CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - T3-nameting kwantitatief onderzoek.pdf

Raadscommissie Sociaal, Economische zaken en Democratisering 8 februari 2023, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Amsterdams experiment bijstand – inzichten uit de nameting (T3) en stand van zaken vervolginzet (VN2023-000247)25.544 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Aan de respondenten is ook gevraagd hoeveel geld hun huishouden minimaal per maand nodig heeft om rond te kunnen komen. Gemiddeld noemen zij een bedrag van € 1.621. Opvallend is dat de deelnemers aan de vergelijkingsgroep een beduidend lager bedrag noemen dan die aan de extra-aandacht- en zelfregiegroep. De helft van de deelnemers aan de vergelijkingsgroep zegt genoeg te hebben aan € 1.450 of minder, terwijl dit van de andere twee groepen slechts een derde is. Tot slot hebben we met behulp van lineaire regressie geanalyseerd welke factoren van invloed zijn op het cijfer dat de respondenten aan hun inkomen geven. In de eerste analyse (kolom 2 van tabel 51) onderzoeken we alleen het effect van kenmerken op T0. Het cijfer dat de respondenten aan het begin van het experiment aan hun inkomen gaven blijkt dan het grootste effect te hebben. Dit duidt, net als bij het welzijn, op een grote stabiele individuele component in de beoordeling van het inkomen. Verder zijn vrouwen minder tevreden met hun inkomen dan mannen en mensen met een Turkse achtergrond meer tevreden dan mensen met een andere achtergrond. Als we het cijfer voor het inkomen op T2 aan de analyse toevoegen, heeft deze veruit het sterkste effect op het cijfer op T3. Er is nu ook een negatief effect van paren zonder kinderen.

Dat wil zeggen, wie samenwoont zonder thuiswonende kinderen heeft een iets grotere kans dat het cijfer voor het inkomen tussen T2 en T3 is gedaald. Tot slot voegen we ook de vraag of men op T3 betaald werk heeft aan de analyse toe. Ook dit heeft een groot effect: wie op T3 betaald werk heeft, geeft aan haar/zijn inkomen gemiddeld een half punt meer. In dit geval is er ook een klein negatief effect voor deelnemers aan de extra-aandachtgroep, al is dit alleen significant bij 10%. Naast samenwonenden zonder kinderen, geven ook eenoudergezinnen nu een wat lager cijfer aan hun inkomen.

64

Tabel 51. Lineaire regressie van het cijfer voor tevredenheid met het inkomen op T3 Cijfer tevredenheid inkomen op T0

met alleen kenmerken op T0 0,25***

Cijfer tevredenheid inkomen op T2

met financiële situatie op T2 0,08**

met werk op T3 0,09 **

0,42***

0,41 ***

Werkzaam op T3

0,52 ***

Experimentgroep (ref.=Vergelijking) Extra Aandacht

-0,19

-0,30

-0,33 *

Zelfregie

-0,12

-0,15

-0,15

Vrouw (ref.=man)

-0,47**

-0,34*

-0,33

eenoudergezin

-0,31

-0,35

-0,38 *

paar zonder kinderen

-0,42

-0,87**

-0,81 **

paar met kinderen

-0,45

-0,45

-0,46

Parttime werk op T0

0,17

0,20

0,04

35-44 jr.

-0,27

0,02

0,07

45-54 jr.

-0,28

-0,08

-0,07

>54 jr.

-0,25

-0,07

-0,02

vmbo

-0,32

-0,13

-0,08

mbo

-0,44

-0,45

-0,45

havo/vwo

-0,17

-0,21

-0,21

hbo.wo

-0,36

-0,22

-0,20

ander

0,01

-0,14

-0,13

Suriname

0,01

-0,14

-0,08

Antillen

0,01

-0,30

-0,11

Turkije

0,88**

0,84**

0,87 **

Marokko

0,23

0,21

0,27

overig

-0,02

0,04

0,06

Constante

5,33***

3,58***

3,30 ***

Huishoudenstype (o.b.v. uitkering) (ref.=alleenstaande)

Leeftijdsgroep op T0 (ref.=18-34 jr.)

