Bijlage 1. de staat van het Amsterdamse Primair Onderwijs 2020.pdf
Tekst van het document
Regulier basisonderwijs Primair onderwijs Speciaal basisonderwijs: moeilijk lerende kinderen, opvoedingsmoeilijkheden, gedragsproblemen
Cluster 4: psychische stoornissen en gedragsproblemen
Cluster 3: verstandelijke en/of lichamelijke handicap en langdurig somatisch zieken Speciaal onderwijs Cluster 2: communicatieve handicap
Cluster 1: visuele handicap
48 49
NRO, Evaluatie Passend Onderwijs, Eindrapport, 2002 Inspectie van het Onderwijs, Extra ondersteuning in het basisonderwijs, 2020.
66
Samenwerkingsverband primair onderwijs Amsterdam-Diemen
Figuur 4.1 Regulier basisonderwijs, speciaal basisonderwijs en speciaal onderwijs
4.1.1 Wensen in de stad: meer expertise op regulier onderwijs, meer autonomie over budgetten en sneller overstappen naar s(b)o In de gesprekken met de scholen is gevraagd naar het belangrijkste verbeterpunt van het passend onderwijs. Hierbij kwamen ten eerste dingen naar voren die onderwijsbreed volgens de scholen moeten worden verbeterd, om ervoor te kunnen zorgen dat scholen passende ondersteuning kunnen geven aan leerlingen. Zo zouden de klassen kleiner moeten worden en zouden er meer docenten werkzaam moeten zijn op de scholen. Daarnaast is het belangrijk dat er meer expertise is op de scholen. Dit kan bijvoorbeeld door meer aandacht te hebben voor kennis over gedrag op de lerarenopleidingen. Als het gaat om financiën willen de scholen meer autonomie over gelden, dus meer regie over hoe en voor wie ze het budget inzetten en minder bureaucratie. Ook op een ander vlak is er behoefte aan minder bureaucratie, namelijk als het gaat om de verschillende manieren waarop samenwerkingsverbanden werken. So scholen hebben, in tegenstelling tot reguliere basisscholen, te maken met verschillende samenwerkingsverbanden. Zij lopen ertegenaan dat elk samenwerkingsverband op een andere manier te werk gaat, waardoor de school moet schakelen en zich moet schikken naar elke manier van werken.
Als dit op een eenduidige manier wordt aangepakt vanuit de samenwerkingsverbanden dan scheelt dit een hoop werk voor de so scholen. De samenwerking tussen het reguliere en s(b)o onderwijs is ook een belangrijk verbeterpunt, en dat er vroegtijdig wordt doorverwezen naar het s(b)o indien nodig. Er moet niet te lang worden geprobeerd een leerling op de reguliere school te houden als de verwachting is dat hij/zij beter af is in het s(b)o. Daarnaast moet er worden nagedacht over een manier waarop ouders beter te overtuigen zijn op het moment dat een verwijzing naar het s(b)o beter is voor het kind. ‘Scholen hebben denk ik passend onderwijs verkeerd ingevuld, met dat ze eerst dachten alles maar te moeten gaan proberen en proberen totdat het echt niet meer gaat. En nu zitten we zo omhoog, dan gaan we pas aanvragen doen. Dat is natuurlijk helemaal niet de insteek geweest van passend onderwijs, maar zo is het door veel scholen wel begrepen.’
Scholen signaleren tijdig, maar overstap naar s(b)o gebeurt vaak pas laat Uit de interviews blijkt dat de scholen het over het algemeen vroeg signaleren als een kind extra ondersteuning nodig heeft. Als blijkt dat een doorverwijzing naar het sbo of so beter is voor het kind dan duurt het echter regelmatig lang voordat dit uiteindelijk daadwerkelijk gebeurt. Dit is onwenselijk volgens de scholen want het kan schadelijk zijn voor een leerling. Kinderen komen in het sbo terecht met trauma’s die voorkomen hadden kunnen worden bij snellere doorverwijzing. Redenen waarom de doorverwijzing vertraagt is bijvoorbeeld omdat de dossiervorming niet snel genoeg op gang komt waardoor het langer duurt dan noodzakelijk. Als de dossiervorming op gang komt maar een school zich niet dagelijks bezig houdt met verwijzingen, kan het zijn dat
67
de documenten enkele weken na het indienen moeten worden aangevuld omdat ze niet volledig blijken te zijn. Het kan nuttig zijn om gebruik te maken van de expertise van s(b)o scholen. Zij houden zich immers veel vaker bezig met dit soort documenten en zouden reguliere scholen hierin kunnen begeleiden, om ervoor te zorgen dat documenten meteen goed ingevuld worden.
‘We krijgen echt nog leerlingen in groep 8 binnen, dat we denken ‘oh, wat zonde’. Als dit jongetje of meisje in groep 4 of 5 bij ons was gekomen dan had je al zo’n voorsprong richting het voortgezet onderwijs gehad. En nu moeten we soms wonderen gaan verrichten, dat verwachten ouders dan ook in een jaar. Ja, dat is gewoon niet te doen voor ons.’
‘Soms hebben we het gevoel dat je als leerkracht niet meer als professional gezien wordt. Zelf heb je een leerling de hele dag in je klas, soms vijf dagen in de week. Soms wordt er, denk ik, niet genoeg daarnaar geluisterd, wordt er geluisterd naar iemand die één keer een uurtje komt observeren en daar dan een hulpprogramma op zet. Terwijl dat niet altijd voldoende is.’
De wachtlijsten voor sommige vormen van hulp kunnen ook vertragend werken. Volgens de scholen is er vooral sprake van wachtlijsten als het gaat om het stellen van diagnoses waar een aantal onderzoeken aan vooraf moeten gaan. Voor een school kan dit ertoe leiden dat ze lang moeten wachten op extra middelen, want een diagnose betekent dat er middelen gegenereerd kunnen worden.
‘We moeten er gezamenlijk voor zorgen dat het kind, de ouder geen last heeft van de door ons ingerichte systemen. Deze systemen dragen niet bij aan een doorlopende ontwikkeling voor het kind.’ – Mirjam Leinders, bestuurder INNOORD
Verschillende manieren van contact tussen scholen met wisselend succes In de stad vinden veel verschillende overleggen plaats tussen intern begeleiders van scholen. Soms zitten in deze overleggen enkel intern begeleiders van reguliere basisscholen. Bij sommige netwerken zitten interne begeleiders van reguliere en van sbo scholen samen in het overleg. Dit contact kan nuttig zijn bij het opstellen van het ontwikkelingsperspectiefplan (OPP), maar ook om op andere vlakken expertise te delen. Volgens sommige geïnterviewden weten scholen elkaar wel te vinden als ze hulp nodig hebben, maar het is onduidelijk in welke mate dit gebeurt.
68
‘Hoe ingewikkeld is het om gymnastieklessen te geven aan een groep kinderen waar er ook eentje in een rolstoel zit? Mijn gymdocenten zijn er keien in om dat soort kinderen gymnastieklessen te geven. Waarom lukt het nou niet om juist mensen uit het reguliere basisonderwijs bij mij stage te laten lopen om die expertise uit te venten en te zorgen dat we dit kunnen laten delen?’
Expertisenetwerk Zuidoost De Van Houteschool is een school voor speciaal basisonderwijs in Amsterdam Zuidoost. De school is onderdeel van de pilot Expertisenetwerk Zuidoost, waarbij expertise wordt uitgewisseld tussen so scholen, sbo scholen en reguliere basisscholen. In een ‘pleintje’ van verschillende scholen wordt hulp geboden door het vroegtijdig signaleren van problemen door middel van observaties en integraal overleg met betrokken leerkracht en experts vanuit so/sbo en jeugdhulpverlening. Zo kan hulp preventief worden ingezet voor leerling en ouders, en krijgt de leerkracht direct de ondersteuning die nodig is. Hiermee hopen de scholen een overstap naar het s(b)o voor sommige leerlingen te voorkomen.
Niet alle scholen ervaren de overleggen even nuttig, terwijl met de hoge werkdruk op scholen een overleg wel als nuttig moet worden ervaren om er tijd voor vrij te willen maken. Daarnaast kwam in sommige gesprekken naar voren dat het soms niet veilig voelt om veel te delen in het interne begeleiders overleg. Soms is het overleg te groot, met teveel mensen, waardoor het niet veilig voelt. En soms is er de angst dat bij het delen van een bepaalde expertise je wordt gezien als een school die met kinderen met een bepaalde problematiek goed overweg kan, waardoor je alle kinderen krijgt in de wijk met deze problematiek.
