CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - inspraakversie Waterschapsverordening AGV 2021.pdf

Raadscommissie Mobiliteit, Luchtkwaliteit, Water (MLW) 4 februari 2021, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Zienswijze ontwerp-Waterschapsverordening AGV (ZD2020-013180)37.741 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Artikel 3.2.16.2 Specifieke zorgplicht Lid 3.2.16.2.1 De specifieke zorgplicht, bedoeld in lid 3.2.16.2.2 geldt voor: a. losdrijvende schepen en objecten; b. verspreiding van uitheemse planten en dieren; c. het plaatsen van vaste vistuigen; d. het storten en opslaan van voorwerpen, materialen en stoffen; e. het verrichten van boringen en sonderingen; en f. het aanleggen en vernieuwen van uitstroommondingen. Lid 3.2.16.2.2 De specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.4.1.3, houdt in ieder geval in, dat: a. na beëindiging van een activiteit het oppervlaktewaterlichaam zoveel mogelijk in de oorspronkelijke staat wordt teruggebracht; b. geen schepen, drijvende voorwerpen of drijvende inrichtingen onbeheerd drijven of in geheel of gedeeltelijk gezonken toestand blijven liggen; c. geen uitheemse planten of dieren worden ingebracht of verspreid; d. Vaste vistuigen worden niet geplaatst in het leggerprofiel en de vaarstrook van primaire wateren en in of nabij de monding van duikers en inlaten; e. bij het aanleggen of geheel of gedeeltelijk vernieuwen van uitstroommondingen van drainageleidingen, overstorten of hemelwaterleidingen de monding haaks staat op de oever en de buis niet verder uit de oever steekt dan strikt noodzakelijk; en f.

bij boringen en sonderingen in oppervlaktewaterlichamen en de beschermingszone langs primaire wateren worden waterspanningsmeters en peilbuizen worden goed afgewerkt (bij voorkeur onder maaiveld) en worden gemarkeerd. De peilbuizen, minifilters, waterspanningsmeters en overig werkmateriaal worden na de meetperiode verwijderd.

54

Waterschapsverordening Amstel, Gooi en Vecht - concept

Hoofdstuk 4 Financiële bepalingen Afdeling 4.1

Het verzoek tot schadevergoeding

Paragraaf 4.1.1

Het verzoek tot schadevergoeding

Artikel 4.1.1.1 Het verzoek tot schadevergoeding Als het verzoek tot schadevergoeding betrekking heeft op een besluit en de verzoeker van plan is daartegen bezwaar te maken of beroep in te stellen, wordt dit in het verzoek gemeld.

Artikel 4.1.1.2 Aanhouding behandeling van het verzoek Als rechtsmiddelen zijn aangewend tegen een besluit waardoor de verzoeker naar zijn oordeel schade lijdt of zal lijden, kan het bestuur de behandeling van het verzoek aanhouden tot en met de dag waarop het besluit onherroepelijk is. Van de beslissing tot de aanhouding doet het bestuur schriftelijk mededeling aan de verzoeker.

Artikel 4.1.1.3 Beslissing op het verzoek met advies van de adviseur Lid 4.1.1.3.1 Tenzij toepassing wordt gegeven aan artikel 4.1.1.4, stelt het bestuur het verzoek binnen vier weken na ontvangst in handen van de adviseur. Het bestuur doet hiervan gelijktijdig schriftelijk mededeling aan de verzoeker. De mededeling bevat een opgave van de als adviseur aangestelde persoon of commissie. Lid 4.1.1.3.2 Als het bestuur de verzoeker volgens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht uitnodigt het verzoek aan te vullen, wordt de in het eerste lid genoemde termijn opgeschort tot de dag waarop het verzoek is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. Lid 4.1.1.3.3 Als advies van de adviseur wordt ingewonnen, beslist het bestuur binnen vierentwintig weken na ontvangst op het verzoek. Het bestuur kan de beslissing voor ten hoogste twaalf weken verlengen. Het bestuur stelt de verzoeker schriftelijk in kennis van de verlenging.

Artikel 4.1.1.4 Beslissing op het verzoek zonder advies van de adviseur Lid 4.1.1.4.1 Het bestuur kan op het verzoek beslissen zonder een advies van de adviseur in te winnen, als: a. het verzoek zonder nader onderzoek kan worden toegewezen of afgewezen; b. de vermoedelijk toe te kennen schadevergoeding naar verwachting minder dan € 5.000,00 bedraagt; of c. een beleidsregel over de vergoeding van de schade is vastgesteld. Lid 4.1.1.4.2 Als geen advies van de adviseur wordt ingewonnen, beslist het bestuur binnen acht weken na ontvangst op het verzoek. Het bestuur kan de termijn voor ten hoogste vier weken verlengen. Het

55

Waterschapsverordening Amstel, Gooi en Vecht - concept

bestuur stelt de verzoeker schriftelijk in kennis van de verlenging.

Artikel 4.1.1.5 De adviseur Lid 4.1.1.5.1 Afhankelijk van de complexiteit van het verzoek wijst het dagelijks bestuur als adviseur één ter zake deskundige persoon aan of een commissie bestaande uit drie deskundige personen, waarvan één persoon door het bestuur als voorzitter wordt aangewezen. Lid 4.1.1.5.2 De adviseur is onafhankelijk en onpartijdig en kan geen deel uitmaken van of werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van één van de bestuursorganen van het waterschap of van de Stichting Waternet. De adviseur heeft een geheimhoudingsplicht. Lid 4.1.1.5.3 De verzoeker kan het bestuur verzoeken de adviseur te wraken op grond van feiten of omstandigheden, waardoor de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de adviseur schade zou kunnen lijden. Het verzoek wordt schriftelijk ingediend en is gemotiveerd. Het verzoek wordt gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden. Lid 4.1.1.5.4 Het bestuur beslist binnen vier weken na ontvangst op het verzoek tot wraking. Voordat het bestuur op het verzoek beslist, stelt de verzoeker en de adviseur in de gelegenheid te worden gehoord over het verzoek tot wraking.

Artikel 4.1.1.6 Taken van de adviseur De adviseur stelt een onderzoek in naar en brengt schriftelijk en gemotiveerd advies uit aan het bestuur over: a. de aard en omvang van de schade; b. het causaal verband tussen de schade en de rechtmatige uitoefening door het waterschap van zijn taak of bevoegdheid in het kader van het waterbeheer waardoor de verzoeker naar oordeel schade lijdt of zal lijden; c. de vraag of de schade redelijkerwijs niet of niet geheel ten laste van de verzoeker behoort te blijven; d. de vraag of de vergoeding van de schade niet of niet voldoende anderszins is verzekerd; e. de hoogte van de door het bestuur toe te kennen schadevergoeding; f. eventuele voordeelverrekening; en g. voor zover daartoe aanleiding bestaat: maatregelen of voorzieningen waardoor de schade anders dan door een vergoeding in geld kan worden beperkt of ongedaan gemaakt.

Artikel 4.1.1.7 Werkwijze van de adviseur Lid 4.1.1.7.1 Als de adviseur dit nodig acht, stelt hij een onderzoek in op de locatie van de schade. De adviseur stelt de verzoeker en het bestuur in de gelegenheid het onderzoek bij te wonen.

56

Waterschapsverordening Amstel, Gooi en Vecht - concept

Lid 4.1.1.7.2 De adviseur stelt het bestuur en de verzoeker in de gelegenheid tijdens een hoorzitting hun standpunten mondeling toe te lichten. De uitnodiging wordt ten minste drie weken voor de hoorzitting verzonden. Als de adviseur een onderzoek ter plaatse instelt, kan de hoorzitting met dit onderzoek worden gecombineerd. De verzoeker en het bestuur kunnen tot tien dagen voor de hoorzitting nadere stukken indienen. Lid 4.1.1.7.3 Van de hoorzitting wordt door of onder verantwoordelijkheid van de adviseur een verslag gemaakt, dat bij het advies van de adviseur wordt gevoegd. Lid 4.1.1.7.4 De verzoeker en het bestuur verschaffen de adviseur op zijn verzoek nadere inlichtingen, gegevens en bescheiden waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen en die voor de beoordeling van het verzoek en de voorbereiding van het advies nodig zijn, behoudens weigering op grond van gewichtige redenen. Gewichtige redenen zijn voor het bestuur in ieder geval niet aanwezig, voor zover ingevolge de Wet openbaarheid van bestuur de verplichting zou bestaan de gevraagde informatie te verstrekken. Lid 4.1.1.7.5 De adviseur kan derden, waaronder personen werkzaam onder verantwoordelijkheid van één van de bestuursorganen van het waterschap, verzoeken om inlichtingen, gegevens en bescheiden.

