A - 31 Openbare Ruimte en Groen (24) 03 Onderzoeksrapport Groen in de stad
Tekst van het document
0,25
0,25
0,43
0,46
Hoeveelheid groen in de directe woonomgevingjj
0,14
0,29
0,09
0,39
Inrichting groen
0,20
0,20
0,24
0,27
Voorzieningen in het groen
0,07
0,07
0,00
0,01
Onderhoud groen
0,09
0,09
Nabijheid groenll
0,13
0,13
0,00
0,02
Bereikbaarheid groenmm
0,09
0,09
0,00
0,01
Leeftijd
0,00
-0,04
0,00
-0,01
Vrouw
0,00
-0,01
0,00
-0,02
Geen privégroennn
0,00
-0,10
0,00
-0,11
Verklaarde variantie
45%
Kwaliteit van het groenkk
0,06
Achtergrondkenmerken
hh 1 onvoldoende - 5 goed. ii 1 weinig groen - 5 veel groen. jj 1 weinig groen - 5 veel groen. kk 1 onvoldoende-5 goed. ll 1 ver weg - 5 dichtbij. mm 1 moeilijk bereikbaar - 5 makkelijk bereikbaar. nn Geen balkon, dakterras of tuin.
55
57%
REKENKAMER METROPOOL AMSTERDAM Uit tabel 3.1 blijkt dat verschillen in de waardering van groen en de beoordeling van de bruikbaarheid van groen in redelijke mate verklaard wordt door de variabelen in het model. De totale verklaarde variantie voor de waardering van groen is 57%. Voor de bruikbaarheid van groen is dat iets lager: 45%. Hierna gaan we apart in op de variabelen die significant samenhangen met enerzijds de bruikbaarheid van het groen en anderzijds de waardering voor het groen. Bruikbaarheid van het groen Oordelen over de hoeveelheid groen in de stad en in de directe woonomgeving vertonen de sterkste samenhang met de bruikbaarheid van groen. Het directe effect van het oordeel over de hoeveelheid groen in de stad op de bruikbaarheid van groen is 0,25. Alhoewel het directe effect van het oordeel over de hoeveelheid groen in de directe woonomgeving op de waardering voor groen gering is (0,14), is er ook een belangrijk indirect effect (via de hoeveelheid groen in de stad) op de waardering van groen, waardoor het totale effect op hetzelfde niveau ligt (0,29) als dat van het oordeel over de hoeveelheid groen in de stad. Kijken we naar de kwaliteit van kenmerken van het groen, dan zien we dat het oordeel over de kwaliteit van de inrichting van groen het sterkst samenhangt met de ingeschatte bruikbaarheid van groen (direct effect: 0,20).
Zwakke relaties zijn waarneembaar van oordelen over de staat van het groen en de voorzieningen in het groen op de bruikbaarheid van het groen (respectievelijk direct effect van 0,09 en 0,07). In al deze gevallen geldt dat mensen die de kwaliteit hoger inschatten iets positiever oordelen over de bruikbaarheid van het groen. Twee andere variabelen van de kwaliteit van het groen - de rust en de veiligheid in het groen - hebben geen aanvullend effect op het oordeel over de bruikbaarheid van het groen. Ook de oordelen over de nabijheid en bereikbaarheid van het favoriete groen hebben een beperkte invloed op het oordeel over de bruikbaarheid (respectievelijk directe effecten: 0,13 en 0,09). Mensen die het favoriete groen ver weg of moeilijk bereikbaar vinden, zijn iets minder positief over de bruikbaarheid van het groen. Daarnaast zien we een klein indirect effect (-0,10) van het niet-hebben van privégroen op de bruikbaarheid van het groen. Amsterdammers zonder privégroen (geen balkon, dakterras of tuin) hebben een iets negatiever oordeel over de bruikbaarheid van het groen. Het indirecte effect loopt vooral via de opvattingen over de hoeveelheid groen in de woonomgeving, de kwaliteit van de inrichting en de nabijheid van groen. Bewoners zonder privégroen zijn iets kritischer over de hoeveelheid groen in de woonomgeving en de kwaliteit van de inrichting van het groen.
Ook zijn ze iets negatiever over de nabijheid van het favoriete groen. Ten slotte zijn we nagegaan of en hoe enkele achtergrondkenmerken (leeftijd, geslacht, huishoudsamenstelling en opleiding) van invloed zijn op oordelen over de bruikbaarheid van groen. De analyse laat zien dat er geen directe effecten waarneembaar zijn en dat de indirecte effecten zeer beperkt in omvang zijn.
56
GROEN IN DE STAD - ONDERZOEKSRAPPORT Waardering voor het groen Ook hier zien we dat de subjectieve oordelen over de hoeveelheid groen in de stad en de directe woonomgeving belangrijk zijn in de verklaring van verschillen in de waardering voor groen in de stad en de ingeschatte bruikbaarheid. Bij het oordeel over de hoeveelheid groen in de stad gaat het om een direct effect van 0,43 op de waardering van groen in de stad. Inwoners die vinden dat er veel groen in de stad is, zijn positiever over het groen dan inwoners die vinden dat er weinig groen in de stad is. Het directe effect van het oordeel over de hoeveelheid groen in de directe woonomgeving op de waardering van groen is aanzienlijk kleiner (0,09). Er is echter een sterk effect van het oordeel over het groen in de directe woonomgeving op het oordeel over de hoeveelheid groen in de stad (0,62), waardoor het totale effect uitkomt op 0,39. Verder zien we dat een element van de kwaliteit van het groen redelijk samenhangt met de waardering van groen in de stad. Dat is de kwaliteit van de inrichting. Het totale effect (direct plus indirect) van deze variabele is 0,27. Er zijn daarnaast nog additionele effecten van de kwaliteit van het onderhoud van groen en de kwaliteit van voorzieningen op de waardering, maar deze totale effecten zijn zwak (respectievelijk 0,06 en 0,01).
Voor al deze effecten geldt dat mensen die de kwaliteit hoger inschatten ook een (iets) hogere waardering voor het groen in de stad hebben. Andere kwaliteitsbeoordelingen van rust in en veiligheid van het groen voegen niets extra’s toe aan de verklaring van verschillen in waardering voor het groen in de stad. Daarnaast zien we dat er nog een klein effect zichtbaar is van de bruikbaarheid van het groen op de waardering voor groen (0,12). Dit betekent dat mensen die het groen kunnen gebruiken zoals ze zouden willen een iets hogere waardering hebben voor het groen in de stad. Daarnaast zien we een klein indirect effect (-0,11) van het niet-hebben van privégroen op de waardering van groen. Amsterdammers zonder privégroen (geen balkon, dakterras of tuin) hebben een iets lagere waardering voor het groen in de stad. Het indirecte effect loopt via de opvattingen over de hoeveelheid groen in de woonomgeving en de kwaliteit van de inrichting van het groen. Bewoners zonder privégroen zijn iets kritischer over de hoeveelheid groen in de woonomgeving en de kwaliteit van de inrichting van het groen. Kenmerken zoals de nabijheid van het favoriete groen en de bereikbaarheid van het favoriete groen, hebben geen direct effect op de waardering voor groen, maar laten wel zeer kleine indirecte effecten (via bruikbaarheid van groen) zien (respectievelijk -0,02 en -0,01).
Dit betekent dat mensen die het favoriete groen ver weg vinden liggen of moeilijk bereikbaar vinden, iets negatiever oordelen over het groen in de stad. We hebben gekeken of achtergrondkenmerken zoals leeftijd, geslacht, huishoudsamenstelling en opleiding al dan niet indirect van invloed zijn op de waardering voor groen wanneer gecontroleerd wordt voor andere variabelen. We zien wel enkele effecten, maar ze zijn allen zwak.
