Bijlage 1 Aanwijzingen voor de regelgeving Amsterdam.pdf
Tekst van het document
Roept de regeling een nieuw orgaan in het leven, dan gebeurt dat in principe voordat bevoegdheden of taken aan dat orgaan worden toegekend; e. Houd bij een medebewindsverordening zoveel mogelijk de volgorde aan van de medebewindswet en bij nadere regels de volgorde van de verordening waarop de nadere regels berusten; f. Kijk voor het overige of chronologie een handig aanknopingspunt kan bieden, dat wil zeggen de volgorde waarin onderwerpen in de praktijk aan de orde zullen komen. Onderdeel c Een kernbepaling is bijvoorbeeld het artikel waarin een vergunningsstelsel in het leven wordt geroepen of in een subsidieregeling het artikel waarin de subsidiabele activiteiten worden bepaald. Onderdeel d Min of meer uitvoerige organisatorische en rechtspositionele bepalingen worden in een afzonderlijk hoofdstuk of afzonderlijke paragraaf richting het einde van de regeling opgenomen. Rechtspositionele bepalingen gaan bijvoorbeeld over de vergoeding en voorzieningen voor een ingestelde adviescommissie.
21
Onderdeel f Bij een vergunningensysteem bijvoorbeeld (alles voor zover nodig): eerst activiteit verbieden behoudens vergunning van bestuursorgaan X – dan regels voor aanvragen vergunning – eventuele adviesprocedure, dan de beslisprocedure – weigeringsgronden – mogelijkheid van voorschriften en beperkingen, waarschijnlijk ook van wijzigen en intrekken – sancties – toezicht en opsporing – overgangs- en slotbepalingen. 18. Onderverdeling van artikelen 1. Artikelen kunnen worden verdeeld in leden, die worden aangeduid met Arabische cijfers gevolgd door een punt. 2. Een lid wordt niet verdeeld in alinea’s. Wel kan een artikellid een beperkt aantal zinnen bevatten. 3. Als de inhoud van een artikel zou leiden tot een groot aantal leden (vuistregel: meer dan vijf), wordt de tekst bij voorkeur gesplitst in twee of meer artikelen. Hier is aanwijzing 15, vierde lid, van belang. Plaats bij elkaar wat bij elkaar hoort. 19. Opsommingen, staartteksten 1. Als het bij een opsomming voor de duidelijkheid wenselijk is elk onderdeel daarvan op een nieuwe regel te laten beginnen, wordt de volgende werkwijze gevolgd. a. De onderdelen worden aangegeven met letters (a., b., c. enz.), een eventuele verdere onderverdeling van een geletterd onderdeel wordt genummerd met kleine Romeinse cijfers (i., ii., iii., enz.); b. Binnen een onderdeel wordt niet met een nieuwe zin begonnen; c.
De onderdelen worden afgesloten met een puntkomma, met uitzondering van het laatste onderdeel: daar wordt een punt achter gezet. 2. Na het laatste onderdeel van een opsomming wordt geen tekst opgenomen die betrekking heeft op alle onderdelen, tenzij dit onvermijdelijk is. Lid 1 Wanneer de onderdelen van een opsomming beginnen met een kleine letter en eindigen met een puntkomma, is het kennelijk de bedoeling dat de aanhef (het deel vóór de opsomming) bij alle onderdelen hoort en dat de volzin eindigt met de punt achter het laatste onderdeel. Wordt dan binnen een onderdeel een punt geplaatst en wordt daarna een nieuwe zin begonnen, die dan dus begint met een hoofdletter, dan is de opsomming in feite in tweeën geknipt. Lid 2 Soms staat de opsomming niet op het eind van maar midden in een volzin. Zo bijvoorbeeld in artikel 2:1, tweede lid, van de model-APV, dat over samenscholing en ongeregeldheden gaat: 1. Degene die op een openbare plaats a. aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; b. aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of c. zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing,
22
is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. Bij het opnemen van tekst die betrekking heeft op alle onderdelen, na het laatste onderdeel van een opsomming, is bij lezing vaak onduidelijk of die tekst betrekking heeft op alle onderdelen, dan wel deel uitmaakt van het laatste onderdeel. Het is vrijwel altijd mogelijk deze tekst op te nemen in de aanhef van de opsomming of in een apart lid. Bij het voorbeeld hierboven kan het ook zo: 1. Het is verplicht op bevel van een ambtenaar van de politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen voor degene die op een openbare plaats: a. aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; b. aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of c. zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing. 20. Aanduiden karakter opsomming 1. Als dat voor de duidelijkheid nodig is, wordt aan het slot van het voorlaatste onderdeel van een opsomming ‘of’ dan wel ‘en’ geplaatst. Met ‘of’ wordt tot uitdrukking gebracht dat de opsomming alternatieven noemt, met ‘en’ dat de opsomming een cumulatief karakter heeft. 2. Uit de formulering van de bepaling blijkt of een opsomming een uitputtend karakter heeft of niet.
Bij definitiebepalingen roept het karakter van een opsomming over het algemeen geen vragen op, zodat het eerste lid dan niet hoeft te worden toegepast. Het bepalen of een opsomming uitputtend is of niet, is vooral van belang bij factoren waarvan de inhoud van een besluit kan afhangen, zoals verlenings-, weigerings- en intrekkingsgronden. Soorten opsommingen: Cumulatief Aan alle genoemde vereisten moet worden voldaan. Dit kan duidelijk worden gemaakt door aan het voorlaatste element ‘en’ toe te voegen: als: a. ...; b. ...; en c. ....; of met de inleidende formule als aan elk van de volgende punten wordt voldaan: (a tot en met c). Voorwaarden om voor een vergunning of subsidie in aanmerking te komen zijn bijna altijd cumulatief. Alternatief Er hoeft maar één van de elementen in het spel te zijn, dan treedt het rechtsgevolg (bijvoorbeeld het kunnen weigeren, of juist het ergens voor in aanmerking komen) al in. Voeg dan aan het voorlaatste element ‘of’ toe: als: a. ...; b. ...; of c. ... . Een andere mogelijkheid voor het laten blijken van het alternatieve karakter is: als aan minstens één van de volgende punten wordt voldaan: (a tot en met c). Gronden om een vergunning of subsidie te weigeren zijn nagenoeg altijd alternatief.
23
Uitputtend Alleen de genoemde punten of één daarvan zijn aan de orde. Dit kan tot uitdrukking worden gebracht door gebruik van de woorden 'alleen', 'uitsluitend' of 'slechts', bijvoorbeeld in de formule: ‘De vergunning kan alleen worden geweigerd als (...).’ Enuntiatief Een opsomming waarbij het slechts gaat om voorbeelden van zaken die van belang kunnen zijn, wordt wel enuntiatief genoemd. Dat is het tegendeel van uitputtend. Dit kan tot uitdrukking worden gebracht door gebruik van de woorden 'in ieder geval', 'in elk geval', of 'ten minste'. Bijvoorbeeld: De ontheffing kan in elk geval worden ingetrokken in het belang van (a, b, en c). c. Taalgebruik 21. Formulering 1. Formuleer bepalingen zo beknopt mogelijk zonder dat de begrijpelijkheid in het gedrang komt. 2. Volg zoveel mogelijk het normale spraakgebruik. 3. Gebruik geen woorden waarvan de betekenis te weinig bepaald of onduidelijk is. 4. Vermijd vreemde woorden en woorden die van een vreemde taal zijn afgeleid, behalve als deze de bedoeling duidelijker weergeven dan Nederlandse en ze bovendien in de Nederlandse taal ingang hebben gevonden. 5. Gebruik waar mogelijk persoonsaanduidingen die sekseneutraal zijn. Gebruik geen combinatieaanduidingen van mannen en vrouwen (zoals ‘aanvragers en aanvraagsters’). 6. Gebruik in een regeling nooit het woord ‘u’. 7. Gebruik de Schrijfwijzer op www.amsterdam.nl/schrijfwijzer.
