Bijlage 1 - inspraakversie Waterschapsverordening AGV 2021.pdf
Tekst van het document
91
Dit artikel geeft het bestuur de mogelijkheid bepaalde activiteiten absoluut te verbieden. Dat wil zeggen dat geen vergunning kan worden verleend. Artikel 2.5.5.5 Nadere regel gegevens en bescheiden Nadere regels over informatie verstrekken. Dit artikel biedt de mogelijkheid om nadere invulling te geven aan de gegevens en papieren die het waterschap nodig heeft om een vergunningaanvraag of aanvraag voor een maatwerkbesluit te kunnen beoordelen en om toezicht te kunnen houden op het naleven van regels. Het bestuur heeft in hoofdstuk 3 de indieningsvereisten opgenomen voor vergunningaanvragen en meldingen en informatieplichten. Tevens heeft het bestuur in hoofdstuk 3 de gevallen aangewezen waarin, na het verrichten van de activiteit, een ‘revisietekening’ van de activiteit moet worden verstrekt. Artikel 2.5.5.6 Werkingsgebieden waterkeringen en oppervlaktewaterlichamen Het bestuur is bevoegd om zowel de kwalificatie van het waterstaatswerk als de geometrische begrenzing van het waterstaatswerk te wijzigen in bijlage IV. Met kwalificatie van het waterstaatswerk wordt bedoeld de aanwijzing van een waterkering als waterkerend dijklichaam, half-verholen waterkering of verholen waterkering; of de aanwijzing van een water als primair of secundair water.
Een wijziging van de geometrische begrenzingen in bijlage IV zal vaak voortvloeien en samenlopen met een wijziging van de legger, bedoeld in artikel 2.39 van de Omgevingswet. Wijzingen kunnen ontstaan door werken van het waterschap zelf – denk aan dijkverbeteringen of -verleggingen, of waterinrichtingsplannen - of door werken van inwoners op grond van een vergunning – denk aan watercompensatie bij stedelijk uitbreiding of het graven van een jachthaven of insteekhaven. Een wijziging van bijlage IV geldt als een wijziging van de Waterschapsverordening. Artikel 2.5.5.7 Vergunningplicht stedelijke uitbreiding Algemene en gebiedsspecifieke oppervlaktenormen voor vergunningplicht. Bij welke oppervlakte aan verharding een vergunning nodig is kan verschillen per gebied. Er is een generieke norm, namelijk: bij aanleg van meer dan 5000 m2 verhard oppervlak buiten stedelijk gebied of meer dan 1000 m2 in bestaand of nieuw in te richten stedelijk gebied of glastuinbouwgebied. De begrenzing van stedelijk en glastuinbouwgebied is opgenomen als digitaal werkingsgebied in deze verordening. Het bestuur kan afwijken van deze norm, door voor een gebied een besluit te nemen met daarin een specifieke norm voor dat gebied. Daarmee heeft het bestuur de mogelijkheid om flexibel en gebiedsspecifiek maatwerk te leveren in afstemming met de belanghebbenden.
Zolang er geen vastgestelde gebiedsnorm is gelden de generieke normen. Hoofdstuk 4 Financiële bepalingen Afdeling 4.1
Het verzoek tot schadevergoeding
Artikel 4.1.1.2 Aanhouding behandeling van het verzoek Als het verzoek tot schadevergoeding betrekking heeft op een besluit waartegen een bezwaarprocedure of (hoger) beroep loopt, kan het bestuur de behandeling van het verzoek aanhouden totdat het besluit onherroepelijk is. Het besluit kan nog wijzigen als gevolg van de procedure en dat kan invloed hebben op de eventuele schade. Als de verzoeker zelf van plan is om bezwaar te maken of beroep in te stellen tegen het besluit, moet hij dit vermelden in het verzoek om schadevergoeding. Artikel 4.1.1.3 Beslissing op het verzoek met advies van de adviseur Inzet van een adviseur. In de Algemene wet bestuursrecht staan bepalingen die betrekking hebben op een zorgvuldige voorbereiding en belangenafweging (Afdeling 3.2 Awb). Er staan onder andere bepalingen in over het inwinnen van deskundig en onafhankelijk advies. Als het bestuur besluit een adviseur in te zetten bij een verzoek tot schadevergoeding, zijn de bepalingen over advisering van toepassing (Afdeling 3.3 Awb). Reactietermijn. Als het bestuur besluit tot inzetten van een adviseur, dan moet dat binnen vier weken. Als het verzoek tot schadevergoeding nog niet voldoet aan de wettelijke vereisten (zie artikel 4.1.1.1) of als het bestuur nadere gegevens en papieren vraagt aan de verzoeker, begint de termijn
92
van vier weken pas als de aanvrager daar aan heeft voldaan. Dit is om te voorkomen dat het waterschap het verzoek in handen moet stellen van de adviseur terwijl de aanvrager nog niet aan de wettelijke vereisten heeft voldaan of het bestuur nog in afwachting is van gevraagde nadere informatie. Normaal gesproken beslist het bestuur binnen 24 weken na ontvangst van het verzoek, bij inschakeling van een adviseur: • In handen stellen van het verzoek aan een adviseur: 4 weken • Uitbrengen conceptadvies door de adviseur: 8 weken. • Schriftelijke bedenkingen op het conceptadvies: 4 weken • Uitbrengen definitief advies door de adviseur: 4 weken • Beslissing door het bestuur: 4 weken Het bestuur kan deze termijn voor ten hoogste 12 weken verdagen. Artikel 4.1.1.4 Beslissing op het verzoek zonder advies van de adviseur Geen adviseur nodig. Het is niet altijd nodig een adviseur in te schakelen. Soms is meteen duidelijk dat een verzoek voor schadevergoeding toe- of afgewezen moet worden. Ook is geen adviseur nodig als de vermoedelijk toe te kennen schadevergoeding minder dan €5.000,00 bedraagt of als het bestuur een beleidsregel over de vergoeding van de schade heeft vastgesteld. Het in deze gevallen achterwege laten van advisering is een bevoegdheid maar geen verplichting van het bestuur. Het bestuur kan aanleiding zien toch advies van de adviseur in te winnen.
