CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Referentienormen 25juni2024 vastgesteld 1.0.pdf

RAAD 13 november 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van de Actualisatie Amsterdamse Referentienormen voor maatschappelijke voorzieningen, groen en spelen (VN2024-014517)19.284 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Bijlage 1 onderbouwingen - Onderwijs

De gemeente heeft als wettelijke taak te voorzien in onderwijshuisvesting, voor het primair-, voortgezet- en speciaal onderwijs. Voor het voorgezet onderwijs worden scholen gerealiseerd i.c.m. een drievoudige gymzaal of volwaardige sporthal (inclusief aanvullende investering vanuit Sport).

B1-5/28

Onderbouwing Middelbaar Beroepsonderwijs (MBO)

De voorziening

In de stad zijn een drietal MBO schoolbesturen met ruim 30 MBO locaties verspreid over de stad. Dit zijn regionale voorzieningen waar ook veel leerlingen van buiten de stad heen gaan. De MBO instellingen leiden studenten op voor diverse sectoren, waaronder sectoren met grote personeelstekorten.

Actualisatie

normen 2018: oppervlakte per woning

actualisatie 2024: oppervlakte per woning

n.v.t.

n.t.b.

Onderbouwing

Voor het MBO wordt apart een referentienorm opgenomen. Aangezien een MBO een regionale voorziening is, is het lastig deze norm (op dit moment) te kwantificeren. De metrage voor de norm van MBO wordt nader bepaald. De voorziening wordt opgenomen zodat de voorziening onderdeel is van het gesprek/het werkproces in gebiedsontwikkeling bij de bepaling van de ruimteclaims voor maatschappelijke voorzieningen. De gemeente heeft geen wettelijke taak voor het huisvesten van mbo instellingen, maar wel de ambitie om in de stad goede MBO instellingen te behouden. MBO instellingen hebben veel tijdelijke huurcontracten, en hebben daardoor een meer kwetsbare positie dan het voortgezet onderwijs. Bij stadsuitbreiding zal bekeken worden of er ruimte nodig is voor het MBO. Komende jaar zal ook onderzocht worden of een referentienorm voor HBO en WO nodig is.

Draagvlak

De resultaten van de norm zijn afgestemd met de beleidsafdeling Onderwijs en directie Maatschappelijke Voorzieningen.

Bijlage 1 onderbouwingen - Onderwijs

Het opnemen van het MBO in de referentienormen is nieuw. De normering zelf wordt nader bepaald.

B1-6/28

Onderbouwing Schooltuincomplexen

De voorziening

De Amsterdamse schooltuinen bestaan bijna 100 jaar. Ze zijn uniek in het aantal Amsterdamse kinderen dat bereikt wordt in het kader van Natuur- en milieu educatie(NME). NME op de schooltuinen is een voorziening in de Verordening voor het lokale onderwijsbeleid in de gemeente Amsterdam. Alle basisscholen in Amsterdam van zowel het reguliere als het speciale basisonderwijs kunnen er gebruik van maken. Ook in de toekomst, juist in een groeiende en verdichte stad, is het belangrijk dat NME kan plaatsvinden in een groene omgeving en dat alle basisschoolleerlingen in aanraking komen met natuur, milieu duurzaamheid en ecologie. Nieuwe scholen in ontwikkel- en transformatiegebieden moeten gebruik kunnen maken van een schooltuin in de omgeving.

De huidige referentienorm voor schooltuinen blijft gelijk. normen 2018: oppervlakte per woning

actualisatie 2024: oppervlakte per woning

0,02 m2 BVO 0,16 m2 terrein

0,02 m2 BVO 0,16 m2 terrein

Onderbouwing

Ook in de toekomst en juist in een groeiende en verdichte stad is het belangrijk dat natuur- en milieueducatie (NME) kan plaatsvinden in een groene omgeving en dat alle basisschoolleerlingen in aanraking komen met tuinieren en ecologie. Bij het verder verdichten van de stad neemt de noodzaak om meer mensen te laten genieten van het bestaande groen toe. De schooltuincomplexen kunnen hierin een rol spelen door openstelling voor een breder publiek. Uitgangspunt is dat bij een bredere openstelling de prioriteit moet liggen bij NME activiteiten voor (jonge) kinderen. Te denken valt aan een naschoolse natuurclub of een groene/ natuur buitenschoolse opvang (BSO).

Draagvlak

De resultaten van de norm zijn afgestemd met de beleidsafdeling Onderwijs en directie Maatschappelijke Voorzieningen.

Bijlage 1 onderbouwingen - Onderwijs

Actualisatie

B1-7/28

Onderbouwing Ouder en Kind Team (OKT)

Om zowel de uitvoering van de jeugdwet als de uitvoering van de jeugdgezondheidzorg mogelijk te maken is de gemeente verantwoordelijk voor voldoende accommodaties van waaruit hulp en ondersteuning kan worden aangeboden. Het OKT zorgt ervoor dat in de stad laagdrempelig jeugdhulp en jeugdgezondheidszorg wordt aangeboden. Bij het OKT werken ouder- en kindadviseurs, jeugdartsen, en jeugdpsychologen samen om ervoor te zorgen dat voor elke vraag rondom gezond opgroeien en opvoeden de juiste expertise wordt ingezet. Omdat de jeugdhulp en de jeugdgezondheidzorg onder één dak zitten is de samenwerking tussen de verschillende professionals vanzelfsprekend. Het OKT werkt in de gebieden nauw samen met de buurtteams in Amsterdam. Wanneer er zich in de stad kansen voordoen om een OKT en een buurtteam gezamenlijk te huisvesten is dit een belangrijk uitgangspunt bij het realiseren van een nieuwe OKT voorziening.

Actualisatie

De norm voor OKT blijft gelijk. normen 2018: oppervlakte per woning

actualisatie 2024: oppervlakte per woning

0,04 m2 BVO

0,04 m2 BVO

Onderbouwing

Er is gezien de ervaring van de afgelopen jaren geen reden om wijzingen in de norm aan te brengen. De norm die wordt gehanteerd is niet afhankelijk van het type woonmilieu maar wordt over de hele stad ongeacht het type woonmilieu toegepast. Uitgangspunt is dat op basis van de gebiedsindeling in alle gebieden van de gemeente inclusief het stadsgebied Weesp een OKT aanwezig is. Met het hanteren van de huidige norm wordt aan dit uitgangspunt voldaan. De norm wordt

gebruikt als een werkbaar startpunt. In de praktijk wordt altijd gekeken naar de ontwikkelingen in een specifiek gebied ook in relatie tot de al bestaande OKT locaties. De norm is gebaseerd op één OKT van 725 m2 BVO per 19.000 woningen. Een belangrijke ontwikkeling is de in juni 2023 vastgestelde hervormingsagenda jeugd 2023-2028. Deze agenda heeft als doel knelpunten in de jeugdzorg structureel aan te pakken. Een ander doel van de agenda is het jeugdzorgstelsel financieel houdbaar te maken voor de toekomst. Sommige van de onderwerpen in de hervormingsagenda zijn belangrijk wanneer het gaat om de noodzaak van bepaalde accommodaties. Het belang van de lokale teams is een expliciet onderdeel van de hervormingsagenda. Het is belangrijk dat ouders met opvoed- en opgroeivragen op een laagdrempelige manier terecht kunnen bij de lokale teams. De OKT locaties blijven ook de komende jaren de voorziening voor ondersteuning bij opgroeien en opvoeden en hulp dicht bij huis. Doordat de OKT locaties de Amsterdamse gebiedsindeling volgen is er binnen een straal van 2 km van het woonadres een OKT beschikbaar. De huidige norm zorgt voor voldoende spreiding van de OKT locaties in de stad. Uitgangpunt is dat op basis van de gebiedsindeling in alle gebieden van de gemeente inclusief het stadsgebied Weesp een OKT aanwezig is. Met de huidige norm wordt aan dit uitgangspunt voldaan.

Draagvlak

Het draagvlak van de OKT voorzieningen is verankerd in de jeugdwet en in de wet publieke gezondheid waar de taken van de jeugdgezondheidszorg onderdeel van uitmaken. De GGD-normen die gaan over de noodzakelijk fysieke ruimte om de jeugdgezondheidszorg kwalitatief goed uit te voeren en de prognose van O&S die gaan over de bevolkingsgroei van kinderen en jongeren in de leeftijd van 0 tot 18 jaar in een specifiek gebied, worden gebruikt om de uiteindelijk vraag naar hoeveel ruimte nodig is scherp te definiëren.