Hanteer begrijpelijke taal en schrijf zo veel mogelijk voor iedereen. Zo nodig kunnen andere vormen van publieksinformatie zoals de website of een brochure worden gebruikt als het niet lukt om de regeling zelf toegankelijk te maken, maar wees ervan bewust dat door de ‘vertaalslag’ die dan nodig is ook onduidelijkheid kan ontstaan. De Schrijfwijzer op internet bevat ook het ’Helder juridisch woordenboek’ en het ‘Moeilijke-woordenboek’. Op grond van het ‘Moeilijkewoordenboek’ gebruiken we bijvoorbeeld het woord ‘als’ in plaats van ‘indien'. Hieronder enkele voorbeelden van minder en meer geslaagd taalgebruik. In een artikel van een APV met als opschrift ‘Exploitatievergunning horecaverblijf’ luiden de leden 4 en 5 (met een enkele vereenvoudiging): 4. De burgemeester kan de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. 5. Bij de toepassing van de in het vierde lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van het horecabedrijf en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie.
24
Met enkele ingrepen kan dit beduidend korter en strakker. Zie: 4. De burgemeester kan de vergunning weigeren als de woon- of de leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf door de exploitatie zijns inziens ontoelaatbaar zou worden geschaad. Daarbij houdt hij rekening met het karakter van de straat en de wijk, de aard van het horecabedrijf en de te verwachten effecten van de exploitatie op de omgeving Enkele opmerkingen: -
-
-
Door samenvoeging in één lid is verwijzing van het ene lid naar het andere niet meer nodig. Als de gevraagde vergunning geheel kan worden geweigerd kan ze dat ook wel gedeeltelijk; dat hoeft dus niet te worden bepaald. (Gedeeltelijke weigering mag er echter niet toe leiden dat eigenlijk iets anders wordt vergund dan is aangevraagd. Vraagt iemand vergunning voor een hotel met restaurant dan zal het doorgaans niet aangaan, slechts een van de twee onderdelen te vergunnen. Dan zal het gevraagde moeten worden geweigerd. En dan is het aan de aanvrager om zich opnieuw op de mogelijkheden te beraden.) De bestaande tekst van het vierde lid impliceert, ongetwijfeld onbedoeld, dat alleen de gecombineerde aantasting van de woonsituatie én de leefsituatie tot weigering mag leiden. Vandaar het nieuwe ‘of’, dat duidelijk maakt dat voldoende ernstige aantasting van één van beide al reden kan zijn voor een weigering. Met de enkele verwijzing naar effecten zijn alle aspecten van wat het bestaande vijfde lid in de beschouwingen wil betrekken, meegenomen. De bestaande tekst bevat in lid 5 enkele bijzinnen die als beperkend zijn bedoeld: ‘, waarin het horecabedrijf ...’, ‘, waaraan het woonmilieu ...’. Volgens de regels van de Nederlandse grammatica mag een beperkende bijzin echter niet met een komma beginnen.
Lid 1 De woorden ‘het bepaalde in’ zijn bijvoorbeeld meestal overbodig. Héél soms zijn ze wel nodig. Vergelijk ‘strijd met artikel 12’ en ‘strijd met het bij of krachtens artikel 12 bepaalde’: in het laatste geval is ook strijd met een op artikel 12 gebaseerd uitvoeringsbesluit (regeling of beschikking) van belang. Alleen in zo’n geval is ‘het bepaalde in’ of iets dergelijks nodig, alleen dan zijn die woorden daarom toelaatbaar. Lid 5 Gebruik bijvoorbeeld ‘degene die’ in plaats van ‘hij die’. Lid 6 Als de lezer met ‘u’ wordt aangesproken, betekent dit dat het gestelde voor hem of haar geldt. Maar dat is misschien helemaal niet zo. ‘De toelage moet u aanvragen binnen vier weken na ...’ duidt op een regel die voor potentiële aanvragers van zo’n toelage geldt, maar niet voor elke lezer. 22. Eén term, één begrip 1. Eén begrip wordt altijd met dezelfde term aangeduid. 2. Een term wordt niet voor verschillende begrippen gebruikt. 3. Binnen een regeling en de daarop gebaseerde uitvoeringsregelingen gelden de aanwijzingen in het eerste en het tweede lid strikt. De aanwijzingen worden zoveel mogelijk ook gevolgd voor het geheel van de gemeentelijke regelingen. 25
In nadere regels en in beleidsregels worden dezelfde termen gebruikt als in de verordening waar deze op gebaseerd zijn. Hieraan kan worden toegevoegd dat een regeling die maar één bevoegd gezag kent, dat orgaan natuurlijk met zijn eigen naam aanduidt en niet met het vage ‘bevoegd gezag’. Trouwens, ook als in sommige gevallen het college bevoegd is en in andere de burgemeester, is het aan te raden om ‘bevoegd gezag’ als overkoepelende aanduiding te vermijden en duidelijk te maken welk bestuursorgaan bevoegd is. 23. Aanduiding gemeentelijke bestuursorganen 1. Voor de gemeentelijke organen worden als regel de termen ‘de raad’, ‘het college ’ en ‘de burgemeester’ gehanteerd. 2. ‘College’ wordt in de definitiebepaling gedefinieerd als ‘college van burgemeester en wethouders’. De Gemeentewet spreekt van ‘college van burgemeester en wethouders’ maar kort dat in de definitiebepaling van artikel 5 af tot ‘college’. In Amsterdamse regelingen wordt doorgaans ‘college’ als afkorting voor ‘college van burgemeester en wethouders’ gebruikt. Ten behoeve van uniformiteit wordt dat in deze aanwijzing daarom als hoofdregel gesteld. Het begrip ‘college’ wordt wel gedefinieerd.
24. Afkortingen Gebruik afkortingen alleen als dat redelijkerwijs niet te vermijden is. Bij gebruik ervan worden ze in de definities opgenomen. In de toelichting kan het desgewenst wat huiselijker: daar is het niet ongewoon om van, ‘GS’, de ‘Awb’, de ‘WOZ’ enz., te spreken. Zorg er echter voor dat bij niet algemeen bekende afkortingen – de aanduidingen van wettelijke regelingen horen daar in elk geval toe – het begrip zeker de eerste keer voluit wordt gebruikt, en geef dan tussen haakjes de afkorting ‘(hierna: Wmo 2015)’. 25. Hoofdletters en namen 1. Gebruik zo weinig mogelijk hoofdletters. 2. Volg zoveel mogelijk het hoofdlettergebruik van de Grondwet en de Gemeentewet of neem dat als uitgangspunt. 3. Volg voor officiële benamingen de schrijfwijze in de desbetreffende basisregeling. 4. Volg voor de benaming van een instelling de wijze van aanduiden die de instelling zelf gebruikt. 5. Bij nieuwe benamingen wordt in principe alleen het eerste woord met een hoofdletter geschreven. We spreken dus van raad, burgemeester, wethouder, secretaris, voorzitter, enz., steeds zonder hoofdletters. Ook voor citeertitels worden zo weinig mogelijk hoofdletters gebruikt bijvoorbeeld ‘Heffingsverordening begraafplaatsen en crematoria Amsterdam’. 26
26. Geen ficties Vermijd zoveel mogelijk het gebruik van ficties (‘een aanvraag wordt geacht te zijn ingewilligd ...’). Ficties zijn ouderwets en onduidelijk. In het voorbeeld van de fictieve inwilliging (zie de tussen haakjes geplaatste tekst van de aanwijzing) zal de silencio-positivo-paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing moeten worden verklaard; zie aanwijzing 54 en de toelichting daarbij. Artikel 22, vijfde lid, van de inmiddels vervallen Jachtwet was een hoogst zeldzaam voorbeeld van een aanvaardbare fictie: 5. Hij, die zich in het veld bevindt met een of meer strikken, beugels, andere vallen dan kastvallen, klemmen, vuurwapenen, stalnetten of lange honden, wordt geacht zich daarmede ter uitoefening van de jacht in het veld te bevinden, tenzij het tegendeel blijkt. Dit was trouwens niet een echte fictie maar een weerlegbaar rechtsvermoeden. Voor een fout voorbeeld, zie artikel 9, tweede lid, van de model-Erfgoedverordening (oud, de Monumentenwet 1988 gold nog): 2. De aanwijzing [als beschermd gemeentelijk monument] wordt geacht ingetrokken te zijn, indien toepassing wordt gegeven aan artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of aan artikel ... van de monumentenverordening van de provincie ... [naam]. Hier had men kunnen schrijven ‘De aanwijzing vervalt zodra toepassing wordt gegeven aan ...’.
