CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

A - 33 Zorg en Maatschappelijke Ontwikkeling (47) Integraal zorg akkoord

RAAD 30 november 2022, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van het Integraal Zorg AkkoordVN2022-03726560.266 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 6 van 7

In het leernetwerk van Akwa wordt gekeken naar succesvolle werkwijzen, voor welke doelgroepen dit verkennend gesprek meerwaarde heeft, en die worden benut voor de verdere ontwikkeling. Uitgangspunten: • Patiënten mogen zelf ook keuze maken voor een aanbieder. • Huisartsen kunnen indien dit wenselijk is altijd zelf een keuze maken om rechtstreeks te verwijzen naar de GGZ of naar de gemeente (als dit voor de huisarts helder is). 2. Er wordt in dat verkennend gesprek vanuit verschillende invalshoeken naar de patiënt en zijn zorgvraag gekeken. Daarbij is de ambitie dat de patiënt door de ggz professional binnen één week wordt gezien. De huisarts blijft de verwijzer en gedurende het verkennende gesprek valt de patiënt onder de verantwoordelijkheid van de huisarts. De uitkomst van het verkennend gesprek kan zijn dat er: • Wmo ondersteuning, arbeidstoeleiding enz. nodig is. De patiënt wordt hiernaartoe begeleid en verder weer overgedragen aan de huisarts.(blijft in zorg bij de huisarts) • Er is alleen ggz zorg nodig of combinatie van GGZ- zorg en hulp uit het sociaal domein dan is het streven dat binnen vier weken[2] de behandelverantwoordelijkheid voor de client door de ontvangende instelling (kerninstelling, andere instelling of vrijgevestigde) overgenomen van de huisarts (ook als er nog geen intake heeft plaatsgevonden). Dat is een belangrijke verbetering t.o.v.

De huidige situatie waar de huisarts langdurig verantwoordelijk blijft als de patiënt moet wachten. •

De behandelende GGZ-organisatie is afhankelijk van de uitkomst van het verkennende gesprek, de hoeveelheid ingekochte zorg voor verzekeraars, de actuele wachtlijsten van aanbieders, de afspraken op transfertafels en de voorkeur voor de patiënt. Uitgangspunt is intake en behandeling binnen de Treek-normen. Voor het verkennend gesprek geldt – als geen verwijzing naar de ggz plaatsvindt – geen eigen risico.

Integraal Zorgakkoord 2022 | 75

Afspraak Mentale gezondheidscentra en regionale wachtlijsten Verwijzing na het verkennend gesprek: 1. Cliënten die na het verkennend gesprek een traject binnen de ggz behoeven, worden in eerste instantie verwezen naar de organisatie die de best passende zorg biedt in relatie tot de hulpvraag, indien er meerdere aanbieders daarvoor zijn, dan (uiteraard) naar degene met de kortste wachttijd; 2. Bij doorverwijzing naar de multidisciplinaire zorg is het uitgangspunt dat patiënten in eerste instantie worden doorverwezen naar passende behandelplaatsen waar de treeknorm voor intake en behandeling niet wordt overschreden, bij voorkeur in de regio; 3. Als alle aanbieders de treeknorm voor intake en behandeling overschrijden wordt de patiënt geplaatst naar de zorgverlener van zijn of haar keuze. Wachtlijsten: Er is op regioniveau een wachtlijstoverzicht. Die is opgebouwd uit de kwalitatieve en kwantitatieve wachtlijsten van de mentale gezondheidscentra en wachtlijsten op stedelijk niveau. Onder kwalitatief wordt bedoeld dat specifieke zorgvragen/doelgroepen zichtbaar zijn. Deze wordt in samenhang aan de transfertafels besproken. • De huisarts beoordeelt bij de verwijzing welke aanbieders welke wachtlijsten heeft en neemt dit samen met de patiënt mee bij de keuze voor de verwijzing.

Als de gekozen aanbieder (zorginstellingen en vrijgevestigde praktijken) de treeknorm voor intake en behandeling overschrijdt adviseert de huisarts de patiënt contact op te nemen met het zorgbemiddelingsloket van de zorgverzekeraar. Na de zorgbemiddeling verwijst de huisarts de patiënt naar de geadviseerde en door de patiënt gekozen zorgaanbieder. Alle aanbieders, instellingen en vrijgevestigden, worden verplicht hun wachtlijst op te geven aan de NZA24 en als er geen wachtlijst is hoeveel patiënten kunnen worden aangemeld de komende maand. • Aanbieders worden aangespoord hun wachtlijsten steeds actueel te houden binnen de grenzen van redelijkheid. (dat is tenminste 2x per jaar contact met patiënten op de wachtlijst). • Er worden maatregelen genomen om inzicht te krijgen hoeveel mensen er dubbel op wachtlijsten staan. (zie project n.a.v. IZA – door VWS). • Patiënten hebben het recht om wel bij meerdere zorgaanbieders aangemeld te staan voor dezelfde zorgvraag. • Op deze manier is per regio een actueel overzicht van wachtenden en wachttijden (samengevoegde wachtlijsten). Dit inzicht is cruciaal om de wachttijden aan te kunnen pakken omdat op deze manier duidelijk wordt waar actie moet worden ondernomen. De wachttijden zijn inzichtelijk voor de patiënt en de voorkeur van de patiënt is leidend. (Deze werkwijze wordt de komende jaren ingevoerd.

Tot die tijd blijven de lopende werkwijzen om wachtlijsten te verlagen onverminderd van kracht)

24

Er wordt nog nader bekeken of NZa deze rol kan vervullen.

76 | Integraal Zorgakkoord 2022

Afspraak Mentale gezondheidscentra en regionale wachtlijsten Monitoring en escalatiemogelijkheden: Risico van bovenstaande werkwijze is dat sommige kerninstellingen meer dan gemiddeld naar zichzelf zouden verwijzen en andere partijen hier problemen meer hebben. Een ander risico is juist dat een deel van de aanbieders onvoldoende meedoet waardoor het maximale resultaat niet wordt behaald. Monitoring: Om de resultaten te volgen per regio & om te bezien of ongewenste effecten optreden spreken we het volgende af Alle aanbieders rapporteren aan de regionale transfertafel op tenminste drie aspecten: • Omvang van de wachtlijst en de wachttijd en maatregelen die worden genomen de wachttijd te verlagen. • Aantallen doorverwijzingen naar de verschillende aanbieders in de regio via het mentaal gezondheidscentrum en transfertafel. • Mate van deelname door de aanbieders in de regio aan de verkennende gesprekken en aan de transfertafel. Mogelijke stappen bij niet goed functioneren: De volgende stappen zetten we als een dergelijke situatie zich zou voordoen 1. aanbieders rapporteren steeds regionaal en de transfertafels rapporteren aan de stuurgroep wachttijden. 2. als er vragen zijn van partijen in de regio over de verwijsstroom in aantallen patiënten over deze doelgroep en daarmee mogelijke markt beïnvloeding dan wordt dat door de 3 verzekeraars besproken met partijen. 3.

er worden afspraken gemaakt over verbeteringen. 4. verzekeraars kunnen anders contracteren en het hiermee desgewenst de situatie in de regio beïnvloeden. 5. als de maatregelen onder 3. en 4. onvoldoende zijn dan kan er een onderzoek in de regio door de verzekeraars worden gedaan. 6. als de verbeteringen naar aanleiding van dit onderzoek onvoldoende zijn kan daarna door verzekeraars aan de toezichthouders – NZa (m.b.t zorgplicht, als doelgroepen niet worden bediend) en IGJ –worden gevraagd om onderzoek te doen teneinde een oordeel te kunnen vellen. 7. indien bovenstaande stappen tot onvoldoende wijzing van de situatie leidt kan de organisatie van het verkennende gesprek voor die regio in handen van een onafhankelijke organisatie worden gegeven.