Bijlage 1 onderbouwingen - Jeugd

De voorziening

B1-8/28

Onderbouwing Kleinschalige woonvoorzieningen

Kleinschalige woonvoorzieningen is een verzamelnaam voor alle kleinschalige woonvoorzieningen zoals een gezinshuis, een kleinschalige groep, en vormen van begeleid wonen voor kinderen en jongeren. De kleinschalig woonvoorziening is noodzakelijk omdat soms jeugdigen om verschillende redenen (tijdelijk) niet thuis kunnen wonen. De voorziening zorgt ervoor dat de jeugdigen zoveel als mogelijk in een normale omgeving opgroeien. Het gaat om voorzieningen in de wijk die zijn te typeren als een grote woning waar een beperkt aantal kinderen of jongeren met begeleiding verblijven. Het realiseren van deze voorzieningen zorgt voor een belangrijk impuls voor de ombouw van residentiële naar kleinschalige woonvormen. Het type kleinschalige woonvoorziening kan verschillen.

Actualisatie

De norm voor kleinschalige woonvoorzieningen daalt. normen 2018: oppervlakte per woning

actualisatie 2024: oppervlakte per woning

0,09 m2 BVO

0,04 m2 BVO

Onderbouwing

De eerdere norm van 0,09 m2 per woning vertaalde zich in de afgelopen jaren naar een model met een te groot aantal (gewenste) voorzieningen. De norm hield onvoldoende rekening met het belangrijke uitgangspunt om vooral te voorkomen dat kinderen en jongeren langdurig niet thuis opgroeien. Het realiseren van deze voorzieningen is niet gebaseerd op uitbreiding van de bestaande vraag maar heeft voor als doel om de ombouw van meer residentiele vormen van jeugdhulp naar kleinschalige woonvormen te ondersteunen.

Wanneer we de huidige opgave vertalen naar een te hanteren norm is het nodig om de huidige norm van 0,09 m2 te verlagen naar 1 voorziening per 5.000 woningen van 200 m2, wat uitkomt op 0,04 m2 per woning. De lagere norm zorgt er dan nog steeds voor dat het aantal gewenste voorzieningen in de stad zoals in het strategische huisvestingplan opgenomen kan worden gerealiseerd. Het realiseren van deze voorzieningen sluit aan bij de hervormingsagenda jeugd 2023-2028. Wanneer thuis wonen geen mogelijkheid meer is zorgt een kleinschalige woonvoorziening voor een alternatieve vorm van verblijf. In de hervormingsagenda is opgenomen dat kinderen zoveel mogelijk thuis opgroeien ook als zij hulp nodig hebben. Wanneer er toch een vorm van residentiële hulp nodig is wordt deze vooral aangeboden als een woonvoorziening in een open en kleinschalige vorm. Dit kan gaan om een gezinshuis maar ook om een kleinschalige woonvorm met relatief intensieve begeleiding. Het type te realiseren woonvoorziening is gebaseerd op de vraag van de gecontracteerde jeugdhulpaanbieders en de monitoring van gegevens die gaan over het aantal noodzakelijke plekken voor de doelgroep.

Draagvlak

De kleinschalige woonvoorzieningen zorgen ervoor dat jeugdige die niet thuis kunnen wonen zoveel als mogelijk in een normale omgeving opgroeien. Met jeugdhulpaanbieders wordt gekeken naar de kansen en mogelijkheden in de stad. De inventarisatie van de vraag is bepalend om te bepalen waar in de stad zich de meest kansrijke mogelijkheden voor het realiseren van deze voorzieningen voordoen. In de hervormingsagenda jeugd is opgenomen dat de transformatie naar kleinschalige woonvormen meer kansen biedt op een veilig en positief leefklimaat.

Bijlage 1 onderbouwingen - Jeugd

De voorziening

B1-9/28

Onderbouwing Gezondheidscentrum

Het uitgangspunt voor de referentienorm is een gezondheidscentrum. Een gezondheidscentrum wordt gedefinieerd als een combinatie van huisartsenpraktijk, andere eerstelijnszorg, maatschappelijke dienstverlening en een apotheek.

Actualisatie

De norm voor gezondheidscentra daalt. normen 2018: BVO per woning

actualisatie 2024: BVO per woning

Huisartsenpraktijk

0,30 m2

0,16 m2

Andere eerstelijnszorg

0 m2

0,04 m2

Maatschappelijke dienstverlening

0,01 m2

Is onderdeel van norm buurtteam

Apotheek

0,05m2

0,07 m2

0,36 m 2

0,27 m2

Voorziening

Gezondheidscentrum (totaal)

Onderbouwing

De norm voor een gezondheidscentrum wordt verlaagd. In de praktijk blijkt de ruimteclaim conform de huidige referentienorm te groot is. Oorzaak hiervan ligt in het feit dat de organisaties voor maatschappelijke dienstverlening zijn opgegaan in het concept buurtteams. Voor de buurtteams is een aparte referentienorm opgesteld. Het is wenselijk om de huisvesting van eerstelijnszorg te combineren met de huisvesting van een buurtteam of een buurtkamer. In de praktijk blijkt het patiëntenbestand op veel plekken minder hard te groeien dan verwacht. Als er veel expats en studenten in een wijk wonen dan is dat zeker het geval. Zij schrijven zich niet zo snel in bij een nieuwe huisarts. Aan de andere kant geven de Amsterdamse Huisartsenalliantie (AHa) en Stichting Amsterdamse Gezondheidscentra (SAG) aan dat bij het starten van een nieuwe huisartsenpraktijk tijd nodig is om een patiëntenbestand op te bouwen. Ook blijven bij de gemeente signalen binnen komen over het gebrek aan (betaalbare) praktijkruimte voor huisartsen in de stad. Clustering van eerstelijnsfuncties in een buurtgezondheidscentrum is daarom financieel een meer haalbare optie.

De nieuwe referentienorm voor een buurtgezondheidscentrum wordt 0,26 m2 per woning en is opgebouwd uit de hiernaast genoemde elementen. Gerekend bovenstaande referentienorm zal een gezondheidscentrum per 2.800 woningen (en 6.000 patiënten) een oppervlakte hebben van 720 m2. Als een buurtteamlocatie aan het gezondheidscentrum wordt toegevoegd komt hier nog een totaal van 234m2 bij, wat een totaal maakt van 956 m2 per buurtgezondheidscentrum. De gemeente heeft richtlijnen opgesteld voor het programma van eisen voor jeugd, zorg en basisvoorzieningen, het document ‘richtlijnen programma van Eisen Jeugd, Zorg en Basisvoorzieningen’. De nieuwe referentienorm is hiervan afgeleid, met uitzondering van de vierkante meters voor huisartsenzorg. De norm volgens het programma was 0,12 m2. Zowel de AHA en de SAG hebben aangegeven dat deze norm te laag zou zijn. Daarom wordt de norm van de NZa gehanteerd, namelijk 0,16 m2 per woning. In dezelfde richtlijnen voor een buurgezondheidscentrum wordt gerekend met 110 m2 voor eerstelijnszorgvoorzieningen en 208m2 voor apotheken (160m2 NVO * 1,3). Wederom gerekend met dezelfde woonbezetting komt dit uit op respectievelijk een norm van 0,04 m2 voor eerstelijnszorgvoorzieningen en 0,07m2 voor een apotheek per woning. De nieuwe referentienorm op basis van de berekening van de NZa gaat uit van 150 m2 per 1 FTE.

Voor 3 FTE komt men dan uit op 450 m2 per huisartsenpraktijk. Met een gemiddelde woonbezetting van 2.800 woningen per 6000 inwoners, wordt den norm per woning 450 / 2.800 = 0,16 m2

Draagvlak

Op basis van de richtlijnen voor een buurtgezondheidscentrum in ‘de richtlijnen Programma van Eisen Jeugd, Zorg en Basisvoorzieningen’ zou een norm van 0,12m2 voor een huisartsenpraktijk gelden. Rekening houdende met de bovengenoemde trends en signalen vanuit de AHA en SAG en de stad zou deze norm eigenlijk te laag zijn. Daarom is met AHA en SAG overeengekomen om voor de berekening van een huisartsenpraktijk de norm aan te houden van NZa.

Bijlage 1 onderbouwingen - zorg

De voorziening

B1-10/28

Onderbouwing Buurtteam

Het buurtteam is een plek in de buurt waar je ondersteuning kan krijgen bij vragen over zorg, wonen, gezondheid, werk, geld, meedoen of veiligheid.