57
REKENKAMER METROPOOL AMSTERDAM
3.9 Conclusie In dit hoofdstuk hebben we de volgende onderzoeksvraag onderzocht:
Hoe waarderen bewoners het groen in Amsterdam en waardoor worden verschillen in waardering beïnvloed? Om deze vraag te beantwoorden, hebben we Amsterdammers gevraagd wat zij vinden van het groen. Uit onze enquête blijkt duidelijk dat Amsterdammers, gemiddeld genomen, het groen een ruime voldoende geven: een 7,0. We zijn ook nagegaan in hoeverre de coronacrisis van invloed is geweest op de waardering van het groen. Uit de enquête blijkt dat bij twee derde van de Amsterdammers de waardering voor het groen is toegenomen. Ook vinden Amsterdammers overwegend dat zij het groen kunnen gebruiken zoals zij dat zouden willen. Gemiddeld genomen beoordeelt bijna 20% van de bewoners de bruikbaarheid van het groen als goed, een derde geeft hiervoor een ruime voldoende en eveneens bijna een derde een voldoende. Slechts 16% van de Amsterdammers geeft de bruikbaarheid van het groen een beoordeling van matig of onvoldoende. Verder blijkt dat het grootste deel vindt dat zijn of haar favoriete plek in het groen (redelijk) dichtbij is. Deze favoriete plek is veelal binnen vijftien minuten fietsen of dertig minuten lopen te bereiken. Ook als we kijken naar de waardering en bruikbaarheid van het groen volgens Amsterdammers in verschillende stadsdelen, dan blijft dit algemene positieve beeld bestaan.
Tussen de stadsdelen is wel sprake van significante verschillen in zowel waardering als bruikbaarheid. Deze verschillen zijn echter klein. In alle stadsdelen waarderen de bewoners het groen met een voldoende en beoordeelt een ruime meerderheid de bruikbaarheid van het groen met een voldoende of hoger. In stadsdeel Centrum wordt het groen het laagst gewaardeerd (6,8) en zijn er meer negatieve oordelen over de bruikbaarheid (26%). Ook in stadsdeel Zuid is men wat negatiever dan gemiddeld over de bruikbaarheid van het groen (23%). Daarentegen waarderen Amsterdammers in stadsdelen Zuidoost en Nieuw-West het groen in de stad wat hoger (beiden met een 7,2) dan gemiddeld. Ook zijn ze positiever over de bruikbaarheid van het groen dan gemiddeld (60% van de bewoners in deze stadsdelen beoordeelt de bruikbaarheid met goed of ruim voldoende tegenover een gemiddelde van 51% voor Amsterdam als geheel). In de enquête hebben we Amsterdammers ook gevraagd naar hoe zij het groen gebruiken en wat zij belangrijk vinden, en hoe zij verschillende aspecten van kwaliteit beoordelen. Het groen wordt door Amsterdammers vooral gebruikt om te ontspannen, te wandelen of te hardlopen. Maar weinig Amsterdammers zoeken regelmatig het groen op om anderen te ontmoeten (waaronder ook het bezoeken van evenementen).
Alle vormen van groen, van stadsgroen tot privégroen, vinden Amsterdammers belangrijk, maar volkstuinen, begraafplaatsen en sportparken wel relatief het minst. Verder geven Amsterdammers aan de aanwezigheid van natuurlijk groen en duurzaam groen (groen dat voor lange tijd behouden blijft) erg belangrijk te vinden, maar is er een aanzienlijk kleiner deel van de
58
GROEN IN DE STAD - ONDERZOEKSRAPPORT Amsterdammers die deze aspecten beoordeelt als (heel) goed. Een vergelijkbaar beeld zien we ook bij het schoonhouden van het groen en het ontbreken van drukte en overlast. Beide vindt een groot deel van de Amsterdammers heel (erg) belangrijk, maar een veel kleiner deel vindt deze kenmerken van het groen ook (heel) goed. Tot slot zijn we ook nagegaan welke factoren de waardering voor het groen en het oordeel over de bruikbaarheid verklaren. Zoals we hiervoor aangaven, geven de meeste Amsterdammers (84%) een voldoende voor het groen in de stad. De mate waarin men positief is, verschilt echter nadrukkelijk. Door deze scheefheid van antwoorden is het model vooral gericht op het verklaren van de verschillen in positieve oordelen tussen Amsterdammers. Uit onze analyse blijkt dat het oordeel over de hoeveelheid groen in de directe woonomgeving en in de stad een sterke positieve samenhang heeft met de waardering van het groen. Dat geldt in mindere mate ook voor de kwaliteit van de inrichting van het groen (een redelijk sterk positief effect) en de staat van het onderhoud en de kwaliteit van de aanwezige voorzieningen (een zwak positief effect). Hoewel de bruikbaarheid van het groen op zichzelf redelijk sterk (positief) samenhangt met waardering, valt dit effect weg als we ook de andere variabelen in de analyse betrekken.
Dit komt doordat zowel de ervaren bruikbaarheid als de waardering van het groen sterk worden bepaald door het oordeel over de hoeveelheid groen in de stad en de directe woonomgeving. We zien verder dat het niet-hebben van privégroen een klein negatief indirect effect heeft op de waardering van het groen. Daarnaast blijkt het oordeel over bereikbaarheid en nabijheid een klein positief effect te hebben op het oordeel over bruikbaarheid. Amsterdammers die vinden dat het groen dichtbij en goed bereikbaar is, zijn positiever over het kunnen gebruiken van het groen zoals men zou willen. Het uiteindelijke effect van deze twee variabelen op de waardering van het groen is verwaarloosbaar; net als de overige variabelen uit het model, zoals achtergrondkenmerken en de kwaliteit van enkele kenmerken van het groen. We constateerden al dat de oordelen over de hoeveelheid groen in de stad en de directe woonomgeving de belangrijkste verklaringen vormen voor de verschillen in waardering voor en bruikbaarheid van groen. Maar het blijven subjectieve inschattingen. Dat neemt niet weg dat wij hierin een bevestiging zien van het nut om via een geografische analyse te kijken hoeveel groen er nu objectief gezien is in de stad en de verschillende buurten en wijken van Amsterdam. En waar grote verschillen in de hoeveelheid groen zichtbaar zijn.
We gaan in hoofdstuk 4 nader in op hoe we de hoeveelheid groen in kaart hebben gebracht. In hoofdstuk 6 komt aan bod welke conclusies daaruit kunnen worden getrokken.
4 Methodologie 4.1 Inleiding In dit hoofdstuk beschrijven we de wijze waarop we via cijfermatige data hebben onderzocht hoeveel groen er in Amsterdam is. Hiervoor voeren wij hoofdzakelijk
59
REKENKAMER METROPOOL AMSTERDAM geografische analyses uit waarbij we de hoeveelheid aanwezig groen in beeld brengen. In dit hoofdstuk geven we antwoord op de volgende onderzoeksvraag:
Wat komt er kijken bij het meten van de hoeveelheid groen in Amsterdam? Om antwoord te geven op deze onderzoeksvraag besteden we allereerst aandacht aan de verschillende cijfermatige bronnen die gebruikt kunnen worden om het groen in Amsterdam in beeld te brengen. Daarbij bespreken we de voor- en nadelen van deze bronnen. Vervolgens beschrijven we de verschillende keuzes met betrekking tot het meetgebied (de geografische afbakening, het schaalniveau en/of het servicegebied) waarbinnen het groen vanuit de verschillende bronnen geteld kan worden om zicht te krijgen op de hoeveelheid groen. We maken in dit hoofdstuk gebruik van de inzichten die we in de eerdere onderdelen uit dit rapport hebben opgedaan. Het gaat daarbij om inzichten wat betreft het beleid en de meningen van Amsterdammers over het groen.
4.2 Bronnen om groen te meten We onderzoeken cijfermatige bronnen die het groen in heel Amsterdam kunnen beschrijven. Bronnen van data die enkel inzicht geven in een deel van de stad of die anderszins nog niet compleet zijn, hebben we buiten beschouwing gelaten. Het gemeentelijke informatiesysteem - Gisib-integraal beheersysteem - hebben wij niet meegenomen in het onderzoek. Het informatiesysteem is in ontwikkeling en bevat op dit moment onvoldoende informatie om een compleet beeld van het groen in Amsterdam te geven.80oo We hebben de volgende bronnen van data onderzocht:
• Centraal Bureau voor de Statistiek Bodemstatistiek, 2015 (hierna: CBS); • Basisregistratie Grootschalige Topografie (hierna: BGT), 2021; • Gemeentelijke bronnen: recreatief groenstructuur, ecologische structuur en hoofdgroenstructuur, 2020; • Satelliet remote sensing (hierna: remote sensing), satellietfoto's 2020. Hierna gaan we nader in op deze verschillende bronnen. We beschrijven de belangrijkste kenmerken van de bronnen en laten kaarten zien waarin zichtbaar wordt hoe het groen in (en rondom) Amsterdam er volgens deze bronnen uitzien. Deze beschouwing mondt
oo De beschreven staat van het Gisib-integraal beheersysteem is gebaseerd op gesprekken die wij
voor dit onderzoek medio 2020 hebben gevoerd. De betrokken directies bij het groen geven aan dat het Gisib-integraal beheersysteem inmiddels is doorontwikkeld. Het is nog niet helemaal compleet, maar volgens de betrokken directies inmiddels wel grotendeels compleet. Bron: feitelijke reactie ambtelijke organisatie, 23 augustus 2021.
