Bijlage 1 - T3-nameting kwantitatief onderzoek.pdf
Tekst van het document
Nameting (T3) Amsterdams Experiment met de Bijstand
December 2022
Paul de Beer i.s.m. Kim van Berkel, Sandra Bos, Judith Elshout en Mathieu Portielje
1
Inhoudsopgave Belangrijkste uitkomsten ..................................................................................................................................... 3 1.
Inleiding ...................................................................................................................................................... 8
2.
Deelname aan het experiment en veranderingen sindsdien .................................................................... 10
3.
Uitstroom uit de uitkering ........................................................................................................................ 11
4.
Deelname aan verschillende activiteiten?................................................................................................ 15
5.
Wat verklaart de verandering in deelname tussen T2 en T3? ................................................................. 21
6.
Hoeveel tijd besteden de deelnemers aan verschillende activiteiten? .................................................... 24
7.
Overgangen tussen werken en niet-werken............................................................................................. 31
8.
Kenmerken van betaald werk................................................................................................................... 36
9.
Belang en voorkomen van werkaspecten ................................................................................................ 44
10.
Niet-werkenden en zoeken naar werk ................................................................................................. 46
11.
Het (willen) volgen van een opleiding ................................................................................................. 49
12.
Contact met de klantmanager ............................................................................................................ 51
13.
Het welzijn van de deelnemers ............................................................................................................ 59
14.
De financiële situatie van de deelnemers en de premie ...................................................................... 62
Bijlage 1: Analyse van ‘uitvallers’ uit het experiment........................................................................................ 69 Bijlage 2: typologie van deelnemers .................................................................................................................. 73 Bijlage 3: Kenmerken van de respondenten op T0 ............................................................................................ 76
2
Belangrijkste uitkomsten Dit rapport presenteert de resultaten van de laatste kwantitatieve meting van het experiment met de bijstand in Amsterdam. Het betreft de zogenaamde nameting T3, die ruwweg een jaar na het einde van het experiment is afgenomen in het voorjaar van 2022. Het gaat om 513 deelnemers die hoofdzakelijk telefonisch zijn geïnterviewd. Deze rapportage gaat alleen over de situatie van de deelnemers een jaar na afloop van het experiment en behelst niet een integrale analyse van de effecten van het experiment. In de eerste helft van 2023 zal een eindrapport worden gepubliceerd dat de uitkomsten van het experiment als geheel zal bespreken en waarin ook een aantal aanbevelingen zal worden gedaan. Het laatste jaar meer mensen aan het werk, maar minder dan aan het begin van het experiment Het jaar na afloop van het experiment kenmerkte zich door economisch herstel en een aantrekkende arbeidsmarkt. Dit weerspiegelt zich in de situatie van de deelnemers van het Amsterdamse experiment met de bijstand. Ten opzichte van een jaar eerder (T2), toen de arbeidsdeelname fors was gedaald, is de deelname aan betaald werk bij de nameting (T3) weer toegenomen tot 61% en zijn de werkenden meer uren gaan werken (Figuur 1). Vergeleken met het begin van het experiment (T0: 64%) waren op T3 echter minder mensen aan het werk.
Doordat het aantal gewerkte uren van de werkenden wel is toegenomen ten opzichte van T0 (zie hierna), is het gemiddelde aantal uren dat de deelnemers aan het experiment per week betaald werken (inclusief degenen die niet werken) wel toegenomen, tot 11,3 uur (circa 2 uur meer dan op T2 en aan het begin van het experiment). Figuur 1. Percentage betaald werkenden (links) en gemiddeld aantal gewerkte uren (incl. niet-werkenden) (rechts) naar experimentgroep, T0, T1, T2 en T3 14 13 12 11 10 9 8 7 6 T0 Extra Aandacht
T1
T2 Zelfregie
T3 Vergelijking
Op T2 was de terugval in arbeidsdeelname van de deelnemers aan de extra-aandachtgroep kleiner dan van de deelnemers aan de twee andere experimentgroepen (zie Error! Reference source not found.). Tussen T2 en T3 zijn de deelnemers aan de zelfregiegroep en vergelijkingsgroep echter weer beduidend meer gaan werken, terwijl de deelnemers aan de extra-aandachtgroep nauwelijks meer zijn gaan werken. Extra aandacht heeft de gevolgen van de coronacrisis dus helpen opvangen, maar daardoor of door het wegvallen van die extra aandacht na afloop van het experiment is het herstel na de coronacrisis ook kleiner dan in de twee andere experimentgroepen. Niettemin hebben de deelnemers aan de extra3
aandachtgroep op T3 wel het vaakst betaald werk, al is het verschil met de twee andere experimentgroepen statistisch niet significant. In algemene zin concluderen we dan ook dat de gevolgen van de economische conjunctuur voor de arbeidsparticipatie van de deelnemers groter zijn geweest dan de verschillen in begeleiding tussen de drie experimentgroepen. Dat extra aandacht voor de gehele groep deelnemers aan het experiment geen statistisch significant effect heeft op de kans om op T3 te werken, betekent niet dat extra aandacht geen positief effect kan hebben. Allereerst is het aantal deelnemers aan het experiment van wie we bij de nameting informatie hebben verkregen, relatief klein, waardoor alleen (zeer) grote verschillen statistisch significant zijn. Daarnaast hebben we aanwijzingen gevonden dat extra aandacht voor specifieke groepen wel degelijk een fors positief effect heeft op de kans op betaald werk. Het aantal respondenten in deze groepen is echter te klein om op grond hiervan harde en definitieve conclusies te kunnen trekken voor welke bijstandontvangers extra aandacht het grootste effect heeft. De helft van de deelnemers had zowel aan het begin van het experiment (T0) als bij de nameting (T3) betaald werk. Een kwart werkte op beide momenten niet. In de extraaandachtgroep had 54% op beide momenten betaald werk, in de zelfregiegroep 44%.
Een derde van de deelnemers werkte op T3 meer uren per week dan op T0, 42% werkte evenveel uren en een kwart werkte minder uren. Deelnemers aan de extra aandachtgroep werken meer uren De werkende deelnemers werken gemiddeld 19 uur per week. Dat is ruim een uur meer dan aan het eind van het experiment en ruim vier uur meer dan aan het begin van het experiment. De deelnemers aan de extra-aandachtgroep en de vergelijkingsgroep werken gemiddeld 2,5 uur per week meer dan de deelnemers aan de zelfregiegroep, terwijl er aan het begin van het experiment geen verschil was tussen de drie experimentgroepen (Figuur 2). Dit verschil is statistisch significant als rekening wordt gehouden met andere persoonskenmerken. Een op de drie werkenden zou graag meer uren willen werken. De grootste belemmering hiervoor is dat werkgever niet meer uren werk biedt. Figuur 2. Gemiddeld aantal gewerkte uren per week van deelnemers met betaald werk op T0, T2 en T3 naar experimentgroep
4
Deelname aan vrijwilligerswerk stabiel De toename van de deelname aan betaald werk tussen T2 en T3 is gepaard gegaan met een stabiele deelname aan vrijwilligerswerk (17%) en een lichte afname van de deelname aan mantelzorg (15%) en het volgen van een opleiding (12%). Gemiddeld besteden de deelnemers bijna 17 uur per week aan activiteiten (betaald werk, vrijwilligerswerk, mantelzorg en opleiding). Dat is iets meer dan een jaar eerder. Twee op de vijf uit de uitkering gestroomd Een jaar na afloop van het experiment is 39% van de deelnemers die aan het experiment zijn begonnen, uit de uitkering gestroomd, waarvan 28% (ruim twee derde van alle uitstromers) vanwege inkomsten uit werk (Figuur 3). De uitstroom van deelnemers aan de extraaandachtgroep (40%) en de vergelijkingsgroep (42%) is groter dan van deelnemers aan de zelfregiegroep (35%). De uitstroom vanwege inkomsten uit werk is ook groter in de extraaandachtgroep (31%) en de vergelijkingsgroep (29%) dan in de zelfregiegroep (23%). Dit verschil is statistisch significant. Figuur 3. Percentage deelnemers naar experimentgroep dat op T3 uit de uitkering is gestroomd (totaal en uitstroom naar werk) 45
42
40
40 35
39
35 31
29
30
28
23
25 20 15 10 5 0 Extra Aandacht
Zelfregie
totaal uitstroom
Vergelijking
Totaal
uitstroom naar werk
Er is een groot verschil in kans op uitstroom uit de uitkering tussen de deelnemers die aan het begin van het experiment geen betaald werk hadden of maximaal 16 uur per week werkten enerzijds en de deelnemers die meer dan 16 uur werkten anderzijds. Van de eerste groep is op T3 een derde uit de uitkering gestroomd (en ongeveer een kwart naar werk) en van de laatste groep meer dan de helft (en ca. 40% naar werk) (Figuur 4).