Actualisatie

De norm voor buurtteam daalt. normen 2018: oppervlakte per woning

actualisatie 2024: oppervlakte per woning

0,07 m2 BVO (MaDi en wijkzorg)

0,03 m2 BVO (buurtteam)

Onderbouwing

In de referentienorm 2018 was een norm opgenomen voor de Maatschappelijke Dienstverlening en Wijkzorg. Deze dienstverlening is in 2020 overgegaan in de Buurtteams. Er is toen een nieuwe norm opgesteld voor de Buurtteams, die de norm voor Maatschappelijke Dienstverlening en Wijkzorg vervangt. In de praktijk is sinds de komst van de buurtteams al gewerkt met de nieuwe norm. In deze actualisatie wordt deze ook geformaliseerd.

De norm is gebaseerd op de huisvestingvisie die is opgesteld in samenwerking met aanbieders. Uitgangspunt van de visie is dat buurtteams in de buurt aanwezig zijn en gebruik maken van de bestaande vindplekken in de gebieden. De uitvalsbasis van het buurtteam in de buurt, met ruimte voor inloop, spreekkamers en werkplekken, is de buurtteamlocatie. De omvang van een locatie van een Buurtteam bedraagt 234 m2 BVO en een buurteam bestaat uit 15 FTE. Op basis van deze uitgangspunten is een referentienorm opgesteld voor de Buurtteams. Het gaat om een norm voor een ruimtereservering in de plangebieden. In de praktijk kan er gekozen worden om een buurtteam (hoofdlocatie BVO van 234m2) te combineren met een Huis van de Wijk of een buurtteam satelliet (BVO van 20m2) te combineren met een buurtkamer. Dit betreft altijd maatwerk. Zo kunnen we inspelen op specifieke wensen, situaties en omstandigheden.

Draagvlak

De referentienorm voor de buurtteams is gebaseerd op de ‘huisvestingsvisie buurtteams’. De huisvestingsvisie is in 2020 opgesteld in samenwerking met de MaDi aanbieders, die nu de Buurtteamorganisaties vormen. De huisvestingsvisie is vastgesteld in het MT buurtteams. De referentienorm voor de Buurtteams is een vertaling van deze huisvestingsvisie.

Bijlage 1 onderbouwingen - zorg

De voorziening

B1-11/28

Onderbouwing Dagbestedingslocatie

Dagbesteding bestaat uit inloop-, meewerk- en meedoenlocaties voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt en kwetsbare groepen zoals mensen met een beperking of ouderen.

Actualisatie

De norm voor dagbestedingslocaties stijgt. normen 2018: oppervlakte per woning

actualisatie 2024: oppervlakte per woning

0,03 m2 BVO

0,16 m2 BVO

Onderbouwing

Voor de nieuwe referentienorm blijft het uitgangspunt één norm voor de verschillende vormen van dagbesteding tezamen. Dagbesteding is steeds vaker kleinschalig en vindt bij voorkeur plaats in de buurt waar de cliënt woont. Goede spreiding over de stad van de verschillende vormen van dagbesteding is wenselijk. Spreiding van de voorzieningen blijft dan ook leidend voor de inpassing van dagbestedingslocaties in gebiedsontwikkeling. Het beleidsveld is tamelijk stabiel. Door een recente aanbesteding werkt de gemeente nu met minder aanbieders. Het aantal locaties voldoet. Door de recente aanbesteding is wel beweging tussen de locaties te zien door de cliënttransitie. Huurprijzen van locaties zijn sterk gestegen.

In het algemeen is meer behoefte aan inloop- en meedoenlocaties (ontmoeting) dan aan meewerklocaties. Bij de keuze van een locatie wordt gezocht naar aansluiting bij ouderenhuisvesting, de basisvoorzieningen in de buurt, broedplaatsen en het bedrijfsleven. Op termijn gaat het opdrachtgeverschap over de inlooplocaties over van de directie OJZD naar de stadsdelen. De opgave voor en inpassing van inlooplocaties moet afgestemd worden met die van basisvoorzieningen. De referentienorm 2018 was te laag berekend, ten opzichte van het huidige voorzieningenniveau. Voor de groei van de stad is in de actualisatie uitgegaan van het huidige voorzieningenniveau t.o.v. het aantal inwoners. Deze aantallen zijn vervolgens geëxtrapoleerd naar de groei van de stad. Dit resulteert in een hogere norm. De ervaring van de afgelopen jaren leert dat ruimtelijke claims voor dagbesteding niet altijd worden ingevuld. Reden hiervoor wordt komende periode verder verkend, maar gezien de wens voor een goede spreiding en dekking over de stad wordt de norm wel verhoogd. Voor de berekening van de norm zijn de volgende aannames genomen. Een inlooplocatie met een BVO van 200m2 per 5.000 woningen. Een meewerklocatie met een BVO van 200m2 per 2.500 woningen. Een meedoenlocatie met een BVO van 114m2 per 3.000 woningen.

Draagvlak

Voor dagbesteding is de verhoging van de norm voorgelegd aan gecontracteerde aanbieders dagbesteding. Zij konden zich vinden in de verhoging.

Bijlage 1 onderbouwingen - zorg

De voorziening

B1-12/28

Onderbouwing Maatschappelijke Opvang en Begeleid Wonen (MOBW)

Maatschappelijke opvang is de verzamelnaam voor winteropvang, beschermd verblijf (24 uurs opvang MOBW), noodopvang gezinnen en huisvesting economisch daklozen (passantenpension) tezamen. De winteropvang is bedoeld voor daklozen in Amsterdam die gedurende de wintermaanden en tijdens de hierin ernstige koude perioden een sobere vorm van nachtopvang kunnen krijgen (bed-bad & brood). Dit om te voorkomen dat zij tijdens bovengenoemde periode op straat moeten slapen. De 24-uurs opvang biedt bewoners een persoonlijk traject dat hen helpt een stabieler bestaan op te bouwen, met inkomen, zorg en een dak boven het hoofd. De noodopvang gezinnen biedt tijdelijke huisvesting voor gezinnen die door uiteenlopende problematiek dakloos zijn geworden en geen beroep (meer) kunnen doen op het eigen netwerk. Soms worden mensen overvallen door (een aaneenschakeling aan) incidenten met als gevolg dat zij hun woning kwijtraken. In een dergelijk geval kan tijdelijk gebruik worden gemaakt van het passantenpension. Dit is een hotelachtige voorziening waar zelfredzame, en inmiddels dakloze mensen voor maximaal zes maanden een gemeubileerde studio kunnen huren om zelfstandig en in alle rust aan een oplossing voor hun situatie van dakloosheid te werken.

Ten tweede is norm gebaseerd op de groei van opvangvoorzieningen zoals die in september 2023 vastgelegd in de Versterkingsaanpak Dakloosheid. Deze groei van circa 5 locaties wordt in 2024 gerealiseerd met tijdelijke locaties, maar de verwachting is dat een deel van deze opvangvoorzieningen structureel een plaats moeten krijgen. Ten derde is in de opbouw van de norm rekening gehouden met ontwikkelingen in beleid en wet- en regelgeving, in het bijzonder de extra vraag naar opvang van EU-burgers. Dit zal naar verwachting op termijn leiden tot een extra groei met 2 voorzieningen. Bij elkaar telt dit op tot een norm van 0,39 m2 bvo per nieuwe woning plus 0,05 m2 buitenruimte (alleen bij 24 uursopvang).

Actualisatie

De norm voor MOBW daalt. normen 2018: oppervlakte per woning

actualisatie 2024: oppervlakte per woning

0,50 m2 BVO

0,39 m2 BVO 0,05 m2 terrein (alleen bij 24 uursopvang)

Onderbouwing

De vorige referentienorm was uitsluitend gericht op 24 uursopvang en was gebaseerd op de vervangingsopgave van de huidige 24 uursvoorzieningen, de behoefte aan kleinere voorzieningen én een lichte bevolkingsgroei. Deze vervangingsopgave is opgenomen in het huidige Strategisch Huisvestingsplan, wordt in de huidige planvorming ingetekend en hoeft om die reden niet opnieuw in een referentienorm worden vastgelegd. Deze referentienorm is gericht op een bredere opgave, naast 24 uursopvang ook noodopvang gezinnen, passantenpensions, nachtopvang en winteropvang. De norm is gebaseerd op voorzieningen met gemiddeld 35 plekken met een omvang van 1.500 m2 bvo. De nieuwe norm is opgebouwd vanuit drie factoren. Ten eerste de groei van de stad, waarbij het aantal huidige clientplekken in voorzieningen (circa 2.000) ten opzichte van het aantal bewoners van Amsterdam (920.000) als startpunt is genomen. Groter aantal inwoners betekent naar verwachting een evenredige groei van de vraag naar voorzieningen voor opvang.

De norm voor MOBW wordt aangepast naar 0,39 m2 bvo per nieuwe woning + 0,05 m2 buitenruimte (alleen bij 24uursopvang). De norm was 0,50 m2 bvo per nieuwe woning.

