CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Referentienormen 25juni2024 vastgesteld 1.0.pdf

RAAD 13 november 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van de Actualisatie Amsterdamse Referentienormen voor maatschappelijke voorzieningen, groen en spelen (VN2024-014517)19.284 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

De Amsterdamse Referentienormen

voor maatschappelijke voorzieningen, groen en spelen

definitieve versie 1.0 vastgesteld door het college B&W op 25juni2024

Colofon Het team Opdrachtgever

Jeroen Hofman (MV)

Projectmanagementbureau

Marjolein Gerards Shan Lei

Maatschappelijke Voorzieningen

Anne Meijer Björn Voorhorst Mirjam Verheul

Onderwijs

Eveline Wiebes Sofieke Dirksen

Jeugd

Ron Huisen

Zorg

Diederick Klein-Kranenburg Sylvia Kneefel Myrthe Maijer

Basisvoorzieningen

Sandra Wüst Marianne Heesen Robin van der Velden

Kunst & Cultuur

Fatima Mzallassi

Sport

Nelleke Penninx

Werk, Participatie & Inkomen

Amor Strauss Bonnie van Oosterwijk Huda Rais

Ruimte & Duurzaamheid

Flora Nycolaas

Onderzoek & Statistiek

Annika Smits

Inleiding Voor u ligt de actualisatie van de Amsterdamse Referentienormen voor maatschappelijke voorzieningen, groen en spelen. De voorgaande versie is vastgesteld door het college B&W in 2018. Buitensport, groen en spelen maken ook deel uit van de referentienormen. Maar deze normen worden herzien in een apart traject.

De aanleiding voor de actualisatie is drieledig:

Maatschappelijke voorzieningen zijn onmisbaar voor een complete stad. De referentienormen helpen bij het vertalen van de sociale opgave naar fysieke ruimte in de gebiedsontwikkeling. De referentienorm is een theoretisch model dat nooit één op één kan worden toegepast. Deze actualisatie heeft betrekking op de domeinen onderwijs, jeugd, zorg, basisvoorzieningen, K&C (kunst en cultuur), WPI (werk, participatie en inkomen) en binnensport. Voor (anders)georganiseerde buitensport, groen en spelen zijn vooralsnog de huidige normen opgenomen. Als deze ook geactualiseerd zijn, worden ze toegevoegd aan dit document.

• In de Omgevingsvisie Amsterdam 2050 zijn vier nieuwe woonmilieus gedefinieerd. Deze zijn deels anders dan de drie woonmilieus die werden gehanteerd in het voorheen vastgestelde Koers 2025, Ruimte voor de stad. Aansluiting van de referentienormen op de woonmilieus uit de Omgevingsvisie 2050 is van belang.

• Amsterdam en de wereld om ons heen zijn continu in verandering. Maatschappelijke trends en ontwikkelingen en veranderend beleid zorgen ervoor dat een evaluatie en herziening van de referentienormen van tijd tot tijd noodzakelijk zijn.

• Er is behoefte aan een betere uitleg van de werkwijze van de referentienorm. De referentienorm is slechts een van de hulpmiddelen om de ruimtelijke opgave voor maatschappelijke voorzieningen te bepalen. Daarnaast is het soort gebiedsontwikkeling en de relatie tot de bestaande omgeving van belang. De stappen om tot de opgave te komen zijn in deze actualisatie nader uitgewerkt en toegelicht.

Oefenruimte K-buurt

Inleiding

Aanleiding actualisatie

3 / 23

Met bureauonderzoek en beleidstafelgesprekken is per beleidsdomein bepaald voor welke voorzieningen de huidige normen volstaan en voor welke voorzieningen een aanpassing noodzakelijk is. Onderdeel van de gesprekken was ook het terugkijken op de ervaringen tot nu toe met de referentienorm. De reden voor aanpassing kan demografisch zijn, maar kan ook het resultaat zijn van andere ontwikkelingen in de beleidsvelden. De Spreidingswet is hiervan een voorbeeld. Deze geeft een taakstelling mee voor de

opvang voor vluchtelingen. Voor een aantal voorzieningen zijn de ruimtelijke eisen gewijzigd, bijv. als gevolg van veranderend gebruik door organisaties. Dit leidt dan ook tot een wijziging van de norm. Per voorziening zijn onderbouwingen van de normen gemaakt door de verschillende beleidsdirecties, die hiervoor informatie hebben opgehaald uit het maatschappelijke veld. Deze onderbouwingen zijn als bijlage toegevoegd. Daarnaast heeft afstemming plaatsgevonden met de directies Grond en Ontwikkeling en Ruimte en Duurzaamheid.

Leeswijzer

Hoofdstuk 1 beschrijft het ontstaan en de huidige context van de referentienormen. Hoofdstuk 2 geeft antwoord op de vraag wat referentienormen zijn. In Hoofdstuk 3 komt het doel van de referentienormen aan bod. Hoofdstuk 4 richt zich op de toepassing van de referentienormen in de praktijk, de zogenaamde spelregels. Tenslotte volgen in Hoofdstuk 5 de conclusie en de vervolgproducten. Dit document bevat tevens een samenvattende tabel met de referentienormen voor alle maatschappelijke voorzieningen, informatie over de financiering hiervan en een aantal bijlagen. OSCAM museum

Inleiding

Totstandkoming

4 / 23

Hoofdstuk 1. Context Louwes Lab

Amsterdam groeit hard en naar verwachting passeren we in 2030 de grens van 1 miljoen inwoners. Daarom bouwt de gemeente Amsterdam aan een menselijke metropool. Uitgangspunt hierbij is het realiseren van een complete stad, waarin mensen fijn kunnen wonen, gelijke kansen hebben, en vinden wat ze nodig hebben om prettig te kunnen leven. Maatschappelijke voorzieningen zijn daarvoor essentieel. Onder Koers 2025 en de Structuurvisie 2040 werd gewerkt aan de ambitie om 5.000 woningen per jaar te realiseren. Met de vaststelling van Koers 2025 in 2016 ontstond de wens om stadsbrede referentienormen te ontwikkelen om maatschappelijke voorzieningen steviger in gebiedsontwikkeling te verankeren. Een eerste stap daartoe was om referentienormen voor maatschappelijke voorzieningen vast te stellen en te komen tot een meerjarenperspectief voor de benodigde investeringen. De behoefte aan referentienormen was destijds ook opgenomen in de uitwerking van de bestuursopdracht ‘Toekomstbestendig vereveningsfonds en de relatie met investeringen in maatschappelijke voorzieningen’. De Amsterdamse Referentienormen voor maatschappelijke voorzieningen, groen en spelen zijn in januari 2018 vastgesteld en vormen een vertaling van bestaand beleid en bestuurlijke ambities, waarbij rekening is gehouden met actuele trends en ontwikkelingen.

In de referentienorm zijn maatschappelijke voorzieningen opgenomen waarvoor de stad vanuit haar beleidsopgave verantwoordelijk voor is, maar ook voorzieningen waarvan de ervaring leerde dat die er zonder gemeentelijke inmenging niet zouden komen.

De huidige situatie

Met de invoering van de Omgevingswet op 1 januari 2024 ligt een grote nadruk op de samenhang tussen de fysieke en sociale kant van ruimtelijke ontwikkeling. Vooruitlopend op de invoering van de Omgevingswet heeft de gemeente Amsterdam de “Omgevingsvisie 2050: Een Menselijke Metropool” opgesteld. Deze visie beschrijft de gewenste ontwikkeling van de stad en vormt het kader voor ruimtelijke ontwikkelingen. Hierin zijn ook de sociale aspecten van ruimtelijke ordening verweven, zoals kansengelijkheid, gezondheid, duurzaamheid en betaalbaarheid. In 2021 is de Omgevingsvisie 2050 door de gemeenteraad vastgesteld. De Ontwikkelstrategie 2035 is opgesteld in 2023, waarbij de gemeente aan de inwoners van Amsterdam heeft gevraagd om mee te denken over waar en hoe Amsterdam zich tot 2035 verder moet ontwikkelen. Tijdens de zogenaamde stadsgesprekken werd vaak het belang van groen en (maatschappelijke) voorzieningen op loopafstand benadrukt. Amsterdam wil groeien binnen de stadsgrenzen. Dit leidt tot druk op de schaarse ruimte en daarmee ook tot de noodzaak om keuzes te maken. In het huidige Amsterdams Akkoord 2022-2026 is het streven opgenomen om langjarig 7.500 nieuwe woningen per jaar te realiseren. Maar met woningen alleen bouw je geen stad; maatschappelijke en commerciële voorzieningen zijn ook nodig voor een complete stad.

Belangrijk speerpunt van het Amsterdams Akkoord 2022-2026 is het creëren van kansengelijkheid. Het realiseren van nieuwe en het behouden van bestaande maatschappelijke voorzieningen is daarbij van groot belang. De referentienorm is een belangrijk instrument om tijdig te kunnen sturen op de ruimtebehoefte voor de sociale opgave in gebiedsontwikkeling.

