CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

A - 33 Zorg en Maatschappelijke Ontwikkeling (47) Integraal zorg akkoord

RAAD 30 november 2022, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van het Integraal Zorg AkkoordVN2022-03726560.266 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 7

Anderzijds vinden partijen het belangrijk om wel een aantal landelijke kaders mee te geven aan de regio’s om mee te nemen in de inventarisatie en monitoring, gezien het belang van voldoende capaciteit voor bepaalde zorg. De inventarisatie en monitoring wordt uitgevoerd door de reeds bestaande regiotafels voor de wachttijden-. In deze inventarisatie worden in ieder geval de volgende zorg meegenomen: • Klinische specialistische ggz (regionaal) in het kader van WVGGZ (inclusief eventuele MPU of PAAZ/PUK in regio) • Eventuele HIC en KIB-voorzieningen • Klinische en ambulante specialistische ggz: hoog complex-laag volume zorg (voor bijzondere doelgroepen, die regionaal door éen of zeer weinig partijen worden aangeboden) • Beveiligde klinische zorg (niveau 2,3,4), (regionaal en bovenregionaal) • Bovenregionale ambulante en klinische hoog specialistische zorg • Bovenstaande is inclusief 18- /18+, jongvolwassenen en volwassenen. De regiobeelden worden vervolgens landelijk verzameld; daarmee vindt ook een toets plaats op voldoende beschikbaarheid van bovenregionale voorzieningen. Op grond van deze inventarisatie werken zorgaanbieders, verzekeraars en gemeenten (op landelijk niveau) een handreiking uit die door partijen gebruikt kan worden voor a) het maken van

afspraken over de cruciale zorg en b) het monitoren van deze afspraken. In deze handreiking willen partijen de volgende aspecten uitwerken: • Bepalen wat we verstaan we onder cruciale zorg. • Bepalen hoe we de cruciale zorg vanuit het perspectief van de zorgvraag én het zorgaanbod transparant kunnen maken. • Bepalen welke (deel van de) cruciale zorg aangemerkt kan worden als regionale zorg en welk (deel) als bovenregionaal en welke functies zijn alleen landelijk (dus enkelvoudig) beschikbaar. De handreiking wordt opgesteld en vastgesteld met betrokkenheid van de beroepsverenigingen en MIND. Uitvoeringsfase regionaal zorgaanbod (vanaf 2023): • Op basis van de kaders in de handreiking wordt in de vorm van een regiobeeld in kaart gebracht wat de zorgvraag en het zorgaanbod van de cruciale zorg in de regio is. Hierbij is er ruimte voor regionale verschillen op basis van de zorgvraagbehoefte in die regio. • De twee (waar nodig drie) grootste verzekeraars nemen namens alle verzekeraars deel aan het regionale overleg en gezamenlijk worden de ontwikkelingen in de zorgvraag en het zorgaanbod besproken (gemiddelde opnameduur, enz.) en vertaald naar een regiobeeld waarin de gewenste inrichting van het zorglandschap wordt beschreven. • De uitkomsten van het regionale overleg (vastgelegd in het regiobeeld) worden door de zorgverzekeraars gevolgd in de individuele zorginkoop.

• Deze regiobeelden worden per regio vastgesteld door verzekeraars, aanbieders en gemeenten en landelijk bekend gemaakt. Uitvoeringsfase boven regionaal en landelijk (uniek voorkomend) zorgaanbod: • Op basis van de kaders in de handreiking is er een overzicht van het bovenregionale (uniek voorkomende) aanbod en wordt transparant wat de benodigde cruciale GGZ-functies zijn. • Voor de bespreking van het bovenregionale en landelijk uniek voorkomende zorg dient een landelijke tafel gecreëerd te worden (= aansluiten bij de landelijke stuurgroep wachttijden) om te bepalen wat het noodzakelijke zorgaanbod moet zijn en waar deze het beste georganiseerd moet worden. Deze landelijke tafel wordt geadviseerd door de reeds bestaande acht bovenregionale casuïstiektafels voor hoogcomplexe zorg (mede op basis van de hoeveelheid behandelde casuïstiek door deze tafels). De uitkomsten van dit overleg zullen in ZN-verband door de gezamenlijke zorgverzekeraars besproken worden.

Integraal Zorgakkoord 2022 | 61

•

•

Bij akkoord zullen de uitkomsten van deze afstemming door verzekeraars vertaald worden naar de individuele inkoop. Als er halverwege het jaar een urgente situatie ontstaat door mutaties op de bovenregionale cruciale functies (nadat zowel aanbieders als verzekeraars hun plichten zijn na gekomen), dan wordt dit tijdig besproken op regionaal en/of landelijk niveau.

62 | Integraal Zorgakkoord 2022

verstandelijk gehandicapten, eerstelijnsverblijf en geriatrische revalidatie17. Goede zorg aan (kwetsbare) mensen vraagt er om dat er voldoende zorgverleners zijn, die voldoende tijd hebben voor hun patiënten, die elkaar in de wijk kennen, weten wat ze aan elkaar hebben en elkaar helpen. Huisartsen en andere eerstelijns zorgverleners die in elke wijk aanwezig zijn, zijn dan samen in staat om hun populatie te kennen en een groot deel van de veelvoorkomende zorgvragen op te lossen. Wanneer het nodig is, moet gemakkelijk en laagdrempelig de aanvullende expertise van een specialist ouderengeneeskunde, van een arts VG, uit de ggz of uit medisch specialistische zorg kunnen worden ingeschakeld. Wanneer een kwetsbare oudere tijdelijk niet thuis kan zijn moet snel en eenvoudig een bed te vinden zijn voor een tijdelijke opname voor herstel of revalidatie.

Onderdeel E. Versterking organisatie eerstelijnszorg16 Opgave voor de eerstelijnszorg De toegankelijkheid van de zorg staat onder druk. Dat plaatst ook de eerstelijnszorg voor urgente vraagstukken. Borging van houdbaarheid van het stelsel begint bij het toekomstbestendig maken, organiseerbaar houden van de eerste lijn; met behoud van de laagdrempelige en snelle toegang en de hoge kwaliteit van eerstelijnszorg die we in Nederland gewend zijn. Als gevolg van de vergrijzing, de beweging naar passende zorg en omdat mensen langer thuis blijven wonen, zullen steeds meer mensen voor complexere zorgvragen een beroep doen op eerstelijnszorg: de zorg van huisartsen, apothekers, paramedici, wijkverpleging, specialisten ouderengeneeskunde, artsen voor

Deze tekst is opgesteld door PFN, LHV, InEen, V&VN, Zorgthuisnl, Actiz, ZN en

17

VWS, met consultatie van KNGF, PPN, KNMP, Verenso, NVAVG, FMS, NVZ, VNG,

Ook geboortezorg en mondzorg zijn belangrijke vormen van eerstelijnszorg. Inhoudelijke afspraken daarover vallen echter niet binnen de scope van dit thema.

Zorginstituut, NZa en IGJ.

Overige zorgverleners eerstelijnszorg

Farmaceutische zorg

iaal domein Soc

Wijkverpleging

Paramedici l derdee IZA-on rking in e w l dome samen arts - sociaa is u ggz - h

Burger/ patiënt

or g

Z

Huisartsenzorg

zorg

(WO

ZO)

gd

ur ig

eren

La n

V EL

en

ez

GR

ch zorg dis Me tische lis cia

spe

Oud

SO en AVG

Geestelijke gezondheidszorg IZA-o nder de Ande rhalv el elijns zorg

16

De eerstelijnszorg heeft ook een rol bij het dichten van de gezondheidskloof, met name in het herkennen en signaleren van factoren die kunnen leiden tot zowel onder- als overbehandeling: kwetsbaarheid door leefomstandigheden, armoede, taalproblemen, een verminderd vermogen tot het voeren van regie en/of mindere gezondheidsvaardigheden. Voor patiënten die kwetsbaar zijn door hun sociaal-economische

Integraal Zorgakkoord 2022 | 63

omstandigheden is samenwerking tussen het medisch domein en het sociaal en publiek domein essentieel om tot echte oplossingen voor zorgen en vragen te komen. De opgave om meer zorg te kunnen blijven verlenen aan een hoger aantal kwetsbare patiënten betekent, gegeven de grenzen aan de groei van menskracht, ook een opgave om gezondheidsproblemen te voorkomen en om (eenvoudige) zorgvragen slimmer te beantwoorden. Dit vooral door in te zetten op preventie, en door het bieden van meer mogelijkheden voor patiënten om zelf antwoorden op hun vragen over gezondheid en zorg op te zoeken, met aandacht voor de rol en mogelijkheden van mantelzorgers, met duidelijkheid voor patiënten bij welke zorgverlener ze het beste kunnen aankloppen voor hun vraag en mogelijk met een passende doorverwijzing van patiënten vóórdat zij in de spreekkamer zitten. Dit beeld van goede zorg vraagt ook om meer ruimte voor de professional en de patiënt om samen te beslissen welke zorgkeuzes optimaal bijdragen aan gezondheid en kwaliteit van leven. Professionals moeten hierbij worden ondersteund en ontzorgd en in hun dagelijkse samenwerking met collega professionals worden gefaciliteerd door onderliggende samenwerkingsafspraken op wijk-, regio- en landelijk niveau, zowel binnen de eerstelijnszorg als met andere deelsectoren en domeinen.