Draagvlak

Voor MOBW is het afgestemd binnen de afdeling Zorg. Zorgaanbieders zijn nauw betrokken bij de ontwikkeling van nieuwe locaties en de huidige plannen die nu in het Strategisch Huisvestingsplan zijn vastgelegd, op basis van de referentienorm. Zij zijn ook betrokken bij de Versterking aanpak dakloosheid en de ruimtelijke opgaven die hieruit voortvloeien.

Bijlage 1 onderbouwingen - zorg

De voorziening

B1-13/28

Onderbouwing Verpleeghuizen

Voorziening waar veelal oudere mensen kunnen verblijven die behoefte hebben aan intensieve verzorging en begeleiding in een beschermende omgeving. De rijksoverheid is verantwoordelijk voor mensen die langdurige, intensieve zorg thuis of in een instelling nodig hebben. In 2018 was de verwachting dat de toenemende behoefte aan intramurale zorg opgevangen kon worden in bestaand vastgoed. Uit de woonzorganalyse van Companen (onderdeel van het Regiobeeld Amsterdam Vitaal en Gezond 2023 en de Amsterdamse Aanpak Volkshuisvesting 2023) blijkt dat door de groei en toenemende vergrijzing in Amsterdam 3.000 nieuwe verpleeghuisplekken nodig zijn t/m 2040. Het nieuwe rijksbeleid schrijft echter voor dat mensen in de toekomst zo lang mogelijk verzorgd moeten worden in hun eigen woning. Maar geschikte zorgwoningen kunnen niet snel gerealiseerd worden. En er moeten altijd bedden zijn voor mensen die niet tot op het laatst thuis verzorgd kunnen worden. De bestaande verpleeghuiscapaciteit moet dan ook gehandhaafd worden. In sommige gevallen kunnen verpleeghuizen niet op de bestaande locaties gemoderniseerd worden. Het risico is dat de gebouwen zo slecht zijn, dat daar geen verpleeghuiszorg meer geleverd kan worden. Dat leidt tot een tekort aan bedden in de stad. In die gevallen moet elders naar een geschikte locatie worden gezocht.

Actualisatie

De norm voor verpleeghuizen is nieuw. normen 2018: oppervlakte per woning

actualisatie 2024: oppervlakte per woning

n.v.t.

2,13 m2 BVO

Onderbouwing

In de vorige referentienorm waren nog geen Wlz-voorzieningen opgenomen. Voor de berekening van de norm is gebruik gemaakt van informatie van Woonzorg Nederland, een corporatie met veel ervaring in het ontwikkelen van verpleeghuizen: voor een groep van verpleegplaatsen wordt meestal gekozen voor 10 eenheden met een gezamenlijke huiskamer en ondersteunende ruimten (kantoren/bergingen/etc.). Voor de zorgefficiency dienen 2 groepen op een verdieping gerealiseerd te worden. Studio’s van 27-33 m2 GBO waarbij veel activiteiten plaats vinden in de groepshuiskamers. Veel ondersteunende ruimten aanwezig zijn. Oppervlakte benodigd is 75-80 m2 BVO per plek. Footprint van het gebouw circa 1.500-1.600 m2 BVO. Omdat een range voor een norm niet werkt (dan wordt vaak voor de laagste waarde gekozen), is het voorstel uit te gaan van 85 m2 per eenheid. Bij een zorgefficiëntie van 2 groepen per verdieping kom je op 20 x 85 = 1.700 m2 per verdieping. Uitgaande van 80 eenheden per locatie, zijn dat 4 verdiepingen, totaal 6.800 m2 BVO. De norm kan je daarmee omrekenen van 1 plek per 40 woningen, is gelijk aan 1 complex van 6.800 m2 (4 verdiepingen met totaal 80 plekken) per 3.200 woningen.

Draagvlak

Het voorstel voor de norm is besproken in de werkgroep zorghuisvesting waaraan zorgaanbieders verpleeghuiszorg, zorgkantoor, corporaties en gemeente deelnemen. De werkgroep heeft ingestemd met de norm.

Bijlage 1 onderbouwingen - zorg

De voorziening

B1-14/28

Onderbouwing Woonzorgvoorzieningen

Voorziening waar mensen met een mentale, verstandelijke en/of fysieke beperking kunnen verblijven die behoefte hebben aan intensieve verzorging en begeleiding in een beschermende omgeving. De afgelopen jaren is het beleid steeds meer gericht op zo lang mogelijk zelfstandig wonen en wéér zelfstandig wonen. Naast behoefte aan geclusterde woonvormen zal er ook altijd vraag zijn naar intramurale woonzorgvormen voor mensen met een beperking, die niet zelfstandig kunnen wonen

Actualisatie

De norm voor woonzorgvoorzieningen is nieuw. normen 2018: oppervlakte per woning

actualisatie 2024: oppervlakte per woning

n.v.t.

2,13 m2 BVO

Onderbouwing

Woonzorgvoorzieningen die gefinancierd worden vanuit de Wet langdurige zorg (Wlz) waren nog niet opgenomen in de referentienorm.

Uit de regio-analyse gehandicaptenzorg 2023 van het Zorgkantoor wordt een toename van de intramurale capaciteit voor 600-800 cliënten de komende vijf jaar noodzakelijk geacht om aan de groeiende zorgvraag te voldoen en wachttijden te beperken. Voorstel voor berekening van de norm: De berekening van de norm is gebaseerd op een omvang van 20 woonzorgvoorzieningen in een periode van vijf jaar, met 40 plekken per voorziening en een omvang van maximaal 4.000 m2. Werkwijze: Met deze norm kan in de eerste planfase ruimte worden gereserveerd voor dit type woonzorgvoorzieningen. In het vervolgproces vindt in afstemming met ontwikkelaars en zorgaanbieders verdere concretisering plaats qua doelgroep, omvang, aantal plekken. De basis van de berekening van de referentienorm betekent niet dat er de komende vijf jaar daadwerkelijk 20 woonzorgvoorzieningen worden gerealiseerd. Gebiedsontwikkeling kent doorgaans lange doorlooptijden.

Draagvlak

Voor de woonzorgvoorzieningen is afgestemd met leden van de Coalitie Groei van de Stad (onderdeel van de aanpak Amsterdam Vitaal en Gezond) voor de domeinen Ouderenzorg, Geestelijke Gezondheidszorg en Mensen met een Lichtverstandelijke beperking.

Bijlage 1 onderbouwingen - zorg

De voorziening

B1-15/28

Onderbouwing Hospice

De voorziening

Een hospice is een verblijfplaats waar men in huiselijke omgeving de laatste fase van het leven door kan brengen. Het overlijden valt binnen afzienbare tijd te verwachten en er is alleen sprake van palliatieve zorg.

Actualisatie

De norm voor hospice blijft gelijk. normen 2018: oppervlakte per woning

actualisatie 2024: oppervlakte per woning

0,01 m2 BVO

0,01 m2 BVO

Onderbouwing

Voor de berekening van de norm is uitgegaan van een verpleeghuis van 350m2 BVO per 46.000 woningen.

Draagvlak

Afstemming heeft plaatsgevonden met het Palliatieve Netwerk Amsterdam. Zij geven aan dat de verblijfsduur van mensen in een hospice langer duurt, waardoor de druk toeneemt. Zij verwijzen ook naar het Regiobeeld en de verwachting ten aanzien van palliatieven zorg en pleiten voor handhaving van de hospices in de referentienorm.

Bijlage 1 onderbouwingen - zorg

Uit het Regiobeeld van Amsterdam Vitaal en Gezond (2023) blijkt vanwege de vergrijzing een toenemende behoefte aan palliatieve zorg. Er is behoefte aan meer hospiceplekken om de druk op de thuiszorg te verlichten. De referentienorm voor hospices blijft daarom ongewijzigd.

B1-16/28

Onderbouwing Basisvoorzieningen Algemeen

De gemeente is verantwoordelijk voor de uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Met de basisvoorzieningen wordt uitvoering gegeven aan de Wmo. Onder basisvoorzieningen wordt verstaan: • Jongerencentrum • Speeltuingebouw • Huis van de Wijk • (Kinderboerderij) • Buurtkamer Een groot aantal taken in het sociaal domein is gedelegeerd aan de stadsdelen. Deze taken zijn beschreven in het Beleidskader sociale basis 2025-2030. Het beleidskader en de subsidieverordening zijn 24 januari 2024 vastgesteld door de raad. Per 1 januari 2025 gaat het nieuwe beleidskader sociale basis in. Hieraan gekoppeld gaat ook een nieuwe subsidieverordening gelden. De opgave om voldoende basisvoorzieningen te realiseren blijft de komende jaren onverminderd groot. De belangrijkste doelstellingen van de sociale basis zijn het creëren van kansengelijkheid, het bestrijden van eenzaamheid en het bevorderen van de mentale en fysieke gezondheid door o.a. ontmoeten, bewegen, sociale veiligheid. Belangrijk speerpunt uit het Amsterdams Akkoord 2022-2026 is ongelijk investeren om gelijke kansen te creëren. Dit betekent een keuze om vooral te investeren op die plekken en in die opgaven waar dit het hardste nodig is om te zorgen voor een duurzame toekomst voor alle Amsterdammers.