‘Ik heb eens uitgerekend met hoeveel professionals een leerkracht geacht wordt overleg te hebben over de kinderen in zijn/ haar groep, naast de ouders van zijn / haar 24-28 leerlingen en kwam al snel tot zo’n 17 mensen. En dan heb ik het niet over stagiaires en hun mentor of overleg over externe projecten.’ – Miriam Heijster, directeur Kindercampus Zuidas
Inclusief onderwijs nobel, maar niet haalbaar Vrijwel alle scholen noemen de beweging richting inclusief onderwijs, waarbij kinderen met een beperking naar dezelfde scholen gaan als kinderen zonder beperking, nobel maar niet haalbaar. Voor een deel van de kinderen blijven zeer kleine groepen en meer aandacht, zoals ze dit in het sbo en so kunnen bieden, noodzakelijk.
69
In- en doorstroomgroep kleuters De Vier Windstreken in Amsterdam Noord heeft een in- en doorstroomgroep voor de kleuters. Alle vierjarigen starten in deze klas voor tenminste acht weken, er zitten gemiddeld tien tot twaalf kinderen in. Het is een gewone kleuterklas, maar de leerkracht krijgt goed zicht op de kinderen en kan hen de basisvaardigheden leren die nodig zijn op school. Op het moment dat kinderen door kunnen stromen naar een reguliere kleuterklas is de wenperiode voorbij waardoor de leerlingen meteen mee kunnen met de rest van de klas. Daarnaast wordt er gezorgd dat de klassen een goede samenstelling bevatten met handige combinaties van leerlingen. Bijvoorbeeld door niet te veel leerlingen bij elkaar in te delen die heel erg op de voorgrond treden, een goede verhouding jongens/meisjes en een goede verhouding leerlingen die meer of minder begeleiding nodig hebben. Op deze manier behouden de leerkrachten van de verschillende klassen genoeg ruimte en overzicht om alle leerlingen te kunnen begeleiden en sturen.
‘Ik denk (..) dat er kinderen zijn die heel prima een gewone basisschool kunnen doorlopen. Dat we daar ook zelf allerlei mogelijkheden voor zien om dat te kunnen doen. Alleen er zijn ook kinderen die daar echt heel ongelukkig van worden. Die hebben echt andere behoeftes.’
Sommige kinderen, die nu nog worden doorverwezen naar een sbo school, zouden volgens de scholen op een reguliere basisschool geplaatst kunnen worden. Er moeten dan echter wel dingen veranderen op de basisscholen. Zo is er behoefte aan meer ‘Dat vanwege vergoedingen voor handen in de klas en de klassen moeten kleiner. leerlingenvervoer soms toch wordt Ook kan het helpen om de klassen in te delen gekozen voor een school dichterbij, terwijl op een manier dat problematiek wordt gespreid deze minder geschikt en passend is, vind ik over klassen. schokkend om te lezen in deze Staat. Als de Door een aantal scholen wordt genoemd dat zij school of het samenwerkingsverband het het van belang vinden dat er sprake is van goed motiveert is afwijken van de regels thuisnabij onderwijs, en dat dit een rol kan voor leerlingenvervoer mogelijk, maar daar spelen bij een eventuele verwijzing naar een sbo moet dan wel om worden gevraagd. Je school als er sprake is van lichte problematiek. neerleggen bij een minder geschikte school Dit moet echter niet worden opgevat als dat dit in verband met die regels is dus onnodig en voor alle kinderen het beste is, want sommige volstrekt onwenselijk.’ – Anne Martien van kinderen zijn simpelweg veel beter af op een der Does, Kinderombudsman Amsterdam sbo of so school.
Ook kan het zijn dat een sbo school verder weg meer geschikt wordt geacht voor een leerling dan de sbo school dichterbij. Vanwege vergoedingen voor leerlingenvervoer wordt er dan toch soms gekozen voor de school dichterbij, omdat het voor de ouders niet mogelijk is om zelf vervoer te regelen.
70
‘De rol van ouders in het proces wordt terecht cruciaal genoemd, maar hun betrokkenheid vanaf het begin ontbreekt nog te vaak. Wij zien in klachten die binnenkomen dat het OPP te laat wordt opgepakt en dat ouders slecht worden betrokken bij dit proces, zij krijgen het OPP regelmatig pas onder ogen op het moment dat de overstap naar speciaal onderwijs moet worden gemaakt. Het in een vroeg stadium betrekken van ouders bij de schoolontwikkeling van hun kind via het OPP kan de bereidwilligheid en het vertrouwen van ouders om de overstap naar het speciaal onderwijs te maken vergroten.’ – Anne Martien van der Does, Kinderombudsman Amsterdam ‘Wij willen kinderen zoveel mogelijk de kans geven om gewoon in hun eigen buurt naar school te gaan. Je wilt een kind gewoon de kans geven om ook een netwerk op te bouwen in z’n leefomgeving.’
‘Er zijn heus goede initiatieven, maar je moet oppassen met zeggen dat we er alles aan moeten doen om kinderen thuisnabij onderwijs te geven. Ik geloof daar helemaal niet in. Ik heb kinderen hier [op een so school] zitten die moet je het echt niet gunnen om op een basisschool te zitten. Dat moet je voor die kinderen niet willen en voor die basisschool niet willen. Die zijn hier echt beter af.’
Integratie kan ook tot stand komen als reguliere scholen en s(b)o scholen gezamenlijk activiteiten organiseren waar de kinderen elkaar ontmoeten. Er vinden vanuit de scholen echter weinig van dit soort activiteiten plaats in de stad. Soms zijn er gezamenlijke sportactiviteiten of een activiteit vanuit een thema, maar niet structureel en het komt volgens een school vaak moeizaam van de grond. Volgens een deel van de s(b)o scholen zou het wel wenselijk zijn om dit te organiseren. Er is echter ook een school die dit niet nodig vindt. De kinderen ontmoeten elkaar namelijk wel in de buurt waar ze wonen, mits ze door de school goed op weg zijn geholpen in hun sociale vaardigheden om dit soepel te laten verlopen. Vele betrokkenen spelen een rol, maar de rol van ouders is cruciaal Per school en per leerling kan het verschillen welke personen een rol spelen bij het bieden van passende ondersteuning. Dit kunnen zowel interne professionals zijn (ib’er, betrokken docenten, de Ouder- en Kindadviseur (OKA)) als externe professionals. De rol van de ouders kan cruciaal zijn. Als er een goede samenwerking is met de ouders komt de hulp soepeler op gang en heeft het meer effect. Het werkt volgens de scholen goed om ook contact te hebben met de ouders als er niet meteen iets moet.
Door ook positieve resultaten te benoemen, successen van de leerling, en niet alleen contact te hebben als er iets fout is gegaan, wordt er gewerkt aan een positieve relatie.
71
‘Wij hebben ook wel behoorlijk geïnvesteerd om ouders mee te nemen en de ouders de positieve kant van hun zoon in te laten zien. Dat het echt onmacht was van hem en geen onwil. Ik denk dat die driehoek van hulpverlening, school en ouders heel erg goed heeft gewerkt.’
Aan de andere kant, als de samenwerking tussen school en ouders niet goed is, dan kan het lang duren voor er hulp komt voor een leerling. Wat volgens de scholen vooral belemmerend werkt is als de ouders weigeren informatie over de leerling uit te laten wisselen tussen zorgverlener(s) en school, of bij de overstap van kinderopvang naar school.
‘Er zijn ook nog andere partijen waarmee je samen wilt werken. Met een OKT, met leerplicht, met een jeugdpsycholoog. Maar als dat steeds strandt en we niet integraal met elkaar kunnen bespreken en moeder echt oprecht denkt: je mag niet over mijn kind praten met anderen, dan blijft iedereen op z’n eigen eilandje zitten en dan kun je uiteindelijk ook niet doorpakken.’
De overstap naar sbo of so is soms moeilijk te accepteren voor de ouders, wat ervoor kan zorgen dat de overstap vertraagt. De scholen voor s(b)o die we hebben gesproken benoemen dat dit te maken heeft met misvattingen en vooroordelen over het speciaal onderwijs. Als ouders een rondleiding krijgen op de school en zien hoe klein de groepen zijn en hoe rustig het is in de klassen, dan snappen ze vaak wel dat het een betere plek is voor hun zoon of dochter.
‘Zorg gewoon dat je een topprestatie levert, want deze kinderen verdienen gewoon het beste onderwijs. Dus het gaan voor topkwaliteit zorgt dat acceptatie bij ouders makkelijker wordt en dat zien wij ook.’
72
‘Als ouders zeggen ‘nee, sbo, dat gaan we echt niet doen, mijn kind gaat echt niet naar het sbo of sbo, het is daar echt een puinhoop, echt een zooitje’. Dan krijgen ze hier een rondleiding en dan kunnen ze vragen stellen, ze mogen de klassen in. Dan zien ze zelf dat het gewoon onderwijs is. Dan zien ze wat hun kind allemaal kan krijgen hier aan extra hulp en extra zorg. Dan hebben we al een aantal keer ouders snel om gehad.’
