Bijlage 1 - inspraakversie Waterschapsverordening AGV 2021.pdf
Tekst van het document
als de hoogte van de houten paalfundering(en) niet bekend is, het grondwaterniveau rondom de bouwkuip niet wordt verlaagd tot onder de gemiddeld laagste grondwaterstand, waarbij de gemiddelde laagste grondwaterstand wordt afgeleid van een of meer representatieve peilbuizen in de nabije omgeving van de werkzaamheden; 4º. voorafgaand aan de bemaling peilbuizen worden geplaatst aan de voor- en achterzijde van het werk, waarbij de peilbuizen worden afgesteld in de freatische bodemlaag; 5º. de peilbuizen altijd goed functioneren en toegankelijk zijn voor het bestuur; en
30
Waterschapsverordening Amstel, Gooi en Vecht - concept
6º. als de onttrekking geheel of gedeeltelijk buiten werking wordt gesteld, ervoor wordt zorg gedragen dat: I.
geen grondwateroverlast ontstaat;
II.
alle in de bodem aangebrachte buizen met boorgat met doorlatende filters die tot de bemaling behoren, zo worden afgesloten en afgedicht, dat verontreiniging van grondwater wordt voorkomen;
III.
afsluitende lagen over de gehele lengte worden hersteld met bentoniet of een vergelijkbaar materiaal; en
IV.
gaten in de bodem die ontstaan tijdens het trekken van de damwanden worden opgevuld met bentoniet of een vergelijkbaar materiaal;
V.
de bodem wordt afgedicht met schoon opvulmateriaal, zoveel mogelijk overeenkomstig de oorspronkelijke bodemopbouw.
Lid 3.2.1.1.3 Voor langdurige bodemsanering, waarvoor geen vergunning is vereist, houdt de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.2.1.3, buiten de kernzone en beschermingszone van een waterkerend dijklichaam, buiten de kernzone en beschermingszone van een half-verholen waterkering en buiten een waterkerende constructie, in ieder geval in dat: a. het niet is toegestaan in gebieden gelegen buiten de hogere gronden de freatische grondwaterstand te verlagen tot onder de waterstand van het meest nabije oppervlaktewater; en b. het niet is toegestaan de stijghoogte in het eerste watervoerende pakket te verlagen tot meer dan 0,5 meter onder het ontgravingsniveau. Lid 3.2.1.1.4 Voor beregening en bevloeiing, waarvoor geen vergunning is vereist, houdt de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.2.1.3, buiten de kernzone en beschermingszone van een waterkerend dijklichaam, buiten de kernzone en beschermingszone van een half-verholen waterkering en buiten een waterkerende constructie, in ieder geval in dat grondwater niet wordt onttrokken als voldoende water beschikbaar is uit een oppervlaktewaterlichaam.
Artikel 3.2.1.2 Meldplicht Lid 3.2.1.2.1 Het is verboden grondwater te onttrekken of water te infiltreren, als daarvoor geen vergunning vereist is zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden, tenzij de grondwateronttrekking: a. buiten de kernzone of beschermingszone van een waterkerend dijklichaam, buiten de kernzone en beschermingszone van een half-verholen waterkering; en b. maximaal 5 m³ per uur bedraagt; en c. maximaal een week duurt; Lid 3.2.1.2.2 De melding voor het onttrekken van grondwater of infiltreren van water bevat ten minste:
a. het doel waarvoor het te onttrekken grondwater wordt gebruikt; b. het aantal in te richten putten; c. de coördinaten volgens het stelsel van de rijksdriehoeksmeting van iedere put; d. de diepte van de onderkant en de bovenkant van de filters van iedere put ten opzichte van het maaiveld en NAP;
31
Waterschapsverordening Amstel, Gooi en Vecht - concept
e. de lengte van het effectieve filter of de effectieve filters in iedere put; f. de capaciteit van de pomp in kubieke meter per uur per put; g. de hoeveelheid water in kubieke meter per uur, etmaal, maand en jaar, die ten hoogste wordt onttrokken; en h. een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die zijn of worden getroffen om de negatieve gevolgen van de onttrekking te voorkomen of te beperken. Lid 3.2.1.2.3 De melding voor de opstelling van de peilbuizen in gebieden met houten paalfunderingen bevat ten minste: a. de filterstelling (diepte boven- en onderkant filter) in centimeters ten opzichte van het NAP en het maaiveld; b. de diameter van het filter en van de peilbuis; c. bij nieuwe meetpunten: de eerst gemeten grondwaterstand en/of stijghoogte; d. de hoogte van het maaiveld ter plaatse in centimeters ten opzichte van het NAP; e. de hoogte van het meetpunt in centimeters ten opzichte van het NAP; en f. de coördinaten van de meetpunten volgens het rijksdriehoekstelsel. Artikel 3.2.1.3 Meetplicht Lid 3.2.1.3.1 De meetplicht, bedoeld in artikel 3.1.2.3, geldt buiten gebieden met houten paalfunderingen voor grondwateronttrekkingen van minimaal 12.000 m³ per jaar. Lid 3.2.1.3.2 De meetplicht geldt voor grondwateronttrekkingen in gebieden met houten paalfunderingen.
Lid 3.2.1.3.3 De grondwaterstanden in de peilbuizen worden vanaf ten minste 5 (werk)dagen voor aanvang van de onttrekking tot ten minste 5 (werk)dagen na het einde van de onttrekking gemeten en geregistreerd ten opzichte van het NAP. Het meten en registeren van de grondwaterstanden vindt dagelijks plaats gedurende werkdagen en op verzoek van het bestuur worden de geregistreerde gegevens overlegd.
Paragraaf 3.2.2
Wijzigen secundair water
Artikel 3.2.2.1 Specifieke zorgplicht Lid 3.2.2.1.1 Dit artikel gaat over het wijzigen van een secundair water, waarvoor geen vergunning is vereist. Lid 3.2.2.1.2 De specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.4.1.3, voor het wijzigen van een secundair water, houdt in ieder geval in, dat: a. de hellinghoek van het talud van de oever niet steiler wordt; b. een secundair water met loopzand of met een veenbodem niet wordt verdiept of verbreed; c. een secundair water niet verder wordt verdiept dan een meter onder het laagste
32
Waterschapsverordening Amstel, Gooi en Vecht - concept
streefpeil; d. de vaarfunctie niet wordt gehinderd; e. de aanwezige ecologische kwaliteit van de oever en de waterkwaliteit in stand blijft; f. beschadigde oevervegetatie wordt hersteld met ecologisch gelijkwaardige vegetatie; g. de gewijzigde watergang voldoet aan de profielen voor watergangen in zoals aangegeven in Bijlage I, onder 1.2, kolom 4, onder 3, van de legger voor oppervlaktewaterlichamen; h. de groene oeverzones in stand blijven; en i. wanneer de waterbodem openbreekt: 1º. de breuk direct wordt gedicht; 2º. het bestuur direct wordt geïnformeerd, met opgave van de plaats en omvang van de breuk en van de getroffen maatregelen; en 3º. de nadelige gevolgen van de breuk ongedaan worden gemaakt of beperkt. Lid 3.2.2.1.3 De specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.4.1.3, voor het wijzigen van een secundair water houdt in ieder geval in dat in groene oeverzones in Natura-2000 gebieden, het uitgekomen materiaal minimaal 1,00 meter uit de insteek van de oever wordt gelegd.
Artikel 3.2.2.2 Meldplicht Lid 3.2.3.1.1 Het is verboden in een secundair water buiten de kernzone en beschermingszone van een waterkerend dijklichaam en buiten de kernzone of beschermingszone van een half-verholen waterkering te wijzigen zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
Lid 3.2.3.1.2 De melding bevat de afmetingen van het profiel van de watergang voor en na het verrichten van de activiteit.
