Bijlage 1 - T3-nameting kwantitatief onderzoek.pdf
Tekst van het document
Aan de respondenten is ook gevraagd hoeveel geld hun huishouden minimaal per maand nodig heeft om rond te kunnen komen. Gemiddeld noemen zij een bedrag van € 1.621. Opvallend is dat de deelnemers aan de vergelijkingsgroep een beduidend lager bedrag noemen dan die aan de extra-aandacht- en zelfregiegroep. De helft van de deelnemers aan de vergelijkingsgroep zegt genoeg te hebben aan € 1.450 of minder, terwijl dit van de andere twee groepen slechts een derde is. Tot slot hebben we met behulp van lineaire regressie geanalyseerd welke factoren van invloed zijn op het cijfer dat de respondenten aan hun inkomen geven. In de eerste analyse (kolom 2 van tabel 51) onderzoeken we alleen het effect van kenmerken op T0. Het cijfer dat de respondenten aan het begin van het experiment aan hun inkomen gaven blijkt dan het grootste effect te hebben. Dit duidt, net als bij het welzijn, op een grote stabiele individuele component in de beoordeling van het inkomen. Verder zijn vrouwen minder tevreden met hun inkomen dan mannen en mensen met een Turkse achtergrond meer tevreden dan mensen met een andere achtergrond. Als we het cijfer voor het inkomen op T2 aan de analyse toevoegen, heeft deze veruit het sterkste effect op het cijfer op T3. Er is nu ook een negatief effect van paren zonder kinderen.
Dat wil zeggen, wie samenwoont zonder thuiswonende kinderen heeft een iets grotere kans dat het cijfer voor het inkomen tussen T2 en T3 is gedaald. Tot slot voegen we ook de vraag of men op T3 betaald werk heeft aan de analyse toe. Ook dit heeft een groot effect: wie op T3 betaald werk heeft, geeft aan haar/zijn inkomen gemiddeld een half punt meer. In dit geval is er ook een klein negatief effect voor deelnemers aan de extra-aandachtgroep, al is dit alleen significant bij 10%. Naast samenwonenden zonder kinderen, geven ook eenoudergezinnen nu een wat lager cijfer aan hun inkomen.
64
Tabel 51. Lineaire regressie van het cijfer voor tevredenheid met het inkomen op T3 Cijfer tevredenheid inkomen op T0
met alleen kenmerken op T0 0,25***
Cijfer tevredenheid inkomen op T2
met financiële situatie op T2 0,08**
met werk op T3 0,09 **
0,42***
0,41 ***
Werkzaam op T3
0,52 ***
Experimentgroep (ref.=Vergelijking) Extra Aandacht
-0,19
-0,30
-0,33 *
Zelfregie
-0,12
-0,15
-0,15
Vrouw (ref.=man)
-0,47**
-0,34*
-0,33
eenoudergezin
-0,31
-0,35
-0,38 *
paar zonder kinderen
-0,42
-0,87**
-0,81 **
paar met kinderen
-0,45
-0,45
-0,46
Parttime werk op T0
0,17
0,20
0,04
35-44 jr.
-0,27
0,02
0,07
45-54 jr.
-0,28
-0,08
-0,07
>54 jr.
-0,25
-0,07
-0,02
vmbo
-0,32
-0,13
-0,08
mbo
-0,44
-0,45
-0,45
havo/vwo
-0,17
-0,21
-0,21
hbo.wo
-0,36
-0,22
-0,20
ander
0,01
-0,14
-0,13
Suriname
0,01
-0,14
-0,08
Antillen
0,01
-0,30
-0,11
Turkije
0,88**
0,84**
0,87 **
Marokko
0,23
0,21
0,27
overig
-0,02
0,04
0,06
Constante
5,33***
3,58***
3,30 ***
Huishoudenstype (o.b.v. uitkering) (ref.=alleenstaande)
Leeftijdsgroep op T0 (ref.=18-34 jr.)