Hoogst behaalde diploma (ref.=geen/bao)

Herkomst (1e of 2e generatie) (ref.=Nederlands)

Noot: significantie *p<0,1; **p<0,05; ***p<0,01

Met het aflopen van het experiment eind februari 2021 eindigde niet het recht op een tweejaarlijkse premie, gelijk aan de helft van de bijverdiensten. De gemeente Amsterdam besloot namelijk om vanaf 1 maart 2021 de premie beschikbaar te stellen aan alle bijstandontvangers met bijverdiensten. De premie werd wel verlaagd van 50% naar 30% van de bijverdiensten, met een maximum van € 222 per maand. Op T3 zei 34% van de deelnemers dat men de afgelopen 12 maanden een premie had ontvangen, terwijl dit op T2 nog 50% van de respondenten was en op T1 zelfs 63%. Aangezien de opgave door de deelnemers niet overeenkomt met de registratie door WPI (zie hierna), heeft mogelijk een deel van de respondenten ‘vergeten’ dat men een premie heeft ontvangen.

65

Tabel 52. Premie ontvangen in afgelopen 12 maanden (% van alle deelnemers per experimentgroep) Extra Aandacht

Zelfregie

Vergelijking

Totaal

T1

67

58

65

63

T2

56

44

50

50

T3

35

36

31

34

Verschil T3-T1

-32

-21

-34

-29

Verschil T3-T2

-21

-8

-19

-15

81% van de deelnemers die zeggen een premie te hebben ontvangen, vindt deze heel belangrijk en nog eens 15% belangrijk (tabel 53). Dat is vergelijkbaar met de antwoorden op T2. De deelnemers aan de vergelijkingsgroep vinden de premie nog iets belangrijker dan die aan de andere twee experimentgroepen. Toch zegt slechts een heel klein deel van de premie-ontvangers dat zij vanwege de premie meer uren werken. Op T3 zei slechts 5% van de deelnemers dat dit het geval was. Op T2 was dit nog 10%. Tabel 53. Belang van de premie (% ontvangers van een premie) Extra Aandacht

Zelfregie

Vergelijking

Totaal

Heel belangrijk

77

77

83

79

Belangrijk

21

17

13

17

Neutraal

2

4

3

3

Niet belangrijk

0

1

2

1

Heel belangrijk

78

79

88

81

Belangrijk

15

19

10

15

Neutraal

7

1

0

3

Niet belangrijk

0

1

2

1

T2

T3

Werkt u vanwege de premie meer uren per week dan u zonder premie zou doen? T2

4

12

15

10

T3

2

9

5

5

We hebben ook informatie over de uitgekeerde premies van WPI.11 Hoewel we gegevens hebben voor alle 808 deelnemers die op T0 zijn geïnterviewd, beperken we ons hier voor de

11 WPI heeft gegevens per kwartaal verstrekt. Hieruit blijkt dat het gros van de premies in het tweede en vierde

kwartaal wordt uitbetaald. Een klein aantal premies wordt in het eerste en derde kwartaal uitbetaald. We zijn ervan uitgegaan dat deze laatste nabetalingen zijn voor de voorafgaande periode. Daarom zijn de betalingen in

66

vergelijkbaarheid tot de personen die op T3 zijn geïnterviewd. Verder hebben de gegevens alleen betrekking op personen die aan het eind van ieder half jaar nog een bijstandsuitkering ontvingen en dus (nog) niet waren uitgestroomd. Uit tabel 54 blijkt dat het percentage deelnemers dat per half jaar een premie heeft ontvangen sinds het begin van het experiment een licht dalende trend vertoont, van rond de 60% in 2018 naar de helft in de periode na het experiment. De deelnemers aan de extra-aandachtgroep hebben gedurende de gehele looptijd van het experiment vaker een premie ontvangen dan de deelnemers aan de zelfregiegroep en de vergelijkingsgroep. Tabel 54. Ontvangen premie per half jaar volgens WPI a Extra Aandacht

Zelfregie

Vergelijking

Totaal

2018, 1e halfjaar

64

57

60

60

2018, 2e halfjaar

67

59

60

62

2019, 1e halfjaar

60

58

58

59

2019, 2e halfjaar

59

52

54

55

2020, 1e halfjaar

60

54

59

57

2020, 2e halfjaar

54

48

46

49

2021, 1e halfjaar

53

51

49

51

2018, 1e halfjaar

525

511

491

510

2018, 2e halfjaar

698

666

629

667

2019, 1e halfjaar

583

542

533

553

2019, 2e halfjaar

742

699

679

708

2020, 1e halfjaar

970

969

921

955

2020, 2e halfjaar

765

649

698

704

2021, 1e halfjaar

991

888

843

909

2018, 1e halfjaar

338

290

297

308

2018, 2e halfjaar

470

396

373

413

2019, 1e halfjaar

352

315

308

325

2019, 2e halfjaar

436

363

361

386

2020, 1e halfjaar

580

525

545

549

2020, 2e halfjaar

412

313

320

347

2021, 1e halfjaar

525

450

415

463

% deelnemers dat premie heeft ontvangen

Gemiddelde premie per half jaar (alleen premieontvangers) (euro)