60
GROEN IN DE STAD - ONDERZOEKSRAPPORT vervolgens per bron uit in een overzicht van voor- en nadelen van de bron om het groen in de stad in beeld te brengen. Daarbij hebben we de gevonden voor- en nadelen grofweg getypeerd in de volgende categorieën:
• volledigheid: hoe compleet is het beeld van het groen dat ontstaat als naar deze bron wordt gekeken? Het gaat er dan bijvoorbeeld om of ook kleine stukjes groen worden meegeteld of alleen grote oppervlaktes. Maar ook hoe het gebied is bepaald waarbinnen informatie over het groen beschikbaar is. Zijn dit de gemeentegrenzen of niet? En wordt ook privégroen meegeteld? • functie gebied: in hoeverre geeft de bron inzicht in de functies van het gebied waar het groen voorkomt? Is bijvoorbeeld inzichtelijk of het gaat om een moestuin of een sportpark of een braakliggend terrein? • soort: in hoeverre geeft de bron inzicht in het soort groen? Is duidelijk welk deel van het groen 'levend' is en welk deel niet? Of dat het in kaart gebrachte groen bestaat uit bomen of andere soorten groen? • vergelijkbaar: in hoeverre leent de bron zich voor het volgen van de ontwikkeling van het groen door de jaren heen?
4.2.1
CBS
Het CBS biedt een standaard bron van informatie over bodemgebruik in Nederland en wordt door de gemeente onder andere gebruikt om uitspraken te doen over de hoeveelheid groen in Amsterdam. Het CBS is ook de bron die de gemeente gebruikt bij een beschouwing van de hoeveelheid groen ten opzichte van de (niet-bestaande) norm van de World Health Organization (WHO). Daarover wordt door de gemeente gesteld dat er in Amsterdam 60 m² aan recreatief groen beschikbaar is per woning. Dit is ruimschoots meer dan de zogenaamde optimale hoeveelheid groen volgens de WHO: 20 tot 30 m² per woning.81 Voor deze telling heeft de gemeente zich gebaseerd op de hoofdgroep 'recreatieterrein' van het CBS.pp Deze hoofdcategorie bestaat vervolgens uit de subcategorieën ‘park en plantsoen’, ‘sportterrein’, ‘volkstuin’, ‘dagrecreatief terrein’ en ‘verblijfsrecreatief terrein’. Vervolgens zijn de subcategorieën weer opgedeeld in verschillende soorten groen. De subcategorie ‘sportterrein’ bestaat bijvoorbeeld onder andere uit (kunst)grassportvelden en golfterrein, en ook uit zwembaden, bowlingbanen en sporthallen. Zie bijlage 2 voor een verdere toelichting van deze hoofd- en subcategorieën en een specificatie van de bijbehorende groensoorten.
Een aantal punten vallen ons op: ten eerste neemt de gemeente voor deze berekening alleen het groen in de hoofdgroep 'recreatieterrein' mee en niet het groen uit andere hoofdgroepen zoals 'agrarisch terrein' of 'bos en open natuurlijk terrein'. Het is voor ons niet duidelijk waarom alleen naar het groen uit het 'recreatieterrein' wordt gekeken voor
pp Deze bron kan hier digitaal worden geraadpleegd.
61
REKENKAMER METROPOOL AMSTERDAM deze berekening. Wij verwachten dat het groen uit andere hoofdgroepen ook relevant kunnen zijn voor de inwoners van een stad. Ten tweede valt op dat het CBS een ondergrens (in hectare) heeft bepaald voor iedere subcategorie. Zo geldt voor de subcategorie 'park en plantsoenen' een ondergrens van 1 hectare. Het betekent dat groengebieden van kleinere omvang niet worden meegenomen in de berekening van de gemeente over de beschikbare hoeveelheid groen. Ten derde bestaat de hoofdgroep 'recreatieterrein' zoals we al eerder hebben vermeld, niet alleen uit 'levende groensoorten', maar ook uit bijvoorbeeld kunstgrasvelden, zwembaden, bowlingbanen en sporthallen. Het in kaart brengen van de hoeveelheid recreatief groen per woning of per inwoner kan handig zijn om zicht te krijgen op de hoeveelheid openbaar groen dat voor Amsterdammers beschikbaar is voor allerlei vormen van gebruik. Om een meer compleet beeld te krijgen van het groen in de stad lijkt het ons echter nuttig om naast het groen uit de hoofdgroep 'recreatieterrein' ook het relevante groen uit andere hoofd- en subgroepen mee te nemen in deze berekening. De dataset van het CBS maakt het niet mogelijk om op het niveau van subgroepen groensoorten te selecteren die niet of juist wel moeten worden meegenomen in de berekening.
Het is bijvoorbeeld niet mogelijk om bij de subcategorie 'sportterrein' alleen de groensoorten mee te nemen die uit 'levend groen' bestaan. Als een subcategorie wordt meegenomen in deze berekening, dan tellen vanzelfsprekend alle groensoorten mee die onder deze subcategorie vallen, dus in dit geval ook de zwembaden en sporthallen. Het is een eigenschap van de CBS-Bodemstatistiekdata die het lastig maakt om een berekening te maken van bijvoorbeeld alleen het 'levende groen' in Amsterdam. Deze beperking van de CBS-Bodemstatistiekdata in acht nemend hebben wij voor onze eigen berekening van de hoeveelheid groen in Amsterdam de volgende hoofd- en subgroepen meegenomen:
• hoofdgroep 'recreatieterrein' (subgroepen: park en plantsoen, sportterrein, volkstuin, dagrecreatief terrein en verblijfsrecreatief terrein); • hoofdgroep 'agrarisch terrein' (subgroep: overig agrarisch terrein); • hoofdgroep 'bos en open natuurlijk terrein' (subgroep: bos, open droog natuurlijk terrein en open nat natuurlijk terrein); • hoofdgroep 'semi-bebouwd terrein' (subgroep: begraafplaatsen). Zie bijlage 2 voor een meer gedetailleerde beschrijving van de hoofd- en subgroepen, de bijbehorende groensoorten en de gehanteerde ondergrenzen in hectare. De categorieën van het CBS die we hebben toegevoegd aan de gemeentelijke classificatie van groen bevatten grotendeels objecten die uit groen bestaan. Echter bevatten de categorieën ook objecten die niet uit groen bestaan. Zo bestaat de categorie 'begraafplaatsen' ook uit crematoria en andere gebouwen. Kaart 4.1 toont het kaartbeeld van het groen volgens de definitie die door de gemeente wordt gehanteerd. Kaart 4.2 toont het kaartbeeld van het groen volgens uitgebreide definitie die door ons is samengesteld.
62
GROEN IN DE STAD - ONDERZOEKSRAPPORT
Kaart 4.1 - CBS-groen - definitie gemeente82
Kaart 4.2 - CBS-groen - definitie rekenkamer83
De voor- en nadelen van het CBS als bron voor het meten van groen in Amsterdam hebben wij hieronder in een tabel weergegeven.
63
REKENKAMER METROPOOL AMSTERDAM
Tabel 4.1 - Voor- en nadelen CBS-Bodemstatistiek CBS-Bodemstatistiek Voordelen
Nadelen
Volledigheid
Gegevens zijn beschikbaar over het groen binnen én buiten de gemeentegrenzen van Amsterdam.
Functie gebied
In de CBS-Bodemstatistiek kunnen verschillende functies van het gebied waar het groen voorkomt worden onderscheiden. Zo kunnen de aanwezige agrarische terreinen apart in beeld worden gebracht, maar ook, bijvoorbeeld, begraafplaatsen.
Vergelijkbaar
De gegevens van het CBS zijn over langere periode beschikbaar waardoor vergelijking in tijd mogelijk is.
Volledigheid
De gegevens van het CBS gaan uit van een ondergrens in hectare per subcategorie groen (zie bijlage 2). Zo heeft de subcategorie parken en plantsoenen een ondergrens van 1 hectare. Als het groenoppervlak dus minder groot is, dan wordt dit niet meegeteld als groen. Alleen het (semi-)openbare groen wordt meegeteld. Privégroen komt niet voor in deze gegevens.