Hoogst behaalde diploma (ref.=geen/bao)
Herkomst (1e of 2e generatie) (ref.=Nederlands)
Noot: significantie *p<0,1; **p<0,05; ***p<0,01
Met het aflopen van het experiment eind februari 2021 eindigde niet het recht op een tweejaarlijkse premie, gelijk aan de helft van de bijverdiensten. De gemeente Amsterdam besloot namelijk om vanaf 1 maart 2021 de premie beschikbaar te stellen aan alle bijstandontvangers met bijverdiensten. De premie werd wel verlaagd van 50% naar 30% van de bijverdiensten, met een maximum van € 222 per maand. Op T3 zei 34% van de deelnemers dat men de afgelopen 12 maanden een premie had ontvangen, terwijl dit op T2 nog 50% van de respondenten was en op T1 zelfs 63%. Aangezien de opgave door de deelnemers niet overeenkomt met de registratie door WPI (zie hierna), heeft mogelijk een deel van de respondenten ‘vergeten’ dat men een premie heeft ontvangen.
65
Tabel 52. Premie ontvangen in afgelopen 12 maanden (% van alle deelnemers per experimentgroep) Extra Aandacht
Zelfregie
Vergelijking
Totaal
T1
67
58
65
63
T2
56
44
50
50
T3
35
36
31
34
Verschil T3-T1
-32
-21
-34
-29
Verschil T3-T2
-21
-8
-19
-15
81% van de deelnemers die zeggen een premie te hebben ontvangen, vindt deze heel belangrijk en nog eens 15% belangrijk (tabel 53). Dat is vergelijkbaar met de antwoorden op T2. De deelnemers aan de vergelijkingsgroep vinden de premie nog iets belangrijker dan die aan de andere twee experimentgroepen. Toch zegt slechts een heel klein deel van de premie-ontvangers dat zij vanwege de premie meer uren werken. Op T3 zei slechts 5% van de deelnemers dat dit het geval was. Op T2 was dit nog 10%. Tabel 53. Belang van de premie (% ontvangers van een premie) Extra Aandacht
Zelfregie
Vergelijking
Totaal
Heel belangrijk
77
77
83
79
Belangrijk
21
17
13
17
Neutraal
2
4
3
3
Niet belangrijk
0
1
2
1
Heel belangrijk
78
79
88
81
Belangrijk
15
19
10
15
Neutraal
7
1
0
3
Niet belangrijk
0
1
2
1
T2
T3
Werkt u vanwege de premie meer uren per week dan u zonder premie zou doen? T2
4
12
15
10
T3
2
9
5
5
We hebben ook informatie over de uitgekeerde premies van WPI.11 Hoewel we gegevens hebben voor alle 808 deelnemers die op T0 zijn geïnterviewd, beperken we ons hier voor de
11 WPI heeft gegevens per kwartaal verstrekt. Hieruit blijkt dat het gros van de premies in het tweede en vierde
kwartaal wordt uitbetaald. Een klein aantal premies wordt in het eerste en derde kwartaal uitbetaald. We zijn ervan uitgegaan dat deze laatste nabetalingen zijn voor de voorafgaande periode. Daarom zijn de betalingen in
66
vergelijkbaarheid tot de personen die op T3 zijn geïnterviewd. Verder hebben de gegevens alleen betrekking op personen die aan het eind van ieder half jaar nog een bijstandsuitkering ontvingen en dus (nog) niet waren uitgestroomd. Uit tabel 54 blijkt dat het percentage deelnemers dat per half jaar een premie heeft ontvangen sinds het begin van het experiment een licht dalende trend vertoont, van rond de 60% in 2018 naar de helft in de periode na het experiment. De deelnemers aan de extra-aandachtgroep hebben gedurende de gehele looptijd van het experiment vaker een premie ontvangen dan de deelnemers aan de zelfregiegroep en de vergelijkingsgroep. Tabel 54. Ontvangen premie per half jaar volgens WPI a Extra Aandacht
Zelfregie
Vergelijking
Totaal
2018, 1e halfjaar
64
57
60
60
2018, 2e halfjaar
67
59
60
62
2019, 1e halfjaar
60
58
58
59
2019, 2e halfjaar
59
52
54
55
2020, 1e halfjaar
60
54
59
57
2020, 2e halfjaar
54
48
46
49
2021, 1e halfjaar
53
51
49
51
2018, 1e halfjaar
525
511
491
510
2018, 2e halfjaar
698
666
629
667
2019, 1e halfjaar
583
542
533
553
2019, 2e halfjaar
742
699
679
708
2020, 1e halfjaar
970
969
921
955
2020, 2e halfjaar
765
649
698
704
2021, 1e halfjaar
991
888
843
909
2018, 1e halfjaar
338
290
297
308
2018, 2e halfjaar
470
396
373
413
2019, 1e halfjaar
352
315
308
325
2019, 2e halfjaar
436
363
361
386
2020, 1e halfjaar
580
525
545
549
2020, 2e halfjaar
412
313
320
347
2021, 1e halfjaar
525
450
415
463
% deelnemers dat premie heeft ontvangen
Gemiddelde premie per half jaar (alleen premieontvangers) (euro)
Gemiddelde premie per half jaar (incl. geen premie) (euro)
Noot a: alleen deelnemers die op T3 zijn geïnterviewd en die aan het eind van ieder half jaar (nog) een bijstandsuitkering ontvingen
Het gemiddelde uitgekeerde premiebedrag per half jaar varieerde tussen 510 en 955 euro en lag aan het eind van het experiment en in het eerste halfjaar van 2021 hoger dan in de het eerste kwartaal toegerekend aan het tweede halfjaar van het voorgaande jaar en de betalingen in het derde kwartaal aan het eerste halfjaar van het lopende jaar.