Hoofdstuk 1. Context

De oorsprong van de Amsterdamse Referentienormen

5 / 23

Inbedding in bestaand beleid, Omgevingsvisie en het Plaberum Strategische Huisvestingsplannen en het Integraal Huisvestingsplan De opgave voor maatschappelijke voorzieningen in zowel de bestaande als de nieuwe stad voor 2022-2027 is vastgelegd in vier huisvestingsplannen: de strategische huisvestingsplannen (SHP’s) voor Jeugd-, Zorg- en Basisvoorzieningen, Kunst en Cultuur en Sport en Spelen en het Integraal Huisvestingsplan (IHP) voor Onderwijs. De nieuwe SHP’s en het IHP zijn in Q4 2023 vastgesteld door de raad.

Uitvoeringsagenda Omgevingsvisie 2050

Plaberum Gebiedsontwikkeling vindt plaats volgens het plan- en besluitvormingsproces ruimtelijke maatregelen (Plaberum).

Lycka Broedplaats

In het Plaberum is ook het belang van de sociale opgave benoemd. De Amsterdamse Referentienormen helpen in de fasen van gebiedsontwikkeling, volgens het Plaberum, om de huisvestingsopgave voor maatschappelijke voorzieningen als onderdeel van die gebiedsontwikkeling te bepalen. Hiermee kan in elke fase gemakkelijk de theoretisch benodigde ruimte voor maatschappelijke voorzieningen worden bepaald. En aan de hand van de werkwijze behorend bij de referentienormen kan deze worden geconcretiseerd naar een daadwerkelijke huisvestingsopgave voor maatschappelijke voorzieningen. Door maatschappelijke voorzieningen op te nemen in de ruimtelijke planvormingsproducten maken ze onderdeel van het integrale ontwikkelproces. Zo zorgen we dat op het moment van oplevering van nieuwe woningen de kinderen naar school kunnen en er nagedacht is over speelruimte, zorgvoorzieningen, ontmoetingsruimten en maatschappelijke ondersteuning.

Overig relevant beleid Lycka Buurtkamer

De relevante beleidsdocumenten en verordeningen zijn opgenomen in de onderbouwingen in Bijlage 1.

Hoofdstuk 1. Context

Om de doelen uit de Omgevingsvisie dichterbij te brengen, is een Uitvoeringsagenda opgesteld. Hierin wordt aangegeven welke plannen en beleid nodig zijn om de Omgevingsvisie te verwezenlijken voor de korte en middellange termijn. De actualisatie van de Amsterdamse Referentienormen is opgenomen als een van de nodige beleidsstappen.

6 / 23

Hoofdstuk 2. Wat zijn de referentienormen?

Voorbeelden van overige (semi)maatschappelijke voorzieningen: • Advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling

• Huisartenpost/ HOED-praktijken (huisartsen onder een dak)

• Afvalpunt

• Lokale media/ media met speciale doelgroep

• Begraafplaats • Beroeps- en volwasseneneducatie

• Markt • Medisch centrum

• Brandweer

• Openbaar bestuur

• Buurtoverstijgende welzijnsvoorziening (GGD)

• Politie

• Buurtrechter • Dierenarts • Forensische zorg (gevangenis, tbs kliniek, begeleide woonprojecten exgedetineerden) • GGZ (psychiatrische kliniek, behandelcentra)

• Religieuze instellingen • Scouting • Sociale werkplaats • Tandarts • Tijdelijk verblijf (logeeropvang, eerstelijnsverblijf, kortdurend verblijf) • Universiteiten en hogescholen • Volkstuinen • Warmemaaltijdvoorziening

alle maatschappelijke functies

MV in referentienormen

• Ziekenhuizen

Verschillende soorten voorzieningen

In een complete stad heerst een goede balans tussen wonen, leven, werken en recreëren. Bewoners hebben behoefte aan voorzieningen voor hun ontwikkeling, gezondheid, ter ontspanning of als vangnet. De Amsterdamse Referentienormen hebben betrekking op onderwijs, jeugd, zorg, basisvoorzieningen, K&C, WPI, groen, sport en spelen. De maatschappelijke voorzieningen (MV) in dit document zijn de voorzieningen waarvoor de gemeente wettelijk of beleidsmatig verantwoordelijk is. Ook zijn in sommige gevallen semi-maatschappelijke voorzieningen of maatschappelijke voorzieningen waarvoor het rijk verantwoordelijk is opgenomen in de referentienorm, als de ervaring is dat deze er zonder gemeentelijke inmenging niet komen. Niet alle voorzieningen die nodig zijn om de stad compleet te maken zijn opgenomen in de referentienormen. Denk bijvoorbeeld aan tandartsen, politie of universiteiten. De referentienormen zijn daarmee niet limitatief. Hiernaast een lijst met voorbeelden van andere maatschappelijke voorzieningen die niet in de referentienorm zijn opgenomen, maar wel belangrijk zijn voor het goed functioneren van Amsterdam.

Hoofdstuk 2. Wat zijn de referentienormen?

(semi)maatschappelijke voorzieningen

7 / 23

De bovenwijkse voorzieningen in de referentienormen: • Schooltuincomplex

• Hospice

• Voortgezet onderwijs

• Speeltuingebouw

• Middelbaar beroepsonderwijs

• Vluchtelingenopvang

• Kleinschalige woonvoorzieningen

• Kunst & cultuur grootstedelijke voorzieningen

• Maatschappelijke Opvang en Beschermd Wonen

• Sporthallen

• Verpleeghuis

• Zwembaden

• Woonzorgvoorziening

• (Anders)georganiseerde buitensport

In de Amsterdamse Referentienormen wordt onderscheid gemaakt tussen voorzieningen die op buurt- of wijkniveau nodig zijn en voorzieningen waaraan bovenwijks behoefte is. Maatschappelijke voorzieningen die in iedere nieuwe buurt aanwezig moeten zijn voor het goed functioneren van een buurt zijn bijvoorbeeld een basisschool en een Huis van de Wijk. Bovenwijkse voorzieningen bedienen meer mensen dan alleen de bewoners in de directe omgeving en zijn niet in elke wijk nodig, zoals een middelbare school, zwembad of museum. De bovenwijkse voorzieningen hebben vaak een grotere omvang en een andere programmering dan de voorzieningen op buurtniveau.

Hoofdstuk 2. Wat zijn de referentienormen?

bovenwijkse voorzieningen

Sporthallen Zuid

8 / 23

Middelbaar Beroepsonderwijs (MBO) en maatschappelijke initiatieven Een aantal maatschappelijke voorzieningen zijn nieuw in de referentienorm en wijken af van de gebruikelijke werkwijze in de zin dat ze wel worden opgenomen, maar zonder normering. Middelbaar Beroepsonderwijs De gemeente heeft geen wettelijke taak voor het huisvesten van MBO instellingen, maar wel de ambitie om in de stad goede MBO instellingen te behouden. MBO instellingen hebben veel tijdelijke huurcontracten en hebben daardoor een kwetsbare positie. MBO wordt opgenomen in de referentienorm als maatschappelijke voorziening, echter zonder een specifieke norm. Aangezien een MBO een regionale voorziening is, is het lastig deze norm (op dit moment) te kwantificeren. De metrage voor de norm van MBO wordt nader bepaald. De voorziening wordt opgenomen zodat de voorziening onderdeel is van het gesprek/het werkproces in gebiedsontwikkeling bij de bepaling van de ruimteclaims voor maatschappelijke voorzieningen.

Maatschappelijke initiatieven In de raadsinformatiebrief van 29 november 2023 is aan de raad aangegeven dat er bij de actualisatie van de referentienormen onder andere specifiek gekeken zou worden naar de positie van maatschappelijke initiatieven. Maatschappelijk initiatief wordt opgenomen in de referentienorm als maatschappelijke voorziening, echter zonder een specifieke norm. Reden hiervoor is dat hoewel maatschappelijk initiatief officieel geen taak van de gemeente is het hier in de regel organisaties betreft die bijdragen aan maatschappelijke doelstellingen van de gemeente. Daarnaast sluit het aan bij de afspraken in de Omgevingsvisie Amsterdam 2050, over samen stadmaken en het zorgen voor ruimte voor initiatief. Omdat er geen beleid is en weinig inzicht in huidige en toekomstige vraag en aanbod is het niet mogelijk om een referentienorm te maken. Daarom wordt maatschappelijk initiatief niet als norm opgenomen, maar als onderdeel van het gesprek/ werkproces in de gebiedsontwikkeling.