In de ontwikkeling van ondersteuning en samenwerking, en de juiste randvoorwaarden daarvoor, moet structureel worden geïnvesteerd.

1. •

•

•

•

•

•

Belemmeringen De eerstelijnszorg is grotendeels kleinschalig en monodisciplinair georganiseerd. Dat betekent dat patiënten die zorg nodig hebben van meerdere professionals daardoor ook vaak te maken hebben met meerdere zorgaanbieders. Het delen van informatie en het voeren van regie om integrale, afgestemde zorg te ontvangen rust daarbij nog te vaak en te veel op de schouders van (kwetsbare) patiënten en hun naasten en dit is voor veel mensen niet te realiseren. De huidige structuur van de eerstelijnszorg betekent tegelijkertijd dat er veel op individuele zorgverleners aankomt. Zij moeten zelf hun praktijkvoering organiseren, ICT-systemen inkopen, innovaties implementeren en afspraken maken met andere zorgaanbieders en met zorginkopers. Dit leidt ertoe dat zorgverleners steeds minder met zorgverlening en steeds meer met randzaken bezig zijn. De eerstelijnszorg is voor andere partijen die willen bijdragen aan betere organisatie van zorg en juiste zorg op de juiste plaats (ziekenhuizen, UMC’s, ggz-aanbieders, gemeentes, zorgverzekeraars) niet altijd goed aanspreekbaar. Ook het optimaal inzetten van beschikbare menskracht in de eerstelijnszorg lukt niet goed genoeg. De huisarts staat als spil van de zorg onder grote druk. In verschillende regio’s is de druk al zo hoog dat patiënten er niet altijd in slagen om zich in te schrijven bij een huisartsenpraktijk. Ook bij

64 | Integraal Zorgakkoord 2022

disciplines waar de huisarts veel mee samenwerkt bestaat schaarste (zoals wijkverpleging, specialist ouderengeneeskunde, arts VG, ggz-professionals). Het aanbod van andere grote beroepsgroepen om de werklast te delen wordt beperkt benut (zoals paramedici en apothekers). Wet- en regelgeving stimuleren een beter georganiseerde eerstelijnszorg niet voldoende. Budgettaire kaders en bekostiging van de eerstelijnszorg verschillen per beroep en/of zorgaanbod en bevatten prikkels voor productie in plaats van samenwerking. De prikkels in het financieringssysteem van de Zvw zijn vooral gericht op het realiseren van doelmatigheid en kostenreductie van de individuele sectoren en (nog) niet voldoende op kwaliteit en samenhang van zorg. De wettelijke kaders maken een grote groei van het aantal zorgaanbieders mogelijk. Een veelheid aan (kleine) aanbieders (bijvoorbeeld in de wijkverpleging en de paramedie) leidt tot problemen in de organiseerbaarheid van samenwerking. De inkoop geschiedt gesegmenteerd, in het verlengde van de budgettaire kaders, en stuurt onvoldoende op samenhang en samenwerking in wijk en regio. Voor eerstelijnszorg zijn in de afgelopen jaren waardevolle kennis- en kwaliteitsprogramma’s gestart, maar er zijn geen structurele middelen voor onderzoek of voor ontwikkeling van kwaliteitsstandaarden voor alle beroepsgroepen.

Ook zijn de mogelijkheden voor dataverzameling en -analyse suboptimaal. Dit zorgt voor een ongelijke startpositie van beroepen bij de doorontwikkeling van vakmanschap en het voldoen aan de eisen van passende zorg.

Ondanks al deze belemmeringen zien we in regio’s en binnen beroepsgroepen mooie voorbeelden die laten zien hoe samenwerking en organisatie op lokaal niveau en regionaal niveau leiden tot betere zorg en meer werkplezier. Dat inspireert ons bij ons toekomstbeeld. Daarvoor willen wij aan het werk en met leiderschap goede keuzes maken.

2.

Ambitie

Wij willen werken aan een eerstelijnszorg: • die blijvend beschikbaar en toegankelijk is voor iedereen • waar schaarse personele capaciteit efficiënt wordt ingezet • die begrijpelijk en goed vindbaar is voor alle patiënten • die zorg biedt die gericht is op het verhogen van gezondheid en kwaliteit van leven • waar patiënten snel door de juiste hulpverlener worden gezien en waar zorgverleners voldoende tijd hebben voor de patiënt • waar extra aandacht is voor mensen met grotere gezondheidsrisico’s en verminderde gezondheidsvaardigheden • waar mensen met een verminderd vermogen tot het voeren van eigen regie in beeld zijn en geholpen worden • waar patiënten en naasten samen met professionals beslissen over de juiste zorg en ondersteuning en vooruitdenken

wanneer dat nodig is (Advance Care Planning) die integrale, afgestemde zorg van hoge kwaliteit biedt aan mensen met een complexe zorgvraag en daarop aanspreekbaar is die per beroepsgroep en gezamenlijk goed is georganiseerd op lokaal en regionaal niveau die in staat is om effectief samen te werken met andere deelsectoren en domeinen en in staat is om afspraken te maken over zorg in de regio waar zorgverleners met plezier werken waar samenwerken de norm is en dit ondersteund wordt door regelgeving, bekostiging en inkoop waar zorgverleners worden ondersteund op het gebied van o.a. bedrijfsvoering, ICT en innovaties waar patiënten (digitaal) toegang hebben tot hun eigen gegevens en gebruik kunnen maken van digitale diensten van de eerstelijnszorg waar zorgverleners digitaal vaardig zijn en actief digitale vormen van zorg aan patiënten aanbieden waar beschikbare budgetten doelmatig en doeltreffend worden benut.

•

• •

• • •

• •

3.

Afspraken

1. Visie en plan van aanpak a. Voor het einde van 2022 werken Patiëntenfederatie, LHV, InEen, ZN, Actiz, V&VN, Zorgthuisnl samen met KNMP, KNGF, PPN, Verenso, NVAVG en de VNG de bovenstaande ambities verder uit tot een visie op de eerstelijnszorg van 2030. Daarbij worden de FMS, NVZ en VGN actief betrokken. Ook VWS, de NZa, het Zorginstituut en de IGJ zullen worden betrokken. Hiervoor wordt onder leiding van VWS een proces ingericht dat start in september 2022. De visie zet de gewenste inhoud en beschikbaarheid van zorg centraal. Organisatie en bekostiging moeten daarbij ondersteunen. Bij de ontwikkeling van de visie wordt gebruikgemaakt van data-analyses over zorgvraagontwikkeling18, inzichten uit experimenten en innovaties, ontwikkeling van beroepscapaciteit en van kennis en expertise van zorgverleners en patiënten. b. Thema’s die in de visie worden geadresseerd zijn gericht op de kwaliteit van zorg en behandeling voor de patiënt, generalistisch waar het kan en specialistisch waar het moet. We geven speciale aandacht aan, op werkplezier en ruimte voor professionaliteit van zorgverleners, samenwerking binnen en over de domeinen en aan en op de houdbaarheid en toegankelijkheid van de eerstelijnszorg.