Paragraaf 3.2.3
Kabels en leidingen
Artikel 3.2.3.1 Specifieke zorgplicht voor huisaansluitingen waterkeringen Lid 3.2.3.1.1 Dit artikel gaat over het aanleggen, hebben of vervangen van kabels en leidingen voor huisaansluitingen in het beperkingengebied van een waterkering, met andere methoden dan een gestuurde boring. Lid 3.2.3.1.2 De specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3.1.3, houdt in de kernzone en beschermingszone van een waterkerend dijklichaam, in de kernzone en beschermingszone van een half-verholen waterkering en in de kernzone van een verholen waterkering, in ieder geval in, dat: a. de sleuf een diepte heeft van maximaal 1,00 meter; b. de huisaansluiting op maximaal 1,00 meter diepte onder het maaiveld ligt;
33
Waterschapsverordening Amstel, Gooi en Vecht - concept
c. de leiding van het type PE80/100 SDR11 is; d. de leiding wordt aangelegd conform de toepasselijke NEN-normen; e. de huisaansluiting zoveel mogelijk loodrecht op de kering wordt gelegd; f. de werkzaamheden niet worden gestart en uitgevoerd wanneer het langdurig regent of vriest of wanneer dit wordt voorspeld; g. koppelingen ten minste dezelfde druk kunnen weerstaan als de leiding; en h. ontgravingen tot het minimum worden beperkt. Lid 3.2.3.1.3 De specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3.1.3, houdt in de kernzone en beschermingszone van een waterkerend dijklichaam en in de kernzone van een half-verholen waterkering, in ieder geval in, dat: a. als de huisaansluiting wordt geclusterd met andere huisaansluiting: er voldoende ruimte is tussen de afzonderlijke leidingen om de grond goed te kunnen verdichten; b. een drinkwaterleiding een uitwendige diameter heeft van maximaal 40 mm; c. een gasleiding een uitwendige diameter heeft van maximaal 40 mm en een druk kleiner dan of gelijk aan 10 kPa; d. een rioolleiding een uitwendige diameter heeft van maximaal: 1º. 125 mm bij een vrijvervalleiding; of 2º. 75 mm bij een drukriolering; e. de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering niet worden aangetast; f.
direct na het aanbrengen van de huisaansluiting en aan het einde van iedere werkdag de ontgraving wordt aangevuld met de uitkomende grond in omgekeerde volgorde in lagen van maximaal 0,20 meter, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht en waarbij niet wordt verdicht met bevroren grond; g. sleufontgravingen gefaseerd worden uitgevoerd, zodat niet de gehele kruin wordt doorgraven; en h. verwijderde of beschadigde verharding, goed aansluitend op de bestaande verharding, wordt hersteld en uitgestoken graszoden worden teruggelegd of, bij het ontbreken van geschikte graszoden, de kale plekken worden ingezaaid met graszaad. Lid 3.2.3.1.4 De specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3.1.3, houdt in de kernzone en beschermingszone van een waterkerend dijklichaam, in ieder geval in, dat: a. de huisaansluiting in een open ontgraving wordt gelegd; b. een huisaansluiting, die geheel of gedeeltelijk wordt aangelegd in de kruin van de waterkering, wordt voorzien van een kwelscherm met een kleikist; c. kwelschermen minimaal 0,5 meter buiten de leiding of kabel steken, waterdicht met de leiding of kabel worden verbonden en in een kleikist met een dikte van minimaal 1,00 meter in de lengterichting van de leiding of kabel worden gevat; d. het kwelscherm met kleikist in de kernzone zo dicht mogelijk bij de hoogwaterzijde wordt aangebracht; e.
de afwatering van de waterkering niet wordt belemmerd; f. bij doorkruising van een teensloot een (boog)zinker in de richting van de polder wordt aangelegd vanuit het dijklichaam; g. een (boog)zinker wordt ingebracht maximaal 1,00 meter vanuit de insteek van de
34
Waterschapsverordening Amstel, Gooi en Vecht - concept
teensloot, aan de zijde van de waterkering; en h. een (boog)zinker zoveel mogelijk loodrecht op de waterkering plaatsvindt; i. een mantelbuis niet dwars door de kruin mag worden aangelegd. Lid 3.2.3.1.5 De specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3.1.3, houdt in de beschermingszone van een verholen waterkering en in beschermende gronden, in ieder geval in, dat: a. de leiding wordt aangelegd conform de toepasselijke NEN-normen; en b. koppelingen ten minste dezelfde druk kunnen weerstaan als de leiding.
Artikel 3.2.3.2 Specifieke zorgplicht kabels en leidingen, anders dan huisaansluitingen en gestuurde boringen, waterkeringen Lid 3.2.3.2.1 Dit artikel gaat over het aanleggen, hebben of vervangen van kabels en leidingen, anders dan huisaansluitingen of gestuurde boringen, waarvoor geen vergunning is vereist. Lid 3.2.3.2.2 Voor een kabel, houdt de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3.1.3, in de kernzone en beschermingszone van een waterkerend dijklichaam, in de kernzone van een verholen waterkering en in de kernzone van een half-verholen waterkering, in ieder geval in, dat: a. de sleuf een diepte heeft van maximaal 1,00 meter; b. de kabel op maximaal 1,00 meter diepte onder het maaiveld ligt; c. ontgravingen tot het minimum worden beperkt; en d. de verwijderde of beschadigde verharding, goed aansluitend op de bestaande verharding wordt hersteld. Lid 3.2.3.2.3 Voor een kabel, die wordt aangelegd in een open ontgraving, houdt de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3.1.3, in de kernzone en beschermingszone van een waterkerend dijklichaam en in de kernzone van een half-verholen waterkering, in ieder geval in, dat: a. geen hoogspanningskabels worden aangelegd; b. de werkzaamheden niet worden gestart en uitgevoerd wanneer het langdurig regent of vriest of c. wanneer dit wordt voorspeld; d.
de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering niet wordt aangetast; e. de afwatering van de waterkering niet door de werkzaamheden wordt belemmerd; f. ontgravingen tot het minimum worden beperkt; g. direct na het aanbrengen van de kabel, en, wanneer de kabel in de kernzone ligt, aan het eind van iedere werkdag, de ontgraving wordt aangevuld met de uitgekomen grond in lagen van maximaal 0,20 meter, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht en waarbij niet wordt verdicht met bevroren grond; h. de sleuf maximaal 20 meter open ligt; en i. de verwijderde of beschadigde verharding, goed aansluitend aan de bestaande verharding, wordt hersteld, waarbij uitgestoken graszoden worden teruggelegd of, bij het ontbreken van geschikte graszoden, de kale plekken worden ingezaaid met graszaad.
35
Waterschapsverordening Amstel, Gooi en Vecht - concept
Lid 3.2.3.2.4 Voor een kabel houdt de specifieke zorgplicht bedoeld in artikel 2.3.1.3, in de beschermingszone van een waterkerend dijklichaam, in ieder geval, in dat de kabel op een afstand ligt van ten minste 1,00 meter uit de binnenteen van de dijk. Lid 3.2.3.2.5 Voor een kabel houdt de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3.1.3, in de kernzone van een halfverholen waterkering, in ieder geval, in dat bij geclusterde kabels/leidingen, er voldoende ruimte blijft tussen de afzonderlijke leidingen om de grond goed te kunnen verdichten. Lid 3.2.3.2.6 Voor een leiding houdt de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3.1.3, in de beschermingszone en buitenbeschermingszone van een waterkerend dijklichaam en in de kernzone en beschermingszone van een half-verholen waterkering, in ieder geval in, dat: a. de leiding wordt aangelegd in open ontgraving; b. geen leidingen met een druk van meer dan 500 kPa worden aangelegd; c. een gasleiding een uitwendige diameter heeft van maximaal 250 mm; d. een drinkwaterleiding een uitwendige diameter heeft van maximaal 110 mm; e. een rioolleiding een uitwendige diameter heeft kleiner dan of gelijk aan: 1º. 125 mm bij een vrijvervalleiding; of 2º. 75 mm bij een drukriolering; f. de diepte van de sleuf maximaal 1,00 meter bedraagt; g. de leiding buiten de NEN-veiligheidszone ligt; h. een leiding uit het type PE 80/100 SDR 11 bestaat; i.