Buurttuin Dufayhuis

9 / 23

Broedplaats Wijburg

Verschillende soorten gebiedsontwikkeling

Amsterdam wil groeien binnen de stadsgrenzen. Gebiedsontwikkeling vindt plaats op nieuwe grond van de gemeente Amsterdam, zoals op Zeeburgereiland en IJburg. Steeds vaker worden daarnaast bestaande kantoorlocaties en bedrijventerreinen, met bestaande erfpachters en grondeigenaren, omgetoverd tot woon-werkgebieden. Ook vindt verdichting en vernieuwing plaats in bestaande buurten. De wijze waarop de maatschappelijke opgave wordt bepaald is in de verschillende soorten gebiedsontwikkeling anders. In transformatiegebieden heeft de gemeente veel minder sturingsmogelijkheden dan in de traditionele uitleggebieden. Een transformatiegebied kenmerkt zich voor de ontwikkeling, ook van maatschappelijke voorzieningen, door een grote afhankelijkheid van de partijen die een bestaand erfpachtcontract hebben. In gebiedsontwikkeling die plaatsvindt via verdichting van bestaande buurten is voor het bepalen van de opgave voor maatschappelijke voorzieningen het omliggende gebied meer van belang. Daar wonen immers al Amsterdammers met een bepaalde behoefte en is al een tekort of overschot van maatschappelijke voorzieningen in het bestaande gebied, waar bij het bepalen van de opgave rekening mee moet worden gehouden.

Vier Woonmilieus

De groei van Amsterdam vindt plaats binnen de huidige stadsgrenzen. De opgave tot verdichting ten behoeve van wonen, leven, werken en recreëren is in de Omgevingsvisie 2050 beschreven in vier woonmilieus. Dat is één meer dan vanuit werd gegaan in het ruimtelijke visiedocument dat vooraf ging aan de Omgevingsvisie, getiteld Koers 2025: Ruimte voor de stad (2016). Deze ging uit van drie woonmilieus, die de basis vormden voor de opgaven die vervat zijn in de Referentienormen voor Maatschappelijke Voorzieningen, groen en spelen (2018) en. De voorliggende actualisatie van die referentienormen sluit aan bij de vier woonmilieus zoals beschreven in de Omgevingsvisie 2050. Deze vier woonmilieus zijn: • de luwe stadsbuurt, • de gemengde stadsbuurt, • de hoogstedelijke buurt, • het hoogstedelijk centrum.

10 / 23

Deze woonmilieus hebben een verschillende mate van dichtheid en menging van functies. De buurttypen zijn samengesteld uit een combinatie van woningen, werkruimte en bedrijvigheid (kantoren, horeca, bedrijven enzovoorts), maatschappelijke voorzieningen, nutsvoorzieningen, groen en sport. Van rustige, relatief groene woonbuurten met veel gezinnen, relatief weinig arbeidsplaatsen en buurtoverstijgende voorzieningen, zoals Tuindorp Oostzaan in Noord of het Funen in Oost, tot hoogstedelijke centra, die zich kenmerken door hoogbouw, veel arbeidsplaatsen, veel winkels en relatief kleine woningen, zoals de Zuidas. Deze typologie helpt bij de groei

van de stad om te sturen op een planologische functiemix (wonen, werken, voorzieningen, groen), die past bij die buurt en zijn pek in de stad. Elk type buurt heeft daarbij een verschillende bevolkingsopbouw, gebaseerd op demografische gegevens die door de Directie Onderzoek & Statistiek (O&S) beschikbaar zijn gesteld, gebaseerd op de gegevens uit de Omgevingsvisie Amsterdam 2050. Daarnaast zijn een aantal referentiebuurten geselecteerd op basis van de Omgevingsvisie en in samenspraak met de opstellers hiervan bij de directie Ruimte & Duurzaamheid van de gemeente Amsterdam.

Luwe stadsbuurt

Gemengde stadsbuurt

Hoogstedelijke buurt

Hoogstedelijk centrum

Ontwikkeling van woonbuurten met een relatief lage dichtheid, een beperkt aandeel niet-woonfuncties en veel ruimte voor groen. Maatschappelijke voorzieningen, ruimte voor nutsvoorzieningen, groen en sport zijn naast ruimte voor wonen en werken onderdeel van de opgave voor de ontwikkeling.

Ontwikkeling van woonbuurten met een stedelijke dichtheid en een flink aandeel niet-wonen (vooral in plinten en af en toe in een groter gebouw). Groen krijgt een plek in de straten, buurtparkjes en langs watergangen. Maatschappelijke voorzieningen, ruimte voor nutsvoorzieningen, groen en sport zijn naast ruimte voor wonen en werken onderdeel van de opgave voor de ontwikkeling.

Ontwikkeling van woonbuurten met een hoogstedelijke dichtheid en meer ruimte voor niet-wonen dan in de gemengde stadsbuurt. Groen krijgt een plek in de straten, buurtparkjes en grote stadsparken. Maatschappelijke voorzieningen, ruimte voor nutsvoorzieningen, groen en sport zijn naast ruimte voor wonen en werken onderdeel van de opgave voor de ontwikkeling. Dit is een buurttypologie die in Amsterdam nog relatief nieuw is, maar steeds meer onderdeel wordt van de stad.

Ontwikkeling van buurten met naast wonen, het grootste aandeel werken en kennis, voornamelijk in grootschaliger gebouwen. De buurten hebben een hoogstedelijke dichtheid, meestal op een klein oppervlak. Groen krijgt een plek in de straten, buurtparkjes en grote stadsparken. Maatschappelijke voorzieningen, ruimte voor nutsvoorzieningen, groen en sport zijn naast ruimte voor wonen en werken onderdeel van de opgave voor de ontwikkeling.

Voorbeelden zijn de naoorlogse gebieden (Nieuw-West, Zuidoost, Buitenveldert en naoorlogs Noord). Hier wordt een nieuwe stedelijke kwaliteit toegevoegd door verdichting langs de doorgaande straten en lanen. Daarmee worden het sociaal veilige straten en lanen met ruimte voor publieksfuncties en vormen ze vanzelfsprekende verbindingsroutes in het gebied zelf en met de gebieden eromheen. Tegenover gerichte verdichting staat behoud van bestaande luwe en groene kwaliteiten.

Deze stadsbuurten met hoge dichtheid aan woningen worden gekenmerkt door een aantrekkelijke afwisseling tussen rustig wonen en levendige concentraties van voorzieningen in stadsstraten en aan pleinen. Voorbeelden zijn Amstelkwartier, Laan van Spartaan en Overtoomse Veld.

Voorbeelden zijn Westerdokseiland, Oosterdokseiland en Oostedelijke Handelskade.

Voorbeelden zijn de binnenstad, de Zuidas, Sloterdijk en Arenapoort. Deze gebieden vervullen binnen de stad en ver daarbuiten een unieke en onvervangbare rol als stadscentrum. Hier ligt een grote opgave om de balans te bewaren tussen de stedelijke, nationale en internationale centrumfunctie en de lokale betekenis voor bewoners en mensen die er werken.

11 / 23

Hoofdstuk 3. Waarom zijn referentienormen nodig? Amsterdams Bostheater

Tijdig inzicht geven en het voorkomen van een tekort

De referentienormen geven collega’s binnen het sociaal en fysiek domein een globaal inzicht in welke maatschappelijke voorzieningen er naar verwachting nodig zijn en waar we als stad actief op willen sturen. Dit gebeurt voor zowel de voorzieningen op buurtniveau als op bovenwijks niveau. Het belangrijkste doel van de Amsterdamse Referentienormen is ervoor zorgen dat er voldoende ruimte wordt gereserveerd voor maatschappelijke voorzieningen, groen en spelen in gebiedsontwikkeling en er geen tekort aan ruimte ontstaat. Door nu te investeren vermijden we kosten voor later. Onvoldoende ruimte voor sociale voorzieningen nu betekent dat in de toekomst kosten moeten worden gemaakt om dit te corrigeren. Investeren in huisvesting is ook investeren in preventie, omdat we zorgen voor vroegtijdige ondersteuning van de bewoners die het nodig hebben. Dit scheelt hogere kosten voor zorg en ondersteuning in de toekomst. In het verleden werden maatschappelijke voorzieningen soms om verschillende redenen niet meegenomen in de gebiedsontwikkeling. Zo had het Oostelijk Havengebied in het begin een tekort aan basisscholen en IJburg een tekort aan voorzieningen voor kunst en cultuur en te weinig ruimte voor georganiseerde buitensport. Weesp is sinds 2022 onderdeel van de gemeente Amsterdam en momenteel is in de wijk Weespersluis een tekort aan onderwijshuisvesting en kinderopvang ontstaan.

Dit soort tekorten beïnvloeden direct het dagelijks leven, de ontwikkeling en de gezondheid van bewoners van deze buurten. De referentienormen helpen om dit te voorkomen.