Nader uit te werken thema’s zijn in ieder geval: beheersen van instroom, en optimaliseren van doorstroom en uitstroom van patiënten, poortwachtersfunctie, digitaal en hybride werken, (opschaling van het) gebruik van zorgtechnologie, taakdelegatie en taakherschikking, efficiënte en effectieve tijdsbesteding van zorgprofessionals, ontzorgen van professionals, inzichtelijkheid van de beschikbaarheid

18

van en toegang tot zorg voor patiënten, elektronische gegevensuitwisseling, coördinatie van zorg, organisatievormen, realiseren van (regionaal) commitment op samenwerkingsafspraken en huisvesting. c. Bij deze visie hoort een gezamenlijk plan van aanpak tot 2026. Het plan bevat resultaatafspraken over concrete doelen en mijlpalen, de taken en activiteiten die daartoe in elke regio verricht moeten worden, inclusief afspraken over de verantwoordelijkheidsverdeling, inzet van middelen, monitoring en een escalatiemodel. In het plan worden de kaders vastgelegd waarmee regionale en lokale partijen op regio- en wijkniveau uitvoering kunnen geven aan het versterken van de organisatie van de eerste lijn. d. Voor het einde van 2022 brengt VWS samen met de NZa, het Zorginstituut en de IGJ, en met input van partijen, de knelpunten in kaart op het gebied van (sectoroverstijgende) samenwerking en netwerkvorming in aanspraken, bekostiging en andere wet- en regelgeving. Indien nodig wordt in het kader van mededinging de ACM betrokken en in het kader van privacywetging de Autoriteit Persoonsgegevens. Er zal worden onderzocht hoe de aanspraken en bekostiging kunnen worden aangepast om meer te prikkelen tot passende zorg en tot samenwerking en samenhang in de wijk en regio. Ook het recht van patiënten op afgestemde zorg en/of een norm voor samenwerking zijn onderwerp van aandacht.

Ook de uitkomsten van deze analyse worden verwerkt in het plan van aanpak. e. VWS onderzoekt met partijen of een andere vormgeving van multidisciplinaire zorg binnen de financiële kaders van de eerstelijnszorg bijdraagt aan het realiseren van de visie. Bijvoorbeeld doordat zorgverzekeraars via de inkoop beter kunnen sturen op versterking van de organisatie van de eerstelijnszorg. Afhankelijk van de uitkomsten van dit onderzoek, treft VWS voorbereidingen om de vormgeving van de budgettaire kaders te wijzigen. VWS maakt over het tijdpad afspraken met betrokken partijen. De uitvoering van het plan van aanpak leidt ertoe dat er tussen 2023 en 2026 in elke regio in Nederland voortvarend gewerkt wordt aan de realisatie van de visie op de eerstelijnszorg van 2030 en er op basis van resultaatafspraken concrete stappen worden gezet. In elke regio staat de inzet en uitvoering in verbinding met het voorwerk dat al is gedaan. Denk aan de bouwstenen voor regionale organisatie van Hechte Huisartsenzorg, de herkenbare en aanspreekbare teams wijkverpleging en de ontwikkeling van de organisatiegraad in de paramedie en farmaceutische zorg. De regioplannen en regiobeelden voor de eerste lijn zijn congruent met de bredere regiobeelden die worden ontwikkeld (thema regionale samenwerking). Burgers/patiënten worden bij de planontwikkeling betrokken.

Zorgverzekeraars kopen de eerstelijnszorg in regionale en lokale samenhang in, in lijn met de gemaakte afspraken in de regio. Zorgverzekeraars maken

De NZa biedt hierbij ondersteuning.

Integraal Zorgakkoord 2022 | 65

duidelijk hoe en onder welke voorwaarden zij de inkoop van toekomstbestendige eerstelijnszorg structureel en in lijn met de visie gaan vormgeven. In het licht van de nadere concretisering en uitwerking van de visie en het plan van aanpak maken partijen al de onderstaande afspraken. In het plan van aanpak worden hierover concrete resultaatafspraken gemaakt. Uitgangspunt is dat deze bijdragen aan de hier geformuleerde ambities ten aanzien de eerstelijnszorg. 2. Over het optimaal benutten van beschikbare personele capaciteit en expertise Met een toenemende zorgvraag en een krappe arbeidsmarkt, zal de beschikbare capaciteit in de eerstelijnszorg optimaal benut moeten worden. Hierbij richten we ons zowel op het verminderen van (onnodige) instroom, het verbeteren van de doorstroom als op het slimmer inzetten van de in de eerste lijn beschikbare professionals: a. Goede digitale tools kunnen mensen helpen om in te schatten of het nodig is om een beroep te doen op zorg en ondersteunen daarnaast Samen Beslissen. Daarom zetten partijen in op de doorontwikkeling en stevigere inbedding in het zorglandschap van digitale (zelfzorg)middelen, zoals thuisarts.nl en apotheek.nl of andere ehealth-applicaties. Zo wordt onnodig beroep op eerstelijnszorg voorkomen.

Er zijn financiële middelen binnen het IZA beschikbaar en VWS maakt over de voorwaarden waaronder deze middelen ingezet kunnen worden in 2022 afspraken met onder andere NHG, FMS, Patiëntenfederatie en ZN. Ook zal waar nodig worden afgestemd met de VNG om de verbinding met het gemeentelijk domein te leggen. De afspraken gaan in ieder geval in op de governancestructuur, cofinanciering en samenwerking met private partijen. Voorwaarde is dat de digitale middelen gepast gebruik van zorg bevorderen. b. Het water staat huisartsen en hun medewerkers aan de lippen. VWS, zorgverzekeraars en huisartsenpartijen zien de urgentie om de werkdruk op korte termijn te verlichten. Dat vraagt een andere organisatie van de zorg, waarover in deze en andere paragrafen afspraken worden gemaakt. Binnen de huisartsenzorg moeten instroom en doorstroom geoptimaliseerd worden. Huisartsen moeten ruimte in hun hoofd en in hun agenda hebben om de zorg voor hun patiënten goed te organiseren; het praktijkhouderschap moet aantrekkelijk blijven. Alle partijen zien in dit kader het belang van Meer Tijd Voor de Patiënt (MTVP) in de huisartsenpraktijk om de huisartsenzorg toekomstbestendig te houden. Meer tijd voor patiënten in het spreekuur en de praktijk is een middel waarmee verwijzingen naar de 2e lijn, medicatie en diagnostiek beperkt kunnen worden en de kwaliteit van zorg kan verbeteren.

Het is daarmee in lijn met passende zorg en de doelstellingen

66 | Integraal Zorgakkoord 2022

van het IZA. Ook kan ‘onnodige’ huisartsenzorg worden vermeden als er betere doorverwijzing is naar het sociaal domein, welzijnswerk in de wijk en zelfzorg beter tot stand komt. Tegelijkertijd kan het helpen de werkdruk in de huisartsenzorg te verlagen en het werkplezier te verhogen. Bovendien leidt het tot meer tevredenheid bij de patiënten. Bij de totstandkoming van MTVP gaat het om een combinatie van maatregelen, zoals meer inzet van extra FTE huisarts of ander personeel, taakherschikking, optimalisatie van de praktijkvoering, vermindering van administratieve lasten, samenwerking met andere zorgprofessionals en met het sociaal domein en digitalisering. Over al deze onderwerpen worden in dit akkoord afspraken gemaakt. Vormgeving ervan kan per praktijk en regio verschillen maar mag niet leiden tot verschillen in het basisaanbod voor patiënten. LHV, InEen, ZN en VWS spreken af de komende jaren de implementatie van MTVP in de huisartsenpraktijk en betreffende huisartsenregio’s verder op te schalen: • De door VWS beschikbaar gestelde groei van de kaders huisartsenzorg en multidisciplinaire zorg in de periode 2023-2026 en daarnaast de specifiek beschikbaar gestelde middelen vanuit het coalitieakkoord voor MTVP en (sectorale) transitiemiddelen, bieden partijen voldoende financiële ruimte om structureel voor alle huisartsenpraktijken en in alle regio’s MTVP te reali­ seren.

• Uit de middelen voor het coalitieakkoord voor ‘meer tijd voor huisartsen’ wordt het aantal opleidingsplekken voor huisartsen per 2023 met een ingroeimodel verhoogd. In gesprek met zowel opleiders als LHV bespreekt VWS hoe en in welk tempo dit te realiseren is en hoe een goede verdeling over het land kan worden geborgd. Daarbovenop wordt in de periode 2023-2025 een tijdelijke impuls gegeven om het aantal opleidingsplekken voor verpleegkundig specialisten en physician assistants in de huisartsenzorg te verhogen. De verwachting is dat hiermee in de komende drie jaar extra werkplekken kunnen worden gerealiseerd. Streven is dat deze extra opgeleide professionals bijdragen aan meer tijd voor de huisarts én de patiënt in de huisartsenpraktijk. • Huisartsen, regionale huisartsenorganisaties (RHO’s) en zorgverzekeraars spreken af dat de beschikbare budgettaire ruimte wordt ingezet voor de realisatie van MTVP in de huisartsenpraktijk en ondersteuning van de RHO daarbij, met als doel om voor alle 17 miljoen Nederlanders passende tijd te organiseren. Dat moet uiterlijk in vier jaar bereikt zijn. Per jaar komt MTVP beschikbaar voor in ieder geval 4,3 miljoen ingeschreven patiënten (ION). Alle zorgverzekeraars bieden MTVP aan in de contractering voor 2023. Bekostiging van de huisartsenpraktijk gaat in 2023 via het S3 segment. Bekostiging van de RHO gaat vanaf 2023 via de O&I afspraken.