Extra ondersteuning wordt nauwkeurig bijgehouden, soms ervaren de scholen weinig vertrouwen in hun expertise De scholen geven aan dat er veel administratie bij komt kijken als een leerling extra ondersteuning nodig heeft, het opstellen en bijhouden van OPP’s is voor sommige scholen dagelijks werk. Op de vraag hoe de registratie van passende ondersteuning verbeterd kan worden antwoorden de scholen dan ook dat ze dit al nauwkeurig doen. Daarnaast hebben sommige geïnterviewden het idee dat er weinig vertrouwen is in de expertise van de scholen, en dat de bewijslast op het moment dat ze een doorverwijzing naar het s(b)o willen erg groot moet zijn omdat ze anders niet geloofd worden.
‘Ik merk dat het vertrouwen in de school en de expertise van een school wel wat groter mag zijn. Het is nog wel eens wat bureaucratisch dat we van alles moeten aanleveren om te bewijzen dat we het goede zien. Ik snap wel dat dat enigszins in het belang van het kind is, maar ik doe dat toch niet voor de lol? Ik geef toch niet voor de lol aan dat een kind het hier niet gaat redden? Ik heb het liefst dat daar wat makkelijker en sneller actie op ondernomen kan worden zonder dat het met toch wel een hoop papierwerk gepaard gaat.’
So scholen hebben in tegenstelling tot reguliere basisscholen te maken met verschillende regionale samenwerkingsverbanden. Zoals eerder gezegd lopen de geïnterviewde so scholen ertegenaan dat de registratie voor verschillende samenwerkingsverbanden op een andere manier moet. Daarnaast werken instanties vaak met verschillende vraagformulieren, het zou de scholen helpen als dit eenduidiger wordt.
73
‘Het levert wel veel bureaucratische rompslomp op, want je hebt te maken met nieuwe aanmeldingen maar ook met het verlengen van toelaatbaarheidsverklaringen. (..) Daar heeft ieder samenwerkingsverband weer een manier voor hoe je een verlenging moet aanvragen. (..) Omdat je vanuit de hele regio kinderen hebt kost dat ook veel tijd want je bent met veel verschillende personen in contact daarover.’
4.2 Ontwikkeling sbo en so Zoals we al zagen in het hoofdstuk onderwijslandschap is het aantal leerlingen in het speciaal (basis) onderwijs licht stijgend. In deze paragraaf gaan we dieper in op doorverwijzingen binnen het s(b)o.
4.2.1 Groei van toegekende bekostigingscategorieën midden en hoog in het speciaal onderwijs Leerlingen die op een cluster 3 of cluster 4 school zitten krijgen een bekostigingscategorie toegekend, namelijk laag, midden of hoog. De lage bekostigingscategorie is bedoeld voor leerlingen met enkelvoudige problematiek op het gebied van leren, gedrag of gezondheid. Categorie midden is voor leerlingen met onderwijsbehoeften op twee van de drie gebieden. Categorie hoog is voor leerlingen met meerdere onderwijsbehoeften die motorische en/of verstandelijke beperkingen veroorzaken. Voor een leerling in bekostigingscategorie hoog krijgt een school meer geld dan voor een leerling in bekostigingscategorie laag, in de praktijk betekent dit dat een leerling meer zorg kan krijgen en eventueel in een kleinere groep geplaatst kan worden. Het aantal leerlingen in categorie laag is tussen schooljaar 2014/’15 en 2019/’20 gedaald met een kwart, maar dit blijft de grootste categorie. De bekostigingscategorieën midden en hoog zijn juist gestegen. De categorie midden steeg van 42 in schooljaar 2014/’15 naar 141 in schooljaar 2019/’20. De categorie hoog steeg in dezelfde periode van 59 tot 148 leerlingen.
74
Figuur 4.2 Leerlingen in speciaal onderwijs per bekostigingscategorie, exclusief voortgezet speciaal onderwijs, schoolregio Amsterdam, 2014/'15-2019/’20 (aantallen) 1.000
abs.
900 800
700 600 500 400 300 200 100 0
laag
midden 2014/'15
2015/'16
2016/'17
hoog 2017/'18
2018/'19
2019/'20
bron: OCW/DUO
Ervaringen in de stad Uit de interviews blijkt dat de toename van het toekennen van een zwaardere bekostiging ligt bij de cluster 4 scholen en niet bij de cluster 3 scholen in de stad. Daarbij wordt gezegd dat er in cluster 4 zowel sprake is van meer problematiek bij de leerlingen, als dat een zwaardere bekostiging tegenwoordig makkelijker wordt toegekend. De scholen die zijn geïnterviewd denken dat het besef nu meer leeft dan eerder dat er voor sommige kinderen hogere bekostiging nodig is. Op cluster 3 scholen is ook regelmatig behoefte aan een hogere bekostiging voor leerlingen maar is dit lastiger voor elkaar te krijgen. Daarnaast wordt het als vrij willekeurig ervaren wanneer dit wel wordt toegekend en wanneer niet.
‘Dat [de bekostiging] neemt toe ook omdat het besef bij de samenwerkingsverbanden nu begint te leven dat er daadwerkelijk voor sommige kinderen meer geld nodig is. Voorheen (..) was dat volume waarschijnlijk ook al veel hoger maar toen was de bereidheid er niet om ervoor te betalen of waren de middelen er niet om daarvoor te betalen. (..) Dus we moeten niet het spelletje spelen dat dat opeens heel erg toeneemt, nee er is een verschuiving in perceptie en beleid waardoor nu eindelijk meer middelen terechtkomen bij kinderen die het nodig hebben.’
75
4.2.2 Aantal aangevraagde toelaatbaarheidsverklaringen vanuit sbo stijgt Op het moment dat een leerling naar het speciaal onderwijs gaat geeft een samenwerkingsverband een toelaatbaarheidsverklaring (TLV) af. Sinds het inwerkingtreden van de Wet passend onderwijs is het aantal aangevraagde toelaatbaarheidsverklaringen vanuit het speciaal basisonderwijs bijna verdrievoudigd van 82 in schooljaar 2014/’15 tot 237 in 2019/’20. Het aantal toelaatbaarheidsverklaringen vanuit het reguliere basisonderwijs (zowel naar het sbo als naar het so) steeg ook een paar jaar maar is sinds schooljaar 2016/’17 redelijk stabiel met ongeveer 400 aanvragen per jaar. Figuur 4.3 Aangevraagde toelaatbaarheidsverklaringen vanuit het regulier basisonderwijs en speciaal basisonderwijs, 2014/'15-2019/’20 (aantallen) abs. 600
500
400
2014/'15 2015/'16 2016/'17
300
2017/'18 2018/'19 200
2019/'20
100
0
TLV-aanvragen vanuit het reguliere basisonderwijs
TLV-aanvragen vanuit het speciaal basisonderwijs
bron: Samenwerkingsverband primair onderwijs Amsterdam-Diemen
4.2.3 Aantal doorverwijzingen naar so cluster 3 stijgt Als een aangevraagde toelaatbaarheidsverklaring wordt goedgekeurd wordt een leerling doorverwezen naar het speciaal basisonderwijs of naar het speciaal onderwijs. Sinds de start van het passend onderwijs steeg het doorverwijzingspercentage vanuit het regulier basisonderwijs naar het speciaal basisonderwijs.50 In recente jaren daalt dit percentage echter weer, van 0,47% in 2017/’18 tot 0,38% in 2019/’20.51 50
Het aantal afgegeven toelaatbaarheidsverklaringen voor het sbo ten opzichte van het aantal leerlingen op het regulier basisonderwijs (in Amsterdam én Diemen). 51 bron: Samenwerkingsverband primair onderwijs Amsterdam-Diemen
76
Het aantal doorverwijzingen naar het speciaal onderwijs cluster 3 is sinds de start van het passend onderwijs fors gestegen, van 12 in 2014/’15 tot 39 in 2019/’20. Het aantal verwijzingen naar cluster 4 ligt hoger en schommelt door de jaren heen, in het meest recente schooljaar 2019/’20 was er sprake van een piek van bijna 120 doorverwijzingen. Het aantal doorverwijzingen vanuit de voorschool of gespecialiseerde voorschoolse voorzieningen schommelt tussen de 50 en 70 leerlingen per jaar. Figuur 4.4 Doorverwijzingen naar speciaal onderwijs, 2014/'15-2019/’20 (aantallen) abs. 200 180 160 2014/'15
140
2015/'16
120
2016/'17
100
2017/'18 2018/'19
80
2019/'20
60
40 20 0
regulier- en speciaal regulier- en speciaal afgegeven TLV’s vanuit basisonderwijs naar so cluster 3 basisonderwijs naar so cluster 4 voorschool of gespecialiseerde (voorschoolse) voorziening
bron: Samenwerkingsverband primair onderwijs Amsterdam-Diemen
Als een leerling van een school zonder geldige reden niet op school verschijnt spreken we van ongeoorloofd schoolverzuim. De school is verantwoordelijk voor het melden van schoolverzuim aan Bureau Leerplicht van de betreffende gemeente. Het ongeoorloofd verzuim in het primair onderwijs (inclusief sbo) ligt in Amsterdam relatief laag. In Amsterdam werd er in schooljaar 2018/’19 1,8% meldingen van ongeoorloofd verzuim gedaan door de scholen, ten opzichte van 2,6% in Rotterdam. Het gaat om verzuim voor zover dat is gemeld bij Leerplicht, dit hoeft dus niet overeen te komen met het daadwerkelijke verzuim. Uit onderzoek blijkt dat een groot deel van het verzuim in het primair onderwijs niet bij Leerplicht gemeld wordt door de scholen, terwijl dit wel bekend is bij de schoolleiding.52 In het speciaal onderwijs ligt het ongeoorloofd verzuim fors hoger dan in het primair onderwijs, met 65% meldingen in Amsterdam.53 52
Eimers, T., Hilkens, T., Roelofs, M.: Leerplicht in het primair onderwijs, KBA Nijmegen, 2018. En OIS. Nietgemeld schoolverzuim po, (v)so en vo, op basis van gemeentelijk toezicht. Schooljaar 2015/’16. Oktober 2016. 53 Dit is inclusief leerlingen in het vso.