Actualisatie

De normen voor jongerencentra, huizen van de wijk, buurtkamers en speeltuingebouwen blijven gelijk.

Onderbouwing

De stadsdelen en de organisaties die zij subsidiëren werken steeds meer wijkgericht. Uitgangspunt voor alle basisvoorzieningen is een evenwichtige spreiding over een buurt of wijk. In principe geldt dat per nieuwe wijk één Huis van de Wijk, minimaal twee buurtkamers en één jongerencentrum wordt gerealiseerd. Dit is afhankelijk van het woonmilieu, het aantal woningen en de verhouding sociaal, midden en vrije huur in de wijk.

Bij voorkeur vindt geen clustering van basisvoorzieningen plaats in één gebouw of rond één plek, maar wordt een netwerk van basisvoorzieningen gerealiseerd. Wel is het wenselijk om basisvoorzieningen te combineren met onder andere buurtteams, OKT, zorg of loketten voor juridische spreekuren, werkgelegenheid etc. Een netwerk van verspreid liggende basisvoorzieningen vormt een antwoord op de toenemende vergrijzing (beleid woonzorgcirkels en lang leven thuisflats), doordat basisvoorzieningen in de directe nabijheid van de woning toegankelijk zijn op maximaal 15 minuten loopafstand. Een dergelijk netwerk van basisvoorzieningen draagt bovendien bij aan de beleidsambities van kansengelijkheid (toegankelijk voor iedereen), het verkleinen van armoede (lagere vervoerskosten), duurzaamheidsambities (verminderen autogebruik) gezondheid en vitaliteit door middel van bewegen. Naast het belang van spreiding blijft maatwerk een belangrijk uitgangspunt. Zo kunnen we inspelen op specifieke wensen, situaties en omstandigheden In de vorige referentienorm was kinderboerderij samengevoegd onder het kopje speeltuingebouw, maar betrof de norm feitelijk alleen een speeltuingebouw. Er bestaat geen stedelijk beleid voor kinderboerderijen (wel voor dierenwelzijn). Er zijn 16 kinderboerderijen in Amsterdam.

Er bestaat geen noodzaak om kinderboerderijen toe te voegen aan de referentienorm, zie voor de uitleg hierover pagina b1-2.

Draagvlak

Bij het maken van deze herziening van de Amsterdamse Referentienormen zijn de omvang en het gebruik van basisvoorzieningen aan de orde gekomen in gesprekken met de stadsdelen en in de beleidstafelgesprekken. Vanuit aanbieders en stadsdelen is vanuit de huidige ervaring gesteld dat als er geen andere activiteiten binnen een basisvoorziening uitgevoerd moeten worden, dus alleen activiteiten die vallen onder basisvoorzieningen, de huidige normering en omvang voldoen. Conclusie is dat de huidige normering en omvang voor de basisvoorzieningen voldoen.

Bijlage 1 onderbouwingen - Basisvoorzieningen

De voorziening

B1-17/28

Onderbouwing Jongerencentrum

Een jongerencentrum is een centrale ontmoetingsplaats voor jongeren met een activiteitenaanbod dat aansluit bij hun leefwereld en behoeften. Niet alle jongeren in Amsterdam worden als vanzelfsprekend vanuit hun eigen netwerk gestimuleerd en adequaat begeleid in persoonlijke ontwikkeling. Bovendien staan veel jongeren onder druk en ervaren stress op school, straat en thuis. Een jongerencentrum is een voorziening die rust, veiligheid en extra ondersteuning biedt aan jongeren. Daarnaast is het een voorziening waar jongeren hun horizon kunnen verbreden en talenten kunnen ontwikkelen. Het activiteitenaanbod betreft onder andere de volgende zaken: • brede (talent)ontwikkeling (0-23 jaar) door de inzet van jongerenwerk ten behoeve van vooral kwetsbare jongeren en jongeren zonder zinvolle vrijetijdsbesteding. • activiteiten gericht op ondersteuning bij de overgang van school naar school, dagbesteding of werk, waaronder: huiswerkbegeleiding, mentoraten etc. • het bieden van voorlichting & advies aan jeugdigen en hun ouders; het versterken van de pedagogische dragende samenleving

Onderbouwing

De huidige norm betreft één jongerencentrum per 12.500 – 8.300 – 6.250 woningen, afhankelijk van het betreffende woonmilieu. Voor de referentienorm 2018 is destijds de benodigde m2 de normering van de gemeente Utrecht voor buurtaccommodaties gevolgd en is stadsdeel Oost als referentie gebruikt. De oppervlakten aan jeugdcentra in Oost zijn destijds bij elkaar opgeteld en afgezet tegen het aantal jongeren in het stadsdeel, resulterend in het gegeven metrage. De omvang is 334 m2 ofwel 0,03-0,05 m2 per woning. De omvang is afkomstig uit de Richtlijnen voor Programma’s van Eisen Jeugd, Zorg en Basisvoorzieningen, oktober 2019, herijking november 2022. De norm blijft gelijk omdat de huidige omvang en gebruik goed zijn. En omdat het gebruik van de norm in de afgelopen jaren niet geleid heeft tot nieuwe inzichten. In principe wordt per wijk één jongerencentrum gerealiseerd, afhankelijk van het aantal woningen in relatie tot de referentienorm, vanuit het beleid van de ongedeelde stad. Belangrijk speerpunt uit het Amsterdams Akkoord 2022-2026 is ongelijk investeren om gelijke kansen te creëren. Dit betekent een keuze om vooral te investeren op die plekken en in die opgaven waar dit het hardste nodig is om te zorgen voor een duurzame toekomst voor alle Amsterdammers.

Woonmilieu

normen 2018: Woonmilieu opp. per woning

actualisatie 2024: opp. per woning

Groen blauw

0,05 m2 BVO

Luwe stadsbuurt

0,05 m2 BVO

In de praktijk blijkt er behoefte om in de ontwikkelbuurten in de stadsdelen Noord, Nieuw-West en Zuidoost een extra aantal kleinere jongerenvoorzieningen te realiseren bovenop de norm, zodat jongeren in hun eigen buurt veilig naar een eigen plek kunnen gaan. Deze hebben dan ongeveer de afmeting van een buurtkamer. Dit betreft altijd maatwerk. Dit kan te maken hebben met de plek in het bouwblok of de bereikbaarheid van de voorziening in het gebied.

Gemengd stedelijk

0,04 m2 BVO

Gemengde stadsbuurt

0,04 m2 BVO

Draagvlak

Actualisatie

De norm voor jongerencentrum blijft gelijk.

Hoogstedelijke 0,03 m2 BVO buurt Centrum stedelijk

0,03 m2 BVO

Hoogstedelijk centrum

0,03 m2 BVO

Bij het maken van deze herziening van de Amsterdamse Referentienormen zijn de omvang en het gebruik van basisvoorzieningen aan de orde gekomen in gesprekken met de stadsdelen en in de beleidstafelgesprekken. Vanuit aanbieders en stadsdelen is vanuit de huidige ervaring gesteld dat als er geen andere activiteiten binnen een jongerenvoorziening uitgevoerd moeten worden, dus alleen activiteiten die vallen onder basisvoorzieningen, huidige normering en omvang voldoen. Conclusie is dat de huidige normering en omvang voor een jongerenvoorziening voldoen.