Integraal Zorgakkoord 2022 | 77

Afspraak Mentale gezondheidscentra en regionale wachtlijsten Borging opzet: • Een extern bureau wordt gevraagd een aantal uitvoeringsmodaliteiten op te leveren om de onafhankelijkheid van het inzicht en doorstroom(verwijzingen) te borgen. • Hierbij moet het bureau ook advies moeten geven hoe te komen tot objectieve cijfers over landelijke en regionale wachtlijsten (unieke patiënten) en wachttijden en de wijze waarop hierop gerapporteerd kan worden aan stuurgroep wachttijden en bestuurlijk overleg wachttijden. De werkwijze moet vooral de regio faciliteren de juiste maatregelen te kunnen doen. • Transitiemiddelen op dit gebied worden toegekend door de verzekeraars op basis van de beschreven uitvoeringsmodaliteiten voor sectorspecieke en algemene transitiemiddelen. • Privacy-bestendige gegevensdeling wordt geborgd, gebaseerd op de werkwijzen van de huidige transfertafels. • Samen met AKWA wordt een traject in gezet met een aantal aanbieders, zorgverzekeraars, het sociaal domein, een vertegenwoordiging van patiënten en professionals, om een werkwijze te ontwikkelen voor de verkennende gesprekken en de mentale gezondheidscentra op basis van de genoemde functionaliteiten. Deze te ontwikkelen modaliteit geldt voor alle aanbieders.

• Toezichthouders (IGJ en NZa) zien er actief op toe dat aanbieders en zorgverzekeraars de afgesproken instrumenten inzetten en regionale samenwerking vormgeven om actief wachtlijstenbeheer te voeren. • De voortgang van de afspraken wordt besproken in het periodiek BO wachttijden.

Hybride zorg in de ggz De afgelopen jaren zijn er, onder andere door COVID, veel goede ervaringen opgedaan met hybride zorgvormen. Voor een deel van de doelgroepen is een (nagenoeg) geheel digitale behandeling effectief. Partijen onderschrijven de kansen die e-health biedt voor de ggz-zorg en de noodzaak om hieraan een stevige impuls te geven in het kader van passende zorg en het voldoen aan de toegankelijkheid van de GGZ voor alle doelgroepen. Voor alle groepen in de GGZ willen we de komende jaren verdere stappen zetten om de inzet uit te breiden. De opbrengst is om hiermee meer patiënten te behandelen met dezelfde behandelcapaciteit in in ieder geval de monodisciplinaire zorg (dit betreft zowel de instellingen als de vrijgevestigden). Uitgangspunt hierbij is meer regie van de patiënt in zijn behandeling, frequenter (kortdurend) contact daar waar wenselijk én zorgen voor passende zorg, waardoor de wachtlijsten in de GGZ structureel kunnen worden verlaagd. Partijen maken hiertoe de volgende afspraken: Om de wachtlijsten te verminderen moeten er extra mensen worden behandeld in deze groepen met de huidige capaciteit aan professionals die werkzaam voor deze patientgroepen. Hierdoor moet zo’n 6% van de behandelcapaciteit vrijgespeeld worden. Het is aan de professionals zelf dit vorm te geven.

Gezien de ervaringen die zijn opgedaan met digitale interventies wordt er gestreefd naar zoveel mogelijk hybride werkvormen waar dit passend is voor de patiënt. Dit kan op onder andere de volgende manieren: 1. meer inzet van digitale middelen (telefonie-beeldbellen) 2. meer inzet van E-health modules 3. meer inzet van integrale E-health behandelingen (grotendeels digitaal) Mocht de doelstelling niet via de weg van meer digitale zorg ingezet worden, dan zal extra moeten worden ingezet op de andere interventies, bijvoorbeeld de inzet van groepsbehandelingen en het verkorten van de behandelduur, zodat we meer patiënten behandelen die op de wachtlijst staan en voldoende capaciteit houden om mensen met een zwaardere zorgvraag te voorzien van goede zorg.

78 | Integraal Zorgakkoord 2022

Daar waar zorgaanbieders en zorgverzekeraars samen niet tot overeenstemming kunnen komen, kunnen zij Zorginstituut Nederland vragen om advies of een duiding. Zorgstandaarden kunnen bij het Zorginstituut worden ingediend voor opname in het Register en zorgpraktijken kunnen t.z.t. door hen worden vermeld worden in het overzicht met passende zorgpraktijken. Daarnaast zal VWS in gesprek gaan met de NZa met als doel om te komen tot aparte prestaties en tarieven voor digitale zorg (met bijvoorbeeld aparte prestatiecodes, zodat aparte contractafspraken gemaakt kunnen worden, die zichtbaar worden in de declaraties). Daarnaast zal met de NZa besproken worden welke concrete controlemogelijkheden geboden kunnen worden aan zorgverzekeraars om niet passende zorg niet te vergoeden, met name gericht op ongecontracteerde zorg.

Proces en gehanteerde uitgangspunten • In samenwerking tussen professionals, patiëntenvereniging, aanbieders en verzekeraars worden voor clusters van patiëntengroepen ranges en richtingen bepaald in welke mate inzet van digitale mogelijkheden er zijn. Een voorstel daartoe volgt uiterlijk eind Q1 2023. • Dit gebeurt in twee clusters van patiëntgroepen: • te starten binnen de mono-disciplinaire zorg & de daarbij aanwezige zorgvraagtyperingen. We starten hier, en maken gebruik van de onderzoeken die er al zijn omtrent de uitkomsten en kwaliteit van deze zorg. We zetten deze handelswijze in bij voldoende redzame personen. (taalvaardigheid, intelligentie en interpersoonlijke aspecten kunnen belemmerende factoren zijn • Daarnaast definiëren we ook bij de multidisciplinaire, outreachende en klinische zorg en de daarbij behorende zorgvraagtyperingende mogelijkheden omtrent de inzet van digitale zorg. • We maken op de doelgroep (intelligentie, taalvaardigheid en interpersoonlijke aspecten) toegesneden toepassingen zodat het digitale aanbod passend bij de cliënt en zijn wensen en vermogens wordt aangeboden. Het is van belang dat cliënt en behandelaar samen beslissen over de inzet van deze mogelijkheden ook gezien de stand van de wetenschap en praktijk.

• Ook voor de overige groepen in de GGZ worden er stapsgewijs methodes ontwikkeld en elementen van behandeling en begeleiding die digitaal kunnen worden aangeboden. • De kwaliteit van zorg wordt door partijen nauwgezet gemonitord en geanalyseerd, zodat een cyclus van met elkaar leren en verbeteren plaats vindt. De reeds bestaande cliëntwaarderingen en uitkomstmetingen over digitale zorg worden daarbij gebruikt. De uitkomsten van dit proces worden verankerd in de zorgstandaarden waarbij de kennis zoveel mogelijk wordt gedeeld tussen partijen. Daarnaast is het noodzakelijk dat we: • Investeren in digitale vaardigheden van zorgprofessionals en integreren in de opleidingen en trainingen. • Investeren in ondersteuningsmodules voor de patiënt en zijn naasten. • Investeren in de ontwikkeling van digitale zorg inclusief e-health modules en de organisatie van de geboden digitale zorg volgens de Akwa-zorgstandaarden voor e-health. • Instrumenten (door)ontwikkelen om deze zorg inclusief aan te kunnen bieden (d.w.z. voor mensen met een visuele, auditieve, verstandelijke of andere beperking die het gebruik van digitale ggz-zorg zou kunnen belemmeren). • Best practices over reeds bestaande organisatie en uitvoering van digitale ggz-zorg verzamelen en verspreiden onder ggz-aanbieders.

Deze afspraken worden bij verdere uitwerking van het IZA voor sectorale GGZ deel in lijn gebracht met de integrale afspraken over hybride zorg, met een nadere verbijzondering voor het GGZ domein.

Integraal Zorgakkoord 2022 | 79

Onderdeel G. Gezond leven en preventie

van gemeenten op het terrein van volkshuisvesting belangrijk. Dit alles in combinatie met beleidsvorming en maatregelen in het bredere sociaal domein (o.a. bestaanszekerheid en opvoedondersteuning/jeugdhulp). Daarmee kunnen gemeenten een belangrijke bijdrage leveren aan het voorkomen of uitstellen dat mensen ziek worden, vereenzamen of mentale klachten ontwikkelen, en het beperken van de instroom in (duurdere) zorgvoorzieningen, waaronder de curatieve GGZ. Om deze beweging naar de voorkant kracht bij te zetten maken VWS en gemeenten afspraken in het Gezond en Actief Leven Akkoord (GALA) over gezondheidsdoelen en de inzet hierop.