Gemiddelde premie per half jaar (incl. geen premie) (euro)

Noot a: alleen deelnemers die op T3 zijn geïnterviewd en die aan het eind van ieder half jaar (nog) een bijstandsuitkering ontvingen

Het gemiddelde uitgekeerde premiebedrag per half jaar varieerde tussen 510 en 955 euro en lag aan het eind van het experiment en in het eerste halfjaar van 2021 hoger dan in de het eerste kwartaal toegerekend aan het tweede halfjaar van het voorgaande jaar en de betalingen in het derde kwartaal aan het eerste halfjaar van het lopende jaar.

67

eerdere fasen. Vooral in het eerste halfjaar van 2020 en in het eerste halfjaar van 2021 werd een opvallend hoog bedrag aan premies uitgekeerd. Er zijn slechts kleine verschillen in premiebedragen tussen de experimentgroepen. Berekenen we de gemiddelde premie over alle deelnemers die (nog) een uitkering ontvingen, dus inclusief degenen die geen premie hebben ontvangen, dan zien we dat de deelnemers gedurende het experiment gemiddeld rond de 400 euro per persoon per halfjaar ontvingen. Dit bedrag was in het eerste halfjaar van 2020 met 549 euro het hoogst. In tabel 55 vatten we de totale premiebetalingen sinds de start van het experiment tot en met het eerste halfjaar van 2021 samen. 77% van alle deelnemers die op T3 zijn geïnterviewd heeft minimaal een keer een premie ontvangen. Dit lag in de extraaandachtgroep hoger dan in de zelfregiegroep en de vergelijkingsgroep. Berekend over alle deelnemers hebben zij gemiddeld € 2.697 aan premie ontvangen. Dit bedrag was het hoogst in de extra-aandachtgroep en het laagst in de vergelijkingsgroep. Beperken we ons tot de deelnemers die minimaal een keer een premie hebben ontvangen, dan bedroeg de gemiddelde premie € 3.516. Ook in dit geval zijn de bedragen voor de deelnemers aan de extra-aandachtgroep en in dit geval ook de zelfregiegroep wat groter dan voor de deelnemers aan de vergelijkingsgroep. Tabel 55.

Percentage deelnemers dat premie heeft ontvangen en gemiddeld totaal ontvangen premie (in euro’s) sinds het begin van het experiment volgens WPI Extra Aandacht

Zelfregie

Vergelijking

Totaal

81

74

75

77

Gemiddelde premie (incl. geen premie)

€ 2.994

€ 2.623

€ 2.456

€ 2.697

Gemiddelde premie per premieontvanger

€ 3.694

€ 3.554

€ 3.256

€ 3.516

Premie ontvangen

68

Bijlage 1: Analyse van ‘uitvallers’ uit het experiment Aan de nulmeting, aan het begin van het experiment, hebben 808 personen deelgenomen. Op T3 waren eind juli 2022 513 mensen geïnterviewd. 295 personen (37%) zijn dus ‘uitgevallen’. Als de kenmerken van de uitvallers die op T3 niet geïnterviewd zijn, afwijken van de ‘blijvers’, die aan de nameting hebben deelgenomen, kan dit de uitkomsten van het experiment beïnvloeden. Daarom onderzoeken we in deze bijlage of de uitval uit het experiment verschilt tussen verschillende categorieën deelnemers. Tabel 56 geeft hiervan een overzicht. Over het algemeen verschilt het percentage uitvallers niet heel sterk tussen verschillende categorieën, maar er zijn enkele uitzonderingen. Allereerst valt op dat de uitval uit de zelfregiegroep en de vergelijkingsgroep wat groter is dan uit de extra-aandachtgroep. Verder zijn deelnemers die aan het begin van het experiment al 25 uur of meer per week werkten, vaker uitgevallen. Maar ook degenen die niet werkten zijn vaker uitgevallen dan degenen die minder dan 25 uur werkten. Mannen, jongeren (onder 35 jaar), deelnemers met een havo- of vwo-diploma en met een Surinaamse en Marokkaanse achtergrond zijn ook relatief vaak uitgevallen. Dat geldt ook voor personen die aan het begin van het experiment 1 tot 5 jaar een uitkering ontvingen. Tabel 56.