Soort
4.2.2
De CBS-gegevens tellen ook delen van niet-levend groen mee. Zo wordt bij begraafplaatsen ook de oppervlakte meegeteld van crematoria en andere gebouwen.
BGT
De Basisregistratie Grootschalige Topografie (hierna: BGT) is een digitale kaart van Nederland waarop gebouwen, wegen, waterlopen, terreinen en spoorlijnen eenduidig zijn vastgelegd. De BGT is op twintig centimeter nauwkeurig en bevat veel details. Nederlandse overheden (ministeries, provincies, gemeenten en andere overheidsdiensten) zijn verplicht om de BGT te gebruiken in alle werkprocessen die een kaart als ondergrond
64
GROEN IN DE STAD - ONDERZOEKSRAPPORT vereisen. De BGT heeft verschillende bronhoudersqq zoals gemeenten en provincies. Doordat de BGT vooral wordt bijgehouden door publieke organen zoals gemeenten en provincies, bevat deze minder informatie over private terreinen. BGT-groen - standaard definitie De BGT bestaat net zoals het CBS uit verschillende hoofdgroepen. De BGT-hoofdgroep die veelal wordt gebruikt om het groen in kaart te brengen is het 'begroeid terreindeel'. Het begroeid terreindeel bestaat uit de volgende groensoorten:rr
• • • • • • • • • • • • • • • •
loofbos; gemengd bos; naaldbos; heide; struiken; houtwal; duin; grasland overig; moeras; rietland; kwelder; fruitteelt; boomteelt; bouwland; grasland agrarisch; groenvoorziening.
Zie bijlage 2 voor een uitgebreide beschrijving van de groensoorten uit de BGThoofdcategorie 'begroeid terreindeel'. BGT-groen - definitie rekenkamer We hebben de andere hoofdcategorieën uit de BGT geanalyseerd en onderdelen geselecteerd die ook objecten bevatten die overwegend groen zijn. Op deze manier proberen we een zo compleet mogelijke classificatie van groen in kaart te brengen met de BGT-data. Naast de hoofdgroep 'begroeid terreindeel' nemen we ook onderdelen uit andere hoofdgroepen mee in onze classificatie van groen. Het gaat om onderstaande
qq Bronhouders van de BGT zijn: gemeenten, provincies, waterschappen, het ministerie van
Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, het ministerie van Defensie, Rijkswaterstaat en ProRail. De bronhouders leveren de informatie over hun gebied aan bij Kadaster. Dat gebeurt volgens gestandaardiseerde afspraken, zodat iedereen met dezelfde definities werkt. Het Kadaster beheert het totale gegevensbestand in één landelijk systeem. Dit alles gebeurt in opdracht en onder toezicht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (I&W). rr Voor een nadere beschrijving van de categorieën kan de website van geonovum hier worden geraadpleegd.
65
REKENKAMER METROPOOL AMSTERDAM hoofdgroepen en bijbehorende 'groene objecten'. We hebben de classificatie van 'groen' aangevuld met de volgende objecten uit de BGT:
• hoofdgroep ondersteunend waterdeelss, type: oever en slootkant;tt • hoofdgroep ondersteunend wegdeeluu, fysiek voorkomen: groenvoorziening. Bijvoorbeeld het groen op een rotonde of langs een weg; • vegetatieobjectvv, type: boom of haag. De aanvulling van deze hoofdgroepen en 'groene objecten' zorgen samen voor een relatief marginale toevoeging van de totale hoeveelheid groen die in beeld wordt gebracht met de BGT-data. We hebben er daarom voor gekozen om alleen een kaart te presenteren volgens onze eigen, ruimere, classificatie. Kaart 4.3 toont dit kaartbeeld van het groen uit de BGT volgens onze classificatie. De actualiteitsdatum van deze data is februari 2021.
Kaart 4.3 - BGT-groen - definitie rekenkamer84
De voor- en nadelen van de BGT als bron voor het meten van groen in Amsterdam hebben wij hieronder in een tabel weergegeven.
ss Object dat in het kader van de waterhuishouding periodiek gedeeltelijk of geheel met water is
bedekt. tt De strook land die in direct contact staat met water, inclusief het gebied tussen de hoogwaterlijn en laagwaterlijn. uu Een deel van de weg dat niet primair bedoeld is voor gebruik door het verkeer. vv Solitair vegetatieobject of lijn- of vlakvormige groep gelijksoortige vegetatieobjecten met een beperkte omvang.
66
GROEN IN DE STAD - ONDERZOEKSRAPPORT
Tabel 4.2 - Voor- en nadelen BGT BGT Voordelen
Volledigheid
Gegevens zijn beschikbaar over het groen binnen én buiten de gemeentegrenzen van Amsterdam. De BGT is op twintig centimeter nauwkeurig en bevat veel details: ook het kleine groen wordt meegenomen. Bijvoorbeeld het groen langs oevers en slootkanten of langs de weg en op rotondes.
Nadelen
4.2.3
Soorten
De BGT geeft inzicht in het soort groen dat aanwezig is (loofbos, gemengd bos, heide, struiken, etc.)
Vergelijkbaar
De BGT wordt continu bijgewerkt door de bronhouders. Met de nodige bewerkingen is het mogelijk om een ontwikkeling van het groen met de BGT te volgen.ww
Volledigheid
De BGT richt zich op het groen in de (semi-)openbare ruimte, het privégroen komt grotendeels niet in beeld.
Functie grond
De BGT geeft geen informatie over de functie van de grond (bijvoorbeeld moestuin, sportveld, bouwgrond, begraafplaats, etc.).
Gemeentelijke groenstructuren
De gemeente heeft verschillende groenstructuren in Amsterdam in kaart gebracht. Deze groenstructuren zijn vormgegeven rondom (een) bepaalde functie(s) van het groen. Bijzonder aan deze groenstructuren is dat ze zowel kenmerken hebben van een bron als van een schaalniveau of servicegebied. Dat komt omdat ze enerzijds aangeven op welke plaatsen het groen een bepaalde functie vervult: het is daarmee een bron. Anderzijds zijn het gebieden waarvan de gemeente het (om bepaalde redenen) belangrijk vindt dat er
ww Elk object in de BGT beschikt over een versiehistorie. Hierin wordt de begin- en eventuele
einddatum aangegeven. Als een object verdwijnt, wordt de einddatum toegevoegd. Dit object kan echter nog steeds worden opgehaald, waardoor vergelijking in de tijd mogelijk is. Meer informatie over de BGT bronhouders kan hier digitaal worden geraadpleegd.
67
REKENKAMER METROPOOL AMSTERDAM voldoende groen aanwezig is. Dit laatste aspect heeft meer weg van een schaalniveau of servicegebied. We hebben gekeken naar de volgende groenstructuren in Amsterdam:xx
• stadsparken, plantsoenen en ander recreatief groen (hierna: recreatief groenstructuur); • hoofdgroenstructuur; • ecologische structuur. Stadsparken, plantsoenen en ander recreatief groen De gemeente heeft in beeld gebracht waar stadsparken, plantsoenen en ander recreatief groen in Amsterdam zijn.yy Het Amsterdamse Bos wordt ook meegerekend tot het recreatief groen van Amsterdam ondanks het feit dat het niet binnen de gemeentegrenzen van Amsterdam ligt. De gemeente hanteert een afstandsnorm voor stadsparken van maximaal 750 meter.85 Kaart 4.4 toont de ligging van de stadsparken, plantsoenen en ander recreatief groen in Amsterdam.
Kaart 4.4 - Recreatief groen86
xx In de Structuurvisie Amsterdam 2040 is ook de hoofdbomenstructuur opgenomen. De
hoofdbomenstructuur bestaat uit de 'beeldbepalende boombeplanting' die door de gemeente gezien wordt als belangrijk onderdeel van de openbare ruimte in Amsterdam. We hebben ervoor gekozen om deze groenstructuur niet mee te nemen in ons onderzoek omdat het geen compleet beeld geeft van het totale bomenbestand in Amsterdam. yy De gemeentelijke kaart met stadsparken, plantsoenen en ander recreatief groen kan hier digitaal worden geraadpleegd.
68
GROEN IN DE STAD - ONDERZOEKSRAPPORT De voor- en nadelen van de recreatief groenstructuur als bron voor het meten van groen in Amsterdam hebben wij hieronder in een tabel weergegeven.