5
Figuur 4. Uitstroom en uitstroom naar werk op T3 naar aantal gewerkte uren op T0 (%) 58
60
52 50 41 40
40
39
34
33 30 22
28
25
20 10 0 0 uur
1-16 uur totale uitstroom
17-24 uur
>24 uur
totaal
uitstroom naar werk
De helft van de niet-werkenden wil werken Ruim een op de drie deelnemers heeft geen betaald werk. De helft van hen wil wel betaald werken en 40% is positief over de kans om binnen 12 maanden werk te hebben. Meer mensen willen een opleiding volgen 12% van de deelnemers volgt een opleiding, in twee derde van de gevallen gericht op het vinden van betaald werk. De helft van degenen die geen opleiding volgen, zou wel een opleiding of cursus willen doen. Minder contacten met de klantmanager na afloop van het experiment Drie op de vier deelnemers die nog een bijstandsuitkering ontvangen zegt de afgelopen 12 maanden contact gehad te hebben met de klantmanager. Dit is minder dan in het laatste jaar van het experiment, vooral voor de deelnemers aan de extra-aandachtgroep. Ook volgens de registratie van WPI is het aantal contacten met deelnemers in het laatste jaar teruggelopen, het sterkst in de extra-aandachtgroep (Figuur 5). Figuur 5. Gemiddeld aantal contacten per kwartaal per deelnemer naar experimentgroep, 2018-2022
6
De deelnemers geven hun klantmanager gemiddeld het cijfer 7,6. Dit is vergelijkbaar met de twee vorige meetmomenten (T1 en T2), maar iets minder dan aan het begin van het experiment. De verschillen tussen de experimentgroepen zijn klein. De helft van de deelnemers heeft langdurige gezondheidsklachten Ruim de helft van de deelnemers heeft last van een of meer langdurige (chronische) ziekten, aandoeningen of handicaps. Niettemin scoren de deelnemers gemiddeld ruim voldoende (7,4) op een samengestelde welzijnsindicator die loopt van 0 tot 10. Dit is iets hoger dan een jaar eerder en een halve punt hoger dan aan het begin van het experiment. De verschillen tussen de experimentgroepen zijn verwaarloosbaar. De financiële situatie is verslechterd, maar toch minder betalingsachterstanden en schulden Ondanks het feit dat bij de nameting meer deelnemers aan het werk zijn dan een jaar later, zegt 38% dat hun financiële situatie is verslechterd sinds de coronacrisis. Toch is de tevredenheid met het inkomen sinds het begin van het experiment verbeterd (van 5,1 op T0 via 5,7 op T2 naar 5,9 op T3) en is het percentage met betalingsachterstanden en schulden afgenomen. Het percentage deelnemers dat zegt de afgelopen 12 maanden een premie te hebben ontvangen is fors verminderd, ondanks het feit dat meer deelnemers betaald werk hebben.
Volgens de gegevens van WPI is het aantal deelnemers dat een premie heeft ontvangen echter nauwelijks afgenomen.
7
1. Inleiding Deze laatste rapportage van het Amsterdamse Experiment met de Bijstand schetst de situatie van de deelnemers ruwweg een jaar na afloop van het experiment (T3), dat wil zeggen in het voorjaar en het begin van de zomer van 2022. De situatie een jaar na het experiment wordt, voor zover mogelijk, vergeleken met de situatie aan het begin van het experiment (T0), zo’n twee tot drie-en-een-half jaar geleden, een aan het eind van het experiment (T2), ruwweg een jaar geleden. Deze rapportage beperkt zich – op een enkele uitzondering na – tot de 513 deelnemers die eind juli 2022 waren geïnterviewd. Vergeleken met de 808 deelnemers die op T0 zijn geïnterviewd, zijn dus 295 deelnemers (37%) uitgevallen. In bijlage 1 is een analyse opgenomen van de kans dat iemand die op T0 is geïnterviewd ook op T3 is geïnterviewd. Dit biedt inzicht in de vraag of de uitval selectief is en dus mogelijk de uitkomsten kan beïnvloeden. Hieruit blijkt dat personen die aan het begin van het experiment meer dan 24 uur per week werkten, vrouwen en deelnemers met een Surinaamse, Marokkaanse of ‘overige’ migratieachtergrond een relatief grote kans hadden om uit te vallen, terwijl gehuwden of samenwonenden zonder kinderen en hoogopgeleiden juist een relatief grote kans hadden om zowel op T0 als T3 te worden geïnterviewd.
Belangrijk is dat de experimentgroep waarin men was ingedeeld niet van invloed is op de kans op uitval, zodat er geen vertekening optreedt bij de vergelijking van de experimentgroepen. Bij alle multivariate regressieanalyses die in deze rapportage zijn uitgevoerd, waarbij het gezamenlijke effect van de kenmerken van de deelnemers op verschillende uitkomstvariabelen wordt geschat, is een herweging toegepast (op basis van de zogenaamde ‘propensity score’), zodat deelnemers met een relatief grote kans om uit te vallen (en dus een relatief kleine kans om op T3 te zijn geïnterviewd) zwaarder meetellen (zie bijlage 1). Hiermee is zo goed mogelijk gecorrigeerd voor deze selectieve uitval. Wanneer in deze rapportage uitkomsten op T3 worden vergeleken met die op T0 en/of T2 worden voor de eerdere meetmomenten steeds de uitkomsten gerapporteerd voor dezelfde 513 respondenten die op T3 zijn geïnterviewd, zodat de uitkomsten op de verschillende momenten goed met elkaar te vergelijken zijn. Dit betekent wel dat de uitkomsten die in deze rapportage zijn opgenomen voor T0 en T2 kunnen verschillen van die in eerdere rapportages, die op een groter aantal respondenten waren gebaseerd. In aanvulling op de gegevens die via persoonlijke interviews zijn verzameld, zijn er ook gegevens beschikbaar van WPI.
Deze betreffen onder meer de start- en eventuele einddatum van de uitkering, het soort uitkering (op basis van de huishoudenssamenstelling), de reden voor eventuele uitstroom, de contacten van de klantmanagers met de deelnemers en de bijverdienpremie die aan de werkende deelnemers is uitgekeerd. Hoewel deze gegevens beschikbaar zijn voor alle 808 deelnemers die aan het begin van het experiment op T0 zijn geïnterviewd, vermelden we voor de vergelijkbaarheid alleen de uitkomsten voor de 513 deelnemers die op T3 zijn geïnterviewd. Bij (vrijwel) alle vragen wordt onderscheid gemaakt tussen de drie experimentgroepen of condities in het experiment, te weten Extra aandacht, Zelfregie en Vergelijking (de laatste fungeert als controlegroep). Aangezien de deelnemers aselect zijn toegewezen aan de drie 8
experimentgroepen, kunnen verschillen in uitkomsten tussen de drie experimentgroepen in beginsel worden geïnterpreteerd als (causale) effecten van de condities in die experimentgroepen. Echter, er kunnen door toeval, door selectieve uitval of door een nietperfecte uitvoering van de drie condities kleine verschillen (zijn) ontstaan tussen zowel de uitkomsten als de kenmerken van de deelnemers in de drie experimentgroepen. Om hiervoor zo goed mogelijk te corrigeren wordt ook een aantal multivariate regressieanalyses uitgevoerd om te bepalen of eventuele verschillen daadwerkelijk het resultaat zijn van de verschillen tussen de drie experimentgroepen. In bijlage 3 wordt de samenstelling van de respondenten op T3 in de drie experimentgroepen op basis van een aantal sociaaldemografische kenmerken (op T0) weergegeven. In de volgende hoofdstukken komen de volgende onderwerpen aan de orde. Allereerst de kennis van de experimentgroep waarvan men deel uitmaakte en de veranderingen sinds de afloop van het experiment (hoofdstuk 2). Daarna de uitstroom uit de uitkering tussen T0 en T3 op basis van de gegevens van WPI (hoofdstuk 3). Vervolgens de verschillende betaalde en onbetaalde activiteiten die de deelnemers ondernemen (hoofdstuk 4) en de veranderingen daarin sinds het einde van het experiment (hoofdstuk 5).
Daarna analyseren we het aantal uren dat de deelnemers aan de verschillende activiteiten besteden (hoofdstuk 6). Vervolgens schetsen we de veranderingen in werken en niet-werken sinds het begin van het experiment (hoofdstuk 7). Hoofdstuk 8 beperkt zich tot de betaald werkenden en schetst een aantal kenmerken van hun werk. Vervolgens wordt een nieuw thema belicht, namelijk het belang dat de respondenten hechten aan verschillende werkaspecten en de mate waarin die werkaspecten van toepassing zijn op hun huidige werk (hoofdstuk 9). Hoofdstuk 10 richt zich op de niet-werkenden, hun wensen ten aanzien van werk en hun inschatting van de kans op werk. In hoofdstuk 11 staan we kort stil bij de wensen en belemmeringen voor het volgen van een opleiding. Vervolgens bespreken we de contacten van de deelnemers met hun klantmanager of consulent (hoofdstuk 12). In het daaropvolgende hoofdstuk gaat het om het welbevinden van de deelnemers en in hoofdstuk 14 slot om hun financiële positie en de premie die zij hebben ontvangen. In de bijlage analyseren we de uitval uit het experiment.1
1 Percentages in tabellen worden afgerond op gehele getallen, waardoor de som van de percentages niet altijd
precies gelijk aan 100 is.