Lid 4.1.1.7.6 De verzoeker en het bestuur kunnen zich ter behartiging van hun belangen laten bijstaan of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen. De adviseur kan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen, tenzij de gemachtigde advocaat is. Lid 4.1.1.7.7 Indien de adviseur dit nodig acht kan degene zich, na toestemming van het bestuur, door één of meer onafhankelijke deskundigen laten bijstaan.

Artikel 4.1.1.8 Het advies Lid 4.1.1.8.1 De adviseur brengt binnen acht weken nadat hij zijn opdracht heeft aanvaard een conceptadvies uit dat aan het bestuur en de verzoeker wordt toegezonden. De adviseur stelt het bestuur en de verzoeker daarbij in de gelegenheid binnen een termijn van vier weken een zienswijze tegen het conceptadvies in te brengen. De adviseur stuurt een afschrift van ingebrachte zienswijzen door aan de andere partij. Lid 4.1.1.8.2 De adviseur vermeldt bij het definitieve advies zijn overwegingen over de tegen het conceptadvies door partijen ingebrachte zienswijzen. Het definitieve advies wordt binnen vier weken na afloop van de termijn om schriftelijk zienswijzen in te brengen uitgebracht.

57

Waterschapsverordening Amstel, Gooi en Vecht - concept

Hoofdstuk 5 Toezicht en handhaving Afdeling 5.1

Toezicht en handhaving

Paragraaf 5.1.1

Schouw

Artikel 5.1.1.1 Schouw Lid 5.1.1.1.1 Het bestuur voert schouw over de waterstaatswerken volgens een door het bestuur vastgestelde planning. Lid 5.1.1.1.2 Ten minste 14 dagen van te voren wordt de datum van de schouw bekend gemaakt. Een schouw op de waterdiepte wordt ten minste een jaar van te voren bekend gemaakt. Lid 5.1.1.1.3 In spoedeisende gevallen kan de bekendmaking worden vervangen door een individuele aanschrijving. De aanschrijving wordt ten minste vier dagen van te voren verstuurd. Lid 5.1.1.1.4 De onderhoudsmaatregelen worden voorafgaand aan de schouw uitgevoerd.

58

Hoofdstuk 6 Overgangs- en slotbepalingen Afdeling 6.1

Overgangs- en slotbepalingen

Paragraaf 6.1.1

Overgangsbepalingen

Artikel 6.1.1.1 Overgangsrecht omgevingsvergunningen Lid 6.1.1.1.1 Een vergunning op grond van de Keur Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2019 zoals die luidde direct voor inwerkingtreding van deze verordening en die onherroepelijk is, geldt als een omgevingsvergunning op grond van deze verordening. Lid 6.1.1.1.2 Als op een activiteit na de inwerkingtreding van deze verordening geen verbod om zonder omgevingsvergunning de activiteit te verrichten geldt, geldt een aan een onherroepelijke omgevingsvergunning voor die activiteit verbonden voorschrift als een maatwerkvoorschrift, voor zover het voorschrift gaat over een onderwerp waarvoor het bestuur maatwerkvoorschriften kan stellen. Lid 6.1.1.1.3 Als voor de inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend voor een activiteit waarvoor op grond van deze Waterschapsverordening een verbod geldt om de activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten, blijft het oude recht van toepassing tot de omgevingsvergunning onherroepelijk wordt. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing als die omgevingsvergunning onherroepelijk wordt.

Lid 6.1.1.1.4 Als een activiteit voor de inwerkingtreding van deze verordening zonder vergunning rechtmatig is verricht en bij de inwerkingtreding van deze verordening voor die activiteit een verbod om zonder omgevingsvergunning de activiteit te verrichten van toepassing wordt, geldt voor die activiteit bij de inwerkingtreding van deze verordening een omgevingsvergunning van rechtswege , mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding. Lid 6.1.1.1.5 Voor een reeds verrichte activiteit die als gevolg van de wijziging het beperkingengebied van een waterstaatswerk voor het eerst vergunningplichtig wordt, geldt voor die activiteit een omgevingsvergunning van rechtswege.

Artikel 6.1.1.2 Overgangsrecht meldingen en maatwerkvoorschriften Lid 6.1.1.2.1 Een melding of kennisgeving van een activiteit die voor inwerkingtreding van deze verordening is gedaan, geldt als een melding van die activiteit op grond van deze verordening, als op die activiteit na de inwerkingtreding van deze verordening een verbod om zonder melding de activiteit te verrichten van toepassing is. Lid 6.1.1.2.2 Een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit die voor inwerkingtreding van deze verordening is ingediend, geldt als een melding van die activiteit op grond van deze verordening, als

59

op die activiteit na de inwerkingtreding van deze verordening een verbod om zonder melding de activiteit te verrichten van toepassing is. Lid 6.1.1.2.3 Een maatwerkvoorschrift voor een activiteit op grond van de Waterschapsverordening zoals die luidde direct voor inwerkingtreding van deze verordening en dat onherroepelijk is, geldt als een maatwerkvoorschrift op grond van deze verordening. Artikel 6.1.1.3 Lid 6.1.1.3.1 Een besluit als bedoeld in artikel 2.5, tweede lid, van de Keur Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2019 geldt als een besluit op grond van artikel 2.5.2a.1. Lid 6.1.1.3.2 Een besluit als bedoeld in de artikelen 2.11 en 2.29 van de Keur Amstel, Gooi en Vecht 2019 geldt als een besluit op grond van artikel 2.5.4.2. Lid 6.1.1.3.3 Een besluit als bedoeld in artikel 2.44 van de Keur Amstel, Gooi en Vecht 2019 geldt als een besluit op grond van artikel 2.5.2.2. Lid 6.1.1.3.4 Een besluit als bedoeld in artikel 2.51 van de Keur Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2019 geldt als besluit op grond van artikel 2.5.3.1.1.

Artikel 6.1.1.4 Overgangsrecht overtredingen Als voor de inwerkingtreding van deze verordening een overtreding heeft plaatsgevonden, een overtreding is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en voor die inwerkingtreding een bestuurlijke sanctie is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, blijft het oude recht op die bestuurlijke sanctie van toepassing tot het tijdstip waarop: a. de beschikking onherroepelijk is geworden en volledig is uitgevoerd of ten uitvoer is gelegd; b. de beschikking is ingetrokken of is komen te vervallen; of c. als de beschikking gaat om de oplegging van een last onder dwangsom: 1. de last volledig is uitgevoerd; 2. de dwangsom volledig is verbeurd en betaald; of 3. de last is opgeheven.

Paragraaf 6.1.2

Citeertitel

Artikel 6.1.2.1 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Waterschapsverordening Waterschap Amstel, Gooi en Vecht.