67
eerdere fasen. Vooral in het eerste halfjaar van 2020 en in het eerste halfjaar van 2021 werd een opvallend hoog bedrag aan premies uitgekeerd. Er zijn slechts kleine verschillen in premiebedragen tussen de experimentgroepen. Berekenen we de gemiddelde premie over alle deelnemers die (nog) een uitkering ontvingen, dus inclusief degenen die geen premie hebben ontvangen, dan zien we dat de deelnemers gedurende het experiment gemiddeld rond de 400 euro per persoon per halfjaar ontvingen. Dit bedrag was in het eerste halfjaar van 2020 met 549 euro het hoogst. In tabel 55 vatten we de totale premiebetalingen sinds de start van het experiment tot en met het eerste halfjaar van 2021 samen. 77% van alle deelnemers die op T3 zijn geïnterviewd heeft minimaal een keer een premie ontvangen. Dit lag in de extraaandachtgroep hoger dan in de zelfregiegroep en de vergelijkingsgroep. Berekend over alle deelnemers hebben zij gemiddeld € 2.697 aan premie ontvangen. Dit bedrag was het hoogst in de extra-aandachtgroep en het laagst in de vergelijkingsgroep. Beperken we ons tot de deelnemers die minimaal een keer een premie hebben ontvangen, dan bedroeg de gemiddelde premie € 3.516. Ook in dit geval zijn de bedragen voor de deelnemers aan de extra-aandachtgroep en in dit geval ook de zelfregiegroep wat groter dan voor de deelnemers aan de vergelijkingsgroep. Tabel 55.
Percentage deelnemers dat premie heeft ontvangen en gemiddeld totaal ontvangen premie (in euro’s) sinds het begin van het experiment volgens WPI Extra Aandacht
Zelfregie
Vergelijking
Totaal
81
74
75
77
Gemiddelde premie (incl. geen premie)
€ 2.994
€ 2.623
€ 2.456
€ 2.697
Gemiddelde premie per premieontvanger
€ 3.694
€ 3.554
€ 3.256
€ 3.516
Premie ontvangen
68
Bijlage 1: Analyse van ‘uitvallers’ uit het experiment Aan de nulmeting, aan het begin van het experiment, hebben 808 personen deelgenomen. Op T3 waren eind juli 2022 513 mensen geïnterviewd. 295 personen (37%) zijn dus ‘uitgevallen’. Als de kenmerken van de uitvallers die op T3 niet geïnterviewd zijn, afwijken van de ‘blijvers’, die aan de nameting hebben deelgenomen, kan dit de uitkomsten van het experiment beïnvloeden. Daarom onderzoeken we in deze bijlage of de uitval uit het experiment verschilt tussen verschillende categorieën deelnemers. Tabel 56 geeft hiervan een overzicht. Over het algemeen verschilt het percentage uitvallers niet heel sterk tussen verschillende categorieën, maar er zijn enkele uitzonderingen. Allereerst valt op dat de uitval uit de zelfregiegroep en de vergelijkingsgroep wat groter is dan uit de extra-aandachtgroep. Verder zijn deelnemers die aan het begin van het experiment al 25 uur of meer per week werkten, vaker uitgevallen. Maar ook degenen die niet werkten zijn vaker uitgevallen dan degenen die minder dan 25 uur werkten. Mannen, jongeren (onder 35 jaar), deelnemers met een havo- of vwo-diploma en met een Surinaamse en Marokkaanse achtergrond zijn ook relatief vaak uitgevallen. Dat geldt ook voor personen die aan het begin van het experiment 1 tot 5 jaar een uitkering ontvingen. Tabel 56.
