Bijlage 1 - inspraakversie Waterschapsverordening AGV 2021.pdf
Tekst van het document
In paragraaf 2.2.2 worden de vergunningplichtige gevallen aangewezen van grondwateronttrekkingen buiten het beperkingengebied van waterkeringen en beschermende gronden. De vergunningplichtige gevallen van grondwateronttrekkingen in het beperkingengebied van waterkeringen zijn aangewezen in paragraaf 2.3.2, voor waterkerende dijklichamen, en in paragraaf 2.3.3, voor half-verholen waterkeringen.
75
In paragraaf 3.2.1 zijn de grondwateronttrekkingen aangewezen waarvoor geen vergunningplicht geldt maar wel een meldplicht – in de meeste gevallen gaat het om kleine hoeveelheden. Paragraaf 3.2.1 bevat voor de meldplichtige gevallen tevens meer uitgebreide specifieke zorgplichten voor de betreffende activiteit. De activiteitgerichte specifieke zorgplicht moet bij het verrichten van de activiteit in acht worden genomen. De oogmerken en specifieke zorgplichten voor grondwateronttrekkingen in paragraaf 2.2.1 gelden voor elke grondwateronttrekking in het beheergebied van het waterschap. Artikelen 2.2.1.2 en 2.2.1.3 Oogmerken en specifieke zorgplichten Oogmerken. De regels over grondwater zijn bedoeld om een duurzaam beheer van de grondwatervoorraad te waarborgen. Regelgeving en beleid op het gebied van grondwater staan in het Besluit activiteiten leefomgeving, de Grondwaterrichtlijn van de Europese Kaderrichtlijn Water, het provinciale waterprogramma, de Waterschapsverordening van AGV en in het waterbeheerprogramma van AGV. De doelstelling op hoofdlijnen is dat de hoeveelheid en kwaliteit van het grondwater geschikt moet zijn en blijven voor duurzaam gebruik door mens en natuur. Specifieke zorgplichten. Risico’s van een grondwateronttrekking zijn met name dat de grondwaterstand daalt, waterstromen veranderen en de kwaliteit van het grondwater verslechtert.
Dit kan nadelig of schadelijk zijn voor andere belangen, zoals natuur, landbouw, bebouwing, civieltechnische werken zoals kunstwerken, waterkeringen en wegen, drinkwatervoorziening, groenvoorziening, archeologische, aardkundige en cultuurhistorische waarden, de werking van een bodemenergiesysteem, de werking van een grondwatersanering enz. Ook infiltratie van water in de ondergrond heeft risico’s voor grondwaterstanden en grondwaterkwaliteit. De specifieke zorgplichten zijn bedoeld om dergelijke negatieve effecten te voorkomen. Paragraaf 2.2.2
Aanwijzing vergunningplichtige gevallen grondwateronttrekkingen
Artikel 2.2.2.1 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen De vergunningplichten zijn ingedeeld naar het doel van de grondwateronttrekkingen – bijv. bronbemalingen, bodemsanering, beregening – de onttrekkingsduur, de onttrekkingsomvang en de plaats van de onttrekking – op de hogere gronden in het beheergebied of daarbuiten. Voor het grondgebied van de provincie Utrecht geldt dat elke grondwateronttrekking ten behoeve van menselijke consumptie vergunningplichtig is, ongeacht het debiet en de onttrekkingsduur. ‘Bouwen volgens polderprincipe’ houdt in dat de ondergrondse bouwlaag waterdoorlatend is en dat het opkomende grondwater met een pomp wordt weggemalen. Dit betekent meestal dat er voortdurend grondwater weggemalen moet worden, waarbij de hoeveelheden in de tijd aanzienlijk kunnen oplopen. Constructies volgens polder principe zijn niet duurzaam. De grondwaterstand in de omgeving kan dalen, waardoor houten paalfunderingen boven de grondwaterspiegel komen te liggen - met name in Amsterdam - met een grote kans op aantasting door houtrot. Ook vanuit milieuoogpunt - lozing van het weggepompte grondwater op oppervlaktewater of riolering - zijn er bezwaren. Constructies volgens polderprincipe zijn in 2009 voor het eerst verboden in de voormalige Keur. Bemalingen volgens polderprincipe die al voor december 2009 in gebruik waren vallen daarom buiten de vergunningplicht.
Met name in Amsterdam komt het veel voor dat kelders in bestaande bebouwing drooggehouden worden met behulp van een pomp. Lozen van grondwater op het oppervlaktewater. Als het weggepompte grondwater geloosd wordt op het oppervlaktewater zijn ook de artikelen uit paragraaf 2.4.2 van toepassing. Afhankelijk van de omvang van de lozing kan in dat geval wél een vergunningplicht gelden. Infiltreren en retourbemalingen. Er is sprake van infiltreren als oppervlaktewater in de bodem wordt gebracht met als doel de grondwatervoorraad aan te vullen. Retourbemaling (het terugbrengen in de bodem van onttrokken grondwater) is dus geen infiltreren. Vanuit juridisch oogpunt is retourbemaling een lozing in de bodem. Het waterschap kan aan de omgevingsvergunning voor grondwateronttrekkingen voorschriften verbinden over het terugbrengen van het grondwater in de bodem – dat wil zeggen: retourbemaling.
76
Deze voorschriften kunnen gaan over zowel de kwantiteit als de kwaliteit van het water. Afdeling 2.3
Regels over waterkeringen en beschermende gronden
Paragraaf 2.3.1 Waterkeringen en beschermende gronden algemeen Inleiding Waterkeringen bestaan er in velerlei vormen. Wat alle waterkeringen gemeen hebben is dat ze achtergelegen land beschermen tegen overstroming door water van buiten. De bekendste vormen zijn waterkerende dijklichamen in de vorm van dijken of kades. Waterkeringen kunnen ook geheel of gedeeltelijk niet zichtbaar, ofwel ‘verholen' zijn, omdat ze onderdeel zijn van een groter grondlichaam of van hoger gelegen gronden. Daarnaast kunnen ook damwanden, sluizen, stuwen en andere "werken" de functie van waterkering hebben. Bij waterkeringen is er onderscheid in primaire, secundaire en tertiaire waterkeringen. Dit zegt iets over het belang en de functie van de betreffende waterkering voor de bescherming tegen overstroming. Primaire keringen: Het rijk wijst aan welke waterkeringen primair zijn. Globaal gezegd beschermen primaire waterkeringen het beheergebied tegen overstroming door water uit het IJ, het Noordzee- en Amsterdam-Rijnkanaal, het IJmeer en het Gooimeer (beide integraal deel van het Markermeer). Secundaire keringen, direct of indirect: Secundaire waterkeringen beschermen achtergelegen land direct of indirect tegen overstroming vanuit hoger gelegen boezem- of tussenboezemwateren. Een indirecte kering vervult deze functie pas nadat een daarvoor of daarachter gelegen directe kering is bezweken.
De provincies hebben bijna alle secundaire keringen in het beheergebied van AGV aangewezen als regionale keringen. Tertiaire keringen: Binnen bepaalde polders liggen zogenaamde polderkaden, de tertiaire keringen. Dit zijn waterkeringen die deels ook kunnen functioneren als compartimenteringkering bij het bezwijken van achter- of voorliggende boezemwaterkeringen. Zij kunnen het overstroomde gebied beperken of verdere overstroming vertragen en daarmee de economische schade beperken. Peilscheidingen, keerschotten en stuwen die bedoeld zijn om een peilverschil in stand te houden worden niet gerekend tot de waterkeringen. Peilscheidingen zijn gronden die de scheiding vormen tussen gebieden met een verschillend oppervlaktewaterpeil. Artikel 2.3.1.1 Reikwijdte Deze afdeling beschrijft het doel van de regels over waterkeringen en de bijbehorende specifieke zorgplicht voor de waterkeringen daarbij. De artikelen wijzen tevens de vergunningplichtige gevallen aan voor de verschillende typen van waterkeringen. Artikel 2.3.1.2 Oogmerken Het waterschap is belast met de zorg voor de waterkeringen in zijn beheergebied. Door het Rijk en de provincies zijn omgevingswaarden voor de veiligheid tegen overstroming vastgelegd in het Besluit kwaliteit leefomgeving respectievelijk de provinciale omgevingsverordeningen.