koppelingen zodanig worden uitgevoerd dat zij dezelfde of een grotere druk dan de leiding kunnen weerstaan; j. de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering niet worden aangetast; k. de afwatering van de waterkering niet door de werkzaamheden wordt belemmerd; l. ontgravingen tot het minimum worden beperkt; m. direct na het aanbrengen van de kabel of leiding de ontgraving wordt aangevuld met de uitgekomen grond in lagen van maximaal 0,20 meter, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht en waarbij niet wordt verdicht met bevroren grond; en n. verwijderde of beschadigde verharding, goed aansluitend aan de bestaande verharding, wordt hersteld en uitgestoken graszoden worden teruggelegd of, bij het ontbreken van geschikte graszoden, de kale plekken worden ingezaaid met graszaadmengsel. Lid 3.2.3.2.7 Voor een leiding houdt de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3.1.3, in de kernzone en beschermingszone van een verholen waterkering, in ieder geval in, dat: a. de leiding wordt aangelegd conform de geldende NEN-normen; b. koppelingen zodanig worden uitgevoerd dat deze dezelfde of een grotere belasting kunnen weerstaan; c. ontgravingen tot het minimum worden beperkt; en d. direct na het aanbrengen van de kabel of leiding de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond in lagen van maximaal 0,20 meter, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht.
36
Waterschapsverordening Amstel, Gooi en Vecht - concept
Artikel 3.2.3.3 Specifieke zorgplicht kabels en leidingen door middel van gestuurde boringen, waterkeringen Voor een kabel of leiding, die wordt aangelegd met een gestuurde boring, houdt de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3.1.3, in de kernzone van een waterkerend dijklichaam, in de beschermingszone en kernzone van een half-verholen waterkering en in de beschermingszone en kernzone van een verholen waterkering, in ieder geval in, dat: a. een drinkwaterleiding een uitwendige diameter heeft van maximaal 110 mm; b. een rioolleiding een uitwendige diameter heeft kleiner dan of gelijk aan: 1º. 125 mm bij een vrijvervalleiding; of 2º. 75 mm bij een drukriolering; c. een gestuurde boring plaatsvindt volgens de toepasselijke NEN-normen of gelijkwaardige normen; d. een leiding uit het type PE 80/100 SDR 11 bestaat; e. de boring wordt uitgevoerd door de ‘horizontal directional drilling’ (HDD) techniek of de ‘gesloten front techniek’ (GFT); f. de leiding of mantelbuis minimaal 3,00 meter onder de kruinhoogte van een verholen waterkering ligt; g. de leiding of mantelbuis minimaal 10,00 meter onder de kruinhoogte ligt of minimaal 2,00 meter beneden de bovenkant van het vaste pleistocene zand, van een waterkerend dijklichaam of half-verholen waterkering; h.
de leiding zo wordt aangelegd dat de kans op piping verwaarloosbaar is voor een waterkerende dijklichaam of een half-verholen waterkering; i. de leiding of mantelbuis zo veel mogelijk horizontaal in de kernzone ligt; j. het in- en uittredepunt van de boring buiten de NEN-veiligheidszone ligt; k. de leiding of mantelbuis zo veel mogelijk loodrecht de kernzone kruist; en l. kruisingen van leidingen en mantelbuizen zoveel mogelijk worden geconcentreerd volgens de onderlinge veiligheidsafstand.
Artikel 3.2.3.4 Specifieke zorgplicht voor het verwijderen van kabels en leidingen waterkeringen Lid 3.2.3.4.1 Dit artikel gaat over het verwijderen van kabels of leidingen, waarvoor geen vergunning is vereist. Lid 3.2.3.4.2 De specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3.1.3, houdt in de beschermingszone van een waterkerend dijklichaam, in de beschermingszone van een half-verholen waterkering en in de kernzone van een verholen waterkering, in ieder geval in, dat: a. ontgravingen tot het minimum worden beperkt; b. direct na het verwijderen van de kabel of leiding, en aan het einde van iedere werkdag, de ontgraving c. wordt aangevuld met de uitgekomen grond in lagen van maximaal 0,20 meter, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht; en d. de holle ruimte van de verwijderde kabel of leiding wordt opgevuld met klei alvorens de
37
Waterschapsverordening Amstel, Gooi en Vecht - concept
uitgekomen grond in omgekeerde volgorde weer in te brengen en te verdichten, waarbij het gebruik van bevroren grond is niet toegestaan. Lid 3.2.3.4.3 De specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3.1.3, houdt in de beschermingszone van een waterkerend dijklichaam en in de kernzone van een verholen waterkering, in ieder geval in, dat: a. de te verwijderen kabel of leiding op maximaal 1,20 meter diepte ligt; b. de werkzaamheden niet worden gestart en uitgevoerd wanneer het langdurig regent of vriest of wanneer dit wordt voorspeld; c. verwijderde of beschadigde verharding, goed aansluitend aan de bestaande verharding, wordt hersteld; en d. uitgestoken graszoden worden teruggelegd en kale plekken worden ingezaaid met graszaad. Lid 3.2.3.4.4 De specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3.1.3, houdt in de beschermingszone van een waterkerend dijklichaam in ieder geval in, dat: a. de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering niet worden aangetast; b. de afwatering van de waterkering niet wordt belemmerd; en c. de sleuf in delen van telkens maximaal 20 meter wordt gegraven nadat het voorgaande deel is aangevuld en verdicht.
Artikel 3.2.3.5 Specifieke zorgplicht bij spoedeisende reparaties, lasgaten en proefsleuven waterkeringen Lid 3.2.3.5.1 Dit artikel gaat over spoedeisende reparaties, lasgaten en proefsleuven, waarvoor geen vergunning is vereist. Lid 3.2.3.5.2 Voor spoedeisende reparaties, lasgaten en proefsleuven houdt de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3.1.3, in de kernzone en beschermingszone van een waterkerend dijklichaam, in de kernzone en beschermingszone van een half-verholen waterkering en in de kernzone van een verholen waterkering, in ieder geval in, dat: a. de reparatie niet ter vervanging van de kabel of leiding is; b. de uitvoerder van de reparatie de aanwijzingen opvolgt van het bestuur; c. ontgravingen tot het minimum worden beperkt; d. de ontgraving direct na het gereed komen van de reparatie wordt aangevuld met de uitgekomen grond in omgekeerde volgorde en verdicht in lagen van maximaal 0,20 meter, waarbij aan het eind van elke werkdag de ontgraving volledig wordt opgevuld; en e. uitgekomen verharding of grond, goed aansluitend aan het omringende maaiveld, wordt hersteld en uitgestoken graszoden worden teruggebracht, of bij het ontbreken van geschikte graszoden de kale plekken worden ingezaaid met graszaad. Lid 3.2.3.5.3 De specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3.1.3, houdt in de kernzone van een waterkerend dijklichaam in ieder geval in, dat: a.
een proefsleuf maximaal 20 meter lang en maximaal 0,80 meter breed is;
38
Waterschapsverordening Amstel, Gooi en Vecht - concept
b. een lasgat maximaal 1,50 meter lang en maximaal 1,50 meter breed is; c. bij een ontgraving dwars door de kruin steeds niet meer dan 1/3 van de kruin open ligt; d. een ontgraving maximaal 1,00 meter diep onder het maaiveld is.