Er is een brede roep om een beweging naar ‘de voorkant’ waarin een gezonde samenleving centraal staat. Een gezonde samenleving waarin de eerste duizend dagen van een kind garant staan voor een kansrijke start, met een veerkrachtige jeugd, een gezonde beroepsbevolking en vitale ouderen die zo lang mogelijk zelfredzaam zijn. En waarin gezondheidsachterstanden worden teruggedrongen. Gezondheid is meer dan de afwezigheid van ziekte of andere lichamelijke gebreken. Armoede, schulden, problemen rondom huisvesting, eenzaamheid, werkloosheid, een beperking, een lage opleiding of de kwaliteit en de inrichting van de leefomgeving hebben allemaal invloed op hoe gezond je bent en hoe gezond je je voelt. Het bevorderen van gezondheid en preventie strekt dan ook verder dan het zorgdomein, waarbij een belangrijke rol is weggelegd voor de gemeente. Dat vraagt om een sterk en kabinetsbreed beleid op het terrein van gezond leven en preventie en een aanpak waarin rijk, gemeenten en zorgpartijen als ook bedrijfsleven en andere partijen samenwerken.

1.

De ondertekenende partijen, voelen zich er gezamenlijk voor verantwoordelijk om mensen met een gezondheidsklacht, psychische of sociale kwetsbaarheid, aandoening of ziekte, te helpen op een zo gezond mogelijke wijze te laten leven en daarbij gezondheidsachterstanden terug te dringen.

Partijen willen bijdragen aan een (mentaal en fysiek) gezonde en sociale samenleving door gelijkgericht te werken aan preventie en gezond leven. Zij streven naar een goede, soepele samenwerking over de domeinen heen, tussen de financiers (gemeenten en zorgverzekeraars) en maken daartoe de volgende afspraken.

De overheid is aan zet voor het realiseren van een gezonde leefomgeving. Het belang van gezondheid moet op veel domeinen waar rijk en gemeenten beleid voor maken mee worden genomen (health in all policies). En inwoners geven zelf invulling aan een zo gezond mogelijk bestaan. Indien daarbij ondersteuning nodig is, is het publieke of sociale domein daarvoor de eerstaangewezen plek. Gemeenten zijn – gezien hun brede verantwoordelijkheid in het sociale en preventieve domein – goed in staat om passende en integrale ondersteuning en zorg te bieden aan of organiseren voor (kwetsbare) mensen. Het gaat dan om beleid en aanpakken op diverse onderwerpen; denk aan gezondheidsachterstanden, mentale gezondheid, aandacht voor leefstijl in een gezonde leefomgeving, de sociale basis (o.a. vrijwilligerswerk, mantelzorgondersteuning en de aanpak van eenzaamheid) en maatwerkvoorzieningen in de ondersteuning van zelfredzaamheid. Met name voor ouderen (en hun mantelzorgers) is de rol

1. (Regionale) preventie-infrastructuur a. Preventieve interventies staan nooit op zichzelf, maar moeten landen in een stevige (regionale) infrastructuur die is gericht op bescherming en bevordering van gezondheid. Zorgverzekeraars en gemeenten maken daarom aan de hand van een regiobeeld en -plan (met regionale gezondheidsdoelen) zo snel mogelijk, maar uiterlijk 1 januari 2025 niet-vrijblijvende regionale samenwerkingsafspraken over gezondheidsbevordering van de populatie als geheel en specifiek voor risicogroepen (bijvoorbeeld mensen met beperkte gezondheidsvaardigheden, met psychische kwetsbaarheid, ouderen met valrisico, mensen met een gok-, drugs- of alcoholverslaving, kinderen en volwassenen met overgewicht) en patiënten. b. Het regiobeeld en -plan en de regionale samenwerkingsafspraken worden gemaakt op basis van de bestaande werkstructuur tussen zorgverzekeraars en gemeenten.

80 | Integraal Zorgakkoord 2022

Vanuit de Zvw-verzekerde zorg en het IZA wordt geïnvesteerd in de inzet op geïndiceerde preventie (mensen met verhoogd risico op ziekte), zorg gerelateerde preventie (patiënten), het versterken van gezondheidsvaardigheden en zelfzorg, leefstijl als (onderdeel van de) behandeling en de verbinding met de gemeentelijke domeinen via een (regionale) preventie-infrastructuur. Op basis van het regiobeeld maken gemeenten en zorgpartijen maken hierbij samenwerkingsafspraken in regioplannen waarin het zorgdomein en het sociale- en gezondheidsdomein in samenhang worden bezien teneinde mensen gezond te houden en de instroom in de zorg te beperken. Hierbij wordt voortgebouwd op de bestaande werkstructuur tussen gemeenten en zorgverzekeraars en de coalities en afspraken die door gemeenten zijn gemaakt met de lokale preventieakkoorden en sportakkoorden in de afgelopen jaren.

Ketenafspraken

Hierbij worden de GGD, de (thuiszorg)zorg- en welzijnsaanbieders en professionals uit het sociale en publieke domein betrokken. Tevens worden de regionale preventiecoalities, patiënten-, cliënten- en naastenorganisaties en kennisinstellingen zoals Topfit, Health Hub Utrecht, Preventie Overleg Groningen, Slimmer Leven Brainport Regio en de Friese Preventieaanpak benut. Er is aandacht voor de inzet van e-health en anonieme hulplijnen, bijvoorbeeld ter versterking van zelfhulp en gezondheidsvaardigheden en ter vervanging van face to face contact. c. Over de (wettelijke) taken en verantwoordelijkheden van gemeenten en zorgverzekeraars ten aanzien van de (regionale) preventie infrastructuur, worden uiterlijk 15 december 2022 in een addendum bij zowel het IZA als het GALA nadere bestuurlijke afspraken gemaakt. Hierbij wordt ook het (concept)werkprogramma van VNG met daarin de inzet van gemeenten (zie kader in koptekst) betrokken. d. Daarnaast richten zorgverzekeraars en gemeenten met ingang van 1 januari 2024 in ieder geval de volgende ketenaanpakken in: Kansrijke start, valpreventie bij ouderen, aanpak overgewicht en obesitas bij kinderen, de gecombineerde leefstijlinterventie bij overgewicht van volwassenen en welzijn op recept. Hierover worden uiterlijk 15 december 2022 in een addendum bij zowel het IZA als het GALA nadere bestuurlijke afspraken gemaakt.

VWS en NZa zijn verantwoordelijk voor de daarvoor benodigde tijdige aanpassing van de relevante regelgeving. Duidingen van het Zorginstituut zijn randvoorwaardelijk voor het kunnen maken van nadere bestuurlijke afspraken en het tijdig inrichten van de ketenaanpakken. Voor valpreventie, de gecombineerde leefstijlinterventie bij overgewicht van volwassenen en de aanpak overgewicht kinderen zijn al duidingen beschikbaar. Het Zorginstituut is bereid om in de aanloop naar het te sluiten addendum bij gesprekken tussen gemeenten en zorgverzekeraars aanwezig te zijn om deze duidingen toe te lichten en verantwoordelijkheden te verhelderen. Het Zorginstituut kan op verzoek ook welzijn op recept en kansrijke start duiden. e. VWS jaagt de implementatie van de genoemde ketenaanpakken aan door het organiseren van landelijke implementatie-overleggen en financiert de landelijke en regionale monitoring van de invoering en het effect van de genoemde netwerkaanpakken. In 2023 wordt de monitoring verder vormgegeven, mede op basis van diverse bestaande monitors. f.

Om de uniformiteit en effectiviteit van het aanbod van (nieuwe) ketenaanpakken ter bevordering van de gezondheid te verbeteren, adviseert het Zorginstituut tevens op verzoek van zowel gemeente als zorgverzekeraar welke onderdelen van een ketenaanpak onder verantwoordelijkheid vallen van de zorgverzekeraar (verzekerde zorg), en welke niet (bijv. sociaal/publiek domein). Daarnaast komt het Zorginstituut uiterlijk 1 juli 2023 met een voorstel voor

versnelling van het huidige duidingsproces van preventieve en leefstijlinterventies. Tevens krijgt het Zorginstituut extra capaciteit. 2. Netwerkstructuur professionals a. Zo snel als mogelijk, maar uiterlijk 1 januari 2025 richten de partijen een regionale netwerkstructuur in waarin professionals uit de gemeentelijke domeinen en zorgprofessionals in de eerste, tweede en derde lijn samenwerken. Deze structuur sluit aan bij de in te richten regionale preventieinfrastructuur en kan ook wijkgericht worden uitgevoerd. b. Binnen deze netwerkstructuur worden mensen uit risicogroepen en patiënten op leefstijl geïdentificeerd en waar nodig toe geleid naar passende leefstijlinterventies en andere preventieve interventies, waaronder op het terrein van mentale gezondheid. c. De preventieve of leefstijlinterventie vindt voor zover mogelijk buiten de zorg plaats (eigen regie, initiatieven vanuit de patiënten-, cliënten- en naastenbeweging en/of gebruik maken van gemeentelijk aanbod). Als de preventieve (leefstijl)interventie (deels) binnen de zorg wordt aangeboden, vindt dit zo laagdrempelig mogelijk plaats: eerstelijn waar het kan, tweede en/of derdelijn waar het moet. De interventie wordt zoveel als mogelijk in de wijk van de patiënt aangeboden. d.