De omgevingswaarden voor veiligheid tegen overstroming worden door het waterschap vertaalt in de legger voor de waterkeringen. Het waterschap legt de vereiste ligging, vorm, afmeting en constructie van primaire en regionale waterkeringen vast in de legger en neemt maatregelen om te zorgen dat de keringen daar aan (blijven) voldoen. Ook het in standhouden van de oeverbeschoeiing langs beschermende gronden is een belangrijke voorwaarde voor de bescherming van het achterland tegen wateroverlast. Daarnaast toetst het waterschap periodiek of de waterkeringen nog veilig zijn, aan de hand van technische leidraden van het Rijk voor de primaire waterkeringen en van de provincie voor de regionale waterkeringen. De regels over waterkeringen hebben als doel de goede staat en werking van de waterkeringen te waarborgen, en dat het waterschap de waterkeringen kan inspecteren en gewoon en buitengewoon onderhoud kan plegen tegen aanvaardbare maatschappelijke lasten. Vanwege het grote maatschappelijke belang staat veiligheid tegen overstroming altijd voorop bij de afwegingen over medegebruik van waterkeringen. Artikel 2.3.1.3 Specifieke zorgplichten De specifieke zorgplichten geven aan welke zorg een initiatiefnemer concreet in acht moet nemen om de mogelijke nadelige gevolgen van zijn activiteit voor de waterkeringen en beschermende gronden te voorkomen.
77
Vaak is het mogelijk om de nadelige gevolgen van activiteiten weg te nemen door het treffen van technische maatregelen. Technische maatregelen kunnen zo nodig worden voorgeschreven in een omgevingsvergunning, of worden opgelegd in een maatwerkvoorschrift in het geval geen vergunningplicht geldt voor de activiteit. De specifieke zorgplichten hebben betrekking op de belangrijkste risico’s van activiteiten op of rond een waterkering . De belangrijkste risico’s voor waterkeringen zijn de volgende. Beschadiging van de bekleding van de dijk of de oeverbescherming: Dit risico speelt vooral bij het aanleggen van bouwwerken op een waterkering (zoals opritten, bruggen, gebouwen en dergelijke). Ook speelt het bij activiteiten waarbij er sprake is van explosiegevaar. Erosie. Erosie is het afstromen van materiaal van de waterkering. Dit kan zowel aan de buitenkant als binnen in de kering plaatsvinden. Aan de buitenkant speelt het risico op erosie bijvoorbeeld als er sprake is van golfslag die de afdichtende bedekking van de dijk aantast of door aantasting van de grasmat door wegen en paden. Er kunnen dan erosiegeulen ontstaan. Aan de binnenkant speelt het risico als er holtes in het dijklichaam ontstaan, bijvoorbeeld door het aanleggen van fundering op palen waar water langs gaat stromen dat zand meevoert.
Belemmering van de afwatering: Dit speelt vooral bij het aanleggen van een harde constructie in de ondergrond, zoals een damwand of betonwand, waardoor water in de waterkering niet meer kan wegstromen. Er treedt dan verweking op, wat de waterkering minder stabiel maakt. Verweking kan ook optreden bij een breuk in een ondergrondse leiding. Verstoring van de stabiliteit: Een waterkering kan door meerdere oorzaken minder sterk en stabiel worden. Uiteraard is afgraving voor bijvoorbeeld een tunnel of onderdoorgang risicovol. Daarnaast is een belangrijke oorzaak doorboring van waterafsluitende lagen in de ondergrond bij het aanleggen van fundering, zoals dat gebeurt bij heien, boren van gaten en dergelijke. Onder een afsluitende, slecht doorlatende laag kan een waterover- of onderdruk aanwezig zijn. Na doorboring van de afsluitende laag kan het water door de doorboring heen gaan stromen. Als deze grondwaterstroming zodanig sterk is dat hij zand- en gronddeeltjes meevoert, is er sprake van de vorming van zandmeevoerende wellen. Dit is een voor de waterkering gevaarlijk fenomeen, omdat in de ondergrond holle ruimte ontstaat. Dit ondermijnt de waterkering waardoor hij na verloop van tijd kan bezwijken.
Beschadiging van de afdekkende buitenlaag van een kering (bijvoorbeeld bij aanleg van wegen) kan ook de stabiliteit verminderen, doordat water uit de boezem de dijk in gaat stromen, waardoor er natte plekken in de dijk ontstaan. Ook trillingen en schokgolven kunnen de draagkracht van bepaalde bodemlagen verminderen, met name in grond die zettingsgevoelig is (losgepakte zandlagen in de ondergrond) of in een gebied met zeer slappe, vochtige lagen (veenlagen in de ondergrond). Als de ondergrond in beweging komt, komt de stabiliteit van de kering in gevaar. Ook infiltratie van olie in de grond kan een sterke afname van de sterkte (schuifweerstand) van de grond veroorzaken met als mogelijk gevolg instabiliteit van de waterkering. Belemmering inspectie: Dit risico treedt vooral op bij bebouwing dicht bij de waterkering, waardoor de kering niet meer goed toegankelijk is voor inspectie. Ook speelt dit aspect bij het aanleggen van ondergrondse werken in een waterkering. Belemmering beheer en onderhoud: Dijken zullen altijd periodiek verbeterd moeten worden om het vereiste niveau van veiligheid tegen overstroming te kunnen waarborgen. Er is een risico dat medegebruik leidt tot belemmering van de mogelijkheid van dijkverbetering of dat verbetering alleen nog mogelijk is tegen aanmerkelijk hogere kosten van (buitengewoon) onderhoud.
Dat geldt bijvoorbeeld voor de aanleg van grote werken, zoals bijvoorbeeld bruggen. Ook bij het aanleggen van waterkeringen met beweegbare delen weegt het waterschap de kosten van beheer en onderhoud mee: sluizen en gemalen bijvoorbeeld bevatten beweegbare delen en zijn daarom meer aan slijtage onderhevig dan waterkeringen zonder beweegbare delen. De ontwerp-levensduur van de beweegbare delen is meestal korter dan die van het waterkerende kunstwerk zelf. Ze moeten periodiek worden geïnspecteerd, beproefd en onderhouden en vragen veel aandacht en zorg. Verlaging van de grondwaterstand: Met name bij veendijken is uitdroging een reëel gevaar voor de stabiliteit. Damwanden kunnen een grote invloed hebben op de grondwaterstand in de waterkering en uitdroging tot gevolg hebben. Aantasting van de waterkerende hoogte: Een waterkering kan lager worden door verzakking, afschuiving van grond of zetting van de ondergrond. Dit kan gebeuren door het gebruik van zwaar materiaal of door bijvoorbeeld verkeer op de kering. Het kan ook gebeuren door trillingen.