9
2. Deelname aan het experiment en veranderingen sindsdien Belangrijkste bevindingen: ▪ Een jaar na afloop van het experiment weten drie op de tien deelnemers aan welke experimentgroep ze hebben deelgenomen. ▪ Volgens de helft van de deelnemers is er voor hen niets veranderd sinds het eind van het experiment. Ruim een jaar na afloop van het experiment kan slechts 29% van de deelnemers correct aangeven van welke experimentgroep zij deel uitmaakten. Van de extra-aandachtgroep is dit 33%, van de zelfregiegroep 44% en van de vergelijkingsgroep 18%. Deze percentages verschillen overigens weinig van die op T2, aan het eind van het experiment. Tabel 1. Experimentgroep volgens deelnemers op T3 naar werkelijke experimentgroep (% van de deelnemers per werkelijke experimentgroep) Extra Aandacht
Zelfregie
Vergelijking
Totaal
Extra Aandacht
33
2
2
12
Zelfregie
9
44
18
25
Vergelijking
0
3
5
3
Weet ik niet
58
52
75
61
Totaal
100
100
100
100
correct (% van totaal)
11
16
2
29
Ongeveer de helft van de deelnemers zegt dat er voor hen niets is veranderd sinds het einde van het experiment (tabel 2). Dit geldt vooral voor de deelnemers aan de zelfregiegroep. De deelnemers aan de extra-aandachtgroep en, enigszins verrassend, de vergelijkingsgroep zeggen wat vaker dat er iets veranderd is. 16% van de deelnemers zegt dat men een andere klantmanager heeft gekregen sinds het einde van het experiment. Tabel 2. Wat is er voor u veranderd sinds het experiment in maart 2021 is gestopt? (meerdere antwoorden mogelijk) (% van de deelnemers per experimentgroep) Extra Aandacht 14
Zelfregie
Vergelijking
Totaal
14
19
16
Ik heb meer contact met mijn klantmanager
1
0
1
1
Ik heb minder contact met mijn klantmanager
4
1
1
2
Ik ben uit de bijstand gestroomd
1
0
0
0
Niets, geen veranderingen ervaren
43
54
42
47
Anders
10
10
8
9
Ik heb een andere klantmanager
10
3. Uitstroom uit de uitkering Belangrijkste bevindingen: ▪ Een jaar na afloop van het experiment is 39% van de deelnemers die aan het experiment zijn begonnen, uit de uitkering gestroomd. ▪ Ruim een kwart van de oorspronkelijke deelnemers is uitgestroomd vanwege inkomsten uit werk. ▪ Deelnemers aan de zelfregiegroep zijn op T3 significant minder vaak uit de uitkering uitgestroomd (35% in totaal en 23% naar werk) dan deelnemers aan de extraaandachtgroep (40% resp. 31%) en de vergelijkingsgroep (42% resp. 29%). ▪ De uitstroom is het grootst onder deelnemers die aan het begin van het experiment meer dan 16 uur (en vooral degenen die meer dan 24 uur) per week betaald werkten. Van degenen die meer dan 24 uur werkten is 74% uitgestroomd, van degenen 16-24 uur werkten 61% en van degenen die niet werkten 35%. ▪ Wie aan het eind van het experiment (T2) meer dan 24 uur werkte, heeft 90% kans om op T3 te zijn uitgestroomd naar werk, tegenover 26% voor deelnemers die op T2 niet werkten. ▪ Samenwonenden zonder kinderen en personen die aan het begin van het experiment 55 jaar of ouder waren zijn relatief weinig uitgestroomd. ▪ Personen met een havo- of vwo-diploma zijn relatief vaak uitgestroomd. Op basis van gegevens van de gemeente kunnen we nagaan welke deelnemers aan het experiment die op T0 zijn ondervraagd op T3 uit de uitkering zijn gestroomd.
Omdat we hierbij alleen gebruik maken van gegevens uit de nulmeting, kunnen we alle 808 deelnemers die op T0 zijn geïnterviewd in deze analyse meenemen. Tabel 3 laat zien dat 39% van de deelnemers uit de uitkering is gestroomd. In ruim twee van de drie gevallen was dit vanwege inkomsten uit werk (incl. werk als zelfstandige of op een gesubsidieerde baan) en in een op de drie gevallen om andere redenen. De uitstroom van deelnemers in de extra-aandachtgroep (40%) en de vergelijkingsgroep (42%) was groter dan van deelnemers in de zelfregiegroep (35%). Dit geldt ook voor de uitstroom naar werk. Tabel 3. Uitstroom uit de uitkering op T3 (% van deelnemers per experimentgroep aan het begin van het experiment) Extra Aandacht
Zelfregie
Vergelijking
Totaal
Geen uitstroom
60
65
58
61
Totaal uitstroom
40
35
42
39
Uitstroom naar werk
31
23
29
28
Overige uitstroom
9
12
13
11
100
100
100
100
Totaal
Deze cijfers suggereren dat zelfregie de kans op uitstroom uit de uitkering verkleint. Als we een regressieanalyse uitvoeren, waarbij we rekening houden met het effect van andere persoonskenmerken, blijken de deelnemers aan de zelfregiegroep inderdaad significant minder kans te hebben op totale uitstroom en uitstroom naar werk (tabel 4).
11
Tabel 4. Logistische regressie van de kans op uitstroom uit de uitkering resp. uitstroom naar werk op T3, met aantal gewerkte uren op T0 totale uitstroom
uitstroom naar werk
Extra Aandacht
0,84
0,99
Zelfregie
0,68*
0,65**
1-16 uur
1,29
1,43*
17-24 uur
3,14***
2,87***
> 24 uur
2,91***
4,24***
onbekend
1,50
1,28
Vrouw (ref.=man)
1,41*
1,16
eenoudergezin
1,18
1,28
paar zonder kinderen
0,49**
0,37***
paar met kinderen
0,98
0,68
1-6 mnd.
0,78
0,91
>1-2 jr.
0,90
1,40
>2-3 jr.
0,78
1,06
>3-5 jr.
0,74
0,84
>5-10 jr.
0,70
1,02
>10 jr.
0,55*
0,79
35-44 jr.
0,79
1,01
45-54 jr.
0,74
0,85
>54 jr.
0,40***
0,29***
vmbo
1,23
1,60
mbo
1,29
1,60
havo/vwo
1,56
2,11**
hbo/wo
1,84**
2,10**
ander
1,00
1,26
Suriname
1,29
1,12
Antillen
0,47
0,55
Turkije
1,03
1,21
Marokko
0,77
0,95
overig
1,04
1,24
onbekend
0,69
1,38
Constante
0,76
0,23***
Experimentgroep (ref.=Zelfregie)
Aantal gewerkte uren op T0 (ref.=0 uur)
Huishoudenstype (o.b.v. uitkering) (ref.=alleenstaande)
Duur uitkering op T0 (ref.=7-12 mnd.)
Leeftijdsgroep op T0 (ref.=18-34 jr.)
Hoogst behaalde diploma (ref.=geen/bao)
Herkomst (1e of 2e generatie) (ref.=Nederlands)
*p<0,1; **p<0,05; ***p<0,01
12
De verschillen in uitstroomkans tussen de extra-aandachtgroep en de vergelijkingsgroep zijn niet significant. Er zijn dus geen aanwijzingen dat extra aandacht de kans om uit de uitkering te stromen vergroot. Tabel 4 laat verder zien dat het aantal uren dat men aan het begin van het experiment al betaald werkte, een sterk effect heeft op de kans dat men op T3 uit de uitkering is gestroomd en vooral naar werk is uitgestroomd. Wie aan het begin van het experiment meer dan 16 uur per week werkte heeft een bijna tweemaal zo grote kans (41% vs. 22%) om op T3 uit de uitkering naar werk te zijn gestroomd als wie op T0 geen betaald werk had. Verder blijkt uit tabel 6 dat samenwonenden zonder kinderen en mensen die op T0 55 jaar of ouder waren minder kans hebben om (naar werk) uit te stromen en deelnemers met een havo- of vwo-diploma een grotere kans. We hebben nog een extra analyse uitgevoerd om te onderzoeken of het aantal uren dat men aan het einde van het experiment (T2) werkte ook van invloed is op de kans dat men ruwweg een jaar later uit de uitkering is gestroomd. Tabel 5 laat zien dat het effect van het aantal uren werk op T2 nog aanzienlijk groter is dan van het aantal uren werk aan het begin van het experiment. Wie op T2 meer dan 24 uur werkte, heeft 76% kans om op T3 te zijn uitgestroomd naar werk, tegenover 11% voor deelnemers die op T2 niet werkten.
