Bijlage 1. de staat van het Amsterdamse Primair Onderwijs 2020.pdf
Tekst van het document
95
Figuur 5.9 Woonplaats leraren in het basisonderwijs (inclusief speciaal onderwijs) G4-steden, schooljaar 2018/’19
bron: CBS/DUO, bewerking OIS
5.7 Basisschoolleraren wonen gemiddeld het dichtst bij hun werk Basisschoolleraren wonen gemiddeld het dichtst bij de school waarop zij werken, hemelsbreed gemiddeld 10 kilometer.85 Leraren in het speciaal onderwijs wonen verder weg, gemiddeld 14,5 kilometer. In vergelijking met de andere grote steden wonen Amsterdamse leraren uit het basis- en speciaal onderwijs gemiddeld het verst van hun werk vandaan. Bijna zes op de tien leraren in het basisonderwijs wonen dichtbij hun school (hemelsbreed maximaal zeven kilometer). In het speciaal onderwijs geldt dit voor vier op de tien leraren. Tegelijkertijd is er ook een groep die hemelsbreed op meer dan 30 kilometer afstand van het werk woont, dit geldt voor ongeveer één op de tien leraren in het Amsterdamse onderwijs.
85
Op basis van gegevens over de woon- en werkadressen van leraren zijn hemelsbrede woonwerkafstanden berekend. Precieze reisafstanden zijn niet te achterhalen omdat dit afhankelijk is van het vervoersmiddel waarmee wordt gereisd.
96
Figuur 5.10 Woon-werkafstanden (hemelsbreed) van leraren in primair onderwijs (inclusief speciaal onderwijs) Amsterdam, schooljaar 2018/’19 basisonderwijs
speciaal onderwijs
4.555 leraren
735 leraren
<7 km
<7 km
7-15 km
7-15 km
15-21,5 km
15-21,5 km
21,5-25 km
21,5-25 km
25-30 km
25-30 km
30-40 km
30-40 km
>40 km
>40 km
onbekend
onbekend
60 % bron: CBS/DUO, bewerking OIS De indeling die gebruikt wordt om de hemelsbrede woon-werkafstand weer te geven sluit aan bij de reiskostenvergoeding uit de cao van leraren en de reiskostenvergoeding vanuit de gemeente. NB: de cao betreft reisafstanden, de data in de figuur gaat uit van hemelsbrede woon-werkafstanden.
0
20
40
60 %
0
97
20
40
6 Conclusie In deze rapportage hebben we een beeld gegeven van de staat van het Amsterdamse primair onderwijs. Daarvoor zijn niet alleen veel gegevens geanalyseerd maar ook gesprekken gevoerd met leraren, zorgmedewerkers en directeuren van Amsterdamse scholen. Het Amsterdamse onderwijs kenmerkt zich door de grote verscheidenheid aan leerlingen en scholen: zo heeft 61% van de leerlingen een migratieachtergrond en groeit ruim een kwart op in een eenoudergezin. De afgelopen jaren zien we dat het aandeel kinderen met hoogopgeleide ouders stijgt, inmiddels heeft ruim de helft van de leerlingen minimaal één hoogopgeleide ouder. Ook qua scholen is er veel diversiteit, zowel in het reguliere als het speciaal (basis)onderwijs.
