Bijlage 1 - Referentienormen 25juni2024 vastgesteld 1.0.pdf
Tekst van het document
Draagvlak
De normwijzigingen voor zowel de zwembaden als de sporthallen zijn afgestemd binnen het beleidsdomein en er is gebruik gemaakt van landelijke kennis en expertise.
Bijlage 1 onderbouwingen - Sport
Onderbouwing Sporthal
B1-26/28
De voorziening
Behoefte aan binnenzwemwater (en soort accommodatie) hangt erg af van de gebruiksdoelgroepen (schoolzwemmen, recreatief (vrij en banen), verenigingszwemmen, leszwemmen, doelgroepen). Dat vraagt, naast het planologische kengetal, om aandacht voor maatwerk per locatie.
Actualisatie
Er is met name behoefte aan multifunctionele 25-meterbaden inclusief een doelgroepenbassin. Daarmee kan ingespeeld worden op de toenemende behoefte aan banenzwemmen, doelgroepenzwemmen (inclusief zorgfunctie), instructiezwemmen en verenigingszwemmen. De huidige ruimteclaim van 4.000m2 BVO is hiervoor niet toereikend. Voor een zwembad met een 25 meter én doelgroepenbad is 4.300m2 BVO nodig.
Openbare binnenzwemaccommodatie, waar het publiek tegen betaling kan zwemmen, al dan niet in combinatie met andere activiteiten. Het gaat hier om een gemeentelijke zwembad of een commercieel geëxploiteerd zwembad.
De norm voor zwembaden stijgt. normen 2018: oppervlakte per woning
actualisatie 2024: oppervlakte per woning
0,095 m2 BVO
0,12 m2 BVO normen 2018:
actualisatie 2024:
BVO
circa 4.000m2
circa 4.300m2
zwembad per
80.000-100.000 inwoners
80.000 inwoners
Onderbouwing
Aanleiding tot aanpassen van de norm komt voort uit de volgende afwegingen. Amsterdam beschikt in vergelijking met de G5-gemeenten over het minste aantal m2 overdekt zwemwater per inwoner. De acht Amsterdamse overdekte/combi zwembaden kennen een goede tot zeer goede bezettingsgraad. De baden kennen over het algemeen een efficiënte programmering. Er is geen tot zeer beperkte ruimte voor groei. Vergeleken met Rotterdam en Den Haag komt de Amsterdamse norm (huidige en actualisatie) uit op minder m2’s zwemwater per inwoner. Rotterdam gaat uit van 1.650 m2 BVO per 25.000 inwoners en Den Haag van 1 zwembad per 77.500 inwoners (met een maatvoering: 4.000 m2).
Het Mulier-instituut constateert in haar onderzoek een afname van het accommodatiegebruik (zwembaden en binnensport) over de afgelopen 5 jaar. Wat dit voor de toekomst betekent laat zich nog moeilijk voorspellen. Mulier heeft op basis van de verwachte bevolkingsontwikkeling en trendmatige ontwikkelingen in sportdeelname en accommodatiegebruik 6 scenario’s voor de toekomstige sportbehoefte ontwikkeld. In de stedelijke gebieden blijft de bevolking relatief jong. Binnen deze scenario’s loopt het aantal benodigde zwembaden erg uiteen, van krimp tot extra behoefte. Voor de regio Amsterdam lopen de voorspelling uit van -27% tot +20%. Wel constateert het Mulier dat in stedelijke gebieden de bevolking in een hoger tempo groeit dan het aanbod van traditionele sportaccommodaties. En dat de bevolking relatief jong is en het gebruik van zwembaden voor sportbeoefening het hoogst ligt in de groep 6- 17 jaar.
Draagvlak
De normwijzigingen zijn afgestemd binnen het beleidsdomein en er is gebruik gemaakt van landelijke kennis en expertise.