•

•

• •

•

Groeimodel: De afspraak is dat huisartsenpraktijken en RHO’s kunnen starten mits zij voldoen aan een aantal voorwaarden. Die voorwaarden zijn zodanig geformuleerd dat ze een minimale horde vormen voor de praktijken die vanaf 2023 aan de slag willen en kunnen, maar wel zodanig dat de inzet van extra middelen ook daadwerkelijk tot extra tijd in de spreekkamer leidt. Het gaat hierbij om daadwerkelijk meer tijd in de praktijk, een lerende omgeving middels intervisie en een regionale aanpak met ondersteuning door de RHO. Daarnaast committeert de huisartsenpraktijk en de RHO zich aan het implementeren van een leidraad die eind 2022 wordt opgeleverd. Praktijken die starten met MTVP moeten zich in lijn met die leidraad de komende jaren doorontwikkelen. LHV, InEen en ZN leveren eind 2022 deze uitgebreide leidraad voor de verdere uitbouw van MTVP in de huisartsenzorg. Hierin wordt beschreven welke mogelijkheden, knelpunten, successen, randvoorwaarden en openstaande vragen er zijn en welke verantwoordelijkheden hierbij horen. Hierbij worden de inzichten uit het huidige versnellingstraject MTVP (uitgevoerd i.h.k.v. het hoofdlijnenakkoord huisartsenzorg 2019-2022) ook meegenomen. Partijen maken regionale afspraken over de monitoring van de beoogde effecten.

LHV, InEen en ZN spreken af dat de implementatie en financiering van MTVP op deze wijze vanaf 1 januari 2023 plaatsvindt bij huisartsenpraktijken en regionale huisartsenorganisaties die dit willen en kunnen. Zorgverzekeraars zullen daartoe initiatieven die voldoen aan de uitgangspunten en randvoorwaarden honoreren in de contractering. Huisartsen(organisaties) die hierbij hulp nodig hebben kunnen een beroep doen op externe ondersteuning bij die bureaus die aantoonbaar ervaring hebben en bewezen deskundig zijn met implementatie MTVP, om in overleg met de betreffende zorgverzekeraar tot een goede invulling te komen. Voor deze ondersteuning kan gebruik worden gemaakt van de middelen die voor de eerstelijns- en huisartsenzorg beschikbaar worden gesteld in dit akkoord. Om de implementatie van MTVP te vereenvoudigen, verzoekt VWS de NZa voor 1 juli 2023 met een advies te komen hoe MTVP via de bekostiging en regelgeving voor huisartsenzorg en multidisciplinaire zorg maximaal gefaciliteerd kan worden. De NZa zal dit advies afstemmen met partijen die bij de reguliere beleidscyclus van de NZa zijn betrokken. Doel is om eventuele wijzigingen in de bekostiging te laten meelopen in de beleidscyclus voor 2024. Daarmee wordt de structurele bekostiging en de contractering van MTVP maximaal gefaciliteerd.

Indien wijzigingen nodig zijn die meer tijd vergen, wordt in overleg met partijen in 2024 al een betekenisvolle

c.

d.

e.

f.

g.

h.

i.

tussenstap gezet in de bekostiging. De NZa betrekt de op te stellen leidraad en de uitkomsten van het versnellingstraject bij haar advies. • De huisartsenpraktijken krijgen zo de garantie dat er continuïteit is in de afspraken, zodat zij de benodigde investeringen en verplichtingen voor langere termijn kunnen aangaan. • VWS vraagt de NZa om landelijke partijen te ondersteunen bij het in kaart brengen van de ontwikkelingen rondom MTVP en de implementatie van de leidraad gedurende de looptijd van dit akkoord. Op deze wijze kunnen partijen monitoren of de gewenste ontwikkelingen daadwerkelijk plaatsvinden. • Met deze afspraken creëren bovengenoemde partijen een vliegwiel voor MTVP om de huisartsenzorg overeind te houden. Aanvullend onderzoeken partijen de mogelijkheden om de beschikbare capaciteit van andere zorgverleners in de eerste lijn optimaal te benutten om de stijgende zorgvraag op te vangen en beschikbare competenties beter te benutten. Partijen onderzoeken de betere inzet van de expertise van het apothekersteam, op een manier en de plaats die aansluit bij richtlijnen en bij de behoeften van patiënten. De LHV, KNMP, ZN, de Patiëntenfederatie en VWS werken uit wat er nodig is om het apothekersteam in staat te stellen de huisarts te ontlasten door het optimaliseren van de farmaceutische zorgfunctie.

Zij maken over bovenstaande punten aanvullende afspraken in het voorjaar van 2023 via het Bestuurlijk Overleg Extramurale Farmaceutische zorg. Activiteiten rondom de rol van paramedische disciplines in substitutie, preventie, triage en diagnostiek, waaronder het actieprogramma en het opzetten van een kennis- en implementatiecentrum, worden voortgezet. Hierbij worden andere disciplines, zoals huisartsen en tweedelijns zorgverleners, betrokken. De pilot directe doorverwijzing vanuit de fysiotherapeut wordt, op voorwaarde van een positieve papieren pilot in 2022, in 2023 in de praktijk getoetst. Hierover worden afspraken gemaakt tussen KNGF, PPN, ZN, Patiëntenfederatie, FMS (NOV), LHV, InEen en VWS. Voor de medisch-generalistische zorg aan mensen met een verstandelijke beperking op het snijvlak van Zvw en Wlz werken LHV, VGN, NVAVG, V&VN en ZN verder in het verlengde van het convenant Randvoorwaarden en facilitering van medisch-generalistische zorg voor mensen met een beperking. Voor de medisch-generalistische zorg aan kwetsbare ouderen thuis en in woon-zorgsettings, op het snijvlak van Zvw en Wlz, maken LHV, InEen, Verenso en de Patiëntenfederatie een beschrijving van de gewenste kwaliteit van zorg. Deze partijen leggen vervolgens samen met ActiZ, Zorgthuisnl, V&VN en ZN in een convenant vast welke randvoorwaarden en facilitering hiervoor gerealiseerd worden. VWS stimuleert

Integraal Zorgakkoord 2022 | 67

en faciliteert de totstandkoming van de benodigde afspraken. Doel van deze aanpak is dat er niet-vrijblijvende afspraken worden gemaakt hoe de 24/7 beschikbaarheid van medisch-generalistische zorg voor kwetsbare mensen thuis, in een geclusterde woonvorm en in een instelling (regionaal) kan worden geborgd en dat op langere termijn de bestaande ongelijkheid en onduidelijkheid tussen mensen op een plek met- en zonder behandeling verdwijnt. j. In beide trajecten wordt gewerkt aan passende antwoorden op vraagstukken rond de verantwoordelijkheid van iedere professional bij multidisciplinaire samenwerking, eindverantwoordelijkheid, regiebehandelaarschap en de beschikbaarheid van de expertise van de SO en arts VG bij acute zorgvragen. k. In de komende jaren wordt geïnvesteerd in het opleiden en behouden van verzorgenden, verpleegkundigen en verpleegkundig specialisten in de wijk. Samen met het capaciteitsorgaan wordt geraamd hoeveel verzorgenden, verpleegkundigen en VS nodig zijn om de groeiende zorgvraag in de wijk op te vangen en worden loopbaanpaden ontwikkeld. Er wordt een extra impuls gegeven aan initieel opleiden voor de wijkverpleging. 3. Over organiseren en samenwerken a.