‘We leven dus in een stad waarin segregatie de baas is. Ik had niet verwacht dat gevolgen van de verschillen zo groot zijn. Het begint bij bewustwording en De staat van het Onderwijs geeft mij hierin als ouder inzicht.’ – M. Visser, ouder van de 7e Montessori school
Lerarentekort het grootst op scholen met veel leerlingen met een risico op achterstanden De diversiteit is maar beperkt op het niveau van scholen terug te vinden. De onderwijssegregatie als gevolg van de woonsegregatie en de schoolkeuzes die ouders maken blijft in (inter)nationaal opzicht relatief groot. Er zijn veel scholen met veel leerlingen met een risico op onderwijsachterstanden, relatief vaak ‘Het onderwijs zou de grote gelijkmaker moeten zijn dit kleine scholen. Vooral deze zijn. Door het lerarentekort op te laten lopen op scholen hebben last van het vooral die scholen waar de leerlingen goed lerarentekort: op deze scholen zijn in onderwijs het hardste nodig hebben, gebeurt schooljaar 2019/’20 12% minder het tegenovergestelde. Willen we werken aan leraren (fte’s) werkzaam dan het aantal gelijke kansen, dan moeten we de tekorten in dat er in de ideale situatie zou zijn. Ook ieder geval gelijkmatiger verdelen. Dit is een in de rest van de stad hebben scholen gezamenlijke opdracht van scholen, besturen, veel last van het lerarentekort, er zijn gemeente en leraren zelf. Kijk waar je het gemiddeld 10% minder leraren hardste nodig bent.’ – Thijs Roovers, werkzaam op de scholen dan er in de kwartiermaker lerarencollectief ideale situatie zouden zijn.
Veertien goede basisscholen en zeven goede speciaal (basis) onderwijs scholen Amsterdam kent het afgelopen jaar 14 goede (waarvan 2 excellente) en 4 onvoldoende basisscholen. In het speciaal (basis) onderwijs zijn er 7 goede (waarvan 5 excellente) scholen en is er 1 onvoldoende school. Van alle 24 Amsterdamse schoolbesturen die recent bezocht zijn door de Inspectie van het Onderwijs scoort twee derde (16 besturen) voldoende of goed op alle onderdelen van kwaliteitszorg en ambitie, 8 besturen scoren op een of meerdere onderdelen onvoldoende.
98
Streefniveau lezen en taal vaker gehaald, maar verschillen blijven groot en zijn gegroeid door de COVID-pandemie We zien een vooruitgang in het aandeel kinderen dat het fundamenteel en het streefniveau lezen en taal haalt. Maar, net als landelijk, blijven de verschillen tussen scholen, ook tussen scholen met eenzelfde leerlingenpopulatie, groot. ‘Op scholen met veel leerlingen met een En dan zien we dat de schoolsluiting als gevolg risico op achterstand komen veel van de COVID-pandemie ook de meest kwetsbare problemen samen: van armoede tot kinderen het hardst heeft geraakt. Zij hebben de lerarentekort. Doordat de Staat van het schoolomgeving en hun leerkracht het meest Amsterdamse PO zo’n breed scala van gemist. Dit onderstreept nog eens het belang van onderwerpen bestrijkt, wordt ook de scholen in de stad en het werk dat zij doen. Uit zichtbaar dat kansenongelijkheid een een analyse van de LOVS-toetsen blijkt namelijk ‘veelkoppig monster’ is.’ – "Monique dat door de schoolsluiting in de lente van 2020 Volman, Hoogleraar Onderwijskunde, het merendeel van de leerlingen op het gebied van Universiteit van Amsterdam" rekenen, begrijpend lezen en technisch lezen minder leergroei heeft geboekt ten opzichte van de reguliere groei die verwacht had mogen worden. Dit is nog iets sterker het geval voor leerlingen op scholen met veel leerlingen met een risico op onderwijsachterstand.
Extra aandacht voor twee groepen leerlingen Naar aanleiding van de analyses uit deze Staat van het Onderwijs en specifiek de analyses van de LOVS data gedurende de periode van scholensluiting willen we specifiek aandacht vragen voor twee groepen leerlingen:
Ten eerste is er de groep leerlingen op scholen met relatief veel leerlingen met een risico op achterstanden die voor de COVID pandemie goed scoorden op rekenenwiskunde (vaardigheidsniveau I). Zij konden door het onderwijs, in hun schoolomgeving met hun leerkracht, laten zien welk potentieel ze hebben. Deze leerlingen, en vooral een deel van de leerlingen die in 2020/’21 in groep 8 zitten, hebben niet de groei doorgemaakt die verwacht zou mogen worden. Zij zijn het sterkst achteruit gegaan met rekenen-wiskunde gedurende de schoolsluiting. Het lijkt cruciaal om juist bij deze leerlingen in het huidige jaar de achterstanden weg te werken en te zorgen dat de relevante kennis en vaardigheden die nodig zijn voor het voortgezet onderwijs bijgespijkerd kunnen worden. Dit kan een uitdaging zijn omdat dit ook de scholen zijn die het meest last hebben van het lerarentekort. Wellicht is extra hulp nodig. Ook bij het schooladvies is het belangrijk extra aandacht te geven aan de vraag wat een passend advies is en in die overweging ook de scores van voor de pandemie mee te nemen. Dit omdat we weten dat sommige leerlingen vaker ondergeadviseerd worden en het niveau waar leerlingen in het vo instromen zeer bepalend is voor het diploma wat ze uiteindelijk halen.