Tabel 4.3 - Voor- en nadelen recreatief groenstructuur Recreatief groenstructuur Voordelen
Functie gebied
In de recreatief groenstructuur wordt in principe het openbare groen dat gebruikt kan worden voor recreatief gebruik in beeld gebracht.zz Er wordt onderscheid gemaakt tussen stadsparken, plantsoenen en ander recreatief groen.
Nadelen
Volledigheid
Alleen de stadsparken, plantsoenen en ander recreatief groen binnen de gemeentegrenzen van Amsterdam worden in beeld gebracht. Eén uitzondering is het Amsterdamse Bos, dat ligt buiten de gemeentegrenzen van Amsterdam, maar wordt wel meegeteld in de recreatief groenstructuur.
Soort
De gebieden die aangemerkt staan als recreatief groen bestaan niet alleen uit levend groen, maar ook uit kunstgrasvelden, speeltoestellen, looppaden en andere voorzieningen.
Hoofdgroenstructuur De hoofdgroenstructuur bevat volgens de gemeente de minimaal benodigde hoeveelheid groen die Amsterdam wil borgen, bestaande uit gebieden die waardevol zijn voor de stad en de metropool. De hoofdgroenstructuur is in 2011 vastgelegd in de Structuurvisie Amsterdam 2040. De groengebieden in de hoofdgroenstructuur spelen een belangrijke rol voor de verbetering van het leefklimaat, de luchtkwaliteit, de waterhuishouding, de biodiversiteit, groene recreatie en voedselproductie. Behoud van cultuurhistorische waarden en een gevarieerd totaalaanbod aan groen zijn ook belangrijke aspecten van de hoofdgroenstructuur.87 In de hoofdgroenstructuur zijn de gebieden opgenomen waar groen natuurwaarden en groen recreëren voorop staan. Kaart 4.5 toont de hoofdgroenstuctuur in Amsterdam.
zz Een uitzondering is het poldergebied grenzend aan Tuindorp Oostzaan. Dat groengebied is
onderdeel van het recreatief groen, maar is niet toegankelijk voor bewoners. Dit groengebied functioneert volgens deskundigen alleen als 'kijkgroen'.
69
REKENKAMER METROPOOL AMSTERDAM
Kaart 4.5 - Hoofdgroenstructuur88
De voor- en nadelen van de hoofdgroenstructuur als bron voor het meten van groen in Amsterdam hebben wij hieronder in een tabel weergegeven.
Tabel 4.4 - Voor- en nadelen hoofdgroenstructuur Hoofdgroenstructuur Voordelen
Functie gebied
De hoofdgroenstructuur biedt informatie over de functie van het gebied waar het groen zicht bevindt (zoals: begraafplaats, sportpark, corridor, stadspark of stadsrandpolder) en wijst de plekken aan in de stad die niet bebouwd mogen worden en waarin weinig voorzieningen mogen worden aangebracht.
Nadelen
Volledigheid
De hoofdgroenstructuur bestaat alleen uit de aangewezen groengebieden binnen de gemeentegrenzen van Amsterdam. De hoofdgroenstructuur bestaat alleen uit (semi-) openbaar groen. Groen op privéterrein blijft buiten beeld.
70
GROEN IN DE STAD - ONDERZOEKSRAPPORT
Hoofdgroenstructuur Soort
De hoofdgroenstructuur bestaat niet alleen uit levend groen, maar ook uit bijvoorbeeld sportvelden van kunstgras of gravel. Ook dierentuin Artis maakt onderdeel uit van de hoofdgroenstructuur.
Ecologische structuur De ecologische structuur is vastgelegd in de Structuurvisie Amsterdam 2040. De ecologische structuur is een aanvulling op en versterking van de provinciale ecologische hoofdstructuur. De provinciale ecologische structuur is in 2010 vastgelegd in de provinciale ruimtelijke verordening. In deze structuur worden gebieden en verbindingszones aangewezen als onderdeel van een ecologisch netwerk. Het doel van de ecologische structuur is om planten en dieren in de Randstad zoveel mogelijk overlevingskansen te bieden. Dit gebeurt door gebieden met elkaar te verbinden met groene wegen (bermen, slootkanten, oevers) en barrières zoals asfaltwegen passeerbaar te maken voor dieren. De Amsterdamse ecologische structuur is een uitwerking en aanvulling op en verfijning van het provinciale netwerk. “De ecologische hoofdstructuur wordt gerespecteerd, knelpunten worden aangepakt en voor wijzigingen is, vergelijkbaar met de hoofdgroenstructuur, een besluit van de gemeenteraad nodig.”89 Kaart 4.6 toont de ecologische structuur in Amsterdam.
Kaart 4.6 - Ecologische structuur90
71
REKENKAMER METROPOOL AMSTERDAM De voor- en nadelen van de hoofdgroenstructuur als bron voor het meten van groen in Amsterdam hebben wij hieronder in een tabel weergegeven.
Tabel 4.5 - Voor- en nadelen ecologische structuur Ecologische structuur Voordelen
Soort
De ecologische structuur bestaat alleen uit levend groen.
Nadelen
Volledigheid
De ecologische structuur geeft alleen zicht op de groene verbindingen binnen de gemeentegrenzen van Amsterdam.
Soort
De ecologische structuur geeft geen informatie over het type groen.
Functie gebied
De ecologische structuur geeft geen zicht op de functie van het gebied waar het groen zich bevindt.
4.2.4
Remote sensing
Remote sensing is een methode waarbij met een algoritme satellietfoto's worden geanalyseerd. Via remote sensing hebben we de bomen en het overige groen in Amsterdam en omgeving in kaart gebracht. Daarnaast hebben we via remote sensing de mate van fragmentatie (of versnippering) van het groen in Amsterdam berekend. Zie bijlage 4 voor een uitgebreide beschrijving van de remote sensing analyse. Kaart 4.7 toont de bomen en overig groen dat via remote sensing analyse van satellietfoto's uit 2020 is opgehaald.
72
GROEN IN DE STAD - ONDERZOEKSRAPPORT
Kaart 4.7 - Bomen en overig groen in Amsterdam op basis van remote sensing, satellietfoto 2020
De voor- en nadelen van remote sensing als bron voor het meten van groen in Amsterdam hebben wij hieronder in een tabel weergegeven.
Tabel 4.6 - Voor- en nadelen Remote sensing Remote sensing Voordelen
Volledigheid
Remote sensing brengt zowel het (semi-)openbaar als het privégroen in beeld. Remote sensing geeft ook zicht op het groen buiten de gemeentegrenzen. De ondergrens voor groen bij remote sensing is (bij de door ons gehanteerde satellietfoto's) 2 bij 2 meter: ook relatief klein groen komt hiermee in beeld.aaa
aaa Het is ook mogelijk om satellietfoto's te gebruiken waarbij een hoger detailniveau kan worden
behaald.
73
REKENKAMER METROPOOL AMSTERDAM
Remote sensing
Nadelen
Soorten
Remote sensing maakt het levende groen inzichtelijk en het is mogelijk om onderscheid te maken tussen bomen en ander groen.
Functie
De functie van het gebied wordt niet meegenomen via remote sensing. Ook het groen op braakliggend bouwterrein wordt bijvoorbeeld in beeld gebracht terwijl dit alleen maar tijdelijk groen is om het jaar daarop bebouwd te worden.
Vergelijkbaar
Met remote sensing is het mogelijk om door middel van een vergelijking van jaren inzicht te geven in de ontwikkeling van het groen. Dat kan echter alleen als aan strikte randvoorwaarden wordt voldaan. Zo moeten de satellietfoto’s zijn genomen op vergelijkbare momenten in het jaar en onder vergelijkbare klimatologische omstandigheden om tot een zuivere vergelijking te kunnen komen. Dit maakt het moeilijk om volgens een vaste periodiciteit een vergelijking te maken (bijvoorbeeld van jaar tot jaar). Over langere perioden en wanneer de precieze lengte van de periode minder nauw luistert (bijvoorbeeld over tien jaar) is dit beter mogelijk.