Maar nog beter zou het zijn geweest, de enkele verwijzing naar wettelijke bepalingen te vervangen door een omschrijving die direct laat zien waar het om gaat: 2. De aanwijzing vervalt zodra de zaak of het terrein op grond van de Monumentenwet 1988 of de ... [provinciale erfgoed- of monumentenverordening] is aangewezen als beschermd monument. 27. Geen ‘moeten’ en ‘dienen’ Formuleer een voorschrift niet met behulp van de werkwoorden ‘moeten’ of ‘dienen’, behalve als dat voor de duidelijkheid nodig is. Bijvoorbeeld niet ‘De aanvraag moet in tweevoud worden ingediend’, maar ‘De aanvraag wordt in tweevoud ingediend.’ Een regel die in de ‘imperatieve indicatief’ is geformuleerd, is bijna altijd zonder problemen herkenbaar als gebod of verbod. Als artikel 4:20f, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt ‘Het bestuursorgaan vergoedt de schade die door de wijziging of intrekking (...) wordt veroorzaakt’, dan is het duidelijk dat de bepaling het bestuursorgaan een rechtsplicht oplegt.
27
Maar heel soms komt de strekking van een bepaling niet duidelijk uit de verf bij een beschrijvende stijl. Artikel 3:5, eerste lid, van de model-APV bepaalde tot begin 2015 ten aanzien van seksinrichtingen: 1. De exploitant en de beheerder: a. staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij; b. zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en c. hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt. In het tweede lid volgde een bepaling met een soortgelijke opzet, maar dan veel uitgebreider. Dit type bepalingen was ongetwijfeld ontleend aan het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet 1999, dat verschillende artikelen met een vergelijkbare aanpak kende. Hoofdstuk 3 van het Alcoholbesluit, waar de regeling ‘zedelijke eisen’ nu is te vinden, heeft de traditie voortgezet. Van zo’n bepaling is de strekking echter niet direct duidelijk: ze ziet er puur beschrijvend uit. Hier is het aan te raden de aanhef te vervangen door iets als ‘Voor de exploitant en de beheerder gelden de volgende vereisten:’, dan is in elk geval duidelijk dat het niet aan de vereisten voldoen wel consequenties zal hebben. Die consequenties – bijvoorbeeld weigering of intrekking van de exploitatievergunning – moeten vervolgens wel duidelijk zijn. 28. Indien en voor zover, en/of, geen haakjes, tot en met 1. 2. 3. 4.
Gebruik niet ‘indien en voor zover’ maar alleen ‘voor zover’. Het koppel ‘en/of’ wordt niet gebruikt; doorgaans kan met ‘of’ worden volstaan. De woorden ‘al dan niet’ zijn meestal overbodig. Plaats geen zinnen, zinsdelen, woorden of woorddelen tussen haakjes. Haakjes kunnen de betekenis onduidelijk maken. 5. Het einde van een periode of reeks wordt aangeduid met ‘tot en met’. 6. Voor meet- en munteenheden worden de wettelijk vastgestelde aanduidingen gebruikt. De meeste zijn te vinden in het Meeteenhedenbesluit 2006. 7. Voor de aanduiding van bedragen in euro's wordt het euroteken ‘€’ gebruikt. Lid 1 Als subsidie kan worden toegekend aan een vereniging ‘indien en voor zover deze actief is in de gemeente’, dan is al spoedig duidelijk dat het ‘indien en’ best kan worden gemist. De woorden ‘voor zover’ duiden onmiskenbaar aan dat alleen activiteiten in de gemeente voor subsidie in aanmerking kunnen komen. De uitdrukking ‘voor zover’ wordt in een wettelijk voorschrift slechts gebruikt in de betekenis van ‘in de mate dat’. Lid 2 Als ‘of’ wordt gebruikt, is daaronder mede begrepen de situatie dat meer dan één van de genoemde gevallen zich tegelijkertijd voordoen. Lid 3 In plaats van ‘de beslissing tot het al dan niet verlenen’ is ‘de beslissing over de verlening’ of ‘de beschikking op de aanvraag’ strakker en beter.
28
Lid 4 Als in een verordening wordt gerept van ‘(geluid)hinder door schepen’, kunnen daarmee drie verschillende zaken zijn bedoeld: (a) uitsluitend geluidhinder door schepen, (b) hinder door schepen, zoals geluidhinder, en (c) hinder door schepen, in het bijzonder geluidhinder. Een regeling moet duidelijk zijn en mag geen raadsels bevatten zoals het onderhavige. Een enkele keer kunnen haakjes wel functioneel zijn; maar dan zaaien ze ook geen twijfel. Als verboden wordt een terras te exploiteren ‘zonder vergunning van het college (terrasvergunning)’, dan is daarmee duidelijk dat ‘terrasvergunning’ de roepnaam is voor deze vergunning. Het is heel nuttig de verschillende vergunningen en ontheffingen die bij gemeentelijke verordening in het leven worden geroepen, van een officiële roepnaam te voorzien, en dat kan op terloopse maar duidelijke wijze gebeuren op de wijze van de terrasvergunning. Lid 5 Spreken in termen van ‘tot’ kan tot misverstanden leiden. ‘Een aanvraag kan worden ingediend tot 1 februari’ betekent waarschijnlijk dat de aanvraag op zijn laatst op 31 januari kan worden ingediend, maar misschien toch ook nog op 1 februari? Om elk misverstand te voorkomen is het duidelijker om ‘tot en met 31 januari’ te gebruiken. ‘Tot en met’ wordt hierbij voluit geschreven, dus niet als ‘t/m’.
Lid 7 Voor de aanduiding van bedragen in euro's wordt ‘€’ gebruikt; dus € 1.000,- in plaats van 1.000 euro. Duizendtallen worden steeds met een punt gescheiden. 29. Respectievelijk en c.q. 1. Als dat nodig is, gebruik de term ‘respectievelijk’ dan overeenkomstig het volgende voorbeeld: Als het de verkiezing van de leden van provinciale staten of van de raad betreft, vindt de kennisgeving plaats op de in de provincie, respectievelijk de gemeente, gebruikelijke wijze.
Maar probeer de term te vermijden; meestal kan gewoon ‘of’ worden gebruikt. 2. Gebruik nooit het meerzinnige ‘c.q.’ of ‘casu quo’; meestal is ‘of’ aan te bevelen. Het woord ‘respectievelijk’ kan vaak worden vervangen door ‘of’. Wanneer eerst is bepaald in welke gevallen het college vergunningverlenend gezag is en in welke gevallen de burgemeester dat is, dan kan vervolgens wel worden gesproken over ‘de vergunning van het college of van de burgemeester’. 30. Overeenstemming en overleg 1. De uitdrukking dat een bevoegdheid wordt uitgeoefend ‘in overeenstemming met A’ (of: ‘met instemming van A’) wordt gebruikt als vereist is dat het overleg met A tot overeenstemming leidt. 2. In de overige gevallen wordt ‘na overleg met’ gebruikt, nooit ‘in overleg’.