Lopende inzet op versterking van de organisatiegraad binnen de verschillende beroepsgroepen op wijk- en regioniveau wordt voortgezet, waaronder de afspraken rondom de herkenbare en aanspreekbare teams binnen de wijkverpleging en versterking van de organisatiegraad in de paramedische zorg en farmaceutische zorg. Een impuls hiervoor blijft ook in de komende jaren nog nodig. Voor de doorontwikkeling van de organisatiegraad van de paramedische zorg worden bestaande netwerken versterkt en uitgebreid. Aanspreekpunten per beroepsgroep zijn onmisbare bouwstenen om te komen tot een betere totale organisatie van de eerstelijnszorg als geheel. Hierover worden afspraken gemaakt tussen KNGF, PPN, ZN, Patiëntenfederatie, Actiz, Zorgthuisnl, V&VN, InEen, LHV en VWS. b. In de beweging naar Passende zorg dienen de patiëntstromen zo optimaal mogelijk te worden vormgegeven. Een betere doorstroom in de keten is hiervoor essentieel. Regionale coördinatie kan hieraan een bijdrage leveren. Daarom spreken partijen af dat regionale coördinatie van (sub)acute zorg en herkenbaar en aanspreekbare wijkverpleging verder wordt uitgebouwd. Vanuit de VVT zijn in de meeste regio’s regionale coördinatiefuncties opgezet voor tijdelijk verblijf in de vorm van eerstelijnsverblijf. In enkele regio’s is de scope verbreed met ook crisiszorg, Covid (na)zorg, Wlz respijtzorg en acute wijkverpleging.

• In samenwerking tussen ziekenhuis, huisartsenzorg en VVT worden deze coördinatiefuncties doorontwikkeld tenzij regionale andere afspraken worden gemaakt. In de regio wordt bepaald welke partij aanspreekbaar

68 | Integraal Zorgakkoord 2022

is om de coördinatie vorm te geven, dit is een van de regionale zorgpartijen in nauwe afstemming met de (marktleider) zorgverzekeraars. Deze uitwerking wordt afgestemd met ontwikkelingen in de (coördinatie van) ANW-zorg in de Wlz en het voornemen om een vereenvoudiging aan te brengen in de betaaltitels voor tijdelijk verblijf (WOZO). • Bij de verdere vormgeving wordt onderzocht of combinatie van coördinatie (sub)acute zorg en aanspreekbare en herkenbare wijkverpleging mogelijk en/of wenselijk is. Voor de zomer van 2023 dient hier helderheid over te zijn. Vaststaat dat bij de inrichting van de coördinatie, in welke vorm dan ook, dat te allen tijde inzicht is in de capaciteitsinformatie van verblijfsfuncties voor patiënt en professional, welke met de relevante partijen gedeeld wordt. • In deze doorontwikkeling wordt eveneens gewerkt aan het opstellen van samenwerkingsafspraken om te komen tot herkenbare en aanspreekbare teams in de wijk conform de landelijke vastgestelde ‘leidraad herkenbare en aanspreekbare wijkverpleging’. Hiermee wordt onder andere de onderlinge afstemming en coördinatie verbeterd en overzicht gecreëerd over wie welke capaciteit en specialismes beschikbaar heeft zodat voor cliënten, zorgaanbieders, gemeenten en zorgverzekeraars duidelijk is wie ze kunnen benaderen voor de wijkverpleging.

• Zorgcoördinatie vraagt om een bijpassend inkoopmodel, waarin geborgd is dat deze functies effectief en kostendekkend worden ingekocht; zowel inhoudelijk (kwaliteit, vormgeving en toegankelijkheid) als ook financieel doelmatig. Als blijkt dat de realisatie van deze coördinatie binnen de bestaande kaders van wet- en regelgeving niet goed tot stand komt, zal VWS onderzoeken of aanpassing van wet- en regelgeving noodzakelijk en mogelijk is. c. VWS, ZN, LHV en InEen en de VNG spannen zich in om voor de zomer van 2023 tot werkbare afspraken en een handreiking te komen over het oplossen van huisvestingsproblematiek van huisartspraktijken en gezondheidscentra, waar betaalbare huisvesting niet beschikbaar is, de bestaande huisvesting inadequaat is of nieuwe voorzieningen nodig zijn om de visie op de eerste lijn te realiseren. 4. Over inhoud en kwaliteit van zorg a. Het traject ‘passende aanspraak fysiotherapie en oefentherapie’ wordt voortgezet. In het verlengde van de doelgroepen en doelen van dit IZA (of WOZO) kan er ook aandacht nodig zijn voor de verzekerde aanspraken van andere paramedische beroepsgroepen. b. De Handreiking Kwetsbare Ouderen Thuis wordt breed geïmplementeerd. Binnen het WOZO is ruimte voor implementatieondersteuning tot 2026. Via Versterking organisatie eerstelijnszorg werken we aan de randvoorwaarden voor

c.

d.

e.

f.

g.

h.

structurele borging, waaronder bekostiging van afstemming en coördinatie. Het advies dat de NZa hierover in het najaar van 2022 zal uitbrengen vormt de basis voor verdere stappen. De Handreiking Netwerksamenwerking en gezamenlijk indiceren in de wijk wordt breed geïmplementeerd. V&VN, VNG, ZN en VWS stimuleren en faciliteren vanuit landelijk niveau de lokale implementatie en werken aan de realisatie van randvoorwaarden voor borging in de praktijk. Goede voorbeelden van zorg op het snijvlak van de eerste en tweede lijn worden de norm en leiden daardoor tot resultaatafspraken met betrekking tot brede implementatie. LHV, FMS, V&VN, LHV, FMS, NFU, NVZ en ZN zetten zich de komende jaren in op bredere implementatie van goede voorbeelden van zorg op het snijvlak van eerste en tweede lijn (anderhalvelijnszorg, JZOJP). Ook Revalidatie Nederland wordt hierbij betrokken. Partijen maken hiervoor een gezamenlijk plan dat uiterlijk in het voorjaar van 2023 wordt vastgesteld door alle betrokken partijen. Hiervoor wordt onder leiding van VWS (en NZa) een proces ingericht. Ook bij dit onderwerp wordt een analyse gedaan van de rol van regelgeving en financiering bij het borgen en opschalen van goede voorbeelden. De lopende programma’s voor onderzoek en kwaliteitsontwikkeling in de eerstelijnszorg krijgen een passend vervolg tot 2026.

Dit vervolg zal worden afgestemd met de relevante beroepsgroepen, ZN en patiëntenorganisaties. VWS onderzoekt, in overleg met betrokken partijen, of en zo ja, hoe investeringen in onderzoek en kwaliteit daarna structureel geborgd en versterkt kunnen worden. We versterken daarbij ook de samenhang tussen deelprogramma’s. Binnen de Bestuurlijke Afspraken Paramedische Zorg 2019-2022 is het programma ‘Digitale gegevensuitwisseling Paramedische zorg’ opgezet. Partijen zijn het erover eens om dit programma uit te voeren. Indien binnen het IZA voldoende financiële middelen beschikbaar zijn, kan dit programma gerealiseerd worden. Met de LHV, InEen, ZN en VNG en andere relevante partijen worden afspraken gemaakt ter versterking van samenwerking en samenhang tussen de eerstelijnszorg en het sociaal domein, zoals bijvoorbeeld door ‘Welzijn op recept’.

beroep doen op middelen, met name voor inzet van menskracht. Ook wordt via het stimuleringsprogramma inzet van expertise rond organisatie en samenwerking beschikbaar gesteld. De uitwerking van programmaonderdelen en subsidievoorwaarden sluit aan bij de ontwikkeling van de visie en het plan van aanpak en loopt parallel. b. Een deel van deze beschikbare middelen kunnen ingezet worden voor flankerende opdrachten die nodig zijn om het plan van aanpak 2026 op te stellen en uit te voeren. c. VWS stelt – zoals beschreven in onderdeel K. Financiën - naast incidentele middelen via de budgettaire kaders 2023-2026 (waaronder huisartsenzorg en multidisciplinaire zorg) voldoende financiële ruimte ter beschikking voor de uitvoering van de beoogde plannen en samenwerkingsafspraken in alle regio’s.

5. Beschikbaarheid en inzet van financiële middelen Partijen, zoals huisartsenzorgorganisaties en andere eerstelijnszorgorganisaties, dienen over voldoende financiële middelen en menskracht te beschikken om beoogde plannen en samenwerkingsafspraken ten uitvoer te brengen. Het gaat hierbij zowel om tijdelijke als structurele middelen. a. Binnen het IZA zijn tot en met 2026 middelen beschikbaar voor een stimuleringsprogramma voor de (door)ontwikkeling van samenwerking en organisatie in de eerstelijnszorg. Het stimuleringsprogramma gaat op 1 januari 2023 van start. Via het stimuleringsprogramma kan elke regio een

Integraal Zorgakkoord 2022 | 69

het land zien we reeds wat een goede samenwerking binnen deze driehoek kan opleveren. We zien echter ook dat deze samenwerking veel vraagt van partijen en dat het systeem niet altijd stimulerend werkt.