Wie op T2 17-24 uur werkte had 42% kans om op T3 te zijn uitgestroomd naar werk. Parttime werken in een grote deeltijdbaan loont dus in termen van uitstroom uit de uitkering. Een mogelijke verklaring voor dit grote verschil tussen deelnemers die op T2 een grote en een kleine deeltijdbaan hadden is, dat de laatste groep vaker gezondheidsproblemen heeft en daardoor niet in staat is meer uren te gaan werken. Er is inderdaad enig verschil in gezondheid tussen beide groepen, maar het verschil is niet heel groot. Van degenen die op T2 1-16 uur werkten zegt 61% een langdurige ziekte, aandoening of handicap te hebben (en 52% wordt daardoor belemmerd in de dagelijkse bezigheden), terwijl dit van degenen die 17-24 uur werkten 53% (resp. 46%) is. Het verschil met de groep die meer dan 24 uur werkte is groter: daarvan rapporteert 41% een langdurige ziekte, aandoening of handicap (en 31% een belemmering). Het is dus aannemelijk dat de gezondheid een deel van het verschil in uitstroom tussen ‘grote’ en ‘kleine’ deeltijders verklaart, maar niet het gehele verschil. Als we de gezondheid (op T2) toevoegen aan de regressieanalyse, heeft deze ook een groot (positief) effect op de kans op uitstroom en nog meer op de uitstroom naar werk.
13
Tabel 5. Logistische regressie van de kans op uitstroom uit de uitkering resp. uitstroom naar werk op T3, met aantal gewerkte uren op T2 totale uitstroom
uitstroom naar werk
Extra Aandacht
0,71
0,86
Vergelijking
0,64**
0,61**
1-16 uur
1,58
1,74*
17-24 uur
4,73***
6,15***
> 24 uur
32,35***
35,41***
Vrouw (ref.=man)
8,88***
5,16***
Huishoudenstype (o.b.v. uitkering) (ref.=alleenstaande)
1,17
0,99
paar zonder kinderen
1,40
1,48
paar met kinderen
0,56*
0,33***
Duur uitkering op T0 (ref.=7-12 mnd.)
1,58
0,84
>1-2 jr.
0,57
0,77
>2-3 jr.
0,84
1,43
>3-5 jr.
0,65
1,00
>5-10 jr.
0,71
0,87
>10 jr.
0,62
0,90
Leeftijdsgroep op T0 (ref.=18-34 jr.)
0,48*
0,76
45-54 jr.
0,81
1,12
>54 jr.
0,70
0,85
Hoogst behaalde diploma (ref.=geen/bao)
0,47**
0,39**
mbo
1,56
1,92*
havo/vwo
1,20
1,47
hbo.wo
1,47
2,10**
ander
1,91*
1,78
Herkomst (1e of 2e generatie) (ref.=Nederlands)
0,93
1,13
Antillen
0,89
0,83
Turkije
0,47
0,61
Marokko
0,88
1,13
overig
0,45**
0,71
onbekend
0,84
1,13
Constante
0,40
1,25
Experimentgroep (ref.=Zelfregie)
Aantal gewerkte uren op T2 (ref.=0 uur)
eenoudergezin
1-6 mnd.
35-44 jr.
vmbo
Suriname
*p<0,1; **p<0,05; ***p<0,01
14
4. Deelname aan verschillende activiteiten? Belangrijkste bevindingen: ▪ Een jaar na afloop van het experiment (T3) had 61% van de deelnemers betaald werk. Dat is 7 procentpunten meer dan aan het eind van het experiment (T2), maar 3 procentpunten minder dan aan het begin van het experiment (T0). ▪ De deelnemers aan de extra-aandachtgroep werken het vaakst (66%) en de deelnemers aan de zelfregiegroep het minst vaak (56%). Als rekening wordt gehouden met andere kenmerken van de deelnemers (waaronder hun arbeidsdeelname aan het begin van het experiment) zijn de verschillen tussen de experimentgroepen statistisch niet significant. ▪ Van de deelnemers die aan het begin van het experiment vijf jaar of langer een uitkering ontvingen hebben degenen die in de zelfregiegroep waren ingedeeld op T3 minder vaak betaald werk dan die in de vergelijkingsgroep en vooral die in de extra-aandachtgroep. ▪ De deelnemers die op T0 op grond van hun opvattingen (zie bijlage 2) als positieven, lijdzamen of critici werden gekarakteriseerd hebben op T3 meer kans op werk als zij extra aandacht hebben gekregen dan als zij zelfregie hebben gehad. Voor de autonomen (die meer vrijheid willen) en de eenzelvigen (die weinig vertrouwen hebben in instituties en andere mensen) geldt het omgekeerde: zij hebben meer kans op werk op T3 werk als zij zelfregie hebben gehad.
▪ Een aantal specifieke groepen heeft met extra aandacht meer kans op werk op T3 dan met zelfregie: mannen met een migratie-achtergrond, alleenstaande mannen, vrouwen die lid zijn van een gezin, jongere alleenstaanden en personen die aan het begin van het experiment vijf jaar of langer een uitkering ontvingen en geen betaald werk hadden. ▪ Op T3 verricht 17% van de deelnemers vrijwilligerswerk, 15% mantelzorg en 12% volgt een opleiding of cursus. Dit is in alle gevallen minder dan aan het begin van het experiment (T0) en bij mantelzorg en een opleiding ook minder dan op T2. ▪ De verschillen in deelname aan vrijwilligerswerk en mantelzorg tussen de deelnemers aan de drie experimentgroepen zijn statistisch niet significant. ▪ De deelnemers aan de vergelijkingsgroep volgen op T3 significant vaker een opleiding of cursus dan de deelnemers aan de twee andere experimentgroepen. Aan de respondenten zijn vier soorten activiteiten voorgelegd met de vraag of zij deze verrichtten: betaald werk, vrijwilligerswerk, mantelzorg en een opleiding. Tabel 6 geeft een overzicht van het aantal respondenten en het percentage per experimentgroep dat de verschillende activiteiten verricht. Op T3 hadden minder respondenten betaald werk dan aan het begin van het experiment.
Bij de deelnemers in de extra-aandachtgroep was het aantal werkenden gelijk gebleven, maar in de zelfregiegroep met 6% afgenomen en in de vergelijkingsgroep met 4%. Dit houdt vooral verband met de sterke afname van het aantal werkenden in het laatste jaar van het experiment, toen de coronapandemie uitbrak. Vergeleken met de situatie aan het eind van het experiment (begin 2021) was het aantal werkenden een jaar later, op T3, weer toegenomen, vooral onder deelnemers van de vergelijkingsgroep en van de zelfregiegroep. Terwijl op T3 66% van de deelnemers aan de extra-aandachtgroep aan het werk was, was dit van de zelfregiegroep 10 procentpunten minder. De deelname aan vrijwilligerswerk lag op T3 aanzienlijk lager dan aan het begin van het experiment. Ook hier lijkt de terugval op T2 als gevolg van de coronapandemie een belangrijke oorzaak. Maar anders dan bij betaald werk was er in het laatste jaar nauwelijks 15
sprake van herstel. Alleen de deelnemers in de extra-aandachtgroep, die op T2 het minste vrijwilligerswerk deden, zijn een jaar later weer wat meer vrijwilligerswerk gaan doen. Het resultaat is dat op T3 er geen noemenswaardige verschillen zijn tussen de deelnemers van de drie experimentgroepen in hun deelname aan vrijwilligerswerk, maar dat dit voor alle groepen beduidend onder het niveau van T0 ligt. Bij mantelzorg zien we dat na afloop van het experiment de deelname fors is gedaald, voor alle drie experimentgroepen, terwijl dit op T2 nog niet het geval was. Ook de deelname aan opleidingen lag op T3 ruim onder het niveau van T0, met uitzondering van de vergelijkingsgroep. Per saldo ligt de deelname aan alle vier activiteiten een jaar na afloop van het experiment beduidend lager dan aan het begin van het experiment. Mogelijk is dit nog een nawerking van de coronapandemie, toen veel activiteiten die gepaard gaan met fysiek contact werden beperkt. Dit geldt voor alle drie experimentgroepen, met uitzondering van betaald werk voor de deelnemers in de extra-aandachtgroep en opleidingen in de vergelijkingsgroep. Tabel 6. Aantal en percentage deelnemers op T0 en T3 dat verschillende activiteiten verricht Aantal respondenten
% per experimentgroep
Extra Aandacht
Zelfregie
Vergelijking
Totaal
Extra Aandacht
Zelfregie
Vergelijking
Totaal
T0
109
118
99
326
66
62
64
64
T2
106
94
76
276
64
49
49
54
T3
109
106
93
308
66
56
60
61
verschil T3-T0
0
-12
-6
-18
0
-6
-4
-3
verschil T3-T2
3
12
17
32
2
7
11
7
T0
41
46
39
126
25
24
25
25
T2
23
35
25
83
14
19
17
17
T3
30
32
24
86
18
17
16
17
verschil T3-T0
-11
-14
-15
-40
-6
-7
-9
-8
verschil T3-T2
7
-3
-1
3
4
-2
0
0
T0
26
39
39
104
16
20
25
20
T2
25
41
32
98
15
22
21
19
T3
19
32
26
77
11
17
17
15
verschil T3-T0
-7
-7
-13
-27
-4
-4
-8
-5
verschil T3-T2
-6
-9
-6
-21
-4
-5
-4
-4
T0
29
35
23
87
18
18
15
17
T2
24
29
15
68
15
15
10
13
T3
13
23
24
60
8
12
16
12
verschil T3-T0
-16
-12
1
-27
-10
-6
1
-5
verschil T3-T2
-11
-6
9
-8
-7
-3
6
-2
Betaald werk
Vrijwilligerswerk
Mantelzorg
Opleiding
16
Tabel 7. Logistische regressie van de kans op deelname aan een activiteit op T3 (odds ratio’s, gewogen) Betaald werk op T0
Betaald werk 4,38***
Activiteit op T0
Vrijwilligerswerk 0,56
Mantelzorg
Opleiding
0,53
0,70
7,91***
10,94***
2,41**
Experimentgroep (ref.=Vergelijking) Extra Aandacht
1,37
1,10
0,56
0,39**
Zelfregie
0,90
1,21
1,02
0,52**
vrouw (ref.=man)
0,78
0,91
0,77
0,77
Huishoudenstype (o.b.v. uitkering) (ref.=alleenstaande) eenoudergezin
1,37
0,87
0,56
1,99
paar zonder kinderen
1,14
0,81
1,24
0,69
paar met kinderen
0,63***
0,23
0,49
1,52
Parttime werk op T0
2,39
0,66
0,94
1,28
1-6 mnd.