29
Lid 1 Als overeenstemming tussen een aantal instanties is vereist, betekent dit dat elke instantie vetorecht heeft en de zaak dus kan blokkeren. Soms is die algemene overeenstemming echter echt noodzakelijk om het gewenste doel te kunnen bereiken; dan kan dus de formule ‘in overeenstemming met P, Q en R’ worden gebruikt. Let er echter op dat de formule riskant is: als aan een ‘derde’ een vetorecht wordt toegekend – daar komt de formule ‘in overeenstemming met’ op neer –, dan kan dat soms worden beschouwd als delegatie van bevoegdheid, en dat is lang niet altijd mogelijk. Een normale opzet is dat één instantie uiteindelijk de knoop kan doorhakken, maar dat ze eerst overleg moet voeren met anderen; dan handelt de instantie ‘na overleg’ met die anderen. Wil men beklemtonen dat het overleg niet als een formaliteit mag worden gezien, dan kan bijvoorbeeld worden bepaald dat de toelichting op het besluit de resultaten van het overleg vermeldt, eventueel met toevoeging dat daarbij ook wordt aangegeven wanneer en waarom van andermans visie is afgeweken. Zie in deze trant ook aanwijzing 77, tweede en vierde lid, over wettelijk verplichte adviezen. In de wetgeving komt men ook wel formules tegen als ‘na op overeenstemming gericht overleg’ en ‘na goed overleg’. Beide formuleringen betekenen dat het om serieus overleg moet gaan.
Lid 2 ‘In overleg’ is in de ban gedaan omdat het onduidelijk is: het zou zowel ‘in overeenstemming’ als ‘na overleg’ kunnen betekenen. Daarom zal voor één van deze twee moeten worden gekozen. d. Verwijzen en aanhalen
31. Verwijzingen 1. Vermijd verwijzing naar andere artikelen zoveel mogelijk. Vermijd in elk geval verwijzing naar bepalingen die zelf al een verwijzing inhouden. 2. De verwijzing naar een andere regeling wordt zo mogelijk verbijzonderd tot verwijzing naar de betrokken artikelen. Als dat de duidelijkheid van de verwijzing vergroot, kan de verwijzing worden verbijzonderd tot verwijzing naar een artikellid of ander onderdeel van een artikel. 3. Gebruik bij verwijzing naar een andere regeling in principe een dynamische verwijzing. 4. Bij verwijzing naar een andere regeling, of een artikel daarvan, wordt een hyperlink opgenomen. Leden 1 en 2 Verwijzingen zijn hinderlijk voor de lezer: hij kan niet doorlezen maar moet terug (of vooruit), of naar een andere regeling, naar de bepaling waarnaar wordt verwezen. Er bestaat een reëel risico dat hij dat te veel moeite vindt en daardoor de boodschap niet helemaal juist of volledig tot zich neemt. Dat is een goede reden om verwijzingen zoveel mogelijk te vermijden. Het is alleen niet de bedoeling om in plaats daarvan een bepaling uit een hogere regeling herhalen (zie het overschrijfverbod in aanwijzing 10, vierde lid). Heel vaak kan een verwijzing vermijden gemakkelijk. Wanneer in artikel 4 van een verordening wordt gesproken over ‘de vergunning, bedoeld in artikel 3’, dan kan dat op twee manieren zonder verwijzing.
Heeft de vergunning van artikel 3 een naam gekregen, bijvoorbeeld 'terrasvergunning',
30
dan kan in artikel 4 (en in volgende artikelen) eenvoudig over 'de terrasvergunning' worden gesproken. Komt in de verordening of in het betrokken hoofdstuk of de paragraaf slechts één vergunning voor, die in het begin wordt geïntroduceerd door een formule als ‘Het is verboden x te doen zonder vergunning van het college of in afwijking daarvan’, dan kan daarna eenvoudig van ‘de vergunning' worden gesproken: een andere dan ‘de’ bedoelde vergunning kan eenvoudig niet aan de orde zijn. Een verwijzing heeft meestal betrekking op een begrip of op een rechtsnorm. Stel: in artikel 3.1 van een Algemene plaatselijke verordening komt deze definitie voor: 1. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: (a - f) g. beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent dan wel uitoefenen in een seksinrichting of escortbedrijf; (h, enz.) In het citaat uit artikel 3.1 is ‘beheerder’ een begrip. Het complete citaat, dat wordt aangeduid als ‘eerste lid, aanhef en onderdeel g’ (of: ‘… en onder g’) bevat een rechtsnorm, namelijk een definitiebepaling; zie de volgende aanwijzing. Zonder de aanhef is onderdeel g geen rechtsnorm maar een betrekkelijk betekenisloze hoeveelheid woorden.
Het belang van de aanhef wordt duidelijk als men zich voorstelt hoe de rechtsnorm zou luiden als we de woorden ‘In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:’ vervangen door ‘Strafbaar zijn:’ – daarmee krijgen we een heel andere rechtsnorm, terwijl het begrip onder g gelijk is gebleven. Wie in een ander hoofdstuk van de verordening dan hoofdstuk 3 – waar de definitie dus niet geldt – alleen naar het begrip wil verwijzen, doet dat bijvoorbeeld zo: ‘Deze bepaling is van toepassing op beheerders als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, onderdeel g.’ Wil men naar de begripsbepaling als zodanig, dus de complete rechtsnorm, verwijzen, dan kan het als volgt: ‘Artikel 3.1, eerste lid, aanhef en onderdeel g, is van toepassing’. Daarmee ‘geldt’ de definitie ook op de plek waar de verwijzing staat. Maar in beide gevallen zou het beter zijn dit onderdeel van het toepassingsbereik gewoon uit te schrijven, bijvoorbeeld ongeveer zo: ‘Deze bepaling/Dit hoofdstuk is ook van toepassing op degenen die feitelijk leidinggeven aan een seksinrichting of escortbedrijf.’ (Het fictieve voorbeeld van artikel 3.1 is niet helemaal conform deze aanwijzingen, omdat een te definiëren begrip niet vooraf wordt gegaan door een letter, maar door een gedachtestreep en een spatie. Zie aanwijzing 47.) Lid 3 Een dynamische verwijzing is de standaard manier van verwijzen.
Een voorbeeld uit de Verordening op de stadsdelen en het stadsgebied Amsterdam 2022: Op de verklaring en belofte of eed is artikel 14 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing waarbij voor ‘raad’ wordt gelezen ‘stadsdeelcommissie’. Een statische verwijzing vermeldt erbij dat het gaat om de bepaling zoals die luidt of luidde op een bepaalde datum. De bepaling in de verordening zou dan bijvoorbeeld luiden:
31
Op de verklaring en belofte of eed is artikel 14 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing, zoals deze luidde op 1 januari 2022, waarbij voor ‘raad’ wordt gelezen ‘stadsdeelcommissie’. Stel dat artikel 14 van de Gemeentewet per 1 juli 2022 zou zijn aangepast en in 2023 het artikel uit de verordening wordt toegepast. In het eerste voorbeeld wordt dan de gewijzigde versie van artikel 14 van de Gemeentewet toegepast, maar in het tweede voorbeeld wordt de oude versie toegepast. Een statische verwijzing is niet handig voor de lezer. Deze moet niet alleen de bepaling opzoeken waarnaar verwezen wordt, maar ook nog precies de versie vinden van de aangegeven datum. In één geval is statisch verwijzen echter niet bezwaarlijk en soms echt nodig. Als een verordening wordt gewijzigd, wordt soms bepaald dat de ‘oude’ versie van toepassing blijft op oude gevallen, bijvoorbeeld op reeds ingediende aanvragen. Dan kan bijvoorbeeld deze formule worden gebruikt: Deze verordening zoals ze luidde op ... [dag voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van de wijziging in principe] blijft van toepassing op ... [aanduiding van de gevallen waarvoor dit geldt]. Zie verder aanwijzingen 66 en 70.
Opletten is ook geboden als wordt verwezen naar ‘particuliere’ standaarden die niet de status hebben van de bekende NEN-normen e.d., en waarvan niet zeker is dat een volgende, gewijzigde versie ook aan de gemeentelijke wensen voldoet. Dan kan het wenselijk zijn om statisch te verwijzen, en de verwijzing aan te passen als de ‘normen’ worden gewijzigd en is geconstateerd dat de nieuwe versie ook oké is. Verwijzen naar normen van niet-publiekrechtelijke aard Heel veel komt verwijzing naar een norm van privaatrechtelijke aard niet voor. Een voorbeeld is de verwijzing naar NEN-normen. In artikel 14a van de Bekendmakingswet is bepaald dat verwijzing naar een dergelijke norm mogelijk is, mits die normen kosteloos te raadplegen zijn. Van die normen moet dan apart mededeling worden gedaan in het Gemeenteblad, of van de vindplaats van die normen moet mededeling worden gedaan in de toelichting bij de regeling van de verwijzende bepaling. De elektronische beschikbaarheid moet dan wel voldoende verzekerd zijn. Zijn deze twee opties niet mogelijk, dan moet in de toelichting worden aangegeven op welke fysieke plek inzage kan worden verkregen. Lid 4 Een verwijzing wordt toegankelijker door een hyperlink op te nemen naar de regeling zoals die is opgenomen in de lokale wettenbank op overheid.nl. De lezer kan immers meteen doorklikken.
