CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1. Amsterdamse Familieschool - Tussentijdse bevindingen 2024-2025

Raadscommissie Onderwijs, Zorg en Armoedebestrijding 11 februari 2026, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van de raadsinformatiebrief inzake de Tussenrapportage ‘Werken aan kansengelijkheid op de Amsterdamse Familieschool, tussentijdse bevindingen (2024-2025) uit een meerjarig evaluatieonderzoek’ en rapportage ‘Het schoolmenu van morgen’ (VN2026-000260)32.616 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

28

Werken aan kansengelijkheid op de Amsterdamse Familieschool

beeld op praktijkonderwijs) als culturele achtergrond. Een leerling in het praktijkonderwijs vertelde bijvoorbeeld over de leraren: ‘Omdat we op een praktijkcollege zitten, denken ze dat we dom zijn.’ Daarnaast vertelden leerlingen dat hun leraren opmerkingen geven over de kleding van meisjes (over het dragen van een hoofddoek) en over ‘boven- en ondergemiddelde kinderen’. Daartegenover staat dat leerlingen op andere scholen juist benadrukten dat ze zich gelijk behandeld voelen: ‘Iedereen wordt gelijk behandeld. Per groep word je opgedeeld en krijg je op jouw niveau les. Ze doen niet vervelend tegen leerlingen met een laag niveau.’ Ook volgens ouders is het belangrijk dat het schoolteam betrokken is bij of interesse toont voor de persoonlijke situatie/het gezin van leerlingen. Hierdoor voelen ouders zich meer verbonden met hun familieschool. Voor ouders uit deze betrokkenheid zich onder andere in een goede sfeer, vriendelijke leraren, leraren die ook leerlingen uit andere klassen herkennen en aanspreken, en voor sommige ouders ook een toegankelijke directie. Net als professionals en leerlingen, merkten ook ouders op dat personeelstekorten belemmerend kunnen werken bij het opbouwen vaneen band met leraren. Steeds weer een ‘nieuw gezicht voor de klas’ komt de vertrouwensband niet ten goede.

Signalering van armoedeproblematiek In de focusgroepen zijn professionaliseringsactiviteiten rondom armoede signaleren en bespreekbaar maken vaak genoemd. Scholen zetten professionaliseringsactiviteiten vooral in om ouderbetrokkenheid te vergroten, als eerste stap naar een stevig armoedebeleid. Op sommige vo-scholen is er onder professionals behoefte aan trainingen om armoede beter te signaleren en het gesprek hierover met kinderen en ouders aan te gaan. In de focusgroepen in het vo kwam naar voren dat professionals hierin nog zoekende waren. Veel vo-scholen waren net opgestart en professionals benoemden vooral interne en externe overleggen om eerst op één lijn te komen voordat er professionaliseringsactiviteiten in gang konden worden gezet. 3.5.2 (Door)ontwikkeling van de afs-aanpak en -visie AANBOD UIT VOORTGANGSGESPREKKEN (2024) Ruim de helft van de po-scholen heeft in 2024 een intern afs-overleg of projectteam ingericht of was van plan dit te doen. Vaak gaat dit over de (door)ontwikkeling van een gedeelde visie en aanpak op afs en draagvlak voor deze visie en aanpak. Ook werken scholen aan een doorgaande lijn, en een kleiner deel ontwikkelt een routekaart voor samenwerkingspartners in de omgeving.

Hoewel alle professionals in het po weten dat hun school een familieschool is, weten nog niet alle professionals wat dit precies inhoudt. afs wordt soms nog gezien als ‘een extra subsidiepotje’ en minder als ‘identiteit van de school’. Volgens de meeste professionals komt dit omdat ze nog niet zo lang een familieschool zijn en kost dit tijd. Op enkele scholen is die afs-mindset al wel meer aanwezig. Op veel scholen was, voordat ze een familieschool werden, al een visie aanwezig die aansloot op afs. De subsidie helpt volgens professionals om dit verder door te ontwikkelen en in te kaderen. Zo vertelt een professional: ‘We stonden er allemaal al heel erg achter om de families ook goed te begeleiden en te zorgen dat daar ondersteuning is zodat de kinderen goed kunnen functioneren op school, dat gedachtegoed was er al. Nu hebben we nog meer met elkaar kunnen nadenken over hoe we dat goed vorm kunnen geven

Werken aan kansengelijkheid op de Amsterdamse Familieschool

29

en zijn er meer mogelijkheden doordat er meer budget is.’ Om dit te bereiken is het volgens professionals belangrijk om een open houding naar team, leerlingen en ouders te hebben waarbij de lijnen kort zijn. Ondanks het feit dat projectleiders, directeuren of andere belangrijke betrokkenen van de vo-scholen aangaven dat zij hun familieschool-activiteiten veelvuldig onder de aandacht brengen van leraren, ouders en leerlingen, waren niet alle deelnemende professionals op de hoogte van het feit dat hun school een familieschool is. Dit heeft er waarschijnlijk mee te maken dat de aanpak hier nog maar net is opgestart. Door de grootte van sommige vo-scholen heeft het waarschijnlijk ook nog extra tijd nodig om te landen. Sommige professionals dachten bijvoorbeeld dat de afs-aanpak alleen het aanstellen van een brugfunctionaris betrof. Zo benoemde een projectleider: ‘Het begint steeds meer te leven, maar ik kom ook nog steeds collega’s tegen die nog steeds niet weten dat ik er ben of wat mijn rol is. Dat is ook wel begrijpelijk, want als je lesgeeft, word je zo gebombardeerd met alles. Het was wel een eyeopener dat ik mezelf in de picture moet blijven houden. Het idee dat ik nu bekend ben moet ik loslaten.’ Zowel in het po als vo wisten de meeste leerlingen niet dat hun school een familieschool is.

Na uitleg waren de meeste leerlingen wel positief, vooral omdat een familieschool er niet alleen voor hen is, maar ook voor hun ouders: ‘Ouders moeten ook geholpen worden, want sommige ouders zijn bijvoorbeeld nooit naar school geweest. Hier kunnen ze leren, zodat hun kinderen ook kunnen leren wat zij hebben geleerd.’ De meeste ouders in het po wisten nog niet (goed) dat hun school een familieschool is en wat dit inhoudt. Op enkele scholen was dit wel bekend onder ouders, vooral door communicatie vanuit de directeur of de brugfunctionaris. Gevraagd om een familieschool te beschrijven, noemden ouders die op de hoogte waren vooral ‘betrokkenheid’ en ‘gemeenschapsgevoel’. Sommigen noemden ook het bestrijden van kansenongelijkheid. Veel ouders uitten zich positief over het accent op armoedebestrijding. Zij merkten op dat, doordat hun school nu een familieschool is, er bijvoorbeeld laptops en fietsen geregeld worden voor ouders en er hulp is bij het aanvragen van een stadspas. 3.5.3 Overige interventies AANBOD UIT VOORTGANGSGESPREKKEN (2024) Binnen aanschaf van nieuw materiaal of methoden komt traumasensitief onderwijs het vaakst voor, gevolgd door de Transformatieve School en enkele andere methoden die slechts bij een klein aantal scholen voorkomen. Hierbij valt op dat de methoden alleen binnen het po zijn genoemd en niet binnen het vo.

30

Werken aan kansengelijkheid op de Amsterdamse Familieschool

4

Samenwerking met partners (bouwsteen 3)

Bouwsteen 3. Familieschoolcultuur: Kracht van samenwerken! • School en haar partners hebben duidelijke en gedeelde visie en verantwoordelijkheid. • School en haar partners handelen preventief en bieden ondersteuning vanuit ieders expertise. • School en haar partners ontwikkelen zich stap voor stap, met reflectieve en kritische houding.

4.1 Inleiding Bouwsteen 3 betreft de samenwerking met partners: een belangrijk onderdeel van de familieschool. Samen met die partners worden de bouwstenen 4, 5 en 6 weergegeven: het WAT van de familieschool, namelijk het aanbod voor leerlingen, ouders en gezinnen. De resultaten van deelstudie 2 en 3 geven een beeld van waar scholen in 2024 stonden wat betreft samenwerking met partners rond opvoedondersteuning voor ouders en gezinnen, brede talentontwikkeling, gedrag en gezondheid van leerlingen, onderwijspartners en overige partners.

