechterd. Slechts 7% van de deelnemers zegt dat hun financiële situatie is verbeterd. De verschillen tussen deelnemers aan verschillende experimentgroepen zijn verwaarloosbaar klein. Tabel 49. Verandering in de financiële situatie sinds de coronacrisis Extra Aandacht

Zelfregie

Vergelijking

Totaal

Nee

65

66

67

66

Ja, verslechterd

22

27

25

25

Ja, verbeterd

11

6

6

8

Nee

52

53

55

53

Ja, verslechterd

40

38

37

38

Ja, verbeterd

7

8

5

7

T2

T3

Tabel 50 geeft een aantal andere indicatoren voor de financiële situatie van de respondenten. Hen is gevraagd hun financiële situatie te waarderen met een cijfer van 0 tot 10. Gemiddeld gaven zij op T3 net geen zes aan hun financiële situatie. Dat is wat hoger dan 62

op T2 en beduidend hoger dan aan het begin van het experiment. Er zijn nauwelijks verschillen tussen de experimentgroepen. Het aandeel respondenten met een betalingsachterstand was op T3 21%, ruim 2 procentpunten minder dan op T2 en 8 punten minder dan op T0. Ook hier zijn de verschillen tussen de experimentgroepen klein. Tabel 50. Beoordeling van de financiële situatie op T0, T2 en T3 (cijfer van 0-10 resp. % per experimentgroep) Extra aandacht

Zelfregie

Vergelijking

Totaal

T0

5,0

5,2

5,1

5,1

T2

5,8

5,8

5,6

5,7

T3

5,8

5,9

5,9

5,9

Verschil T3-T0

0,8

0,7

0,8

0,8

Verschil T3-T2

0,0

0,2

0,3

0,2

T0

30

26

32

29

T2

24

21

27

24

T3

21

18

25

21

Verschil T3-T0

-9

-8

-7

-8

Verschil T3-T2

-3

-3

-1

-2

T0

45

47

44

46

T2

39

36

35

37

T3

31

34

38

34

Verschil T3-T0

-14

-13

-6

-11

Verschil T3-T2

-8

-2

3

-2

Gemiddeld cijfer voor tevredenheid met inkomen

Betalingsachterstand

Financiële schulden

Hoeveel geld (inclusief toeslagen) heeft uw huishouden minimaal per maand nodig om rond te kunnen komen? ≤€1.000 14 23 20

19

€1.001-€1.200

16

12

19

15

€1.201-€1.500

39

32

38

36

€1.501-€1.750

16

16

11

14

>€2.000

16

18

13

15

Gemiddeld

€ 1.660

€ 1.658

€ 1.531

€ 1.621

Mediaan

€ 1.500

€1.600

€ 1.450

€ 1.500

34% van de respondenten heeft financiële schulden. Ook dit aandeel is vrij fors gedaald ten opzichte van de eerdere meetmomenten, vooral ten opzichte van T0. De deelnemers aan de extra-aandachtgroep en de zelfregiegroep scoren hier gunstiger dan de deelnemers aan de vergelijkingsgroep. 63

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12362828/1