Alleen in het opschrift en de citeertitel van een regeling worden geen hyperlinks opgenomen. Bij een dynamische verwijzing is het wel van belang dat een hyperlink wordt opgenomen die de lezer altijd naar de laatste versie van de regeling leidt, en niet naar een eerdere versie die niet meer geldt. Dat kan volgens het volgende voorbeeld:
32
Voor lokale regelgeving: Je wilt verwijzen naar de Algemene Plaatselijke Verordening 2008. De URL van de laatste versie van de regeling is (op het moment van schrijven): https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR72510/51. ’51’ is het nummer van de versie van de regeling na de laatste wijziging. Als je dit versienummer weghaalt heb je een link die altijd op de laatste versie uitkomt.
Hetzelfde geldt als je wilt verwijzen naar een bepaald artikel, bijvoorbeeld artikel 9 van de Verordening op de stadsdelen en het stadsgebied Amsterdam 2022. Door bij de regeling in de lokale wettenbank op overheid.nl, in de inhoudsopgave van de regeling aan de linkerzijde, op ‘Artikel 9’ te klikken wordt in de zoekbalk de link gegenereerd naar dat artikel van de regeling. De URL van artikel 9 van de laatste versie van de regeling is (op het moment van schrijven): https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR673559/10#hoofdstuk_2_paragraaf_2_artikel_9:. ‘10’ is het nummer van de versie van de regeling na de laatste wijziging. Als je het versienummer weghaalt heb je de link die altijd op de laatste versie uitkomt.
Voor landelijke regelgeving: Je wilt verwijzen naar de Wet open overheid. De URL van de laatste versie van deze regeling is (op het moment van schrijven): https://wetten.overheid.nl/BWBR0045754/2025-01-01. ‘2025-01-01’ is de datum van de laatste wijziging. Als je die datum weghaalt heb je een link die altijd op de laatste versie uitkomt. Wil je verwijzen naar een bepaald artikel uit die wet, bijvoorbeeld artikel 3.1, dan kun je bij de regeling in de nationale wettenbank, in de inhoudsopgave van de regeling aan de linker zijde op ‘Artikel 3.1’ klikken. Dan wordt in de zoekbalk de URL van dat 3.1 van de regeling gegenereerd. Je ziet dan: https://wetten.overheid.nl/BWBR0045754/2025-0101#Hoofdstuk3_Artikel3.1. Haal je wederom de datum weg dan heb je een link naar het artikel dat altijd op de laatste versie van de regeling uitkomt (https://wetten.overheid.nl/BWBR0045754/#Hoofdstuk3_Artikel3.1).
32. Modellen verwijzing 1. Verwijzing naar een lid van een artikel vindt plaats overeenkomstig de volgende voorbeelden: Artikel 5, tweede lid, is van toepassing. Artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet.
2. Verwijzing naar een onderdeel van een opsomming vindt plaats met behulp van de aanduidingen ‘onderdeel’ of ‘onder’. Verwijzing naar een verdere onderverdeling geschiedt met een combinatie van deze aanduidingen. Bijvoorbeeld: Artikel 6, tweede lid, aanhef en onderdeel a, aanhef en onder iii , is van overeenkomstige toepassing.
3. Bij verwijzing naar een bepaling van dezelfde regeling als waarin de verwijzing wordt opgenomen, wordt volstaan met het noemen van dat artikel of artikelonderdeel. 4. Bij verwijzing naar een andere, vlak daarvoor genoemde regeling of bepaling van een andere regeling kan vaak ‘die regeling/de bepaling’ of iets dergelijks worden gebruikt. Hetzelfde geldt voor begrippen. 5. Als in een object in een bijlage vanwege ruimtegebrek een verwijzing moet worden ingekort dan vindt dat plaats overeenkomstig het volgende voorbeeld: Art. 170, lid 1, aanhef en onder a, Gemeentewet.
33
Leden 1 en 2 Zie de toelichting bij aanwijzing 31, tweede alinea na het citaat uit artikel 3.1 van een APV. Vermeldingen als ‘lid 2’, ‘sub a’ of ‘letter b’ worden dus vermeden. Bij een verwijzing naar een andere regeling wordt de precieze citeertitel opgenomen en dus niet verwezen naar ‘het vigerende beleid’ of ‘de geldende Huisvestingsverordening’. Onderdeel van zorgvuldige voorbereiding van een nieuwe regeling of wijzigingsregeling is het uitzoeken en zo nodig aanpassen van de verwijzingen naar de regeling die je wijzigt of vervangt. Op deze manier wordt voorkomen dat verouderde verwijzingen blijven staan. Denk hierbij vooral aan het Algemeen mandaatbesluit Amsterdam en de Verordening op de stadsdelen en het stadsgebied Amsterdam 2022, in plaats van het Bevoegdhedenbesluit ambtelijke organisatie Amsterdam en de Verordening op het lokaal bestuur in Amsterdam. Lid 3 Als in een regeling moet worden verwezen naar een bepaling uit diezelfde regeling, gebeurt dat door enkel het nummer van de bepaling te vermelden: ‘Artikel 8, derde lid, is van overeenkomstige toepassing’; niet: ‘Artikel 8, derde lid, van deze verordening is ...’. Lid 4 Uit een vorige model-APV: Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1.
Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. (...) 4. Op de vergunning, bedoeld in het eerste lid, is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
In heel artikel 2:11 komt maar één vergunningsfiguur voor. Daarom kunnen in het vierde lid de woorden ‘, bedoeld in het eerste lid,’ worden gemist en zijn ze in het voorbeeld doorgestreept. Zie ook de toelichting bij aanwijzing 31, derde alinea, waar iets vergelijkbaars werd gesignaleerd. Lid 5 Als er ruimtegebrek is in een object in een bijlage, bijvoorbeeld in een tabel, dan komt het de leesbaarheid ten goede om een verwijzing in de korten. Het woord 'artikel' wordt dan ingekort naar 'art.', in plaats van 'eerste lid' wordt 'lid 1' gebruikt en de woorden 'van de' voor de citeertitel van een regeling worden geschrapt. Het kan ook handig zijn om in de verwijzing de citeertitel van een regeling af te korten, bijvoorbeeld 'Gemw.' in plaats van 'Gemeentewet', 'Awb' in plaats van 'Algemene wet bestuursrecht' of 'APV' in plaats van 'Algemene Plaatselijke Verordening 2008'. In dergelijke gevallen worden gangbare afkortingen gebruikt en worden deze toegelicht aan het begin van de bijlage.
34
33. Aanhaling zin en zinsdeel 1. Een volledige zin wordt aangehaald als ‘zin’. 2. Een zinsdeel wordt aangehaald door vermelding van de volledige tekst of van het begin en het einde daarvan. Lid 2 Voorbeelden: het zinsdeel ‘wanneer hij daarin heeft toegestemd’. het zinsdeel beginnende met ‘tenzij de voorzitter’ en eindigend met ‘heeft verklaard’. of: het zinsdeel ‘tenzij de voorzitter (...) heeft verklaard’. 34. (Als) genoemd en bedoeld 1. Met de uitdrukking ‘, genoemd’ wordt verwezen naar bepaalde personen of zaken die specifiek zijn aangeduid. 2. Met de aanduiding ‘, bedoeld’ wordt verwezen naar bepaalde personen of zaken die in algemene of omschrijvende zin zijn aangeduid. 3. De aanduiding ‘als bedoeld’ wordt gebruikt als het voorafgaande begrip 'een' als lidwoord of geen lidwoord heeft. 4. Vaak is ‘, genoemd’, ‘, bedoeld’ of ‘als bedoeld’s helemaal niet nodig maar blijkt uit de context voldoende om welk begrip het gaat. Laat het dan weg. Voorbeelden: Lid 1: ‘de organen, genoemd in artikel 5,’ (met komma’s). Lid 2: ‘de omstandigheden, bedoeld in artikel 8,’ (met komma’s). Lid 3: ‘een aantekening als bedoeld in artikel 15’ (zonder komma’s). Lid 4: ‘de aanvraag om een vergunning [namelijk van de vergunning waarvan kort daarvóór sprake was]’. 35. Van (overeenkomstige) toepassing 1.