4.2 Samenvattende conclusies a Alle familiescholen hebben samenwerking met partners geïntensiveerd en/of zijn nieuwe samenwerkingen aangegaan. Familiescholen werken in 2024 samen met een breed netwerk van ongeveer 189 (beoogde) partners, verdeeld over twaalf categorieën. Samenwerking is daarmee een structureel onderdeel van de afs-aanpak, vooral op het gebied van opvoedondersteuning voor ouders en gezinnen, talentontwikkeling van leerlingen, en gedrag en (mentale) gezondheid van leerlingen. (deelstudie 2) Po-scholen noemen in totaal iets meer (beoogde) partners dan het vo. In het vo liggen de zwaartepunten van samenwerking iets anders: loopbaanoriëntatie, stagepartners en financiële educatie worden hier vaker genoemd dan in het po. (deelstudie 2) a De inzet van (beoogde) partners is sterk versnipperd: veel partners worden slechts door één school genoemd, terwijl maar enkele organisaties breed voorkomen. Organisaties als OKT, buurtteams en GGD worden vaak genoemd. Po-scholen beschikken vanuit de gemeente over de mogelijkheid om een medewerker uit het OKT of buurtteam in te zetten. (deelstudie 2) Scholen die samenwerken met het OKT en buurtteam zijn over deze vorm van samenwerken over het algemeen tevreden. Verschillende scholen geven echter aan dat deze samenwerking niet van de grond is gekomen of is uitgevallen, vanwege capaciteitsproblemen bij deze partners.

(deelstudie 3) a Scholen merken dat samenwerkingen met organisaties vooral goed werken als dit op wijkniveau gebeurt, omdat die de drempel om deel te nemen aan activiteiten voor gezinnen verlaagt. Ook hebben sommige scholen positieve ervaringen met het betrekken van buurtbewoners bij activiteiten. (deelstudie 3) a In het vo zijn zowel leerlingen als professionals positief over jongerenwerkers op school voor ondersteuning bij financiële vraagstukken en coaching op sociaal-emotioneel gebied. (deelstudie 3)

Werken aan kansengelijkheid op de Amsterdamse Familieschool

31

a Scholen werken veel samen met andere (familie)scholen. (deelstudie 2) Maar er is wel behoefte om dat (nog) meer te doen bijvoorbeeld door vaker informatie over belangrijke thema’s uit te wisselen. Brugfunctionarissen van po-scholen en vo-scholen werken samen om te zorgen voor een goede overgang van po naar vo. (deelstudie 3)

4.3 Aanbevelingen •

•

Maak partners zichtbaar en vindbaar in de school. Introduceer kernpartners (OKT, buurtteam, GGD, jongerenwerk) aan het begin van het schooljaar bij het team én plenair bij ouders/leerlingen. Dit vergemakkelijkt doorverwijzing. Borg continuïteit bij capaciteitsproblemen en wisselingen. Leg afspraken vast (contactpersoon, vervanging, aanwezigheid/spreekuur) zodat uitval bij partners minder snel leidt tot wegvallende ondersteuning. Versterk de structurele samenwerking en kennisuitwisseling tussen familiescholen onderling. Familiescholen werken al veel samen. Dit kan verder worden verdiept door vaker en gerichter kennis en ervaringen uit te wisselen over thema’s die in de praktijk als complex worden ervaren, zoals ouderbereik en de signalering van geldzorgen of ‘good practices’ rond de afs-aanpak, zoals de inzet van jongerenwerkers in het vo en het betrekken van lokale ondernemers ter versterking van de samenwerking.

4.4 Resultaten deelstudie 2 en 3 AANBOD UIT VOORTGANGSGESPREKKEN (2024) In de gesprekken tussen gemeente en scholen zijn in 2024 in totaal 189 (beoogde) samenwerkingspartners genoemd door scholen. Een volledige lijst is te vinden in Bijlage 5. We hebben de partners verdeeld in twaalf categorieën (zie Tabel 4.1). Familiescholen werken in 2024 samen met een breed en divers netwerk van organisaties, of zijn van plan dit te doen: van culturele instellingen tot zorg- en kennispartners. Dit laat zien dat samenwerking een structureel onderdeel van de afs-aanpak is geworden. Maar de samenwerking is ook versnipperd: slechts een beperkt aantal partners komt bij meerdere scholen terug, de meeste samenwerkingen zijn uniek voor één of enkele scholen. Familiescholen onderhouden in 2024 vooral sterke samenwerkingen op het terrein van opvoedondersteuning voor ouders en gezinnen, en talentontwikkeling en gezondheid van leerlingen, terwijl samenwerking met organisaties gericht op loopbaanontwikkeling en financiële educatie voor leerlingen minder worden genoemd. Po-scholen noemen iets meer samenwerkingen dan vo-scholen. Bij de vergelijking tussen de eerste (gestart in 2019/2020) en tweede (gestart in 2023/ 2024) lichting familiescholen valt op dat er kleine verschillen zichtbaar zijn in het soort (beoogde) partners dat scholen noemen.

Veel categorieën komen in beide lichtingen terug, maar de tweede lichting noemt iets meer verschillende (beoogde) partners binnen vrijwel alle categorieën. Dat is logisch vanwege het grotere aantal scholen, maar verhoudingsgewijs lijkt de nieuwe lichting zich iets breder te oriënteren qua samenwerkingspartners. Wel noemt de eerste lichting soms unieke partners (bijvoorbeeld cultuurprogramma’s van ‘The Beach’, Discussiëren kun je leren, Mijnsport), terwijl deze in de tweede lichting niet terugkomen. Dit laat zien dat samenwerking ook schoolspecifiek blijft en soms logischerwijs samenhangt met bijvoorbeeld de beschikbare partijen uit de lokale omgeving. Samenwerkingspartners als het OKT/

32

Werken aan kansengelijkheid op de Amsterdamse Familieschool

buurtteam zijn in beide lichtingen structureel genoemd, maar kwamen ook vaak ter sprake omdat de samenwerking juist niet van de grond kwam. De versnippering – veel unieke partners die slechts door één school worden genoemd – blijft in beide lichtingen zichtbaar, maar is bij de tweede lichting iets opvallender door het grotere totaal aantal scholen.

Tabel 4.1. Categorieën van de genoemde partners (gesprekken gemeente 2024) Categorieën van de genoemde partners a. Opvoedondersteuning en bestaanszekerheid voor ouders en gezinnen b. Brede talentontwikkeling en sport c. Gedrag en fysieke en mentale gezondheid d. Onderwijspartners e. Kennis en professionalisering f. Leesonderwijs g. Extra ondersteuning/bijles/huiswerkbegeleiding h. Overig i. Voorzien in maaltijden j. Financiële educatie/seksuele voorlichting k. LOB/stage/bijbaan Hierna lichten we per categorie (of combinatie van categorieën) de samenwerking met de partners toe. 4.4.1 Opvoedondersteuning en bestaanszekerheid voor ouders en gezinnen AANBOD UIT VOORTGANGSGESPREKKEN (2024) Vooral samenwerking met organisaties gericht op opvoedondersteuning en bestaanszekerheid van ouders en gezinnen staan centraal: alle po-scholen en het merendeel van de vo-scholen noemen dit. Organisaties als OKT, buurtteams en GGD worden ook veel genoemd. Dit is wellicht niet verrassend omdat po-scholen vanuit de gemeente beschikken over de mogelijkheid een buurtteam- en OKT-medewerker in te zetten. Verschillende scholen geven echter aan dat de samenwerking met het buurtteam of OKT gewenst is maar niet van de grond is gekomen of is uitgevallen.