60

Hoofdstuk 7 Begippenlijst Waterschapsverordening aanwonende: degene die in de directe nabijheid van het water woont, al dan niet daarvan gescheiden door een weg. bebouwde kom: de grens waar de bebouwing, feitelijk of naar de aard van de omgeving, ophoudt; bemaling: filterbemaling, openbemaling of spanningsbemaling bergingsgebied: bergingsgebied als bedoeld in artikel 1.1 lid 1 van de Omgevingswet; beperkingengebied: bij of krachtens de Waterschapsverordening aangewezen gebied waar vanwege de aanwezigheid van een waterstaatswerk regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat waterstaatswerk; beperkingengebiedactiviteit: activiteit binnen een beperkingengebied; beschermende gronden: langs wateren gelegen gronden die achterliggend land beschermen tegen afkalving door golfslag of die lager dan het boezempeil gelegen delen van het land beschermen tegen indringing van boezemwater; bestuur: dagelijks bestuur van het waterschap; blow-out: ter plaatse van de boring vloeibaar worden van de bodem, waardoor de (water)bodem openbarst; bodemonderzoek: milieukundig, grondmechanisch, geologisch of exploratie onderzoek; boezemland: land gelegen tussen boezemwater en een boezemwaterkering; boezemwater: water dat deel uit maakt van het boezemsysteem; bronbemaling: onttrekken van grondwater ten behoeve van het in den droge uitvoeren van bouwactiviteiten of

ontgravingen; constructie volgens het polderprincipe: bouwwerk waarbij kelders en ondergrondse ruimten waterdoorlatend zijn ontworpen en waaruit het opkomend of toestromend water met een pomp of ander werk wordt weggemalen damwand: oeverconstructie, die bestaat uit een verticaal in de grond geplaatste wand, bestaande uit losse elementen die met sloten in elkaar vallen; directe waterkering: waterkering die directe bescherming biedt tegen overstroming door aangrenzend water zonder voorliggende waterkering; drijvend voorwerp: drijvend voorwerp als bedoeld in artikel 1.01, onder D, onder 1°, Binnenvaartpolitiereglement; drijvende inrichting: drijvende inrichting als bedoeld in artikel 1.01, onder D, onder 2° van het Binnenvaartpolitiereglement; eerste watervoerend pakket: bovenste zandlaag die gevormd is in het Pleistoceen. Dit is het eerste watervoerende pakket onder het Holoceen; freatische zone: de bovenste bodemlaag die in directe verbinding staat met de atmosfeer; gestuurde boring: met behulp van een boorinrichting zonder graven (sleufloos) ondergronds gestuurd aanbrengen van een kabel of leiding; gewoon onderhoud: maaien, baggeren, snoeien, verwijderen van materiaal of vuil en herstel van beschadigingen; glastuinbouwgebied: glastuinbouwgebied dat als zodanig is aangewezen op kaart bij deze Waterschapsverordening;

61

groene oeverzone: onverharde begroeide oever, die zich binnen de groene markeringen op de kaart van KRW wateren en Natura 2000-gebieden bevindt; gronddekking: de gronddekking wordt gemeten beneden de maximum geroerde diepte na baggeren (zie ook Richtlijnen Vaarwegen 2011, RWS); grondmechanisch onderzoek: grondonderzoek door middel van sonderingen, handboringen, mechanische boringen, peilbuizen of waterspanningsmeters; grondwater: grondwater als bedoeld in artikel 1.1 lid 1 van de Omgevingswet; grondwaterlichaam: grondwaterlichaam als bedoeld in artikel 1.1 lid 1 van de Omgevingswet; half-verholen waterkering: aan de polderzijde verholen waterkering; hogere gronden: door het bestuur bij besluit op een kaart aangewezen hoger gelegen gebieden; huisaansluiting: individuele aftakking van een doorgaande kabel of leiding, naar een woning of bedrijfsruimte indirecte waterkering: waterkering die beveiliging biedt tegen overstroming nadat een voorliggende (directe) waterkering is bezweken; insteek: snijlijn tussen het schuine talud van een oever met het maaiveld of het talud van een waterkering met de kruin; kruin: min of meer vlakke bovenzijde van een waterkering legger: legger als bedoeld in artikel 1.1 lid 1 van de Omgevingswet leggerprofiel van oppervlaktewaterlichamen: het in de legger, als bedoeld in artikel 1.1 lid 1 van de Omgevingswet, weergegeven profiel benodigd voor water

aan- en –afvoer; leggerprofiel van waterkeringen: het gedefinieerde minimaal vereiste theoretische profiel van een waterkering, vastgelegd in de legger, dat nodig is voor de noodzakelijke bescherming tegen water van buiten middenstrook van het water: een strook water gerekend vanuit de as van het water met een gelijke breedte van 2,5 meter aan beide zijden van de as; Natura 2000-gebieden: gebieden die als zodanig zijn aangewezen op grond van de Wet Natuurbescherming; natuurvriendelijke oever: oever die ten behoeve van de ecologische toestand en (natte) natuurwaarden is ingericht; oever: zone langs de watergang tussen de waterlijn en de insteek; oevertalud: hellingsvlak van de oever; onderwaterprofiel: profiel van een watergang onder de waterlijn; ontgravingsniveau: niveau van de ontgraving beneden het maaiveld; onttrekken van grondwater: onttrekken van grondwater door middel van een mechanische pomp of een ander werk bestemd voor het onttrekken van grondwater; onttrekken van oppervlaktewater: door middel van een werk halen van water uit een oppervlaktewaterlichaam, zonder dat het water daarbij in een ander oppervlaktewaterlichaam wordt gebracht; onttrekkingsinrichting: inrichting of werk, bestemd tot het onttrekken van grondwater. Onttrekkingsinrichtingen voor het onttrekken van grondwater die een samenhangend geheel vormen, worden als één onttrekkingsinrichting aangemerkt.

open wateren: meren en plassen en overige niet-lijnvormige wateren;

62

oppervlaktewaterlichaam: oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in artikel 1.1 lid 1 van de Omgevingswet ; overstroombaar boezemland: boezemland dat lager ligt dan 0,0 meter NAP. primaire wateren: wateren waaraan het waterschap een belangrijke functie toekent in de aan- en afvoer van water en waterberging; primaire waterkering: primaire waterkering als bedoeld in artikel 1.1 lid 1 van de Omgevingswet; profiel van vrije ruimte: de rond het leggerprofiel gereserveerde naar verwachting benodigde ruimte voor in de toekomst benodigde versterking en ophoging rode zone: oeverzone als bedoeld in het Verkeersbesluit AGV Ligplaats nemen; schip: vaartuig, met inbegrip van een vaartuig zonder waterverplaatsing, dat feitelijk wordt gebruikt of geschikt is om te worden gebruikt als middel tot verplaatsing te water; schouw: periodiek toezicht op de naleving van de onderhoudsverplichtingen in deze Waterschapsverordening met betrekking tot waterstaatswerken; secundaire wateren: wateren die geen primaire wateren zijn; secundaire waterkering: waterkering van regionaal belang; stedelijk gebied: gebied, als zodanig aangewezen op kaart bij deze Waterschapsverordening; stijghoogte: grondwaterstand in een peilbuis die staat afgesteld in een watervoerend pakket; streefpeil: oppervlaktewaterpeil dat door het waterschap zoveel mogelijk wordt gehandhaafd; teen: lijn die overeenkomt met de snijlijn van het

waterkeringtalud met het horizontaal gelegen maaiveld dan wel met de bodem van het aangrenzende water waarbij in geval van een steunberm onder teen verstaan: de teen van de (steun)berm; tertiaire waterkering: waterkering van lokaal belang die niet gerekend worden tot de primaire of secundaire waterkeringen; verhard oppervlak: oppervlak met een doorlatend vermogen van minder dan 90 liter per seconde per hectare; verholen waterkering: waterkering die niet duidelijk herkenbaar is als dijklichaam maar onderdeel is van een hoger gelegen gebied of zone; verlanding: ophoping van plantenmateriaal, bagger, slib, zand of andere materialen tot boven de waterlijn van het betreffende water; verkeersvoorzieningen: voorzieningen met een verkeer regulerende functie, zoals verkeersdrempels, verkeersplateaus, vernauwingen, obstakels en dergelijke; vaarstrook: in het Verkeersbesluit AGV Ligplaats nemen vastgestelde minimaal vrij te houden vaarwegbreedten voor de in dat besluit aangewezen scheepvaartwegen; vuil: drijf- en zwerfvuil, drijvende of (half) afgezonken voorwerpen en dode dieren en vissen; GW wateren: oppervlaktewaterlichamen watergang: lijnvormige wateren: rivieren, kanalen, vaarten, grachten, tochten, sloten en singels; waterbergingsvoorziening: een buiten het watersysteem getroffen voorziening, bedoeld om hemelwater of ander water vast te houden of te bergen voordat het water

verdampt, door planten wordt opgenomen, infiltreert in de bodem of wordt afgevoerd naar een regenwaterriool of het oppervlaktewaterlichaam; waterbodem: het onder de waterlijn gelegen grondvlak inclusief de natte oevertaluds. De