Zorgverzekeraars, gemeenten, eerste, tweede en derdelijnszorgaanbieders, inclusief ggz-aanbieders, patiënten-, cliënten- en naastenorganisaties, en andere relevante partijen, maken hierover gezamenlijk afspraken. Zij spreken daarbij af wie verantwoordelijk is voor de structurele inbedding. 3. Kennisontwikkeling a. De bestaande regionale kennisfunctie en innovatie- en organisatiekracht van de UMC's op het gebied van preventie in de zorg en leefstijl wordt versterkt en benut door het brede zorgveld en waar passend ook door het sociaal domein in de regio. Ook (topklinische) ziekenhuizen en GGZ-instellingen pakken waar mogelijk deze rol op. b. De kennisfunctie van de GGD-en wordt versterkt, zodat zij gemeenten inhoudelijk kunnen ondersteunen bij het ontwikkelen van hun aanpak. c. Er wordt gestreefd naar optimale samenwerking tussen en afstemming met de hierboven genoemde partijen om de kennis, ervaring en kracht in de regio te benutten. Hierbij worden bestaande kenniscoalities zoals Lifestyle4Health, PON, Alliantie Voeding in de Zorg, Vereniging Arts en Leefstijl, de patiënt-, cliënt- en naastenorganisaties, (ggz)-aanbieders in de eerste, tweede en derde lijn, ziekenhuizen en zelfstandige klinieken betrokken. d.

Er wordt geïnvesteerd in kennisbevordering en dataverzameling op nationaal en regionaal niveau om met gemeenten en partners tot een (meer) effectieve inzet van preventieve interventies te komen.

Integraal Zorgakkoord 2022 | 81

4. Passende bekostiging a. Samenwerking tussen zorgpartijen en de gemeentelijke domeinen met het oog op investeren in gezondheid vraagt om passende bekostiging. Wat betreft de zorg gaat het om: • Project- en coördinatiekosten van de preferente zorgverzekeraar die gepaard gaan met het opstellen van een regionaal plan met gemeenten ten aanzien van preventie en gezondheidsbevordering; • Project- en coördinatiekosten van zorgprofessionals/ zorgaanbieders die gepaard gaan met de netwerkstructuur (bijvoorbeeld leefstijlzorgloketten) en het regionaal en lokaal implementeren van ketenaanpakken gericht op gezondheid; • Het in regionaal verband samen met gemeenten experimenteren met kansrijke aanpakken op het grensvlak van het medische en publiek/sociale domein. b. VWS en ZN werken uiterlijk 1 december 2022, met betrokkenheid van VNG een voorstel uit voor een passende bekostigingswijze (zowel voor de korte als langere termijn), voortbouwend op de (bestuurlijke) overleggen die hierover al hebben plaatsgevonden. Hierbij wordt ook gekeken naar de benutting van de O&I-middelen die onder meer bedoeld zijn voor domeinoverstijgende samenwerking in de eerstelijn en worden voorstellen gedaan voor het wegnemen van eventuele wettelijke belemmeringen. c. Wat betreft project- en coördinatiekosten voor gemeenten (en GGD’en), maakt VWS separaat bestuurlijke afspraken met gemeenten.

2.

Afspraken vanuit of in het Zvw‑domein

Partijen die werkzaam zijn in het Zvw-domein streven ernaar dat uiterlijk 1 januari 2025 de inzet op gezonde leefstijl integraal onderdeel uitmaakt van de reguliere zorg voor mensen met een gezondheidsklacht, aandoening of ziekte (risicogroepen en patiënten). Inzet op gezonde leefstijl wordt hierbij ruim opgevat. Dit omvat onder meer (de screening op) leefstijl, fysieke en mentale kwetsbaarheid in de spreekkamer en achter de voordeur en het verwijzen naar, aanbieden van, advisering over en/of wijzen op effectieve leefstijlinterventies- en programma’s, passende welzijnsactiviteiten en schuldhulp, brede gezondheidsconcepten, gezonde voeding, mentale gezondheidsvaardigheden, stressreductie, emotieregulatie en coping bij stress en voldoende slaap (en kan zowel digitaal, hybride als fysiek plaatsvinden). Van belang is dat zorgprofessionals met een brede blik naar de patiënt kijken, met aandacht voor de wijk waarin de patiënt woont en de sociale basis. Partijen maken daartoe de volgende afspraken. 1. Inzet en veranderopgave algemeen a. Elke partij beschrijft uiterlijk 1 juli 2023 welke inzet en veranderopgave voor hem/haar specifiek nodig is om de gewenste beweging naar inzet op gezondheid (waaronder

bovengenoemde doelstelling) te creëren en borgt dat binnen zijn eigen achterban. b. Partijen betrekken daarbij: • De regiovisies op basis van de regiobeelden en de opgaven die daaruit voor hen voortvloeien. • De gezondheidsdoelen zoals opgenomen in het Preventieakkoord en de VWS-missies voor het Missiegedreven Topsectoren- en Innovatiebeleid25 op het terrein van: • Rookvrije generatie, kansrijke start, overgewicht en obesitas, alcoholgebruik, gezonde voeding richtlijnen en beweegrichtlijnen, mentaal gezonde generatie; • Leven in goede gezondheid en terugdringen gezondheidsverschillen tussen de laagste en hoogste sociaaleconomische groepen (30%), afname ziektelast als gevolg van ongezonde leefstijl en leefomgeving. • De volgende aanvullende meer specifieke doelen: • In 2030 is het aantal mensen dat professionele hulp zoekt voor psychische klachten substantieel verminderd. • Voor mentale gezondheid worden in 2022 gezondheidsdoelen geformuleerd in overleg met veldpartijen op basis van het plan van aanpak ‘mentale gezondheid: van ons allemaal’. c.

VWS stelt per 1 januari 2023 meerjarig middelen beschikbaar voor de uitvoering van een nader te vormen brede leefstijlcoalitie, met als doel om nationaal en regionaal regie te voeren op de inzet op gezondheid binnen en vanuit het Zvw-domein (pijlers: data en kennis, onderwijs, richtlijnen, onderzoek, implementatie en opschaling, monitoring en patiënt). 2. Onderzoek a. Het Zorginstituut werkt op basis van de verbeterde pakketcriteria voor (kosten)effectiviteit uit wat er nodig is om leefstijlinterventies binnen de Zvw te kunnen beoordelen. Deze uitwerking is in de loop van 2023 gereed. Het beoordelingskader sluit aan op de verbeterde en verbrede toets op het basispakket. Ook voor leefstijlinterventies wordt daardoor beter bekend welke informatie nodig is om te voldoen aan de pakketcriteria. Doel is dat dat ook leidt tot een snellere opname (onder voorwaarden) van effectieve leefstijlinterventies in het basispakket. b. Per 1 juli 2023 houdt het RIVM, in afstemming met het Zorginstituut, een overzicht bij van effectieve leefstijlinterventies binnen de Zvw. c. Met betrokkenheid van de brede leefstijlcoalitie komt er een gecoördineerde landelijke onderzoeksagenda leefstijlgeneeskunde voor preventieve (leefstijl)interventies en bestaand (lokaal en regionaal) onderzoek wordt met elkaar in verbinding gebracht.

Hierbij zal de link gelegd worden met Zorgevaluatie en Gepast Gebruik (ZE&GG).

25

82 | Integraal Zorgakkoord 2022

Missies voor het topsectoren- en innovatiebeleid | Publicatie | Rijksoverheid.nl.