In de focusgroepen met professionals kwam vooral samenwerking met organisaties als OKT en de buurtteams aan bod. Medewerkers van het OKT spelen volgens professionals een belangrijke rol in de ondersteuning van ouders bij opvoedvraagstukken. Op een aantal scholen houdt een OKT’er een wekelijks spreekuur, en op enkele scholen is dit samen met een buurtteammedewerker. Op deze scholen zijn professionals hier tevreden over. Opvoedvraagstukken en hulpvragen met betrekking tot bestaanszekerheid worden op deze wijze snel en efficiënt opgepakt, waarbij er ook meteen onderlinge afstemming kan plaatsvinden tussen de organisaties en met de vaak in school aanwezige brugfunc-

Werken aan kansengelijkheid op de Amsterdamse Familieschool

33

tionaris. Specifiek deze samenwerking tussen de brugfunctionaris, de buurtteammedewerker en de OKT’er, speelt een belangrijke rol voor de inrichting van armoedeondersteuning op de Amsterdamse Familiescholen. We gaan hier in hoofdstuk 6 verder op in. Op een groot aantal scholen is echter nog geen sprake van structurele aanwezigheid van een OKT’er of een buurtteammedewerker. De meeste professionals ervaren dit als een gemis. Het is voor professionals soms lastig om deze samenwerkingen intern in te richten omdat zowel buurtteams als Ouder- en Kindteams te maken hebben met capaciteitsproblemen. Samenwerkingspartners krijgen vanuit de eigen organisatie bijvoorbeeld niet altijd voldoende tijd of middelen om structureel en zichtbaar aanwezig te zijn op scholen. Daarnaast is er volgens professionals veel uitval en verloop van samenwerkingspartners zoals OKT’ers en buurtteammedewerkers. Dit belemmert de ondersteuning van ouders. Om ouders goed te ondersteunen is het volgens professionals erg belangrijk dat ook samenwerkingspartners ‘vaste gezichten’ op school zijn: ‘Het is heel belangrijk dat je vastigheid hebt in je Ouder- en Kindadviseur, als je echt iets goeds wilt neerzetten. Je investeert erin, en dan heb je het jaar erna weer iemand anders.

Zij moeten ook vaste gezichten van school worden, net als de leerplichtambtenaar en de wijkagent.’ Tot slot benadrukten professionals dat structurele afstemming tussen alle samenwerkingspartners voorwaardelijk is om problemen in gezinnen te signaleren en bespreekbaar te maken. Een voorbeeld van dergelijke afstemming is een school die experimenteert met casuïstiekoverleg met professionals van de GGD, het OKT, de wijkagent en de schooldirecteur bij actuele casussen zodat zij zo nodig direct kunnen handelen. Professionals op diverse scholen merkten op dat ouders niet altijd weten welke samenwerkingspartners een spreekuur houden of aanwezig zijn op school. Ouders weten daardoor nog niet altijd de weg naar deze partners te vinden, bijvoorbeeld als zij een vraag hebben over opvoeding. Een aantal scholen kiest er daarom voor om aan het begin van het schooljaar alle samenwerkingspartners voor te stellen zodat ouders gedurende het schooljaar weten bij wie ze voor welke vraag moeten zijn en laagdrempeliger contact kunnen leggen. Daarnaast is het volgens professionals van belang dat ook het schoolteam en de samenwerkingspartners elkaar leren kennen zodat ze sneller en effectiever naar deze partners kunnen doorverwijzen.

4.4.2 Brede talentontwikkeling, gedrag en gezondheid AANBOD UIT VOORTGANGSGESPREKKEN (2024) Ook organisaties gericht op brede talentontwikkeling, sport, gedrag en mentale gezondheid van leerlingen zijn (beoogde) partners van een groot deel van de scholen. De meest genoemde partners die activiteiten organiseren voor (naschoolse) talentontwikkeling en cultuuronderwijs voor kinderen in Amsterdam zijn onder andere PPOZO, Wijsneus, muziekscholen/-docenten en MOCCA cultuureducatie. Veel genoemde partners die helpen bij ondersteuningsvragen van leerlingen op het gebied van gedrag en mentale gezondheid zijn GGD/JGZ, BEN, Jongerenwerk en Levvel op School (LOS).

34

Werken aan kansengelijkheid op de Amsterdamse Familieschool

Volgens vo-leerlingen en professionals bieden jongerenwerkers individuele ondersteuning en coaching op meerdere leefdomeinen, zoals sport en beweging, omgaan met geldstress en sociaal-emotionele vraagstukken. Leerlingen gaven meermaals aan hoe prettig het is dat zij na school bij zulke coaches terechtkunnen, bijvoorbeeld in een speciaal ingerichte ruimte op school. Juist omdat zij zich niet altijd vrij voelen om met leraren over (financiële) problemen te praten, hebben jongerenwerkers een meerwaarde voor hen (Mak et al., 2025). Jongerenwerkers bieden ook praktische informatie en begeleiding die leerlingen soms missen in de reguliere lessen. Leerlingen noemden bijvoorbeeld dat zij rond hun achttiende verjaardag tegen zaken aanlopen waar in de les weinig aandacht voor is: ‘Ik kreeg twee weken geleden een brief van de gemeente dat ik mijn eigen verzekering moest gaan betalen. Dat was wel spannend, ik wil geen bijbaan nemen. Als je hier vragen over hebt, kan je soms bij docenten terecht. Maar het wordt je niet aangereikt.’ Dit onderstreept volgens jongeren het belang van jongerenwerkers of andere mentoren die met leerlingen in gesprek gaan over geldzaken. Ook professionals in het vo onderstreepten de meerwaarde van jongerenwerkers. Zij dragen het schoolpersoneel relevante informatie aan over de leerlingen en de gezinnen waarin zij opgroeien.

4.4.3 Onderwijspartners AANBOD UIT VOORTGANGSGESPREKKEN (2024) Onderwijspartners, zoals andere (familie)scholen, voorscholen of kinderopvang, zijn in zowel po als vo veel genoemd. Dit wijst op versterking van de doorlopende lijn van de voorschool naar het po, en op inhoudelijke en praktische afstemming en kennisdeling met andere (familie)scholen.

Vooral in het po komt samenwerking tussen verschillende familiescholen voor. Professionals gaven aan dat brugfunctionarissen van familiescholen onderling periodiek overleggen. Dit gebeurt ook tussen brugfunctionarissen in het po en het vo, om de overgang van leerlingen van po naar vo te vergemakkelijken. Volgens po-professionals is goede samenwerking tussen po- en vo-scholen belangrijk voor een soepele overgang. Idealiter creëren zij een doorlopende leer- en zorglijn, maar ze zijn hierbij afhankelijk van de visie binnen schoolteams, de beschikbaarheid en capaciteit van professionals, en de wettelijke kaders rondom privacy bij het delen van informatie. Het is bijvoorbeeld een groot voordeel als samenwerkingspartners werkzaamheden uitvoeren op beide scholen. Vooral familiescholen in dezelfde buurt werken met elkaar samen. Dit doen zij bijvoorbeeld als zij iets willen betekenen voor de buurt, al is deze samenwerking nog in de beginfase. Ook hebben sommige po-scholen plannen om samen te werken met het vo. Scholen die samen willen optrekken in de buurt, willen vooral meer gezamenlijke activiteiten voor ouders organiseren, zoals taallessen. Professionals ervaren dit wel als uitdagend, omdat het al veel inzet vraagt om ouders bij de eigen school te betrekken.

Sommige van deze scholen werken wel al samen in de organisatie van activiteiten voor de rijke schooldag, wat volgens professionals positieve effecten heeft, bijvoorbeeld op verbinding in de buurt en op het contact tussen kinderen met verschillende achtergronden. Familiescholen die al samenwerken zien zichzelf als pioniers en benadrukken het belang van meer onderlinge uitwisseling, zodat scholen van elkaar kunnen leren. Ten tijde van de focusgroepen waren samenwerkingen tussen vo-scholen net opgestart. Professionals hierin waren nog zoekende, maar zij uitten wel de behoefte aan meer samenwerking, bijvoorbeeld in de vorm van thematische uitwisseling.

Werken aan kansengelijkheid op de Amsterdamse Familieschool

35

Op een school benoemden professionals bijvoorbeeld dat ze graag kennis willen uitwisselen over hoe om te gaan met schaamte bij leerlingen over geldstress, omdat zij dit een moeilijk onderwerp vinden. 4.4.4 Overige partners AANBOD UIT VOORTGANGSGESPREKKEN (2024) Ongeveer de helft van de scholen werkt samen met kennispartners en organisaties op het gebied van leesonderwijs of extra ondersteuning, bijles en huiswerkbegeleiding voor leerlingen, of is van plan dit te doen. Veel genoemde kennispartners zijn Trias Pedagogica, Pedagogische Alliantie en ABC onderwijsadvies en -begeleiding. Voor leesonderwijs zijn de bibliotheek, VoorleesExpress en Bieb op School (BOS) het meest genoemd. Qua extra ondersteuning zijn dat Studiezalen, de Weekendschool, Weekendacademie, Day a Week School en BijlesAcademie. Minder vaak worden partners genoemd die voorzien in maaltijden (zoals Schoolfruit, Eerlijke Start en Boterhammenbar, waarschijnlijk omdat dit vaak door de school zelf geregeld wordt en er geen partner nodig is), financiële educatie of seksuele voorlichting (zoals Money Start, Aflatoun en Geld Gappie), of stage- en loopbaanbegeleiding (zoals stagebedrijven, Startpunt en Streetwise). Deze laatste drie categorieën komen in het vo allemaal (veel) vaker voor dan in het po.