78
Aanwijzing vergunningplichtige gevallen De vergunningplichtige gevallen in het beperkingengebied van waterkeringen en beschermende gronden zijn aangewezen in de paragrafen 2.3.2 (waterkerende dijklichamen), 2.3.3. (half-verholen waterkeringen), 2.3.4 (verholen waterkeringen) en 2.3.5 (beschermende gronden). Schema 1 geeft de vergunningplichtige activiteiten weer voor de verschillende typen van waterkeringen en voor beschermende gronden. Per soort activiteit worden de artikelen voor de verschillende typen waterkeringen gezamenlijk toegelicht. Tevens wordt per soort activiteit ingegaan op de gevallen waarvoor geen vergunningplicht geldt maar een meldplicht of informatieplicht. Schema 1 Vergunningplichtige gevallen in het beperkingengebied van waterkeringen en beschermende gronden Vergunningplichtige Activiteiten
Waterkerende dijklichamen
Half-verholen waterkeringen
Grondwater onttrekken
Artikel 2.3.2.1
Artikel 2.3.3.1
Kabels en leidingen
Artikel 2.3.2.2
Artikel 2.3.3.2
Bodemonderzoek
Artikel 2.3.2.3
Woonschepen, drijvende inrichtingen & voorwerpen
Artikel 2.3.2.4
Ophogen en ontgraven
Artikel 2.3.2.5
Artikel 2.3.3.3
Wegen
Artikel 2.3.2.6
Artikel 2.3.3.4
Bodemenergiesystemen
Artikel 2.3.2.7
Artikel 2.3.3.5
Explosiegevaarlijke stoffen of installaties
Artikel 2.3.2.8
Inlaten
Artikel 2.3.2.9
Overige (bouw-) werken
Artikel 2.3.2.10
Artikel 2.3.3.6
Verholen waterkeringen
Beschermende gronden
Artikel 2.3.4.2
Artikel 2.3.5.1
Artikel 2.3.5.2
Artikel 2.3.4.2
Artikel 2.3.5.3
Grondwater onttrekken Een verlaging van de grondwaterstand in een waterkering kan nadelige gevolgen hebben voor de standvastheid (stabiliteit) van waterkeringen. Dit is een risico voor vooral waterkerende dijklichamen
79
en half-verholen waterkeringen. Voor verholen waterkeringen geldt geen stabiliteitsrisico bij grondwateronttrekkingen. Kabels en leidingen Kabels zijn sterke, buigzame, verbindingen, bestaande uit draden van metaal of glasvezel en geschikt voor het transport van elektrische energie of elektrische signalen of optische signalen. Leidingen zijn buizen van staal, beton of kunststof en geschikt voor het transport van vloeistoffen en gassen, of het doorvoeren van kabels en leidingen onder bijvoorbeeld wegen of op- en afritten. Het risico van kabels en leidingen is dat ze een negatief effect op de stabiliteit van de waterkering kunnen hebben, zowel tijdens als na het aanleggen. Bij de aanleg zijn vaak boringen nodig, met de nodige risico’s van dien. Naderhand kan er een breuk en lekkage plaatsvinden, met als gevolg verweking en erosie. De aanleg en het vernieuwen van kabels en leidingen - anders dan huisaansluitingen - die niet met behulp van een gestuurde boring worden aangebracht, zijn vergunningplichtig in het beperkingengebied van een waterkerend dijklichaam, half-verholen waterkering of verholen waterkering. Tevens geldt een vergunningplicht voor het verwijderen van een kabel of leiding uit de kernzone van een waterkerend dijklichaam en half-verholen waterkering.
In paragraaf 3.2.3 zijn de gevallen aangewezen waarvoor geen vergunningplicht geldt maar een meldingsplicht of informatieplicht. Het gaat om de volgende activiteiten in het beperkingengebied van waterkerende dijklichamen, half-verholen waterkeringen en verholen waterkeringen: - het aanleggen of vernieuwen van huisaansluitingen; - het uitvoeren met een gestuurde boring; - het toepassen van een open ontgraving; - het uitvoeren van een spoedeisende reparatie; - het maken van een lasgat of proefsleuf; - het verwijderen van een kabel of leiding. Paragraaf 3.2.3 bevat voor de hierboven genoemde gevallen meer uitgebreide specifieke zorgplichten voor de betreffende activiteit. De activiteitgerichte specifieke zorgplichten dienen bij het verrichten van de activiteit in acht te worden genomen. Bodemonderzoek Er zijn verschillende typen bodemonderzoek: exploratieboringen (één of meerdere gaten diep in de grond, bedoeld om grondmonsters te nemen), proefheiingen en seismisch onderzoek: dit gebeurt om de structuur van dieper gelegen bodemlagen te onderzoeken, bijvoorbeeld in verband met olie- of aardgaswinning. Seismisch bodemonderzoek gebeurt meestal door een springlading op tientallen meters diepte tot ontploffing te brengen of door trillingen op te wekken met trillingsbronnen, zoals een “airgun” of vibratoren.
Het risico van bodemonderzoek is dat het de dijk beschadigt of de stabiliteit aantast. Met name doorboring van waterafsluitende lagen is een risico en daarnaast ook trilling. Voor waterkerende dijklichamen geldt een vergunningplicht voor geologische onderzoek met behulp van explosieven. In paragraaf 3.2.4 zijn de gevallen aangewezen waarvoor geen vergunningplicht geldt maar een meldplicht of informatieplicht. Het gaat om bodemonderzoek in het beperkingenbied van waterkerende dijklichamen, half-verholen waterkeringen en beschermden gronden. Paragraaf 3.2.3 bevat voor de hierboven genoemde gevallen meer uitgebreide specifieke zorgplichten voor de betreffende activiteit. De activiteitgerichte specifieke zorgplichten dienen bij het verrichten van de activiteit in acht te worden genomen. Woonschepen, drijvende inrichtingen en drijvende voorwerpen Het gaat hier – naast woonschepen - ook om tijdelijke drijvende inrichtingen die soms nodig zijn voor bijvoorbeeld herstelwerkzaamheden aan kademuren. De risico’s zijn vergelijkbaar met die van permanente bouwwerken in de watergang. Er geldt een vergunningplicht voor het ligplaatsnemen nemen, meren of ankeren met een woonschip, drijvende inrichting of drijvend voorwerp langs een onbeschoeide oever in het beperkingengebied van een waterkerend dijklichaam.
80
In paragraaf 3.2.5, artikel 3.2.5.5, lid 1, is een meldplicht opgenomen voor het ligplaatsnemen met een woonschip, drijvend voorwerp of drijvende inrichting in het beperkingengebied van een waterkerend dijklichaam of een half-verholen waterkering. Ophogen en ontgraven (Ont-)Graven betekent: het verwijderen van grond. Een ontgraving kan permanent of tijdelijk zijn. Bij een permanente ontgraving wordt het maaiveld verlaagd. Bij tijdelijke ontgraving wordt de ontgraven grond weer teruggebracht. Het grootste risico van graven is dat het een negatief effect op de stabiliteit van de waterkering kan hebben, doordat er grond kan gaan afschuiven. In het beperkingengebied van een waterkerende dijklichaam en een half-verholen waterkeringen geldt een vergunningplicht voor zowel ontgraven als ophogen van grond. In de kernzone van een verholen waterkering en in beschermende gronden geldt een vergunningplicht voor alleen ontgraven. Wegen Het aanleggen en verwijderen van wegen, verkeersdrempels of verkeersplateaus en van in de ondergrond verzinkbare objecten, in het beperkingengebied van een waterkerende dijklichaam, halfverholen waterkering is vergunningplichtig. In paragraaf 3.2.7 zijn de gevallen aangewezen waarvoor geen vergunningplicht geldt maar een meldplicht.
Het gaat om de volgende activiteiten in het beperkingengebied van waterkerende dijklichamen, half-verholen waterkeringen, verholen waterkeringen en beschermende gronden: - vervangen of verbreden van een weg, - het plaatsen, vervangen of verwijderen van verkeersvoorzieningen, en - het aanvullen van wegbermen als bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeersweg 1994. Paragraaf 3.2.7 bevat voor de hierboven genoemde gevallen meer uitgebreide specifieke zorgplichten voor de betreffende activiteiten. De activiteitgerichte specifieke zorgplichten dienen bij het verrichten van de activiteit in acht te worden genomen. Bodemenergiesysteem Een gesloten bodemenergiesysteem is een systeem waarmee een vloeistof in buizen door de bodem wordt geleid. Het water komt niet in direct contact met het grondwater. Een andere benaming is bodemwarmtewisselaar. Bij een open bodemenergiesysteem wordt grondwater onttrokken en opgewarmd of afgekoeld grondwater na gebruik terug in de bodem geïnfiltreerd. Warmte- en koudeopslag (WKO) is een andere naam voor een open bodemenergiesysteem. Het risico van een bodemenergiesysteem is dat het een belemmering kan vormen voor het beheer en onderhoud van de kering, dat er schade kan ontstaan door boringen en dat er verzakking kan optreden door het gebruik van zwaar materieel.
Het aanbrengen, hebben of verwijderen van een bodemenergiesysteem in het beperkingengebied van een waterkerend dijklichamen, half-verholen waterkering of verholen waterkering is vergunningplichtig. Explosiegevaarlijke stoffen of installaties Drukvaten en vergelijkbare werken (zoals gastanks en olievaten) zijn vaten die een vloeistof of gas bevatten, al dan niet onder druk. Het risico van drukvaten is dat ze kunnen gaan lekken en dat ze kunnen exploderen, met schade aan de dijk als gevolg. De regels gelden ook voor de opslag van explosiegevaarlijke stoffen, waaronder vuurwerk. Er geldt een vergunningplicht in het beperkingengebied van een waterkerend dijklichaam voor het plaatsen en vervangen van een tank of drukvat met een druk van meer dan 1.000 kPa en voor het plaatsen en vervangen van explosiegevaarlijke stoffen of installaties. In paragraaf 3.2.13 zijn de gevallen aangewezen waarvoor geen vergunningplicht geldt maar een meldplicht. Het gaat om tanks en drukvaten met een druk van minder dan 1.000 kPa in het beperkingengebied van een waterkerend dijklichaam; en om explosiegevaarlijke stoffen en installaties in de buitenbeschermingszone van een waterkerend dijklichaam.