Extra aandacht voor het uiteindelijke schooladvies kan ervoor zorgen dat ze een passende plek vinden waar zij hun potentieel ten volle kunnen benutten. Daarnaast is er de groep meest kwetsbare leerlingen die het moeilijkst bereikbaar zijn voor zowel scholen als zorginstanties. Vooral leerlingen met het laagste vaardigheidsniveau ( vaardigheidsniveau V op de M-toets voor de pandemie) op
99
scholen met veel leerlingen met een risico op onderwijsachterstand hebben geen Etoets gemaakt. Dit kan bijvoorbeeld zijn omdat ze niet (de hele tijd) op school waren toen het mocht, of omdat er andere sociaal-emotionele problematiek speelde. Het is te verwachten dat deze leerlingen in deze periode weinig tot geen leergroei hebben doorgemaakt. Daarnaast zien we dat op scholen met veel leerlingen met een risico op achterstand er relatief weinig kinderen zijn die specialistische jeugdhulp krijgen. Het lijkt van het grootste belang dat deze leerlingen zo snel mogelijk passende zorg en ondersteuning krijgen om de achterstanden en problematiek niet verder te laten oplopen. Veel ideeën over verbetering passend onderwijs Wat uit landelijk onderzoek al bleek, geldt ook voor Amsterdam: we kunnen niet zeggen of alle kinderen passend onderwijs krijgen. De registraties en analyses ontbreken om dat vast te kunnen stellen. Scholen geven aan dat zij zelf wel zicht hierop hebben, maar het is nu nog niet mogelijk om overkoepelend vast te stellen hoeveel leerlingen extra ondersteuning op basisscholen krijgen en of de begeleiding en ondersteuning leidt tot de verwachte ontwikkeling. Uit gesprekken met scholen blijkt dat zij veel ideeën hebben over hoe passend onderwijs beter ingericht zou kunnen worden.
We vragen ook nog specifieke aandacht voor het volgende. Uit ons onderzoek blijkt dat minimaal tien procent van de kinderen (en hun ouders) preventief wordt bereikt door onder andere het OKT en dat zeven procent van de kinderen specialistische jeugdhulp krijgt. Dit laatste gebeurt vaker bij kinderen op scholen zonder veel leerlingen met een risico op onderwijsachterstanden. Dit roept de vraag op of kinderen op scholen met veel leerlingen met een risico op onderwijsachterstanden wel de hulp (op en/of buiten de school om) krijgen die ze soms nodig hebben. Maak gebruik van elkaars expertise Kinderen die op het speciaal (basis)onderwijs zitten krijgen veel vaker specialistische jeugdzorg. Ook zijn alle gesproken betrokkenen erg enthousiast over de laagdrempelige, daarmee toegankelijke, specialistische jeugdzorg op het speciaal onderwijs (SJSO). De samenwerking tussen het reguliere basisonderwijs, het speciaal basisonderwijs en het speciaal onderwijs kan en moet volgens veel betrokkenen beter. Er wordt momenteel nog te weinig gebruik gemaakt van elkaars expertise. Daarnaast ervaren s(b)o scholen vooroordelen bij ouders, wat een gewenste overstap van het regulier naar het speciaal (basis)onderwijs kan belemmeren.
Via een pilot rondom samenwerking tussen het reguliere en het speciale (basis) onderwijs in het expertisenetwerk Zuidoost komt dit alles samen om te zorgen voor een beter systeem voor leerlingen in kwetsbare wijken.
100