Artikel 3.2.3.6 Specifieke zorgplicht kabels en leidingen oppervlaktewaterlichamen Voor het aanleggen, hebben of vervangen van kabels en leidingen is vereist, houdt de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.4.1.3, onder een oppervlaktewaterlichaam, in ieder geval in dat: a. de aanleg of het vernieuwen van de kabel of leiding die de watergang kruist, plaats vindt met behulp van een gestuurde boring of een (boog)zinker; b. het in- en uittredingspunt zich minimaal 1,00 meter uit de insteek van de oever bevindt; c. de watergang niet geheel of gedeeltelijk wordt drooggezet of afgesloten; d. een (boog)zinker niet wordt aangebracht door een spuitlans of een gebaggerde sleuf; e. met een gestuurde boring de kabel of leiding ten minste 3,00 meter onder de oorspronkelijke vaste waterbodem wordt gelegd; f. een (boog)zinker een gronddekking heeft van ten minste 1,50 meter oorspronkelijke grond; g. een kabel of leiding niet in de oever, evenwijdig aan een primaire watergang, wordt aangelegd; h. ontgravingen tot een minimum worden beperkt; i. ontgravingen direct na het aanbrengen van de kabel of leiding worden aangevuld met de uitgekomen grond in lagen van maximaal 0,20 meter, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht; j. de werkzaamheden niet de uitvoering van onderhoud aan de watergang belemmeren; k.
beschadigingen aan een oever of het profiel van een watergang worden voorkomen dan wel direct hersteld; l. de watergang na uitvoering van de werkzaamheden zo veel mogelijk in de oorspronkelijke staat wordt teruggebracht; m. wanneer de waterbodem openbreekt: 1º. de breuk direct wordt gedicht; 2º. het bestuur direct wordt geïnformeerd, met opgave van de plaats en omvang van de breuk en van de getroffen maatregelen; en 3º. de nadelige gevolgen van de breuk ongedaan worden gemaakt of beperkt; en n. wanneer er tijdens het boorproces een blow-out plaatsvindt: 1º. de gevolgen van de blow-out direct worden hersteld; en 2º. het bestuur direct wordt geïnformeerd, met opgave van de plaats en omvang van de blow-out en van de getroffen maatregelen.
Artikel 3.2.3.7 Meldplicht Lid 3.2.3.7.1 Het is verboden een kabel of leiding aan te leggen, te hebben, te vernieuwen of te verwijderen in de kernzone en beschermingszone van een waterkerend dijklichaam, in de kernzone van een halfverholen waterkering, in de kernzone van een verholen waterkering of in beschermende gronden
39
Waterschapsverordening Amstel, Gooi en Vecht - concept
zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden, als daarvoor geen vergunning is vereist op grond van de artikelen 2.3.2.2, 2.3.3.2 of 2.3.4.1. Lid 3.2.3.7.2 Het is verboden een drukleiding te leggen, te hebben, te wijzigen of te verwijderen in de buitenbeschermingszone van een waterkerend dijklichaam, de kernzone van een half-verholen waterkering en de kernzone van een half-verholen waterkering zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden. Lid 3.2.3.7.3 De melding voor het aanleggen of vervangen van een kabel of leiding bevat ten minste: a. een beschrijving van de soort kabel of leiding; b. een beschrijving van de wijze van aanleg van de kabel of leiding; c. bij een leiding onder druk: een berekening van de erosiekater; d. als een gestuurde boring of persing wordt gebruikt: een boorplan; en e. als wordt geboord bij de fundering van een viaduct: een beschrijving van de invloed van de boring op de fundering. Lid 3.2.3.7.4 De melding voor het verwijderen van een kabel of leiding bevat ten minste: a. een beschrijving van de wijze van verwijderen; en b. de ligging van de kabel of leiding en van de objecten die daarmee samenhangen.
Artikel 3.2.3.8 Gegevens en bescheiden: uitvoering spoedeisende reparaties, lasgaten en proefsleuven Ten minste 24 uur voor het begin, of in het geval van een calamiteit, uiterlijk de eerste dag na aanvang van een activiteit als bedoeld in artikel 3.2.3.4, worden aan het bestuur gegeven en bescheiden verstrekt over: a. de coördinaten van de kabel, leiding en het werk; b. een overzichtskaart van het werk, met een detailkaart op een schaal van maximaal 1:250; c. een omschrijving van de activiteit; d. de afmetingen van het gat of de sleuf; en e. de diepteligging van de kabel of leiding.
Paragraaf 3.2.4
Bodemonderzoek verrichten
Artikel 3.2.4.1 Specifieke zorgplicht waterkeringen Voor boringen en sonderingen voor bodemonderzoek, waarvoor geen vergunning is vereist, houdt de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3.1.3, in de kernzone en beschermingszone van een waterkerend dijklichaam, in de kernzone en beschermingszone van een half-verholen waterkering en in beschermende gronden, in ieder geval in, dat: a. een boring of sondering voldoet aan de NEN-nomen of aan gelijkwaardige normen; b. de sondeer- of boorstelling niet wordt verankerd;
40
Waterschapsverordening Amstel, Gooi en Vecht - concept
c. bij voorgraven de uitgekomen grond wordt teruggebracht en verdicht; d. waterspanningsmeters en peilbuizen worden afgewerkt tot, zo mogelijk, onder het maaiveld, en gemarkeerd; e. bij een verhoogde waterstand tot meer dan 0,20 meter ten opzichte van het geldende streefpeil alleen handboringen en handsonderingen worden uitgevoerd; f. een boor- of sondeergat direct na het onderzoek wordt opgevuld en afgesloten met zwelklei volgens de geldende normen (TAW-leidraad); g. peilbuizen, minifilters, waterspanningsmeters of overig werkmateriaal na de meetperiode worden verwijderd; h. het waterkerend vermogen van de waterkering niet nadelig wordt beïnvloed; i. de erosie van de waterkering wordt voorkomen of direct wordt hersteld; j. de afwatering van de waterkering niet wordt belemmerd; k. de ter bescherming van de waterkering aanwezige grasmat, beplanting of andersoortige (oever)bescherming niet wordt beschadigd of direct wordt hersteld; l. beschadiging van de waterkering, de berm en het talud wordt voorkomen of direct wordt hersteld; m. verstoring van de standvastheid van het grondlichaam van de waterkering wordt voorkomen of direct wordt hersteld; n. de toegankelijkheid van de waterkering voor onderhoud en inspectie niet wordt belemmerd; o. na de beëindiging van de activiteit de waterkering wordt teruggebracht in oorspronkelijke staat; p.
bij het gebruik van zwaar materiaal artikel 3.2.15.6 in acht wordt genomen; en q. doorboring van slecht waterdoorlatende bodemlagen zoveel mogelijk wordt voorkomen of hersteld.
Paragraaf 3.2.5
Steigers, afmeerpalen en ligplaatsen
Artikel 3.2.5.1 Specifieke zorgplicht steigers en afmeerpalen waterkeringen Lid 3.2.5.1.1 Dit artikel gaat over het aanleggen, hebben, wijzigen, vervangen of verwijderen van een steiger of afmeerpaal in het beperkingengebied met betrekking tot een waterkering, waarvoor geen vergunning is vereist. Lid 3.2.5.1.2 Voor het aanbrengen, hebben, wijzigen en vervangen van een steiger of afmeerpaal houdt de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3.1.3, in de kernzone en beschermingszone van een waterkerend dijklichaam en in de kernzone van een half-verholen waterkering, in ieder geval in, dat: a. een steigerpaal of afmeerpaal een afmeting heeft van maximaal 0,20 x 0,20 meter en tot een diepte van maximaal 3,00 meter in de waterbodem wordt aangebracht; b. de steiger niet verbonden is of rust op de oeverbescherming van de waterkering; en c. de steigerpaal of afmeerpaal niet wordt aangebracht met een spuitlans.
41
Waterschapsverordening Amstel, Gooi en Vecht - concept
Lid 3.2.5.1.3 Voor het verwijderen van een steiger of afmeerpaal houdt de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3.1.3, in de kernzone en beschermingszone van een waterkerend dijklichaam en in de kernzone en beschermingszone van een half-verholen waterkering, in ieder geval in, dat: a. de schade aan het profiel van de waterkering zo veel mogelijk wordt voorkomen of direct wordt hersteld; b. gaten op het droge deel van de waterkering worden opgevuld met klei en verdicht of op een andere door het bestuur aan te geven wijze gedicht; en c. palen in het natte deel van de waterkering worden verwijderd tot minimaal 50 cm onder het leggerprofiel of de waterbodem, als de waterbodem lager ligt dan het leggerprofiel, door wegdrukken, afknijpen of afzagen, niet door uittrekken.