Dat is deels logisch gezien de leeftijd van leerlingen in het vo en de oriëntatie in het vo op vervolgonderwijs en arbeidsmarkt.

Naast samenwerkingen met partners die in en om school plaatsvinden, is het betrekken van de buurt(bewoners) ook een heel belangrijk element van de school om de band tussen ouders, school en buurt te versterken. In de focusgroepen met professionals kwam naar voren dat de mate waarin dit gebeurt bij de verschillende familiescholen nog erg wisselt. Enkele scholen zijn er actief mee bezig. Voorbeelden hiervan zijn het organiseren van een plein- of schoolfeest waar ook buurtbewoners uitgenodigd zijn; koekjes bakken voor een verzorgingstehuis in de buurt; naailessen die open staan voor alle buurtbewoners en die op school worden gegeven en bijvoorbeeld het vieren van Iftar op school. Een ouder vertelde: ‘Met Ramadan doen we een Iftar-avond op school, is echt heel erg leuk. Mensen uit de buurt worden uitgenodigd, en die komen ook, is echt ontzettend leuk.’

36

Werken aan kansengelijkheid op de Amsterdamse Familieschool

5

Rijke dag voor het kind (bouwsteen 4)

Bouwsteen 4. Rijke dag voor het kind • School biedt doelgericht een gevarieerd, passend en kwalitatief aanbod van activiteiten, gericht op de brede ontwikkeling van elk kind.

5.1 Inleiding Bouwsteen 4 betreft alles wat er vanuit de Amsterdamse Familie Scholen voor leerlingen wordt georganiseerd, gericht op de brede ontwikkeling van het kind. Deze bouwsteen wordt bijna altijd vormgegeven met samenwerkingspartners (bouwsteen 3). De resultaten van deelstudie 2 en 3 geven een beeld van waar scholen in 2024 stonden als het gaat om interventies gericht op het vergroten van de kennis, vaardigheden en leefwereld van leerlingen, interventies gericht op het bevorderen van de fysieke en mentale gezondheid van leerlingen, en overige interventies.

5.2 Samenvattende conclusies a Scholen zetten de afs-aanpak breed in om de ontwikkeling van leerlingen op verschillende manieren te ondersteunen: (basale) kennis en vaardigheden, gezondheid en welzijn, praktische benodigdheden en voorbereiding op vervolgonderwijs en arbeidsmarkt. Talentontwikkeling (bijvoorbeeld via de rijke schooldag) en extra ondersteuning bij taal en rekenen (bijvoorbeeld via de verlengde schooldag) zijn in beide lichtingen de meest genoemde interventies. Ze vormen daarmee een herkenbare en centrale pijler van wat scholen onder de afs-aanpak verstaan. (deelstudie 2) a Ook maaltijden worden door vrijwel alle vo-scholen en de meerderheid van de po-scholen aangeboden. Deze voorziening behoort daarmee inmiddels ook tot de kern van de afs-aanpak. (deelstudie 2) a De nieuwe lichting (2023/2024) biedt verhoudingsgewijs een iets breder pakket aan voorzieningen, zoals menstruatieproducten, overblijven, fietsen(reparatie), kleding, laptops, reiskosten en wifi voor thuis dan de eerste lichting (2019/2020). (deelstudie 2) a Cultureel aanbod, zoals excursies, komt naar verhouding daarentegen iets vaker voor bij de eerste lichting. (deelstudie 2) a Leerlingen kunnen zich breed ontwikkelen bij de (doorgaans gratis) naschoolse activiteiten.

Dit ontlast gezinnen en is van meerwaarde voor leerlingen uit gezinnen die dat zelf niet kunnen betalen, maar in het po weten (nog) niet alle ouders dit aanbod te vinden. Volgens professionals hebben vooral de naschoolse activiteiten en excursies effect op het vergroten van de leefwereld en de sociaal-emotionele ontwikkeling (zoals zelfvertrouwen) van hun leerlingen (deelstudie 3) a Veel familiescholen bieden (extra) interventies aan om de basisvaardigheden (bijvoorbeeld taal en rekenen) te versterken, zoals bijlessen, interventies voor leerlingen die meer ondersteuning of uitdaging nodig hebben en koppeling van de lesstof aan de praktijk. Ondanks deze inzet, leven onder sommige ouders zorgen of de basisvaardigheden niet ondersneeuwen nu hun school een familieschool is. (deelstudie 3)

Werken aan kansengelijkheid op de Amsterdamse Familieschool

37

a Leerlingen geven aan soms andere ondersteuning te willen bij de voorbereiding op het vo dan ‘alleen de open dagen bezoeken’. (deelstudie 3) a Er is steeds meer aandacht voor financiële educatie, maar vooral in het vo (deelstudie 2/3) a Diversiteit omarmen en inclusiviteit waarborgen blijken voorwaarden te zijn voor leerlingen, ouders en professionals om zich thuis te voelen op de familieschool. Hoewel de thuiscultuur vaak wordt erkend en scholen bijvoorbeeld diverse feestdagen vieren, is er nog niet veel aanbod op het gebied van culturele representativiteit. (deelstudie 2/3)

5.3 Aanbevelingen a Borg de toegankelijkheid van naschoolse activiteiten zodat alle leerlingen er gebruik van kunnen maken. Bijvoorbeeld door te monitoren welke kinderen er deelnemen en waar drempels ontstaan (zoals wachtlijsten, informatievoorziening of inschrijving). Ondersteun ouders actief bij aanmelding en zorg voor heldere, laagdrempelige communicatie over het aanbod. a Bewaar een duidelijke balans tussen brede ontwikkeling en basisvaardigheden. Besteed in communicatie met ouders expliciet aandacht aan hoe talentontwikkeling en extra aanbod samengaan met inzet op taal, lezen en rekenen. Maak zichtbaar welke (extra) ondersteuning op basisvaardigheden wordt geboden, zodat zorgen worden weggenomen. a Investeer blijvend in inclusiviteit en culturele representatie in het aanbod. Zorg dat aandacht voor diversiteit verder gaat dan het vieren van feestdagen alleen. Geef structureel ruimte aan de thuiscultuur en thuistaal van leerlingen, bijvoorbeeld in activiteiten, lesinhouden en naschoolse programma’s, zodat leerlingen zich erkend en gezien voelen.

5.4 Resultaten deelstudie 2 en 3 AANBOD UIT VOORTGANGSGESPREKKEN (2024) De (beoogde) interventies voor leerlingen tonen dat scholen de afs-aanpak gebruiken om leerlingen op meerdere domeinen te ondersteunen (zie Tabel 5.1). Deze interventies vallen uiteen in vier hoofdcategorieën: kennis en vaardigheden van leerlingen vergroten, fysieke en mentale gezondheid bevorderen, voorzien in benodigde middelen en ondersteuning, en voorbereiden op vervolgonderwijs en arbeidsmarkt. Voor zowel eerste lichting familiescholen (gestart in 2019/2020) als de nieuwe lichting familiescholen (gestart in 2023/2024) geldt dat naschoolse of verlengde schooldagactiviteiten in 2024 de meest genoemde interventies zijn. Deze worden dus gezien als een belangrijk onderdeel van een familieschool. Ook voorzien in maaltijden is voor beide lichtingen een belangrijk onderdeel van de aanpak. In de nieuwe lichting wordt daarnaast voorzien in veel andere voorzieningen, zoals menstruatieproducten, overblijven, fiets(reparatie), kleding, laptops, reiskostenvergoeding en wifi voor thuis. Deze zijn niet allemaal genoemd door de eerste lichting. Een ander verschil is dat financiële educatie in de nieuwe lichting verhoudingsgewijs iets vaker is genoemd dan in de eerste.

Dat hangt wellicht samen met het feit dat er in de tweede lichting meer vo-scholen zitten en financiële educatie nog nauwelijks wordt aangeboden op po-scholen. Een cultureel aanbod, zoals excursies in en uit de wijk, komt naar verhouding juist vaker voor bij de eerste lichting dan de nieuwe, zo blijkt uit wat de scholen noemden.