4.3 Ruimtelijke afbakening, schaalniveaus en servicegebieden Bij het meten van de hoeveelheid groen is niet alleen de keuze voor de bron van belang, maar ook het gebied waarbinnen het groen in beeld wordt gebracht; het in hoofdstuk 2 genoemde 'meetgebied'. Als we het hebben over het meetgebied waarbinnen we het groen in beeld brengen, maken we onderscheid tussen de ruimtelijke afbakening, het schaalniveau en het servicegebied. Hieronder lichten we deze termen toe:
• De ruimtelijke afbakening zegt iets over hoe groot het gebied is waarbinnen het groen in beeld wordt gebracht. Dat kan bijvoorbeeld gaan om het groen binnen een stadsdeel, binnen de gemeentegrenzen van Amsterdam, of een groter gebied; de metropoolregio Amsterdam. • Het schaalniveau zegt iets over de fijnmazigheid waarmee we naar het groen kijken binnen de gekozen ruimtelijke afbakening. Het schaalniveau waarnaar het groen wordt gekeken kan de gemeente als geheel zijn, maar het kan ook gaan om het niveau van de 99 wijken van Amsterdam, of het buurt- of straatniveau.
74
GROEN IN DE STAD - ONDERZOEKSRAPPORT
• Als een specifiek gebied in beeld wordt gebracht dat een eenheid vormt vanuit een bepaalde gedachtegang, spreken we over een servicegebied. Zo vormt het gebied dat bereikbaar is binnen tien minuten lopen of vijftien minuten fietsen vanuit het bewoonde gebied in Amsterdam, een servicegebied. In dit onderzoek hebben we ervoor gekozen om als ruimtelijke afbakening de gemeentegrenzen van Amsterdam te hanteren. Verder onderzoeken we het groen op het schaalniveau van de stad als geheel en op het schaalniveau van de wijken van Amsterdam. Daarnaast onderzoeken we het groen op het schaalniveau van de stad en de wijk binnen het servicegebied van tien minuten lopen en vijftien minuten fietsen vanuit het bewoonde gebied. Deze gebieden kunnen zich ook deels buiten de gemeentegrenzen bevinden. En we onderzoeken het groen binnen het servicegebied van de gemeentelijke groenstructuren: hoofdgroenstructuur, ecologische structuur en recreatief groenstructuur. Tot slot geven we ter illustratie aan hoeveel recreatief groen binnen 750 meter van het bewoonde gebied in iedere wijk te vinden is. Dit doen we om aansluiting te vinden bij het uitgangspunt van de gemeente dat stadsparken binnen maximaal 750 meter te bereiken moeten zijn.
Belang van aandacht voor ruimtelijke afbakening, schaalniveaus en servicegebieden Groen kan binnen verschillende ruimtelijke afbakeningen, op verschillende schaalniveaus en binnen verschillende servicegebieden in kaart worden gebracht. De keuze voor een specifiek ruimtelijke afbakening, schaalniveau of servicegebied hangt af van het doel van de berekening. Als het doel van de berekening is om de totale hoeveelheid groen binnen de gemeentegrenzen van Amsterdam in kaart te brengen, dan is het logisch om de berekening uit voeren binnen de ruimtelijke afbakening van de gemeente Amsterdam en ook op het schaalniveau van de gemeente Amsterdam. Is het doel van de berekening om meer te kunnen zeggen over de verdeling van de hoeveelheid groen bínnen Amsterdam, dan is het logischer om een lager schaalniveau te selecteren zoals het wijkniveau. De keuze voor een bepaald schaalniveau of servicegebied kan ook afhankelijk zijn van de functie van groen dat centraal wordt gesteld als doel van de berekening. Als het doel is om het groen in kaart te brengen vanuit de sociale functie of de gezondheidsfunctie van groen, dan is het wellicht relevant om te kijken naar het groen dat op relatief korte loop- en fietsafstand ligt voor Amsterdammers. Hierbij is het mogelijk ook relevant om het groen mee te nemen dat buiten de gemeentegrenzen van Amsterdam valt.
Hiervoor zouden de servicegebieden van tien minuten lopen of vijftien minuten fietsen nuttig kunnen zijn. Afhankelijk van de specifieke vraag kan het groen binnen het servicegebied op gemeenteniveau of op wijkniveau worden berekend. Voor een vraag gericht op de natuur- of klimaatfunctie van het groen zouden andere ruimtelijke afbakening, schaalniveaus en/of servicegebieden relevant kunnen zijn. Welke ruimtelijke afbakeningen, schaalniveaus en servicegebieden het beste passen bij de verschillende functies bespreken we in hoofdstuk 6. Hierna gaan we kort in op de gemeente- en wijkgrenzen als schaalniveau en het servicegebied van tien minuten lopen en vijftien minuten fietsen vanuit bewoond gebied.
75
REKENKAMER METROPOOL AMSTERDAM
4.3.1
Gemeente- en wijkgrenzen
Het schaalniveau van de gemeente als geheel is geschikt om een beeld te krijgen van de totale hoeveelheid groen in Amsterdam. Dan wordt inzichtelijk, bijvoorbeeld, hoeveel m² groen er in totaal is binnen de gemeentegrenzen of hoeveel groen er gemiddeld per inwoner of huishouden is. Door alleen te kijken naar het groen binnen de wijkgrenzen worden de verschillen in de hoeveelheid groen binnen Amsterdam inzichtelijk. Dan wordt duidelijk in welke wijken er veel of weinig m² groen aanwezig is (en, bijvoorbeeld, waar veel of weinig m² groen per inwoner of huishouden is). Het is ook mogelijk om als ruimtelijke afbakening één of een aantal wijken te selecteren. Zo hebben wij voor het casusonderzoek (zie hoofdstuk 5), de ruimtelijke afbakening van vier (casus)wijken gehanteerd. Op deze manier is het mogelijk om zicht te krijgen op de 'situatie ter plaatse': hoeveel groen is er in een bepaalde wijk? In kaart 4.8 hebben we zowel de gemeentegrenzen als de wijkgrenzen van Amsterdam weergegeven.
Kaart 4.8 - Gemeente- en wijkgrenzen Amsterdam
4.3.2
Servicegebieden vanaf bewoond gebied
In de Groenvisie benoemt de gemeente dat er voor iedereen genoeg gevarieerd groen bereikbaar moet zijn vanaf de woning. De gemeente beschrijft dat iedereen vanaf zijn of haar woning binnen tien minuten wandelen in een 'parkachtige openbare omgeving' moet kunnen zijn en dat binnen maximaal vijftien minuten fietsen een groot groengebied bereikbaar moet zijn. Om hier meer zicht op te krijgen, hebben we het groen op gemeenteen wijkniveau in kaart gebracht dat binnen een actieradius van tien minuten lopen en
76
GROEN IN DE STAD - ONDERZOEKSRAPPORT vijftien minuten fietsen bereikbaar is vanuit het bewoonde gebied. We hebben de meest recente CBS-Bodemgebruikkaart (2015)bbb gebruikt om het bewoonde gebied in Amsterdam in beeld te brengen (zie kaart 4.9). Vervolgens hebben we in QGIS via de webservice Openrouteservice (ORS) de actieradius van tien minuten lopen en vijftien minuten fietsen berekend vanuit het bewoonde gebied. De gebieden die binnen tien minuten lopen en vijftien minuten fietsen bereikbaar zijn noemen we de servicegebieden. ORS maakt gebruik van gegevens van OpenStreetMap (OSM) en beschikt over de mogelijkheid om voor verschillende mobiliteiten (zoals fietsen en wandelen) een actieradius te berekenen op basis van een bepaalde afstand of tijdslimiet. Zie bijlage 3 voor een meer gedetailleerde beschrijving van de geografische analyses die we in QGIS hebben uitgevoerd om zicht te krijgen op de hoeveelheid groen in Amsterdam. Kaart 4.9 toont de servicegebieden die op tien minuten lopen en vijftien minuten fietsen bereikbaar zijn vanuit het bewoonde gebied in Amsterdam. We hebben het servicegebied van tien minuten lopen en vijftien minuten fietsen ook per wijk in kaart gebracht. Dat betekent dat we voor iedere wijk het gebied in kaart hebben gebracht dat binnen tien minuten lopen te bereiken is en het gebied dat binnen vijftien minuten fietsen te bereiken is.