0,43**
3,16
1,31
3,79
>1-2 jr.
0,34
4,15
2,07
2,79
>2-3 jr.
0,73**
2,61
2,90
1,75
>3-5 jr.
0,35
2,25
0,64
0,55
>5-10 jr.
0,72
1,80
0,76
1,50
>10 jr.
0,66
4,68**
0,76
1,34
35-44 jr.
0,67
1,53
1,83
1,23
45-54 jr.
0,80
1,26
1,29
0,98
>54 jr.
0,59
3,00**
1,34
0,71
vmbo
1,29
1,21
2,06
0,87
mbo
1,77
0,62
2,37
1,04
havo/vwo
1,57
0,62
0,78
0,84
hbo/wo
1,77
1,71
1,27
1,59
ander
1,55
1,00
1,37
1,44
Suriname
0,60**
0,64
0,21**
1,70
Antillen
0,23
0,23
0,41
1,27
Turkije
0,88
0,98
0,32
1,11
Marokko
0,73
2,83**
0,27**
1,22
overig
0,86
1,33
0,49
1,14
onbekend
1,58
1,50
0,00
1,98
Constante
0,84***
0,03***
0,13**
0,09**
Duur uitkering op T0 (ref.=7-12 mnd.)
Leeftijdsgroep op T0 (ref.=18-34 jr.)
Hoogst behaalde diploma (ref.=geen/bao)
Herkomst (ref.=Nederlands)
*p<0,1; **p<0,05; ***p<0,01
17
In tabel 7 onderzoeken we welke factoren van invloed zijn op de kans dat een deelnemer op T3 verschillende activiteiten verricht. Bij iedere activiteit nemen we ook de deelname aan de betreffende activiteit op T0 mee in de analyse. Deze blijkt steeds de meest bepalende factor te zijn. Wie op T0 een bepaalde activiteit verrichtte heeft veel meer kans deze ook activiteit ook op T3 te verrichten dan wie op T0 de betreffende activiteit niet verrichtte. Verder blijkt de experimentgroep waarin men was ingedeeld niet (significant) van invloed op de kans dat men op T3 betaald werk, vrijwilligerswerk of mantelzorg doet. Wel blijken de deelnemers uit de vergelijkingsgroep op T3 vaker een opleiding te volgen dan die uit de extraaandachtgroep en de zelfregiegroep. Samenwonenden met (thuiswonende) kinderen hebben op T3 relatief weinig betaald werk, degenen die aan het begin van het experiment minder dan 6 maanden of 2-3 jaar een uitkering ontvingen verrichten ook minder vaak betaald werk op T3 en deelnemers met een Surinaamse achtergrond zijn verhoudingsgewijs weinig aan het werk. Vrijwilligerswerk wordt relatief vaak gedaan door mensen die aan het begin van het experiment langer dan 10 jaar een uitkering ontvingen en 55 jaar of ouder waren en door deelnemers met een Marokkaanse achtergrond. Mantelzorg wordt juist zelden gedaan door mensen met een Surinaamse of Marokkaanse achtergrond.
Mogelijk heeft dit te maken met culturele verschillen in de interpretatie van wat mantelzorg is. Wellicht is voor hen het helpen van gezinsleden zo vanzelfsprekend dat zij dat niet als een aparte activiteit beschouwen. Op T2 constateerden we dat de experimentgroep weliswaar voor de gehele groep deelnemers geen invloed had op de kans om betaald werk te hebben, maar dat er voor specifieke deelgroepen wel significante verschillen waren tussen de experimentgroepen. Dit onderzochten we door de respondenten in twee groepen van globaal gelijke omvang in te delen op basis van een contrasterend kenmerk (zoals jong vs. oud, man vs. vrouw, etc.) en vervolgens voor beide groepen afzonderlijk een regressieanalyse uit te voeren. Op T3 hebben we deze exercitie herhaald, maar nu vonden we nog slechts drie significante verschillen, waarvan twee marginaal significant (bij 10%) (zie tabel 8). Het duidelijkste verschil vinden we bij deelnemers die aan het begin van het experiment minimaal vijf jaar een bijstandsuitkering ontvingen. Als zij waren ingedeeld bij de extra-aandachtgroep hebben zij op T3 aanzienlijk vaker betaald werk dan wanneer zij bij de zelfregiegroep waren ingedeeld. Ook de deelnemers in de vergelijkingsgroep zijn op T3 vaker aan het werk dan die in de zelfregiegroep.
Voor mensen met een relatief lange uitkeringsduur heeft zelfregie dus een negatief effect en extra aandacht een positief effect op de kans dat zij een jaar na afloop van het experiment nog aan het werk zijn.2 Voor deelnemers met een migratie-achtergrond vinden we ook een positief effect van extra aandacht in vergelijking met zelfregie, al is dit effect maar marginaal significant. Dit geldt ook voor de deelnemers die op T0 tot de clusters positieven, lijdzamen en critici behoorden op grond van hun opvattingen over de rechten en verplichtingen in de bijstand en hun vertrouwen in instituties en andere mensen (zie bijlage 2).3 Bij de autonomen (die meer vrijheid willen) en de eenzelvigen (die weinig vertrouwen
2 Op T2 vonden we juist dat deelnemers met een korte uitkeringsduur en extra aandacht meer kans hadden om
aan het werk te zijn, terwijl dit effect bij deelnemers met een lange uitkeringsduur niet significant was. We moeten nog nader onderzoeken hoe deze tegenstrijdige uitkomsten met elkaar te rijmen zijn. 3 De ‘positieven’ zijn positief over de bijstand en de gemeente en zien de bijstand als een steun; de ‘lijdzamen’ hebben weinig uitgesproken opvattingen; de ‘critici’ zijn erg kritisch over de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen en willen meer vrijheid. Daarnaast onderscheiden we de ‘autonomen’ die de bijstand juist niet als steun zien en meer vrijheid willen; en de ‘eenzelvigen’ die weinig vertrouwen hebben in instituties en in
18
hebben in instituties en andere mensen) is de kans dat zij op T3 werk hebben juist het grootst als zij zelfregie hebben gehad. Het gaat hier echter om een heel klein aantal (29 per experimentgroep), zodat dit resultaat met voorzichtigheid moet worden geïnterpreteerd. Voor alle groepen die niet in tabel 8 zijn opgenomen geldt dat extra aandacht in vergelijking met zelfregie geen significant effect heeft op de kans op werk. Dit geldt dus onder meer voor vrouwen en mannen, voor jongeren en ouderen, voor hoger opgeleiden en lager opgeleiden, en voor deelnemers met en zonder een langdurige beperking. Tabel 8. Significante effecten van de experimentgroep (ref.=zelfregie) op de kans op werk op T3 voor verschillende deelgroepen (odds ratio's) N
Extra aandacht
Vergelijking
Migratie-achtergrond
389
1,77*
1,36
Lange uitkeringsduur (≥5 jaar)
239
4,06***
2,38**
Clusters positieven, lijdzamen en critici
417
1,72*
1,22
Clusters autonomen en eenzelvigen
87
0,01**
0,02**
We merken op dat de subgroepen waarvoor we op T3 significante effecten van extra aandacht vinden andere subgroepen zijn dan die waarvoor we op T2, aan het eind van het experiment, significante effecten vonden. Dit duidt erop dat deze effecten niet duurzaam en consistent over de tijd zijn en dat we dus erg voorzichtig moeten zijn met hieraan (beleids)consequenties te verbinden. De resultaten duiden er vooral op dat de effectiviteit van extra aandacht verschilt tussen groepen met verschillende kenmerken. Maar het is op dit moment niet mogelijk om verantwoorde uitspraken te doen over de vraag voor deelnemers met welke kenmerken extra aandacht het meest effectief is. Ondanks deze kanttekeningen hebben we, om nog gedetailleerder te bepalen voor welke groepen extra aandacht het meest effectief is om betaald werk te bevorderen, ook analyses uitgevoerd voor subgroepen met een combinatie van kenmerken. Doordat de aantallen respondenten die tot een subgroep behoren hierbij beduidend kleiner worden, is de kans op significante effecten ook kleiner. Niettemin vinden we voor een aantal combinaties van kenmerken grote en significante effecten (tabel 9). Mannen met een migratie-achtergrond en alleenstaande mannen hebben met extra aandacht meer kans op werk op T3 dan met zelfregie. Dat geldt ook voor vrouwen die lid zijn van een gezin.