77
Kinderen die leerplichtig zijn maar een tijd niet naar school gaan noemen we langdurig relatief verzuimers. Leerplicht en de Samenwerkingsverbanden werken samen bij de aanpak van deze thuiszitters. Deze partijen hanteren echter een andere definitie van een thuiszitter. Het aantal van 2018/’19 ligt tussen de 33 volgens Leerplicht54 en 128 volgens het Samenwerkingsverband55.
4.3 Zorg en voorzieningengebruik Naast het passend onderwijs, waarin men op scholen probeert zo goed mogelijke ondersteuning te bieden voor de kinderen, krijgen kinderen op andere manieren (gemeentelijke) zorg. Een jaar nadat de Wet passend onderwijs in gang trad, ging de Jeugdwet op 1 januari 2015 van start. Sindsdien zijn gemeenten verantwoordelijk voor het preventieve jeugdbeleid en de specialistische jeugdhulp. In de volgende paragrafen geven we een overzicht van het gebruik van deze gemeentelijke voorzieningen, waar mogelijk uitgesplitst naar het aandeel leerlingen met een risico op onderwijsachterstand op school.
4.3.1 Sociaal- emotionele gezondheid kinderen is verbeterd, zorgen thuis gelijk gebleven De sociaal-emotionele gezondheid van vijf- en tienjarigen in de stad is tussen schooljaar 2009/’10 en 2017/’18 verbeterd. Zo had in 2009/’10 21% van de tienjarigen een verhoogde kan op sociaal-emotionele problemen56 en was dit in 2017/’18 gedaald tot 14%.57 De grootste daling zit bij de mate waarin kinderen problemen hebben met leeftijdsgenoten, dit daalde voor tienjarigen in de stad van 21% in 2009/’10 tot 13% in 2017/’18.58 54
‘Als bepaald moet worden welk onderwijs passend is voor een kind zijn er vaak veel partijen in beeld, ook zorgverleners buiten het onderwijsveld. De Kinderombudsman ziet te vaak dat geen enkele partij de regie neemt, waardoor kinderen onnodig lang thuiszitten. Zoals wordt aangegeven in deze Staat dienen thuiszitters beter in kaart te worden gebracht. Want ongeacht welke definitie van ‘thuiszitter’ gehanteerd wordt, kinderen die naar school willen en kunnen moeten deze mogelijkheid krijgen.’ Anne Martien van der Does, Kinderombudsman Amsterdam
Jaarverslag Leerplicht, schooljaar 2018-2019. ‘Een langdurig relatief verzuimer is een leerplichtige jongere tussen de 5 en 16 jaar of een jongere van 16 of 17 jaar die valt onder de kwalificatieplicht en die ingeschreven staat op een school of onderwijsinstelling en die zonder geldige reden meer dan vier weken verzuimt, zonder dat hij/zij vrijstelling heeft van de leerplicht respectievelijk vrijstelling van geregeld schoolbezoek wegens het volgen van ander onderwijs’. Mogelijk ligt dit nog iets lager, want een deel van deze leerlingen zit in het vso. 55 In de definitie van het Samenwerkingsverband worden ook vierjarigen meegenomen, kinderen die gedeeltelijk thuis zitten (zij gaan bijvoorbeeld halve dagen naar school), en zij hanteren een ondergrens van twee weken. Daarnaast valt Diemen ook onder het Samenwerkingsverband, maar so cluster 1 en 2 dan weer niet. In schooljaar 2019/’20 waren dit er 103. 56 Een (matig) verhoogde SDQ-score, zie ook: Gezondheid in Beeld 57 Gezondheid in Beeld; Zie ook Wachter, G.G., Steenkamer, W.A., van Vuuren, C.L., Minder sociaalemotionele problemen bij basisschoolkinderen, 2018) 58 Alleen de mate van hyperactiviteit onder tienjarigen nam niet af in de betreffende periode.
78
Terwijl de sociaal-emotionele gezondheid van kinderen in de stad is verbeterd, is de thuissituatie als het gaat om zorgen thuis zo goed als gelijk gebleven in acht jaar tijd. Van de tienjarigen in Amsterdam had 17% in schooljaar 2009/’10 zorgen binnen het gezin59, en na een stijging in de tussenliggende jaren was dit in schooljaar 2016/’17 ook 17%. Ook als het gaat om het aandeel vijf- en tienjarigen met ouders met psychische of lichamelijke problemen zien we geen grote veranderingen. Kinderen met hoogopgeleide ouders hebben een meer optimale sociaal-emotionele gezondheid dan kinderen met midden- of laagopgeleide ouders, en hebben ook minder vaak zorgen thuis.60 Figuur 4.5 Sociaal-emotionele gezondheid van vijfjarigen en tienjarigen, totaal Amsterdam (2009/’10,
problemen hyperactivitei met leeftijds- t/aandachtste gedragsgenoten kort problemen
emtionele problemen
sociaalemotionele problemen
2013/’14, 2017/’18) 5 jaar 10 jaar 5 jaar
2009/'10
2013/'14
10 jaar
2017/'18 5 jaar 10 jaar
5 jaar 10 jaar 5 jaar 10 jaar
% 0
5
10
15
20
25
bron: GGD Gezondheid in Beeld
59
Percentage dat opgroeit in een gezin met zorgen, spanningen of stress (vanwege werk, relatie, geld, wonen, opvoeding of iets anders). 60 https://www.ggdgezondheidinbeeld.nl/
79
ouders met ouders met lichamelijke psychische zorgen problemen problemen binnen gezin
Figuur 4.6 Zorgen thuis van vijfjarigen en tienjarigen, totaal Amsterdam (2009/’10, 2013/’14, 2016/’17) 5 jaar
10 jaar 5 jaar 2009/'10 2013/'14
10 jaar
2016/'17 5 jaar 10 jaar
%
0
5
10
15
20
25
bron: GGD Gezondheid in Beeld
4.3.2 Preventieve hulp: minimaal één op de tien leerlingen wordt bereikt Om sociaal-emotionele problemen te voorkomen is het belangrijk dat problemen vroegtijdig worden gesignaleerd en behandeld.61 Door vroegtijdige inzet van ondersteuning en hulp kunnen zwaardere vormen van jeugdhulp worden voorkomen.62 Er bestaan verschillende vormen van preventieve hulp in de stad. Opvoed- en opgroeiondersteuning (O&O) kan ervoor zorgen dat kinderen niet doorverwezen hoeven te worden naar specialistische jeugdhulp, het OKT neemt een centrale rol hierin. Het blijkt lastig om zicht te krijgen op het bereik van het preventieve aanbod van het OKT. In 2019 werd er 59% van de totale capaciteit van het OKT ingezet op preventie, de overige 41% aan jeugdhulp.63 Ook vanuit het Flexibel Preventief Aanbod Jeugd (FPAJ) wordt ingezet op preventie in de stad. Vier procent van de kinderen heeft gebruik gemaakt van Flexibel Preventief Aanbod Jeugd Onderdeel van het Amsterdamse jeugdstelsel is het voorkomen van problemen en vroegtijdige inzet van ondersteuning en hulp, met als doel (zwaardere) vormen van jeugdhulp te voorkomen. Het Flexibel Preventief Aanbod Jeugd (FPAJ) speelt hier een rol in. Het aanbod van FPAJ is vooral bedoeld voor jeugdigen en ouders met een sterk verhoogd risico om bepaalde problemen te ontwikkelen of voor jeugdigen en ouders waarbij al sprake is van beginnende problemen.