Aandeel uitvallers (%) naar kenmerken van de deelnemers op T0 uitvallers Totaal

37

Experimentgroep Extra Aandacht

33

Zelfregie

38

Vergelijking

37

Betaald werk op T0 nee

41

ja

34

Aantal uren betaald werk op T0 0 uur

41

1-11 uur

29

12-24 uur

34

25-34 uur

51

≥35 uur

55

onbekend

37

Geslacht vrouw

33

man

42

Huishoudenstype op T0 (o.b.v. uitkering)

69

Alleenstaande

38

Eenoudergezin

37

Paar zonder kinderen

29

Paar met kinderen

35

Duur uitkering op T0 ≤ 6 mnd

37

7-12 mnd

36

>1-2 jr

40

>2-3 jr

43

>3-5 jr

43

>5-10 jr

34

>10 jr

31

Leeftijdsgroep op T0 18-34 jr.

45

35-44 jr.

37

45-54 jr

35

55-65 jr.

36

Hoogst behaalde diploma geen/bao

40

vmbo

37

mbo

36

havo/vwo

44

hbo/wo

28

anders

34

Herkomst (1e of 2e generatie) Nederland

29

Suriname

52

Antillen

33

Turkije

33

Marokko

40

overig

35

onbekend

50

Om na te gaan welke verschillen in uitval significant zijn als rekening wordt gehouden met andere kenmerken, is een logistische regressieanalyse uitgevoerd van de kans dat een deelnemer zowel aan het begin van het experiment (T0) als bij de nameting (T3) is geïnterviewd (Tabel 57). Hieruit blijkt allereerst dat deelnemers aan de zelfregiegroep een iets grotere kans hebben om zowel op T0 als T3 te zijn geïnterviewd dan de deelnemers aan de twee andere experimentgroepen. 70

Tabel 57. Logistische regressie van de kans om op T0 en T3 deel te nemen aan enquête odds ratio Experimentgroep (ref.=Vergelijking) Extra Aandacht

1,07

Zelfregie

1,47*

Betaald werk op T0

1,59

Aantal gewerkte uren op T0 (ref.=0 uur) 1-16 uur

0,98

17-24 uur

0,80

> 24 uur

0,35*

onbekend

0,54

Man (ref.=vrouw)

0,57**

Huishoudenstype (o.b.v. uitkering) (ref.=alleenstaande) eenoudergezin

1,02

paar zonder kinderen

2,12**

paar met kinderen

1,22

Duur uitkering op T0 (ref.=7-12 mnd.)

0,00

1-6 mnd.

0,91

>1-2 jr.

0,80

>2-3 jr.

0,71

>3-5 jr.

0,70

>5-10 jr.

1,12

>10 jr.

1,01

Leeftijdsgroep op T0 (ref.=18-34 jr.) 35-44 jr.

1,34

45-54 jr.

1,38

>54 jr.

1,51

Hoogst behaalde diploma (ref.=geen/bao) vmbo

1,07

mbo

1,22

havo/vwo

0,94

hbo/wo

1,87**

ander

1,33

Herkomst (1e of 2e generatie) (ref.=Nederlands) Suriname

0,40**

Antillen

0,87

Turkije

0,73

Marokko

0,49**

overig

0,65*

onbekend

0,29

Constante

1,74

Noot: significantie *p<0,1; **p<0,05; ***p<0,01

71

Verder hebben personen die aan het begin meer dan 24 uur werkten, mannen, en personen met een Surinaamse of Marokkaanse achtergrond een relatief kleine kans om op T0 en T3 te zijn geïnterviewd. Voor paren zonder kinderen en hoger opgeleiden (hbo- of wo-diploma) is deze kans juist relatief groot. Op basis van deze regressieanalyse is voor alle deelnemers de kans geschat dat zij zowel op T0 als T3 zijn geïnterviewd. Deze zogenaamde ‘propensity score’ is in de andere regressieanalyses in deze rapportage gebruikt als weegfactor. Hierdoor tellen deelnemers die, gezien hun kenmerken, een relatief grote kans hadden om uit te vallen, in de regressieanalyse zwaarder mee dan degenen die een kleinere kans hadden om uit te vallen.