Basis voor Meerjaren Investerings Plan

Daarnaast vormen de referentienormen een instrument dat grondslag biedt voor opname van maatschappelijke voorzieningen in het gemeentelijk Meerjaren Investeringsplan (MIP). Op basis hiervan neemt de raad een besluit tot het reserveren van kapitaallasten in de begroting voor nieuwe investeringen en voor het reserveren van budget voor beheer en exploitatie van maatschappelijke voorzieningen.

Hoofdstuk 3. Waarom zijn referentienormen nodig?

De referentienormen geven in een vroeg stadium inzicht in het benodigde aantal vierkante meters voor maatschappelijke voorzieningen dat hoort bij het aantal nieuwe woningen dat in een bepaald gebied wordt ontwikkeld.

12 / 23

Algemene spelregels referentienormen eferentienorm

= Vertrekpunt = start Van goed gesprek ≠ harde claim

De Amsterdamse

a berekening één uitkomst Volwaardige norm

mV

Waar de ruimteclaim binnen

projectgebieden niet leidt tot Algemene spelregels bij gebiedsontwikkeling Referentienormen zijn geen

volwaardige voorzieningen harde claim waaraan rechten De opgave voor maatschappelijke voorzieningen voor een gebied komt zal altijd de afweging ontleend kunnen worden, maar tot stand in nauw overleg met Directie Maatschappelijke Voorzieningen. gemaakt moeten worden of een vertrekpunt. Het is de start voorziening alsnognooit in een De referentienormen zijnover eenwat theoretischde model. Zij kunnen van een goed gesprek volledige omvang nodig is, is in de stad;toegepast. de totale Ook is realisatie één nodig op één worden de voorzieningen of dat ervan gebruik kan worden opgave MV. Maatwerk en brede altijdafweging afhankelijk van marktomstandigheden, de bereidheid van gemaakt van capaciteit bij blijven altijd nodig. voorzieningen in de directe ontwikkelaars en mogelijkheden bij maatschappelijke aanbieders. omgeving. Bij het bepalen van de opgave en de bijbehorende ruimteclaim moeten de bestaande en geplande maatschappelijke voorzieningen in de directe omgeving altijd worden meegenomen. Daarnaast spelen specifieke ontwikkelingen en problematiek in een bepaald stadsdeel of Spelregels totale opgave MV

fase 1 Verkenning

Principenota Principebesluit

Eerste verkenning totale opgave MV* i.s.m. de beleidsdirecties en het stadsdeel. Inzicht in de bestaande situatie plus grove inschatting van de totale opgave MV.

fase 2 haalbaarheid

Projectnota Projectbesluit

Actualiseren en verfijnen opgave MV* om te komen tot een speciefieke programma en ruimtelijke opgave. Overzicht van specifiek benodigd MV programma en ruimteclaim.

totale opgaVe

mV

{

wijk mV

+

boVenwijkse mV

Totale opgave MV wordt bepaald m.b.v.: • de sociale opgave van het gebied (kansen gelijkheid) • de woningbouwopgave • de demografie • de referentienormen MV (wijk én bovenwijkse voorzieningen) • de beleidsdomeinspecifieke opgave • bestaande gemeentelijk vastgoed en/of MV in de omgeving • eventuele herhuisvestingsopgave MV • de bovenwijkse opgave (IOK/ SHP/ GOP)

≠ boVenwijks niVeau

wijk niVeau

Om de totale opgave aan In de Amsterdamse maatschappelijke voorzieningen, Referentienorm wordt groen en spelen bepalen armoedeonderscheid gemaakt voor een rol bij de gebied, zoalstevergrijzing, of sociale onveiligheid dienen wijk en bovenwijkse MV MV op wijk/buurt niveau en totstandkoming van de totale ruimteclaim. bij elkaar opgeteld te worden. bovenwijkse MV. Voor de ruimteclaim van bovenwijkse MV gelden aangepaste spelregels in een Het is van belang om in elke fase van de gebiedsontwikkeling o.a. over de spreiding over de vroegtijdig stadium te bepalen welke stad.voorzieningen er nodig zijn

in een gebied. Per planfase kunnen de actuele gegevens over het te realiseren woonprogramma worden gebruikt om de ruimtelijke behoefte aan maatschappelijke voorzieningen, groen en spelen te ramen en in de tijd te zetten. Op deze manier kan het programma voor een gebied in samenhang worden vormgegeven.

fase 3 ontwerp

Investeringsnota Investeringsbesluit

Diverse besluiten

fase 4 uitVoering

Actualiseren en verfijnen opgave MV*.

Actualiseren en verfijnen opgave MV*.

Verkenning ontwikkelstrategie MV (inclusief fasering).

Verdiepingsslag inpassing individuele MV op kavelniveau. Opstellen kaders (kavelpaspoort, PvE, financieel, etc) t.b.v. ontwikkeling.

Verwerking MV programma in het stedenbouwkundig plan en waar nodig inpassingsstudies. Inzichtelijk maken benodigde investeringen en afspraken over dekking.

Stedenbouwkundigplan met (grove) locaties van MV en afspraken over geld.

*totale opgaVe mV

spelregels Voor mV op

opgaVe Vaststellen In de besluitvorming wordt vastgesteld wat het benodigd programma en ruimtelijke vertaling is. Daarbij wordt inzichtelijk gemaakt welke afwegingen er zijn gemaakt die leiden tot de keuze voor dit programma.

Vastleggen van afspraken met ontwikkelaars, erfpachters, corporaties en anderen. Opnemen MV in nieuw omgevingsplan. Afspraken over de realisatie van de MV. Ontwikkeling en oplevering MV.

woonprogramma wijziging? Als het woonprogramma tussendoor wijzigt is het ook nodig om opnieuw te kijken welke maatschappelijke voorzieningen horen bij het nieuwe woonprogramma.

Hoofdstuk 4. Werkwijze

Hoofdstuk 4. Werkwijze r n :

13 / 23

Verschillende fases van gebiedsontwikkeling

Samenhang inpassing voorzieningen en woningbouw

Gebiedsontwikkeling vindt plaats volgens het plan- en besluitvormingsproces ruimtelijke maatregelen (Plaberum). Elke fase in het Plaberum wordt afgesloten met een product dat ter besluitvorming aan college en gemeenteraad wordt voorgelegd. Deze producten zijn:

Het is het belangrijk om in wijken te kijken naar de samenhang tussen wonen, woonomgeving, welzijn, zorg, economie, mobiliteit, sport en recreatie. Amsterdam Vitaal & Gezond/ Groei van de Stad heeft samen met stakeholders op het terrein van wonen, zorg en welzijn een boek* gemaakt dat handvaten biedt hoe je een gezonde woonomgeving realiseert met zorg- en welzijnsvoorzieningen in de nabijheid.

• Projectnota: hierin wordt de opgave verfijnd wat resulteert in een globaal overzicht en een globale ruimtereservering. • Investeringsnota: hierin wordt het indicatieve programma aan maatschappelijke voorzieningen vastgelegd in een aparte paragraaf inclusief de verwachte financiële kosten voor de investeringen en bijbehorende budgetten voor beheer en exploitatie. Ook wordt in de investeringsnota de ruimtelijke vertaling van de plannen vastgesteld in een stedenbouwkundig plan. • Uitvoering: in de uitvoeringsfase worden per project concrete afspraken gemaakt over de realisatie, de exploitatie en het beheer van de maatschappelijke voorzieningen.

Idealiter sluit de realisatie van woningen in een nieuw te ontwikkelen wijk niet alleen in aantal, maar ook in fasering goed aan op de geplande maatschappelijke voorzieningen. Zo wordt voorkomen dat een gebied al klaar is voor de eerste bewoners, terwijl er nog geen school, huisarts, kinderdagverblijf of winkels zijn. Van sommige maatschappelijke voorzieningen is het belangrijk dat deze er vroeg zijn in een gebied, zoals een school of kinderdagverblijf. Bij andere voorzieningen is juist gebleken dat de wijk voor een bepaald percentage bewoond moet zijn, omdat zo’n voorzieningen anders niet levensvatbaar is, zoals bij een gezondheidscentrum. Het is van belang om de strategie voor inpassing en fasering in een projectgebied goed door te spreken en op te nemen in de planning van gebiedsontwikkeling, gekoppeld aan de woningbouwplanning. Tijdelijkheid is een aandachtspunt als gebiedsontwikkeling lang duurt. Sommige voorzieningen kunnen helpen bij het transformeren van een wijk, zogenaamde placemaking, waarbij o.a. culturele voorzieningen een belangrijke rol kunnen spelen. Als het woonprogramma qua aantal, gemiddelde woningomvang of segment tussendoor wijzigt, is het ook nodig om opnieuw te beoordelen welke maatschappelijke voorzieningen horen bij het nieuwe woonprogramma.

Ook wanneer flexwoningen zijn gepland voor een langere periode, dan worden deze meegenomen in het bepalen van de behoefte aan maatschappelijke voorzieningen in het gebied. *Bouwstenenboek de Inclusieve Stad

Explore Agora Elzenhagenhal

Hoofdstuk 4. Werkwijze

• De Principenota: bevat de eerste verkenning van de opgave voor maatschappelijke voorzieningen in het gebied.