Aandeel uitvallers (%) naar kenmerken van de deelnemers op T0 uitvallers Totaal
37
Experimentgroep Extra Aandacht
33
Zelfregie
38
Vergelijking
37
Betaald werk op T0 nee
41
ja
34
Aantal uren betaald werk op T0 0 uur
41
1-11 uur
29
12-24 uur
34
25-34 uur
51
≥35 uur
55
onbekend
37
Geslacht vrouw
33
man
42
Huishoudenstype op T0 (o.b.v. uitkering)
69
Alleenstaande
38
Eenoudergezin
37
Paar zonder kinderen
29
Paar met kinderen
35
Duur uitkering op T0 ≤ 6 mnd
37
7-12 mnd
36
>1-2 jr
40
>2-3 jr
43
>3-5 jr
43
>5-10 jr
34
>10 jr
31
Leeftijdsgroep op T0 18-34 jr.
45
35-44 jr.
37
45-54 jr
35
55-65 jr.
36
Hoogst behaalde diploma geen/bao
40
vmbo
37
mbo
36
havo/vwo
44
hbo/wo
28
anders
34
Herkomst (1e of 2e generatie) Nederland
29
Suriname
52
Antillen
33
Turkije
33
Marokko
40
overig
35
onbekend
50
Om na te gaan welke verschillen in uitval significant zijn als rekening wordt gehouden met andere kenmerken, is een logistische regressieanalyse uitgevoerd van de kans dat een deelnemer zowel aan het begin van het experiment (T0) als bij de nameting (T3) is geïnterviewd (Tabel 57). Hieruit blijkt allereerst dat deelnemers aan de zelfregiegroep een iets grotere kans hebben om zowel op T0 als T3 te zijn geïnterviewd dan de deelnemers aan de twee andere experimentgroepen. 70
Tabel 57. Logistische regressie van de kans om op T0 en T3 deel te nemen aan enquête odds ratio Experimentgroep (ref.=Vergelijking) Extra Aandacht
1,07
Zelfregie
1,47*
Betaald werk op T0
1,59
Aantal gewerkte uren op T0 (ref.=0 uur) 1-16 uur
0,98
17-24 uur
0,80
> 24 uur
0,35*
onbekend
0,54
Man (ref.=vrouw)
0,57**
Huishoudenstype (o.b.v. uitkering) (ref.=alleenstaande) eenoudergezin
1,02
paar zonder kinderen
2,12**
paar met kinderen
1,22
Duur uitkering op T0 (ref.=7-12 mnd.)
0,00
1-6 mnd.
0,91
>1-2 jr.
0,80
>2-3 jr.
0,71
>3-5 jr.
0,70
>5-10 jr.
1,12
>10 jr.
1,01
Leeftijdsgroep op T0 (ref.=18-34 jr.) 35-44 jr.
1,34
45-54 jr.
1,38
>54 jr.
1,51
Hoogst behaalde diploma (ref.=geen/bao) vmbo
1,07
mbo
1,22
havo/vwo
0,94
hbo/wo
1,87**
ander
1,33
Herkomst (1e of 2e generatie) (ref.=Nederlands) Suriname
0,40**
Antillen
0,87
Turkije
0,73
Marokko
0,49**
overig
0,65*
onbekend
0,29
Constante
1,74
Noot: significantie *p<0,1; **p<0,05; ***p<0,01
71
Verder hebben personen die aan het begin meer dan 24 uur werkten, mannen, en personen met een Surinaamse of Marokkaanse achtergrond een relatief kleine kans om op T0 en T3 te zijn geïnterviewd. Voor paren zonder kinderen en hoger opgeleiden (hbo- of wo-diploma) is deze kans juist relatief groot. Op basis van deze regressieanalyse is voor alle deelnemers de kans geschat dat zij zowel op T0 als T3 zijn geïnterviewd. Deze zogenaamde ‘propensity score’ is in de andere regressieanalyses in deze rapportage gebruikt als weegfactor. Hierdoor tellen deelnemers die, gezien hun kenmerken, een relatief grote kans hadden om uit te vallen, in de regressieanalyse zwaarder mee dan degenen die een kleinere kans hadden om uit te vallen.