81
Paragraaf 3.2.13 bevat voor de hierboven genoemde gevallen meer uitgebreide specifieke zorgplichten voor de betreffende activiteit. De activiteitgerichte specifieke zorgplichten dienen bij het verrichten van de activiteit in acht te worden genomen. Inlaten Het aanbrengen, hebben, vervangen of verwijderen van een inlaat in het beperkingengebied van een waterkerend dijklichaam is vergunningplichtig, met uitzondering van het vervangen van een inlaat in een peilafwijkingengebied. Voor het vervangen van inlaten in waterkerende dijklichamen geldt in paragraaf 3.2.14, artikel 3.2.14.1, onder e, een (gekwantificeerde) specifieke zorgplicht. Deze dient in acht te worden genomen bij het vervangen van de inlaat in het peilafwijkingengebied. (bouw)werken (bouw)werken vormen een belangrijke categorie van vergunningplichtige gevallen. Voorbeelden van ‘(bouw)werken’ zijn: gebouwen, funderingspalen, opritten, bruggen, windturbines, windmolens, waterkerende werken, sluizen, gemalen, tunnels, aquaducten, beschoeiingen, damwanden. Werken (zowel groot als klein) kunnen de stabiliteit van een waterkering in gevaar brengen. Belangrijke factoren daarbij zijn onder andere zetting door het gewicht van het materiaal, erosie, doorboren van waterafsluitende lagen, schade aan de dijk, trilling en belemmering van beheer en onderhoud.
Het gaat om (bouw)werken die niet reeds uitdrukkelijk vergunningplichtig zijn gesteld in de paragrafen 2.3.2 (waterkerende dijklichamen), 2.3.3 (half-verholen waterkeringen), 2.3.4 (verholen waterkeringen) en 2.3.5 (beschermende gronden), zie Schema 1, en die niet reeds in afdeling 3.2 zijn aangewezen als meldingsplichtig of informatieplichtig. In paragraaf 3.2.9 is voor het beperkingengebied van verholen waterkeringen een meer uitgebreide specifieke zorgplicht voor het aanbrengen en verwijderen van (bouw)werken opgenomen. De activiteitgerichte specifieke zorgplicht dient bij het aanbrengen (artikel 3.2.9.1) of verwijderen (artikel 3.2.9.2) van een bouwwerk in acht te worden genomen. Afdeling 2.4
Regels over oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden
Paragraaf 2.4.1
Algemeen
Inleiding Diverse typen wateren. Primaire wateren zijn wateren waaraan het waterschap een belangrijke functie toekent in de waterberging en in de aan- en afvoer van water van en naar afwaterings- en bemalingsgebieden. Het gaat om boezemwateren en om hoofdwater(gang)en in polders en droogmakerijen. De functie van watergangen in stedelijk gebied neemt, vanwege het vaker voorkomen van intensieve neerslag, in belang toe met het oog op het voorkomen van wateroverlast in dichtbebouwd stedelijk gebied. Boezemwateren hebben een hoger peil dan de wateren in de polders en droogmakerijen. Tussen een boezemwater en een polder ligt een boezemwaterkering. Hoofdwatergangen zijn wateren die niet tot de boezem behoren, maar wel een belangrijke functie hebben in de aan- en afvoer van water. Secundaire wateren hebben een lokale functie in de aan- en afvoer van water en/of de waterberging van percelen, met het oog op de handhaving van het streefpeil, het voorkomen van wateroverlast en een goede ecologische toestand van het water binnen het gebied. Artikel 2.4.1.1 Reikwijdte De regels in deze afdeling gaan over oppervlaktewaterlichamen – ook wel ‘wateren’ genoemd, en over bergingsgebieden. Het gaat om wateren (en de bijbehorende bodem, oevers, flora en fauna) die vrij aan het aardoppervlak liggen en onderdeel uitmaken van een samenhangend watersysteem. Geïsoleerde wateren vallen er niet onder.
Denk daarbij aan tuinvijvers, geïsoleerde stadsvijvers in parken, plantsoenen, geïsoleerde opvangvijvers en bakken voor regenwater bij kassencomplexen en geïsoleerde water bevattende greppels in landbouwgebied. Artikel 2.4.1.2 Oogmerken Het waterschap heeft de zorg voor de primaire wateren (boezemwateren en hoofdwatergangen) en
82
secundaire wateren. In de primaire wateren voert het waterschap zelf het beheer en onderhoud uit. Het beheer en onderhoud is gericht op de instandhouding van het (stromings)profiel. Voor de exacte ligging, afbakening en vorm van wateren houdt het waterschap daarbij de legger aan, of andere documenten waarin deze gegevens zijn vastgelegd (vergunningen, ontheffingen, overeenkomsten). Voor wateren waarvoor geen legger is vastgesteld gelden de afmetingen zoals die zijn vastgelegd in de onderhoudsverplichting voor het water. Bij de uitvoering van het beheer en onderhoud werkt het waterschap natuurvriendelijk, volgens de richtlijnen uit Gedragscode Wet Natuurbescherming voor de waterschappen. Voor de secundaire wateren ligt het onderhoud bij anderen. Het waterschap heeft hier de rol van toezichthouder en handhaver, om ervoor te zorgen dat ook de secundaire wateren goed blijven functioneren als het gaat om aan- en afvoer van water. Het doel van de regels is te waarborgen dat de aan- en afvoer en berging van water goed functioneert, zodat het waterpeil kan worden gehandhaafd en geen wateroverlast ontstaat, dat de ecologische toestand niet achteruitgaat en mogelijk verbetert, dat er geen belemmeringen zijn voor onderhoud en inspectie en dat groot onderhoud aan de watergang mogelijk blijft tegen maatschappelijk aanvaardbare lasten.
Artikel 2.4.1.3 Specifieke zorgplichten De specifieke zorgplichten geven aan welke zorg een initiatiefnemer concreet in acht moet nemen om de mogelijke nadelige gevolgen van zijn activiteit voor oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden te voorkomen. Vaak is het mogelijk om de nadelige gevolgen van activiteiten weg te nemen door het treffen van technische maatregelen. Technische maatregelen kunnen zo nodig worden voorgeschreven in een omgevingsvergunning, of worden opgelegd in een maatwerkvoorschrift in het geval geen vergunningplicht geldt voor de activiteit. De specifieke zorgplichten hebben betrekking op de belangrijkste risico’s van activiteiten op of rond een oppervlaktewater. De belangrijkste risico’s voor oppervlaktewateren zijn de volgende. Aantasting van het profiel: Als het profiel – de vorm – van de watergang verandert door bijvoorbeeld een bouwwerk in het water, dan kan dat de doorstroming belemmeren. Aantasting van de oever: De stevigheid van de oever is van belang om het profiel van de watergang in stand te houden. Ook is de ecologische waarde van een watergang vaak juist in de oever te vinden. Belemmering van de doorstroming: Het water moet vrijelijk kunnen stromen van en naar het gemaal. Als er een belemmering ergens in de route is, bijvoorbeeld een bouwwerk, een verstopte duiker of een demping, dan kan dit het water ‘tegenhouden’, waardoor stuwing optreedt.
Er ontstaat een peilverschil bovenstrooms en benedenstrooms van de belemmering. In het achterliggende gebied kan het waterpeil zoveel stijgen dat wateroverlast ontstaat. Dit gebeurt ook als een watergang te smal of te ondiep wordt doordat hij bijvoorbeeld vol loopt met zand of veenprut. Dat kan gebeuren als een activiteit leidt tot beschadiging van de bodem van een watergang. Verhoging van de waterstand: Verhoging van de waterstand in de watergang kan leiden tot vernatting van de omgeving, niet alleen vanwege overstroming, maar ook omdat de grondwaterstand mee kan stijgen. Afname van het bergend vermogen: Het oppervlaktewatersysteem is zo ontworpen dat het neerslagpieken kan opvangen: bergen. Als een activiteit ertoe leidt dat een deel van het watersysteem verdwijnt (bijvoorbeeld bij demping), dan vermindert het bergend vermogen. Bij veel neerslag ontstaan er dan sneller problemen met wateroverlast. Bij het boezemsysteem is de berging heel belangrijk om te zorgen dat de dijken niet overstromen bij een hevige regenbui. Om dezelfde reden wordt ophoging of bebouwing van boezemland (‘reserveruimte’ die onder mag lopen bij hoge waterstanden in de boezem) heel riskant.