14 / 23

Winterkoudeopvang Transformatorweg6

Spelregels bovenwijkse voorzieningen

Op basis van de referentienormen kan in kaart gebracht worden welke bovenwijkse voorzieningen nodig zijn bij de groei van de stad. Het benodigde aantal bovenwijkse voorzieningen wordt echter niet alleen bepaald aan de hand van de woningbouwopgave. Er wordt ook gekeken naar een goede spreiding van bovenwijkse voorzieningen over de stad als geheel en de staat van de huidige bovenwijkse voorzieningen. Op stedelijk niveau kan vervolgens gekozen worden in welk stadsdeel of projectgebied een bovenwijkse voorziening moet worden gerealiseerd. Op basis hiervan wordt een kavel of zoekgebied aangewezen. De inpassing van bovenwijkse voorzieningen is vaak complexer dan de inpassing van een wijkvoorziening en hangt sterk af van de ruimtelijke eisen, de benodigde omvang en de sturingsmogelijkheden die de gemeente heeft (of de gemeente de grond in eigendom heeft). Dit vraagt dan ook om tijdige en integrale stedelijke sturing. Om de opgave aan maatschappelijke voorzieningen, groen en spelen bij het woningbouwprogramma te bepalen, moeten de ruimteclaims voor wijk- en bovenwijkse voorzieningen bij elkaar worden opgeteld.

Hoofdstuk 4. Werkwijze

In de referentienormen wordt onderscheid gemaakt tussen voorzieningen op wijkniveau en bovenwijkse voorzieningen. Voor de ruimteclaim van bovenwijkse voorzieningen gelden andere spelregels. De opgave voor de bovenwijkse voorzieningen wordt stedelijk bepaald en niet per projectgebied. Dat is vaak complexer dan een wijkvoorziening, want voor een sportpark, een zwembad of een andere bovenwijkse voorziening is meer ruimte nodig, en zijn vaak ook eisen aan de bereikbaarheid. Maar alleen zo kan een divers en hoogwaardig voorzieningenniveau gegarandeerd worden. Op stedelijk niveau wordt ook bepaald in welke windrichtingen of stadsdelen de bovenwijkse voorzieningen nodig zijn, op basis van woningbouwplannen, groeiruimte binnen bestaande voorzieningen, vervangingsopgaven en de gewenste spreiding over de stad. Tevens is de opgave bovenwijkse voorzieningen opgenomen op de Integrale Opgavenkaarten, die voor de stadsdelen Nieuw-West, Noord en Zuidoost zijn gemaakt.

15 / 23

Hoe worden maatschappelijke voorzieningen gefinancierd? Het is van belang dat maatschappelijke voorzieningen op de juiste plek in een gebied terecht komen om goed te kunnen functioneren. De ruimtelijke eisen en wensen van de afzonderlijke maatschappelijke voorzieningen moeten daarom zo vroeg mogelijk in het proces van gebiedsontwikkeling worden besproken. Voor jeugd-, zorg- en basisvoorzieningen zijn in 2023 richtlijnen voor programma’s van eisen bestuurlijk vastgesteld, om tot een goede inpassing te komen. Per voorziening kunnen verschillende geschikte kavels in een gebied of in de plint van een toekomstig gebouwcomplex worden onderzocht om uiteindelijke een goede locatiekeuze te maken. Wanneer er overeenstemming is over een beoogde kavel voor een voorziening, wordt er nog een haalbaarheidsonderzoek gedaan en een specifiek programma van eisen gemaakt. De verdichtende stad vraagt om nieuwe manieren voor de ruimtelijke inpassing. De uitdaging is om de voorzieningen op zo’n manier te ontwerpen dat er slimme combinaties gemaakt worden. Dit geldt zowel voor de gebouwde voorzieningen als voor de ongebouwde voorzieningen. Om ervoor te zorgen dat voorzieningen op een goede manier ruimtelijk ingepast worden in de gebiedsontwikkeling is een handboek* ontwikkeld met daarin ontwerpprincipes, nieuwe concepten en bijbehorende strategieën voor de verdichtende stad.

*handboek maatschappeljke voorzieningen, sport, groen en spelen

Begroting De kosten van maatschappelijke voorzieningen worden gefinancierd uit de algemene middelen vanuit de gemeentelijke begroting. Het bedrag wordt bepaald op basis van bestuurlijk vastgestelde normbedragen. Het investeringsbedrag bestaat uit de genormeerde bouw- en proceskosten en de grondkosten. Dit investeringsbedrag is omgeslagen in jaarlijkse kapitaallasten. Daarnaast zijn middelen nodig voor beheer, exploitatie en programmering. Deze bedragen worden gedekt vanuit de betreffende begrotingsposten (3,4,5 en 6) gekoppeld aan de diverse domeinen. Investeringsbesluit Bij de investeringsnota’s wordt het beoogde programma aan maatschappelijke voorzieningen indicatief vastgelegd in een aparte financiële paragraaf, inclusief de financiële kosten die hieraan verbonden zijn, dit betreft ook eventuele meerkosten vanuit een projectgebied. Met een investeringsbesluit wordt nog geen formeel besluit genomen over de investeringen in de maatschappelijke voorzieningen. Bijkomende kosten (meerkosten) Daar waar bovenop de vastgestelde normbedragen vanuit het project (bijvoorbeeld duurzaamheid) aanvullende uitgangspunten worden gesteld, moet voor die ambities aanvullende dekking worden geregeld uit bijvoorbeeld de grondexploitatie, het vereveningsfonds, het Klimaatfonds e.a.

Strategische Huisvestingsplannen (SHP’s) en het Integraal Huisvestingsplan (IHP) In de SHP’s en het IHP worden de benodigde voorzieningen voor de hele stad in beeld gebracht voor de middellange termijn. Deze helpen om de meerjarige investeringsbehoefte inzichtelijk te maken. Na vaststelling worden de SHP’s en IHP vertaald naar een Meerjarig Investerings Plan (MIP), dat in de reguliere begrotingscyclus meegaat en verwerkt wordt in de jaarlijkse begroting, waardoor dekking voor deze investeringen ontstaat. Kredietaanvragen De investeringen voor de (on)rendabele maatschappelijke voorzieningen worden middels een kredietaanvraag, welke onderbouwt is door een businesscase, vastgesteld door het College. Dit gebeurt in het jaar voorafgaand aan start bouw of in het jaar voorafgaand aan een financiële verplichting met een externe partij. Voor onderwijsvoorzieningen gebeurt dat in het jaarlijkse Onderwijs Huisvestings Plan (OHP). Met deze besluiten start het daadwerkelijke project.

Hoofdstuk 4. Werkwijze

Spelregels voor inpassing

16 / 23

Spelregels combinaties maatschappelijke voorziening

Het is wenselijk om de huisvesting van bepaalde maatschappelijke voorzieningen in de nabijheid van elkaar of in hetzelfde pand te realiseren. Hieronder een overzicht van mogelijke combinaties. Mogelijke combinaties

korte loopafstand Huis van de Wijk + Buurtteamsatelliet/ Inlooplocatie

Ouderenhuisvesting

Gezondheidscentrum + Buurtteam

Buurtkamer + Gezondheidscentrum Buurtteamsatelliet/ Dagbestedingslocatie

Gezondheidscentrum/ + OKT Buurtteam

Basisvoorziening + OKT

Meewerklocatie + Culturele voorziening

Onderwijs

Jeugd

Speeltuingebouw + Buurtkamer/ Huis van de Wijk

IKC/school + Speeltuingebouw

Voortgezet onderwijs + Sporthal

Hoofdstuk 4. Werkwijze

Dagbesteding

Jongerencentrum/ + Culturele voorziening Buurtkamer

Zorg

Basisvoorzieningen

WPI

K&C

Sport

17 / 23

Domein/voorziening

Omvang

Hoogstedelijk centrum

Hoogstedelijke buurt

Gemengde stadsbuurt

Luwe stadsbuurt

Eenheid

1 per

5.750

2.750

1.875

1.520

woningen

Onderwijs Integraal Kindcentrum (IKC) bestaande uit: Basisschool Gymzaal Kinderdagverblijf Buitenschoolse opvang

BVO

3.738 m2

0,65 m2

1,36 m2

1,99 m2

2,46 m2

per woning

       Speelplein

Terrein

1.690 m2

0,29 m2

0,61 m2

0,90 m2

1,11 m2

per woning

Beleidskeuze: + Inclusieve school

BVO

+345 m2

Jeugd Ouder - en Kindteam (OKT)