Artikel 3.2.5.2 Specifieke zorgplicht steigers en afmeerpalen oppervlaktewaterlichamen Lid 3.2.5.2.1 Dit artikel gaat over het aanleggen, hebben, wijzigen, vervangen en verwijderen van een steiger of afmeerpaal, waarvoor geen vergunning is vereist, in een oppervlaktewaterlichaam. Lid 3.2.5.2.2 Voor het aanbrengen, hebben, wijzigen of vervangen van een steiger of afmeerpaal houdt de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.4.1.3, in een secundair water en in een primair water buiten het boezemsysteem, in ieder geval in, dat: a. een steiger of afmeerpaal: 1º. tot maximaal 3,00 meter uit de waterkant steekt, tenzij deze in een groene oeverzone ligt en wordt aangelegd conform bijlage I; 2º. niet geheel of gedeeltelijk staat in de middenstrook, in het leggerprofiel van een primair water, in de vaarstrook of in de rode zone; en 3º. de vaarfunctie niet verhinderd; b. een steiger niet rust op meer palen dan noodzakelijk om de constructie te kunnen dragen; c. de vrije doorstroming onder de steiger niet wordt belemmerd; en d. in een groene oeverzone, de steiger van het open type is, zoals aangegeven in Bijlage I.
Lid 3.2.5.2.3 Voor het aanbrengen, hebben, wijzigen of vervangen van een steiger buiten de bebouwde kom, houdt de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.4.1.3, in een secundair water en in een primair water buiten het boezemsysteem, in ieder geval in, dat de steiger een lengte heeft van maximaal 6,00 meter. Lid 3.2.5.2.4 Voor het aanbrengen, hebben, wijzigen of vervangen van een steiger of afmeerpaal houdt de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.4.1.3, in een primair water buiten het boezemsysteem, in ieder geval in, dat een steiger of afmeerpaal minimaal 3,00 meter van andere steigers, afmeerpalen of werken afstaat. Lid 3.2.5.2.5 Voor het aanbrengen, hebben, wijzigen of vervangen van een steiger of afmeerpaal houdt de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.4.1.3, in het boezemsysteem, buiten de gebieden 'Knelpuntenkaart boezemsysteem', in ieder geval in, dat:
42
Waterschapsverordening Amstel, Gooi en Vecht - concept
a. een steigerpaal of afmeerpaal een breedte heeft van maximaal 0,20 x 0,20 meter; b. een steiger of afmeerpaal niet geheel of gedeeltelijk staat in de middenstrook, de vaarstrook of een rode zone; en c. in een groene oeverzone, de steiger van het open type is, zoals aangegeven in Bijlage I. Lid 3.2.5.2.6 Voor het aanbrengen, hebben, wijzigen of vervangen van een steiger buiten de bebouwde kom houdt de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.4.1.3, in het boezemsysteem, buiten de gebieden 'Knelpuntenkaart boezemsysteem', in ieder geval in, dat de steiger een lengte heeft van maximaal 6,00 meter. Lid 3.2.5.2.7 Voor het aanbrengen, hebben en wijzigen van een steiger of afmeerpaal buiten het leggerprofiel houdt de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.4.1.3, in het boezemsysteem, buiten de gebieden 'Knelpuntenkaart boezemsysteem', in ieder geval in, dat: a. de steiger of afmeerpaal maximaal 3,00 meter uit de waterkant steekt, b. tenzij de steiger in een groene oeverzone ligt en wordt aangelegd conform bijlage I; c. de steiger of afmeerpaal minimaal 3,00 meter afstaat van andere steigers, afmeerpalen of werken; en d. een steiger niet rust op meer palen dan noodzakelijk om de constructie te dragen.
Lid 3.2.5.2.8 Voor het aanbrengen, hebben en wijzigen van een steiger of afmeerpaal in het leggerprofiel houdt de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.4.1.3, in het boezemsysteem, buiten de gebieden 'Knelpuntenkaart boezemsysteem', in ieder geval in, dat: a. per aanwonende een steiger of twee afmeerpalen zijn toegestaan; b. een steiger op maximaal twee steigerpalen staat en maximaal 1,20 meter uit de waterkant steekt; en c. een afmeerpaal maximaal 1,20 meter uit de waterkant steekt. Lid 3.2.5.2.9 Voor het verwijderen van een steiger of afmeerpaal houdt de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.4.1.3, in een secundair en primair water, in ieder geval in, dat: a. schade aan oevers zo veel mogelijk wordt voorkomen en direct wordt hersteld; b. de lengte en helling van de oever ten minste gelijk blijven; en c. beschadigde vegetatie wordt vervangen door vegetatie van ten minste gelijkwaardige ecologische kwaliteit.
Artikel 3.2.5.3 Specifieke zorgplicht ligplaats nemen oppervlaktewaterlichamen Lid 3.2.5.3.1 Dit artikel gaat over het nemen van een ligplaats en het meren, ankeren en vervangen van een woonschip, drijvende inrichting of drijvend voorwerp, waarvoor geen vergunning is vereist. Lid 3.2.5.3.2 Voor het nemen van een ligplaats en het meren, ankeren en vervangen van een woonschip, drijvende inrichting of drijvend voorwerp houdt de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.4.1.3, in secundaire wateren en primaire wateren buiten het boezemsysteem, in ieder geval in, dat:
43
Waterschapsverordening Amstel, Gooi en Vecht - concept
a. het woonschip, drijvende inrichting of drijvend voorwerp niet geheel of gedeeltelijk ligt in: 1º. de middenstrook van een primair water; 2º. het leggerprofiel en het profiel van vrije ruimte van waterkerende dijklichamen en halfverholen waterkeringen; 3º. het leggerprofiel van een buiten de bebouwde kom gelegen primair water; 4º. een vaarstrook; of 5º. een rode oeverzone; 6º. een groene oeverzone b. ten minste 0,30 meter ruimte blijft tussen de onderkant van het woonschip of drijvend voorwerp en de waterbodem; en c. loopplanken samen een breedte hebben van maximaal 2,00 meter. d. het niet is toegestaan ligplaats te nemen, te ankeren of te meren met plaatsgebonden drijvende voorwerpen zoals drijvende steigers, vlonders, terrassen, tuinen of boatsavers, als deze: 1º. in het leggerprofiel van primaire wateren, buiten het boezemsysteem, liggen; 2º. meer dan 1,2 meter uit de waterkant steken in het leggerprofiel van het boezemsysteem; 3º. meer dan 3,0 meter uit de waterkant steken buiten het leggerprofiel; 4º. buiten de bebouwde kom, een lengte hebben van meer dan 6 meter; e. de regels onder a. onder 1º, 2º, 3º en 5 º zijn niet van toepassing op het tijdelijk ligplaats nemen, meren en ankeren met een drijvend voorwerp of een drijvende inrichting, voor het uitvoeren van werkzaamheden of een evenement, als: 1º.
er niet langer dan noodzakelijk ligplaats wordt genomen, geankerd of gemeerd, met een maximum van 6 maanden; 2º. het vaarverkeer en de doorstroming niet worden belemmerd; 3º. het drijvende voorwerp of de drijvende inrichting niet groter is dan noodzakelijk voor het uitvoeren van de werkzaamheden of het evenement. Lid 3.2.5.3.4 Voor het vervangen van een woonschip, houdt de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.4.1.3, in de gebieden 'Knelpuntenkaart Boezemsysteem', in ieder geval in, dat: a. de lengte en de breedte op de waterlijn en de diepgang van het vervangende woonschip niet toenemen ten opzichte van het te vervangen woonschip; en b. het vervangende woonschip niet verder uit de kant steekt dan het vervangen woonschip.