72

Bijlage 2: typologie van deelnemers Bij de eerste meting onder de deelnemers van het experiment (T0) hebben we hen een aantal vragen voorgelegd over de rechten en plichten in de bijstand en de relatie met de gemeente en andere instituties. Op grond van deze opvattingen en attitudes hebben we hen toen ingedeeld in vijftal groepen. We hebben hierbij gebruik van de antwoorden die zij hebben gegeven op de volgende vragen: In hoeverre bent u het eens of oneens met de volgende uitspraken? • Ik vind aandacht van de gemeente fijn (1) • Ik vind dat ik in de bijstand vrij moet zijn om de dingen te doen die ik belangrijk vind (2) • Ik vind het terecht dat ik in de bijstand verplichtingen heb richting de gemeente (3) • Als de medewerkers van de gemeente mij oneerlijk behandelen werk ik niet mee (4) • Als de gemeente mij meer mijn eigen gang laat gaan kan ik ook beter zelf mijn weg vinden (5) • Als ik veel hulp krijg van de gemeente zal ik ook beter mijn best doen om werk te vinden (6) • Als ik werk beneden mijn opleidingsniveau moet aanvaarden dan zal ik minder mijn best doen in dat werk (7) Uit een factoranalyse blijkt dat de antwoorden op deze vraag kunnen worden gereduceerd tot drie factoren: • Positieve houding tegenover de gemeente en de bijstand (items 1 en 3) (hierna: positief) • Voorwaardelijke houding tegenover de gemeente (items 4, 6 en 7) (hierna: voorwaardelijk) • Voorkeur

voor meer vrijheid in de bijstand (items 2 en 5) (hierna: vrijheid) Voor elke factor is een schaal geconstrueerd die gelijk is aan het gemiddelde van de scores op de items, lopend van 0 (geen steun voor de stellingen) tot 4 (maximale steun voor de stellingen). Als gevolg van het kleine aantal items per factor is de betrouwbaarheid van deze schalen (gemeten met de Cronbach alfa) wel laag. Wilt u voor elk van de volgende instanties of persoon aangeven hoeveel vertrouwen u in hen hebt? • Uw klantmanager bij de gemeente (1) • Werkgevers (2) • Rechters (3) • Politici (politiek) (4) • Journalisten (pers) (5) • Buren (6) • Familie (7)

73

Een factoranalyse laat zien dat de antwoorden in twee categorieën uiteenvallen (1 t/m 5, en 6 en 7). De eerste vijf kunnen worden geïnterpreteerd als vertrouwen in instituties (Cronbach’s alfa=0,628), en de laatste twee betreffen het vertrouwen in buren en familie (Cronbach’s alfa=0,524). Voor beide is een schaal geconstrueerd die gelijk is aan de gemiddelde score op deze items (lopend van 0-3). Geef aan of u het eens of oneens bent met de volgende uitspraken. De regels en verplichtingen van de bijstand, die op dit moment voor mij gelden… • helpen mij om deel te nemen aan de samenleving. (1) • stimuleren mij om betaald werk te zoeken. (2) • belemmeren mij in het vinden van passend werk. (3) • geven mij voldoende ruimte om te doen wat ik zelf graag wil. (4) • passen bij mijn situatie. (5) • leveren mij stress/spanning op. (6) Uit een factoranalyse blijkt dat de antwoorden in twee categorieën uiteenvallen (1 en 2, en 3 t/m 6). Er is een schaal geconstrueerd als gemiddelde score op de eerste twee items (lopend van 0-4), die aangeven dat men de regels en verplichtingen in de bijstand als steun in de rug ervaart (Cronbach’s alfa=0,733). Voor de andere zes items is op dezelfde wijze een schaal geconstrueerd, waarbij de waarden van items 4 en 5 zijn omgepoold (d.w.z. dat een hoge score is omgezet in een lage en vice versa).

Deze schaal geeft aan in welke mate men de regels en verplichtingen als een belemmering of belasting ervaart (Cronbach’s alfa=0,696). Met behulp van deze nieuwe variabelen is een zogenaamde clusteranalyse uitgevoerd, waarbij de respondenten die qua antwoorden veel op elkaar lijken in hetzelfde cluster worden ingedeeld. Een indeling in vijf clusters levert een goed te interpreteren uitkomst op (tabel 58).