Onderdeel F. Samenwerking sociaal domein, huisartsenzorg en ggz Veel mensen krijgen ergens in hun leven te maken met psychische klachten. Deze klachten kunnen ontstaan door (combinaties van) veel factoren zoals genetische aanleg, grote levensgebeurtenissen, gezinsproblematiek, het hebben van schulden, problemen met wonen en dagbesteding en – in de afgelopen jaren - de effecten van de coronacrisis. In sommige gevallen hebben mensen met psychische klachten hulp nodig. Zij doen daarvoor een beroep op ondersteuning en zorg in het sociaal domein, de huisartsenzorg en de ggz. Het aantal patiënten dat een beroep doet op voorzieningen binnen het sociaal domein, de praktijkondersteuner ggz van de huisarts en/of de basis- of specialistische ggz stijgt – met uitzondering van ‘coronajaar’ 2020 – al jaren.19,20 De toenemende vraag in combinatie met een schaarste aan personeel zet de ondersteuning en zorg aan mensen met psychische klachten vanuit het sociaal domein, huisarts en ggz onder hoge druk. De instroom, doorstroom en uitstroom in de specialistische ggz loopt niet soepel. Een van de effecten hiervan is dat er lange wachttijden bestaan voor de specialistische ggz, waardoor huisartsen lang verantwoordelijk zijn voor mensen met een complexe ggz-hulpvraag.

Professionals in het sociaal domein ervaren een toename van mensen met complexe problematiek die niet of niet tijdig in behandeling kunnen komen. Dit is niet bevorderlijk voor de hulpvrager, noch voor de kwaliteit van zorg en het werkplezier en de werkdruk van professionals. Tegelijkertijd zien we dat de ggz zich nog te vaak direct richt op behandeling van psychische klachten, die voortkomen uit problemen op andere levensgebieden die (deels) ook buiten de ggz opgepakt kunnen worden. Ook is het in de praktijk vaak moeilijk om – bijvoorbeeld bij de triage – snel de juiste expertise te organiseren. Kortom: er is nog lang niet in alle gevallen sprake van de juiste zorg of ondersteuning op de juiste plek. Een van de oorzaken hiervan is dat de samenwerking in de driehoek sociaal domein – huisarts/POH-ggz – ggz nog niet altijd en overal optimaal verloopt. Op sommige plekken in

19

Stijging gebruik voorzieningen binnen sociaal domein tot en met 2019, maar niet

De gezamenlijke opgave is dus om de ondersteuning en zorg voor mensen met psychische klachten anders en beter te organiseren (dichtbij, digitaal waar het kan, via zelfhulpmodules tenzij, zo vroeg mogelijk en in samenhang) zodat we ook in de toekomst kwalitatief goede ondersteuning en zorg kunnen blijven verlenen. Dit vraagt een betere domeinoverstijgende samenwerking tussen het sociaal domein, huisartsenzorg en de ggz, en in verbinding met wijkverpleging, ziekenhuizen en UMC’s, waardoor mensen eerder passende ondersteuning en zorg kunnen ontvangen. Hierbij moet ook oog zijn voor een stevige ‘sociale basis’: niet altijd is professionele ondersteuning of zorg immers het meest passende antwoord op een hulpvraag. Bij deze opgave spelen gemeenten - gezien hun brede verantwoordelijkheid in het sociale- en preventieve domein – een belangrijke rol.21 Afspraken

1.

Versterken sociaal domein en sociale basis

Bij een hulpvraag kijken we naar de mogelijkheden van eenieder, waarbij de regie over het eigen leven centraal staat. Dit doen we met behulp van het netwerk van naasten en professionals en met inzet van de mogelijkheden die er zijn in de wijk en digitaal in e-communities. In nauwe samenwerking met zorgen welzijnsorganisaties en in directe verbinding met de huisarts. a. We ontwikkelen en implementeren een passende lokale (waar nodig regionale) werkwijze die zorg en welzijn verbindt voor mensen met psychische klachten in de komende 5 jaar. Hierbij wordt voortgebouwd op de bestaande werkstructuur tussen de VNG en ZN. Voorbeelden van interventies die regionaal ingezet kunnen worden zijn: Welzijn op Recept 2.0, Welzijn op consult, Wally, Regionale cliëntenorganisaties in de ggz. b. We maken de afspraak om in de komende 5 jaar te komen tot een landelijk dekkend netwerk: • van laagdrempelige steunpunten zoals herstel- en zelfregiecentra waar iedere inwoner, met name mensen met EPA, toegang tot heeft: gerund door vrijwilligers en ervaringsdeskundigen, ondersteund door sociaalwerkers en in verbinding met ggz-professionals. Met een link/ aanspreekpunt naar huisartsen. Voor de inloopvoorzieningen worden IZA investeringsmiddelen aan gemeenten toegekend en aan de voorzetting van het landelijke stimuleringsprogramma Regie in de Regio.

Voor de opzet kan ook een beroep gedaan worden op de sector overstijgende-transitiemiddelen conform beschreven werkwijze van deze transformatiemiddelen.

alle kwetsbare groepen zijn goed in beeld | Nieuwsbericht | Sociaal en Cultureel Planbureau (scp.nl). 20

Kerncijfers ggz | Geestelijke gezondheidszorg (ggz) en forensische zorg (fz) | Nederlandse Zorgautoriteit (nza.nl).

70 | Integraal Zorgakkoord 2022

21

Zie ook: Propositie 'De winst van het sociaal domein' | VNG.

• van digitale lotgenotengroepen (e-communities) In het begeleidende proces zijn de volgende actoren betrokken: VWS, VNG, SWN, MIND, i.s.m. deNLggz, ZN, LHV, InEen. Monitoring en governance van de afspraken wordt ontwikkeld vanuit de nader uit te werken werkagenda sociaal domein-ggz, in aansluiting op de monitor psychische problematiek. Bij de uitwerking van deze afspraken wordt aangesloten bij het IZA thema preventie en leefstijl.

2.

Het verbeteren van de samenwerking tussen sociaal domein, huisartsenzorg en ggz-zorg

Door een aantal in het IZA genoemde maatregelen moeten de wachtlijsten en wachttijden in de GGZ fors dalen. Daarvoor is een aantal concrete maatregelen afgesproken tussen enkele partijen. Daarnaast is op tal van onderwerpen een sterke samenwerking tussen sociaal domein en GGZ-zorg noodzakelijk. De GGZ en de gemeenten hebben in aanvulling op het IZA een grote en bredere gezamenlijke maatschappelijke opdracht/ doelstelling te vervullen ten behoeve van: a. een mentale gezonde en vitale samenleving b. de hulp en ondersteuning aan kwetsbare inwoners in de gemeente én c. het samen zorgen voor de veiligheid van de inwoners van de gemeente in de driehoek van gemeente-GGZ-politie/ justitie. Daarbij is er vanwege de relatie met de jeugdwet, de Wmo en andere sociaal domein wetten een groot aantal andere onderwerpen tussen de GGZ-zorg en het sociaal domein waarin verbeteringen kunnen worden doorgevoerd. Gemeenten en de ggz vinden het van belang de thema’s voor de komende periode te benoemen en vast te leggen in een voorlopige werkagenda. Hiervoor wordt op korte termijn maar uiterlijk eind eerste kwartaal 2023 een werkagenda opgesteld, waarbij wordt aangesloten op de reeds bestaande ontwikkelagenda toegankelijkheid en wachttijden GGZ.