63

waterbodem omvat het oorspronkelijke bodemmateriaal en de aanwezige bagger; wateren: watergangen en open wateren; wateren met vaarfunctie: bevaarbare wateren die voor het publiek toegankelijk zijn. waterlijn: overgang van het natte naar het droge talud bij het streefpeil of winterpeil dat in het peilbesluit is opgenomen of praktisch wordt toegepast; waterkerend dijklichaam: waterkering in de vorm van een dijk met een kruin, een binnen- en buitentalud en een binnen- en buitenteen; waterkering: grondlichaam of deel van een grondlichaam dat beveiliging biedt tegen overstroming, met inbegrip van de daarin aanwezige ondersteunende kunstwerken; waterkering vervangend werk: werk met een ondersteunend grondlichaam, dat gelijke beveiliging biedt tegen overstroming als een waterkering; waterschap: waterschap Amstel, Gooi en Vecht; waterstaatswerk: waterstaatswerk als bedoeld in artikel 1.1 lid 1 van de Omgevingswet; watersysteem: watersysteem als bedoeld in artikel 1.1 lid 1 van de Omgevingswet; watervoerend pakket: geologische formatie waarbinnen grondwater zich eenvoudig kan verplaatsen; werken: alle door menselijk toedoen ontstane of gemaakte objecten, constructies of inrichtingen, die met de ondergrond verbonden zijn; woonschip: ark of schip bestemd of in gebruik om op te wonen.

64

Toelichting Algemeen Taken, doelen, omgevingswaarden en waterbeheerprogramma. Het waterschap is belast met de zorg voor het watersysteem. De zorg voor watersysteem omvat het beheer van de oppervlaktewateren, waterkeringen en bergingsgebieden, grondwater en ondersteunende waterstaatkundige kunstwerken. Het beheer van het watersysteem is geregeld in de Omgevingswet, als onderdeel van het beheer van de fysieke leefomgeving. Van de fysieke leefomgeving maken voorts deel uit: bouwwerken, infrastructuur, bodem, lucht, natuur, landschap en cultureel erfgoed. De Omgevingswet wil samenhangende, doelmatige en vereenvoudigde regels stellen over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving met het oog op duurzame ontwikkeling. Het maatschappelijke doel van de Omgevingswet is het bereiken van een balans tussen: - een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit bereiken en in stand houden; en - het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving om er maatschappelijke behoeften mee te vervullen. Het waterschap oefent zijn taken en bevoegdheden uit met het oog op de doelstellingen van waterbeheer, zoals verwoord in artikel 4.23 van de Omgevingswet en artikel 1.1.4.1 van de Waterschapsverordening: a. voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met b.

bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en c. vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen. Voor waterkeringen en oppervlaktewaterlichamen zijn de doelstellingen van waterbeheer uitgewerkt in omgevingswaarden. Een omgevingswaarde geeft de gewenste staat of kwaliteit van het waterstaatswerk weer. Het Rijk en de provincies hebben omgevingswaarden vastgesteld voor primaire en regionale waterkeringen in respectievelijk het Besluit Kwaliteit Leefomgeving en de provinciale Omgevingsverordeningen. In de Omgevingsverordeningen zijn tevens omgevingswaarden vastgesteld voor wateroverlast en voor de ecologische waterkwaliteit van het regionale watersysteem zoals vereist in de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). Voor omgevingswaarden geldt een monitoringsplicht waarbij de staat en kwaliteit van het watersysteem systematisch wordt gemonitord. Voorts is het waterschap in het kader van het waterkwantiteitsbeheer verantwoordelijk voor het vaststellen en handhaven van het oppervlaktewaterpeil, en in tijden van droogte het verdelen van het beschikbare water over de verschillende maatschappelijke belangen volgens de ‘verdringingsreeks’. Tot slot is het waterschap belast met de calamiteitenzorg voor het watersysteem in zijn beheergebied.

In zijn waterbeheerprogramma bepaalt het waterschap welke maatregelen het gaat uitvoeren om de doelstellingen van waterbeheer te bereiken. Het de taak van het waterschap de staat en werking van het watersysteem te beheren en verbeteren, met het oog op het bereiken van de doelstellingen van waterbeheer tegen aanvaardbare maatschappelijke lasten, nu en in de toekomst. Waar gaat de waterschapverordening over. De Waterschapsverordening is een juridisch instrument om het watersysteem te beschermen tegen activiteiten die nadelige gevolgen voor de goede staat en werking van het watersysteem kunnen hebben. Het gaat om de volgende activiteiten: 1. lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam 2. lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk (rioolwaterzuiveringsinstallatie) 3. activiteiten in of nabij het oppervlaktewater 4. activiteiten in, op of nabij waterkeringen 5. het onttrekken van grondwater en het infiltreren van water in de bodem

65

In de Waterschapsverordening mogen bepaalde regels niet staan (zie artikel 2.2 lid 2 Omgevingsbesluit). Die gaan over: - onderhoudsplichten of onderhoudsverplichtingen: deze worden exclusief in de legger opgenomen; - de strafbaarstelling van de overtreding van regels van de Waterschapsverordening of het opleggen van een bestuurlijke boete daarvoor: die staan in de Omgevingswet en de Wet op de economische delicten; - het heffen van belastingen door het waterschap. Decentralisatie lozingsregels. De lozingsactiviteiten op oppervlaktewateren en rioolwaterzuiveringen werden voorheen landelijk geregeld door het Rijk. Onder de Omgevingswet kunnen de waterschappen nu echter zelf regels over lozingen stellen in hun Waterschapsverordening, binnen de grenzen die de Omgevingswet daaraan stelt. Om de decentralisatie naar de waterschappen soepel te laten plaatsvinden heeft het Rijk de landelijke regels voor lozingsactiviteiten omgezet naar een set lokale regels voor de waterschappen, de zogenoemde ‘bruidsschat’ voor de waterschappen. De bruidsschat maakt van rechtswege deel uit van de Waterschapsverordening bij het inwerkingtreden van de Omgevingswet. Het waterschap heeft daardoor tijd om zelf lozingsregels te ontwerpen die passen bij de karakteristiek van zijn beheergebied. Hoofdstukindeling Waterschapsverordening. De Waterschapsverordening bevat zes hoofdstukken.

Hoofdstuk 1 bevat de algemene bepalingen. In hoofdstuk 1 wordt onder andere de geografische reikwijdte van de werking van de Waterschapsverordening vastgelegd door de begrenzingen van de waterstaatswerken en hun beschermingszones aan te geven. Onder de Waterwet stonden deze begrenzingen op de overzichtskaart bij de legger als bedoeld in artikel 5.1 van de Waterwet, onder de Omgevingswet maken ze deel uit van de Waterschapsverordening en niet van de legger als bedoeld in artikel 2.39 van de Omgevingswet. Hoofdstuk 2 is objectgericht ingedeeld en bevat per onderdeel van het watersysteem de oogmerken van beheer, de (objectgerichte) specifieke zorgplichten met betrekking tot het betreffende onderdeel van het watersysteem en de vergunningplichtige gevallen. Voorts worden in hoofdstuk 2 bevoegdheden toegekend aan het dagelijks bestuur ten behoeve van een adequate uitvoering van de Waterschapsverordening en het waterbeleid voor het beheergebied. Hoofdstuk 3 is activiteitgericht en bevat per soort van activiteit de meldplichtige en informatieplichtige gevallen. Dat zijn de gevallen waarvoor geen vergunningplicht geldt, maar wel activiteitgerichte specifieke zorgplichten. Voorts zijn in hoofdstuk 3 de indieningsvereisten opgenomen voor aanvragen, meldingen en informatieplichten. Hoofdstuk 4 bevat nadere procedurele regels over de behandeling van schadeverzoeken door het waterschap.