Artikel 3.2.5.4 Meldplicht steigers en afmeerpalen Het is verboden een steiger of afmeerpaal aan te brengen, te hebben of te wijzigen in het boezemsysteem, buiten de gebieden op de 'Knelpuntenkaart boezemsysteem' zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
Artikel 3.2.5.5 Meldplicht ligplaatsen nemen Het is verboden ligplaats te nemen, te meren of te ankeren met een woonschip, drijvende inrichting of drijvend voorwerp in de kernzone of beschermingszone van een waterkerend dijklichaam of in de
44
Waterschapsverordening Amstel, Gooi en Vecht - concept
kernzone of beschermingszone van een half-verholen waterkering zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden, als daarvoor geen vergunning is vereist op grond van de artikelen 2.3.2.4
Paragraaf 3.2.6
Ophogen en ontgraven
Artikel 3.2.6.1 Specifieke zorgplicht Voor ophogen en ontgraven, waarvoor geen vergunning is vereist, houdt de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3.1.3, in een waterkering, in ieder geval in, dat: a. de afwatering van de waterkering niet wordt belemmerd; b. de ter bescherming van de waterkering aanwezige grasmat, beplanting of andersoortige dijkbekleding en oeverbescherming wordt hersteld; en c. de toegankelijkheid van de waterkering gewaarborgd blijft voor inspectie en onderhoud.
Paragraaf 3.2.7
Activiteiten bij wegen op waterkeringen
Artikel 3.2.7.1 Specifieke zorgplicht Lid 3.2.7.1.1 Voor het vervangen of verbreden van een weg, het plaatsen, vervangen of verwijderen van verkeersvoorzieningen en het aanvullen van wegbermen als bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994, houdt de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3.1.3, in de kernzone en beschermingszone van een waterkerend dijklichaam, in de kernzone en beschermingszone van een half-verholen waterkering, in de kernzone en beschermingszone van een verholen waterkering en in beschermende gronden, in ieder geval in, dat: a. beschadiging of versnelde inklinking van de waterkering wordt voorkomen of hersteld; b. de afwatering van de waterkering niet wordt belemmerd; c. het waterkerend vermogen van de waterkering in stand blijft; d. na verwijdering van de verkeersvoorziening gaten worden opgevuld met kleihoudende grond; e. de wegberm wordt aangevuld met bij voorkeur kleihoudende grond of door grasbetontegels; en f. de wegberm die geheel of gedeeltelijk binnen 2,00 meter van de buitenkruinlijn ligt niet worden aangevuld met puin.
Lid 3.2.7.1.2 Voor het vervangen of verbreden van een weg, het plaatsen, vervangen of verwijderen van verkeersvoorzieningen en het aanvullen van wegbermen als bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994, waarvoor geen vergunning is vereist, houdt de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3.1.3, in de kernzone van een waterkerend dijklichaam en in de kernzone en buitendijkse beschermingszone van een half-verholen waterkering, in ieder geval in, dat een bestaande wegfundering niet wordt uitgebreid.
45
Waterschapsverordening Amstel, Gooi en Vecht - concept
Artikel 3.2.7.2 Meldplicht Het is verboden een weg te vervangen of te verbreden, een verkeersvoorziening te plaatsen, te vervangen of te verwijderen of een wegberm aan te vullen in de kernzone of beschermingszone van een waterkerend dijklichaam, in de kernzone of beschermingszone van een half-verholen waterkering, in de kernzone of beschermingszone van een verholen waterkering en in beschermende gronden zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden, als daarvoor geen vergunning is vereist op grond van de artikelen 2.3.2.6, 2.3.3.4 en 2.3.5.2.
Artikel 3.2.7.3 Gegevens en bescheiden: uitgevoerde activiteit Ten minste binnen twee maanden na afloop van de activiteit worden revisietekeningen met x-, y- en z-coördinaten en maatvoering vanuit vaste punten aan het bevoegd gezag verstrekt.
Paragraaf 3.2.8
Beschoeiingen
Artikel 3.2.8.1 Specifieke zorgplicht Lid 3.2.8.1.1 Voor het aanleggen, hebben, vervangen of verwijderen van een beschoeiing houdt de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.4.1.3, in een primair water en in een secundair water, in ieder geval in, dat: a. beschoeiing niet wordt aangelegd in een groene oeverzone; b. de beschoeiing wordt aangelegd op de waterlijn van het hoogst vastgestelde waterpeil; c. een vervangende beschoeiing wordt aangelegd op dezelfde plaats en diepte als de bestaande beschoeiing of dichter bij de oever; d. de doorstroming in het stromingsprofiel van de watergang niet wordt belemmerd; e. een waterstandsverhoging of afname van het bergend vermogen van het oppervlaktewaterlichaam wordt voorkomen; f. maatregelen en voorzieningen die zijn getroffen met het oog op de ecologische waterkwaliteit niet worden aangetast; g. nadelige gevolgen voor de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam zoveel mogelijk worden voorkomen of weggenomen; h. de toegankelijkheid van de watergang en onderhoudsstrook voor onderhoud en inspectie niet wordt belemmerd; en i. bij het verwijderen de stabiliteit van de oever en bodem in stand blijft.
Lid 3.2.8.1.2 Voor het aanleggen, hebben, vervangen of verwijderen van een beschoeiing houdt de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3.1.3, in de kernzone en beschermingszone van een waterkerend dijklichaam, in de kernzone van een half-verholen waterkering en in beschermende gronden, in ieder geval in, dat: a. de beschoeiing waterdoorlatend is; b. de beschoeiing niet verankerd is; c. de beschoeiing niet wordt aangelegd met behulp van een spuitlans;
46
Waterschapsverordening Amstel, Gooi en Vecht - concept
d. beschoeiingspalen wordt verwijderd door wegdrukken, afknijpen of afzagen; e. beschoeiingspalen niet worden verwijderd met een spuitlans of door uittrekken; f. schade aan de ter bescherming van de waterkering aanwezige grasmast, beplanting of andersoortige dijkbekleding en oeverbescherming wordt hersteld; g. erosie van de waterkering wordt voorkomen; h. verstoring van de standvastheid van het grondlichaam van de waterkering wordt hersteld; i. geen verlaging van de grondwaterstand optreedt; en j. de waterkerende hoogte van de waterkering in stand blijft. k. de oeverlijn door aanleg/vervanging van de beschoeiing niet richting de kering mag worden verplaatst
Artikel 3.2.8.2 Meldplicht Het is verboden een beschoeiing aan te leggen, te hebben, te vervangen of te verwijderen in een primair water, in een secundair water, in de kernzone of beschermingszone van een waterkerend dijklichaam, in de kernzone of beschermingszone van een half-verholen waterkering of in beschermende gronden zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
Artikel 3.2.8.3 Gegevens en bescheiden: uitgevoerde activiteiten Ten minste binnen twee maanden na afloop van de activiteit worden revisietekeningen met x-, y- en z-coördinaten en maatvoering vanuit vaste punten aan het bestuur verstrekt.
Paragraaf 3.2.9
Werken in verholen waterkering
Artikel 3.2.9.1 Specifieke zorgplicht aanbrengen (bouw)werken Voor het aanbrengen, hebben of wijzigen van (bouw)werken, funderingen, funderingspalen of damwanden houdt de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3.1.3, in de kernzone en beschermingszone van een verholen waterkering, in ieder geval in, dat: a. het bouwwerk, de fundering, de funderingspalen of de damwand bestand is tegen ophoging van de kernzone, tegen negatieve kleef en tegen horizontale gronddruk; en b. de ruimte tot een hoogte van 7,00 meter boven de kruin vrij blijft.
Artikel 3.2.9.2 Specifieke zorgplicht verwijderen (bouw)werken Voor het verwijderen van bouwwerken, funderingen, funderingspalen of damwanden houdt de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3.1.3, in de kernzone en beschermingszone van een verholen waterkering, in ieder geval in, dat: a. het (bouw)werk, de fundering, de funderingspalen of de damwand volledig wordt verwijderd; b. het maaiveld wordt hersteld tot de hoogte van het omliggende maaiveld; en c. schade in de kernzone direct wordt hersteld.