We maken in de komende tijd afspraken aan de hand van een groeimodel, over het voeren van verkennende gesprekken door goed opgeleide professionals waarbij er wordt afgewogen of GGZ zorg of inzet van sociaal domein nodig is , het inzetten van consultatie & overleg tussen de domeinen voor individuele cliënten, digitalisering en e-gegevensuitwisseling, het samen begeleiden van burgers met ernstige psychische aandoeningen, voldoende (veilige) huisvesting (in relatie tot het WOZO) voor kwetsbare burgers met ernstige psychische aandoeningen, samenwerking gedurende een traject van een cliënt met een

ondersteunings- en/of zorgvraag én het opzetten van regionale duurzame structurele samenwerkingsvormen. Door een betere samenwerking tussen huisarts, ggz en sociaal domein ervaart de cliënt dat zijn/haar hulpvraag sneller op de juiste plek opgepakt en wordt onnodige instroom in de ggz voorkomen. Professionals ervaren minder werkdruk door een duidelijke verantwoordelijkheidsverdeling en meer werkplezier, omdat zij snel en laagdrempelig de juiste expertise kunnen inschakelen. Ook in zorg- en ondersteuningstrajecten blijft de eigen regie van de inwoner uitgangspunt. In de samenwerkingsafspraken die regionaal worden gemaakt, wordt vastgelegd hoe en wanneer de domeinen elkaar consulteren (ook rondom een individuele client) en van elkaars expertise gebruik kunnen maken. Daarmee is dan o.a. direct contact mogelijk met behandelaren van patiënten door huisartsen. Voorbeelden: mentale gezondheidscentra van Breburg, GEM-initiatieven in Deventer en Doetinchem, netwerkpsychiatrie. Het vormgeven van mentale gezondheidscentra (werktitel) zal een sterke basis geven aan de veranderingen én is essentieel om te kunnen komen tot aanvaardbare wachtlijsten in de GGZ. Dat doen we op hoofdlijnen door: a.

In 2023 en 2024 wordt vanuit de huidige ervaringen en verder bouwend toegewerkt naar een zo uniform mogelijke en na behoefte regionaal ingevulde passende werkwijze (en organisatie), gericht op samenwerking tussen huisartsenzorg, ggz zorg en sociaal domein bij triage en samenwerking tijdens en na zorg- en ondersteuningstrajecten. Dit wordt ondersteund d.m.v. een leernetwerk in samenwerking met partijen, door ondersteuning van AKWA ggz. b. Zo borgen we duurzame samenwerkingsafspraken tussen huisartsenorganisaties, ggz organisaties en het sociaal domein. c. Per 2025 wordt de binnen AKWA ontwikkelde (uniforme) werkwijze toegepast in alle regio’s. Daarbij is de ambitie dat de patiënt binnen 1-2 weken wordt gezien voor het verkennend gesprek. De huisarts blijft de verwijzer. d. De inhoud van– en de route ná het verkennende intakegesprek geldt niet voor alle verwijzingen. Dit is voorlopig nader ingevuld In de nadere uitwerking van het verkennend gesprek wordt bekeken welke elementen uit de herstel-ondersteunende intake worden samengebracht. Deze opzet en werkwijze is verder uitgewerkt in de onderstaande tekst over de afspraken met betrekking tot mentale gezondheidscentra en regionale wachtlijsten.

Integraal Zorgakkoord 2022 | 71

in het kader van huisartsgeneeskundige zorg. De POH is huisartsenzorg en daarmee blijft het kwaliteitskader POHGGZ van de huisartsen. De GGZ deelt kennis en kunde met de LHV over de ontwikkelingen en noodzakelijke afstemming.

Het is een groei- en leermodel waarbij we met behulp van AKWA samen ontdekken wat de beste resultaten geeft rekening houdend met de lokale en regionale omstandigheden. De werkwijze wordt ontwikkeld door zorgaanbieders, zorgverzekeraars, het sociaal domein, een vertegenwoordiging van patiënten en professionals.

Uitgangspunten bij de uitwerking van het verkennend gesprek: a. Organiseren van bereikbaarheid buiten kantooruren voor betere patiëntenzorg, ter voorkoming van crisis en ter ontlasting van de huisartsenposten. De huisartsenposten worden in ANW-uren geconfronteerd met personen met niet-acute psychische klachten of met naasten die zich ernstig zorgen maken. Een huisarts kan dan niet direct een beroep doen op de ggz, aangezien de crisisdienst zich richt op acute psychiatrie. Terwijl juist een kort consult (telefonisch) met zowel de persoon als zijn naasten ervoor kan zorgen dat de situatie niet verergert.

• • • •

• De regievoerder in de regio voor acute ggz (om aansluiting tussen niet-acute en acuut goed te bewaren) organiseert zorginhoudelijke bereikbaarheid in de ANW-uren voor bestaande patiënten (niet acuut) en hun naasten en nieuwe mensen met psychische klachten (via huisarts) in overleg/ samenwerking met de HAP. De zorginhoudelijke bereikbaarheid kan bijv. via een telefonische hulplijn georganiseerd worden. Bij patiënten die in behandeling zijn bij de ggz instelling gaat het om de-escaleren en ondersteuning van de naasten. Bij personen met psychische klachten die niet bekend zijn (via huisarts of via meldpunt sociaal domein) gaat het om een vorm van ruggenspraak voor de huisarts of sociaal domein, eerste contact van patiënt met de ggz en de-escalatie van de problematiek. Hierin zijn verschillende modellen mogelijk afhankelijk van organisatie en wensen in de regio. De zorginhoudelijke bereikbaarheid in ANW-uren wordt op een doelmatige en efficiënte wijze georganiseerd, aansluitend bij al bestaande infrastructuren (zoals de crisisdienst). Deze ANW inzet naast de reeds bestaande bereikbaarheid in werkdagen resulteert in een 24 uurs bereikbaarheid van de ggz instelling voor de huisartsen. Onderzocht wordt welke modellen er zijn en wat de kosten zijn van een dergelijke functie met de wens om dit te bekostigen onafhankelijk van het geleverde volume.

We streven ernaar dat deze functie in alle regio’s per 2024 is geregeld. b. Per 2024 verhogen van het maximumaantal uren poh-ggz (+4 uur) per normpraktijk in segment 1 van de beleidsregel huisartsenzorg en multidisciplinaire zorg ten behoeve van netwerkzorg en het inzetten van e-health modules, beide

• •

er is geen eigen risico voor de patiënt als hij/zij niet wordt doorverwezen naar de tweedelijns ggz verbeteren van gezondheid en mentale weerbaarheid zo snel mogelijk passende zorg en/of ondersteuning voor client bekostiging, inkoop en verantwoording worden zo eenvoudig mogelijk ingericht; uitgangspunt is dat dit niet leidt tot een toename van administratieve lasten en zoveel mogelijk op regioniveau wordt georganiseerd. De huisarts is verwijzer en aanvrager naar het verkennend gesprek en behoudt de regie over de patiënt het verkennend gesprek komt ten goede aan de patiënt en verlicht de druk in de hele keten draagt bij aan verminderen van de instroom in de ggz de kerninstellingen hebben de regie voor het opzetten van het verkennend gesprek in samenwerking met de huisartsen en sociaal domein. Zij werken tevens samen met de ggz aanbieders in de regio

Partijen verwachten dat de inzet van professionals die het verkennend gesprek voeren grotendeels via het ggz-kader en sociaal domein kunnen worden gefinancierd. Daar waar (tijdelijke) financiering/bekostiging via het huisartsenkader nodig is voor snelle implementatie, worden hiervoor tijdelijke algemene transitiemiddelen uit het IZA ingezet tot kan worden aangesloten op het traject van de domein overstijgende betaaltitel. Om bovenstaande uitgangspunten te realiseren wordt het proces als volgt vormgegeven: 1. Het veld beschrijft (in een kwaliteitsstandaard of samenwerkingsafspraak) met behulp van het leernetwerk AKWA GGZ, NHG en samen met de VNG - een inhoudelijke uniforme werkwijze. 2. Veldpartijen onderzoeken met de NZA en VWS hoe het verkennend gesprek via de bestaande bekostiging of via een domeinoverstijgende betaaltitel kan worden gefinancierd. Met als uitgangspunt dat er geen eigen risico geldt voor de patiënt bij geen verwijzing naar tweedelijns ggz. Waar nodig wordt parallel advies gevraagd aan het Zorginstituut en zorgt VWS voor de benodigde ruimte in wet- en regelgeving als deze contrair zijn aan de uitgangspunten22. Parallel wordt aangesloten bij het traject domeinoverstijgende betaaltitel, zoals in het IZA is opgenomen. Deadline: voor de zomer van 2023.

22

Partijen verwachten vooral vraagstukken rondom het verkennend gesprek voor patiënten waarbij geen doorverwijzing naar de ggz plaatsvindt.