72
Bijlage 2: typologie van deelnemers Bij de eerste meting onder de deelnemers van het experiment (T0) hebben we hen een aantal vragen voorgelegd over de rechten en plichten in de bijstand en de relatie met de gemeente en andere instituties. Op grond van deze opvattingen en attitudes hebben we hen toen ingedeeld in vijftal groepen. We hebben hierbij gebruik van de antwoorden die zij hebben gegeven op de volgende vragen: In hoeverre bent u het eens of oneens met de volgende uitspraken? • Ik vind aandacht van de gemeente fijn (1) • Ik vind dat ik in de bijstand vrij moet zijn om de dingen te doen die ik belangrijk vind (2) • Ik vind het terecht dat ik in de bijstand verplichtingen heb richting de gemeente (3) • Als de medewerkers van de gemeente mij oneerlijk behandelen werk ik niet mee (4) • Als de gemeente mij meer mijn eigen gang laat gaan kan ik ook beter zelf mijn weg vinden (5) • Als ik veel hulp krijg van de gemeente zal ik ook beter mijn best doen om werk te vinden (6) • Als ik werk beneden mijn opleidingsniveau moet aanvaarden dan zal ik minder mijn best doen in dat werk (7) Uit een factoranalyse blijkt dat de antwoorden op deze vraag kunnen worden gereduceerd tot drie factoren: • Positieve houding tegenover de gemeente en de bijstand (items 1 en 3) (hierna: positief) • Voorwaardelijke houding tegenover de gemeente (items 4, 6 en 7) (hierna: voorwaardelijk) • Voorkeur
voor meer vrijheid in de bijstand (items 2 en 5) (hierna: vrijheid) Voor elke factor is een schaal geconstrueerd die gelijk is aan het gemiddelde van de scores op de items, lopend van 0 (geen steun voor de stellingen) tot 4 (maximale steun voor de stellingen). Als gevolg van het kleine aantal items per factor is de betrouwbaarheid van deze schalen (gemeten met de Cronbach alfa) wel laag. Wilt u voor elk van de volgende instanties of persoon aangeven hoeveel vertrouwen u in hen hebt? • Uw klantmanager bij de gemeente (1) • Werkgevers (2) • Rechters (3) • Politici (politiek) (4) • Journalisten (pers) (5) • Buren (6) • Familie (7)
73
Een factoranalyse laat zien dat de antwoorden in twee categorieën uiteenvallen (1 t/m 5, en 6 en 7). De eerste vijf kunnen worden geïnterpreteerd als vertrouwen in instituties (Cronbach’s alfa=0,628), en de laatste twee betreffen het vertrouwen in buren en familie (Cronbach’s alfa=0,524). Voor beide is een schaal geconstrueerd die gelijk is aan de gemiddelde score op deze items (lopend van 0-3). Geef aan of u het eens of oneens bent met de volgende uitspraken. De regels en verplichtingen van de bijstand, die op dit moment voor mij gelden… • helpen mij om deel te nemen aan de samenleving. (1) • stimuleren mij om betaald werk te zoeken. (2) • belemmeren mij in het vinden van passend werk. (3) • geven mij voldoende ruimte om te doen wat ik zelf graag wil. (4) • passen bij mijn situatie. (5) • leveren mij stress/spanning op. (6) Uit een factoranalyse blijkt dat de antwoorden in twee categorieën uiteenvallen (1 en 2, en 3 t/m 6). Er is een schaal geconstrueerd als gemiddelde score op de eerste twee items (lopend van 0-4), die aangeven dat men de regels en verplichtingen in de bijstand als steun in de rug ervaart (Cronbach’s alfa=0,733). Voor de andere zes items is op dezelfde wijze een schaal geconstrueerd, waarbij de waarden van items 4 en 5 zijn omgepoold (d.w.z. dat een hoge score is omgezet in een lage en vice versa).
Deze schaal geeft aan in welke mate men de regels en verplichtingen als een belemmering of belasting ervaart (Cronbach’s alfa=0,696). Met behulp van deze nieuwe variabelen is een zogenaamde clusteranalyse uitgevoerd, waarbij de respondenten die qua antwoorden veel op elkaar lijken in hetzelfde cluster worden ingedeeld. Een indeling in vijf clusters levert een goed te interpreteren uitkomst op (tabel 58).