Extra aandacht vergroot ook de kans op werk voor zowel jongeren als ouderen die aan het begin van het experiment minimaal vijf jaar een uitkering ontvingen. Ook wie aan het begin van het experiment niet alleen langdurig een uitkering ontving maar ook geen betaald werk had, heeft met extra aandacht meer kans om betaald werk te hebben. Bij de laatste twee groepen – langdurige uitkering in combinatie met een leeftijd vanaf 45 jaar of geen betaald werk aan het begin van het experiment – hebben ook de deelnemers aan de vergelijkingsgroep een grotere kans op werk. Anders gezegd, voor deze twee groepen vermindert zelfregie de kans op werk. Ten slotte heeft extra aandacht ook een positief effect op de kans op werk ten opzichte van zelfregie voor jongere (onder 45 jaar) alleenstaanden. Voor de eerste drie groepen in tabel 9 vonden we ook op T2, aan het eind van het experiment, overeenkomstige significante effecten van extra aandacht. Dit geeft enig buren en familie, maar die gematigd positief zijn over de bijstand en de gemeente en de bijstand ook als steun zien.
19
vertrouwen dat het hier om robuuste effecten gaat, maar gezien de kleine aantallen respondenten dient men voorzichtig te blijven om hieraan consequenties te verbinden. De laatste vier groepen in tabel 9 komen niet overeen met de groepen die we op T2 vonden, dus hier is nog meer reden voor terughoudendheid bij de interpretatie. Tabel 9. Significante effecten van extra-aandachtgroep ten opzichte van zelfregie voor subgroepen met combinatie van kenmerken (odds ratio’s) N
Extra aandacht
Vergelijking
Migratie-achtergrond, man
137
2,77*
1,34
Alleenstaande, man
97
4,31*
1,74
Lid gezin, vrouw
174
3,20**
1,88
Langdurige uitkering, jong (18-44 jaar)
78
12,47**
0,77
Langdurige uitkering, oud (45-65 jaar)
161
3,99**
4,50**
Langdurige uitkering, geen werk op T0
115
6,92***
5,73***
Jong (18-44 jaar), alleenstaand
63
23,72*
2,22
20
5. Wat verklaart de verandering in deelname tussen T2 en T3? Belangrijkste bevindingen: ▪ Vier op de vijf deelnemers die op T3 werken, deden 12 maanden eerder al hetzelfde werk. ▪ De deelname aan een activiteit op T3 wordt het sterkst bepaald door de deelname aan diezelfde activiteit op T2. ▪ Deelnemers aan de vergelijkingsgroep zijn in vergelijking met deelnemers aan de twee andere experimentgroepen op T3 in verhouding tot T2 vaker een opleiding of cursus gaan volgen. ▪ Deelnemers vanaf 45 jaar en deelnemers met een Surinaamse of Antilliaanse achtergrond verrichten op T3 in vergelijking met T2 minder vaak betaald werk dan jongeren resp. deelnemers met een Nederlandse achtergrond. In dit hoofdstuk gaan we in op wat de verandering in de deelname aan verschillende activiteiten tussen het einde van het experiment (T2) en de nameting ruwweg een jaar later (T3) verklaart. Tabel 10 laat zien welk deel van de werkende deelnemers op T3 een jaar eerder hetzelfde werk deden dan wel ander werk deden of nog niet werkten. 79% doet nog hetzelfde werk. 8% deed een jaar geleden ander werk en 11% werkte toen nog niet. De verschillen tussen de experimentgroepen zijn niet groot, al valt op dat de deelnemers aan de zelfregiegroep minder vaak ander werk zijn gaan doen dan die in de extra-aandachtgroep en de vergelijkingsgroep. Tabel 10.
Deden de werkenden op T3 12 maanden eerder hetzelfde werk? (% van de werkenden deelnemers per experimentgroep) Hetzelfde werk als 12 maanden geleden 12 maanden geleden ander werk 12 maanden geleden geen werk
Extra Aandacht
Zelfregie
Vergelijking
Totaal
79 10 11
82 5 12
78 9 12
79 8 11
Van 75 respondenten is het werk dat men een jaar eerder deed, gestopt. Aan hen is gevraagd wat de reden hiervoor was (tabel 11). Vanwege het kleine aantal respondenten is het niet zinvol een uitsplitsing te maken naar experimentgroep. 30% zegt dat het contract afliep of dat men om andere reden ontslagen is. De helft geeft echter een persoonlijke reden waarom men gestopt is: omdat men ander werk wilde, vanwege de gezondheid of de belasting van het werk, vanwege zorgtaken of een verhuizing. 21% zegt dat er nog een andere reden is (maar deze wordt meestal niet gespecificeerd).
21
Tabel 11. Reden waarom het werk van respondenten is gestopt (% van respondenten van wie het werk is gestopt) Totaal Mijn contract liep af
19
Ik ben ontslagen als gevolg van de coronacrisis
7
Ik ben ontslagen om een andere reden
4
Ik wilde meer uren werken
5
Ik wilde ander werk
17
Gezondheid of te zware belasting
16
Zorgtaken
4
Verhuizing
7
Anders
21
Jammer dat werk gestopt is
36
Om na te gaan welke factoren verklaren waarom de deelname aan verschillende activiteiten tussen T2 en T3 is veranderd, voeren we in tabel 12 dezelfde analyse uit als in tabel 8, maar nu met de deelname op T2 aan de betreffende activiteit als een van de verklarende variabelen toegevoegd. Hiermee gaan we dus na hoe sterk de deelname aan verschillende activiteiten op T3 wordt beïnvloed door de deelname aan die activiteit aan het eind van het experiment (op T2) en in welke mate ook andere persoonskenmerken een rol spelen. We zien opnieuw dat deelnemers aan de vergelijkingsgroep op T3 vaker een opleiding volgen dan de deelnemers aan de twee andere experimentgroepen, ook als we rekening houden met hun opleidingsdeelname op T2. Verder blijkt onder meer dat deelnemers die op T0 45 jaar of ouder waren vaker op T3 niet (meer) werken en dat deelnemers van 55 jaar en ouder vaker vrijwilligerswerk zijn gaan doen.
22
Tabel 12. Logistische regressie van de kans op deelname aan een activiteit op T3 met deelname aan die activiteit op T2 (odds ratio’s, gewogen) Activiteit op T2
betaald werk 21,76 ***
vrijwilligerswerk 63,20 ***
mantelzorg
opleiding
12,26 ***
3,41***
Experimentgroep (ref.=Vergelijking) Extra Aandacht
0,87
1,57
0,53
0,38**
Zelfregie
0,70
0,86
0,90
0,47**
vrouw (ref.=man)
0,64
1,59
0,80
0,81
Huishoudenstype (o.b.v. uitkering) (ref.=alleenstaande) eenoudergezin
0,81
1,03
0,42 **
1,94
paar zonder kinderen
0,86
0,68
0,99
0,77
paar met kinderen
0,60
0,18
0,56
1,63
Parttime werk op T0
1,81 **
0,76
0,92
0,88
1-6 mnd.
0,32
8,69 **
1,13
3,30
>1-2 jr.
0,24 **
10,80 **
1,93
2,91
>2-3 jr.
0,51
7,69 **
2,91
1,42
>3-5 jr.
0,47
3,77
0,92
0,40
>5-10 jr.
0,58
3,53
1,00
1,60
>10 jr.
0,59
3,73
1,01
1,47
35-44 jr.