Een voorbeeld hiervan is de situatie dat de vermoedelijk toe te kennen schadevergoeding weliswaar minder dan €5.000,00 bedraagt, maar het verzoek complex van aard is. Artikel 4.1.1.5 De adviseur Eén of meerdere adviseurs. Als het verzoek tot schadevergoeding niet complex van aard is, zal het bestuur één ter zake deskundige persoon vragen te adviseren. Is het verzoek tot schadevergoeding wel complex van aard, dan stelt het bestuur een commissie samen van drie ter zake deskundige personen. In de commissie zijn tenminste twee vakdisciplines vertegenwoordigd, te weten juridische deskundigheid op het gebied van het schadevergoedingsrecht en deskundigheid op het gebied van schadetaxatie. Onafhankelijk en onpartijdig. De adviseur moet onafhankelijk en onpartijdig zijn. Om deze reden kan de adviseur geen deel uitmaken van het waterschap of de Stichting Waternet of werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van één van de bestuursorganen (het waterschap Amstel, Gooi en Vecht of de gemeente Amsterdam). Wraking van de adviseur. Degene die het verzoek tot schadevergoeding heeft ingediend kan van mening zijn dat sprake is van feiten of omstandigheden die de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de adviseur in gevaar brengen. Zodra die feiten en omstandigheden bekend zijn geworden kan de verzoeker het bestuur vragen de adviseur te wraken.
Op het verzoek tot wraking beslist het bestuur binnen vier weken. Voorafgaand aan de beslissing hoort het bestuur zowel de verzoeker als de adviseur. Artikel 4.1.1.7 Werkwijze van de adviseur Onderzoek en hoorzitting. Als de adviseur dit nodig acht, stelt hij een onderzoek ter plaatse in. De adviseur stelt de verzoeker en het bestuur in de gelegenheid hun standpunt tijdens een hoorzitting mondeling toe te lichten. De hoorzitting kan worden gecombineerd met het onderzoek ter plaatse. De uitnodiging voor de hoorzitting wordt tenminste drie weken voor de hoorzitting verzonden. Tot tien dagen voor de hoorzitting kunnen de verzoeker en het bestuur nadere stukken indienen. Artikel 4.1.1.8 Het advies Adviestermijn. De adviseur brengt binnen 8 weken nadat hij het verzoek heeft ontvangen een conceptadvies uit. De verzoeker en het bestuur hebben vervolgens gedurende vier weken gelegenheid schriftelijk bedenkingen tegen het conceptadvies in te brengen. Daarna brengt de adviseur binnen vier weken zijn definitieve advies uit. De adviseur gaat hierbij in op door partijen ingebrachte bedenkingen.
93
Afdeling 5.1
Toezicht en handhaving
Artikel 5.1.1.1 Schouw Toezicht op onderhoud. De schouw is het uitvoeren van periodiek toezicht op de naleving van de onderhoudsverplichtingen die in de onderhoudslegger zijn gesteld met betrekking tot waterstaatswerken. Dit artikel dient als basis voor het bestuur vast te leggen en aan te kondigen wanneer onderhoudsplichtigen het onderhoud uitgevoerd moeten hebben. Ook is het de basis voor de daaropvolgende schouw om te controleren of de onderhoudsplichtigen aan deze verplichtingen hebben voldaan. Bij de schouw op wateren moeten de onderhoudsplichtigen het onderhoud hebben uitgevoerd op de voorgeschreven wijze. In beleidsnota's over onderhoud van water en keringen staan richtlijnen voor de uitvoering van het onderhoud. Als het bestuur een uitvoeringsprogramma onderhoud heeft vastgesteld (artikel 2.5.3.1), dan moeten de handhaver daar bij het uitvoeren van de schouw rekening mee houden. Dit betekent dat alleen gemotiveerd van het uitvoeringsprogramma kan worden afgeweken. Afdeling 6.1 Artikel 6.1.1.1 Overgangsrecht Lid 1 en 2. Onder de werking van lid 1 en 2 vallen ook de activiteiten waarvoor op grond van het overgangsrecht van de Keur AGV 2017 een vergunning van rechtswege geldt.
Een belangrijke categorie van activiteiten waarin het overgangsrecht van de Keur AGV 2019 een vergunning van rechtswege toekent zijn: werken, woonschepen en drijvende inrichtingen in, boven of onder wateren of de beschermingszones daarvan, die aantoonbaar vóór 1 januari 2002 zijn aangebracht of afgemeerd op de betreffende locatie, in strijd met het bepaalde in de Keur AGV 2019,
94