3. Richtlijnen en onderwijs a. Partijen verantwoordelijk voor richtlijnontwikkeling dragen ervoor zorg dat het uitgangspunt van leefstijl (in de brede zin van het woord) als (onderdeel van de) behandeling wanneer bewezen van meerwaarde -, zo snel mogelijk onderdeel is van (de herziening of ontwikkeling van) kwaliteitsstandaarden en professionele richtlijnen. Hierbij wordt rekening gehouden met gezondheidsvaardigheden. Inzichtelijk moet zijn welke gezondheidsdoelen met de inzet van leefstijl in de behandeling worden nagestreefd (biologisch/fysiologisch, maar ook op gebied van kwaliteit van leven, het sociale netwerk, mentale gezondheid, functioneren/inzetbaarheid, minder medicatiegebruik, uitstel van zwaardere zorg etc.). b. In de behandelrichtlijnen wordt beschreven wanneer de inzet van (en verwijzing naar) leefstijlinterventies effectief is. Denk hierbij aan prehabilitatieprogramma’s als onderdeel van het behandelplan bij een operatie en aan een voedingsinterventie in de behandeling van Diabetes Type 2. Daarbij vindt de leefstijlinterventie zo laagdrempelig mogelijk plaats: met steun van lotgenoten, in het publieke en/of sociale domein waar dit kan, en in de eerste lijn of in de tweede of derde lijn waar noodzakelijk (met behulp van e-health waar mogelijk). c.

Richtlijnen van zorgprofessionals waarin aandacht voor gezonde leefstijl al beschreven staat, worden zo spoedig mogelijk in de praktijk toegepast. Zover als mogelijk worden leefstijladviezen in richtlijnen ook geharmoniseerd, omdat de adviezen deels generiek zijn. d. Per 1 januari 2024 komt het uitgangspunt van leefstijl als (onderdeel van de) behandeling - wanneer bewezen van meerwaarde -, in elke zorgopleiding en bijscholing (mbo, hbo, universiteit, opleiding basisarts en specialist) aan de orde. Het bijscholen van zittende professionals krijgt hierbij extra aandacht, als ook de leefstijl en gezondheid van zorgprofessionals zelf. De respectievelijke beroepsgroepen/ opleidingen definiëren een minimale competentieset op dit vlak. e. In de opleidingen tot arts, verpleegkundige en verpleegkundig specialist zitten eindtermen op het gebied van leefstijl, preventie en positieve gezondheid verweven in de competenties. De komende jaren worden deze competenties uitgerold over de diverse opleidingen. f. Waar relevant worden in de curricula ervaringsdeskundigen ingezet om hun inzichten te delen op het gebied van preventie, gezonde leefstijl en gezondheidsvaardigheden. 4. Patiënten a.

Patiënten zijn – ook binnen het kader van hun behandeling - goed geïnformeerd over de meerwaarde van een gezonde leefstijl bij hun klacht, aandoening of ziekte, en de behandelopties die hierbij horen en worden gestimuleerd tot en ondersteund bij de gewenste

gedragsverandering. Patiënten-, cliënten- en naastenorganisaties en zorgprofessionals hebben hierin een stevige rol. Uiterlijk 1 januari 2024 is betrouwbare informatie over bewezen effectieve interventies voor patiënten breed toegankelijk. b. Per 1 januari 2030 wordt het voedingsaanbod voor patiënten, cliënten en bewoners van instellingen verstrekt op basis van de richtlijn eetomgevingen van het Voedingscentrum (tenzij om medische redenen een alternatief dieet aan de orde is), en hierbij wordt rekening gehouden met geloofs- of levensovertuigingen m.b.t. eten. c. Sport en bewegen is onderdeel van het preventiebeleid. Daarbij gaat het om goede en voor iedereen bereikbare sportvoorzieningen, en de mogelijkheid om met anderen te sporten. 5. Financiële prikkel zorgprofessionals en zorgverzekeraars Zorgverzekeraars zorgen voor passende afspraken in de contractering met zorgaanbieders, zodat zorgaanbieders een stevige financiële prikkel hebben om in te zetten op gezondheid, duurdere vormen van zorg te voorkomen (bijv. voorkomen doorverwijzing naar 2e lijn en substitutie van zorg naar de 1e of 1,5e lijn) en de verbinding te leggen met zorgprofessionals uit het sociaal en publiek domein. De ruimte binnen de huidige bekostigingssystematiek wordt hierbij door zorgverzekeraars en zorgaanbieders beter benut. a.

Indien de huidige bekostiging van de NZa leidt tot knelpunten om te komen tot meer passende afspraken, past zij de huidige bekostigingsmogelijkheden waar kan en nodig aan. b. Goede voorbeelden in contractering en bekostiging worden gedeeld door de NZa en ZN, zodat opschaling makkelijker en beter te realiseren is. c. VWS en de NZa kijken op welke wijze bekostiging op basis van uitkomsten mogelijk kan worden gemaakt en verkennen de mogelijkheden om daarbij gezondheidsdoelen te betrekken. d. Randvoorwaarde voor de transformatie naar passende zorg (en preventie) is een goed functionerende risicoverevening. Zie de paragraaf hierover in paragraaf 9 van onderdeel A. Passende zorg: waardegedreven – samen met de patiënt, pakket en kwaliteit.

3.

Randvoorwaarden

a. Gemeenten, de zorgpartijen en VWS vinden het van groot belang dat in eerste instantie vooral buiten het domein van de Zvw-zorg gewerkt wordt aan het voorkomen van gezondheidsproblemen door vanuit breed maatschappelijk perspectief gezamenlijk te werken aan gezondheid. VWS heeft een inspanningsverplichting om andere departementen gezondheidsbevordering mee te laten nemen in de overwegingen voor beleidskeuzes. Het gaat daarbij in elk geval om:

Integraal Zorgakkoord 2022 | 83

•

Gezondheidsdoelstellingen ook een plek geven in landelijk, regionaal en lokaal overheidsbeleid, in landelijke doelstellingen en bestuurlijke afspraken. Naast zorg en welzijn, speelt dit met name op de domeinen leef- en woonomgeving, sociale omgeving, werkomgeving, industrie en onderwijs (health in all policies). • Het terugdringen van gezondheidsachterstanden. • Zorg- en ondersteuningsvragen zo veel als mogelijk demedicaliseren en buiten de zorg van een passend antwoord voorzien, waaronder binnen de gemeentelijke domeinen. b. Om de inzet op gezondheid vanuit en binnen de Zvwverzekerde zorg effectief te laten zijn, gelden de volgende randvoorwaarden: • Inzet op gezondheid en de sociale basis vraagt om een integrale aanpak zowel binnen het domein van de Zvw als tussen het domein van de Zvw en de gemeentelijke domeinen. De arbocuratieve zorg kan hieraan een belangrijke bijdrage leveren. Aansluiten bij de leefwereld, sociale context en drijfveren van mensen over gezondheid is hierbij van belang. • Versteviging van het gemeentelijke gezondheids-, ondersteunings- en welzijnsaanbod en aansluiting hiervan op het Zvw-domein (o.a. gemeentelijke sociale kaart), is daarom een randvoorwaarde om effectieve preventieketens over de domeinen neer te kunnen zetten.

• Daarvoor is een stevige preventie-infrastructuur (binnen het domein van de Zvw en tussen het domein van de Zvw en de gemeentelijke domeinen) op regionaal niveau, ook wat betreft kennis en data, noodzakelijk. Passende financiering voor regionale project- en coördinatiekosten van gemeenten, zorgverzekeraars en zorgprofessionals maakt daar onderdeel van uit. • Bekostiging op basis van uitkomsten voor de gezondheid wordt mogelijk gemaakt en de mogelijkheid om daarbij gezondheidsdoelen te betrekken wordt nader verkend. • Er is kennis over en een overzicht van welke specifieke preventieve interventies in de Nederlandse context gezondheidswinst opleveren, en waar acties nodig zijn om die potentiële gezondheidswinst te realiseren. • In de opleiding van elke zorgprofessional en de richtlijnen is aandacht voor preventie, gezondheidsbevordering en gezondheidsvaardigheden. Ook is aandacht voor hoe (fysieke, sociale en mentale) leefstijl het ontstaan en beloop van ziekten beïnvloedt en hoe leefstijlinterventies ziekteprocessen kunnen afremmen en eventueel kunnen omkeren. • Iedere stakeholder pakt zijn rol om de veranderopgave te realiseren en maakt expliciet welke bijdrage hij daaraan gaat leveren. Iedere stakeholder heeft daarbij oog voor het belang van het verkleinen van de gezondheidsachterstanden.