47
Waterschapsverordening Amstel, Gooi en Vecht - concept
Artikel 3.2.9.3 Meldplicht Het is verboden een (bouw)werk, fundering funderingspaal of damwand aan te brengen, te hebben, te wijzigen of te verwijderen in de kernzone of beschermingszone van een verholen waterkering zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
Artikel 3.2.9.4 Gegevens en bescheiden: uitgevoerde werkzaamheden Ten minste binnen twee maanden na afloop van de activiteit worden revisietekeningen met x-, y- en z-coördinaten en maatvoering vanuit vaste punten aan het bevoegd gezag verstrekt.
Paragraaf 3.2.10
Bruggen en dammen
Artikel 3.2.10.1 Specifieke zorgplicht Voor het aanleggen, wijzigen of verwijderen van een brug of dam, waarvoor geen vergunning is vereist, houdt de zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3.1.3, in, op of boven een secundair water in ieder geval in, dat: a. de brughoofden niet in het water steken; b. de brug of dam niet breder is dan 10 meter; c. schade aan maatregelen en voorzieningen die zijn aangelegd ter verbetering van de ecologische waterkwaliteit direct wordt hersteld; d. de toegankelijkheid voor onderhoud en inspectie van de watergang niet wordt belemmerd; e. na verwijdering van de brug, dam met duiker, damhek of dampaal worden de oevers van de watergang zo veel mogelijk worden teruggebracht in de oorspronkelijke of ecologische goede staat; f. nadelige gevolgen voor de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam worden voorkomen of gecompenseerd; g. de dam voorzien is van een duiker; h. de binnendiameter van de duiker groter of gelijk is aan de onderhoudsafmetingen van het secundaire water, bedoeld in Bijlage I, onder 1.2, onderdeel 3, van de legger voor oppervlaktewaterlichamen; i. de ligging van de duiker zodanig is dat de duiker bij het laagste streefpeil voor een derde deel boven het water steekt; j. de duiker maximaal 0,50 meter uit de dam steekt; k. de duiker recht is, zonder bochten; l.
de duikermond voldoende ver in de watergang steekt voor een goede doorstroming; m. het verlies aan open-waterberging als gevolg van de aanleg van een dam vooraf volledig wordt gecompenseerd in dezelfde watergang, of in een met die watergang direct in verbinding staande andere watergang; en n. hekken en palen, in en langs dammen, niet voor de duikermond liggen en niet de vrije doorstroming in het stromingsprofiel belemmeren. o. De dam of brug geen belemmering is voor eventueel vaarverkeer.
48
Waterschapsverordening Amstel, Gooi en Vecht - concept
Artikel 3.2.10.2 Meldplicht Het is verboden een brug of dam aan te leggen, te wijzigen of te verwijderen in een secundair water buiten de kernzone of beschermingszone van een waterkerend dijklichaam of buiten kernzone of beschermingszone van een half-verholen waterkering of in de kernzone of beschermingszone van een verholen waterkering zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden, als daarvoor geen vergunning is vereist op grond van de artikelen 2.4.3.5 en 2.4.4.4.
Artikel 3.2.10.3 Gegevens en bescheiden: uitgevoerde activiteiten Ten minste binnen twee maanden na afloop van de activiteit worden revisietekeningen met x-, y- en z-coördinaten en maatvoering vanuit vaste punten aan het bestuur verstrekt.
Paragraaf 3.2.11
Bestrating aanleggen
Artikel 3.2.11.1 Specifieke zorgplicht Voor het aanleggen van bestrating, waarvoor geen vergunning is vereist, houdt de zorgplicht, bedoeld in artikel 2.4.1.3, in de beschermingszone van een primair water in ieder geval in, dat bestrating: a. niet wordt aangelegd in een groene oeverzone tot 1 meter uit de insteek; en b. een totaalgewicht kan dragen van ten minste 10 ton.
Paragraaf 3.2.12 Onttrekken/lozen van water aan of op oppervlaktewateren Artikel 3.2.12.1 Specifieke zorgplicht Voor het aanvoeren, lozen, afvoeren of onttrekken van water aan of op oppervlaktewater, waarvoor geen vergunning is vereist, houdt de zorgplicht, bedoeld in artikel 2.4.1.3, aan of op oppervlaktewater in ieder geval in, dat: a. de activiteit eindigt wanneer de waterstand meer dan 5 cm afwijkt van het streefpeil; b. water niet wordt onttrokken of afgevoerd in of nabij een teensloot met een breedte van minder dan 2 meter; c. schade aan het profiel van de watergang naar afmeting, vorm en constructie zoveel mogelijk wordt voorkomen of direct wordt hersteld; en d. schade aan de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam zoveel mogelijk wordt voorkomen of direct hersteld.
49
Waterschapsverordening Amstel, Gooi en Vecht - concept
Paragraaf 3.2.13
Explosiegevaarlijke stoffen en installaties
Artikel 3.2.13.1 Specifieke zorgplicht Lid 3.2.13.1.1 Voor het plaatsen of vervangen van een tank of drukvat, waarvoor geen vergunning is vereist, houdt de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3.1.3, in de kernzone en beschermingszone van een waterkerend dijklichaam in ieder geval in dat: a. een tank of drukvat bovengronds wordt geplaatst op een betonplaat met een dikte van ten minste 5 cm; b. een tank of drukvat voldoet aan de geldende veiligheids- en milieunormen; c. een tank een voorziening heeft tegen lekkage in de ondergrond, die voldoet aan de geldende milieunormen; en d. de bereikbaarheid van de waterkering niet wordt belemmerd voor de uitvoering van onderhoud in de bestrijding tegen calamiteiten. Lid 3.2.13.1.2 Voor het plaatsen of vervangen van een explosiegevaarlijke stof of installatie, waarvoor geen vergunning is vereist, houdt de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3.1.3, in de buitenbeschermingszone van een waterkerend dijklichaam in ieder geval in, dat: a. de afstand tot de kernzone ten minste 100 meter bedraagt; en b. de verstoringszone van de explosiegevaarlijke stof of installatie niet reikt tot binnen de beschermingszone: waarbij de verstoringszone wordt berekend volgens de geldende NEN-normen voor leidingen, dan wel een wijze van berekening van een gelijkwaardige kwaliteit.
Artikel 3.2.13.2 Meldplicht Lid 3.2.13.2.1 Het is verboden een tank of drukvat te plaatsen of te vervangen met een druk van minder dan 1000 kPa in de kernzone, beschermingszone of buitenbeschermingszone van een waterkerend dijklichaam zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden. Lid 3.2.13.2.2 Het is verboden een explosiegevaarlijke stof of installatie te plaatsen of te vervangen in de buitenbeschermingszone van een waterkerend dijklichaam zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden. Lid 3.2.13.2.3 De melding voor het plaatsen of vervangen van een tank of drukvat bevat ten minste certificaten waaruit blijkt dat de tanks of drukvaten voldoen aan de geldende veiligheids- en milieunormen. Lid 3.2.13.2.4 De melding voor het plaatsen of vervangen van een explosiegevaarlijke stof of installatie bevat ten minste een situatietekening en veiligheidszone berekening volgens de geldende NEN-normen.
Paragraaf 3.2.14
Peilafwijkingen
50
Waterschapsverordening Amstel, Gooi en Vecht - concept
Artikel 3.2.14.1 Specifieke zorgplicht Voor het voeren van een waterstand in een peilafwijkingengebied en voor het hebben, vervangen of verwijderen van kunstwerken in een peilafwijkingengebied die noodzakelijk zijn om de afwijkende waterstand te kunnen handhaven, waarvoor geen vergunning is vereist, houdt de specifieke zorgplicht, bedoeld in de artikelen 2.3.1.3 en 2.4.1.3, in ieder geval in, dat: a. in het peilafwijkingengebied een waterstand wordt gehandhaafd die ligt tussen het waterpeil in de polder en het waterpeil in de boezem, tenzij in het peilafwijkingengebied een andere waterstand is bepaald; b. niet meer water in het peilafwijkingengebied wordt ingelaten dan noodzakelijk om die waterstand te kunnen handhaven; c. nadelige gevolgen voor het oppervlaktewaterbeheer door het waterschap worden voorkomen, beperkt of ongedaan gemaakt; d. nadelige gevolgen voor de stabiliteit van een waterkering wordt voorkomen, beperkt of ongedaan gemaakt; en e. een inlaat een binnendiameter heeft van maximaal 100 mm en een instroomopening van maximaal 50 mm, en afsluitbaar is en goed zichtbaar is gemarkeerd.