38

Werken aan kansengelijkheid op de Amsterdamse Familieschool

Tabel 5.1. Interventies voor leerlingen (gesprekken gemeente 2024) Interventies voor leerlingen a. Vergroten kennis, vaardigheden en leefwereld Talentontwikkeling (o.a. rijke schooldag) Extra begeleiding en ondersteuning (o.a. verlengde schooldag) Cultureel aanbod/excursies (in/uit wijk) (evt. met ouders) Sporten/buitenspelen/zwemmen Activiteiten in weekend/vakantie Financiële educatie b. Bevorderen fysieke gezondheid en mentaal welbevinden Ergotherapie, fysiotherapie, logopedie, tandarts, etc. Lessen over gezondheid/voeding Begeleiding/coaching - mentaal, gedrag, werkhouding Time-out voorziening/huiskamer c. Voorzien in benodigdheden Maaltijden (ontbijt, lunch, fruit, etc.) Menstruatie uitgiftepunt Overblijven/opvang Fiets/reparatie Kleding/zwemspullen/gymspullen Laptops/apparatuur Speelgoed Sportvereniging Overig OV/reiskosten Wifi thuis d. Voorbereiding op vervolgonderwijs/arbeidsmarkt Programma po-vo Voorstelmiddag/schoolbezoek Buddyprogramma LOB-activiteiten Sollicitatietraining Stagebedrijven bezoeken

Hierna lichten we de interventies voor leerlingen toe.

Werken aan kansengelijkheid op de Amsterdamse Familieschool

39

5.4.1 Vergroten kennis, vaardigheden en leefwereld AANBOD UIT VOORTGANGSGESPREKKEN (2024) De meeste activiteiten hebben tot doel om de kennis, vaardigheden en de leefwereld van leerlingen te vergroten. Hierbij is vooral talentontwikkeling veel genoemd, bijvoorbeeld via een rijke schooldag. Hierbij is veel aandacht voor bijvoorbeeld het vergroten van de vaardigheden op het gebied van koken, muziek, schaken, theater, wetenschap en techniek. Dit laat zien dat veel scholen afs (willen) inzetten op een brede ontwikkeling. Extra begeleiding en ondersteuning komt bij ongeveer de helft van de scholen voor, bijvoorbeeld via een verlengde schooldag. Dit is vooral gericht op de basisvaardigheden taal en rekenen. Ook cultureel aanbod en sport- of beweegactiviteiten worden op veel po-scholen aangeboden.

Talentontwikkeling (o.a. rijke schooldag) Als het gaat om bouwsteen 4 ligt het accent bij de familiescholen vooral op de rijke schooldagactiviteiten. Waar op veel scholen voorheen nog nauwelijks naschoolse activiteiten waren die in samenwerking met wijkpartners werden georganiseerd, zien we op de familiescholen een ontwikkeling. Op scholen waar voorheen wel naschoolse activiteiten werden georganiseerd, moest daar eerder vaak een bijdrage aan worden betaald. Nu de scholen een familieschool zijn, is het veel scholen gelukt om de activiteiten gratis te laten zijn. Professionals in het po zien de meerwaarde van naschoolse activiteiten, vooral voor leerlingen uit gezinnen die deelname aan dergelijke activiteiten buiten school niet kunnen betalen. Bovendien bieden de activiteiten volgens hen een praktisch voordeel voor ouders, omdat zij hun kinderen niet hoeven te brengen en halen bij een sport- of cultuurvereniging buiten school. Dit scheelt niet alleen geld, maar ook tijd en afstand, zo benadrukten de professionals: ’… dat ze überhaupt in aanraking komen met activiteiten die ze vanuit huis niet altijd tot hun beschikking hebben, dus ook een ontdekking van jezelf, waar je goed in bent. En het is voor ouders ook laagdrempeliger om het vanuit school te doen, in plaats van echt naar een clubje, daar zit meer afstand.

Je hebt ook meer ruimte overdag, want tot halfvijf zijn ze onder de pannen.’ De activiteiten dragen volgens professionals eraan bij dat leerlingen zich breder ontwikkelen: ‘Een goed bestede naschoolse tijd als alternatief voor naar huis gaan en achter je scherm zitten. Als ze niet naar huis gaan, hangen ze een beetje op straat en nu zijn ze bezig met iets leuks. Je merkt dat ze genieten, hun wereld wordt groter, vaak ook met leerlingen uit een andere groep die ze leren kennen, ze krijgen de kans om een nieuwe sport te ontdekken.’ Ook leerlingen in het po benadrukten dat de naschoolse activiteiten een waardevolle kans bieden voor leerlingen die hier thuis niet de middelen voor hebben: ‘Er komen meer kinderen op naschoolse activiteiten af omdat het gratis is. Sommige mensen kunnen het anders niet betalen. Nu kan iedereen meedoen. Kinderen weten niet van elkaar wie het niet kan betalen, maar het is gewoon beter voor iedereen dat het gratis is.’ Volgens ouders in het po verbreden de activiteiten en uitjes de leefwereld van leerlingen. De uitjes zijn leerzaam en leerlingen komen in aanraking met nieuwe dingen. Een ouder vertelde bijvoorbeeld: ‘[De kinderen zijn] nieuwsgieriger om in de keuken te staan na bijvoorbeeld kookles. Het geeft ze meer zelfvertrouwen.’ En een andere ouder vertelde over een uitje naar Schiphol: ‘(…) is ook een taaluitje. Dus er zit ook iets educatiefs in.

Kinderen vinden dat ook heel leuk en interessant. Er zitten ook kinderen bij die daar nog nooit zijn geweest.’ Een aantal ouders gaf aan graag betrokken te zijn bij activiteiten samen met hun

40

Werken aan kansengelijkheid op de Amsterdamse Familieschool

kinderen. Ook waarderen zij het dat er soms activiteiten zijn in samenwerking met de wijk of externe partijen. Ondanks de overwegend positieve geluiden, gaven enkele ouders aan dat niet alle leerlingen mee kunnen doen aan de activiteiten, door wachtlijsten. Dit lijkt vooral het geval voor kookactiviteiten. Ook waren sommige ouders niet goed op de hoogte van de beschikbare activiteiten of van de aanmeldprocedure. Ook op vo-scholen is de uitbreiding van het activiteitenaanbod een belangrijk aandachtspunt. Net als in het po, hopen professionals dat dit aanbod op school fungeert als springplank voor leerlingen om hun talenten te ontdekken, en dat ze via school bijvoorbeeld lid worden van een (sport)vereniging. Over het algemeen zijn de vo-professionals tevreden over de kwaliteit van de aangeboden activiteiten, al hangt deze kwaliteit soms af van de persoon of partij die de activiteiten verzorgt. Voor vo-leerlingen zijn de naschoolse activiteiten vooral in de wintermaanden belangrijk als invulling van hun vrije tijd. Zo biedt een van de scholen een ‘chillruimte’ aan waar leerlingen na schooltijd kunnen verblijven. Extra ondersteuning en begeleiding (o.a. verlengde schooldag) In de focusgroepen vertelden professionals op veel scholen bijvoorbeeld dat zij bijlessen organiseren.

Sommige scholen organiseren dit intern, bijvoorbeeld met eigen leraren of leerbuddy’s, terwijl andere scholen kiezen voor externe aanbieders zoals Studiezalen of de Weekend Academie. Bijles wordt bijvoorbeeld aangeboden als huiswerkklas, leerlab of vaardigheidstraining en vindt soms in groepen na schooltijd op school plaats. Leerlingen waren hier doorgaans positief over: ’Thuis ga je op je telefoon spelen… thuis geen tijd dus daarom goed dat je bijles op school hebt. Thuis heb je te veel afleiding, beter dan thuis.’ Ook organiseren scholen voorleeswedstrijden, zetten ze peertutors in en sluiten ze met extra activiteiten of uitjes aan bij de lesstof: ‘Activiteiten helpen bij het begrijpend lezen (bijvoorbeeld bij kookles krijgen ze een recept, maar ook het meten van grammen etc.), al doende leren ze.’ Zowel op po- als vo-scholen is er extra aandacht voor leerlingen die meer ondersteuning of juist meer uitdaging nodig hebben. Scholen bieden hiervoor onder meer trajectklassen met extra ondersteuning, High Dosage Tutoring (HDT), plusklassen of zomerscholen. Leerlingen waren in de focusgroepen positief over deze extra begeleiding: ‘2-3 keer per week 50 minuten lezen. Dat maakt wel verschil.’ Wel ervaren leerlingen niet op elke school voldoende uitdaging en zouden zij graag meer variatie zien in het lesaanbod en de materialen.