84 | Integraal Zorgakkoord 2022

5. Het relatief grote aantal kleine contracten dat onder meer samenhangt met de roostering en de wensen en mogelijkheden om werk en privé te combineren.

Onderdeel H. Arbeidsmarkt en ontzorgen zorgprofessionals In de zorg werken kwalitatief goede en betrokken professionals. Zij vormen het kapitaal van de zorg. Hen willen we binden en boeien. Dat doen we breed met het programma Toekomstbestendige Arbeidsmarkt Zorg en Welzijn (TAZ) en daar bovenop meer specifiek met afspraken zoals opgenomen in dit Integraal Zorg Akkoord (IZA). De uitdaging De zorg staat voor een grote uitdaging. Enerzijds blijft de zorgvraag stijgen en anderzijds is er sprake van een brede arbeidsmarktkrapte. Op dit moment werkt al ongeveer een op de zes werknemers in Nederland in de zorg. Wanneer we niets doen loopt dit aandeel op tot ongeveer een op de vier in 2040. Het is irreëel te veronderstellen dat het beroep van de zorg op de Nederlandse arbeidsmarkt of in de collectieve middelen in deze mate kan oplopen. We staan als samenleving immers ook nog voor andere grote uitdagingen op het gebied van bijvoorbeeld klimaat, veiligheid, onderwijs en wonen. Deze uitdaging vraagt om een brede arbeidsmarktaanpak langs meerdere sporen. Door de krapte op de arbeidsmarkt kunnen zorgverleners makkelijk buiten de sector aan de slag. Ook zal de vergrijzing bijdragen aan een grotere uitstroom en moet er voor nieuwe aanwas geconcurreerd worden op een krappe arbeidsmarkt. Daarom is het nodig dat de zorg een aantrekkelijke sector is en blijft om in te werken.

Op het gebied van zingeving en de daarmee samenhangende bevlogenheid van medewerkers scoort de zorg al uitstekend. Op andere gebieden moet de zorg echter nog een been bij trekken. Tot deze gebieden behoren onder meer: 1. Het te grote aantal uren dat aan onnodig administratief werk besteed wordt. 2. Het te geringe aantal ontwikkel-/loopbaanpaden. 3. Het gebrek aan ervaren tijd en ruimte voor opleiding, ontwikkeling en ontplooiing. 4. Nog te beperkte zeggenschap van de zorgprofessional t.a.v. procesmatige en strategische keuzes binnen de organisatie rondom het gehele zorgproces.

Alle partijen aangesloten bij het IZA beogen invulling te geven aan de maatschappelijke opgave om met minder groei van het aantal zorgverleners aan de toekomstige zorgvraag te kunnen voldoen. Enerzijds doen partijen dit door breed in te zetten op het verlagen van de zorgvraag (onder andere door preventie; zelfzorg; inzet informele zorg; zorgvraag verminderende innovaties) en de transitie naar passende zorg waarbij passende digitale- en hybride zorg voorliggend is en prevaleert boven arbeidsintensieve zorg. Deze elementen komen elders in het integraal zorgakkoord terug. Om aan de zorgvraag te kunnen voldoen en om de professionele ruimte van professionals te kunnen vergroten zetten partijen anderzijds in op het verlagen van de groei van de arbeidsvraag binnen de zorg door efficiënter te werken en meer uren werken te stimuleren, alsmede het arbeidsaanbod op peil te houden onder meer door het opleiden van voldoende nieuwe medewerkers. Dit is ook waar dit IZA-thema ‘Arbeidsmarkt en ontzorgen van zorgprofessionals zich op richt. Bij deze brede inzet moet steeds ook het langere termijnperspectief in ogenschouw worden gehouden. De voorziene ontwikkelingen vragen nu immers om investeringen om op de langere termijn aan de zorgvraag te kunnen voldoen, maar die alvorens ze gaan renderen tijdelijk een krapte verhogend effect kunnen hebben.

VWS en zorgpartijen onderschrijven mede in het licht van de krapte op de arbeidsmarkt de urgentie van de aanbevelingen uit het SER-advies “Aan de slag voor de zorg; een actieagenda voor de zorgarbeidsmarkt” ten aanzien van het overbruggen van de geconstateerde achterstand in de beloning ten opzichte van de markt en ten aanzien van de versterking van zeggenschap, waardering en verantwoordelijkheid van zorgmedewerkers in de instellingen waar zij werken. Dit vraagt van alle partijen binnen deze IZA periode een voort te zetten aandacht voor de implementatie van deze aanbevelingen. De voortgang van de implementatie van de IZA-afspraken zal worden gemonitord en zo nodig uiterlijk bij de Mid Term Review van het IZA tot nadere afspraken leiden. Randvoorwaarde Naast het verhogen van het inzetbare arbeidsaanbod en een forse reductie van de groei van de zorgvraag ontkomen we er niet aan dat de samenleving beter moet worden voorbereid op schaarste in de zorg en de noodzaak tot het maken van keuzes. Verder zal de politiek op basis van de te verwachten

Integraal Zorgakkoord 2022 | 85

gezondheidswinst scherpere keuzes in de zorg moeten maken en moet het uitvoerend vermogen om beter te kiezen in de zorg worden versterkt.

Afspraken Uitgangspunt bij de afspraken: • Zorgprofessionals krijgen vertrouwen, professionele ruimte en autonomie opdat zij hun cruciale rol bij de transformatieopgave kunnen vervullen. • Zorgprofessionals krijgen en houden standaard ruimte om zeggenschap uit te kunnen oefenen over de inhoud van het werk en ontwikkelingen die voor hun vak belangrijk zijn (wat) en de omstandigheden waaronder dit wordt uitgevoerd (hoe) in elke fase van (beleids)ontwikkeling, op elk organisatieniveau en in elk relevant samenwerkingsverband. • In navolging van het actieplan herstel en zeggenschap dat naar aanleiding van de motie Ellemeet is opgesteld zal in het kader van het programma TAZ ook deze kabinets­periode worden geïnvesteerd in het bevorderen van zeggenschap.

1.

Professionele ruimte

Professionele ruimte betekent dat medewerkers in de zorg op drie niveaus, individueel, team en organisatie, de noodzakelijke tijd en ruimte hebben voor zaken als zeggenschap, reflectie, interprofessionele samenwerking, loopbaanperspectief en voor scholing en ontwikkeling ten behoeve van professie en kwaliteit van zorg. Deze ruimte is, gecombineerd met goed werkgeverschap, noodzakelijk voor het aantrekkelijk houden van de sector, werkplezier en behoud personeel, voor innovatie en verduurzaming en voor goede kwaliteit en continuïteit van zorg. Met het oog op de transitie naar arbeidsbesparende passende zorg krijgen medewerkers ruimte om deze transitie mee vorm te geven en om zich te ontwikkelen opdat ze zich deze transitie eigen maken en het volle potentieel van zowel de transitie als de professional benut kan worden. In de uitwerking betekent dit dat zorginkopers tijdelijk transformatiemiddelen beschikbaar stellen aan instellingen die aan deze transitie bijdragen, waarmee professionele ruimte wordt gecreëerd ten behoeve van deze transitie. Met het oog op een lange termijn oplossing, zegt VWS toe met de NZa te verkennen in hoeverre het mogelijk is om indirecte kosten, via kostprijsonderzoeken, bij de bepaling van kostprijzen te betrekken. Deze verkenning moet uiterlijk 1-1-2024 gereed zijn.

2.