Ook deze gebieden noemen we de servicegebieden waarbinnen we het groen in kaart hebben gebracht. Door deze servicegebieden onderdeel te maken van ons onderzoek, maken we inzichtelijk welke gebieden inwoners van een bepaalde wijk met een relatief korte loop- en fietsafstand kunnen bereiken. In de CBS-Bodemgebruikkaart uit 2015 bestaan vier wijken waarbinnen zich op dat moment geen woongebied bevindt. Het gaat om de volgende wijken: IJburg Oost, Amstel III/Bullewijk, Bedrijventerrein Sloterdijk en het Westelijk Havengebied. Voor deze wijken is daarom ook geen servicegebied berekend van tien minuten lopen en vijftien minuten fietsen. Tot slot hebben we via dezelfde werkwijze ook het servicegebied in kaart gebracht dat vanaf het bewoonde gebied in iedere wijk binnen 750 meter lopen te bereiken is.
bbb De CBS-bodemgebruikkaart (2015) is inmiddels redelijk gedateerd. Wij hebben er toch voor
gekozen om deze bron te gebruiken om het woongebied in beeld te brengen, omdat dit een door de gemeente veel gebruikte bron is.
77
REKENKAMER METROPOOL AMSTERDAM
Kaart 4.9 - Servicegebied tien minuten lopen en vijftien minuten fietsen vanaf bewoond gebied in Amsterdam
Als onderdeel van onze enquête onder Amsterdammers over het groen (zie hoofdstuk 3) hebben we gevraagd naar de mening over de hoeveelheid groen in de woonomgeving. De antwoorden die we daarop hebben gekregen, hebben we op wijkniveau vergeleken met de hoeveelheden groen die worden geteld bij verschillende servicegebieden en bij verschillende bronnen. Uit deze vergelijking blijkt onder andere dat er bij zowel een servicegebied bepaald op basis van tien minuten lopen als op basis van vijftien minuten fietsen sprake is van een significante correlatie. Echter, bij de servicegebieden bepaald op basis van tien minuten lopen is deze correlatie in vrijwel alle gevallen hoger. Dat betekent dat in de meeste gevallen (afhankelijk van de bron) de mening van Amsterdammers over de hoeveelheid groen in hun woonomgeving beter overeenkomt met de telling op basis van het servicegebied van tien minuten lopen dan het servicegebied van vijftien minuten fietsen. Daarom geven wij in het vervolg van onze analyses in hoofdstuk 6 als we een servicegebied met een actieradius moeten kiezen de voorkeur aan het servicegebied bepaald op basis van tien minuten lopen, tenzij er expliciete redenen zijn om te kiezen voor vijftien minuten fietsen.
78
GROEN IN DE STAD - ONDERZOEKSRAPPORT
4.4 Meeteenheid en overige overwegingen In paragraaf 4.2 constateren we dat er verschillende bronnen gebruikt kunnen worden om de hoeveelheid groen in (en om) Amsterdam in beeld te brengen. Afhankelijk van de bron die geselecteerd wordt, ontstaat er een ander beeld van de hoeveelheid en de positionering van het groen in de stad. In paragraaf 4.3 constateren we vervolgens dat het van belang is om na te denken binnen welk meetgebied het groen gemeten moet worden. Kijken we bijvoorbeeld naar het groen binnen de gemeentegrenzen van Amsterdam, of ook daarbuiten? Of is het bijvoorbeeld relevant om alleen te kijken naar het groen dat voor Amsterdammers binnen een bepaalde loop- of fietsafstand ligt? Wij concluderen dat de keuzes die hierin gemaakt moeten worden afhankelijk zijn van het doel van de berekening. Naast de aandacht voor bronnen en meetgebieden zijn er ook andere overwegingen van belang om rekening mee te houden als de hoeveelheid groen in beeld wordt gebracht. Het is namelijk ook van belang om na te denken via welke meeteenheid over het groen binnen een bepaald gebied gerapporteerd moet worden. Hieronder staan een aantal voorbeelden van meeteenheden die gehanteerd kunnen worden om over het groen te rapporteren in een bepaald gebied:
• • • • •
percentage; m²; m² per inwoner; m² per huishouden; m² per woning.
Wij constateren dat de keuze voor welke meeteenheid het meest passend is om te hanteren, wederom afhankelijk is van het doel van de berekening. Als het doel van de berekening is om de hoeveelheid groen in beeld te brengen dat door bewoners gebruikt kan worden voor bijvoorbeeld recreatie, dan zou het waarschijnlijk nuttig zijn om een meeteenheid te hanteren die daarop aansluit, zoals m² per inwoner of m² per huishouden. Als het doel van de berekening is om puur een overzicht te krijgen van de hoeveelheid groen in een gebied, is het waarschijnlijk nuttiger om de hoeveelheid groen in m² te berekenen. Het presenteren van de hoeveelheid groen in percentages biedt de mogelijkheid om vrij eenvoudig te kunnen vergelijken tussen gebieden. Echter is het daarbij wel van belang om na te denken op basis waarvan het percentage groen berekend moet worden. Is dat bijvoorbeeld op basis van de oppervlakte van het gebied in totaal (inclusief watergebieden)? Of alleen op basis van het landoppervlak (exclusief watergebieden)? Naast de keuzes die gemaakt moeten worden in het selecteren van een bepaalde meeteenheid zijn er ook andere overwegingen die gemaakt kunnen worden in het presenteren van de gegevens over groen. Zo is het mogelijk om gegevens over de hoeveelheid groen te presenteren ten opzichte van de gemiddelde hoeveelheid groen.
Het is bijvoorbeeld mogelijk om de gemiddelde hoeveelheid groen te berekenen in de wijken in
79
REKENKAMER METROPOOL AMSTERDAM Amsterdam en vervolgens te analyseren hoe de verschillende wijken in Amsterdam zich verhouden tot dit gemiddelde. Echter kunnen wijken met relatief veel groen of juist relatief weinig groen invloed hebben op de hoogte van het gemiddelde. Daarom kan het ook interessant zijn om juist de modus van het groen in Amsterdam te berekenen en vervolgens te onderzoeken hoe verschillende wijken zich hiertoe verhouden. De modus geeft een beeld van de hoeveelheid groen die in Amsterdamse wijken het meeste voorkomt. Wij constateren dat het doel van de berekening wederom leidend zou moeten zijn in het selecteren van de meest passende meeteenheid om over het groen te rapporteren en de eventuele andere overwegingen die gemaakt kunnen worden, zoals het weergeven van het groen ten opzichte van het gemiddelde of de modus.
4.5 Conclusie In dit hoofdstuk hebben we aan de hand van drie bronnen (CBS, BGT en remote sensing) en data over gemeentelijke groenstructuren (recreatief groenstructuur, ecologische structuur en hoofdgroenstructuur) de volgende onderzoeksvraag onderzocht:
Wat komt er kijken bij het meten van de hoeveelheid groen in Amsterdam? De verschillende bronnen van groen geven een gevarieerd beeld van de hoeveelheid groen in (en om) Amsterdam. Door in te zoomen op de eigenschappen van de bronnen valt op dat ze op vier onderdelen sterk van elkaar verschillen.
• Ten eerste is er variatie in de volledigheid waarop het groen in (en om) Amsterdam in beeld wordt gebracht door de verschillende bronnen. Zo beperken de gemeentelijke groenstructuren zich voornamelijk tot het weergeven van het groen binnen de gemeentegrenzen van Amsterdam, terwijl het CBS, de BGT en remote sensing ook groen buiten de gemeentegrenzen weergeven. Ook is er variatie tussen de bronnen in hoeverre ze geschikt zijn om ook het groen in de private ruimte weer te geven. Daarnaast verschilt het detailniveau waarop het groen in de bronnen in beeld wordt gebracht. De BGT en remote sensing brengt het groen bijvoorbeeld met een hoger detailniveau in beeld dan het CBS. Daarnaast zorgt het hanteren van een ondergrens, zoals bij de CBS-data het geval is, ervoor dat niet al het groen in beeld wordt gebracht. • Ten tweede is er variatie tussen de bronnen in de mate waarin ze inzicht bieden in de functie van het gebied waar het groen zich bevindt. Zo is via remote sensing niet direct te achterhalen of een groengebied bijvoorbeeld bestaat uit een begraafplaats, sportveld of braakliggend terrein. Andere bronnen, zoals CBS, bieden meer informatie over de functie van het groengebied. • Ten derde is er variatie in hoeverre de bronnen zicht geven op de verschillende soorten groen die in een gebied voorkomen. Komt bijvoorbeeld alleen het levende
80
GROEN IN DE STAD - ONDERZOEKSRAPPORT groen in beeld, zoals bij remote sensing? Of ook de kunstgrasvelden, zoals bij het CBS? En kan een onderscheid worden gemaakt tussen bomen en ander groen? • Ten vierde is er verschil in hoeverre de bronnen geschikt zijn om een vergelijking te maken van de hoeveelheid groen in de tijd. Wij concluderen dat bij het meten van de hoeveelheid groen niet alleen de keuze voor de bron van belang is, maar ook het gebied waarbinnen het groen in beeld wordt gebracht (het meetgebied). Groen kan binnen verschillende ruimtelijke afbakeningen, op verschillende schaalniveaus en binnen verschillende servicegebieden in kaart worden gebracht. Daarnaast moet er in de rapportage over groen nagedacht worden over een passende meeteenheid. De keuze voor een passende bron, meetgebied en meeteenheid hangt af van het doel van de berekening. In hoofdstuk 6 komen verschillende keuzes aan bod die wij hebben gemaakt met betrekking tot bronnen, meetgebieden, meeteenheden en andere overwegingen om het groen in Amsterdam in kaart te brengen voor de verschillende functies uit de Groenvisie.