De meeste ouders in de focusgroepen waren tevreden met de aandacht voor cognitieve vaardigheden op hun po-school. Tegelijkertijd was er ook een groep ouders in het po die bezorgd was. Zij waren bijvoorbeeld van mening dat basisvaardigheden zoals lezen, schrijven en rekenen ondergesneeuwd raken, omdat de school als familieschool volgens hen meer inzet op talentontwikkeling en ondersteuning van de thuissituatie. Zij zouden als naschoolse activiteit graag extra bijles zien. Daarnaast maakten sommige ouders zich ook zorgen over lerarentekorten en de invloed daarvan op de kwaliteit van het onderwijs. Als een succesfactor noemden ouders vaak de ondersteuning van leesvaardigheid en woordenschat door het beschikbaar stellen van (leen)boeken en het organiseren van gezamenlijke leesactiviteiten, zoals de Kinderboekenweek, voorleeswedstrijden of een boekfestijn. Ze benadrukten het belang van een goed gevulde boekenkast met een breed en aantrekkelijk aanbod en voldoende leestijd voor leerlingen en gezamenlijke leesmomenten, bij voorkeur met betrokkenheid van ouders of tutors.

Werken aan kansengelijkheid op de Amsterdamse Familieschool

41

5.4.2 Bevorderen fysieke gezondheid en mentaal welbevinden AANBOD UIT VOORTGANGSGESPREKKEN (2024) Binnen het doel gezondheid en mentaal welbevinden bieden vooral po-scholen ondersteuning op school op het vlak van onder andere ergotherapie, logopedie of fysiotherapie, terwijl in het vo vaker aandacht is voor lessen over gezondheid, voeding en begeleiding of coaching. De begeleiding en coaching is gericht op mentale gezondheid, gedrag, werkhouding, weerbaarheid en sociale vaardigheden.

Volgens professionals hebben vooral de naschoolse activiteiten en excursies effect op de sociaal-emotionele ontwikkeling van hun leerlingen (bijvoorbeeld zelfvertrouwen). Daarnaast lijken professionals in de focusgroepen een duidelijk beeld te hebben van de sociaal-emotionele uitdagingen waar hun leerlingen mee te maken hebben. Sommige po-scholen willen ook hulpverlening inzetten om ouders te ondersteunen bij sociaal-emotionele kwesties die soms ook van invloed kunnen zijn op leerlingen. Vo-scholen voelen dezelfde urgentie om aandacht te besteden aan het signaleren van zorgvragen, maar de focus ligt daar meer op individuele leerlingen in plaats van op het hele gezin. Leerlingen in het po gaven aan dat zij veel waarde hechten aan inclusie, maar zij spraken ook regelmatig over pestgedrag. Het gaat volgens hen dan om pesten vanwege uiterlijke kenmerken, zoals huidskleur, het dragen van oude kleding of geen eten meehebben naar school. Tijdens de focusgroepen met vo-leerlingen kwam pesten minder vaak ter sprake. De vo-scholen die deelnamen aan de focusgroepen zetten in op een bredere sociaal-emotionele infrastructuur, met schoolcoaches, zorgcoördinatoren en soms psychologen. Zij ondersteunen bij het oplossen van ruzies, het aanpakken van pestgedrag of andere situaties die bemiddeling en begeleiding vragen.

5.4.3 Overige interventies AANBOD UIT VOORTGANGSGESPREKKEN (2024) Sommige activiteiten komen slechts in één onderwijstype (po óf vo) voor maar zijn ook inherent aan de leeftijdsgroep, zoals speelgoed en overblijven (po) of stage en sollicitaties (vo). Bij voorzieningen in benodigdheden is het beeld wisselend. Vrijwel alle vo-scholen en een meerderheid van de po-scholen bieden maaltijden aan. Hiervoor wordt soms (ook) het programma Schoolmaaltijden gebruikt. Dat maaltijden vaak genoemd worden, bevestigt dat basisvoorzieningen inmiddels tot de kern van de afs-aanpak behoren. Daarnaast komen in het vo vaker voorzieningen als laptops of reiskostenvergoeding voor, terwijl in het po incidenteel extra voorzieningen als kinderdagopvang, menstruatieproducten of sportkleding worden genoemd. Tot slot zetten scholen in beperkte mate interventies in die gericht zijn op de voorbereiding op vervolgonderwijs en arbeidsmarkt. In het po ligt de nadruk hierbij op overgangen tussen po en vo (zoals kennismakingsprogramma’s of schoolbezoeken), terwijl in het vo vooral loopbaanoriëntatie, sollicitatietraining en contacten met stagebedrijven voorkomen.

42

Werken aan kansengelijkheid op de Amsterdamse Familieschool

In de focusgroepen geven po-leerlingen nadrukkelijk aan dat de voorbereiding op het vo meestal goed is, maar dat ze liever ook meer begeleiding zouden willen krijgen bij bijvoorbeeld ‘de stress op de middelbare school’, in plaats van ‘alleen open dagen te bezoeken’. Aandacht voor diversiteit In de focusgroepen is er ook gesproken over (gewenst) aanbod op het gebied van omgaan met diversiteit. Leerlingen in zowel het po als vo gaven aan dat ze het waarderen dat er ruimte is voor andere culturen en dat dit bijdraagt aan hun kennis en begrip van elkaar. Dit uit zich bijvoorbeeld in bijna alle familiescholen in het vieren van verschillende feestdagen, zoals het Eid al-Fitr en Keti Koti. Het omarmen van de thuiscultuur en biculturaliteit door de school lijkt voor veel leerlingen belangrijk om zich echt thuis te voelen op school. Sommigen gaven echter aan dat hun eigen cultuur juist vaak nog onderbelicht blijft; zij zouden daar in het aanbod meer aandacht voor willen.

Werken aan kansengelijkheid op de Amsterdamse Familieschool

43

6

Partnerschap met ouders en ondersteuning voor gezinnen (bouwsteen 5 en 6)

Bouwsteen 5. Ouders als partner • School betrekt ouders als gelijkwaardige partner én is actief betrokken bij het gezin, waarbij de sterke vertrouwensband tussen school en ouder essentieel is, net zoals de band tussen ouders onderling. Bouwsteen 6. De familieschool biedt makkelijk vindbare en brede ondersteuning voor het kind én het gezin.

6.1 Inleiding Bouwsteen 5 richt zich op school en ouders als gelijkwaardige partners. Bouwsteen 6 richt zich op brede ondersteuning voor het gezin, waaronder hulp bij geldzaken, opvoedondersteuning en kwesties rondom bestaanszekerheid. Deze bouwstenen worden vaak vormgegeven met genoemde partners in de wijk (bouwsteen 3). De vragenlijstresultaten geven inzicht in de visie op ouderbetrokkenheid en hoe het contact tussen leraren en ouders zich op de familiescholen in de eerste twee onderzoeksjaren ontwikkelde. De resultaten van deelstudie 2 en 3 geven een beeld van waar scholen in 2024 stonden als het gaat om interventies gericht op partnerschap tussen ouders en scholen, interventies gericht op het bevorderen van de kennis, vaardigheden en loopbaan van ouders, interventies gericht op hulp en toeleiding t.b.v. het verminderen van armoedeproblematiek, en interventies gericht op toegankelijkheid en verbinding met de school, kind en onderling.