Bijlage 1 onderbouwingen - Sport
Onderbouwing Zwembad
B1-27/28
Onderbouwing (Anders)georganiseerde buitensport
De vigerende normen voor (anders)georganiseerde buitensport zijn gekoppeld aan de drie woonmilieus uit Koers 2025. Er is nog geen norm voor een hoogstedelijke buurt, het buurttype dat in de Omgevingsvisie is toegevoegd. Het bepalen van deze norm wordt meegenomen in de actualisatie. Tot die tijd wordt voorgesteld pragmatisch hiermee om te gaan en te kiezen voor een bandbreedte voor het bepalen van de sportopgave in een hoogstedelijke buurt. Deze bandbreedte biedt een handvat voor de gebiedsontwikkelingen in de periode tussen nu en vaststelling van een geactualiseerde norm. Tegelijk doet deze bandbreedte inhoudelijk recht aan de sportopgave die op basis van de verwachte demografie in dit buurttype te verwachten is. Woonmilieu
Woonmilieu
norm 2018: BVO per woning
Groen blauw
Luwe stadsbuurt
9 m2
Gemengd stedelijk
Gemengde stadsbuurt
5 m2
Hoogstedelijke buurt
2-5 m2
Hoogstedelijk centrum
2 m2
Centrum stedelijk
In de hoogstedelijke buurt in wonen naar verwachting meer gezinnen met kinderen dan die in een hoogstedelijk centrum. Anderzijds worden in een gemengde stadsbuurt nog veel meer kinderen verwacht dan in een hoogstedelijke buurt. De aanwezigheid van kinderen is een grote bepalende factor voor de inschatting van de sportopgave in een gebied. We willen Amsterdammers zo vroeg mogelijk aan het sporten en bewegen krijgen en veel kinderen sporten in verenigingsverband. Ook de praktijk toont dat deze bandbreedte werkbaar is. Sinds de vaststelling van de Omgevingsvisie in 2021 zijn er meerdere investeringsbesluiten genomen (o.a. Buiksloterham, Hamerkwartier, NDSM, Amstel III) waarin verschillend omgegaan is met de inpassing van maatschappelijke voorzieningen, groen en spelen bij hoogstedelijke buurten. Begrijpelijk, omdat de mix van wonen, werken, voorzieningen en de verwachte bevolkingssamenstelling op de ene plek meer lijkt op een gemengde stadsbuurt, hoogstedelijke buurt of juist hoogstedelijk centrum. Bovendien heeft een hoogstedelijke buurt vaak een wat kleiner oppervlak en wordt deze begrensd door gemengd stedelijke buurten. Zeker in het gebruik van sportvoorzieningen zijn deze grenzen in de praktijk niet scherp, sportparken bedienen meerdere wijken. Voor het bepalen van de uiteindelijke opgave geldt de werkwijze voor bovenplanse opgaven in dit document.
Het inpassen van de sportopgave binnen en buiten de gebiedsontwikkeling blijft in lijn met de in de Omgevingsvisie 2050 vastgelegde 1-2-3-methode voor het inpassen van (anders)georganiseerde sport.
Bijlage 1 onderbouwingen - Sport
De norm voor de (anders)georganiseerde buitensport wordt in een apart proces geactualiseerd, in samenhang met de normen voor groen en sport en spelen in de openbare ruimte, met een uitgebreide vorm van participatie. Dit proces looptnaar verwachting tot het voorjaar van 2025.
B1-28/28
Bijlage 2 Infographic spelregels
Bijlage 2 Infographic spelregels
Spelregels: gebruik van de Amsterdamse Referentienormen beleid
ruimte
behoefte
{
De Amsterdamse Referentienormen worden gebruikt bij gebiedsontwikkelingen. Het is een ruimtelijke vertaling van bestaand beleid gebaseerd op een inschatting van behoefte van bewoners.
De Amsterdamse Referentienormen
Niet alle MV die nodig zijn om de stad compleet te maken zijn opgenomen in de referentienorm. De referentienorm is daarmee niet limitatief, zie pagina 7 voor een lijst met niet opgenomen MV.
alle maatschappelijke functies
MV in referentienormen
Algemene spelregels referentienormen Referentienorm = vertrekpunt = start van goed gesprek ≠ harde claim
Na berekening:
De Amsterdamse Referentienormen zijn geen harde claim waaraan rechten ontleend kunnen worden, maar een vertrekpunt. Het is de start van een goed gesprek over wat nodig is in de stad; de totale opgave MV. Maatwerk en brede afweging blijven altijd nodig.