Bijlage 1 onderbouwingen - Basisvoorzieningen

De voorziening

B1-18/28

Onderbouwing Huis van de Wijk

Een Huis van de Wijk is een ontmoetingsplek die wordt gerealiseerd voor en door bewoners, ondernemers en organisaties in de wijk. Het Huis van de Wijk verbindt mensen en instanties die elkaar verder kunnen helpen en zo de leefbaarheid van de wijk vergroten. Ook biedt het Huis van de Wijk ruimte om actief te zijn, te ondernemen, mee te doen, andere mensen te ontmoeten, te vergaderen en iets te leren van en aan een ander. Een Huis van de Wijk is een grotere voorziening dan een buurtkamer. Het wordt beheerd door een welzijnsaanbieder die ook de programmering faciliteert dan wel organiseert. Elk Huis van de Wijk biedt een breed scala aan activiteiten voor alle bewoners met een focus op volwassenen, op het gebied van zorg en welzijn, kunst en cultuur en culinair gebied. Ook worden ruimtes in het huis van de wijk gebruikt voor spreekuren van WPI of een buurtteam.

normering van de gemeente Utrecht voor buurtaccommodaties gevolgd en is stadsdeel Oost als referentie gebruikt. De oppervlakten aan buurtvoorzieningen (minus jeugdcentra) in Oost zijn destijds bij elkaar opgeteld en afgezet tegen het aantal volwassen bewoners in het stadsdeel, resulterend in het gegeven metrage. De omvang is ca. 400 m2 ofwel 0,06 m2 per woning. De omvang is afkomstig uit de Richtlijnen voor Programma’s van Eisen Jeugd, Zorg en Basisvoorzieningen, oktober 2019, herijking november 2022. De norm blijft gelijk omdat de huidige omvang en gebruik goed zijn. En omdat het gebruik van de norm in de afgelopen jaren niet geleid heeft tot nieuwe inzichten. In principe wordt per wijk één Huis van de Wijk gerealiseerd, afhankelijk van het aantal woningen in relatie tot de referentienorm, vanuit het beleid van de ongedeelde stad.

De programmering van een Huis van de Wijk is gericht op alle bewoners met de focus op volwassenen. De sociale basis in het volwassenendomein omvat de volgende taken: • versterken vrijwillige inzet en informele netwerken; • activering, participatie en sociale accommodaties; • mantelzorgondersteuning; • basis maatschappelijke dienstverlening; • integrale schuldhulpverlening; • ondersteunen bewonersinitiatieven.

In sommige gevallen moet een Huis van de Wijk een grotere omvang dan de norm krijgen, zodat een combinatie kan worden gemaakt met een volwaardige buurtteamlocatie of dagbesteding. Dit betreft altijd maatwerk. Dit kan te maken hebben met de plek in het bouwblok, met de verhouding van de woonsegmenten (sociaal/midden/vrije) of de bereikbaarheid van de voorziening in het gebied. Ook wordt gekeken naar het voorzieningenniveau in bestaande omliggende wijken en ongelijk investeren voor gelijke kansen.

Actualisatie

Bij het maken van deze herziening van de Amsterdamse Referentienormen zijn de omvang en het gebruik van basisvoorzieningen aan de orde gekomen in gesprekken met de stadsdelen en de beleidstafelgesprekken. Vanuit aanbieders en stadsdelen is vanuit de huidige ervaring gesteld dat als er geen andere activiteiten binnen een huis van de wijk uitgevoerd moeten worden, dus alleen activiteiten die vallen onder basisvoorzieningen, de huidige normering en omvang daarvoor voldoen.

De norm voor Huis van de Wijk blijft gelijk. normen 2018: oppervlakte per woning

actualisatie 2024: oppervlakte per woning

0,06 m2 BVO

0,06 m2 BVO

Onderbouwing

De huidige norm betreft één Huis van de Wijk per 6.300 woningen. Voor de referentienorm 2018 is destijds de benodigde m2 de

Draagvlak

Conclusie is dat de huidige normering en omvang voor het Huis van de Wijk voldoen.

Bijlage 1 onderbouwingen - Basisvoorzieningen

De voorziening

B1-19/28

Onderbouwing Buurtkamer

Een buurtkamer is een ontmoetingsplek die wordt gerealiseerd voor en door bewoners, ondernemers en organisaties in de wijk. De buurtkamer verbindt mensen en instanties die elkaar verder kunnen helpen en zo de leefbaarheid van de wijk vergroten. Ook biedt de buurtkamer ruimte om actief te zijn, te ondernemen, mee te doen, andere mensen te ontmoeten, te vergaderen en iets te leren van en aan een ander. Een buurtkamer is een kleinschaligere voorziening dan een Huis van de Wijk. Elke buurtkamer biedt een breed scala aan activiteiten voor alle bewoners met een focus op volwassenen op het gebied van zorg en welzijn, kunst en cultuur en op culinair gebied. Het beheer van een buurtkamer wordt ofwel door een welzijnsaanbieder uitgevoerd of in zelfbeheer door een groep bewoners. De programmering van de buurtkamer wordt zoveel mogelijk door buurtbewoners zelf ingevuld al of niet gefaciliteerd door een welzijnsaanbieder.

Actualisatie

De norm voor buurtkamer blijft gelijk. normen 2018: oppervlakte per woning

actualisatie 2024: oppervlakte per woning

0,06 m2 BVO

0,06 m2 BVO

Onderbouwing

De huidige norm betreft één buurtkamer per 1.900 woningen. Voor de referentienorm 2018 is destijds de benodigde m2 de normering van de gemeente Utrecht voor buurtaccommodaties gevolgd en is stadsdeel Oost als referentie gebruikt. De oppervlakten aan buurtvoorzieningen (minus jeugdcentra) in Oost zijn destijds bij elkaar opgeteld en afgezet tegen het aantal volwassen bewoners in het stadsdeel, resulterend in het gegeven metrage. De omvang is ca. 120 m2 ofwel 0,06 m2 per woning. De omvang is afkomstig uit de Richtlijnen voor Programma’s van Eisen Jeugd, Zorg en Basisvoorzieningen, oktober 2019, herijking november 2022. De norm blijft gelijk omdat de huidige omvang en gebruik goed zijn. En omdat het gebruik van de norm in de afgelopen jaren niet geleid heeft tot nieuwe inzichten.

Uitgangspunt voor buurtkamers is een evenwichtige spreiding over een wijk/gebied waarbij minimaal twee buurtkamers per wijk worden gerealiseerd. In nieuwe wijken (uitleg- en transformatiegebieden) sluit een netwerk van meerdere buurtkamers vaak beter aan bij de behoefte van nieuwe bewoners van een wijk in opbouw dan één Huis van de Wijk. In dat geval is het van belang om buurtkamers met een grotere omvang te realiseren dan de huidige norm, zodat er plek kan worden geboden aan activiteiten die meer ruimte behoeven en die anders in het Huis van de Wijk zouden plaatsvinden. Voorbeelden hiervan zijn beweegactiviteiten voor ouderen, zanggroepen, taallessen voor statushouders en culinaire activiteiten waarvoor een ruimere keuken nodig is. In sommige gevallen moet een buurtkamer een grotere omvang dan de norm krijgen, zodat een combinatie kan worden gemaakt met bijvoorbeeld een dagbestedingslocatie, een (satellietlocatie van een) buurtteam of een speeltuingebouw. Dit betreft altijd maatwerk. Dit kan te maken hebben met de plek in het bouwblok, met de verhouding van de woonsegmenten (sociaal/midden/vrije) of de bereikbaarheid van de voorziening in het gebied. Ook wordt gekeken naar het voorzieningenniveau in bestaande omliggende wijken en ongelijk investeren voor gelijke kansen.

Draagvlak

Bij het maken van deze herziening van de Amsterdamse Referentienormen zijn de omvang en het gebruik van basisvoorzieningen aan de orde gekomen in gesprekken met de stadsdelen en de beleidstafelgesprekken. Vanuit aanbieders en stadsdelen is vanuit de huidige ervaring gesteld dat als er geen andere activiteiten binnen een buurtkamer uitgevoerd moeten worden, dus alleen activiteiten die vallen onder basisvoorzieningen, de huidige normering en omvang voldoen. Conclusie is dat de huidige normering en omvang voor de buurtkamer voldoen.

Bijlage 1 onderbouwingen - Basisvoorzieningen

De voorziening

B1-20/28

Onderbouwing Speeltuingebouw

Een speeltuingebouw is een gebouw bij een speeltuin van waaruit sport- en spelactiviteiten worden georganiseerd voor kinderen en jongeren. Soms ligt dit gebouw aan een sportterrein of bij een school. Daarnaast kan het een ontmoetingsplek zijn voor ouders. Een speeltuingebouw kan dienen als uitvalsbasis voor naschoolse activiteiten, ruimte voor materiaalopslag en speluitleen. Het is de thuisbasis van de speeltuinmedewerker en vanuit het gebouw vindt toezicht op de speeltuin plaats. Het beheer van het gebouw en de organisatie van activiteiten kan door bewoners zelf georganiseerd worden, of in combinatie met een welzijnsaanbieder, of geheel door een welzijnsaanbieder.