Het gaat bijvoorbeeld om trainingen voor kinderen met stil en teruggetrokken gedrag en angst, trainingen om de weerbaarheid van jongeren te verhogen, maar ook een training positief opvoeden voor gescheiden ouders.
61
Wachter, G.G., Steenkamer, W.A., van Vuuren, C.L., Minder sociaal-emotionele problemen bij basisschoolkinderen, 2018 62 Jeugdstelsel Amsterdam, Gemeente Amsterdam, Bestuursrapportage 1e helft, 2019 63 Ouder- en Kindteams, Amsterdam, Jaarrapportage, 2019
80
Het FPAJ is vrij toegankelijk maar loopt vaak via het OKT. Zo’n 2.600 kinderen van 4 tot 12 jaar (4%) hebben in 2019 gebruik gemaakt van het FPAJ.64 Het FPAJ wordt relatief veel ingezet in een deel van Nieuw-West (De Aker, Sloten en Nieuw-Sloten) en in Zuidoost.65 Hart & Ziel Hart & Ziel is een werkwijze binnen het basisonderwijs om het sociaal-emotioneel welbevinden en de sociale veiligheid van kinderen te bevorderen, zowel op groeps- als op individueel niveau. Kinderen met een verhoogd risico op sociaal-emotionele problemen worden vroegtijdig opgespoord, ondersteund en als nodig doorverwezen naar preventieprogramma’s, bijvoorbeeld via de OKA.66 De werkwijze wordt met name ingezet op scholen met veel leerlingen met een risico ‘Opvallend hoe wisselend de behoefte op achterstand. aan ondersteuning van het OKT is binnen het PO in Amsterdam. Het Rond de 100 Amsterdamse basisscholen maken jaarlijks varieert van ‘wij weten jullie te vinden’ gebruik van Hart & Ziel. Jaarlijks wordt hiermee voor tot ‘we willen de hele week een OKA zo’n 13.000 leerlingen de sociaal-emotionele 67 op school’. En dat is veelal niet gezondheid in kaart gebracht. Deze aantallen zijn afhankelijk van de problematiek van over de laatste jaren redelijk constant. Er kunnen kinderen.’ – Marleen Beumer binnen Hart & Ziel verschillende typen bestuurder Stichting Ouder en leerlingvragenlijsten worden ingezet.
De inzet van de Kindteams Amsterdam vragenlijsten over de sociale veiligheid van de kinderen is door de scholensluiting vanwege COVID-19 in schooljaar 2019/’20 minder vaak afgenomen dan het jaar ervoor.68 Acht procent van de kinderen maakt gebruik van jeugdhulp van het OKT In 2019 hebben ruim 5.ooo Amsterdamse kinderen van 4 tot 12 jaar (8%) jeugdhulp ontvangen vanuit het Ouder- en Kindteam, dit is zo goed als gelijk aan het bereik in 2018. Deze jeugdhulp wordt uitgevoerd door een ouder-en kinderadviseur of door een jeugdpsycholoog. Een school is één van de plekken waar de kinderen die hulp nodig hebben worden gevonden. Goede samenwerking met de Ouder- en Kindadviseur Op het Winterkoninkje in Amsterdam West zijn ze erg tevreden met de OKA. Ze werkt proactief, zowel naar de ouders als naar de kinderen toe. Daarnaast werkt ze één dagdeel op de school wat het laagdrempelig maakt voor ouders om haar te benaderen, en wat het mogelijk maakt dat er regelmatig overleg plaatsvindt tussen de intern begeleiders en de OKA.
64 In 2018 bestond er nog een andere manier van monitoring, waardoor een exact aantal deelnemers 4 t/m 11 jaar niet te bepalen is. 65 Gebiedsbepaling is voor 75% o.b.v. woongebied en 25% o.b.v. uitvoerlocatie. 66 Website van hart & Ziel 67 In de toekomst kan onderzocht worden hoe de periode COVID-19 het welbevinden van de leerlingen heeft beïnvloed, door de meting in het najaar van 2020 te vergelijken met de meting in het najaar van 2019. 68 Bron: Website van hart & Ziel
81
In de stadsdelen Zuidoost (10,4%), Noord (8,6%) en in Nieuw-West (8,2%) ligt het aandeel kinderen met jeugdhulp vanuit het OKT relatief hoog, net als in Oud-Oost (8,2%). Amsterdamse ervaringen Uit de gesprekken blijkt dat de ervaringen met het OKT wisselend zijn. Sommige scholen zijn enthousiast over de OKA, andere scholen minder. Dit heeft vooral te maken met de zichtbaarheid van de OKA, zijn/haar bereikbaarheid en de mate waarin hij/zij proactief handelt. Het is belangrijk dat ‘Kansen voor kinderen vergroten bereik een OKA goed aansluit bij een school, je niet door meer inzet van jeugdzorg doordat hij/zij bijvoorbeeld de situatie op de maar door goed onderwijs en school goed kent, of wellicht de taal kent van duurzame oplossingen voor volwassen veel ouders op een school. Ook kan het een problematiek.’ – Marleen Beumer, rol spelen of de OKA vaak wisselt op een bestuurder Stichting Ouder en school. Kindteams Amsterdam Op scholen met weinig leerlingen met een risico op achterstand kan spelen dat ouders zelf hun weg weten naar de hulp die nodig is, en niet gebruik maken van een doorverwijzing via de OKA.
4.3.3 Zeven procent krijgt specialistische jeugdhulp, vaker op scholen met weinig leerlingen met een risico tot onderwijsachterstand Specialistische jeugdhulp wordt ingezet wanneer er meer nodig is dan het preventieve aanbod van de basisjeugdhulp kan bieden.69 Het totale bereik van specialistische jeugdhulp in de stad steeg tussen 2017 en 2019.70 De toegang tot specialistische jeugdhulp is enkel mogelijk met een verwijzing, en kan onder andere verlopen via huisartsen en het OKT. Van de Amsterdamse kinderen van 4 tot 12 jaar kreeg in 2019 vijf procent specialistische jeugdhulp (segment B, enkelvoudig met lage intensiteit). Het gaat hier om problematiek die in hoofdzaak enkelvoudig en herkenbaar van aard is. Er is een duidelijk en redelijk afgebakend idee over welke soort ondersteuning passend is om het resultaat voor de jeugdige in te vullen. Daarnaast kreeg twee procent hoogspecialistische jeugdhulp (segment C, meervoudig met hoge intensiteit). Deze hulp vraagt om specialistische expertise, ambulant en/of intramuraal. Dit kan ook worden omschreven als ‘veelomvattende hulp’, waarbij de complexiteit oploopt door de combinatie van ondersteuningsfactoren (bijvoorbeeld dat een kind bijvoorbeeld zowel een beperking heeft én de ouders opvoedonmachtig zijn – of welke combinatie dan ook).
Binnen de specialistische en hoogspecialistische jeugdhulp kan de vorm en de intensiteit van de hulp nog sterk verschillen.71 69 70
Dit is exclusief hulp bij dyslexie, dit wordt apart geregistreerd, zie figuur 4.8. Jeugdstelsel Amsterdam, Gemeente Amsterdam, Bestuursrapportage 1e helft, 2019
71
SPIC, Jeugdhulp regionale samenwerking Amsterdam-Amstelland & Zaanstreek-Waterland
82
Op scholen met weinig leerlingen (≤20%) met een risico op een achterstand72 krijgen meer leerlingen specialistische jeugdhulp dan op scholen met veel leerlingen (>80%) met een risico op achterstand, respectievelijk 5% en 2%. Bij hoogspecialistische jeugdhulp zien we het omgekeerde, scholen met veel leerlingen met een risico op achterstanden krijgen vaker dit type hulp dan leerlingen op scholen met weinig leerlingen met risico op achterstanden, respectievelijk 2% en 1%. Als we de jeugdhulp samen nemen dan zien we dat op scholen met minder leerlingen met een risico op achterstand, er vaker sprake is van (hoog)specialistische jeugdhulp. Op scholen voor speciaal basisonderwijs en speciaal onderwijs krijgt een groter deel (hoog)specialistische jeugdhulp dan op de reguliere basisscholen. Op scholen voor speciaal basisonderwijs krijgt 17% van de leerlingen specialistische jeugdhulp en 16% hoogspecialistische jeugdhulp, en op scholen voor speciaal onderwijs gaat het om 15% en 27%.73 Tot slot is ook nog opvallend dat kinderen die opgroeien in eenoudergezinnen vaker (hoog)specialistische jeugdhulp krijgen dan kinderen die opgroeien in een gezin met twee ouders. Figuur 4.7 Specialistische en hoogspecialistische jeugdhulp naar schooltype, Amsterdamse kinderen
s(b)o
aandeel leerlingen met een risico op achterstand
op Amsterdamse scholen, schooljaar 2019/’20, zorggebruik in 2019 (procenten) 20% of minder (n=18.914) 21-40% (n=13.665) 41-60% (n=8.975) 61-80% (n=14.260) meer dan 80% (n=1.255)
sbo (n=1.113) so (n=1.173)
% 0
5
10
specialistische jeugdhulp
15
20
25
30
hoogspecialistische jeugdhulp
bron: Zicht en Grip op Sociaal, gemeente Amsterdam
In 2019 ontvingen ongeveer 600 kinderen van 4 tot 12 jaar ondersteuning bij dyslexie (diagnose en behandeling), dit is 1% van het totaal aantal kinderen in deze 72
Een risico op onderwijsachterstand wordt door OIS berekend aan de hand van de sociaaleconomische status (SES) van een leerling, dit wordt bepaald aan de hand van het ouderlijk opleidingsniveau en het huishoudinkomen. Zie ook Bijna vier op de tien Amsterdamse leerlingen heeft een potentiële onderwijsachterstand 73 Zorg via SJSO wordt hierin niet meegenomen, omdat het SJSO aanbod niet via het systeem ZorgNed geregistreerd wordt.