0,60
1,16
2,69
1,26
45-54 jr.
0,48 **
1,51
1,19
0,97
>54 jr.
0,36 **
5,51 **
1,27
0,64
vmbo
1,83
1,56
2,91 **
0,66
mbo
1,82
0,38
1,67
1,07
havo/vwo
0,90
0,87
0,76
0,94
hbo.wo
1,47
1,02
2,26
1,20
ander
1,00
0,56
1,92
1,62
Suriname
0,42 **
1,03
0,34 **
1,83
Antillen
0,19 **
0,26
0,35
0,96
Turkije
0,98
2,04
0,42
1,07
Marokko
0,69
6,70 ***
0,35
1,29
overig
0,86
2,49 **
0,63
1,20
onbekend
3,45
5,57
0,00
1,42
Constante
1,73
0,00 ***
0,07 **
0,08**
Duur uitkering op T0 (ref.=7-12 mnd.)
Leeftijdsgroep op T0 (ref.=18-34 jr.)
Hoogst behaalde diploma (ref.=geen/bao)
Herkomst (ref.=Nederlands)
Noot: significantie *p<0,1; **p<0,05; ***p<0,01
23
6. Hoeveel tijd besteden de deelnemers aan verschillende activiteiten? Belangrijkste bevindingen: ▪ Op T3 besteden de deelnemers gemiddeld 11,3 uur aan betaald werk (inclusief degenen die niet werken), dat is ruim twee uur meer dan een jaar eerder en ook dan aan het begin van het experiment. ▪ De deelnemers aan de extra-aandachtgroep werken gemiddeld 13 uur per week en de deelnemers aan de zelfregiegroep iets minder dan 10 uur (inclusief degenen die niet werken). Als rekening wordt gehouden met het effect van andere persoonskenmerken is dit verschil statistisch niet significant. ▪ De deelnemers besteden gemiddeld 1,4 uur per week aan vrijwilligerswerk, 2,5 uur aan mantelzorg en 1,2 uur aan een opleiding en cursus. Dit is in alle gevallen minder dan een jaar eerder. De verschillen tussen de experimentgroepen zijn niet significant. ▪ In vergelijking met T2 zijn de deelnemers aan de zelfregiegroep minder tijd aan een opleiding gaan besteden dan de deelnemers aan de andere twee experimentgroepen. ▪ In totaal besteden de deelnemers bijna 17 uur per week aan activiteiten (betaald werk, vrijwilligerswerk, mantelzorg en opleiding). Dat is iets meer dan een jaar eerder.
▪ Deelnemers die aan het begin van het experiment vijf jaar of langer een uitkering ontvingen en de zogenaamde positieven, lijdzamen en critici werken gemiddeld vier tot vijf uur per week meer als zij extra aandacht hebben gehad dan als zij zelfregie hebben gehad. ▪ Laagopgeleiden (ten hoogste een vmbo-diploma) die tot de zelfregiegroep behoorden ▪ Bij laagopgeleiden vinden we dat juist degenen die tot de vergelijkingsgroep behoorden werken bijna vijf uur minder per week dan laagopgeleiden die bij de vergelijkingsgroep waren ingedeeld. In het vorige hoofdstuk ging het alleen om de vraag of de respondenten bepaalde activiteiten verrichten, ongeacht hoeveel tijd zij daaraan besteden. In dit hoofdstuk richten we ons op de vraag hoeveel uur per week zij gemiddeld aan deze activiteiten besteden (inclusief degenen die er geen tijd aan besteden). Omdat op T0 aan de deelnemers niet is gevraagd hoeveel tijd zij besteedden aan een opleiding, kunnen we de tijdsbesteding aan deze activiteit niet vergelijken met die op T0. Tabel 13 geeft het gemiddelde aantal uren dat de deelnemers in de drie experimentgroepen aan de verschillende activiteiten besteedden op T0, T2 en T3.
Degenen die de betreffende activiteit niet verrichtten (en er dus nul uur per week aan besteedden), zijn hierbij meegenomen, omdat dit een beter beeld geeft van de totale tijdsbesteding van alle deelnemers aan verschillende activiteiten. Gemiddeld besteden de deelnemers een jaar na afloop van het experiment ruim 11 uur per week aan betaald werk, bijna anderhalf uur aan vrijwilligerswerk, tweeëneenhalf uur aan mantelzorg en ruim een uur aan opleiding. Net als aan het eind van het experiment, op T2, besteden ook een jaar later, op T3, de deelnemers aan de extra-aandachtgroep gemiddeld meer uren aan betaald werk per week, namelijk 13 uur, dan de deelnemers aan de zelfregiegroep (9,7 uur) en ook meer dan die aan de vergelijkingsgroep (11,5 uur). Vergeleken met de situatie aan het begin van het experiment zijn de deelnemers aan alle drie experimentgroepen gemiddeld meer uren aan betaald werk gaan besteden, maar de toename was duidelijk het grootst voor de deelnemers aan de extra-aandachtgroep. Dat de gemiddelde tijdsbesteding aan betaald werk is toegenomen, terwijl we in hoofdstuk 4 zagen 24
dat het percentage deelnemers dat betaald werk heeft, is afgenomen, betekent dat de werkenden gedurende het experiment gemiddeld meer uren zijn gaan werken. Ook vergeleken met een jaar eerder, aan het eind van het experiment, is de tijdsbesteding aan betaald werk in alle drie groepen toegenomen, maar ditmaal het sterkst voor de deelnemers aan de vergelijkingsgroep en het minst voor de deelnemers aan de extra-aandachtgroep. Dit hangt waarschijnlijk samen met het economisch herstel na de coronacrisis. Bij rapportage over T2 constateerden we dat de deelnemers aan de extra-aandachtgroep het minst sterk de negatieve gevolgen van de coronacrisis met betrekking tot hun betaalde werk hadden ondervonden. Het is daarom begrijpelijk dat zij ook minder sterk hebben geprofiteerd van het aantrekken van de economie sindsdien. Het aantal uren dat gemiddeld per week aan vrijwilligerswerk wordt besteed, is betrekkelijk weinig veranderd tussen T0 en T3. Wel valt op dat de deelnemers aan de extraaandachtgroep op T3 gemiddeld de meeste tijd besteden aan vrijwilligerswerk, terwijl zij bij de eerdere metingen juist minder tijd aan vrijwilligerswerk besteedden dan de deelnemers aan de andere twee experimentgroepen.
De gemiddelde tijdsbesteding van de respondenten uit de extra-aandachtgroep aan mantelzorg is op T3 echter vrij sterk teruggevallen, waardoor zij beduidend minder tijd hieraan besteden dan de deelnemers aan de andere twee groepen.4 Vergeleken met T2 zijn de respondenten gemiddeld wat minder tijd aan scholing en opleiding gaan besteden, vooral de deelnemers aan de extra-aandachtgroep. Aan de vier genoemde activiteiten gezamenlijk besteden de deelnemers gemiddeld bijna 17 uur per week. Dit is iets meer dan een jaar eerder, op T2. Dat komt vooral doordat de deelnemers aan de vergelijkingsgroep meer uren aan verschillende activiteiten zijn gaan besteden. Op T3 zijn zij dan ook de meeste uren actief, al zijn de verschillen tussen de drie experimentgroepen niet groot. Als we de tijd besteed aan opleiding buiten beschouwing laten, kunnen we ook een vergelijking maken met de tijdbesteding aan het begin van het experiment. Gemiddeld is de tijdbesteding aan betaald werk, vrijwilligerswerk en mantelzorg met een uur toegenomen. De toename was het sterkst onder de deelnemers van de extra-aandachtgroep en zij besteden op T3 gemiddeld ook de meeste uren aan deze drie activiteiten.
4 Hierbij past wel de kanttekening dat het aantal uren dat de deelnemers zeiden aan mantelzorg te besteden
niet altijd even betrouwbaar lijkt te zijn. Sommigen zeiden dat zij ‘24/7’ mantelzorg doen. Om het effect van deze extreme antwoorden (die letterlijk zouden neerkomen op 168 uur per week) op de gemiddelde tijdsbesteding te reduceren zijn we uitgegaan van een maximum aantal uren per week voor mantelzorg (evenals voor de andere activiteiten) van 60 uur per week.