Paragraaf 3.2.15 Overige activiteiten in het beperkingengebied van waterkeringen Artikel 3.2.15.1 Specifieke zorgplicht voor het plaatsen van palen, afrasteringen, schuttingen en hekwerken Voor het plaatsen van een paal, afrastering, schutting of hekwerk houdt de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.2.1.3, in de kernzone of beschermingszone van een waterkerend dijklichaam en in de kernzone en beschermingszone van een half-verholen waterkering, in ieder geval in, dat: a. de paal, afrastering, schutting of hekwerk tot een diepte steekt van maximaal 0,75 meter onder het maaiveld en een diameter heeft van maximaal 0,10 meter; b. een verzwaarde paalvoet een omvang heeft van maximaal 0,30 x 0,30 meter en maximaal 0,50 meter diep onder de kruin of het maaiveld steekt; en c. een dwars op de kruin geplaatste afrastering, schutting of hekwerk een doorgang heeft van minimaal 3 meter breed en niet is afgesloten.
Artikel 3.2.15.2 Specifieke zorgplicht voor het plaatsen van straatvoorzieningen Voor het plaatsen van een straatvoorziening houdt de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.2.1.3, in de kernzone en beschermingszone van een waterkerend dijklichaam en in de kernzone en beschermingszone van een half-verholen waterkering, in ieder geval in, dat: a. de straatvoorziening alleen wordt geplaatst als die noodzakelijk is; b. de straatvoorziening alleen wordt geplaatst in het beperkingengebied als deze daarbuiten niet kan worden geplaatst; c. de straatverlichting, verdeel- of meterkasten, verkeers- of informatieborden van openbaar belang geplaatst worden langs de binnenkruin van de waterkering, of als dit vanuit verkeersveiligheid noodzakelijk is, langs de buitenkruin; en d. de verkeersvoorziening niet op de talud van de waterkering wordt geplaatst.
51
Waterschapsverordening Amstel, Gooi en Vecht - concept
Artikel 3.2.15.3 Specifieke zorgplicht voor het aanbrengen en hebben van taludtrappen Voor het aanbrengen en hebben van een taludtrap houdt de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.2.1.3, in de kernzone en beschermingszone van een waterkerend dijklichaam en in de kernzone en beschermingszone van een half-verholen waterkering, in ieder geval in, dat: a. de taludtrap niet breder en langer is dan strikt noodzakelijk; b. de taludtrap bestaat uit losse, strak aaneengesloten elementen die over hun gehele lengte aan weerszijden straks ingesloten zijn door randelementen; en c. de constructie van de taludtrap niet leidt tot: 1º. holle ruimten onder de trapelementen; 2º. ruimten tussen de trapelementen; 3º. ruimte tussen de trap en de dijkbekleding; en 4º. ruimte tussen de trap en de weg- en padverharding.
Artikel 3.2.15.4 Specifieke zorgplicht voor de aanleg van tuinen en het planten en rooien van bomen en struiken Voor de aanleg van een tuin, het planten en rooien van bomen en struiken houdt de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.2.1.3, in de kernzone en beschermingszone van een waterkerend dijklichaam en in de kernzone en beschermingszone van een half-verholen waterkering, in ieder geval in, dat: a. een tuin direct aan een woning of woonschip wordt aangelegd; b. een tuininrichting niet in de ondergrond wordt verankerd en zonder graafwerkzaamheden wordt geplaatst; c. er geen bomen en struiken worden geplant: 1º. op de kruin en het talud van de waterkering; en 2º. in de kernzone van een veendijk; d. een boom of struik binnen een afstand van 9 meter uit de referentielijn en buiten het talud wordt onderhouden op een hoogte van maximaal 5 meter; en e. bij het rooien van een boom: 1º. de boomstobben worden verwijderd tot een afstand van 5 meter uit de teen van de dijk; 2º. de boomstobben met een diameter van meer dan 10 cm worden gefreesd; 3º. de boomstobben met een diameter van maximaal 10 cm worden getrokken; 4º. het gat wordt opgevuld en verdicht door een kleihoudende grond; en 5º. de bodem wordt ingezaaid met op de omgeving aansluitende vegetatie na het uitvoeren van de werkzaamheden.
Artikel 3.2.15.5 Specifieke zorgplicht voor het weiden van vee Lid 3.2.15.5.1 Voor het weiden van vee houdt de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.2.1.3, in de kernzone en beschermingszone van een waterkerend dijklichaam en in de kernzone van een half-verholen waterkering, in ieder geval in, dat de onverharde bodem bij toegangshekken wordt opgehoogd met kleihoudende grond tot de omliggende maaiveldhoogte. Lid 3.2.15.5.2
52
Waterschapsverordening Amstel, Gooi en Vecht - concept
Voor het weiden van vee houdt de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.2.1.3, in de kernzone van een waterkerend dijklichaam en in de kernzone van een half-verholen waterkering, in ieder geval in, dat: a. paarden niet worden geweid; en b. vee niet wordt geweid in de periode tussen 1 oktober en 1 februari.
Artikel 3.2.15.6 Specifieke zorgplicht voor het rijden met en gebruik maken van zwaar materiaal Voor het rijden met en gebruik maken van zwaar materiaal houdt de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.2.1.3, in de kernzone en beschermingszone van een waterkerend dijklichaam en in de kernzone en beschermingszone van een half-verholen waterkering, in ieder geval in, dat: a. materieel van meer dan 20 ton niet op onverharde bodem wordt gebruikt; en b. materieel van meer dan 45 ton niet op verharde wegen wordt gebruikt, met uitzondering van provinciale of rijkswegen.
Artikel 3.2.15.7 Specifieke zorgplicht voor het ploegen, freezen of verstoren van de grond Voor het ploegen, freezen en verstoren van de grond, houdt de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.2.1.3, in de kernzone en beschermingszone van een waterkerend dijklichaam, in ieder geval in, dat ploegen, freezen en verstoren van de grond niet plaatsvindt: a. in het leggerprofiel; b. vanaf een diepte van 50 cm onder het maaiveld; en c. als de erosiebestendigheid en het waterkerend vermogen wordt aangetast.
Artikel 3.2.15.8 Informatieplicht voor de aanleg van tuinen en het planten en rooien van bomen en struiken Degene die een tuin aanlegt of drie of meer bomen of struiken plant of rooit in de kernzone of beschermingszone van een waterkerend dijklichaam of half-verholen waterkering informeert het bestuur ten minste vier weken voor het begin ervan.
Artikel 3.2.15.9 Informatieplicht voor het ploegen, freezen of verstoren van de grond Degene die een straatvoorziening plaatst, een taludtrap aanbrengt, heeft of een grond ploegt, freest of verstoort in de kernzone of beschermingszone van een waterkerend dijklichaam, informeert het bestuur ten minste vier weken voor het begin ervan.
Artikel 3.2.15.10 Informatieplicht evenement houden Degene die een evenement houdt op onverharde delen in de kernzone en beschermingszone van een waterkerend dijklichaam en in de kernzone van een half-verholen waterkering informeert het bestuur ten minste vier weken voor het begin ervan.
Paragraaf 3.2.16 Overige activiteiten in het beperkingengebied van oppervlaktewaterlichamen
53
Waterschapsverordening Amstel, Gooi en Vecht - concept
Artikel 3.2.16.1 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op activiteiten in het beperkingengebied van oppervlaktewaterlichamen met inbegrip van ondersteunde kunstwerken en beperkingengebieden.