De uitdrukking ‘is van toepassing’ wordt gebruikt als de bepaling waarnaar wordt verwezen, letterlijk kan worden toegepast. 2. De uitdrukking ‘is van overeenkomstige toepassing’ wordt gebruikt als de bepaling waarnaar wordt verwezen, niet geheel letterlijk kan worden toegepast, maar misverstand over de overeenkomstig toe te passen tekst uitgesloten is. 3. De uitdrukking ‘is van (overeenkomstige) toepassing, met dien verstande dat ...’ wordt gebruikt als de bepaling waarnaar wordt verwezen, gedeeltelijk of met wijziging van bepaalde onderdelen moet worden toegepast. Enkele voorbeelden uit bestaande wetten kunnen deze aanwijzing het best illustreren. Is van toepassing: Artikel 25 van de Huisvestingswet 2015 [verlening huisvestingsvergunning] 1. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing. 35
(Paragraaf 4.1.3.3 Algemene wet bestuursrecht, waar artikel 25 naar verwijst, bevat de silenciopositivoregeling) Is van overeenkomstige toepassing: Artikel 81h van de Gemeentewet [verboden handelingen leden rekenkamer] Artikel 15, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op de leden van de rekenkamer. (Artikel 15 van de Gemeentewet somt de handelingen op die een raadslid niet mag verrichten. Dankzij artikel 81h gelden die verboden nu ook voor de leden van de rekenkamer.) Is van overeenkomstige toepassing, met dien verstaande dat: Artikel 8:83, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht [zitting bij verzoek om voorlopige voorziening] (…) Artikel 8:58 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat tot één dag voor de zitting nadere stukken kunnen worden ingediend. (…) (Artikel 8:58, waar artikel 8:83, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht naar verwijst, geeft een termijn tot tien dagen voor de zitting.) 36. Voorbereidingsprocedure afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht Als het wenselijk is de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing te verklaren, wordt het volgende model gebruikt: Op de voorbereiding van het besluit is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (uniforme openbare voorbereidingsprocedure) van toepassing.
37. Onverminderd, in afwijking van De uitdrukkingen ‘onverminderd artikel ...’ en ‘in afwijking van artikel ...’ worden alleen gebruikt als dat nodig is om de onderlinge verhouding tussen de ene en de andere bepaling duidelijk te maken. Vaak kunnen ze worden gemist. De Algemene wet bestuursrecht biedt een illustratief voorbeeld. Artikel 3:24 begint met ‘Onverminderd artikel 3:23, vierde lid,’ om duidelijk te maken dat de genoemde bepaling geldt naast artikel 3:23; zonder deze beginwoorden zou daarover twijfel kunnen rijzen. Artikel 3:24 Algemene wet bestuursrecht Onverminderd artikel 3:23, vierde lid, vangt de termijn voor het nemen van de besluiten, bedoeld in artikel 3:23, eerste lid, aan met ingang van de dag waarop de laatste aanvraag is ontvangen.
36
Artikel 5:26 van een vorige model-APV – waarin de term ‘onverminderd’ doorgaans juist werd gebruikt – liet een overbodig ‘onverminderd’ zien: Artikel 5:26 [aanwijzingen ligplaats] 1. Onverminderd het krachtens het tweede lid van artikel 5:25 bepaalde kan het college aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente. Artikel 5:25, tweede lid [ligplaats vaartuigen] 2. Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water: a. nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente; b. beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen. Omdat artikel 5:25 ging over de bevoegdheid om algemene regels te geven en artikel 5:26 over individuele aanwijzingen, ‘beten’ deze bevoegdheden elkaar niet en zou de gedachte niet snel rijzen dat een aanwijzing krachtens artikel 5:26 niet zou kunnen bestaan naast een nadere regel krachtens artikel 5:25 als er niet dat ‘onverminderd’ had gestaan in 5:26.
Artikel 5:26, eerste lid, had dus eenvoudig kunnen beginnen met: ‘Het college kan aan de rechthebbende op een vaartuig ... (enz.).’
38. Verwijzing naar regeling met en zonder citeertitel 1. Bij verwijzing naar een regeling die een officiële citeertitel heeft, wordt alleen de citeertitel gebruikt, zonder vermelding van het blad (Tractatenblad, Staatsblad, Staatscourant, Provinciaal blad, Gemeenteblad of Blad gemeenschappelijke regeling) waarin de regeling is geplaatst. Ook de datum van vaststelling, laatste wijziging, of inwerkingtreding wordt niet vermeld. 2. Naar een regeling zonder officiële citeertitel wordt verwezen overeenkomstig het volgende model: Het besluit van de raad van 12 oktober 2002, nr. 341, tot wijziging van de Verordening op de hondenbelasting (Gemeenteblad 2002, 154).
3. In uitzondering op het eerste lid, geldt voor verwijzing naar een gemeentelijke regeling die wel een citeertitel heeft, maar die niet in geconsolideerde vorm beschikbaar wordt gesteld in de lokale wettenbank op lokaleregelgeving.overheid.nl, dat naast de citeertitel ook verwezen wordt naar de vindplaats in het Gemeenteblad.
37
4. Als vermelding van een vindplaats in het Staatsblad, de Staatscourant, het Provinciaal blad, het Gemeenteblad of het Blad gemeenschappelijke regeling nodig is, gebeurt dat door toevoeging van een aanduiding overeenkomstig de volgende voorbeelden: Stb. 2009, 35 Stcrt. 2010, 247 Provinciaal blad 2010, 175 Gemeenteblad 2011, 127 Blad gemeenschappelijke regeling 2025, 116
Lid 1 Als een wet, een algemene maatregel van bestuur, een verordening of welke regeling dan ook een officiële citeertitel heeft, dan is die te vinden in de slotbepaling van de regeling. In dat geval wordt de regeling door die citeertitel geïdentificeerd. Verwijzing naar een regeling impliceert verwijzing naar de regeling zoals die geldt op de dag waarop ze moet worden toegepast, ze is dus ‘dynamisch’ (tenzij anders is bepaald natuurlijk, zie aanwijzing 31). De teksten van deze regelingen zijn op het internet te vinden via wetten.overheid.nl of lokaleregelgeving.overheid.nl. Lid 3 De uitzondering in het derde lid is opgenomen, omdat een gemeentelijke regeling die niet in geconsolideerde vorm beschikbaar is gesteld, zonder de vindplaats in het Gemeenteblad soms lastig te vinden is.
39. Modellen aanhaling veel voorkomende bronnen 1. Verwijzing naar een artikel uit het Burgerlijk Wetboek geschiedt volgens het volgende voorbeeld: artikel 162 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek. 2. Een verdrag zonder citeertitel wordt aangehaald volgens het volgende voorbeeld: het op 20 juni 1956 te New York tot stand gekomen Verdrag inzake verhaal in het buitenland van uitkeringen tot onderhoud (Trb. 1957, 121). 3. Verwijzing naar parlementaire stukken geschiedt volgens de volgende voorbeelden: a. Kamerstukken II 2009/10, 27858, nr. 88, p. 3; b. Kamerstukken I 2008/09, 31700 VI, D, p. 4; c. Handelingen II 2007/08, nr. 108, p. 7909–7943 (tot en met 31 december 2010); d. Handelingen I 2024/25, nr. 12, item 12, p. 6 (vanaf 1 januari 2011); 4. Verwijzingen naar gepubliceerde jurisprudentie geschiedt volgens het volgende voorbeeld: HR 7 maart 1979, ECLI:NL:HR:1979:AB7440. 5. Aanhaling van het Publicatieblad van de Europese Unie geschiedt volgens het volgende voorbeeld: PbEU 2008, L 54. Neem een hyperlink wordt op naar de vindplaats van de bron waarnaar verwezen wordt.