83
leeftijdsgroep in de stad. Kinderen die naar scholen gaan met weinig kinderen (≤20%) met een risico op achterstand ontvangen vaker ondersteuning bij dyslexie (1,2%) dan kinderen die naar scholen gaan met veel kinderen (>80%) met een risico op achterstand (0,4%). Op scholen voor speciaal basisonderwijs is het aandeel dyslexie ondersteuning met 1,1% gemiddeld, terwijl dit op scholen voor speciaal onderwijs met 0,1% laag is. Figuur 4.8 Ondersteuning bij dyslexie naar schooltype, Amsterdamse kinderen op Amsterdamse
aandeel leerlingen met een risico op achterstand
20% of minder (n=18.914)
s(b)o
scholen, schooljaar 2019/’20, zorggebruik in 2019 (procenten)
sbo (n=1.113)
21-40% (n=13.665)
41-60% (n=8.975) 61-80% (n=14.260) meer dan 80% (n=1.255)
%
so (n=1.173) 0
1
2
3
4
5
6
bron: Zicht en Grip op Sociaal, gemeente Amsterdam
4.3.4 Enthousiasme over SJSO dat 30% van de jongeren op het s(b)o bereikt Om specialistische jeugdhulp eenvoudig, op school, te kunnen bieden heeft de gemeente Amsterdam vanaf schooljaar 2018/’19 een belangrijk deel van deze jeugdhulp als algemene voorziening op de locaties voor speciaal (basis)onderwijs en praktijkonderwijs georganiseerd. Er is voor deze hulp dus geen formeel toegangsbesluit nodig.74 De specialistische jeugdhulp op het speciaal onderwijs (SJSO) wordt geboden door zestien jeugdhulpaanbieders die vaste hulpverleners op de locaties hebben gepositioneerd. In 2019 is bij 770 leerlingen van 4 tot 12 jaar SJSO ingezet, 31% van alle leerlingen op het s(b)o. In gebieden aan de randen van de stad wordt vaker SJSO ingezet dan centraler in de stad.75 Ervaringen in de stad Uit de gesprekken blijkt dat de s(b)o scholen heel enthousiast zijn over het SJSO. Uit onderzoek in 2019 van het Kohnstamm instituut bleek dat ook leerlingen en ouders enthousiast zijn.76 Zij zijn vooral positief over de directe inzetbaarheid zonder 74
Jeugdstelsel Amsterdam, Gemeente Amsterdam, Bestuursrapportage 1e helft, 2019 Gebiedsbepaling op basis van woonlocatie van de kinderen. 76 Binsbergen, M.H. van, Koopman, P.N.J., Lourens, J: In één hand: Specialistische jeugdhulp in het speciaal onderwijs, 2020 75
84
administratieve belasting, doorverwijzingen, indicatieprocedures en wachttijden.77 De relatie met school maakt het voor ouders minder indringend dan een nieuwe hulpinstantie. Docenten merken dat er meer rust in de klas is, vanwege de inzet van therapeutische expertise in de klas. Ook gedurende de scholensluiting in het voorjaar van 2020 bleek de SJSO van grote waarde. Bij het zorgplan van een so school was hulpverlening, interne en externe zorg direct betrokken, en werden er met elkaar afspraken gemaakt over de mate van contact en begeleiding per gezin. Door één van de geïnterviewde scholen wordt opgemerkt dat het de school alsnog veel financiële middelen kost om de SJSO goed te laten werken, en dat het wenselijk is dat er extra hulp komt vanuit de gemeente om het SJSO optimaal te laten werken.
‘Ik denk dat het voor deze ouders heel moeilijk is om een hulpvraag te formuleren en dat het voor ouders ook heel moeilijk is om bij hulpverlening aan te komen. Zowel wat betreft financiële middelen, als gewoon de vaardigheden om dat te organiseren in hun leven. Dus ik denk dat de kracht van SJSO is dat het gewoon bij een school hoort en dat het daardoor heel laagdrempelig is voor ouders om een kind daarvoor aan te melden. En dat de samenwerking tussen school en ouders en hulpverlening daarmee heel goed kan verlopen.’
4.3.5 Bereik kindvoorzieningen: 88% van de doelgroep wordt bereikt Met verschillende kindvoorzieningen (Stadspas, Scholierenvergoeding voor kinderen in basis of voortgezet onderwijs78, Kindbonnen en/of een PC regeling) ondersteunt de gemeente Amsterdam minimakinderen.79 Het verzamelbereik van de kindvoorzieningen was 88%80 in 2019 voor huishoudens met kinderen van 4 t/m 12 jaar. Het bereik van de Stadspas en van de Kindbonnen liggen met respectievelijk 85% en 84% hoger dan het bereik van de Scholierenvergoeding (74%). Als we het gebruik van de Scholierenvergoeding bekijken naar schooltype, dan zien we dat op scholen met veel leerlingen met een risico op een achterstand (>80%) de helft (49%) van de kinderen opgroeien in een huishouden met gebruik van de voorziening, terwijl dit bij scholen met weinig leerlingen met een risico op achterstand (≤20%) 6% is. Op sbo en so scholen ligt het aandeel kinderen uit huishoudens die gebruik maken van de Scholierenvergoeding op respectievelijk 42% en 33%.
77
De ervaringen met het SJSO zijn ook meegenomen in het ontwerp van de eerder genoemde pilot Expertisenetwerk Zuidoost. 78 Ouders en verzorgers kunnen kosten voor leermiddelen, sport- en cultuurdeelname declareren, bijvoorbeeld huiswerkbegeleiding, theaterbezoek of dansles. 79 Onderzoek, Informatie en Statistiek, Gemeente Amsterdam, Amsterdamse Armoedemonitor, 2019 80 Het gebruik van deze regelingen (minimaal één van de voorzieningen) wordt afgezet tegen het aantal minimahuishoudens met kinderen van 4 t/m 12 jaar.
85
Kinderen die opgroeien in een huishouden met bijstand en eenoudergezinnen worden relatief goed bereikt, huishoudens met een eigen bedrijf als inkomstenbron worden minder goed bereikt.
4.3.6 Stapeling van voorzieningen: meer gebruik op scholen met meer risico’s op achterstanden De gemeente biedt naast kindvoorzieningen (jeugdhulp) ook gemeentelijke voorzieningen op het gebied van inkomensondersteuning (bijvoorbeeld de bijstand) en zorgvoorzieningen (bijvoorbeeld WMO). Van alle kinderen in het basisonderwijs wordt in 35% van de huishoudens van minimaal een van de gemeentelijke voorzieningen gebruik gemaakt. Hoe meer leerlingen met een ‘Uit onze Kinderrechtenscan bleek dat het risico op een achterstand op een school zitten, systeem van kindvoorzieningen door hoe hoger het voorzieningengebruik in de kinderen als oneerlijk wordt ervaren. Want gezinnen is. Zo zien we het gebruik van één of teveel kinderen vallen buiten de boot. De meerdere armoedevoorzieningen toenemen van Kinderombudsman pleit voor een niet7% onder huishoudens waarvan de kinderen naar inkomensafhankelijke een school met weinig leerlingen met een risico Amsterdammertjespas: een speciale op een achterstand (≤20%) gaan tot 58% op stadspas voor alle kinderen die, al dan niet scholen met veel leerlingen met een risico op naast een gewone stadspas, toegang geeft een achterstand (>80%).