6.2 Samenvattende conclusies Aanbod a Het aanbod aan interventies voor ouders en gezinnen is breed en divers: bijna 30 verschillende vormen van ondersteuning laten zien dat scholen de afs-aanpak inzetten als integrale gezinsaanpak, gericht op (educatief) partnerschap, vaardigheden van ouders, armoedebestrijding en sociale verbinding. Dit aanbod betreft zowel interventies die praktisch en laagdrempelig zijn (zoals taallessen, inloopspreekuren en boodschappenkaarten) als interventies die gericht zijn op sociale binding en schoolcultuur (zoals ouderkamers, gezamenlijke maaltijden en hobbygroepen). (deelstudie 2) a Ouders worden wat betreft inzet op school het meest betrokken bij het organiseren of ondersteunen van lessen en activiteiten op school en bij leesbevordering. (deelstudie 2) Naast dat ouders helpen bij onderwijsactiviteiten, zetten familiescholen ook activiteiten in die gericht zijn op de band tussen ouders en school, de band tussen ouders onderling én de ontwikkeling van de ouders zelf. (deelstudie 3)

44

Werken aan kansengelijkheid op de Amsterdamse Familieschool

Ouderbetrokkenheid a Zowel in po als vo zijn er geen verschillen tussen 2024 en 2025 in de manier waarop professionals kijken naar de rol die ouders op de Amsterdamse Familiescholen kunnen spelen in het onderwijs. In het po zijn er ook geen verschillen in de mate waarin leraren ouders laten meebeslissen over het onderwijs en de mate waarin zij elkaar wederzijds informeren. In het vo lijken leraren en ouders elkaar in 2025 meer te informeren dan in 2024, maar dit komt mogelijk doordat de vragenlijst in 2025 deels door andere respondenten is ingevuld dan in 2024. (deelstudie 1) a In het po hebben respondenten die meer vertrouwen hadden in afs een jaar later een positievere kijk op de rol die ouders kunnen spelen in het onderwijs. (deelstudie 1) a Po-leraren die in 2024 bij een groter aandeel van hun leerlingen inschatten dat ouders maximaal mbo hebben afgerond of een andere thuistaal hebben, geven in 2025 minder vaak aan dat leraren en ouders elkaar informeren over hoe het gaat met een leering. Vo-leraren die in 2024 bij een groter aandeel van hun leerlingen inschatten dat ouders maximaal mbo hebben afgerond, hebben in 2025 juist een positievere kijk op de rol die ouders kunnen spelen in het onderwijs.

(deelstudie 1) a Zowel in po als vo ligt veel nadruk op het versterken van contact en toegankelijkheid voor ouders, maar de vorm verschilt: het po richt zich vooral op ontmoeting binnen de school (zoals koffieochtenden en ouderkamers), terwijl het vo iets vaker activiteiten inzet waarin ouders, school en buurt samenkomen. De vergelijking tussen de eerste (2019) en tweede lichting (2024) toont dat beide lichtingen vergelijkbare basisvormen van ouderbetrokkenheid inzetten, maar dat de nieuwe lichting verhoudingsgewijs iets meer verschillende interventies noemt. De nieuwe scholen breiden het aanbod verder uit met bijvoorbeeld meekijken in de klas, verteltassen, driehoeksgesprekken en extra sociale activiteiten voor ouders. (deelstudie 2) a De mate van ouderbetrokkenheid verschilt per school. Dit lijkt vooral samen te hangen met hoe lang zij familieschool zijn en of er een brugfunctionaris is. Vo-scholen vinden het belangrijk om ouders te betrekken bij de school, maar zijn nog zoekende hoe zij dit vorm kunnen geven. Specifieke uitdagingen voor vo zijn vooral de fysieke afstand tot school en het feit dat ouders niet meer vanzelfsprekend op school komen.

(deelstudie 3) a Succesfactoren om ouders te betrekken zijn volgens professionals en ouders: een brugfunctionaris, andere ouders als sleutelfiguren, schoolleiding en leraren die ouders herkennen en groeten, huisbezoeken, aansluiten bij behoeften van ouders, ruimte bieden aan ouders in de school en versterken van de band tussen ouders onderling. Uitdagingen die familiescholen ervaren in het betrekken van ouders zijn: vaders en werkende ouders betrekken, doorbreken dat alleen vaste groepen ouders komen, en omgaan met taalverschillen. (deelstudie 3) Omgaan met geldzorgen a Zowel in het po als in het vo gaan respondenten in 2025 anders om met geldzorgen dan in 2024. Leraren in het po voelen zich minder verantwoordelijk om door te verwijzen bij geldzorgen, en niet-lesgevend personeel vindt vaker dat de school voldoende doet voor deze ouders. In het vo weten respondenten beter naar wie ze binnen de school kunnen doorverwijzen bij geldzorgen en niet-lesgevend personeel weet beter signalen van geldzorgen te herkennen, vinden het vaker hun taak om door te verwijzen en weten beter naar wie ze extern kunnen doorverwijzen. (deelstudie 1) a Interventies gericht op armoedebestrijding en stressvermindering komen in beide lichtingen veel voor. Toeleiding naar hulpverlening is een van de meest consistente elementen.

(deelstudie 2/3) a Er zijn in 2024 overkoepelend drie fases van implementatie te onderscheiden in de op school ingerichte armoedeondersteuning: van brugfunctionaris, via een brugfunctionaris in tandem met buurtteammedewerker naar een breed ouderservicepunt met diverse, samenwerkende professionals waaronder ook het OKT. (deelstudie 3)

Werken aan kansengelijkheid op de Amsterdamse Familieschool

45

a Scholen ervaren handelingsverlegenheid richting de groeiende groep ouders die boven het minimuminkomen verdient maar bij wie wel sprake is van geldzorgen. Voor deze groep is minder aanbod met betrekking tot voorzieningen. (deelstudie 3)

6.3 Aanbevelingen a Blijf binnen het team werken aan vertrouwen in de afs-aanpak, omdat meer vertrouwen samenhangt met hogere verwachtingen van leerlingen, meer aandacht voor de thuiscultuur en thuissituatie en een positievere visie op de rol van ouders. a Investeer in vertrouwen tussen ouders en school, via zichtbaar, laagdrempelig contact (begroeten, korte praatjes, opvolgen van signalen) en waardering voor ouders die bijdragen. Zo kunnen geldzorgen ook makkelijker bespreekbaar worden. a Maak ouderbereik planmatig: peil een paar keer per jaar behoeften (kort, en hou rekening met meertaligheid), kies vervolgens een beperkt aantal activiteiten met hoge opbrengst, en communiceer hierover herhaald en simpel via meerdere kanalen. a Doorbreek het ‘vaste groepje’ ouders: werk met sleutelfiguren als ambassadeurs, varieer tijden (ochtend/avond), en combineer ouderactiviteiten met activiteiten voor kinderen zodat het makkelijker is voor ouders om te komen. a Omschrijf het functieprofiel van de brugfunctionaris en leg taken en samenwerking met team/partners helder vast; zorg dat de brugfunctionaris vindbaar is voor ouders én dat leraren weten wanneer/hoe ze warm doorverwijzen. a Benadruk de meerwaarde van samenwerking door kernpartners op school, bijvoorbeeld belegd in een ouderservicepunt. Dit geldt met name voor samenwerking tussen het buurtteam en het Ouder- en Kindteam.

a Houd oog voor de groeiende groep ouders met geldzorgen die boven minimum verdienen: maak inzichtelijk welke regelingen voor hen wél kunnen en verwijs naar passende fondsen/voorzieningen. a Creëer structureel mogelijkheden voor ontmoeting tussen ouders via school, zodat zij elkaar leren kennen, onderling steun kunnen bieden en zich meer verbonden voelen met de school.

6.4 Resultaten deelstudie 1 We hebben de visie op ouderbetrokkenheid gemeten onder alle respondenten. Leraren rapporteerden daarnaast over de mate waarin zij ouders laten meebeslissen over het onderwijs van hun kinderen en de mate waarin ouders en leraren elkaar wederzijds informeren over hoe het gaat met een leerling. Daarnaast hebben we onder alle respondenten gemeten hoe zij omgaan met geldzorgen en opvoedvragen bij ouders, omdat ondersteuning hierbij een belangrijk onderdeel is van de afs-aanpak. Zie kader 2.1 ‘Beschrijving vragenlijst’ voor uitleg over de vragen die we hiervoor gesteld hebben. We laten zien hoe deze uitkomsten zich tussen 2024 en 2025 hebben ontwikkeld.

46

Werken aan kansengelijkheid op de Amsterdamse Familieschool

6.4.1 Primair onderwijs Visie op ouderbetrokkenheid; Meebeslissen; Wederzijds informeren In het po zien we geen verschillen in de visie op ouderbetrokkenheid van respondenten tussen 2024 en 2025 (zie Figuur 6.1). Ook zijn er tussen 2024 en 2025 geen verschillen in de mate waarin leraren ouders laten meebeslissen over het onderwijs van hun kind en de mate waarin zij elkaar wederzijds informeren over hoe het met een leerling gaat20. Ook als we enkel kijken naar de groep respondenten die de vragenlijst in beide jaren heeft ingevuld zien we in het po geen verschillen tussen 2024 en 2025 op deze schalen21.