38
§2. Bestanddelen van een regeling a. Opschrift en aanhef 40. Opschrift, citeertitel 1. Regelingen worden voorzien van een opschrift. 2. Als aan een regeling een citeertitel wordt gegeven, wordt deze aan het slot van het opschrift tussen haakjes vermeld. 3. Het opschrift wordt beknopt gehouden en bevat zo mogelijk enige materiële aanduiding van het onderwerp van de regeling. 4. Uit het opschrift blijkt om welk type regeling het gaat. Dit geldt ook voor nadere regels en voor beleidsregels. 5. Bij regelingen met een tijdelijke werkingsduur blijkt dit uit het opschrift. Het opschrift van de hemelwaterverordening kan dus luiden: ‘Verordening van de raad van de gemeente Amsterdam over het bergen van hemelwater (Hemelwaterverordening Amsterdam)’. Of in het geval van een wijzigingsverordening: ‘Verordening van de raad van de gemeente Amsterdam tot wijziging van de Hemelwaterverordening Amsterdam in verband met een uitzondering voor tijdelijke gebouwen, het opnemen van een informatieplicht en enkele technische wijzigingen’. Zie ook het sjabloon op intranet en aanwijzing 75, over citeertitels van regelingen. Lid 5 Zie ook aanwijzing 82, derde lid, over tijdelijke regelingen. 41. Model aanhef vaststellingsbesluit verordening en wijzigingsbesluit 1.
Voor de aanhef van het raadsbesluit waarbij een nieuwe verordening wordt vastgesteld, wordt het volgende model gebruikt: De raad van de gemeente Amsterdam; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van ... [datum]; gelet op artikel ... van de Wet …; gezien het advies/verslag van … van … [datum]; besluit de volgende verordening vast te stellen:
2. Gaat het om de wijziging van een regeling, dan luidt de laatste regel: ‘besluit:’. Lid 1 Alleen als een nieuwe verordening wordt vastgesteld luidt de slotregel ‘besluit de volgende verordening vast te stellen’. Daarna volgen dan de citeertitel (vetgedrukt) en de tekst van de nieuwe verordening.
39
Wordt een considerans gebruikt (‘overwegende dat …’), dan komt die direct vóór de besluit-regel; zie aanwijzing 44. Pas bij andere soorten regelingen dan een verordening het model analoog toe. Zie de toepasselijke sjablonen op intranet. Lid 2 Betreft het bijvoorbeeld de wijziging van de Erfgoedverordening Amsterdam, dan volgt op het slotwoord van de aanhef: besluit: Artikel I De Erfgoedverordening Amsterdam wordt als volgt gewijzigd: (…) Zie ook het voorbeeld in de toelichting bij aanwijzing 89, en het sjabloon op intranet. 42. ‘Gelet op’ 1. De uitdrukking ‘gelet op’ wordt gebruikt om te verwijzen naar de regeling waarop de regelgevende bevoegdheid berust. Daarbij wordt verwezen naar een of meer afzonderlijke artikelen van die regeling, behalve als dat vanwege het grote aantal artikelen te bezwaarlijk is. 2. Bij een regeling die krachtens delegatie wordt vastgesteld, wordt tevens ‘gelet op’ het betreffende artikel in de delegerende verordening of het delegatiebesluit. 3. Bij beleidsregels wordt artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht genoemd en het artikel van de regeling waarin de bevoegdheid staat waar de beleidsregels over gaan. Lid 1 Bij een gewone ‘autonome’ gemeentelijke verordening wordt ‘gelet op’ artikel 149 van de Gemeentewet. Men vindt soms ook wel verwijzing naar ‘de artikelen 108 en 147’.
Dat is op zichzelf niet echt fout; maar artikel 149 is voldoende als basis, daarom kan daarmee worden volstaan. (Artikel 147 alleen zou onvoldoende zijn: die bepaling verdeelt alleen de uit artikel 108 voortvloeiende bevoegdheden over de daar genoemde organen, maar roept die bevoegdheden niet in het leven. Artikel 149 bevat echter een complete competentiebepaling. Voor belastingverordeningen wordt verwezen naar artikel 216 of naar het artikel waarop de specifieke belasting berust. Een noodverordening van de burgemeester berust op artikel 176 van de Gemeentewet, een organisatieregeling van het college op artikel 160, eerste lid, aanhef en onder c, van de Gemeentewet. Bij een medebewindsverordening wordt ‘gelet op’ het artikel of de artikelen van de medebewindswet – soms algemene maatregel van bestuur of provinciale verordening – die de
40
plicht of de bevoegdheid tot het vaststellen van de verordening in het leven roept; bijvoorbeeld artikel 4 van de Alcoholwet en de artikelen 8 en 8a van de Participatiewet. Als een regeling gebaseerd is op veel verschillende wettelijke bepalingen, verduidelijk dan in de toelichting op welke wetsartikelen een bepaald hoofdstuk of artikel berust. Lid 3 Stelt het college beleidsregels vast over het gebruik van een privaatrechtelijke bevoegdheid? Dan wordt er achter ‘gelet op’, naast artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht, ‘samen met artikel 160, eerste lid, aanhef en onder d, van de Gemeentewet’ opgenomen. 43. ‘Gezien’ 1. De uitdrukking ‘gezien’ wordt gebruikt bij gevraagde externe rapporten en adviezen. 2. Gevraagde rapporten en adviezen worden in de aanhef van een regeling vermeld. 3. Bij ‘gezien’ kan ook worden verwezen naar het verslag van een participatie- of openbare voorbereidingsprocedure. Als de aanhef een ‘gezien’-regel kent, moet in de toelichting serieus worden ingegaan op de daar vermelde adviezen, rapporten of inspraakresultaten, enz. Als advies is gevraagd aan een juridisch adviseur of andere technische instantie, wordt dat hier niet vermeld, zulke adviezen worden beschouwd als intern. Zo nodig kan daar in de toelichting wel melding van worden gemaakt. 44. Considerans 1.
In de aanhef van een verordening kan bij de vaststelling een considerans of beweegreden worden opgenomen. 2. Is er een considerans, dan worden daarin het motief en de eventuele aanleiding tot het vaststellen van de verordening of van de wijziging kort aangeduid. 3. De considerans wordt ingeleid met de woorden ‘overwegende dat’ en geplaatst tussen de gezien-regel en de besluit-regel. Een considerans is niet verplicht, ze is evenmin verboden. Daarom kan bij verordeningen een considerans worden opgenomen. Bij uitvoeringsregelingen wordt nooit een considerans gebruikt. Omdat de considerans juridisch niet nodig is, wordt ze in elk geval beknopt gehouden. Bijvoorbeeld: overwegende dat het wenselijk is de Monumentenverordening Amsterdam 2005 te vervangen door een erfgoedverordening; overwegende dat het wenselijk is de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 uit te breiden met enkele bepalingen ter regulering van prostitutie; Of bij een verplichte medebewindsverordening: overwegende dat de Participatiewet voorschrijft verschillende onderwerpen bij gemeentelijke verordening te regelen;
41
De redenen om de regeling vast te stellen blijken duidelijker uit de toelichting; zie aanwijzing 76, tweede lid, aanhef en de eerste twee onderdelen. Bij een raadsverordening maakt de considerans deel uit van het raadsbesluit, ze kan dus worden geamendeerd. b. Definities 45. Definities, geen materiële regels 1. Termen die een te weinig bepaalde of een van het spraakgebruik afwijkende betekenis hebben en die meermalen in de regeling voorkomen, worden gedefinieerd, doorgaans in het eerste artikel. Komt zo’n term slechts eenmaal of een heel beperkt aantal keren voor, dan kan de term – als al nodig – waarschijnlijk het best daar worden verduidelijkt waar ze voor het eerst wordt gebruikt. 2. In een definitiebepaling wordt aan een term geen sterk van het normale spraakgebruik afwijkende betekenis gegeven. 3. Materiële regels horen niet thuis in een definitiebepaling maar elders in de regeling. 4. Gebruik in het opschrift de term ‘Definities’, niet de verouderde aanduiding ‘Begripsbepalingen’. 5. Definieer begrippen die in wetten betreffende basisregistraties zijn gedefinieerd, niet anders dan daar is gedaan. Wees terughoudend met het gebruik van definities, ze verminderen de leesbaarheid van de regeling. Lid 5 Er zijn tien basisregistraties. De bekendste is de Basisregistratie personen (Wet basisregistratie personen).