Verslechtering van de ecologische toestand: Een activiteit heeft negatieve invloed op de ecologische kwaliteit als het leidt tot een verslechtering van de waterkwaliteit, tot een obstakel voor vissen of andere dieren of tot beschadiging van flora en fauna.
83
• Een verslechtering van de waterkwaliteit kan ontstaan als een nieuw water twee bestaande wateren met elkaar verbindt. Er kan een ongewenste onderlinge beïnvloeding ontstaan. Dat geldt vooral als de twee bestaande wateren van elkaar verschillen qua waterpeil of waterkwaliteit. Ook kan de ecologische waarde achteruitgaan bij een verdieping, als gevolg van zout grondwater dat vanuit de bodem het water instroomt, of door de extra toevoer van bagger. In geïsoleerde wateren kan de waterkwaliteit verslechteren door minder waterbeweging en ‘verversing’, waardoor zuurstofgebrek in het water kan optreden. De aanleg van een lokale peilverlaging kan het grondwaterpeil in de omliggende gebieden negatief beïnvloeden. Peilverlagingen in de nabijheid van natuurgebieden hebben doorgaans een ongewenst effect (verdroging). Verdroging kan zich uiten in ongewenst lagere grondwaterstanden waardoor het soms nodig is meer water met een ongewenste kwaliteit in te laten in het gebied. • Als een activiteit leidt tot een obstakel voor vissen of andere dieren wordt de leefomgeving van de populaties (groepen dieren) steeds kleiner en kan er geen uitwisseling meer plaats vinden tussen de populaties. • Het weggraven van planten kan de ecologische kwaliteit aantasten.
Ook aantasting van de oever is een risico, omdat juist in de oever - op de grens van land en water - de ecologische waarde van het watersysteem het hoogst is. Ook de vorm van de oever is bepalend voor de ecologische waarde. De ecologische kwaliteit van het water en de oever kan ook verminderen door een teveel aan schaduw door de aanleg van werken boven het water. Belemmering van gewoon of buitengewoon onderhoud: AGV voert de inspectie en het onderhoud aan de waterlichamen uit vanaf een boot of vanaf de kant. In beide gevallen kan een bouwwerk of een te smalle watergang een obstakel vormen voor de onderhoudswerkzaamheden. Nadelige gevolgen voor de vaarfunctie: Het gaat daarbij vooral over de invloed van een activiteit op de doorvaarthoogte, de vaarwegdiepte en de ruimte voor vaarverkeer in de bochten. Zo kunnen ondergrondse bouwwerken bijvoorbeeld een belemmering vormen voor het vaarverkeer. Demping van (een deel van een) vaarroute vormt een obstakel voor vaarverkeer en recreatief medegebruik. Nadelige invloed op de grondwaterstand: Activiteiten in een oppervlaktewater die leiden tot een peilverandering kunnen leiden tot ongelijkmatige zetting, grondmechanische instabiliteit van de bodem e.d., waardoor bebouwing, wegen, waterkeringen en andere civieltechnische werken in de buurt kunnen verzakken. Ook schade aan archeologische of cultuurhistorische waarden is mogelijk.
Als het grondwater te veel daalt worden bodemschatten blootgesteld aan oxidatie en zullen daardoor beschadigen of zelfs in de loop van de tijd geheel verdwijnen. Maaivelddaling is vooral een groot risico in veengebied. Verlaging van het waterpeil kan in veengebieden leiden tot een versnelde afbraak van veen en daarmee een versnelde maaivelddaling initiëren. Aanwijzing vergunningplichtige gevallen De vergunningplichtige gevallen in het beperkingengebied van primaire en secundaire wateren zijn aangewezen in de paragrafen 2.4.2 (onttrekken/lozen van water aan/op oppervlaktewater), 2.4.3 (primaire wateren), 2.4.4 (secundaire wateren), 2.4.5 (molenbiotopen) en 2.4.6 (boezemland, bergingsgebieden en bergingsvoorzieningen). Schema 2 geeft de vergunningplichtige gevallen weer die zijn aangewezen in de paragrafen 2.4.2, 2.4.3 en 2.4.4. Per soort activiteit worden de artikelen voor de primaire en secundaire wateren gezamenlijk toegelicht. Tevens wordt per soort activiteit ingegaan op de gevallen waarvoor geen vergunningplicht geldt maar een meldplicht of informatieplicht. De vergunningplichtige gevallen in 2.4.5 (molenbiotopen) en 2.4.6 (boezemland, bergingsgebieden en bergingsvoorzieningen) worden apart toegelicht omdat zij naar hun aard niet in het schema passen.
84
Schema 2
Vergunningplichtige gevallen in het beperkingengebied van primaire en secundaire wateren:
Vergunningplichtige gevallen
Primaire wateren (boezem)
Primaire wateren (hoofdwatergangen polders)
Secundaire wateren
Onttrekken of lozen van water
Artikel 2.4.2.1
Artikel 2.4.2.1
Artikel 2.4.2.1
Wijzigen wateren
Artikel 2.4.3.2
Artikel 2.4.3.2
Artikel 2.4.4.1
Steigers & afmeerpalen
Artikel 2.4.3.2
Artikel 2.4.4.2
Woonschepen, drijvende inrichtingen & Artikel 2.4.3.3 drijvende voorwerpen
Bruggen en dammen
Artikel 2.4.3.5
Artikel 2.4.4.4
Peilafwijkingen
Artikel 2.4.3.6
Artikel 2.4.3.6
Overhangende bomen & struiken
Artikel 2.4.3.8
Artikel 2.4.3.8
Bouwwerken en andere werken
Artikel 2.4.3.10
Artikel 2.4.3.10
Artikel 2.4.4.5
Artikel 2.4.4.6
Onttrekken en lozen van water aan en op oppervlaktewateren Aanvoeren en lozen. Aanvoeren en lozen van water gaat allebei over het toevoegen van water aan een primair of secundair water. In het geval van ‘aanvoeren’ stroomt dat water via een watergang, buis of via een natuurlijke weg vanuit een ander oppervlaktewater. In het geval van ‘lozen’ is dat niet het geval – het water is dan afkomstig van buiten het oppervlaktewatersysteem. Beiden zijn zonder vergunning niet toegestaan. Dit geldt ook voor het lozen van (overtollig) water uit geïsoleerde wateren. Afvoeren en onttrekken. Afvoeren en onttrekken van water gaat allebei over het weghalen van water uit een primair of secundair water. In het geval van ‘afvoeren’ stroomt dit water via een watergang, buis of via een natuurlijke weg naar een ander oppervlaktewater. In het geval van ‘onttrekken’ komt het onttrokken water buiten het oppervlaktewatersysteem terecht. Bevloeiing en beregening van gewassen met slootwater is een vorm van onttrekken. Het waterschap kan de aan- en afvoer van water in het oppervlaktewatersysteem reguleren, met het oog op het handhaven van het streefpeil, het voorkomen van wateroverlast of de verdeling van het water bij een watertekort door bijvoorbeeld
85
droogte.