72 | Integraal Zorgakkoord 2022

3. Het veld zorgt na realisatie van (een) betaaltitel(s) voor de juiste randvoorwaarden (congruente contractering, registratie, controle, verantwoording – in lijn met de uitgangspunten van het thema regionale samenwerking). Hierbij worden dezelfde uitgangspunten toegepast als bij het traject van de bekostiging van de consultatiefunctie sociaal domein. Kerninstellingen, huisartsen en sociaal domein zijn voor bovenstaande afspraken primair aan zet. Zonder commitment van VNG/gemeenten zullen de samenwerkingsafspraken zich vooral beperken tot de huisartsenzorg en ggz. Het uitwerken van bekostigingsvraagstukken bij domeinoverstijgende samenwerking zal dan beperkt kunnen plaatsvinden. Daarnaast zijn de volgende actoren betrokken in begeleiding van het proces: deNLggz, ZN, VNG, LHV, InEen, MIND, SWN, VWS i.s.m. beroepsgroepen (ggz). Waar relevant wordt afstemming gezocht met de hervormingsagenda jeugd. Monitoring van deze afspraken wordt jaarlijks in kaart gebracht, waarbij gekeken wordt of verandering tot stand komt en welk effect wordt ervaren. Deze uitkomsten worden besproken in volgende bestuurlijke ggz-overleggen. Ook de governance van deze afspraken wordt nog nader vormgegeven.

3.

Wettelijke en financiële mogelijkheden domeinoverstijgende samenwerking

Bij de samenwerking tussen sociaal domein, huisartsenzorg en ggz is van belang dat inzichtelijk wordt gemaakt voor welke taken welke bekostiging (passende betaaltitels) nodig is, in aanvulling op het traject dat voor de consultatiefunctie reeds is opgestart. Nieuwe vormen van bekostiging van domeinoverstijgende samenwerking vragen om (IZA-brede) bestuurlijke besluitvorming. Projecten als de consultatiefunctie ggz voor het sociaal domein, de coördinatiefunctie en bekostiging van de levensloopaanpak voor beveiligde zorg worden hierin meegenomen. Voor de consultatiefunctie wordt toegewerkt naar een aparte declarabele prestatie voor de consultatiefunctie per 2024. In de komende maanden worden deze randvoorwaarden verder uitgewerkt. Wenselijke datum inwerkingtreding van eventuele nieuwe vormen van domeinoverstijgende bekostiging is 1-1-2024 (afhankelijk van eventuele wetswijzigingen en doorlooptijden van behandeling in het parlement).

Afspraak: Nieuwe vormen van bekostiging van domeinoverstijgende samenwerking vragen om (IZA-brede) bestuurlijke besluitvorming. VWS ondersteunt de ambitie om domeinoverstijgende samenwerking te intensiveren. Daartoe stelt VWS een werkgroep met relevante partijen in die met voorstellen komt met oplossingen voor de knelpunten in ‘domeinoverstijgende bekostiging’. Uitgangspunt is dat vervolgens gezamenlijk wordt toegewerkt naar nieuwe, toepasbare vormen van domeinoverstijgende bekostiging. Hierbij valt te denken aan indirecte tijd door (medewerkers van) zorgaanbieders bij domeinoverstijgende samenwerking en investeren dan wel bekostigen van het ene domein in het andere domein. Deze werkgroep definieert de scope van de knelpunten die worden verstaan onder ‘domeinoverstijgende bekostiging’ en werkt in ieder geval oplossingen uit voor: (i.) financieren van zowel betalingen als investeringen alsook het verdelen van baten die in een ander domein vallen in het algemeen en (ii.) consultatie, mdo, verkennend gesprek, coördinatie en medicatieadvies ggz (iii.) projectleiders samenwerkingsorganisaties en andere indirecte kosten en (iv.) indirecte tijd door medewerkers van zorgaanbieders en welzijnsorganisaties in het bijzonder. Uitgangspunt voor de werkgroep is om domeinoverstijgende bekostiging zoveel mogelijk aan te sluiten bij de bestaande kaders van de betrokken zorgaanbieder(s).

Voor de GGZ betekent dat zoveel mogelijk aansluiten bij de ZPM systematiek. Het doel moet zijn om domeinoverstijgende bekostiging in de uitvoer te versimpelen (dus met weinig/ minder lasten) en zoveel mogelijk zekerheid en duidelijkheid te geven over bekostiging. De werkgroep volgt een tijdpad zodanig dat de contractering van 2024 hierop kan worden aangepast. Primair moeten VWS i.s.m. NZa, het Zorginstituut, ZN en VNG hiervoor zorgdragen.

Integraal Zorgakkoord 2022 | 73

Afspraak Mentale gezondheidscentra en regionale wachtlijsten Doel

Toegankelijkheid verbeteren en wachttijden verminderen door een andere ordening en betere samenwerking binnen en met de ggz en zorgen voor voldoende capaciteit zodat: • Alleen die personen GGZ zorg ontvangen die dit echt nodig hebben en mensen die andere hulp nodig hebben die ook snel krijgen; • patiënten bij een goede invoering van het IZA een intake en behandeling binnen de treeknorm krijgen; • de beschikbare ggz capaciteit in de regio optimaal wordt benut; • dubbelingen op de wachtlijst worden voorkomen; • mensen die niet (meer) een zorgbehoefte hebben niet meer op de wachtlijst staan; • We beschikken over kwalitatief goede, éénduidige, wachtlijsten op regionaal niveau.

Randvoorwaardelijk

De in het Integraal Zorgakkoord opgenomen afspraken over samenwerking tussen sociaal domein, huisartsen en ggz en over digitalisering zijn randvoorwaardelijk voor het slagen van onderstaande afspraken over het terugdringen van de wachtlijst en de gemiddelde wachttijden.

Afspraken

We zetten de huidige wachttijdenaanpak met de transfertafels en de huidige aanpak met overlegtafels landelijke hoogcomplexe zorg en de doorzettingsmacht voort. Aanvullend hierop maken we onderstaande afspraken door een werkwijze te introduceren die meer dan 50.000 patiënten23 op een andere manier zorg kan leveren en/of een ander antwoord kan geven op de zorgvraag en zo een zeer grote bijdrage levert aan de verlaging van de wachtlijsten. Dit door een combinatie van: 1. het organiseren van mentale gezondheidscentra met daarbinnen: a. het voeren van verkennende gesprekken b. het kunnen doorzetten en warm overdragen naar de betreffende GGZ aanbieders en indien van toepassing organiseren van Wmo-aanvragen. c. het beheerst kunnen overnemen van de behandelverantwoordelijkheid van de huisartsen voor de patiënten die op de wachtlijst staan (grote ontlasting van de huisarts) en komt ten goede aan de patiënt en de samenwerking in de gehele keten. d. het hebben van een kwantitatief maar vooral kwalitatief goede wachtlijst in deze (sub)regio Inrichting mentale gezondheidscentra in elke regio: In de regio worden mentale gezondheidscentra opgezet. De term mentale gezondheidscentra is een werktitel en mag per regio onder een andere naam functioneren en deels andere functionaliteiten hebben. Vormgeving op basis van een aantal criteria.

(nader uit te werken) Uitvoering door één of samenwerkende partijen, in samenspraak en afstemming zorgverzekeraars, huisartsen en gemeenten. Het ligt voor de hand dat de regievoerder hierin het voortouw neemt, maar andere vormgeving is mogelijk. Er is ruimte voor andere aanbieders om aan te sluiten bij het netwerk dat is opgezet door de initiatiefnemer(s).

23

Uitgaande van 517.000 pt. , ongeveer 10%(minimaal) verwijzing naar sociaal domein.

74 | Integraal Zorgakkoord 2022

Afspraak Mentale gezondheidscentra en regionale wachtlijsten 1. Het organiseren van de verkennende gesprekken valt onder de regie en uitvoering van de houder van het mentale gezondheidscentrum in de regio(zorgkantoorregio). Deze werken samen met de andere aanbieders in de regio & andere aanbieders nemen desgewenst ook deel aan het voeren van de verkennende gesprekken. In de komende jaren wordt in het tempo zoals voorgaand beschreven de regionale samenwerking met de gemeenten en professionals verder vormgegeven waar het gaat om de inrichting en taakverdeling van het verkennend gesprek. De centra werken met name voor de door de huisarts veronderstelde (complexere) CMD groepen en proberen de sociale en GGZ problematiek te scheiden. Vanaf 2025 wordt het verkennende gesprek door de ggz-professional(s) (zoveel mogelijk samen met een ervaringsdeskundige) het uitgangspunt voor een (voorgenomen) verwijzing van patiënten met ggz problematiek én problemen op andere levensdomeinen door de huisarts naar de ggz. De huisarts beoordeelt of het verkennend gesprek van meerwaarde is. Bij cliënten met evidente (nagenoeg) digitale monodisciplinaire ggz-vraag, bij ouderen, jeugd, heraanmeldingen, cruciale functies en bij (sub) acute zorg verwijst de huisarts direct naar de juiste behandelaar.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12083935/1