De overige betreffen: adressen en gebouwen (Wet basisregistratie adressen en gebouwen), topografie, voertuigen, inkomen, waarde onroerende zaken (Wet waardering onroerende zaken), grootschalige topografie (Wet basisregistratie grootschalige topografie) en ondergrond; ook het handelsregister en het kadaster zijn basisregistraties. De in deze registraties gebruikte begrippen worden gebruikt bij digitale gegevensuitwisseling en vormen daarmee een soort terminologische ruggengraat. Daarom is het verstandig, zich ook bij de regelgeving daaraan te conformeren. 46. Verkorte aanduidingen Veelvuldige herhaling van omvangrijke omschrijvingen kan soms worden vermeden door in de definitiebepaling een verkorte aanduiding op te nemen. Voorbeelden: identiteitscommissie: de identiteitscommissie, bedoeld in artikel 17d van de Wet op het primair onderwijs; feestdag: Nieuwjaarsdag, de dag waarop de verjaardag van de Koning wordt gevierd, de vijfde mei, eerste en tweede Kerstdag, tweede Paasdag, Hemelvaartsdag en tweede Pinksterdag.
42
Als we de substitutieregels uit de algebra zouden volgen, zou het begin van de definitie van de identiteitscommissie moeten luiden: ‘ identiteitscommissie: identiteitscommissie, bedoeld in ...’. Maar regelgeven is geen algebra en het ‘de’ in de omschrijving levert een beter leesbare bepaling op; daarom heeft deze vorm de voorkeur. 47. Formulering definitiebepalingen 1. Voor een definitie in een verordening wordt het volgende model gebruikt: In deze verordening (eventueel: en de daarop berustende besluiten) wordt (eventueel: mede) verstaan onder: – …: …; – …: ….
2. De term ‘verstaan’ wordt gebruikt wanneer een begrip in algemene zin wordt gedefinieerd. 3. De term ‘mede verstaan’ wordt gebruikt als aan de betekenis van een begrip een zekere uitbreiding wordt gegeven (‘onder bromfietsen worden mede verstaan snorfietsen’). 4. In een definitiebepaling worden geen aanhalingstekens gebruikt. 5. De te definiëren begrippen worden ongeletterd in alfabetische volgorde geplaatst, zonder lidwoord, voorafgegaan door een gedachtestreep (‘–‘) en een spatie. Lid 1 De toevoeging ‘en de daarop berustende besluiten’ wordt alleen gebruikt als de regeling ook uitvoeringsregelingen kent, die krachtens delegatie of attributie worden vastgesteld. Pas bij andere soorten regelingen dan een verordening het model analoog toe. Lid 4 Dus bijvoorbeeld niet: -
‘bromfiets’: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Het te definiëren begrip wordt niet tussen aanhalingstekens geplaatst. Lid 5 Tot voor betrekkelijk kort was het gebruik om de te definiëren begrippen te letteren en ze te plaatsen in volgorde van belangrijkheid of een andere doordachte volgorde. Bij een tamelijk groot aantal begrippen betekende dat soms een heel gezoek. En wordt bij wijziging van de regeling een nieuw begrip toegevoegd, dan kan soms tot lastige capriolen leiden om het begrip een passende plaats te geven; soms moet dan worden verletterd. Daarom is hier gekozen voor een eenvoudig systeem: alfabetische volgorde, zonder lidwoord en zonder letteraanduiding. Wel is het verstandig elke te definiëren term vooraf te laten gaan door een gedachtestreep met spatie: dat bevordert de overzichtelijkheid. Voorbeeld: (deels een bewerking van het begin van artikel 1:1 model-APV)
43
1. In deze verordening wordt verstaan onder: bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; bouwwerk: wat daaronder wordt verstaan in de Omgevingswet; gebouw: wat daaronder wordt verstaan in de Omgevingswet; handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten waarmee kennelijk wordt beoogd een commercieel belang te dienen; (…) 2. In deze verordening worden onder bromfietsen mede verstaan snorfietsen. Moet hier later ergens een nieuwe definitie worden ingevoegd, dan kan dat door in het wijzigingsbesluit te bepalen: In artikel 1:1 van de Algemene plaatselijke verordening wordt na de definitie van ‘bouwwerk’ ingevoegd: buurtgebouw: het gebouw dat in een bepaalde wijk wordt gebruikt voor buurt- en clubhuiswerk; Het kan ook zo: In artikel 1:1, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening wordt in alfabetische volgorde van de begrippen ingevoegd: geluidsmeting: … (enz.); kamerbewoner: … (enz.). c. Mandaat en delegatie 48. Modellen mandaatverlening en verbod van mandaat 1. Als daar dringende redenen voor zijn, kan in een verordening of nadere regels worden bepaald dat een gedelegeerde bevoegdheid niet mag worden gemandateerd. Dit gebeurt als volgt: Van de bevoegdheid tot … kan geen mandaat worden verleend.
2. Wanneer het van belang is uitdrukkelijk te bepalen dat een bevoegdheid kan worden gemandateerd, gebeurt dat als volgt: Van de bevoegdheid tot … kan mandaat worden verleend aan … .
Artikel 10:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat mandaatverlening is toegestaan, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald of de aard van de bevoegdheid zich tegen de mandaatverlening verzet. Hierdoor kan indien gewenst een mandaatverbod ten aanzien van een gedelegeerde bevoegdheid worden opgenomen. Het bestuursorgaan kan ook bepalen dat mandaatverlening wel is toegestaan, maar bijvoorbeeld alleen aan bepaalde personen (functies) of onder bepaalde voorwaarden, zoals omstandigheden of beperkingen. Artikel 10:3, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht bevat enkele mandaatverboden.
44
49. Begrenzen delegatie, nadere regels of aanwijzen 1. Elke delegatie van regelgevende bevoegdheid wordt in de delegerende regeling zo nauwkeurig mogelijk omschreven. 2. Bij delegatie van regelgevende bevoegdheid wordt gesproken over de bevoegdheid tot het 'stellen van nadere regels’ of het 'aanwijzen' van bepaalde zaken. Lid 1 Bij ‘zo nauwkeurig mogelijk omschrijven’ kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het noemen van de onderwerpen (zoals procedure voor elektronisch indienen van aanvragen of verstrekken van inlichtingen) of de doelen van de krachtens delegatie vast te stellen regeling of de belangen die met de regeling moeten worden beschermd. Lid 2 In de praktijk wordt bij de benaming van uitvoeringsregelingen geen verschil gemaakt; daar wordt altijd van ‘nadere regels’ gesproken, behalve bij de nadere regels op grond van de Algemene subsidieverordening Amsterdam 2023: daar heten ze ‘subsidieregeling’. Zie voor meer over citeertitels van regelingen aanwijzing 75. d. Bijzondere besluiten 50. Vergunning, ontheffing, vrijstelling en melding: model 1. De term ‘vergunning’ wordt gebruikt voor een beschikking waarbij in een individueel geval een bepaalde handeling wordt toegestaan die anders verboden zou zijn maar waarvan de toelaatbaarheid van geval tot geval moet worden beoordeeld of waarbij het aangewezen kan zijn, voorschriften of beperkingen op te leggen.