25
Tabel 13. Gemiddeld aantal uren per week dat de deelnemers op T0, T2 en T3 aan verschillende activiteiten besteedden (incl. nul uur) Extra Aandacht
Zelfregie
Vergelijking
Totaal
T0
9,5
8,8
9,3
9,2
T2
11,7
8,0
8,6
9,4
T3
13,0
9,7
11,5
11,3
verschil T3-T0
3,5
0,9
2,2
2,1
verschil T3-T2
1,3
1,7
2,9
2,0
T0
1,6
1,9
2,4
1,9
T2
1,5
2,1
1,7
1,8
T3
1,8
1,4
1,1
1,4
verschil T3-T0
0,2
-0,5
-1,2
-0,5
verschil T3-T2
0,2
-0,7
-0,6
-0,3
T0
2,3
2,9
4,7
3,3
T2
2,4
3,7
4,1
3,4
T3
1,3
3,0
3,2
2,5
verschil T3-T0
-1,0
0,1
-1,5
-0,7
verschil T3-T2
-1,1
-0,7
-0,9
-0,8
T2
1,5
1,7
0,9
1,4
T3
0,8
1,3
1,4
1,2
verschil T3-T2
-0,7
-0,5
0,5
-0,3
Betaald werk
Vrijiwlligerswerk
Mantelzorg
Opleiding
Totaal betaald werk, vrijwilligerswerk en mantelzorg T0
13,5
13,5
16,4
14,4
T2
15,3
14,0
13,9
14,4
T3
16,2
14,3
15,9
15,3
verschil T3-T0
2,6
0,7
-0,5
1,0
verschil T3-T2
0,9
0,2
1,9
0,9
T2
17,0
15,9
15,2
16,0
T3
16,9
15,7
17,6
16,7
verschil T3-T2
-0,1
-0,2
2,5
0,6
Totaal activiteiten
In Tabel 14 tonen we met behulp van een aantal lineaire regressieanalyses welke kenmerken van de deelnemers van invloed zijn op het aantal uren dat zij op T3 aan de verschillende activiteiten besteden. De kenmerken van de deelnemers hebben alle betrekking op de 26
situatie aan het begin van het experiment (T0). Error! Reference source not found. laat zien dat de deelname aan een bepaalde activiteit op T0 en het aantal uren dat men er toen aan besteedde een relatief grote invloed hebben op de tijdsbesteding aan die activiteit op T3. De deelnemers die op T0 al betaald werk verrichtten, werken op T3 gemiddeld ruim 4 uur meer dan degenen die op T0 niet betaald werkten. En voor ieder uur extra dat men op T0 betaald werk verrichtte, werkt men op T3 gemiddeld 0,29 uur per week meer. Dit betekent bijvoorbeeld dat iemand die aan het begin van het experiment 12 uur per week werkte, op T3 gemiddeld 7,6 uur (0,29x12 +4,14) meer werkt dan iemand die op T0 niet werkte. Bij vrijwilligerswerk en mantelzorg is dit effect iets kleiner, maar ook hier is de deelname aan de activiteit op T0 de belangrijkste determinant van de tijdsbesteding op T3. Voor de tijdbesteding aan opleiding geldt echter het omgekeerde: wie aan het begin van het experiment al een opleiding volgde heeft juist minder kans om op T3 (nog steeds of weer) een opleiding te volgen. Dit is begrijpelijk, omdat een opleiding doorgaans niet meer dan twee jaar duurt en mensen niet vaak binnen een paar jaar twee verschillende opleidingen volgen. De experimentgroep waarvan men deel uitmaakte is niet van invloed op het aantal uren dat men op T3 aan verschillende activiteiten besteedt.
Terwijl we op T2 nog vonden dat de deelnemers aan de extra-aandachtgroep gemiddeld meer uren betaald werk verrichtten dan de deelnemers in de andere twee experimentgroepen, is een jaar na afloop van het experiment geen significant verschil meer. Het positieve effect van extra aandacht op het aantal gewerkte uren lijkt na een jaar dus uitgewerkt. Dit kan ook komen doordat het grotere aantal gewerkte uren in de extra-aandachtgroep op T2 vooral verband leek te houden met het matigen van de gevolgen van de coronacrisis: de deelnemers aan de extraaandachtgroep waren op T2 minder vaak hun werk kwijtgeraakt. Zoals we in hoofdstuk 4 hebben gezien, hebben juist de deelnemers aan de zelfregiegroep en de vergelijkingsgroep in het laatste jaar, tussen T2 en T3, relatief vaak werk gevonden, waardoor het positieve effect dat extra aandacht op T2 had, is uitgewerkt. Een alternatieve verklaring zou kunnen zijn dat, door het wegvallen van extra aandacht, mensen niet meer (of minder) gestimuleerd worden om meer uren te gaan werken. Met andere woorden: misschien hadden deelnemers aan de extra aandacht groep toch meer geprofiteerd van de aantrekkende economie als zij nog steeds meer aandacht hadden gekregen van hun klantmanager.
De experimentgroep waarvan men deel uitmaakte heeft ook geen significante invloed op het aantal uren dat men op T3 aan vrijwilligerswerk, mantelzorg of een opleiding besteedt. Verder zijn er maar enkele significante effecten. Wie op T0 al parttime werkte besteedt op T3 gemiddeld minder uren aan vrijwilligerswerk en mantelzorg. 55-plussers (op T0) verrichten op T3 gemiddeld bijna zes uur minder aan betaald werk dan jongeren onder 35 jaar. Deelnemers met een Surinaamse achtergrond verrichten minder uren mantelzorg.
27
Tabel 14. Lineaire regressie van het aantal uren dat per week aan een activiteit wordt besteed op T3 (incl. nul uur) (gewogen) Uren besteed aan activiteit op T0
betaald werk 0,29***
vrijwilligerswerk 0,10 *
mantelzorg
opleiding
Deelname aan activiteit op T0
4,24**
2,20 ***
4,35***
-1,18**
Extra Aandacht
1,28
0,67
-1,05
-0,86
Zelfregie
-1,44
0,42
0,14
-0,43
Vrouw (ref.=man)
1,06
0,16
0,53
-0,29
0,08
Experimentgroep (ref.=Vergelijking)
Huishoudenstype (o.b.v. uitkering) (ref.=alleenstaande) eenoudergezin
1,72
-0,32
-0,24
1,00*
paar zonder kinderen
-0,39
-1,32
0,81
-0,24
paar met kinderen
0,10
-0,13
0,26
-0,03
Parttime werk op T0
-2,32
-1,16 **
-1,93**
0,04
35-44 jr.
-2,84
0,30
0,84
0,35
45-54 jr.
-2,41
0,40
-0,38
0,01
>54 jr.
-5,70**
0,68
0,99
-0,46
vmbo
-1,49
-0,01
1,35
-0,76
mbo
-0,77
-0,08
0,21
-0,10
havo/vwo
-0,23
-0,75
1,58
-0,38
hbo.wo
-0,72
-0,25
-0,03
-0,15
ander
1,66
1,00
-1,04
0,68
Suriname
-0,19
-0,03
-2,49**
-0,24
Antillen
-5,76
-1,40
-1,30
-0,13
Turkije
-0,20
-0,38
-1,02
-0,30
Marokko
1,69
0,67
-1,78
-0,58
overig
0,04
0,28
-0,33
-0,14
Constante
9,60***
0,50
1,93
3,98***
Leeftijdsgroep op T0 (ref.=18-34 jr.)
Hoogst behaalde diploma (ref.=geen/bao)
Herkomst (ref.=Nederlands)
Noot: significantie *p<0,1; **p<0,05; ***p<0,01
Door in de regressievergelijking ook het aantal uren op T2 op te nemen kunnen we nagaan of het aantal uren dat men op T3 aan verschillende activiteiten besteedt voornamelijk wordt bepaald door de situatie aan het eind van het experiment, op T2, of ook door andere persoonskenmerken wordt beïnvloed (tabel 15). Inderdaad wordt het aantal uren dat men op T3 aan verschillende activiteiten besteedt, het sterkst beïnvloed door het aantal uren dat men op T2 aan die activiteit besteedde. Op een uitzondering na, heeft de experimentgroep geen significant effect op de verandering in het aantal uren tussen T2 en T3. Weliswaar zijn de deelnemers aan de zelfregiegroep in vergelijking met de vergelijkingsgroep ruim anderhalf uur minder betaald gaan werken, maar dit verschil is statistisch niet significant (p=0,19). Wel zijn de deelnemers aan de extra-aandachtgroep in vergelijking met de vergelijkingsgroep een uur minder aan opleiding gaan besteden. 28
Verder komen de effecten globaal overeen met wat we in tabel 15 vonden, al is het negatieve effect van een Surinaamse afkomst op de uren besteed aan mantelzorg nu niet meer significant. Tabel 15. Lineaire regressie van het aantal uren dat per week aan een activiteit wordt besteed op T3 met aantal uren op T2 als verklarende variabele (incl. nul uur) (gewogen) Uren besteed aan activiteit op T2
betaald werk 0,59***
vrijwilligerswerk 0,49***
mantelzorg
opleiding
0,31***
0,21***
Uren besteed aan activiteit op T0
0,14*
0,03
-0,04
Deelname aan activiteit op T0
2,48
0,63
4,02***
-0,98*
Extra Aandacht
-0,81
0,21
0,07
-0,62
Zelfregie
-1,49
0,72
-0,83
-1,06**
Vrouw (ref.=man)
0,68
0,12
0,72
-0,29
Experimentgroep (ref.=Vergelijking)