Wijzigen van wateren Voor primaire en secundaire wateren geldt een vergunningplicht voor het direct of indirect met elkaar in verbinding brengen van wateren en voor het dempen van water. Het wijzigen van de afmetingen van de watergang (breedte, diepte en hellingshoek van de oever) is vergunningplichtig voor primaire wateren, en voor secundaire wateren die in het beperkingengebied van waterkerende dijklichamen en half-verholen waterkeringen liggen. Risico’s van aanleggen van nieuw water zijn dat de bodem en oevers vaak onstabiel zijn, hetgeen problemen op kan leveren voor het onderhoud en de waterkwaliteit. Risico’s van dempen van oppervlaktewater zijn wateroverlast, verslechtering van ecologische- en waterkwaliteit van het watersysteem, belemmering van de doorvaart en verminderen van het waterbergend vermogen. Risico’s van het wijzigen van de afmeting van bestaande oppervlaktewaterlichamen zijn dat de aanen afvoerfunctie van het watersysteem minder goed gaat functioneren, dat het vaarverkeer hinder ondervindt en dat er aantasting plaatsvindt van ecologische waarden in het watersysteem. In paragraaf 3.2.2 zijn de gevallen aangewezen waarvoor geen vergunningplicht geldt maar een meldplicht. Het gaat hierbij om het wijzigen van de afmetingen van secundaire watergangen die niet liggen in het beperkingengebied van waterkerende dijklichamen en half-verholen waterkeringen.
Paragraaf 3.2.2 bevat voor de aangewezen gevallen meer uitgebreide specifieke zorgplichten. De activiteitgerichte specifieke zorgplichten moeten bij het verrichten van de activiteit in acht worden genomen. Steigers en afmeerpalen Een vergunningplicht geldt voor het aanbrengen, hebben en wijzigen van steigers en afmeerpalen in het knelpuntengebied op de ‘knelpuntenkaart boezemsysteem’ (zie bijlage IV). In het boezemsysteem zijn knelpuntengebieden aangewezen waar opstuwing van water een risico vormt voor het goed functioneren van de boezem. De vergunningplicht geldt voor boezemsysteem. Het boezemsysteem bestaat overwegend uit primair water en voor een zeer beperkt deel uit secundair water. In paragraaf 3.2.5 zijn de gevallen aangewezen waarvoor geen vergunningplicht geldt maar een meldplicht. Het gaat hierbij om steigers en afmeerpalen in primaire en secundaire wateren buiten de knelpuntengebieden in het boezemsysteem. Paragraaf 3.2.5 bevat voor de aangewezen gevallen meer uitgebreide specifieke zorgplichten voor de betreffende activiteiten. De activiteitgerichte specifieke zorgplichten moeten bij het verrichten van de activiteit in acht worden genomen. Woonschepen, drijvende inrichtingen en drijvende voorwerpen Het gaat hier – naast woonschepen - ook om tijdelijke drijvende inrichtingen die soms nodig zijn voor bijvoorbeeld herstelwerkzaamheden aan kademuren.
De risico’s zijn vergelijkbaar met die van permanente bouwwerken in de watergang. Er geldt een vergunningplicht voor het ligplaatsnemen, meren of ankeren met woonschepen,
86
drijvende inrichtingen en drijvende voorwerpen in de knelpuntengebieden op de ‘knelpuntenkaart boezemsysteem’. In het boezemsysteem zijn knelpuntengebieden aangewezen waar opstuwing van water een risico vormt voor het goed functioneren van de boezem. De vergunningplicht geldt voor het boezemsysteem. Het boezemsysteem bestaat overwegend uit primair water en voor een zeer beperkt deel uit secundair water. In paragraaf 3.2.5 zijn de gevallen aangewezen waarvoor geen vergunningplicht geldt maar een meldplicht. Het gaat hierbij om het ligplaatsnemen, meren en ankeren in de primaire en secundaire wateren buiten de knelpuntengebieden in het boezemsysteem. Paragraaf 3.2.5 bevat voor de aangewezen gevallen meer uitgebreide specifieke zorgplichten voor de betreffende activiteiten. De activiteitgerichte specifieke zorgplichten moeten bij het verrichten van de activiteit in acht worden genomen. Bruggen en dammen Er geldt een vergunningplicht voor bruggen en dammen in het beperkingengebied van primaire wateren. Voor secundaire wateren geldt een vergunningplicht in het geval het water een vaarfunctie heeft en in het geval de brug of dam tevens in het beperkingengebied ligt van een waterkerend dijklichaam of half-verholen waterkering. In paragraaf 3.2.10 zijn de gevallen aangewezen waarvoor geen vergunningplicht geldt maar een meldplicht.
Het gaat hierbij om bruggen en dammen in secundaire wateren die buiten het beperkingenbied liggen van waterkerende dijklichamen of half-verholen waterkeringen. Paragraaf 3.2.10 bevat voor de aangewezen gevallen meer uitgebreide specifieke zorgplichten voor de betreffende activiteiten. De activiteitgerichte specifieke zorgplichten dienen bij het verrichten van de betreffende activiteit in acht te worden genomen. Peilafwijkingen Risico’s van het wijzigen van het peil zijn dat het gebied lokaal te nat of te droog wordt, hetgeen schadelijk kan zijn voor de functie van het gebied. Ook is het mogelijk dat de waterkwaliteit of beheersbaarheid van het watersysteem verslechtert. Er geldt een vergunningplicht voor peilafwijkingen in primaire en secundaire wateren buiten peilafwijkingengebieden. Peilafwijkingengebieden zijn door het bestuur aangewezen gebieden waar het is toegestaan een ander peil te voeren dan in het peilbesluit is vastgelegd. Het gaat hierbij om hoogwatervoorzieningen, natuurterreinen en landgoederen, en niet of moeilijk te wijzigen historische situaties in vooral stedelijk gebied. In paragraaf 3.2.14 zijn voor peilafwijkingengebieden specifieke zorgplichten opgenomen voor het beheer van het waterpeil in het peilafwijkingengebied. De specifieke zorgplichten rusten op degenen die belanghebbend zijn bij het afwijkende waterpeil.
Overhangende bomen, struiken en andersoortige beplanting Deze regel is vooral relevant vanwege de ecologische waterkwaliteit. Beschaduwing vermindert de hoeveelheid licht die kan doordringen in het water, waardoor waterplanten minder goed kunnen groeien. Bladval zorgt voor een toename van voedingsstoffen in het water, waar veel plantensoorten niet goed tegen kunnen. Er geldt een vergunningplicht voor bomen, struiken en andersoortig beplanting in het beperkingengebied van primair water. Vaste vistuigen in het leggerprofiel Het gaat hier om fuiken en dergelijke die een obstakel in het water kunnen vormen, met name voor onderhoud. Er geldt een vergunningplicht voor het hebben van vaste vistuigen in het leggerprofiel van primaire wateren.
87
Bouwwerken en andere werken Het gaat om (bouw)werken die niet reeds zijn aangewezen als vergunningplichtig in de paragrafen 2.4.3 en 2.4.4 of als meldplichtig in de afdeling 3.2. Het betreft bijvoorbeeld kades en voorzieningen voor schaatsers of recreatievaart en dergelijke. De belangrijkste risico’s zijn dat ze een belemmering kunnen vormen voor de aan- en afvoer van water, voor het vaarverkeer en voor het onderhoud en dat ze schade kunnen veroorzaken aan de ecologische kwaliteit van het watersysteem. Paragraaf 2.4.5
Aanwijzing vergunningplichtige gevallen in molenbiotopen
Artikel 2.4.5.1 Er zijn windmolens die nog een functie hebben in het waterbeheer – zij malen water uit. Alleen voor deze molens – die zijn aangewezen door het dagelijks bestuur - geldt dit artikel. Om te zorgen dat ze voldoende wind kunnen vangen geldt een vergunningplicht voor het aanbrengen van hoge gebouwen, voorwerpen of beplanting binnen 200 meter van de molen. In de ruimtelijke ordening vindt ook bescherming plaats van molenbiotopen, uit oogpunt van landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Paragraaf 2.4.6 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen boezemland en bergingsgebieden en bergingsvoorzieningen Boezemland. Boezemland is het land tussen de boezemwaterkeringen en het boezemwater, en maakt deel uit van het oppervlaktewaterlichaam. Onbebouwd boezemland dat onder het zogenoemde 'maatgevende' (hoogst mogelijke) boezempeil ligt, draagt bij aan de berging en doorstroming van water in tijden van hoog water: het mag onder water lopen. Het is belangrijk dat dat zo blijft. Om die reden is het vergunningplichtig om delen van het onbebouwde boezemland af te scheiden door omkading of bedijking, het maaiveld ervan te verhogen, of ze te bebouwen. De ligging van het onbebouwd boezemland onder 0,0 meter NAP staat op de bij de Waterschapsverordening behorende digitale werkingsgebieden. Bergingsgebieden en waterbergingsvoorzieningen.