Ouders betrekken bij het onderwijs in 2024 en 2025 Primair onderwijs

2024

2025

4,26

Visie op ouderbetrokkenheid

4,25 3,23

Wederzijds informeren

3,26 3,76

Meebeslissen

3,75 1

2

3

4

5

Figuur 6.1. G  emiddelde schaalscores op de uitkomsten in 2024 en 2025 in het po. Een hogere score duidt op een hogere mate van ouderbetrokkenheid. De schalen zijn opgebouwd uit meerdere items met antwoordcategorieën op een vijfpuntsschaal (1 = helemaal niet mee eens/klopt helemaal niet, 5 = helemaal mee eens/klopt helemaal).

20 Alle uitkomsten in deze alinea zijn gebaseerd op t-toetsen. Deze toetsen houden geen rekening met de afhankelijkheid van de data: een deel van de onderzoeksgroep bestond beide jaren uit dezelfde respondenten. Zie voor de beschrijvende en toetsende statistieken Bijlage 3. 21 Gebaseerd op paired t-toetsen. Deze toetsen houden rekening met de afhankelijkheid van de data. Zie voor de toetsende statistieken Bijlage 3.

Werken aan kansengelijkheid op de Amsterdamse Familieschool

47

Om een deel van deze variatie tussen respondenten te verklaren, toetsten we of de scores van een respondent in 2025 voorspeld werden door scores in 2024, rekening houdend met de effecten van andere relevante uitkomsten22. Dit bleek het geval voor ‘Visie op ouderbetrokkenheid’ en ‘Wederzijds informeren’ (zie Figuur 6.2). Respondenten die in 2024 meer vertrouwen hadden in afs, keken in 2025 positiever naar de rol die ouders in het onderwijs kunnen spelen. Voor elk punt dat respondenten in 2024, op basis van een vijfpuntsschaal, hoger scoorden op ‘Vertrouwen in afs’, scoorden zij in 2025 een vijfde punt hoger op ‘Visie op ouderbetrokkenheid’. Daarnaast bleek ook het opleidingsniveau van ouders en de thuistaal van leerlingen, zoals ingeschat door leraren, voorspellend voor de mate waarin leraren en ouders elkaar wederzijds informeren. Hoe vaker leraren in 2024 inschatten dat meer leerlingen in hun klas een andere thuistaal dan Nederlands hadden, of ouders hadden met maximaal mbo als hoogst genoten opleiding, des te minder leraren en ouders elkaar in 2025 wederzijds informeren over hoe het gaat met een leerling. Voorspellers in 2024 voor uitkomsten in 2025 Primair onderwijs

Vertrouwen in AFS

Visie ouderbetrokkenheid

Klassamenstelling: % ouders max. mbo-opleiding

Wederzijds informeren

Klassamenstelling: % andere thuistaal 2024

2025

Positief effect: een hogere score in 2024 voorspelt een hogere score in 2025. Bv: respondenten die in 2024 meer vertrouwen hadden in afs, scoren in 2025 hoger op ‘Visie ouderbetrokkenheid’. Negatief effect: een hogere score in 2024 voorspelt een lagere score in 2025. Bv: leraren die in 2024 inschatten dat zij meer leerlin­gen in de klas hadden met een andere thuistaal, scoren in 2025 lager op ‘Wederzijds informeren’.

Figuur 6.2. V  oorspellende variabelen in 2024 voor uitkomsten in 2025 in het po, gecontroleerd voor andere controlevariabelen. Gebaseerd op een repeated measures-model.

22 Dit deden we met een repeated measures-model. Zie voor meer informatie over hoe dit model tot stand kwam de controlevariabelen en de toetsende statistieken Bijlage 4.

48

Werken aan kansengelijkheid op de Amsterdamse Familieschool

Omgaan met geldzorgen en opvoedvragen In het po vinden respondenten het in 2025 minder vaak hun taak om door te verwijzen bij geldzorgen dan in 2024. Wanneer we kijken naar alle respondenten, zijn er verder geen verschillen tussen 2024 en 2025 in de mate waarin respondenten geldzorgen herkennen en bespreekbaar maken, weten naar wie ze kunnen doorverwijzen bij geldzorgen of opvoedvragen en het beeld dat respondenten van hun eigen school hebben op dit gebied (zie Figuur 6.3) 23. Aanvullende analyses24 lieten zien dat deze verandering vooral onder leraren plaatsvond. Zij vinden het in 2025 minder vaak hun taak om door te verwijzen bij geldzorgen dan in 2024. Wanneer we enkel kijken naar niet-lesgevend personeel, dan zien we dit verschil niet. Zij vinden in 2025 wel vaker dan in 2024 dat hun school voldoende doet voor ouders en verzorgers met geldzorgen. Omgaan met geldzorgen en opvoedvragen in 2024 en 2025 Primair onderwijs

2024

2025

3,43

Signalen geldzorgen herkennen

3,46 3,18

Geldzorgen bespreekbaar maken

3,16 4,01

Mijn taak om door te verwijzen

3,89* 4,23

Weet naar wie intern doorverwijzen

4,19 3,39

Weet naar wie extern doorverwijzen

3,30 4,30

Ouders kunnen met geldzorgen terecht op school

4,32 4,10

Mijn school doet voldoende

4,17 4,14

Weet naar wie doorverwijzen bij opvoedvragen

4,09 1

2

3

4

5

Figuur 6.3. Gemiddelde scores in 2024 en 2025 in het po op items over geldzorgen en opvoedvragen. Items hadden antwoordcategorieën op een vijfpuntsschaal (1 = helemaal niet mee eens/klopt helemaal niet, 5 = helemaal mee eens/klopt helemaal).

23 Alle uitkomsten in deze alinea zijn gebaseerd op t-toetsen. Deze toetsen houden geen rekening met de afhankelijkheid van de data: een deel van de onderzoeksgroep bestond beide jaren uit dezelfde respondenten. Zie voor de beschrijvende en toetsende statistieken Bijlage 3. 24 Dit waren aparte t-toetsen voor leraren en voor niet-lesgevend personeel.

Werken aan kansengelijkheid op de Amsterdamse Familieschool

49

6.4.2 Voortgezet onderwijs Visie op ouderbetrokkenheid; Meebeslissen; Wederzijds informeren In het vo geven leraren aan dat ouders en leraren elkaar in 2025 vaker wederzijds informeren over hoe het gaat met een leerling dan in 2024. Er zijn geen verschillen tussen 2024 en 2025 in de visie op ouderbetrokkenheid en in de mate waarin leraren ouders laten meebeslissen over het onderwijs van hun kind (zie Figuur 6.4)25. Echter, wanneer we kijken naar respondenten die de vragenlijst beide jaren hebben ingevuld, zijn er op alle drie de schalen geen verschillen tussen 2024 en 2025 26.

Ouders betrekken bij het onderwijs in 2024 en 2025 Voortgezet onderwijs

2024

2025

4,27

Visie op ouderbetrokkenheid

4,21 2,74

Wederzijds informeren

2,84* 3,55

Meebeslissen

3,60 1

2

3

4

5

Figuur 6.4. G  emiddelde schaalscores op de uitkomsten in 2024 en 2025 in het vo. Een hogere score duidt op een hogere mate van ouderbetrokkenheid. De schalen zijn opgebouwd uit meerdere items met antwoordcategorieën op een vijfpuntsschaal (1 = helemaal niet mee eens/klopt helemaal niet, 5 = helemaal mee eens/klopt helemaal).

Om een deel van deze variatie tussen respondenten te verklaren, toetsten we of de scores van een respondent in 2025 voorspeld werden door scores in 2024, waarbij we rekening hielden met de effecten van andere uitkomsten27. Dit bleek het geval voor ‘Visie op ouderbetrokkenheid’ (zie Figuur 6.5).

25 Gebaseerd op t-toetsen. Deze toetsen houden geen rekening met de afhankelijkheid van de data: een deel van de onderzoeksgroep bestond beide jaren uit dezelfde respondenten. Zie voor de beschrijvende en toetsende statistieken Bijlage 3. 26 Gebaseerd op paired t-toetsen. Deze toetsen houden rekening met de afhankelijkheid van de data. Zie voor de toetsende statistieken Bijlage 3. 27 Dit deden we met een repeated measures-model. Zie voor meer informatie over hoe dit model tot stand kwam de controlevariabelen en de toetsende statistieken Bijlage 3.

50

Werken aan kansengelijkheid op de Amsterdamse Familieschool

Voorspellers in 2024 voor uitkomsten in 2025 Voorgezet onderwijs Klassamenstelling: % ouders max. mbo-opleiding

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16573758/1