Hoofdstuk 5 gaat over toezicht en handhaving, en bevat een regeling over de schouw. Tot slot bevat hoofdstuk 6 het overgangsrecht en de slotbepalingen. Doelgerichte regels. De Waterschapsverordening bevat geen algemene verboden meer. Alle activiteiten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor het watersysteem, zijn zo concreet mogelijk omschreven in de vergunningplichten in hoofdstuk 2 en in de activiteitgerichte specifieke zorgplichten in hoofdstuk 3. Een activiteitgerichte specifieke zorgplicht omschrijft per activiteit welke zorg men concreet in acht moet nemen om aan de objectgerichte specifieke zorgplichten te voldoen. De activiteitgerichte specifieke zorgplichten zijn in die zin uitwerkingen van de objectgerichte specifieke zorgplichten voor de betreffende activiteit. Als een activiteit niet onder de werking valt van een activiteitgerichte specifieke zorgplicht, zijn nog altijd de objectgerichte specifieke zorgplichten in hoofdstuk 2 van toepassing - als vangnet. Voor een activiteit kan een vergunningplicht, een meldplicht of een informatieplicht gelden. Het is verboden een vergunningplichtige activiteit te verrichten zonder vergunning. Een meldplichtige activiteit kan verricht worden zonder vergunning. Er geldt echter wel een verbod op het verrichten van een meldplichtige activiteit voordat de melding is gedaan.

Op basis van dat verbod kan handhavend worden opgetreden tegen het verrichten van een activiteit die niet vooraf is gemeld. In de Waterschapsverordening is een meldplicht opgenomen voor de gevallen waarin het bestuur mogelijk bij de uitvoering van activiteit aanwezig zou willen zijn, of waar het bestuur mogelijk een maatwerkvoorschrift zou willen opleggen. Tot slot zijn er activiteiten die zondermeer verricht mogen

66

worden, maar waarover het bestuur wel geïnformeerd wil worden. In dat geval is voor de activiteit een informatieplicht opgelegd. Maatwerkvoorschriften. In de activiteitgerichte specifieke zorgplichten in hoofdstuk 3 heeft in beginsel een integrale afweging van waterhuishoudkundige belangen plaatsgevonden voor de betreffende activiteit. In voorkomende gevallen kan die afweging echter te streng zijn of te soepel. In die gevallen kan het dagelijks bestuur een maatwerkvoorschrift stellen in afwijking of aanvulling op de activiteitgerichte specifieke zorgplichten, al naar gelang de omstandigheden van het geval en de betrokken waterhuishoudkundige belangen. Beoordelingsregels. De Omgevingswet introduceert het begrip beoordelingsregels. Elke regeling waarin vergunningplichtige gevallen worden aangewezen, bevat tevens de beoordelingsregels op grond waarvan de activiteit wordt beoordeeld. Beoordelingsregels kunnen algemeen zijn gesteld of specifiek voor een bepaalde activiteit. In de Waterschapsverordening is gekozen voor algemeen gestelde beoordelingsregels voor de verschillende onderdelen van het watersysteem – waterkeringen, oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden en grondwater. Alleen voor de activiteit van stedelijk uitbreiding zijn specifieke beoordelingsregels opgesteld.

Stedelijke uitbreiding vindt doorgaans plaats buiten het watersysteem, waardoor de beoordelingsregels voor de verschillende onderdelen van het watersysteem niet altijd van toepassing zijn. Daarnaast kan stedelijk uitbreiding vaak nadelige gevolgen hebben voor meerdere onderdelen van het watersysteem. Om deze redenen zijn integrale beoordelingsregels opgesteld specifiek voor stedelijke uitbreiding. Een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een activiteit in het watersysteem wordt beoordeeld aan de hand van de beoordelingsregels in artikel 2.5.1.1 van de Waterschapsverordening. De beoordelingsregels bestaan uit de oogmerken en de objectgerichte specifieke zorgplichten voor de verschillende onderdelen van het watersysteem zoals aangegeven in hoofdstuk 2 van de Waterschapsverordening. De objectgerichte specifieke zorgplichten richten zich tot een ieder die een activiteit verricht in het watersysteem (normadressaat) en vormen het directe toetsingskader voor de activiteit. De oogmerken voor regels voor de diverse onderdelen van het watersysteem richten zich tot het waterschap (normadressaat) en geven aan waarop de regels in de objectgerichte specifieke zorgplichten – maar ook in vergunningvoorschriften, activiteitgerichte specifieke zorgplichten en maatwerkvoorschriften - gericht zijn. De oogmerken gelden dus niet rechtsreeks tegenover een initiatiefnemer.

Ze kunnen wel indirect van betekenis zijn via de objectgerichte specifieke zorgplichten. De objectgerichte specifieke zorgplichten worden uitgelegd tegen de achtergrond van de oogmerken voor het betreffende onderdeel van het watersysteem, waar ze uit voortkomen. Voorts wordt opgemerkt dat de objectgerichte specifieke zorgplichten niet uitputtend zijn geformuleerd (“… houden in ieder geval in dat …”). Bij de beoordeling van een specifiek geval kan het waterschap de objectgerichte specifieke zorgplichten aanvullen, mits de aanvulling past binnen de oogmerken. Om deze beide functies van de oogmerken voor de toepassing van de objectgerichte specifieke zorgplichten buiten twijfel te stellen, maken de oogmerken uitdrukkelijk deel uit van de beoordelingsregels. Het voorgaande betekent ook dat in vergunningvoorschriften, maatwerkvoorschriften en beleidsregels niet kan worden afgeweken van de in hoofdstuk 2 gegeven oogmerken en objectgerichte specifieke zorgplichten voor de verschillende onderdelen van het watersysteem. Flexibiliteit. Door het schrappen van algemene verboden en het stelsel van doelgerichte regels wordt beoogd flexibiliteit en ruimte te scheppen voor maatschappelijke ontwikkeling met behoud van omgevingskwaliteit. Flexibiliteit wordt vooral ook bereikt door bestuursbevoegdheden toe te kennen aan het dagelijks bestuur zodat maatwerk kan worden geleverd daar waar dat kan.

In afdeling 2.5 van de waterschapverordening wordt het dagelijks bestuur de volgende bestuursbevoegdheden toekend. - Het vaststellen van activiteitgerichte specifieke zorgplichten voor activiteiten waarvoor geen vergunningplicht geldt.

67

-

-

-

Het vaststellen van de indieningsvereisten voor vergunningaanvragen, meldingen en informatieplichten. Het wijzigen van de geografische werkingsomvang van regels. Aanpassing van de werkingsomvang is vaak gewenst vanwege een wijziging van de ligging of omvang van een waterstaatswerk, als gevolg van activiteiten van het waterschap zelf of vanwege activiteiten van derden waarvoor het waterschap vergunning heeft verleend. Grenswaarden. Voor activiteiten kunnen gebiedsgewijs grenswaarden worden vastgesteld. Wanneer de voor het gebied vastgestelde grenswaarde wordt overschreden wordt geen vergunning verleend. Gebiedsgerichte normen voor stedelijke uit- en inbreiding en verhard oppervlak. Gebiedsgewijs kan het vergunningplichtig oppervlak worden vastgesteld en de compensatienorm voor het verhard oppervlak. Uitvoeringsprogramma onderhoud secundair water. In het uitvoeringprogramma kan gebiedsgewijs de wijze van uitvoering van de onderhoudsverplichtingen voor secundair worden vastgelegd. Het onderhoudsprogramma bevat geen nieuwe onderhoudsverplichtingen maar legt slechts de wijze van uitvoering vast. Wel is het mogelijk in het uitvoeringsprogramma af te wijken van de generieke onderhoudsafmetingen voor secundaire water. Tijdelijke vrijstelling van vergunningplichten.

Het dagelijks bestuur kan tijdelijk een vrijstelling verlenen, bijvoorbeeld voor de duur van een project of gebiedsontwikkeling. Een vrijstelling voor onbepaalde tijd is niet mogelijk. Dat zou effectief het schrappen van een vergunningplicht betekenen. Daartoe is het dagelijks bestuur niet bevoegd. Het dagelijks bestuur kan wel het algemeen bestuur voorstellen de vergunningplicht te wijzigen of schrappen.