Tabel 58. Clusters van deelnemers op basis van hun opvattingen attitudes Positief over de bijstand en de gemeente

Voorwaardelijk t.a.v. gemeente

Wil meer vrijheid in bijstand

Vertrouwen in instituties

Vertrouwen in buren en familie

Bijstand is steun

Bijstand is belemmering

%

Naam

3,1 2,6

2,2 1,7

2,6 2,2

3,1 2,0

1,1 1,9

1,9 1,6

2,5 2,2

23

positieven

2,2

2,1

3,0

0,9

2,2

1,2

2,4

2,6 2,6 2,7

2,5 2,0 2,1

2,9 2,8 2,6

2,4 2,7 2,3

1,9 1,3 1,7

1,5 1,4 1,6

2,2 1,2 2,1

33 8 25

lijdzamen autonomen critici

12 100

eenzelvigen

1 2 3 4 5 Totaal

De tabel geeft de omvang van de vier clusters en de gemiddelde score op de zeven variabelen weer. Cluster 1, die bijna een kwart van de deelnemers omvat, omschrijven we als positieven, omdat zij overwegend positief staan tegenover de bijstand en de gemeente en veel vertrouwen hebben instituties. Cluster 2, met een derde van de deelnemers, onderscheidt 74

zich vooral doordat men weinig kritisch tegenover de gemeente en de bijstand staat, niet meer vrijheid wil, maar de bijstand ook niet echt als steun in de rug ervaart. We duiden hen aan als de lijdzamen: zij leggen zich neer bij de bestaande regels, maar beschouwen deze niet als steun. Cluster 3, waar 8% van de deelnemers toe behoort, kenmerkt zich doordat zij weinig positief staan tegenover de bijstand en de gemeente, veel meer vrijheid willen en geen vertrouwen hebben in de instituties. We noemen hen de autonomen. Ook de critici in cluster 4, een kwart van alle deelnemers, willen meer vrijheid, maar hebben, anders dan de autonomen, wel redelijk vertrouwen in de instituties mits de gemeente aan bepaalde voorwaarden voldoet. De eenzelvigen in het vijfde cluster, ongeveer een op de acht deelnemers, vallen op doordat zij wel veel vertrouwen hebben in de instituties, maar weinig in buren en familie, en doordat zij de bijstand zelden als een belemmering zien.

75

Bijlage 3: Kenmerken van de respondenten op T0 Onderstaande tabel geeft de verdeling van de respondenten op T3 in de drie experimentgroepen naar hun sociaaldemografische kenmerken aan het begin van het experiment (op T0). Tabel 59. Sociaaldemografische kenmerken van de respondenten op T3 naar de situatie op T0 (% van de deelnemers per experimentgroep) Extra aandacht 166

Zelfregie

Vergelijking

Totaal

192

155

513

Vrouw

68,7

62,5

61,9

64,3

Man

31,3

37,5

38,1

35,7

Alleenstaande

52,4

48,4

47,7

49,5

Eenoudergezin

23,5

29,7

27,1

26,9

Paar zonder kinderen

17,5

15,6

20,0

17,5

Paar met kinderen

6,6

6,3

5,2

6,0

18-24 jr.

0,0

1,0

0,6

0,6

25-34 jr.

10,8

11,5

12,3

11,5

35-44 jr.

28,9

26,6

27,1

27,5

45-54 jr

34,9

38,0

33,5

35,7

55-65 jr.

24,7

21,4

24,5

23,4

Geen/bao

13,3

17,7

25,8

18,7

Vmbo

12,0

13,5

12,3

12,7

Mbo

20,5

19,3

13,5

17,9

Havo/vwo

14,5

15,1

15,5

15,0

Hbo/wo

18,1

17,2

14,2

16,6

Anders

21,1

16,7

18,1

18,5

Nederland

21,1

23,4

25,8

23,4

Suriname

13,3

14,1

9,7

12,5

Antillen

2,4

2,6

3,2

2,7

Turkije

11,4

7,8

5,2

8,2

Marokko

9,0

10,4

14,2

11,1

Overig

41,6

40,1

40,6

40,7

Totaal (N=100%) Geslacht

Huishoudenstype

Leeftijdsgroep

Opleidingsniveau

Herkomst

76

Onbekend

1,2

1,6

1,3

1,4

≤ 6 mnd

5,4

5,7

11,0

7,2

7-12 mnd

4,8

3,6

6,5

4,9

>1-2 jr

11,4

12,0

6,5

10,1

>2-3 jr

11,4

9,4

6,5

9,2

>3-5 jr

11,4

13,5

15,5

13,5

>5-10 jr

27,1

28,1

26,5

27,3

>10 jr

19,3

19,3

20,0

19,5

Uitkeringsduur

77

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12362828/1