Gebieden die de status hebben van ‘bergingsgebied’ of ‘waterbergingsvoorziening’ moeten die functie goed kunnen blijven vervullen. Alle activiteiten die nadelig zijn voor de goede staat en werking zijn dan ook vergunningplichtig. Een gebied krijgt de status ‘bergingsgebied’ als het als zodanig is aangewezen overeenkomstig het Besluit activiteiten leefomgeving. Het gaat om land, dat bij hoogwater onder water kan en mag lopen om de bergingscapaciteit van het oppervlaktewatersysteem te verruimen. De status ‘waterbergingsvoorziening’ geldt voor voorzieningen die het bestuur als zodanig heeft aangewezen in de legger op grond van artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet. De artikelen 2.4.6.1, 2.4.6.2 en 2.4.6.3 spreken voor zich. Afdeling 2.5.1
Bestuursbevoegdheden
Paragraaf 2.5.1
Beoordelingsregels
Artikel 2.5.1.1 Beoordelingsregels De Omgevingswet introduceert het begrip beoordelingsregels. Elke regeling waarin vergunningplichtige gevallen worden aangewezen, bevat tevens de beoordelingsregels op grond waarvan de activiteit wordt beoordeeld. Beoordelingsregels kunnen algemeen zijn gesteld of specifiek voor een bepaalde activiteit. In de Waterschapsverordening is gekozen voor algemeen gestelde beoordelingsregels voor de verschillende onderdelen van het watersysteem – waterkeringen, oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden en grondwater. Alleen voor de activiteit van stedelijk uitbreiding zijn specifieke beoordelingsregels opgesteld. Stedelijke uitbreiding vindt doorgaans overwegend plaats buiten het watersysteem, waardoor de beoordelingsregels voor de verschillende onderdelen van het watersysteem niet altijd van toepassing zijn. Daarnaast kan stedelijk uitbreiding vaak nadelige gevolgen hebben voor meerdere onderdelen van het watersysteem. Om deze redenen zijn integrale beoordelingsregels opgesteld specifiek voor stedelijke uitbreiding.
88
Beoordelingsregels. Een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een activiteit in het watersysteem wordt beoordeeld aan de hand van de beoordelingsregels in artikel 2.5.1.1 van de Waterschapsverordening. De beoordelingsregels bestaan uit de oogmerken en de objectgerichte specifieke zorgplichten in de Waterschapsverordening. Een omgevingsvergunning wordt verleend als de activiteit verenigbaar is met de oogmerken en objectgerichte specifieke zorgplichten in de Waterschapsverordening voor de verschillende onderdelen van het watersysteem. Dit betekent dat een integrale, volledige toetsing wordt uitgevoerd op de beoordelingsregels voor de onderdelen van het watersysteem. Voor stedelijke uitbreiding gelden zoals gezegd specifieke beoordelingsregels; deze beoordelingsregels zijn integraal. Dat wil zeggen dat ze de mogelijke nadelige gevolgen van extra verharding voor de verschillende onderdelen van het watersysteem integraal afdekken. Maatwerkvoorschriften en activiteitgerichte specifieke zorgplichten. Het bestuur kan, op grond van artikel 2.5.2.1 van de Waterschapsverordening, in aanvulling of afwijking van de activiteitgerichte specifieke zorgplichten in hoofdstuk 3 een maatwerkvoorschrift opleggen met het oog op de belangen in de oogmerken en objectgerichte specifieke zorgplichten in hoofdstuk 2.
Daarmee zijn de beoordelingsregels voor vergunningverlening van overeenkomstige toepassing op maatwerkvoorschriften. In de activiteitgerichte specifieke zorgplichten heeft in beginsel al een integrale afweging van de objectgerichte specifieke zorgplichten en oogmerken plaatsgevonden voor de betreffende activiteit. Bij het stellen van een maatwerkvoorschrift behoeft daarom niet opnieuw een integrale beoordeling plaats te vinden, maar alleen een beoordeling op het aspect van de activiteit waarvoor het maatwerkvoorschrift gesteld wordt. Beheer en onderhoud tegen maatschappelijk aanvaardbare lasten. AGV heeft de verantwoordelijkheid om te zorgen dat de waterkeringen en het oppervlaktewatersysteem ook in de toekomst voldoen aan de eisen van veiligheid, het voorkomen van wateroverlast, het kunnen handhaven van een adequaat waterpeil en een voldoende waterkwaliteit. Het waterschap pleegt daartoe daarom beheer en onderhoud. Een activiteit kan het uitvoeren van beheer en onderhoud belemmeren. Dat kan betekenen dat het onderhoud op een andere manier dan gebruikelijk moet worden uitgevoerd, die misschien duurder is of meer tijd kost. Het is in het belang van het waterschap en zijn ingelanden dat de lasten van waterbeheer maatschappelijk aanvaardbaar blijven, nu en in de toekomst. Afwenteling van lasten naar de toekomst is onwenselijk.
Activiteiten die leiden tot een substantiële verzwaring van de maatschappelijke lasten worden dan ook in principe niet toegestaan. Zwaarwegende redenen van openbaar belang. Activiteiten die leiden tot een andere – duurdere of meer tijdrovende – manier van onderhoud, kunnen in uitzonderlijke gevallen toch een vergunning krijgen. Dat kan als er sprake is van ‘zwaarwegende redenen van openbaar belang’. Dit is het geval als het medegebruik een algemeen en publiek belang dient. Veelal zal dat het geval zijn bij publieke werken in opdracht van overheden, openbare instanties of privaatrechtelijke organisaties die een publiek belang behartigen. Voorbeelden zijn de aanleg van wegen, tunnels en aquaducten. Er bestaat in beginsel geen aanleiding om medegebruik van zuiver particulier belang toe te staan. Inwoners van het beheergebied van AGV moeten de hogere lasten blijvend opbrengen, zonder dat de voordelen van het particuliere medegebruik ten goede komen aan deze inwoners Beoordelingsmaatstaven. Aan de beoordeling of zwaarwegende redenen van openbaar belang aanwezig zijn, gaat de vraag vooraf of geen acceptabele alternatieven aanwezig zijn om de activiteit elders uit te voeren.
Wanneer op zichzelf wel acceptabele alternatieven bestaan maar de activiteit onvermijdelijk is op basis van geldende wet- en regelgeving (bijvoorbeeld als een leidingbeheerder een leveringsplicht heeft voor een bepaald voorzieningengebied) komt het waterschap ook niet toe aan de beoordeling of er zwaarwegende redenen van openbaar belang zijn om de activiteit toe te staan. Bij een zwaarwegende reden van openbaar belang moet het allereerst gaan om een activiteit van openbaar belang. Over het algemeen is dat het geval bij een initiatief van een overheid, een openbare instantie of een particuliere organisatie die een openbaar belang behartigt. Vervolgens dient het betreffende openbaar belang ‘zwaarwegend’ te zijn, in die zin dat het betreffende openbaar belang de (toekomstige) extra kosten van beheer door het waterschap kan rechtvaardigen. Een belangrijke afweging daarbij is dat de activiteit niet leidt tot maatschappelijk onaanvaardbare lasten van inspectie, onderhoud of verbetering van de waterstaatswerken, ofwel dat de extra lasten worden gedragen door de aanvrager of de toekomstige rechthebbenden van het werk. Afspraken over kosten van beheer en onderhoud en toekomstige vervanging die afwijken van de reguliere onderhoudsplicht
89
worden vastgelegd in een beheerovereenkomst. De beoordeling of in een concreet geval ‘zwaarwegende reden van openbaar belang’ aanwezig zijn, is zuiver bestuurlijk van aard. Artikel 2.5.2.1 Maatwerkvoorschriften Maatwerk. De activiteitgerichte specifieke zorgplichten (gebaseerd op afdeling 3.2) kunnen in individuele gevallen te ruim of te streng zijn. In die gevallen kan het bestuur maatwerkvoorschriften of vergunningvoorschriften stellen. Het bestuur kan zelfstandig een maatwerkvoorschrift nemen of op aanvraag van een belanghebbende. Het waterschap toetst een aanvraag voor een maatwerkvoorschrift aan de beoordelingsregels in artikel 2.5.1.1 van de Waterschapsverordening, dat wil zeggen de oogmerken van watersysteembeheer en de (objectgerichte) specifieke zorgplichten in de Waterschapsverordening. Eventueel met behulp van de beleidsregels. De beleidsregels voor vergunningen zijn dus ook van toepassing op de beoordeling van aanvragen van maatwerkvoorschriften. Samenloop vergunning en maatwerkvoorschriften. Het bestuur neemt het maatwerkvoorschrift op in een apart maatwerkvoorschrift, tenzij voor de activiteit ook een vergunning nodig is. In dat geval neemt het waterschap het maatwerk op in een vergunningvoorschrift. Als het maatwerk onderdeel is van de vergunning, kunnen belanghebbenden bezwaar en beroep instellen tegen het verlenen van de vergunning.