Bij kinderen uit tot voorzieningen voor kinderen en eenoudergezinnen op dit laatste type scholen jongeren.’ – Anne Martien van der Does, ligt dit aandeel met 80% gebruik van één of Kinderombudsman Amsterdam meerdere armoedevoorzieningen nog hoger. Leerlingen op scholen met weinig kinderen (≤20%) met een risico op een achterstand wonen bovengemiddeld vaak (10%) in een huishouden waarin enkel gebruik wordt gemaakt van een kindvoorziening, zonder dat er dus sprake is van gebruik van een andere voorziening. In de huishoudens van kinderen die op het sbo en so zitten wordt nog weer meer gebruik gemaakt van gemeentelijke voorzieningen. Van de huishoudens van leerlingen in het speciaal onderwijs maakt 93% gebruik van gemeentelijke voorzieningen, terwijl dit bij de huishoudens van kinderen op scholen met weinig kinderen uit lage ses gezinnen op 19% ligt. Op sbo en so scholen zitten ook veel kinderen die opgroeien in een huishouden waar gebruik wordt gemaakt van voorzieningen op alle drie de vlakken, voor sbo scholen gaat het om 9% en voor so scholen om 14%.
86
Figuur 4.9 Voorzieningengebruik van huishoudens naar schooltype, Amsterdamse kinderen op
s(b)o
aandeel leerlingen met een risico op achterstand
Amsterdamse scholen, schooljaar 2019/’20, zorggebruik in 2019 (procenten) 20% of minder (n=13.659)
21-40% (n=10.028) 41-60% (n=6.539) 61-80% (n=10.000) meer dan 80% (n=918)
sbo (n=1.054) so (n=1.110)
% 0
20
40
60
80
100
voorzieningen in één domein van inkomen, jeugd of zorg
voorzieningen in twee domeinen voorzieningen in inkomen, jeugd én zorg
bron: Zicht en Grip op Sociaal, gemeente Amsterdam
87
5 Het lerarentekort in Amsterdam Het lerarentekort in het Amsterdamse basisonderwijs is groot. Grote aantallen Amsterdamse kinderen hebben geen vaste leerkracht of een leerkracht die (nog) niet bevoegd is voor de klas. Dit vormt een rechtstreekse bedreiging voor de toekomst van deze kinderen. De Amsterdamse schoolbesturen en de gemeente Amsterdam werken samen aan het Noodplan Lerarentekort. Het doel van het Amsterdamse Noodplan is bereikt als in 2023 het gemiddelde tekort aan bevoegde leraren kleiner is dan 5% en er geen ongelijkheid meer is in de verdeling van het tekort over de stad. In dit hoofdstuk wordt een stand van zaken van het lerarentekort in de stad gegeven over schooljaar 2019/’20. Daarnaast wordt de ontwikkeling van studenten aan lerarenopleidingen en zij-instromers in beeld gebracht. En er wordt een overzicht gegeven van wie er in Amsterdam voor de klas staan. Deze laatste gegevens hebben betrekking op het schooljaar 2018/’19, omdat dit het meest recente jaar is waarover cijfers beschikbaar zijn.
5.1 Aantal werkzame leraren in primair onderwijs licht gedaald
4.555
735
leraren in het basisonderwijs in Amsterdam
leraren in het speciaal onderwijs in Amsterdam
Het aantal leraren dat in het Amsterdamse primair (inclusief speciaal) onderwijs werkt, is tussen schooljaar 2016/’17 en 2018/’19 licht gedaald, van 5.445 naar 5.290 leraren (2,8%). Het leerlingenaantal in het primair onderwijs is in dezelfde periode nauwelijks veranderd en betrof 66.600 leerlingen in 2016/’17 en 66.528 in 2018/’19. Amsterdam is niet de enige grote stad in Nederland die kampt met een lerarentekort. Ook in Den Haag (-1,9%) en Rotterdam (-3,5%) is het aantal leraren afgenomen, terwijl in Utrecht (+3,9%) wat meer leraren zijn komen werken.
88
Figuur 5.1 Aantal leraren in primair onderwijs (inclusief speciaal onderwijs) G4-steden, schooljaar 2016/’17 en 2018/’19
bron: CBS/DUO, bewerking OIS
5.1.1 Ruim een kwart van de uitgestroomde Amsterdamse leraren is in een andere stad gaan werken Tussen schooljaar 2016/’17 en 2018/’19 zijn er 1.157 leraren in het Amsterdamse primair onderwijs ingestroomd en 1.311 leraren uitgestroomd. Dat betekent dat in die twee jaar ongeveer 20% van het lerarenkorps is ‘vernieuwd’. Van deze ingestroomde leraren zijn acht op de tien startende leraren en waren twee op de tien daarvoor al werkzaam in het onderwijs in een andere stad. Van de uitgestroomde leraren heeft iets meer dan een derde (36%) het Amsterdamse onderwijs verruild voor een andere stad en heeft ongeveer twee derde (64%) het onderwijs verlaten. Deze laatste groep leraren is ofwel met pensioen gegaan of in een andere sector gaan werken.
89
Figuur 5.2 In- en uitstroom leraren in primair onderwijs (inclusief speciaal onderwijs) Amsterdam, schooljaar 2016/’17 en 2018/’19 (procenten)
uitstroom tussen 2016/’17 en 2018/’19
instroom tussen 2016/’17 en 2018/’19
bron: CBS/DUO, bewerking OIS
5.2 Lerarentekort daalt, maar blijft hoger op scholen met veel kinderen met een risico op onderwijsachterstand Per oktober 2020 is er in Amsterdam een lerarentekort van 10,3%, een jaar eerder was dit nog 12,8%. Dat betekent dat er gemiddeld 10% minder leraren(fte’s) werkzaam zijn op een school dan het aantal dat er in de ideale situatie zou zijn. Scholen die een groter aandeel leerlingen met een risico op een onderwijsachterstand hebben lijden zwaarder onder het lerarentekort dan scholen met weinig of geen leerlingen die dit risico lopen.
‘Zeer zorgelijk dat het lerarentekort de scholen waar leerlingen het meest afhankelijk zijn van voldoende goede leraren het allerhardste treft. Terecht dat het Noodplan niet alleen streeft naar een vermindering, maar ook naar een gelijkere verdeling van het tekort.’ – Louise Elffers, Directeur Kenniscentrum Ongelijkheid, Lector en onderzoeker HvA
Figuur 5.3 Lerarentekort (aandeel leraren minder werkzaam op een school dan er in de ideale situatie zouden zijn) naar aandeel kinderen met risico op onderwijsachterstand, oktober 2019 en oktober 2020 2019/’20 0
%
<25
25-30
30-35
2020/’21 35+
0
-2
-2
-4
-4
-6
-6
-8
-8
-10
-10
-12
-12
-14
-14
-16
-16
-18
-18
-20
-20 lerarentekort
gemiddeld lerarentekort Amsterdam
%
<25
25-30
lerarentekort
30-35
35+
gemiddeld lerarentekort Amsterdam
bron: Monitor Programma Noodplan Lerarentekort 2019 en 2020
90
5.3 Het aantal Amsterdamse studenten aan de pabo neemt weer iets toe Wanneer we over een periode van zeven jaar kijken naar het totaal aantal Amsterdamse studenten aan lerarenopleidingen voor het primair onderwijs, zien we een flinke daling. In studiejaar 2013/’14 deden 1.990 studenten de pabo en in studiejaar 2019/’20 betrof dit 1.625 (-18%). Wanneer we naar een recentere periode kijken zien we dat het aantal Amsterdamse studenten echter weer wat stijgt. Sinds studiejaar 2017/’18 is het aantal studenten toegenomen van 1.500 studenten naar 1.625 studenten in 2019/’20. Dit zien we terug onder de instroom van eerstejaars studenten, vanaf 2017/’18 is dit gestegen met 565 studenten (+18%). In andere grote steden in Nederland (Den Haag, Rotterdam en Utrecht) zien we dezelfde trends terug. Het aantal Amsterdamse studenten dat een diploma heeft gehaald aan de pabo bleef tussen 2013/’14 en 2018/’19 relatief stabiel, maar is in het laatste studiejaar van 2019/’20 iets gedaald. Er volgen relatief veel vrouwen een opleiding tot leraar in het primair onderwijs; 78% tegenover 22% mannen. Figuur 5.4 Aantal Amsterdamse studenten die voor leraar in het primair onderwijs studeren, naar geslacht, 2013/’14-2019/’20
*voorlopige cijfers
bron: CBS, bewerking OIS
91
5.4 Wie staan er in Amsterdam voor de klas? Er zijn aanzienlijk meer vrouwen dan ‘Het rapport maakt goed zichtbaar dat de leraar er mannen werkzaam in het Amsterdamse toe doet. Immers als het onderwijs buiten de basis- en speciaal onderwijs: meer dan school plaatsvindt gaan leerlingen minder vooruit acht op de tien leerkrachten zijn vrouw. dan in de klas met de leraar. Het rapport maakt Een kwart van de leraren heeft een ook zichtbaar dat Amsterdamse leraren een behoorlijk gemêleerd gezelschap vormen. Dat migratieachtergrond, tegenover zes op de roept de vraag op welke eigenschappen van tien leerlingen. Een op de tien leraren heeft leraren leiden tot de kwaliteit die geleverd wordt. een Surinaamse of Antilliaanse Preciezer: het rapport vraagt om migratieachtergrond, dit is de grootste vervolgonderzoek waar aspecten van de groep onder de leraren met een nietbekwaamheid van leraren, zoals bijvoorbeeld westerse migratieachtergrond. Daarnaast vastgelegd in de bekwaamheidseisen, worden afgezet tegen de opbrengst van het onderwijs.’ – heeft ongeveer één op de tien leraren in Ronald Keijzer, Lector rekenen-wiskunde bij het primair onderwijs een westerse Hogeschool iPabo migratieachtergrond. Wanneer we kijken naar leeftijd zien we dat drie op de tien leraren jonger zijn dan 35 jaar.