1 per

19.000

woningen

725 m2

0,04 m2

per woning

1 per

2.800

woningen

BVO

768 m2

0,27 m2

per woning

BVO

+234 m2 1 per

7.860

woningen

BVO

234 m2

0,03 m2

per woning

BVO

variabel

0,16 m2

per woning

BVO

+ variabel

0,25 m2

per woning

BVO Zorg Gezondheidscentrum Beleidskeuze: + Buurtteam hoofdlocatie Buurtteam hoofdlocatie Dagbesteding Beleidskeuze: + Broedplaats Kunst en Cultuur Wijkvoorziening

Hoofdstuk 4. Werkwijze - de Amsterdamse Referentienormen

De Amsterdamse Referentienormen - wijkvoorzieningen

18 / 23

Omvang

Hoogstedelijk centrum

Hoogstedelijke buurt

Gemengde stadsbuurt

Luwe stadsbuurt

Eenheid

1 per

12.500

12.500

8.300

6.250

woningen

BVO

334 m2

0,03 m2

0,03 m2

0,04 m2

0,05 m2

per woning

BVO

+ variabel

Basisvoorzieningen Jongerencentrum Beleidskeuze: + Broedplaats Huis van de wijk

1 per

6.300

woningen

BVO

397 m2

0,06 m2

per woningen

BVO BVO

+ 234 m2 + 200 m2 1 per

1.900

woningen

BVO

117 m2

0,06 m2

per woning

BVO BVO

+ 20 m2 + variabel

1 per

300

woningen

150 m2

0,5 m2

per woning

1 per

1.000

woningen

Terrein

1.000 m2

1,0 m2

per woning

Sport in de openbare ruimte

Terrein

variabel

1,0 m2

per woning

Gebruiksgroen

Terrein

variabel

8,0 m2

8,0 m2

16,0 m2

24,0 m2

per woning

Eco systeemgroen

Terrein

variabel

8,0 m2

8,0 m2

6,0 m2

4,0 m2

per woning

Beleidskeuze: + Buurtteam hoofdlocatie + Inlooplocatie Buurtkamer Beleidskeuze: + Buurtteam satelliet + Dagbesteding

Maatschappelijke initiatieven Buitensport, spelen en groen (actualisatie volgt) Speelplek Terrein Speelveld

+ 0,1 m2 per m2 kantoor-, winkel- of bedrijfsruimte

Hoofdstuk 4. Werkwijze - de Amsterdamse Referentienormen

Domein/voorziening

19 / 23

De Amsterdamse Referentienormen - bovenwijkse voorzieningen Omvang

Eenheid

Onderwijs Voortgezet onderwijs bestaande uit: Middelbare school Gymzaal Beleidskeuze: + Sporthal

1 per

15.000

woningen

BVO

11.296 m2

0,75 m2

per woning

Terrein

1.600 m2

0,11 m2

per woning

BVO

+ 1.264 m2

MBO

n.t.b.

n.t.b.

Schooltuincomplex

1 per

50.000

woningen

BVO

900 m2

0,02 m2

per woning

Terrein

8.000 m2

0,16 m2

per woning

1 per

5.000

woningen

200 m2

0,04 m2

per woning

1 per

3.850

woningen

BVO

variabel

0,39 m2

per woning

Terrein

200 m2 (alleen bij 24 uursopvang)

0,05 m2

per woning

1 per

3.200

woningen

6.800 m2

2,13 m2

per woning

1 per

1.875

woningen

4.000 m2

2,13 m2

per woning

1 per

46.000

woningen

350 m2

0,01 m2

per woning

Jeugd Kleinschalige woonvoorziening BVO Zorg Maatschappelijke Opvang en Beschermd Wonen (MOBW)

Verpleeghuis BVO Woonzorgvoorziening BVO Hospice BVO

Hoofdstuk 4. Werkwijze - de Amsterdamse Referentienormen

Domein/voorziening

20 / 23

Omvang

Eenheid

Basisvoorzieningen Speeltuingebouw

1 per

20.000

woningen

BVO

137 m2

0,01 m2

per woning

Terrein

3.500 m2

0,18 m2

per woning

1 per

7.600

woningen

BVO

3.800 m2

0,50 m2

per woning

BVO

variabel

0,20 m2

per woning

1 per

9.200

woningen

2.013 m2 (3.200 m2 voor een volledige sporthal)

0,22 m2

per woning

1 per

36.850

woningen

4.300 m2

0,12 m2

per woning

WPI Vluchtelingenopvang

Kunst en Cultuur Grootstedelijke voorziening Binnensport Sporthal BVO Zwembad BVO

Buitensport, spelen en groen (actualisatie volgt) (Anders) Georganiseerde buitensport Terrein

Onderwijs

Jeugd

variabel

Zorg

2,0 m2

Basisvoorzieningen

2,0-5,0 m2

Werk, Participatie & Inkomen

5,0 m2

9,0 m2

Kunst & Cultuur

per woning

Sport

Hoofdstuk 4. Werkwijze - de Amsterdamse Referentienormen

Domein/voorziening

21 / 23

Hoofdstuk 5. Samenvatting, conclusie en vervolgproducten Samenvatting en conclusie

De aanleiding voor de actualisatie van de Amsterdamse Referentienorm maatschappelijke voorzieningen, groen en spelen is drieledig: • Amsterdam en de wereld om ons heen zijn continu in verandering. Maatschappelijke trends en ontwikkelingen en veranderend beleid zorgen ervoor dat een evaluatie en herziening van de referentienomen van tijd tot tijd noodzakelijk zijn. • In de Omgevingsvisie Amsterdam 2050 zijn vier nieuwe woonmilieus gedefinieerd. Deze zijn deels anders dan de drie woonmilieus die werden gehanteerd in het voorheen vastgestelde Koers 2025; Ruimte voor de stad. Aansluiting van de referentienormen op de woonmilieus uit de Omgevingsvisie 2050 is gewenst. • Er is behoefte aan een betere uitleg van de werkwijze van de referentienormen voor de verschillende gebruikers. Het gaat hierbij om de toepassing van de normen in de praktijk van de gebiedsontwikkeling en de toepassing van de normen in relatie tot ontwikkelingen in de bestaande stad. Per beleidsdomein is bepaald voor welke voorzieningen de huidige normen volstaan en voor welke voorzieningen een aanpassing noodzakelijk is. Onderdeel van de gesprekken was het terugkijken op de ervaringen tot nu toe met de referentienorm. Door de populariteit van Amsterdam en de keuze om te groeien binnen grenzen wordt de druk op de schaarse ruimte in de stad steeds groter.

In een complete stad is een goede balans tussen wonen, leven, werken en recreëren. Maatschappelijke voorzieningen horen daarbij en zijn een voorwaarde voor de aantrekkingskracht en het functioneren van de stad. Met het vaststellen van deze actualisatie

van de Amsterdamse Referentienormen voor maatschappelijke voorzieningen, groen en spelen wordt een actueel inzicht gegeven in de ruimtelijke vertaling van (een deel van) de maatschappelijke opgaven die gepaard gaan met onze woningbouwambities. Zowel stedelijk als op het niveau van individuele gebiedsontwikkelingen vormt dit een belangrijk handvat om hiervoor tijdig en voldoende ruimte te reserveren. Zo voorkomen we dat er achteraf ruimtelijke tekorten en maatschappelijke kosten ontstaan. Het belangrijkste doel van de Amsterdamse Referentienormen is om ervoor te zorgen dat voldoende ruimte wordt gereserveerd voor maatschappelijke voorzieningen, groen en spelen in gebiedsontwikkeling en geen tekort aan ruimte ontstaat. De Amsterdamse Referentienomen vormen een theoretisch model en geven geen garantie dat voldoende maatschappelijke voorzieningen worden gebouwd. De referentienormen kunnen nooit één op één worden toegepast. Bij het bepalen van de opgave en de bijbehorende ruimteclaim moeten de bestaande en geplande maatschappelijke voorzieningen in de directe omgeving altijd worden meegenomen. Daarnaast spelen specifieke ontwikkelingen en problematiek in een bepaald stadsdeel of gebied, zoals vergrijzing, armoede of sociale onveiligheid een rol bij de bepaling van de totale ruimtelijke opgave voor voorzieningen.

Conclusie is dat de referentienormen geen harde ruimteclaim zijn waaraan rechten kunnen worden ontleend. De referentienormen vormen het startpunt van een goed gesprek over wat nodig is in een gebied en de stad als geheel. Maatwerk en brede afweging blijven altijd noodzakelijk.