5 Amsterdams groen in de praktijk 5.1 Inleiding In dit hoofdstuk richten we ons op het groen in de praktijk. We voerden een casusonderzoek uit, waarin we het groen op vier verschillende locaties in Amsterdam nader hebben onderzocht. Vervolgens zijn we in gesprek gegaan met verschillende ambtelijke en wetenschappelijke deskundigen over het groen in de vier casusgebieden. Hiermee beantwoorden we de volgende onderzoeksvraag:
Is er in de praktijk te zien dat er voldoende, goed en bruikbaar groen is? We beschrijven eerst hoe we het casusonderzoek hebben uitgevoerd en de keuzes die we hebben gemaakt om tot de vier casusgebieden te komen. We lichten toe op welke manier wij het groen in de casusgebieden via film in beeld hebben gebracht om vervolgens aan de hand hiervan het gesprek aan te gaan met verschillende wetenschappelijke en ambtelijke deskundigen op het gebied van groen in de stad.ccc Daarna gaan we in op de casussen zelf. We bespreken daarbij per casus het aanwezige groen en het commentaar van de door ons gesproken deskundigen, bestaande uit de sterke en zwakke punten van het groen. Nadat
ccc Door de coronasituatie konden we niet met onze gesprekspartners de casusgebieden bezoeken
en het groen op deze manier te bekijken. Daarom hebben wij besloten het groen in de casusgebieden via film zo nauwkeurig mogelijk in beeld te brengen en op deze manier het gesprek met de deskundigen aan te gaan.
81
REKENKAMER METROPOOL AMSTERDAM we de casussen een-voor-een hebben behandeld, analyseren we het beeld dat hieruit ontstaat vanuit het perspectief van het groen in de praktijk van Amsterdam.
5.2 Methodologie Eerst beschrijven we de systematiek en overwegingen die geleid hebben tot de keuze van de casusgebieden in het casusonderzoek. Vervolgens presenteren we de casusgebieden en specificeren we het gebied waarbinnen we het groen hebben onderzocht. Daarna beschrijven we de wijze waarop we het groen via een film in beeld hebben gebracht. Tot slot besteden we aandacht aan de verschillende wetenschappelijke en ambtelijke deskundigen waarmee we in gesprek zijn gegaan over het groen in de casusgebieden in Amsterdam.
5.2.1
Keuze casusgebieden
Het was uiteraard onmogelijk om het praktijkbeeld van al het groen binnen Amsterdam te onderzoeken en te bespreken met deskundigen. Daarom hebben wij gekozen voor een casusonderzoek waarin wij inzoomen op verschillende gebieden in Amsterdam om het groen in de praktijk meer gedetailleerd te onderzoeken. Ruimtelijke systemen In Amsterdam is de ruimte die voor groen beschikbaar is en de vorm van het aanwezige groen niet overal hetzelfde. Onder andere factoren zoals de ruimtelijke opzet en de bouwperiode van een wijk, buurt of straat zijn hierop van invloed. Zo zijn er gebieden in Amsterdam die voornamelijk uit gesloten bouwblokken bestaan met ruimte voor groen in de private binnentuinen. Maar er bestaan ook gebieden waarin er meer ruimte is voor groen in de openbare ruimte. De variatie in inrichtingsmogelijkheden van woonomgevingen in Amsterdam hebben wij meegenomen als criterium voor de selectie van de casusgebieden. Daarvoor hebben wij gebruikgemaakt van de gemeentelijke indeling van Amsterdam in verschillende 'ruimtelijke systemen'.ddd Dit zijn zones in de stad waarin de bebouwing een gelijksoortig karakter heeft. Bij ieder ruimtelijk systeem is een bepaalde verhouding tussen bebouwing, private terreinen en openbare ruimte. Ook de ruimte voor groen varieert tussen de ruimtelijke systemen.
Zo is in de tuinsteden, die gebouwd zijn als onderdeel van het Algemeen Uitbreidingsplan (AUP) en Post-Algemeen Uitbreidingsplan (Post-AUP), meer aandacht besteed aan het integreren van openbaar groen in het ruimtelijk ontwerp, dan in de wijken in de binnenstad, 19de-eeuwse Ring of de Gordel ’20- ’40 (zie kaart 5.1). Voor onze casusselectie hebben wij vier casusgebieden geselecteerd binnen ruimtelijke systemen die typerend zijn voor een groot deel van Amsterdam. De casusgebieden binnen deze ruimtelijke systemen verschillen onderling sterk van elkaar qua ruimtelijke opzet
ddd Deze bron kan hier digitaal worden geraadpleegd.
82
GROEN IN DE STAD - ONDERZOEKSRAPPORT (verkavelingsvorm en positionering van het groen) en bouwperiode. Door deze ruimtelijke systemen onderdeel te maken van de casusselectie hebben wij geprobeerd om een beter beeld te krijgen van het groen in verschillende typen woonomgevingen in Amsterdam.
Kaart 5.1 - Ruimtelijke systemen gemeente Amsterdam inclusief ligging casusgebiedeneee
De casusgebieden waarop wij ons onderzoek richten, bevinden zich binnen de volgende vier ruimtelijke systemen:fff
• • • •
Gordel ’20-’40; Tuindorpen; AUP en Post-AUP; De IJ-landen.
eee Kaart bewerkt van maps.amsterdam.nl. Casus A: Stadionwijk, casus B: Tuindorp Oostzaan, casus
C: Osdorp-Midden, casus D: IJburg-West fff We hebben er niet voor gekozen om een casusgebied uit het ruimtelijke systeem van de binnenstad op te nemen in ons onderzoek. De reden hiervoor is dat wij verwachten dat er in de binnenstad gegeven de historische betekenis te weinig ruimte is om grootschalige veranderingen aan te brengen aan het groen. We hebben ook geen casusgebied geselecteerd binnen het ruimtelijke systeem van de 19de-eeuwse Ring, omdat de ruimtelijke opzet van deze woonomgevingen enigszins vergelijkbaar is met de Gordel ’20-’40.
83
REKENKAMER METROPOOL AMSTERDAM
Beschrijving ruimtelijke systemen casusgebieden Gordel ’20-’40 Beslaat de stedelijke uitbreiding die is gerealiseerd tussen de Eerste Wereldoorlog en de Tweede Wereldoorlog. De wijken liggen als een gordel om de 19de-eeuwse Ring. De bebouwing in deze wijken bestaan grotendeels uit middelhoge gesloten bouwblokken. De grens tussen openbaar en privé is hard. De ruimte voor groen komt voornamelijk beschut naar voren in de binnentuinen. De binnentuinen zijn privé verkavelde of gemeenschappelijke (kijk)tuinen of een combinatie daarvan. In het algemeen zijn er geen voortuinen bij deze gesloten bouwblokken, soms wel bloemenbakken of geveltuintjes. In een deel van de straten zijn bomenlanen aangelegd.91 Tuindorpen Dit zijn volkswoningbouwbuurten die gebouwd zijn in de eerste helft van de twintigste eeuw. De bebouwing in deze wijken bestaan voornamelijk uit in lengte variërende rijen eengezinswoningen met voor- en achtertuin. Het grootste deel van de buitenruimte achter de woningen is als privétuin verkaveld. Door de open verkaveling is de beleving van de tuinen onderdeel van het groen in de straten.92 AUP en Post-AUP Het AUP was in 1935 gereed, maar is grotendeels na de Tweede Wereldoorlog uitgevoerd. Het ruimtelijk systeem AUP en Post-AUP bestaat uit woongebieden (tuinsteden) rond de oude stad. De wijken hebben een open verkavelingsvorm in stroken, haken en hoven.