In die procedure kan de belanghebbende ook het maatwerk betrekken. Welke gevallen. Er zijn vier vormen maatwerkvoorschriften: - Maatwerkvoorschriften waarbij het waterschap onderwerpen nader invult of aanvult; - Maatwerkvoorschriften waarbij het waterschap strengere eisen oplegt dan in de activiteitgerichte specifieke zorgplichten in de Waterschapsverordening staan; - Maatwerkvoorschriften waarbij het waterschap minder strenge eisen oplegt dan in de activiteitgerichte specifieke zorgplichten in de Waterschapsverordening staan; - Maatwerk is ook mogelijk in de gevallen waarin in een activiteitgerichte specifieke zorgplicht de formulering ‘niet is toegestaan …’ is gebruikt voor een specifiek onderwerp. Artikel 2.5.2.2 Maatwerkvoorschrift aanbrengen afrasteringen Dit artikel geeft het bestuur de mogelijkheid om gerechtigden van percelen te verplichten om afrasteringen aan te brengen, met als doel waterstaatswerken te beschermen tegen aantasting door dieren (met name vee). Artikel 2.5.3.1 Uitvoeringsprogramma onderhoud secundaire wateren Gebiedsgericht maatwerk voor onderhoud secundaire wateren. Dit artikel heeft betrekking op het gewone onderhoud aan secundaire wateren. In een gebiedsgericht uitvoeringsprogramma geeft het waterschap duidelijkheid aan de onderhoudsplichtigen over een doelmatige manier van onderhoud plegen.
Het uitvoeringsprogramma heeft als uitgangspunt de goede staat en werking van de secundaire wateren. Het uitvoeringsprogramma stelt geen nieuwe onderhoudsmaatregelen vast maar stemt de uitvoering van de bestaande onderhoudsmaatregelen af op de kenmerken van het gebied, rekening houdend met de doelstellingen voor het gebied: het waarborgen van het waterpeil, voldoende waterberging, eventuele beheerdoeltypen in Natura 2000-gebieden of het Natuur Netwerk Nederland, de ecologische waterkwaliteit en maatschappelijke functies van het oppervlaktewatersysteem zoals bijvoorbeeld varen. In een uitvoeringsprogramma kan het waterschap bijvoorbeeld het gewenste (stromings)profiel voor de secundaire wateren in het gebied opnemen. Het gaat bij een uitvoeringsprogramma dus om gebiedsgericht maatwerk. Basis voor toezicht en handhaving. Eenmaal vastgesteld fungeert het uitvoeringsprogramma als onderlegger voor de uitvoering van de schouw. Het uitvoeringsprogramma is in beginsel bindend. Bij de uitvoering van de schouw kan er alleen gemotiveerd van worden afgeweken. Artikel 2.5.4.1 Aanwijzing bijzondere omstandigheden Dit artikel maakt het mogelijk om een onttrekking of infiltratie tijdelijk stop te zetten, als de omstandigheden dat nodig maken.
Dit artikel is onder andere nodig in gevallen van extreme droogte, als de landelijke en regionale afspraken gaan gelden over de verdeling van het beschikbare water over diverse functies, in de landelijke verdringingsreeks (artikel 3.14 Besluit kwaliteit leefomgeving) en de regionale verdringingsreeks in de provinciale Omgevingsverordeningen.
90
Artikel 2.5.4.2 Algeheel verbod bij calamiteiten Dit artikel maakt het mogelijk om een onttrekking of infiltratie tijdelijk stop te zetten, als de omstandigheden dat nodig maken. Dit artikel is onder andere nodig in gevallen van extreme droogte, als er landelijke en regionale afspraken gaan gelden over de verdeling van het beschikbare water over diverse functies. De zogenaamde landelijke verdringingsreeks in artikel 3.14 van het Besluit kwaliteit leefomgeving kan van kracht worden en de regionale verdringingsreeks in de Waterschapsverordening. Paragraaf 2.5.5
Bestuursbevoegdheden binnen de Waterschapsverordening
Inleiding Deze paragraaf bevat de bestuursbevoegdheden die het dagelijks bestuur mag uitoefenen in de Waterschapsverordening en waarvoor het dagelijks bestuur de Waterschapsverordening mag wijzigen, op grond van het Delegatiebesluit Waterschapsverordening AGV. Artikel 2.5.5.1 Vrijstelling voor bepaalde tijd Vrijstelling voor bepaalde tijd. Het bestuur kan uitsluitend voor bepaalde tijd vrijstelling verlenen van vergunningplichtige gevallen in hoofdstuk 2. Een vrijstelling voor onbepaalde tijd zou betekenen dat de vergunningplicht voor de betreffende activiteit geheel of gedeeltelijk zou vervallen. Daartoe is het dagelijks bestuur niet bevoegd. Een vrijstelling is een ontheffing van een verbod voor een categorie van gevallen. Een vrijstelling kan verleend voor een bepaald gebied. Aan een vrijstelling kan een meldplicht en een activiteitgerichte specifieke zorgplichten worden verbonden. Een vrijstelling voor bepaalde tijd kan bijvoorbeeld worden verleend voor de duur van de uitvoering van een project. Daarbij kunnen vergunningplichten voor bepaalde uitvoeringswerkzaamheden buiten werking worden gesteld en vervangen door een meldplicht en activiteitgerichte specifieke zorglichten, met het oog op een doelmatige uitvoering. Artikel 2.5.5.2 Nadere regels specifieke zorgplichten Regels voor activiteiten die niet verboden zijn.
Het bestuur mag nadere regels stellen op de (objectgerichte) specifieke zorgplichten in hoofdstuk 2, voor activiteiten waarvoor geen vergunningplicht geldt in hoofdstuk 2. Het bestuur oefent deze bevoegdheid uit in afdeling 3.2 van de Waterschapsverordening. In afdeling 3.2 heeft het bestuur activiteitgerichte specifieke zorgplichten opgesteld voor de daar aangewezen activiteiten. De activiteitgerichte specifieke zorgplichten zijn uitwerkingen van de objectgerichte specifieke zorgplichten, voor de betreffende activiteit. Artikel 2.5.5.3 Grenswaarden Cumulatieve effecten reguleren. Dit artikel is bedoeld om cumulatieve effecten van activiteiten in een bepaald gebied te kunnen beoordelen en reguleren. Dat is vooral belangrijk voor activiteiten die van invloed zijn op de ecologische kwaliteit binnen een gebied of op het functioneren van het boezemsysteem. Gebruiksruimte. Een grenswaarde geeft de gebruiksruimte weer voor een bepaalde activiteit in een bepaald gebied. Het gaat om activiteiten die een belemmering kunnen vormen voor het behalen van de beheerdoelstellingen van het waterschap (de veiligheidsnormen tegen overstroming, normen voor wateroverlast, peilbesluiten en de KRW-doelstellingen voor ecologische waterkwaliteit). Grenswaarden en overige regels.
Bij het bepalen van grenswaarden voor een activiteit in een bepaald gebied beziet het bestuur of voor die activiteit nog een vrijstelling geldt in het gebied of activiteitgerichte specifieke zorgplichten. Zo nodig kan het bestuur een vrijstelling of activiteitgerichte specifieke zorgplichten laten vervallen in de regels bij de grenswaarden, om eventuele tegenstrijdigheden in regels te voorkomen. Verleende vergunningen. ‘Grenswaarden en regels’ hebben geen rechtsgevolg voor reeds verleende vergunningen. Het bestuur kan een vergunning zo nodig intrekken of wijzigen overeenkomstig artikel 5.40 van de wet. Artikel 2.5.5.4 Absoluut verbod