Actualisatie

De norm voor speeltuingebouwen blijft gelijk. normen 2018: oppervlakte per woning

actualisatie 2024: oppervlakte per woning

0,01 m2 BVO 0,18 m2 terrein

0,01 m2 BVO 0,18 m2 terrein

Onderbouwing

Steeds vaker is dit een plek waar mensen elkaar ontmoeten en er ook ruimte moet zijn voor activiteiten die binnen moeten kunnen plaatsvinden. Daarom wordt gekeken naar combinaties om een speeltuingebouw multifunctioneel in te zetten. Indien een nieuwe speeltuin wordt ontwikkeld, heeft het de voorkeur om het speeltuingebouw te realiseren in de directe nabijheid van of gekoppeld aan een buurtkamer of school om ontmoeting van bewoners te faciliteren. Voor de berekening van de norm is uitgegaan van een speeltuingebouw van 137m2 BVO en 3.500m2 terrein per 20.000 woningen.

Draagvlak

Bij het maken van deze herziening van de Amsterdamse Referentienormen zijn de omvang en het gebruik van basisvoorzieningen aan de orde gekomen in gesprekken met de stadsdelen en de beleidstafelgesprekken. Vanuit aanbieders en stadsdelen is vanuit de huidige ervaring gesteld dat als er geen andere activiteiten binnen een speeltuingebouw uitgevoerd moeten worden, dus alleen activiteiten die vallen onder basisvoorzieningen, de huidige normering en omvang voldoen.

Bijlage 1 onderbouwingen - Basisvoorzieningen

De voorziening

B1-21/28

Onderbouwing Vluchtelingenopvang

Op dit moment drukt de opvang voor vluchtelingen op de bestaande gebieden en is grotendeels tijdelijk. Er wordt toegewerkt naar een hoger aandeel ‘vaste’ opvanglocaties. Een zogenoemde ijzeren voorraad, flexibel in te zetten voor opvang.

Actualisatie

De norm voor vluchtelingen opvang is nieuw. normen 2018: oppervlakte per woning

actualisatie 2024: oppervlakte per woning

n.v.t.

0,50 m2 BVO

Onderbouwing

Met de referentienorm voor vluchtelingenopvang kunnen in nieuw te ontwikkelen gebieden ook ‘vaste’ opvanglocaties gerealiseerd worden waardoor de spreiding over de stad evenrediger wordt en ook meer in de draagkrachtigere wijken gerealiseerd wordt. Er is gekozen om voor de referentienorm opvang vluchtelingen uit te gaan van de: Opgave spreidingswet asielopvang: 4.479. Huidige aantallen opvang Oekraïne: 3.085. Dit omdat het realistisch is te verwachten dat er altijd, in meer of mindere mate, een grote groep vluchtelingen zal zijn, mogelijk bovenop de groep vluchtelingen die onder het COA regime valt. We zijn van ‘worst case’ uitgegaan. Deze aantallen bij elkaar opgeteld zorgen voor een ‘uitgangspunt’ om de berekeningen te kunnen maken.

Huidige situatie: • 920.000 inwoners in Amsterdam; • 7.500 opvangplekken; • Dus 1 opvangplek per 125 inwoners. Nieuwbouwopgave: • 7.500 woningen per jaar; • Gemiddelde woonbezetting van 2,17 (analyse O&S); • 16.275 nieuwe inwoners per jaar; • Dus jaarlijkse groei van 130 opvangplekken. Op basis van de huidige situatie (het aantal inwoners en aantal opvangplekken) en de nieuwbouw opgave met 7.500 woningen per jaar, betekent dat er ca. 130 plekken per jaar nodig zijn. Het is een beleidsambitie om meer plekken per jaar te realiseren, zodat er meer ruimte beschikbaar is voor het realiseren van opvangplekken ook in de nieuwe uitbreidingsgebieden om te zorgen voor een meer evenredige spreiding in de stad. Daarnaast is het streven om voor de vluchtelingenopvang een stabiele vaste voorraad aan locaties te realiseren, daar kan de referentienorm enorm aan bijdragen. Een opvanglocatie varieert in grootte (50- 100 plekken voor minderjarige vluchtelingen en bijvoorbeeld 500 plekken voor azc en alles er tussenin) maar voor de berekening gaan we uit van een standaard van standaard 200 plekken, door uit te gaan van het jaarlijks realiseren van 1 opvanglocatie hiermee ook extra ruimte gerealiseerd. Omgerekend per woning is dit 0,50 m2 per woning.

Draagvlak

Voor vluchtelingenopvang is het afgestemd met de directie WPI.

Bijlage 1 onderbouwingen - Werk, Participatie & Inkomen

De voorziening

B1-22/28

De activiteiten van de directie Werk, Participatie en Inkomen (WPI) kennen geen huisvestingsbehoefte die aparte locaties vraagt. Er zijn dus ook geen aparte normen voor WPI-activiteiten. Voor een groot deel zijn deze activiteiten gehuisvest in maatschappelijke voorzieningen die zijn opgenomen in de referentienormen vanuit andere beleidsdomeinen. Schulphulpverlening en taalonderwijs vinden bijvoorbeeld veelal plaats in buurtteamlocaties, gehuisvest in Huizen van de Wijk en Buurtkamers. Blijf-van-m’n-lijf-huizen vallen onder de normen voor Maatschappelijke Opvang en Beschermd Wonen (MOBW). Meewerklocaties voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt zijn soms gevestigd in dagbestedingslocaties, maar ook in culturele wijkvoorzieningen of broedplaatsen. Voor een ander deel is huisvesting voor activiteiten van WPI anders georganiseerd. De Balies Werk en Inkomen zijn bijvoorbeeld gevestigd in Stadsloketten in elk stadsdeel, net als het Jongerenpunt.

Bijlage 1 onderbouwingen - Werk, Participatie & Inkomen

Huisvesting van Werk, Participatie en Inkomen in de referentienormen

B1-23/28

Onderbouwing Kunst & Cultuur wijkvoorzieningen

Het is cruciaal dat de culturele infrastructuur optimaal ingericht is op de ruimtebehoeften vanuit de verschillende kunstdisciplines en uitnodigend is voor alle Amsterdammers. Het is belangrijk voor de ontwikkeling van iedere Amsterdammer om op culturele plekken terecht te kunnen waar je jezelf herkent. Culturele voorzieningen geven erkenning en eigenheid aan de buurt. Hier kunnen talenten ontdekt worden en zich ontwikkelen, zodat ze vanuit deze basis verder de wereld in kunnen. Culturele voorzieningen zijn onder te verdelen in twee hoofdcategorieën: presentatie- en productieplekken. Voorbeelden van deze nieuwe culturele wijkvoorzieningen zijn het te realiseren Buurtcultuurhuis in Banne Noord en Het Verhalenhuis op het Osdorpplein.

Actualisatie

De referentienorm voor culturele wijkvoorzieningen blijft gelijk. normen 2018: oppervlakte per woning

actualisatie 2024: oppervlakte per woning

0,25 m2 BVO

0,25 m2 BVO

Onderbouwing

Met toepassing van de huidige referentienorm komt dit neer op een toevoeging van 1.875 m2 BVO per jaar aan extra ruimte voor Kunst & Cultuur in de vorm van wijkvoorzieningen. Voor de toepassing van de referentienorm wordt gewerkt met het afwegingskader voor het realiseren van culturele voorzieningen. Deze is als bijlage opgenomen bij het Strategische Huisvestingsplan Kunst & Cultuur 2023 – 2027. Bij het toepassen van de norm in de besluitvorming is de optimalisatie van de bestaande culturele infrastructuur een belangrijk uitgangspunt. Het uiteindelijke doel van de investeringen is een evenwichtige spreiding van relevante culturele voorzieningen over de hele stad. Met SHP KC 2023- 2027 plan wordt de koers gezet voor de periode tot en met 2027 met een doorkijk tot en met 2032. Voor het realiseren van deze voorzieningen is een jaarlijks investeringsruimte (kredietplafond) van 7 miljoen euro voor Kunst & Cultuur beschikbaar. Vanuit deze investeringsruimte kan maximaal 1.360 m2 BVO aan culturele voorzieningen worden gerealiseerd. De resterende 515 m2 moet gerealiseerd worden met investeringen door marktpartijen. Het voorstel is om de geactualiseerde referentienorm van Kunst en Cultuur voorzieningen op wijk niveau gelijk te houden aan de huidige norm. Gezien het kredietplafond is een verhoging van de norm niet realistisch.

Met het Strategisch Huisvestingsplan Kunst en Cultuur 2023-2027 (SHP KC 2023- 2027) wordt de koers bepaald voor versterking en uitbreiding van de culturele infrastructuur. In dit plan word toegelicht hoe in de komende periode het wijkgerichte kunst- en cultuuraanbod behouden en versterkt wordt. Een belangrijk uitgangspunt is dat kunst en cultuur mee moet groeien met de stad. Waar nieuwe wijken worden gebouwd, wordt er met de referentienorm geborgd dat ook ruimte toegevoegd wordt voor culturele voorzieningen. Want we streven naar een complete stad.