Uitvoering Waterschapsverordening. De Waterschapsverordening wordt uitgevoerd door het dagelijks bestuur binnen de kaders die het algemeen bestuur stelt in de Waterschapsverordening en in zijn beleid. Het Besluit kwaliteit leefomgeving wijst het dagelijks bestuur dwingend aan als bevoegd gezag voor vergunningverlening en voor het stellen van maatwerkvoorschriften. De Waterschapsverordening bevat een ‘taakverdeling’ tussen het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur. In hoofdstuk 2 geeft het algemeen bestuur de kernbepalingen voor de regulering van activiteiten. De kernbepalingen bestaan uit enerzijds de oogmerken en objectgerichte specifieke zorgplichten voor de verschillende onderdelen van het watersysteem, en anderzijds de vergunningplichten voor activiteiten in het watersysteem. Het dagelijks bestuur kan alleen voor activiteiten die niet vergunningplichtig zijn, nadere regels stellen. De nadere regels kunnen een meldplicht of informatieplicht inhouden en een activiteitgerichte specifieke zorgplicht. Een activiteitgerichte specifieke zorgplicht kan uitsluitend opgesteld met het oog op de belangen genoemd in de oogmerken en objectgerichte specifieke zorgplichten in hoofdstuk 2. Bij de beoordeling van een aanvraag van een omgevingsvergunning of het stellen van een maatwerkvoorschrift is het dagelijks bestuur gebonden aan de beoordelingsregels.

Zoals hierboven reeds is aangegeven bestaan de beoordelingsregels uit de oogmerken en objectgerichte specifieke zorgplichten voor de verschillende onderdelen van het watersysteem. De bevoegdheden tot het vaststellen van grenswaarden en gebiedsgerichte normen voor stedelijke verharding bieden het dagelijks bestuur de mogelijkheid om flexibel en gebiedsgericht uitvoering te geven aan het beleid van het waterschap. De bestuursbevoegdheden in de Waterschapsverordening zijn uitdrukkelijk uitvoeringsbevoegdheden, ze beogen niet het dagelijks bestuur exclusieve beleidsbevoegheden toe te kennen. Delegatiebesluit Waterschapsverordening. Artikel 2.5 van de Omgevingswet bepaalt dat het algemeen bestuur één verordening vaststelt waarin alle regels met betrekking tot het watersysteem worden opgenomen, met uitzondering van de regels met betrekking tot het onderhoud van het watersysteem, zie artikel 2.2 lid 2 van het Omgevingsbesluit. Dit betekent dat de regels die het dagelijks bestuur mag stellen dienen te worden vastgesteld in de Waterschapsverordening. Vaststelling van regels in een separaat besluit van het dagelijks bestuur,

68

zoals het Keurbesluit, is niet meer mogelijk. Om alle regels in een verordening te kunnen opnemen voorziet artikel 2.8 van de Omgevingswet in een delegatiebepaling waarbij het algemeen bestuur vaststelling van delen van de Waterschapsverordening kan delegeren aan het dagelijks bestuur in een separaat Delegatiebesluit. Hiervan is gebruik gemaakt in Delegatiebesluit Waterschapsverordening AGV. Paragraaf 2.5.5 van de Waterschapsverordening bevat de bestuursbevoegdheden die het dagelijks bestuur uitsluitend kan uitoefenen in de Waterschapsverordening. Het Delegatiebesluit Waterschapsverordening staat toe dat het dagelijks bestuur de Waterschapsverordening kan wijzigen voor zover het de in paragraaf 2.5.5 genoemde bestuursbevoegdheden betreft. De wettelijke bepalingen met de betrekking tot de voorbereiding en vaststelling van een wijziging van de Waterschapsverordening blijven overigens onverkort van toepassing. Digitaal stelsel omgevingswet (DSO). De eis van digitale ontsluiting van de regels in het DSO heeft enkele gevolgen voor de vormgeving van de regels. Een belangrijke eis is dat elke regel een geometrisch werkingsgebied heeft. Voor een goede digitale verwerking kan aan een artikellid slechts 1 werkingsgebied worden gekoppeld.

69

Toelichting artikelsgewijs Afdeling 1.1

Algemene bepalingen

Paragraaf 1.1.1

Begripsbepalingen

Artikel 1.1.1.1 De begripsbepalingen zijn opgenomen in hoofdstuk 7 van de Waterschapsverordening. Paragraaf 1.1.2

Reikwijdte

Artikel 1.1.2.2 Begrenzing waterstaatswerken De geometrische begrenzingen van de verschillende categorieën van waterstaatswerken en hun beschermingszones zijn opgenomen in bijlage IV bij de Waterschapsverordening. De geometrische begrenzingen geven de fysieke werkingsomvang van de regels weer. Onder de Waterwet stonden deze begrenzingen op de overzichtskaart bij de legger als bedoeld in artikel 5.1 van de Waterwet, onder de Omgevingswet maken ze deel uit van de Waterschapsverordening en niet van de legger als bedoeld in artikel 2.39 van de Omgevingswet. Lid 1 Diverse verschijningsvormen van waterkeringen Naast waterkeringen met een duidelijk waterkerend dijklichaam kunnen waterkeringen ook geheel of gedeeltelijk onzichtbaar, ofwel ‘verholen’, zijn, omdat ze onderdeel zijn van een groter grondlichaam of van hoger gelegen gronden. Daarnaast kunnen ook damwanden, sluizen, stuwen en andere "werken" de functie van waterkering hebben. De regels voor dijklichamen, (half)-verholen keringen, beschermende gronden en waterkering vervangende kunstwerken kunnen verschillen, zoals ook blijkt uit de paragrafen 2.3.2 tot en met paragraaf 2.3.5. Daarom legt AGV de ligging van de verschillende categorieën vast als digitaal werkingsgebied.

Lid 2 Afbakening van het gebied waarbinnen de regels gelden Oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden kennen een afbakening waarbinnen de regels uit de Waterschapsverordening voor bepaalde activiteiten gelden, in de terminologie van de Omgevingswet: beperkingengebieden. Voor watergangen bestaat het beperkingengebied uit het oppervlaktewaterlichaam, de bijbehorende kunstwerken en een zone aan weerszijden van de watergang. Voor bergingsgebieden bestaat het beperkingengebied uit de waterberging zelf en de bijbehorende kunstwerken. De breedte van de beschermingszones De breedte van de beschermingszones verschillen voor primaire en secundaire wateren. Voor primaire wateren is de zone aan weerszijden 5 meter breed (gerekend vanaf de insteek van het talud bij een steile oever, of vanaf de waterlijn bij een flauwe oever). Voor secundaire wateren is de zone aan weerszijden 40 cm breed. De breedtes kunnen hiervan afwijken als het bestuur heeft besloten tot een andere breedte. Artikel 1.1.2.4 Waterstaatswerken die niet geometrisch begrensd zijn Verschillende beschermingszones Waterkeringen kennen verschillende beschermingszones. In de terminologie van de Omgevingswet vormen zij samen het beperkingengebied van de waterkering. Het gaat om de kernzone, de beschermingszone en de buitenbeschermingszone. Voor de kernzone gelden de strengste regels.

De regels in de beschermingszones zijn op hun beurt weer strenger dan in de daarbuiten gelegen buitenbeschermingszones. De breedte van de zones hangt af van het type waterkering.

70

Figuur: Schematische weergave zones bij een waterkerend dijklichaam De kernzone Bij een dijklichaam is de kernzone het deel tussen de binnenteen en de buitenteen van de dijk, onafhankelijk van de vraag of het een primaire, secundaire of tertiaire kering is. Verholen en half-verholen waterkeringen hebben geen binnen- en buitenteen. Dit artikel bevat daarom specifieke breedtes die gelden, tenzij er in de legger een andere breedte staat. Bij verholen en half-verholen primaire waterkeringen is de breedte van de kernzone 5 meter. Bij verholen en halfverholen secundaire en tertiaire keringen is de kernzone 3 meter breed. De beschermingszone De beschermingszone bestaat uit een binnendijks deel en een buitendijks deel. De breedte is afhankelijk van het type kering (primair, secundair of tertiair; direct of indirect; dijklichaam of (half)verholen) en van de waterkerende hoogte die de waterkering moet hebben. Dit artikel bevat een tabel waarmee de breedte van de beschermingszone berekend kan worden. In onderstaand figuur is te zien op welke manier de kerende hoogte bepaald kan worden.