Goed werkgeverschap/dialoog voor behoud en duurzame inzetbaarheid

Goed (regionaal) werkgeverschap is van cruciaal belang voor werkplezier en behoud van zorgverleners. Daarnaast is goed

86 | Integraal Zorgakkoord 2022

werkgeverschap ook essentieel om de inzetbaarheid van personeel te optimaliseren, zowel voor de zorgverlener als voor de werkgever. Onderstaande afspraken zijn een aanvulling op hetgeen wordt gedaan via TAZ. Om het werkplezier en behoud van zorgverleners te vergroten schenken zorgaanbieders in doorlopende dialoog met hun medewerkers expliciet aandacht aan scholing- en loopbaan­ mogelijkheden, hersteltijd, de werk-privébalans en betrokkenheid bij strategie, beleid en uitvoering. Met het oog op het vergroten van de inzetbaarheid van zorgpersoneel worden medewerkers in deze dialoog aangemoedigd om meer uren te werken. De macro-uitkomst hiervan is dat het gemiddelde aantal werkuren stijgt. Zorgaanbieders zorgen dat leidinggevenden voldoende toegerust zijn in informatie, kennis en vaardigheden om gesprekken over deze onderwerpen te voeren. Tot slot wordt het gesprek gevoerd over verhoging van de in de cao’s in zorg en welzijn opgenomen leeftijdgrens bij de vrijstelling voor het draaien van anw-diensten, bijvoorbeeld door deze te koppelen aan de ontwikkeling van de pensioenleeftijd. De afspraken hierover in cao’s zullen worden gemonitord.

3.

Vermindering regeldruk

Het is belangrijk om de administratieve lasten en regeldruk fors te reduceren. Alle initiatieven van de afgelopen jaren hebben tot een te beperkt resultaat geleid. Daarom kiezen we in dit IZA voor een steviger aanpak en ambitie. We gaan bij de vraag of en zo ja hoe nieuwe regels noodzakelijk zijn, zwaarder gewicht hechten aan de stem van zorgverleners die verantwoording afleggen of anderszins in de praktijk de gevolgen van de regel ondervinden, en minder aan de partijen die verantwoording vragen. Alle ‘regelmakers’ in de brede zin van het woord (VWS, zorgverzekeraars, toezichthouders, werkgevers, branche- en beroepsverenigingen) gaan per direct alle nieuwe regelgeving toetsen aan het uitgangspunt ‘zinnig en radicaal simpel’. Zinnig is wat bijdraagt aan betaalbaarheid, toegankelijkheid en kwaliteit van zorg. Radicaal simpel betekent dat we voor de professional zo eenvoudig mogelijke oplossingen kiezen die bijdragen aan professionele autonomie, vakmanschap en werkplezier. Is het niet zinnig en niet radicaal simpel, dan moet het terug naar de tekentafel óf doen we het niet. Ook bestaande regels, registraties, verplichtingen, procedures etc. nemen we op deze manier onder de loep. Met deze aanpak wordt een reductie van administratieve tijdsbesteding gerealiseerd die deze in lijn brengt met het niveau dat zorgverleners zelf acceptabel achten.

Deze werkwijze brengt met zich mee dat vóór het invoeren van nieuwe regels (in de brede zin van het woord) waarvan een substantiële negatieve impact op de ervaren regeldruk verwacht mag worden in een klankbordgroep met een representatief aandeel van praktiserend zorg- en beleidsprofessionals uit de

sector van de Nederlandse gezondheidszorg waar de regel op van toepassing is gesproken wordt over de uitvoerbaarheid en werkbaarheid in de praktijk. Bij het in kaart brengen van de ingeschatte gevolgen voor de regeldruk worden deze naast in euro’s ook uitgedrukt in tijdsbesteding (aantal potentiële zorguren) zodat inzichtelijk wordt hoe groot de werkelijke kosten zijn van in te voeren regels. Ook voor bestaande regels wordt dit de toetssteen om de proportionaliteit te beoordelen. Nader uitgesplitst per partij betekent dit: a. VWS zorgt dat regeldruk als gevolg van (nieuwe) wet- en regelgeving en (nieuw) beleid zo beperkt mogelijk blijft, en dit wordt opgesteld met de werkbaarheid in de praktijk als nadrukkelijk en voorwaardelijk uitgangspunt; b. Branche- en beroepsverenigingen kijken kritisch naar de regeldruk die zij veroorzaken, bijvoorbeeld door richtlijnen of kwaliteitseisen, en beperken deze tot het strikt noodzakelijke minimum; c. Branche- en beroepsverenigingen brengen bij hun achterban goede voorbeelden, behaalde resultaten en beschikbare ondersteuningsmogelijkheden onder de aandacht; d. Toezichthouders kijken kritisch naar de regeldruk die samenhangt met- of als gevolg van- de uitvoering van hun toezichtstaken; e.

Zorginkopers (zorgverzekeraars, zorgkantoren, gemeenten) kijken kritisch naar de regeldruk die zij veroorzaken in het kader van de inkoop en verantwoording, en beperken deze tot het strikt noodzakelijke minimum, o.a. door harmonisering van de eisen die zij stellen; f. Werkgevers gaan aan de slag met de vermindering van regeldruk waarvan de oorsprong binnen de eigen organisatie ligt; g. VWS ondersteunt met het programma [Ont]Regel de Zorg door het ter beschikking stellen van instrumenten waarmee zorgaanbieders zelf regionaal en lokaal met de vermindering van regeldruk aan de slag kunnen. In 2025 is de tijdsbesteding aan administratieve werkzaamheden in alle sectoren met 5%-punt (bij een 40-urige werkweek is dat 2 uur minder per week) gedaald ten opzichte van 2020. De met deze afspraak vrijgespeelde tijd komt beschikbaar voor het vergroten van de beschikbare professionele ruimte (zie afspraak 1). Deze afspraak draagt tevens bij aan een substantiële verhoging van het werkplezier. Randvoorwaardelijk voor het realiseren van deze afspraak zijn: • Een cultuuromslag naar het ‘durven loslaten’ van externe en interne regels. Dit vraagt meer samenwerking tussen externe partijen en zorgbestuurders.

• Scherpe afspraken in het thema digitalisering en gegevens­ uitwisseling over bijvoorbeeld eenmalige registratie voor (sectoroverstijgend) meervoudig gebruik en over de gebruiks­vriendelijkheid en uitwisselbaarheid tussen

ICT‑systemen, waaronder EPD’s en ECD’s. De tekst in het thema digitalisering en gegevensuitwisseling gaat hier nader op in.

4.

Bevorderen aantrekkelijkheid werken in loondienst

Het belangrijkste aangrijpingsinstrument om zorgverleners in (vaste) loondienst te laten werken ligt in het zo aantrekkelijk mogelijk maken van werken in loondienst en van het zo aantrekkelijk mogelijk maken van praktijkhouderschap, ook voor de meer ondernemende zorgverleners en/of de zorgverleners die hechten aan meer regie over de invulling van de werkweek. Via regionaal gezamenlijk werkgeverschap kan voor ondernemende werknemers meer ruimte worden gecreëerd voor flexibel en afwisselend werk. Ook met de afspraken 1, 2 en 3 zetten werkgevers in op het aantrekkelijker maken van werknemerschap.26 Tot slot is behoud van zorgpersoneel en het bevorderen van werkplezier één van de drie programmalijnen binnen het programma TAZ. Via het programma TAZ wordt ondermeer ingezet op het vergroten van de professionele autonomie en zeggenschap en een gezonde, groene en veilige werkomgeving. Naast het zo aantrekkelijk mogelijk maken van werken in loondienst door goed werkgeverschap, spreken partijen af dat schijnzelfstandigheid wordt vermeden. Bij inhuur van zzp’ers geldt het uitgangspunt dat zij een evenredig deel aan systeemverantwoordelijkheden op zich nemen tegen reële tarieven, zoals het draaien van ANW-diensten wanneer dat gebruikelijk is bij eenzelfde functie in loondienst. Dit uitgangspunt hanteren zorgverzekeraars ook bij de inkoop van vrijgevestigden.

Concreet worden hiervoor de volgende acties afgesproken: a. Regionale werkgeversorganisaties, zorginkopers en VWS zetten actief in op regionaal werkgeverschap (flexibele schil in loondienst) en een moderner arbeidscontract dat werknemers meer mogelijkheden biedt om meer regie te voeren over vormgeving van werk en werktijden om zo het werken in loondienst aantrekkelijker te maken. b. Werkgevers en zzp-brancheorganisaties zorgen voor verhoogde bewustwording over verantwoordelijkheden en de (financiële) gevolgen van het zzp-schap. c. Brancheorganisaties stellen duidelijke kaders op over de inzet van zzp’ers en nemen daarmee een rol in het voorkomen van schijnzelfstandigheid. Brancheorganisaties vormen op grond van deze kaders een eerste essentiële functie in het handelen conform de wet DBA en het voorkomen van schijnzelfstandigheid door hun leden aan deze kaders te committeren.