Aanvullend op het in stand houden van de huidige kwantitatieve referentienorm voor culturele wijkvoorzieningen wordt deze aangevuld met motivatieplichten voor broedplaatsen en nachtcultuur. Dit houdt in, dat wanneer vanuit de gebiedsontwikkeling de keuze gemaakt wordt om een claim voor een culturele voorziening niet in te zetten voor een broedplaatsfunctie of nachtcultuur dit in het fasebesluit van desbetreffende gebiedsontwikkeling gemotiveerd dient te worden met onderbouwing.

Op dit moment is de referentienorm voor culturele wijkvoorzieningen 0,25 m2 BVO per nieuw toe te voegen woning. De gemeente heeft als ambitie om jaarlijks 7.500 woningen aan de stad toe te voegen.

Voor de wijkvoorzieningen Kunst en Cultuur is het afgestemd met Kunst & Cultuur en de directie MV.

Draagvlak

Bijlage 1 onderbouwingen - Kunst & Cultuur

De voorziening

B1-24/28

Onderbouwing Kunst & Cultuur grootstedelijke voorzieningen

Naast buurtgerichte culturele voorzieningen zetten we ook in op grootstedelijke voorzieningen met een regionaal of landelijk bereik. Het gaat hier om beeldbepalende voorzieningen die we ‘specials’ noemen. Met een nieuw gebouw voor de Meervaart kiezen wij voor de noodzakelijke vervanging en uitbreiding van essentiële voorzieningen in de bestaande stad. We laten het voorzieningenniveau de komende jaren meegroeien met de stad door de komst van een Nationaal Slavernijmuseum, de bouw van de OBA Next, de komst van De nieuwe Meervaart en een extra podiumfunctie in Zuidoost.

Actualisatie

De referentienorm voor culturele grootstedelijke voorzieningen blijft gelijk. normen 2018: oppervlakte per woning

actualisatie 2024: oppervlakte per woning

0,20 m2 BVO

0,20 m2 BVO

Onderbouwing

Met het Strategisch Huisvestingsplan Kunst en Cultuur 2023-2027 (SHP KC 2023- 2027) wordt de koers bepaald voor versterking en uitbreiding van de culturele infrastructuur. In dit plan wordt gekeken naar nieuwe plekken voor aanbod dat een regionale, landelijke of internationale functie heeft. Een belangrijk uitgangspunt is dat kunst en cultuur mee moet groeien met de stad. Waar nieuwe wijken worden gebouwd, wordt er met de referentienorm geborgd dat ook ruimte toegevoegd wordt voor culturele voorzieningen. Want we streven naar een complete stad.

De gemeente heeft als ambitie om jaarlijks 7.500 woningen aan de stad toe te voegen. Met toepassing van de huidige referentienorm komt dit neer op een toevoeging van 1.500 m2 BVO per jaar aan extra ruimte voor Kunst & Cultuur in de vorm van grootstedelijke voorzieningen. Bij het toepassen van de norm in de besluitvorming is de optimalisatie van de bestaande culturele infrastructuur een belangrijk uitgangspunt. Het uiteindelijke doel van de investeringen is een evenwichtige spreiding van relevante culturele voorzieningen over de hele stad. Met SHP KC 2023- 2027 plan wordt de koers gezet voor de periode tot en met 2027 met een doorkijk tot en met 2032. Met het realiseren van de specials Kunst & Cultuur: De nieuwe Meervaart, Het Nationaal Slavernijmuseum en een nieuwe Podiumfunctie Zuidoost is gebleken dat met de huidige referentienorm er voldoende K&C voorzieningen bijkomen voor de periode t/m 2032. Na deze periode zullen met de groei van de stad ook nieuwe grootstedelijke voorzieningen nodig zijn. Het voorstel is daarom om de geactualiseerde referentienorm van Kunst en Cultuur grootstedelijke voorzieningen gelijk te houden aan de huidige norm.

Draagvlak

Voor grootstedelijke voorzieningen Kunst en Cultuur is het afgestemd met Kunst & Cultuur en de directie MV.

Bijlage 1 onderbouwingen - Kunst & Cultuur

De voorziening

B1-25/28

De voorziening

Gebouwde binnensportvoorziening met in ieder geval één grote sporthal en daaraan ondersteunende voorzieningen zoals kleedkamers, douches en bergingsruimte. In algemene zin is overdag het bewegingsonderwijs de hoofdgebruiker en vindt er door de week na schooltijd en in het weekend sportbeoefening plaats. Met de huidige Amsterdamse Referentienormen wordt een nieuwe sporthal altijd in combinatie met gymzalen voor voortgezet onderwijs ontwikkeld (3 gymzalen vormen samen één grote zaal in de sporthal).

Actualisatie

De norm voor sporthallen stijgt en blijft zoals in 2018 v.w.b. het realiseren i.c.m. bewegingsonderwijs voor VO. normen 2018: oppervlakte per woning

actualisatie 2024: oppervlakte per woning

0,18 m2 BVO

0,22 m2 BVO normen 2018:

actualisatie 2024:

BVO

circa 3.000m2

2.013m2 (3.200m2 omvang sporthal)

sporthal per

24.000 inwoners

18.000-22.000 inwoners

Onderbouwing

Aanleiding tot aanpassen van de norm komt voort uit de volgende afwegingen. Vooral bij de grote binnensportaccommodaties, sportzalen en met name sporthallen, is sprake van druk op zaalruimte. Tekort aan zaalruimte manifesteert zich overal in Amsterdam, met lokaal plekken waar het gebrek aan ruimte echt zorgelijk is. In de winter is de vraag naar zaalruimte vele malen hoger dan in de zomer. Uit landelijke en regionale prognoses blijkt dat deze druk alleen maar toeneemt. Dit onderschrijft het Mulier Instituut in haar rapport Sportaccommodaties in Nederland 2023 (2023). Landelijk is dit te zien, maar ook specifiek voor de regio Amsterdam. Zaalsporten winnen aan populariteit. Denk aan de overgang van handbal en in minder mate korfbal naar de zaal, maar ook futsal (zaalvoetbal) groeit en hockey zit v.w.b. het zaalseizoen in een groeispurt.

Andere grote gemeenten (Den Haag, Utrecht, Rotterdam, Groningen, Eindhoven) hanteren verschillende drempelwaardes voor een sporthal (nodige sporthallen per x inwoners). Deze variëren tussen de 17.000 en 25.000 inwoners. Amsterdam zit hoog in deze bandbreedte met 1 sporthal op de 24.000. Mulier Instituut stelt voor om – gebaseerd op draagvlakcijfers – de drempelwaarde voor nodige sporthallen te verlagen naar een bandbreedte tussen de 10.000 en 17.500 inwoners, voor het stedelijk gebied. De landelijke richtlijn was voorheen tussen de 15.000 tot 20.000 inwoners per sporthal. Amsterdamse bevolking groeit en blijft relatief jong. O&S verwacht in haar bevolkingsprognoses het aantal kinderen naar verhouding tot het totale inwonertal (in relatieve zin) gelijk blijft. De bespelingsdruk in sporthallen, populariteit naar zaalsporten en demografische ontwikkelingen maakt het te verdedigen om onze hoge drempelwaarde van 24.000 inwoners aan te scherpen. We kiezen bewust voor een bandbreedte van tussen de 18.000 en 22.000 inwoners per sporthal in plaats van één getal. Dit biedt flexibiliteit en ruimte voor maatwerk (per gebied een analyse op demografie & sportbehoefte, onder-/overbespeling bestaand aanbod, spreiding en bereikbaarheid, topsport/breedteprofiel hal, etc.). Het huidige uitgangspunt om sporthallen altijd in combinatie met gymzalen VO school te ontwikkelen blijft staan.

Ze bijten elkaar niet in gebruik (andere delen van de dag dat ze gebruik maken van de zaalruimte), het is goed voor de exploitatie en onderwijs en sport dragen samen de investeringslasten. Bovendien is het in een verdichtende stad met een grote druk op de ruimte niet te verkopen om dergelijke voorzieningen naast elkaar te bouwen. Het gaat hier om een principe. Vanuit topsportoverwegingen, de urban agenda, of gebrek aan zaalruimte in de bestaande stad, valt het te overwegen om zonder VO in te zetten op uitbreiding van de zaalcapaciteit. Op basis van de ervaringen met een aantal sporthallen, die in ontwikkeling of recent zijn opgeleverd waarbij goed naar het gebruik en de exploitatie is gekeken, is het voorstel het aantal m2’s BVO uit te breiden naar 3.200m2.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14766788/1