Ongeveer twee op de tien leraren is tussen de 35-44 jaar, twee op de tien tussen de 45-54 jaar en een kwart 55 jaar en ouder. Mannen vallen vaker in de leeftijdsgroep van 55 jaar en ouder dan vrouwen. Wel zien we daarin een verschuiving in de afgelopen twee jaar omdat er wat meer mannen van onder 35 jaar in Amsterdam voor de klas zijn komen te staan. Daarnaast zijn leraren met een nietwesterse migratieachtergrond vaker 55 jaar of ouder. Figuur 5.5 Achtergrondgegevens Amsterdamse leraren in het primair (inclusief speciaal) onderwijs, 2018/’19 35-45 jaar moet nog worden veranderd in 35-44 jaar, net als op de poster
bron: CBS, bewerking OIS
92
5.4.1 Aandeel leraren met een niet-westerse migratieachtergrond hangt sterk samen met leerlingenpopulatie van een school Het aandeel leraren met een niet-westerse migratieachtergrond op een school81 hangt sterk samen met het aandeel niet-westerse leerlingen: naarmate het aandeel nietwesterse leerlingen op een school groter is, stijgt ook het aandeel niet-westerse leraren. Op scholen waar 20% of minder van de leerlingen een niet-westerse migratieachtergrond heeft, heeft 4% van de leraren een niet-westerse migratieachtergrond. Op scholen waar 61-80% van de leerlingen een niet-westerse migratieachtergrond heeft, geldt dit voor ongeveer een kwart van de leraren (23%) en op scholen waar meer dan 80% een niet-westerse herkomst heeft, loopt dit aandeel op naar 39%. Figuur 5.6 Migratieachtergrond van leraren op Amsterdamse (speciale) basisscholen, naar scholen met een bepaald aandeel kinderen met een niet-westerse migratieachtergrond, 2016/’17 100
% leraren leraren met een nietwesterse migratieachtergrond
80 60
leraren met een westerse migratieachtergrond
40 20 0
leraren zonder migratieachtergrond meer dan 80%
61-80%
41-60%
21-40%
20% of minder
totaal
% niet-westerse leerlingen op school
bron: CBS/DUO, bewerking OIS
5.5 Leraren zijn iets minder uur gaan werken in de afgelopen twee jaar Overal in het land zijn leraren minder fte gaan werken ‘Gelijke kansen bieden begint tussen 2016/’17 en 2018/’19, maar in Amsterdam zien bij goed onderwijs en goed onderwijs begint bij voldoende we de grootste afname, van gemiddeld 0,79 fte naar goede leerkrachten. Het is 0,75 fte. Mannen werken gemiddeld net wat meer uur daarom belangrijk om niet dan vrouwen. Wanneer we kijken naar leeftijd zien we alleen onderwijs, maar ook het dat het gemiddeld aantal fte in eerste instantie werkgeverschap te blijven afneemt onder leraren tussen de 35 en 45 jaar maar ontwikkelen.’ – Harry onder de oudere leeftijdsgroepen neemt het weer iets Dobbelaar, bestuurder Zonova toe. Leraren met een niet-westerse migratieachtergrond werken gemiddeld net iets meer uur dan andere leraren.
81
Een aantal Amsterdamse basisscholen hebben dezelfde BRIN-code. Omdat voor leraren de informatie ontbreekt op welke vestiging zij werkzaam zijn, was het niet mogelijk om voor deze scholen de leerlingen- en lerarenpopulatie apart uit te splitsen.
93
Figuur 5.7 Gemiddeld aantal fte van leraren in het primair (inclusief speciaal) onderwijs van Amsterdam naar achtergrondkenmerken, N = 5.290, schooljaar 2018/’19 1
fte
0,8 0,6 0,4 0,2 0
man
vrouw geslacht
<35 jaar 35-44 jaar 45-55 jaar 55> jaar leeftijd
geen
nietwesters
overig westers
migratieachtergrond
bron: CBS/DUO, bewerking OIS
Wanneer we naar de salarisschalen uit schooljaar 2018/’19 kijken zien we dat 63% van de leraren in de laagste schaal L10 valt (minimaal €2.563 en maximaal €3.875).82 Ongeveer drie op de tien leraren valt in schaal L11 (€2.639 t/m €4.228) en 3% in schaal L12 (€2.691 t/m €4.851). Vergeleken met andere grote steden valt een relatief groot deel van de Amsterdamse leraren in de laagste salarisschaal. Vrouwen vallen vaker (64%) dan mannen (56%) in de laagste salarisschaal. In plaats van de salarisschalen kunnen we ook kijken naar het gemiddelde brutosalaris bij een voltijdsaanstelling.83 Mannen ouder dan 55 jaar verdienen gemiddeld 100 euro per maand meer dan hun vrouwelijke leeftijdsgenoten. In de overige leeftijdscategorieën is het salaris van mannen en vrouwen gelijk. Tussen schooljaar 2016/’17 en 2018/’19 zijn leraren meer gaan verdienen, onder andere vanwege de nieuwe cao in het primair onderwijs.84 Amsterdamse leraren gingen er in deze periode gemiddeld 11% op vooruit. Amsterdamse leraren van 35 tot 45 jaar zijn er het meest op vooruit gegaan.
82
De genoemde laagste en hoogste salaristreden in het primair-onderwijs waren van toepassing in schooljaar 2018/’19. Inmiddels is er een nieuwe cao van kracht en zijn de lonen gestegen. 83 De gemiddelde brutosalarissen zijn berekend op basis van de inschaling die bij een voltijdsbaan hoort. De verschillen in gemiddelde brutosalarissen kunnen dus niet worden verklaard door een verschil in gewerkte uren. 84 Sinds september 2018 is er een nieuwe cao primair onderwijs van kracht waardoor de lonen zijn gestegen en salarisschaal LA is verdwenen.
94
Figuur 5.8 Gemiddeld bruto maandsalaris bij een voltijdsaanstelling het primair (inclusief speciaal) onderwijs van Amsterdam naar achtergrondkenmerken, N = 5.290, schooljaar 2018/’19 4.500 bruto maandsalaris in euro's 4.000 3.500 3.000 2.500 2.000
geslacht <35 jaar
migratieachtergrond 35-44 jaar
45-55 jaar
55> jaar
bron: CBS/DUO, bewerking OIS
5.6 Zes op de tien Amsterdamse leraren in het basisonderwijs wonen in de stad Krapte op de Amsterdamse woningmarkt wordt als een belangrijke oorzaak van het lerarentekort gezien. Zes op de tien leraren in het Amsterdamse basisonderwijs wonen in de stad. In het speciaal onderwijs geldt dit voor iets minder dan de helft (46%). De meeste van de leraren van buiten Amsterdam wonen in Almere, Amstelveen, Haarlem en Zaanstad. Daarnaast zijn Haarlemmermeer en Purmerend populaire woongemeentes. De leraren die in Amsterdam wonen zijn gemiddeld wat ouder dan de leraren die buiten Amsterdam wonen en zijn wat minder vaak onderdeel van een huishouden met kinderen. Hun huishoudinkomen ligt gemiddeld wat lager en zij wonen minder vaak in een koopwoning en in een grote woning van 100 vierkante meter of meer. In totaal wonen er ongeveer 300 leraren met een gezin op minder dan 60 vierkante meter in Amsterdam, zij wonen krap. De leraren die recentelijk naar Amsterdam zijn verhuisd zijn voor het merendeel jonge starters die verhuizen vanuit het ouderlijk huis. De leraren die vertrokken zijn uit Amsterdam zijn merendeels jonge stellen zonder kinderen en stellen met jonge kinderen. Zij verhuizen vaak door naar grotere koopwoningen.