Hoofdstuk 5. Samenvatting, conclusie en vervolgproducten

Ookmeer Sportcentrum

22 / 23

De referentienormen zijn dynamisch van aard. De behoefte aan maatschappelijke voorzieningen is sterk afhankelijk van de woningbouwproductie, het economisch klimaat, het vigerende beleid, en maatschappelijke trends en ontwikkelingen. Het is daarom van belang om de referentienormen regelmatig op ambtelijk niveau te evalueren. Bij een evaluatie gaat het om de volgende vragen: • is de lijst met referentienormen compleet of moeten er normen voor nieuwe maatschappelijke voorzieningen worden toegevoegd? • zijn de referentienormen nog bruikbaar of moeten ze worden aangepast vanwege veranderend beleid, nieuw trends en ontwikkelingen, nieuwe ruimtelijke inzichten of vanwege de financiële haalbaarheid? Kleine aanscherpingen worden tussentijds ambtelijk doorgevoerd. Indien zich grote wijzigingen voordoen, worden de referentienormen opnieuw ter besluitvorming aan het college van B&W aangeboden. Advies is om referentienormen elke vijf jaar te actualiseren en opnieuw bestuurlijk te laten vaststellen.

Vervolgproducten

Deze actualisatie heeft betrekking op de domeinen onderwijs, jeugd, zorg, basisvoorzieningen, WPI, kunst & cultuur en sport. Vanuit sport is binnen deze actualisatie alleen gekeken naar de norm voor de binnensport (sporthallen en zwembaden). Voor de norm voor de (anders) georganiseerde buitensport en sport in de openbare ruimte volgt de afdeling Sport samen met groen en spelen een apart traject. In het coalitieakkoord heeft het college de herijking van de groen- en sportnorm als aparte opgave verwoord. De huidige normen voor buitensport, groen en spelen zijn daarom overgenomen in dit document. Wanneer de normen voor deze domeinen geactualiseerd zijn, worden ze als addendum toegevoegd. Voor een aantal bovenwijkse opgaven, zoals verpleeghuizen en binnensport, wordt de komende tijd gewerkt aan een overzichtskaart met zoekgebieden en optionele locaties, die aansluiten bij de opgaven in de stad en in de betreffende gebieden. Tevens wordt er een monitor ontwikkeld die de voortgang op deze opgave inzichtelijk maakt. Maatschappelijk initiatief wordt opgenomen in de referentienorm als maatschappelijke voorziening. Echter zonder een specifieke norm, maar als onderdeel van het gesprek/ werkproces in gebiedsontwikkeling. Van belang daarbij is om een uniforme werkwijze te ontwikkelen voor de afweging of een maatschappelijke initiatief in gebiedsontwikkeling behouden moeten worden of niet.

Ook is het belang om afspraken te maken over financiering. Beide worden de komende tijd verder uitgewerkt en bestuurlijk voorgelegd. Ook MBO wordt opgenomen in de referentienorm als maatschappelijke voorziening, zonder specifieke norm. De normering wordt in een later stadium verder uitgewerkt. Komende jaar zal ook onderzocht worden of een referentienorm voor HBO en WO nodig is. Sportpark Middenmeer

Hoofdstuk 5. Samenvatting, conclusie en vervolgproducten

Evaluatie en actualisatie

23 / 23

Bijlage 1

Onderbouwingen

Bijlage 2

Spelregels: gebruik van de Amsterdamse Referentienormen

Bijlagen

Bijlagen

Bijlage 1 Onderbouwingen

Jeugd

Zorg

Basisvoorzieningen

Werk, Participatie & Inkomen

Kunst & Cultuur

Sport

Bijlage 1 Onderbouwingen

Onderwijs

Onderbouwing voorzieningen

Daarbij zijn er ook een enkele voorzieningen die niet langer opgenomen zijn als referentienorm, zoals: • Internationaal onderwijs • Speciaal onderwijs • Praktijkruimte jeugdhulpverlening • Kinderboerderij • Voedselbank Voor deze voorzieningen is gebleken dat er in de afgelopen jaren geen gebruik van de norm is gemaakt en dat er dus voldoende voorzieningen al van aanwezig zijn in de stad.

Internationaal Onderwijs De aparte hogere norm voor internationaal onderwijs vervalt. Er zijn geen specifieke ambities om meer internationaal onderwijs te realiseren en er is geen reden om een hogere norm te gebruiken voor internationaal onderwijs.

Speciaal Onderwijs Scholen voor het speciaal basisonderwijs en speciaal onderwijs zijn niet opgenomen in deze referentienorm omdat daar minder behoefte aan is en daar voldoende scholen van zijn in de bestaande wijken in Amsterdam. De ambitie is dat meer leerlingen een plek vinden in het regulier onderwijs, en dat de omvang van het speciaal onderwijs zal afnemen. Er wordt in de referentienorm voor IKC’s rekening gehouden met inclusief onderwijs. Wanneer sprake is voor een extra school voor speciaal basisonderwijs of speciaal onderwijs is dat een aparte zoekopgave en geen onderdeel van de referentienorm. Wel kan er een behoefte zijn aan een betere spreiding van de voorzieningen voor speciaal onderwijs en kan het gewenst zijn een bestaande voorziening te verplaatsen naar een nieuwe wijk.

Praktijkruimte jeugdhulpverlening Bij de ontwikkeling van de referentienorm uit 2018 is ook een norm van 0,012 m2 per woning opgenomen. De praktijkruimte jeugdhulpverlening is een norm die in de praktijk de afgelopen jaren nooit is toegepast. Het zou gaan om spreekruimtes, kantoorruimte, en vergaderruimte. Het is een ontwikkelde norm die in de praktijk niet voldoet aan de vraag en in de uitvoering niet goed hanteerbaar is. Jeugdhulporganisaties zijn zelf verantwoordelijk voor eigen huisvesting en noodzakelijke spreekruimtes. Dit maakt ook onderdeel uit van de (contract)afspraken met ingekochte jeugdhulpaanbieders. Het huidig beleid gaat er vooral vanuit dat het totaal aan maatschappelijke beschikbare ruimtes in een gebied, ook ten behoeve van het gebiedsgericht werken, optimaal worden benut. Dit kan een OKT of buurtteam locatie zijn maar ook een buurtkamer, speeltuingebouw of jongerencentrum. Het zijn verschillende locaties in de stad die gebruikt kunnen worden voor samenwerking, gesprekken, bijeenkomsten en ontmoetingen. Efficiënt gebruik maken van de reeds bestaande en beschikbare ruimten is logischer en uitvoerbaarder dan een theoretische norm die in de praktijk niet kan worden uitgevoerd.

Kinderboerderij Er bestaat geen beleid voor kinderboerderijen. In principe zijn er genoeg kinderboerderijen in Amsterdam. Er bestaat geen noodzaak om een ruimteclaim te doen voor de kinderboerderijen. Het uitgangspunt is dat bestaande kinderboerderijen behouden blijven. Wanneer een kinderboerdij moet wijken door gebiedsontwikkeling, dan zal deze vervangen moeten worden.

Voedselbank Voedselbanken zijn in feite voedseluitgiftepunten. Dat betekent dat er in bestaande voorzieningen in buurten in een tijdvak van zo’n 3 uur voedsel uitgegeven wordt. Dat zijn veelal wél genormeerde voorzieningen, zoals Huizen van de Wijk en buurtkamers. Er wordt deze voorzieningen voldoende ruimte gezien om in de toekomst, als het nodig mocht blijken, het aantal locaties en uitgiftemomenten te verruimen, of het tijdvak dat uitgifte plaatsvindt te verlengen. Het distributiecentrum van de Voedselbanken in de Minervahaven kan deze uitgiftepunten voldoende voorzien.

Bijlage 1 Onderbouwingen

In deze bijlage zijn de onderbouwingen van alle voorzieningen per domein opgenomen. De normeringen en metrages van de voorzieningen bevinden zich op pagina 18 t/m 21. Per voorziening wordt er in de onderbouwingen aangegeven of deze t.o.v. de vastgestelde referentienormen van 2018 gelijk blijft, daalt, stijgt of nieuw toegevoegd is als referentienorm.

B1-2/27

De voorziening

Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de huisvesting van scholen in het basisonderwijs, voortgezet onderwijs en speciaal onderwijs. Voor het basisonderwijs worden IKC’s gerealiseerd, dit zijn scholen waarbij de school, de gymzaal, de voorschool en kinderopvang onder één dak zitten. Het doel is een doorlopende leerlijn van 0 tot 13 jaar te bieden. Deze IKC’s zijn een buurtvoorziening, omdat het belangrijk is voor kinderen dat er een school in de buurt is. Daarnaast ligt er een ambitie om in iedere wijk ook een inclusieve basisschool te realiseren, dat is een school waar ook leerlingen zitten die meer ondersteuning (bijv. taal) en zorg nodig hebben. Dit vraagt om meer ruimte om een plek te bieden aan de benodigde ondersteuning, of om het mogelijk te maken voor bepaalde leerlingen te werken met kleinere klassen. Dit leidt tot een aanpassingen van de norm.