Tabel 58. Clusters van deelnemers op basis van hun opvattingen attitudes Positief over de bijstand en de gemeente
Voorwaardelijk t.a.v. gemeente
Wil meer vrijheid in bijstand
Vertrouwen in instituties
Vertrouwen in buren en familie
Bijstand is steun
Bijstand is belemmering
%
Naam
3,1 2,6
2,2 1,7
2,6 2,2
3,1 2,0
1,1 1,9
1,9 1,6
2,5 2,2
23
positieven
2,2
2,1
3,0
0,9
2,2
1,2
2,4
2,6 2,6 2,7
2,5 2,0 2,1
2,9 2,8 2,6
2,4 2,7 2,3
1,9 1,3 1,7
1,5 1,4 1,6
2,2 1,2 2,1
33 8 25
lijdzamen autonomen critici
12 100
eenzelvigen
1 2 3 4 5 Totaal
De tabel geeft de omvang van de vier clusters en de gemiddelde score op de zeven variabelen weer. Cluster 1, die bijna een kwart van de deelnemers omvat, omschrijven we als positieven, omdat zij overwegend positief staan tegenover de bijstand en de gemeente en veel vertrouwen hebben instituties. Cluster 2, met een derde van de deelnemers, onderscheidt 74
zich vooral doordat men weinig kritisch tegenover de gemeente en de bijstand staat, niet meer vrijheid wil, maar de bijstand ook niet echt als steun in de rug ervaart. We duiden hen aan als de lijdzamen: zij leggen zich neer bij de bestaande regels, maar beschouwen deze niet als steun. Cluster 3, waar 8% van de deelnemers toe behoort, kenmerkt zich doordat zij weinig positief staan tegenover de bijstand en de gemeente, veel meer vrijheid willen en geen vertrouwen hebben in de instituties. We noemen hen de autonomen. Ook de critici in cluster 4, een kwart van alle deelnemers, willen meer vrijheid, maar hebben, anders dan de autonomen, wel redelijk vertrouwen in de instituties mits de gemeente aan bepaalde voorwaarden voldoet. De eenzelvigen in het vijfde cluster, ongeveer een op de acht deelnemers, vallen op doordat zij wel veel vertrouwen hebben in de instituties, maar weinig in buren en familie, en doordat zij de bijstand zelden als een belemmering zien.
75
Bijlage 3: Kenmerken van de respondenten op T0 Onderstaande tabel geeft de verdeling van de respondenten op T3 in de drie experimentgroepen naar hun sociaaldemografische kenmerken aan het begin van het experiment (op T0). Tabel 59. Sociaaldemografische kenmerken van de respondenten op T3 naar de situatie op T0 (% van de deelnemers per experimentgroep) Extra aandacht 166
Zelfregie
Vergelijking
Totaal
192
155
513
Vrouw
68,7
62,5
61,9
64,3
Man
31,3
37,5
38,1
35,7
Alleenstaande
52,4
48,4
47,7
49,5
Eenoudergezin
23,5
29,7
27,1
26,9
Paar zonder kinderen
17,5
15,6
20,0
17,5
Paar met kinderen
6,6
6,3
5,2
6,0
18-24 jr.
0,0
1,0
0,6
0,6
25-34 jr.
10,8
11,5
12,3
11,5
35-44 jr.
28,9
26,6
27,1
27,5
45-54 jr
34,9
38,0
33,5
35,7
55-65 jr.
24,7
21,4
24,5
23,4
Geen/bao
13,3
17,7
25,8
18,7
Vmbo
12,0
13,5
12,3
12,7
Mbo
20,5
19,3
13,5
17,9
Havo/vwo
14,5
15,1
15,5
15,0
Hbo/wo
18,1
17,2
14,2
16,6
Anders
21,1
16,7
18,1
18,5
Nederland
21,1
23,4
25,8
23,4
Suriname
13,3
14,1
9,7
12,5
Antillen
2,4
2,6
3,2
2,7
Turkije
11,4
7,8
5,2
8,2
Marokko
9,0
10,4
14,2
11,1
Overig
41,6
40,1
40,6
40,7
Totaal (N=100%) Geslacht
Huishoudenstype
Leeftijdsgroep
Opleidingsniveau
Herkomst
76
Onbekend
1,2
1,6
1,3
1,4
≤ 6 mnd
5,4
5,7
11,0
7,2
7-12 mnd
4,8
3,6
6,5
4,9
>1-2 jr
11,4
12,0
6,5
10,1
>2-3 jr
11,4
9,4
6,5
9,2
>3-5 jr
11,4
13,5
15,5
13,5
>5-10 jr
27,1
28,1
26,5
27,3
>10 jr
19,3
19,3
20,0
19,5
Uitkeringsduur
77