26

Het praktijkhouderschap in de huisartsenzorg, persoonsgericht en dichtbij patiënten, moet aantrekkelijker gemaakt worden zodat de stap daarnaartoe meer en makkelijker wordt gezet. De maatregelen in het IZA moeten daartoe bijdragen. Daarbij is het belangrijk dat ook het waarnemerschap in zzp-vorm mogelijk is en een volwaardige manier om het huisartsenvak uit te oefenen. Zonder waarnemers is het onmogelijk om de huisartsenzorg toegankelijk te houden en het is voor huisartsen in hun carrière belangrijk om deze mogelijkheid te hebben.

Integraal Zorgakkoord 2022 | 87

d. Binnen alle branches in zorg en welzijn zijn per 1-1-2024 werkafspraken gemaakt waarin de verantwoordelijkheden tussen medewerkers in loondienst en zzp’ers helder en eerlijk verdeeld zijn, o.a. rondom ANW-diensten, scholing en beloning. • Hierbij wordt waar dit kan een koppeling gelegd met de eisen zoals deze conform cao’s al voor werknemers gelden. Bepalingen voor zzp’ers mogen hiervan maximaal een nader vast te stellen – in redelijke verhouding tot hun ondernemerschap staande – ‘bandbreedte’ afwijken. In overleg met zzp-koepels wordt de reikwijdte van de ‘CAO-bepalingen’ vergroot naar zzp’ers. • De governancecode zorg zal hierop worden aangepast. e. Beroepsverenigingen vertalen de gemaakte afspraken over gelijke verdeling van verantwoordelijkheden, zoals de ANW-diensten, op passende wijze naar hun ‘interne richtlijnen’. f. VWS start een verkenning naar eventueel benodigde verankering van bovenstaande uitgangspunten in wet- en regelgeving. Daarbij wordt onder meer gekeken naar de Wtza en de kwaliteitsregisters voor verschillende beroepsgroepen. In overleg met ACM en SZW zal ook de mogelijkheid worden onderzocht van koppeling van zzp-tarieven aan CAO-lonen indien de onderhandelingsmacht in belangrijke mate bij zzp’ers ligt (net zoals zzp’ers bij beperkte onderhandelingsmacht gezamenlijk een koppeling met CAO-lonen mogen afdwingen).

Tot slot zullen mogelijke perverse gedragseffecten in ogenschouw worden genomen - zoals een vlucht naar ongecontracteerde zorg – en maatregelen om dit tegen te gaan. De brede verkenning wordt uiterlijk 1-1-2024 opgeleverd. g. De acties onder c tot en met f houden verband met elkaar. Partijen overleggen periodiek met elkaar om de acties op elkaar af te stemmen.

5.

Sociale en technologische innovaties

Partijen onderschrijven de noodzaak van het breed uitrollen en implementeren van gebleken effectieve innovaties. Daarbij is het lange termijn streven erop gericht om langs de lijn van passende zorg als norm arbeidsbesparende innovaties te betrekken bij de verbetering en verbreding van de toets op het basispakket. Vooruitlopend op het betrekken van arbeidsbesparende innovaties in de verbetering en verbreding van de toets op het basispakket, hanteren partijen voor de periode t/m uiterlijk 2024 een (nader te bepalen) overzicht van bewezen effectieve (sociale en technologische), arbeidsbesparende innovaties, die zorgaanbieders betrekken in hun transformatieplannen zoals omschreven onder ‘inzet transformatiemiddelen via zorgverzekeraars’. De regionale werkgeversorganisaties zoals landelijke verenigd in Regioplus worden op de transformatieplannen aangesloten.

88 | Integraal Zorgakkoord 2022

Uitgangspunten voor het plan a. Tot en met 2025 wordt via een menukaart de implementatie van in de praktijk gebleken effectieve werkvormen en innovaties, bijvoorbeeld zoals gedefinieerd door het nog op te richten landelijk Kenniscentrum, en zolang dit nog niet actief is, wordt het ZN Kenniscentrum Digitale zorg/vliegwielcoalitie, gestimuleerd. De eerste versie van deze menukaart wordt eind 2022 opgeleverd zodat zorgaanbieders deze tijdig kunnen betrekken in de uitwerking van hun transformatieplannen. Vervolgens wordt de menukaart iedere ieder half jaar geüpdate door het nog op te richten landelijk kenniscentrum digitale zorg. De transformatiemiddelen via zorgverzekeraars worden ingezet om deze innovaties breed te kunnen uitrollen en implementeren. b. Deze innovaties dienen vanaf 2025 te gaan renderen en tot een positieve business case te leiden, in de zin dat het bijdraagt aan het kunnen voldoen aan de zorgvraag en/of het vergroten van de professionele ruimte van professionals. c. Er wordt door zorgaanbieders blijvend geïnvesteerd in het ontwikkelen en implementeren van nieuwe werkvormen waarbij de zorgprofessional altijd inspraak heeft en ruimte en tijd krijgt om transformaties van zorg te laten slagen. d.

Beroepsprofielen, opleidingsprofielen en functieprofielen worden voor 1 januari 2025 toekomstbestendig gemaakt en gemeenschappelijk uitgelijnd, zodat competenties aansluiten bij de zorgvraagontwikkeling en anders werken. Dit zowel in het kader van leven lang ontwikkelen als voor de inzetbaarheid van zorgprofessionals. Zorgverleners denken hierbij mee. e. Randvoorwaarde is dat de burger erop moet worden voorbereid dat andere manieren van werken maken dat de zorg anders wordt en dat je bijvoorbeeld op minder gebruikelijke tijden of langs digitale weg geholpen wordt. f. Verzekeraars stellen een leidraad op ten behoeve van het organiseren van meer inhoudelijke congruentie in de inkoop en de bijbehorende voorwaarden, waar het gaat om de inzet van sociale en technologische innovaties als deze bijdraagt aan de maatschappelijke opgave. De contractering(svorm) en prijsstelling an sich is aan de individuele zorgverzekeraar en de zorgaanbieder(s). g. Draagvlak en betrokkenheid van zorgprofessionals bij andere manieren van werken zijn randvoorwaardelijk. h. Zorgopleidingen zorgen voor voldoende aandacht voor (sectoroverstijgende) innovatieve werkvormen en digitale vaardigheden en mogelijkheden voorkomen van zorg. i. Er worden uiterlijk Q2 2023 nadere concrete afspraken gemaakt om zorg te dragen dat bekwame professionals goed inzetbaar zijn.

Flexibele inzet, taakherschikking en jobcrafting zijn mogelijke vormen, waarbij het uitgangspunt is dat stabiele basisberoepen leiden tot langdurig behoud en inzetbaarheid in meerdere zorgsectoren.

6.

Opleiden en begeleidingscapaciteit

Naast werken aan behoud dient de instroom van zorgprofessionals op peil te blijven om de uitstroom van medewerkers – onder meer door pensionering – op te kunnen vangen. In dat kader spreken partijen het volgende af: a. Onder de voorwaarde dat er voldoende financiële middelen beschikbaar zijn volgt VWS de voorkeursvariant uit het advies van het Capaciteitsorgaan ten aanzien van de centraal bekostigde opleidingen. b. Daar waar sprake is van achterblijvende instroom ten opzichte van het advies van het Capaciteitsorgaan zorgen werkgevers voor een opschalingsplan waarmee de instroom in deze opleidingen tussen nu en 2025 wordt verhoogd tot het geadviseerde niveau. Waar nodig worden daarvoor opleidingsmiddelen anders ingezet. c. Partijen maken werk van flexibel en modulair opleiden, met als doel dat de inrichting van de opleidingen aan blijft sluiten op de continu veranderende zorgvraag en samenleving. Specifiek voor de verpleegkundige vervolgopleidingen geldt dat VWS samen met de NZa, NFU, NVZ, V&VN en CZO verkent of de bekostiging via beschikbaarheidsbijdragen per 2024 aangesloten kan worden op de recent aangepaste modulaire inrichting van de opleidingen. De middelen hiervoor worden uit het budgettair kader afgezonderd. d. Partijen spreken af dat er een kostendekkende vergoeding voor stagebegeleiding komt via de beschikbaarheidsbijdrage.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12083935/1