Figuur: Waterkerende hoogte De buitenbeschermingszone De tabel bevat ook de breedtes van de buitenbeschermingszones bij de verschillende typen waterkering. Beschermende gronden Naast waterkeringen kent de Waterschapsverordening beschermende gronden. Dit zijn oeverzones

71

die een functie hebben bij de bescherming van het achterland tegen wateroverlast. Ze beschermen achterliggende gebieden tegen afkalving door golfslag (bijvoorbeeld langs de Vinkeveense plassen) of het indringen van boezemwater. De breedte van deze gronden hangt af van de functie: 3 meter vanaf de waterlijn of de oeverbeschoeiing bij bescherming tegen indringing van boezemwater, 10 meter bij bescherming tegen afkalving door golfslag. Deze gronden mogen niet worden afgegraven en de beschoeiing ervan dient afdoende te zijn om afkalving van de gronden zelf, of uitspoeling van het land daarachter, te voorkomen. Ze zijn aangegeven als werkingsgebied in de Waterschapsverordening. Compartimentering boezemwater Amsterdam In Amsterdam bestaat er een speciale situatie. Binnen een bepaald gebied (‘Compartimentering boezemwater Amsterdam’) liggen kerende werken in het water zoals sluizen en afsluitbare keerschotten, bedoeld om de stadsboezem af te kunnen sluiten van de omliggende boezems van het Noordzee- en Amsterdam-Rijnkanaal en van de boezem van Amstelland. Dit kan af en toe nodig zijn wanneer waterstanden zo snel en hoog oplopen, dat er een risico ontstaat voor het stedelijk gebied van Amsterdam.

Om er zeker van te zijn dat de kademuren die onderdeel zijn van de Compartimentering boezemwater in Amsterdam voldoende stabiel blijven, is een zone van 3 meter landinwaarts vanuit de kademuur beschermd als kernzone. Door aan beide zijden een zone van 6 meter als beschermingszone aan te wijzen is deze ‘beperkt beschermd’. Paragraaf 1.1.3

Normadressaat

Artikel 1.1.3.1 Degene die de activiteit uitvoert moet voldoen aan de regels die gelden voor de activiteit. Dat kunnen de regels zijn die horen bij een tijdelijke vrijstelling, nadere regels voor niet-verboden activiteiten of regels in maatwerkvoorschriften. Paragraaf 1.1.4

Oogmerken

Artikel 1.1.4.1 Oogmerken algemeen Dit artikel bevat de algemene oogmerken van waterbeheer. De algemene oogmerken worden in hoofdstuk 2 uitgewerkt in de oogmerken voor de verschillende onderdelen van het watersysteem – grondwater, waterkeringen en beschermende en oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden. Voor de aanleg van verhard oppervlak en stedelijke uitbreiding zijn aparte oogmerken geformuleerd. Voor de toelichting daarop wordt verwezen naar het algemeen van toelichting hierboven. Paragraaf 1.1.5

Specifieke zorgplicht

Artikel 1.1.5.1 Specifieke zorgplicht Water is een collectief goed. Zorgvuldig omgaan met het watersysteem is een verantwoordelijkheid van iedereen. Dit artikel beschrijft die verantwoordelijkheid. Het is een vangnet en een grondslag om activiteiten te kunnen reguleren om nadelige gevolgen van activiteiten voor de goede staat en werking van het watersysteem te voorkomen. Paragraaf 1.1.6

Uitzondering beheeractiviteiten

Regulier beheer en onderhoud door het waterschap zijn uitgezonderd van de vergunningplichten en meld- en informatieplichten in de Waterschapsverordening. Daarop bestaan twee uitzonderingen. Dat is bij de aanleg of wijziging van waterstaatswerken. In dat geval is een wijziging van de legger noodzakelijk en kan niet meer worden gesproken van onderhoud van het waterstaatwerk. Van onderhoud is immers alleen sprake als het waterstaatswerk in overeenstemming wordt gebracht met de normatieve afmetingen in de legger. Het tweede geval betreft het planmatig onderhoud van waterstaatswerken. Bij planmatig onderhoud is geen sprake van incidenteel herstel maar wordt het onderhoud planmatig voorbereid. Dat is meestal het geval wanneer de omvang van het werk en de bij het werk betrokken belangen van de omgeving een meer uitgebreide voorbereiding en afweging vergen. In beide gevallen biedt het verlenen van een omgevingsvergunning voor de waterschapswerken

72

rechtsbescherming voor belanghebbenden. Afdeling 2.1 Regels over verhard oppervlak en stedelijke uitbreiding Paragraaf 2.1.1 Algemene bepalingen Artikel 2.1.1.1 Reikwijdte Deze afdeling beschrijft het doel van de regels over stedelijke uitbreiding en aanleg van verhard oppervlak en de bijbehorende specifieke zorgplicht voor het watersysteem daarbij. De artikelen beschrijven wanneer een omgevingsvergunning nodig is voor het aanleggen van verhard oppervlak, welke normen en eisen er gelden voor het nemen en uitvoeren van compenserende maatregelen (bijvoorbeeld een waterbergingsvoorziening) en hoe het onderhoud van compenserende voorzieningen is geregeld. Artikel 2.1.1.2 en 2.1.1.3 Oogmerken en specifieke zorgplichten Oogmerken voor wateroverlast De provincies hebben in hun omgevingsverordening omgevingswaarden vastgesteld. Uitgangspunt daarbij zijn de normen die de provincies hebben opgesteld, waaraan de oppervlaktewatersystemen in stedelijk gebied moeten voldoen, uitgedrukt in een overschrijdingskans. Overschrijding betekent dat het watersysteem de hoeveelheid water niet meer kan bevatten en het water dus ‘uit het watersysteem treedt’. Voor stedelijk gebied geldt dat het oppervlaktewatersysteem zodanig ingericht moet zijn, dat overschrijding niet vaker plaats vindt dan éénmaal in de 100 jaar, uitgaande van een maatgevende regenbui ontleend aan het vigerende klimaatscenario.

Specifieke zorgplichten Aanleggen van verhard oppervlak is het aanbrengen van verharding, bijvoorbeeld in de vorm van bestrating of bebouwing. Als grondoppervlak een doorlatendheid heeft van minder dan 90 l/s/ha (wat het geval is bij de meeste soorten asfalt en bestrating) kan hierin nauwelijks of geen infiltratie van regenwater in de bodem plaatsvinden. Bij de nieuwbouw van stedelijk gebied, de verdichting van bestaand gebied, de aanleg van kassen of de aanleg van wegen is sprake van het verharden van gebieden waar voorheen water in de bodem kon infiltreren. Als water niet meer kan infiltreren stroomt het direct af naar het oppervlaktewatersysteem of naar het rioolstelsel. Dat betekent dat bij een flinke regenbui het oppervlaktewatersysteem en de riolering een grote afvoerpiek moeten opvangen. Als de systemen daar niet op berekend zijn kunnen de grond- of oppervlaktewaterpeilen stijgen, en kan er wateroverlast of zelfs gevaar voor overstroming ontstaan en kunnen riolen gaan overstorten, met mogelijk ook effecten op de (ecologische) waterkwaliteit. Deze artikelen zijn bedoeld om dat te voorkomen. Paragraaf 2.1.2 Vergunningplicht en compensatie Artikel 2.1.2.1 Vergunningplichtige gevallen Algemene en gebiedspecifieke oppervlaktenormen voor vergunningplichtige gevallen Bij welke oppervlakte aan toename van verharding een vergunning nodig is kan verschillen per gebied.

Er is een algemene norm, namelijk: bij aanleg van meer dan 5000 m2 verhard oppervlak buiten stedelijk gebied of meer dan 1000 m2 in bestaand of nieuw in te richten stedelijk gebied of glastuinbouwgebied. De begrenzing van stedelijk en glastuinbouwgebied is een digitaal werkingsgebied bij de Waterschapsverordening. Het bestuur kan afwijken van deze norm, door voor een gebied een besluit te nemen met daarin een specifieke norm voor dat gebied. Daarmee heeft het bestuur de mogelijkheid om flexibel en gebiedspecifiek maatwerk te leveren in afstemming met de belanghebbenden. Zolang er geen vastgestelde gebiedsnorm is gelden de algemene normen. Gevallen waarvoor de regels niet gelden De vergunningplicht geldt niet voor de aanleg van sportvelden, kunstgrasvelden en andersoortige verharding met een doorlatendheid van meer dan 90 l/s/ha. De vergunningplicht geldt evenmin voor terreinen die bebouwd waren maar waarvan de bebouwing is verwijderd en die braak liggen. Die terreinen worden beschouwd als reeds verhard, voor zover de bestemming tijdens een periode van braak liggen niet is gewijzigd. Alle extra verharding ten opzichte van de verharding die er eerder lag, telt mee bij het bepalen of de verharding vergunningplichtig is.