Waar de ruimteclaim binnen projectgebieden niet leidt tot volwaardige voorzieningen zal altijd de afweging gemaakt moeten worden of de voorziening alsnog in een volledige omvang nodig is, of dat er gebruik kan worden gemaakt van capaciteit bij voorzieningen in de directe omgeving.
uitkomst norm
één volwaardige
MV
De totale opgave MV wordt bepaald door o.a. de referentienormen, de sociale opgave van de omgeving, de specifieke opgave per beleidsdomein en de aanwezigheid of het ontbreken van voorzieningen in de omgeving.
totale opgave
MV
{
wijk MV
+
bovenwijkse MV
Om de totale opgave aan maatschappelijke voorzieningen, groen en spelen te bepalen dienen wijk en bovenwijkse MV bij elkaar opgeteld te worden.
sociale
beleids-
opgave
opgave
gebied
totale opgave MV referentie
MV in de
norm
omgeving
spelregels voor MV op
≠ bovenwijks niveau
wijk niveau
In de Amsterdamse Referentienorm wordt onderscheid gemaakt voor MV op wijk/buurt niveau en bovenwijkse MV. Voor de ruimteclaim van bovenwijkse MV gelden aangepaste spelregels o.a. over de spreiding over de stad.
Spelregels totale opgave MV Fase 1 Verkenning
Principenota Principebesluit
Eerste verkenning totale opgave MV* i.s.m. de beleidsdirecties en het stadsdeel. Inzicht in de bestaande situatie plus grove inschatting van de totale opgave MV.
Fase 2 Haalbaarheid
Projectnota Projectbesluit
Actualiseren en verfijnen opgave MV* om te komen tot een speciefieke programma en ruimtelijke opgave. Overzicht van specifiek benodigd MV programma en ruimteclaim.
Fase 3 Ontwerp
Investeringsnota Investeringsbesluit
Diverse besluiten
Fase 4 Uitvoering
Actualiseren en verfijnen opgave MV*.
Actualiseren en verfijnen opgave MV*.
Verkenning ontwikkelstrategie MV (inclusief fasering).
Verdiepingsslag inpassing individuele MV op kavelniveau. Opstellen kaders (kavelpaspoort, PvE, financieel, etc) t.b.v. ontwikkeling.
Verwerking MV programma in het stedenbouwkundig plan en waar nodig inpassingsstudies. Inzichtelijk maken benodigde investeringen en afspraken over dekking.
Vastleggen van afspraken met ontwikkelaars, erfpachters, corporaties en anderen. Opnemen MV in nieuw omgevingsplan. Afspraken over de realisatie van de MV. Ontwikkeling en oplevering MV.
Stedenbouwkundigplan met (grove) locaties van MV en afspraken over geld.
*Totale opgave MV Totale opgave MV wordt bepaald m.b.v.: • de sociale opgave van het gebied (kansen gelijkheid) • de woningbouwopgave • de demografie • de referentienormen MV (wijk én bovenwijkse voorzieningen) • de beleidsdomeinspecifieke opgave • bestaande gemeentelijk vastgoed en/of MV in de omgeving • eventuele herhuisvestingsopgave MV • de bovenwijkse opgave (IOK/ SHP/ GOP)
Opgave vaststellen In de besluitvorming wordt vastgesteld wat het benodigd programma en ruimtelijke vertaling is. Daarbij wordt inzichtelijk gemaakt welke afwegingen er zijn gemaakt die leiden tot de keuze voor dit programma.
Woonprogramma wijziging? Als het woonprogramma tussendoor wijzigt is het ook nodig om opnieuw te kijken welke maatschappelijke voorzieningen horen bij het nieuwe woonprogramma.
Spelregels bovenwijkse MV van stedelijk niveau
Op basis van de woningbouwopgave in de stad en de behoefte aan de bovenwijkse voorziening bepaalt de beleidsdirectie in eerste instantie hoe groot de opgave is en in welke gebieden deze idealiter zal moeten landen. Dit wordt onder meer bepaald door de al aanwezige voorzieningen in de stad, de gewenste spreiding, kansen in het projectgebied i.r.t. de omgeving, aanwezigheid van bepaalde doelgroepen, e.d.
naar project niveau
In overleg tussen beleidsdirectie, gebiedsadviseur en gebiedsontwikkeling wordt vervolgens bepaalt of de ruimteclaim voor de bovenwijkse voorziening in het projectgebied wordt gerealiseerd.