Actualisatie

De norm voor IKC daalt. Woonmilieu

normen 2018: oppervlakte per woning

Woonmilieu

actualisatie 2024: oppervlakte per woning

Groen blauw

3,31 m2 BVO 1,27 m2 terrein

Luwe stadsbuurt

2,46 m2 BVO 1,11 m2 terrein

Gemengd stedelijk

2,62 m2 BVO 1,01 m2 terrein

Gemengde stadsbuurt

1,99 m2 BVO 0,90 m2 terrein

Hoogstedelijke 1,36 m2 BVO buurt 0,61 m2 terrein Centrum stedelijk

1,80 m2 BVO 0,69 m2 terrein

Onderbouwing

Hoogstedelijk centrum

0,65 m2 BVO 0,29 m2 terrein

De ambities voor inclusief onderwijs en de verbinding tussen onderwijs, jeugd en zorg, vragen in de toekomst om extra voorzieningen in een IKC. Om die reden onderscheiden we twee soorten IKC’s: het huidige IKC en inclusieve IKC’s. De verdeling tussen de functies in het IKC is in de tabel hiernaast weergegeven:

Voorziening (2024)

BVO

Terrein

Schoolgebouw

2.255 m2

1.340 m2

Gymzaal

608 m2

0 m2

Kinderdagverblijf (IKC)

805 m2

350 m2

Buitenschoolse opvang

70 m2

0 m2

IKC (totaal)

3.738 m 2

1.690 m2

   + inclusieve school

+ 345 m2

Een basisschool heeft een standaardomvang van 17 groepen (400 leerlingen), gekoppeld aan metrages uit Huisvestingsverordening Onderwijs. Deze geeft aan hoeveel vierkante meter per groep vereist is. De kinderopvang maakt onderdeel uit van het IKC vanuit de ambitie om hier een doorlopende leerlijn te faciliteren. Dat is het vertrekpunt voor de bouw van elk IKC. Bij de behoefte aan een school voor 400 leerlingen in een buurt, past de deelname van circa 100 kinderen aan kinderopvang uit deze buurt. Dit is gebaseerd op een deelnamepercentage van 30% van de 0-2 jarigen en een deelnamepercentage van 70% van de 2-4 jarigen en afhankelijk van het type woonmilieu. Kinderen gaan gemiddeld 3 dagen per week naar de kinderopvang. Daarom is 1 kindplaats bij kinderdagopvang voor circa 1,6 kinderen. Met andere woorden de behoefte aan kindplaatsen zal feitelijk ca. 40% lager liggen dan bij de aanname dat kinderen 5 dagen per week naar de kinderopvang gaan. Als in een wijk het aantal deelnemende kinderen aan kinderopvang 100 is, dan zijn hier 100/1,6 = 63 kindplaatsen nodig. Als binnen het IKC 4 groepen voor kinderdagopvang worden gerealiseerd wordt dit aantal kindplaatsen minimaal aangeboden bij elk IKC. Hier zijn namelijk 4 groepen van 16 kindplaatsen; 64 kindplaatsen gepland.

Om rekening te houden met een mogelijke groei in deelname percentages, is een ruime marge aangehouden en worden deelnamecijfers direct omgezet naar kindplaatsen. Daarom wordt ruimte voor 100 kindplaatsen oftewel 160 deelnemende kinderen

Bijlage 1 onderbouwingen - Onderwijs

Onderbouwing Integraal Kindcentrum (IKC)

B1-3/28

De metrages voor kinderopvang zijn een afgeleide van de metrages voor onderwijs. De oppervlaktes zijn gebaseerd op 115 m2 BVO per groep, conform onderwijs. Bij 7 groepen is dat 805 m2 BVO. Gezien de marge in kindplaats versus deelnemende kinderen is hier ook flexibiliteit om ruimte voor BSO in te passen. Is 7 groepen niet haalbaar, dan wordt voor minimaal 4 groepen (530 m2 BVO) ruimte in het IKC gereserveerd en voor 2 á 3 groepen (345 m2) elders in het gebied. Bij de elders gehuisveste groep is zeer de vraag of er in 345 m2 meer dan twee groepen passen, omdat er facilitaire ruimtes nodig zijn die in geval van het IKC in dubbelgebruik zouden kunnen. Bij het metrage voor de kinderopvang in het IKC is bovenop de 4x 115 m2 nog 70 m2 opgenomen voor mogelijk dubbelgebruik met BSO voor bijvoorbeeld een (kinder)keuken, totaal 530 m2. De buitenruimte is gebaseerd op de eis 3 m2 per kindplaats. Voor een inclusieve PO school oftewel een inclusief IKC, wordt een nieuwe norm opgenomen: 345 m2 extra kan worden ingezet voor leerlingen waar extra ondersteuning voor nodig is. Deze norm heeft alleen betrekking op de ruimteclaim. Het toekennen van meer financiële middelen voor de bouw van een nieuwe inclusieve school op basis van deze nieuwe norm is nog niet geregeld. Op termijn kan dit leiden tot een aanpassing van de verordening.

Op dit moment is nog niet duidelijk wat de daadwerkelijke ruimtebehoefte is voor inclusieve scholen en is de verordening niet aangepast op deze nieuwe referentienorm. Wel worden al ruimteclaims gedaan in ontwikkelgebieden om te voorkomen dat de ruimteclaim een beperkende factor wordt. De komende tijd wordt uitgewerkt wat de extra benodigde ruimte voor een inclusief IKC is en of dit daadwerkelijk betekent dat geen extra ruimte voor speciaal onderwijs nodig is.

Draagvlak

De resultaten van de norm zijn afgestemd met de beleidsafdeling Onderwijs, team VVE/KO (voor- en vroegschoolse educatie en kinderopvang) en directie Maatschappelijke Voorzieningen.

Bijlage 1 onderbouwingen - Onderwijs

ruimte geclaimd. Dit komt overeen met 6 á 7 groepen kinderopvang. Wanneer dit in een project niet haalbaar blijkt dan is de regel dat minimaal 4 groepen kinderopvang en buitenruimte bij de school wordt ondergebracht en 2 á 3 groepen kinderopvang en buitenruimte elders in de buurt gehuisvest om ervoor te zorgen dat er in nieuwe buurten voldoende kinderopvang is.

B1-4/28

Onderbouwing Voortgezet Onderwijs (VO)

De voorziening

Onderbouwing

Een school voor het voortgezet onderwijs is een bovenwijkse voorziening, omdat een school voor voortgezet onderwijs een grotere omvang heeft en omdat deze scholen een functie hebben voor kinderen uit een groter deel van de stad. Daarnaast kunnen kinderen vanaf 12 jaar oud makkelijker reizen naar scholen buiten hun eigen buurt.

De ontwikkeling naar inclusief onderwijs kan impact hebben op de benodigde onderwijshuisvesting. Er is op dit moment nog onvoldoende helder wat een inclusieve vo school betekent voor de onderwijshuisvesting. De inschatting is dat de huidige referentienorm voldoende is voor een vo schoolgebouw met een voorziening voor inclusief onderwijs/verbinding met zorg. De gemeente werkt met het samenwerkingsverband VO en de schoolbesturen aan het realiseren van inclusief onderwijs. Een belangrijk onderdeel is het bepalen wat dit vraagt van onderwijshuisvesting. Dit zal duidelijkheid geven of de aanname klopt dat het past binnen de huidige normen.

Actualisatie

De norm voor voortgezet onderwijs daalt. Uitgangspunt daarbij is dat er circa 1 VO school nodig zal zijn per 15.000 woningen. Daarin zit een standaard correctie voor het gebruik van leegstand in de bestaande VO scholen, zie de tabel hieronder. Door veranderend beleid is de omvang van de VO school sinds 2018 aangepast. De geactualiseerde referentienorm 2024 is 0,75 m2 BVO per woning en 0,11 m2 terrein.

Het volume van een standaard school is vergroot, omdat er meer dan voorheen ingezet wordt op de realisatie van brede VO scholen. Deze zijn in praktijk groter dan categoraal onderwijs. In 2018 rekenden we met 1 school per 700 leerlingen, nu is dat gewijzigd in 1 school per 1.200 leerlingen.

Draagvlak

De resultaten van de norm zijn afgestemd met de beleidsafdeling Onderwijs en directie Maatschappelijke Voorzieningen.

Peildatum

1 per

Onderwijs BVO per woning

Zaaldelen / BVO per woning

Totaal BVO per woning

Feb-18

5.580 woningen

6.160 m2 (1,10 m2)

2 / 1.104 m2 (0,20 m2)

1,30 m2

Correctie omvang

7.944 woningen

8.770 m2 (1,10 m2)

2/ 1.284 m2 (0,16 m2)

1,26 m2

Correctie leegstand

15.000 woningen

8.770 m2 (0,58 m2)

2 / 1.284 m2 (0,09 m2)

0,67 m2

Jan-24

9.200 woningen

9.360 m2 (1,02 m2)

3 / 1.936 m2 (0,21 m2)

1,23 m2

Correctie leegstand

15.000 woningen

9.360 m2 (0,62 m2)

3 / 1.936 m2 (0,13 m2)

0,75 m2

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14766788/1