73

Artikel 2.1.2.2 Compensatienormen Algemene en gebiedspecifieke normen voor compensatie verhard oppervlak met open water Een initiatiefnemer dient het verlies aan waterberging in de bodem en de verhoogde afvoer van hemelwater op het oppervlaktewater, te compenseren. Dat kan door elders in hetzelfde peilgebied open water aan te leggen of door alternatieve waterberging toe te passen (bijvoorbeeld vegetatiedaken of speciale constructies om water op te vangen). Bij compensatie in open water geldt als norm dat het oppervlaktewatersysteem wordt uitgebreid met een wateroppervlak dat gelijk is aan 10 tot 20% van het aan te leggen verhard oppervlak. In de meeste gevallen is een percentage van 10% voldoende. In individuele gevallen kan het bestuur de compensatienorm naar boven bijstellen tot 20%. Dit zal met name het geval zijn in stedelijk gebied met een hoge bebouwingsdichtheid. Het bestuur kan gebiedspecifieke normen vaststellen voor de omvang van het vergunningplichtig oppervlak aan verharding en de compensatienorm. Die normen worden in dat geval vastgesteld in hoofdstuk 3 van de Waterschapsverordening. Met de gebiedspecifieke normen wordt duidelijkheid geboden aan gemeenten, projectontwikkelaars en particuliere initiatiefnemers welke normen waar gelden, met het oog op het voorkomen van wateroverlast.

Gemeenten kunnen de normen gebruiken bij de voorbereiding van ruimtelijke besluiten. En projectontwikkelaars en particuliere initiatienemers kunnen bij het opstellen van hun stedenbouwkundig ontwerp en de aanvraag van een vergunning rekening houden met de compensatienorm. Alternatieve compensatievoorzieningen In plaats van aanleg van open water kan een initiatiefnemer ook alternatieve waterberging toepassen, mits het effect van de alternatieve waterberging op het oppervlaktewatersysteem gelijk is aan compensatie in de vorm van open water. Bovendien dient de effectiviteit over een langere termijn te zijn geborgd. De aanvrager moet dat aantonen. Tevens dient de aanvrager een beheer- en onderhoudsplan opstellen. De minimale omvang van de waterberging is 70 m3. Dit is de benodigde waterberging bij de aanleg van 1000 m² verharding. De berekening van de benodigde capaciteit van de waterberging bij 1000 m² verharding is gebaseerd op een ontwerpbui van 70 mm/dag en verwaarlozing van de gemaalcapaciteit. Inmiddels zijn er nieuwe gestandaardiseerde neerslaggebeurtenissen beschikbaar, die gebiedsafhankelijk kunnen worden toegepast. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de 7 gestandaardiseerde neerslaggebeurtenissen voor korte en lange duur. De tabel bevat voor iedere neerslaggebeurtenis de schaal, de duur, de hoeveelheid, de initiële conditie en de herhalingstijden.

Met behulp van deze tabel is het mogelijk om het benodigde volume van een waterberging te berekenen. Tabel: Neerslaghoeveelheden voor de standaard neerslaggebeurtenissen met herhalingstijden van 100, 250 en 1000 jaar voor het huidige klimaat en het klimaat in 2050 volgens het worst-case scenario consistent met KNMI’14. (Bron: STOWA, 2015 & 2018, KNMI 2018 en tussentijdse berekeningen KNMI)

Artikel 2.1.2.3 Grenzen gebied compensatie Lid 1. Dit lid verplicht het bestuur om in een omgevingsvergunning een voorschrift op te nemen waarin het gebied wordt begrensd waarbinnen de compensatie wordt uitgevoerd. Bij het verlenen van de omgevingsvergunning voor de aanleg van verharding wordt de in de vergunning opgenomen

74

concrete compensatieverplichting van kracht. Op de uitvoering van de compensatie zijn de vereisten in de ‘leidraad ontwerp en inrichting’ van toepassing. De verplichting om de uitvoeringsvereisten in acht te nemen vloeit rechtsreeks voort uit de Waterschapsverordening. Van de vereisten van de leidraad kan worden afgeweken met een ‘gelijkwaardige maatregel’. Voor het toepassen van een ‘gelijkwaardige maatregel’ is toestemming van het bestuur vereist in een beschikking. Die toestemming kan worden gecombineerd met de omgevingsvergunning voor de aanleg van de verharding en daarin worden opgenomen. Dit heeft de voorkeur wanneer de initiatiefnemer op voorhand aangeeft de compensatie anders te willen uitvoeren dan is aangeven in de leidraad. De initiatiefnemer kan echter ook later, nadat de omgevingsvergunning reeds is verleend, het bestuur vragen een ‘gelijkwaardige maatregel’ te mogen toepassen. Wanneer het begrensde compensatiegebied reeds ‘voorgegraven’ water omvat, dient ook dat water zo nodig (alsnog) in overeenstemming te worden gebracht met de vereisten in de leidraad ontwerp en inrichting. In de praktijk komt het voor dat een initiatiefnemer nieuw water graaft (ruim) voor het indienen van een aanvraag van een omgevingsvergunning voor de aanleg van verharding.

Voor zover de initiatiefnemer zich bij de aanvraag van een omgevingsvergunning beroept op dat water als compensatie voor de verharding en het water vervolgens in de omgevingsvergunning wordt aanvaard en begrensd als compensatie, zal dat water - op grond van de Waterschapsverordening zo nodig alsnog in overeenstemming moeten worden gebracht met de leidraad. Lid 2. Voor het ontwerp en de uitvoering van de maatregelen moet de initiatiefnemer de leidraad volgen als bedoeld in artikel 2.5.2a.1. De leidraad is gericht op het waarborgen van een zodanige inrichting van het oppervlaktewatersysteem dat het systeem onderhoudbaar is tegen maatschappelijk aanvaardbare lasten, nu en in de toekomst. In de leidraad kunnen ook richtlijnen worden opgenomen ter bevordering van de ecologische waterkwaliteit. Het doel van de leidraad is om helderheid te verschaffen over de eisen die het waterschap stelt aan het ontwerp en inrichting in het watersysteem bij stedelijke inbreiding en uitbreiding. Deze transparantie kan er aan bijdragen dat ook gemeenten het streven naar een onderhoudbaar en ecologisch gezond oppervlaktewatersysteem meer gaan meewegen in hun ruimtelijke besluitvorming.

Afdeling 2.2

Regels over grondwater

Paragraaf 2.2.1 Grondwater algemeen Inleiding Bevoegdheid waterschap vergunningverlening voor grondwateronttrekkingen. De provincies zijn bevoegd gezag voor grondwateronttrekkingen en infiltraties voor industriële toepassingen, bij onttrekkingen van meer dan 150.000 m3 per jaar, de openbare drinkwatervoorziening en bodemenergiesystemen. Dit staat in hoofdstuk 16 Besluit activiteiten leefomgeving. Voor alle grondwateronttrekkingen en infiltraties die niet onder de bevoegdheid van Gedeputeerde Staten vallen, is het waterschap aangewezen als bevoegd gezag. Wat valt onder ‘onttrekken’? Er is sprake van het ‘onttrekken van grondwater’ als er gebruik wordt gemaakt van een inrichting of werk dat daarvoor bestemd is. Dit betekent dat ook een bemalen drainage onder de werking van dit artikel valt, net als sommige onderbemalingen en ‘bouwen volgens polderprincipe’. Artikel 2.2.1.1 Reikwijdte Deze afdeling beschrijft het doel van de regels over grondwater en de bijbehorende specifieke zorgplicht voor het watersysteem daarbij. De artikelen beschrijven wanneer een vergunning nodig is voor het onttrekken of infiltreren van grondwater, welke eisen er gelden voor het melden en meten bij grondwateronttrekkingen en wat er gebeurt in het geval van een calamiteit.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9652259/1