A - 31 Openbare Ruimte en Groen (24) 03 Onderzoeksrapport Groen in de stad
Tekst van het document
2.4.1
Verwacht effect op klimaatadaptatie
Een van de hoofdredenen om de stad te vergroenen die benoemd is in de Groenvisie, is het verbeteren van de klimaatadaptiviteit van de stad. Goed aangelegd en onderhouden groen kan een bijdrage leveren aan de klimaatadaptatie van de stad. Daarbij onderscheidt de gemeente twee mechanismen. Groen kan ten eerste zorgen voor verkoeling via verdamping en schaduwwerking. Daarmee draagt groen bij aan het opvangen van de gevolgen van toenemende hitte in de stad. Ten tweede kan groen het water opvangen en vasthouden, waardoor het geleidelijk kan worden afgevoerd en weg kan zakken naar het grondwater. Hierdoor levert groen ook een bijdrage aan het oplossen van problemen door extreme wateroverlast.56
2.4.2
Soort en kwaliteit
In de Groenvisie is globaal en anekdotisch beschreven wat voor soort en kwaliteit groen wenselijk is vanuit het perspectief van klimaatadaptatie. Het gaat dan om verschillende elementen die (indirect) laten zien aan wat voor soort groen wordt gedacht bij het bevorderen van klimaatadaptatie. Zo wordt genoemd dat klimaatadaptief groen:
• eisen stelt aan het groen op het gebied van onderhoud en de wijze waarop het •
• • •
groen is aangelegd;57 vooral op die plekken nodig is die erg versteend zijn. Daar wil de gemeente stimuleren dat er meer groene gevels, daken en tuinen komen. Dit moet voor verkoeling zorgen en het regenwater opvangen;58 hitte kan tegengehouden door bomen op straten en pleinen, grote groengebieden en groene daken en gevels;59 ervoor kan zorgen dat groen een functie heeft voor tijdelijke waterberging;60 ook andere eisen stelt aan nieuwe kunstgrasvelden: deze moeten regenwater kunnen opvangen en minder hitte afgeven;61
22
GROEN IN DE STAD - ONDERZOEKSRAPPORT
• bij begraafplaatsen betekent dat de grindpaden gehandhaafd blijven en dat bij de renovatie van de paden grindkoffers aangebracht worden om water te bergen en af te voeren.62 Uit deze elementen kan afgeleid worden dat het gaat om groen op verschillende plekken, zowel in de openbare ruimte als in de private ruimte. Qua soort varieert het wenselijke groen van tuinen en bomen tot groene gevels en daken. En het kan ook gaan om voorzieningen in het groen zoals paden en kunstgrasvelden. Bij kwaliteit gaat het vooral om groen dat water kan bergen, minder hitte afgeeft of voor schaduw zorgt. Uit gevoerde gesprekken blijkt verder dat er nog een aspect van groen belangrijk is vanuit het perspectief van klimaatadaptatie. Dit betreft het groen zelf: de mate waarin het groen bestand is tegen klimaatverandering.63 Een expliciete opsomming of beschrijving van deze eisen aan klimaatadaptief groen is niet beschikbaar in de Groenvisie. Wel wordt er binnen de gemeente gewerkt aan een Handboek Groen waarin meer rekening wordt gehouden met klimaatadaptatie in de openbare ruimte.64 De eerste versie van het Handboek Groenh is op 9 december 2020 behandeld in de commissie Wonen en Bouwen. In dit handboek worden beleidsmatige principes en voorbeelden uit Amsterdam vertaald naar lijsten voor beplanting, technische details, voorschriften, eigenschappen en voorbeelden van hoe beplanting toe te passen.
In het handboek zijn ook tabellen opgenomen van verschillende soorten beplanting (bomen, heesters, vaste planten en bolgewassen, grassen en water- en oeverplanten). Deze tabellen geven inzicht in de fysieke eisen, verschijningsvormen, toepasbaarheid en eventuele ecosysteemdiensten van de verschillende soorten beplanting. Het handboek biedt ook informatie over de beplanting in relatie tot de functie klimaatadaptatie. Zo wordt voor verschillende soorten beplanting bijvoorbeeld aangegeven in hoeverre het in staat is om opwarming te beperken, neerslag op te vangen, schaduw te creëren en CO² op te vangen.
2.4.3
Hoeveelheid
In de Groenvisie wordt geen uitwerking gegeven van de vraag hoeveel groen er in de stad nodig is voor een klimaatadaptieve stad (en binnen welk meetgebied en via welke meeteenheid de hoeveelheid in beeld gebracht zou moeten worden om te bepalen of er voldoende groen is). Dat neemt niet weg dat de referentienormen voor nieuwe gebieden (zie paragraaf 2.1.2) wel een duidelijk aanknopingspunt bieden. De gemeente onderscheidt daarin een groen oppervlakte voor gebruiksgroen en ecosysteemgroen. Ecosysteemgroen heeft betrekking op de biodiversiteit en de klimaatadaptiviteit van de buurt. Ecosysteemgroen betreft groen in de straat en in het kavel zoals plantvakken, hagen en wadi’s. Maximaal 25% hiervan mag gerealiseerd worden als (groene) daken of op privaat terrein.65
h De eerste versie van het Handboek Groen is hier te vinden.
23
REKENKAMER METROPOOL AMSTERDAM
2.4.4
Conclusie
De gemeente heeft in de Groenvisie veel aandacht voor de rol van groen bij de klimaatadaptiviteit in de stad. Klimaatadaptief groen helpt bij het opvangen van de gevolgen van extreme hitte en wateroverlast. Hoewel niet expliciet is beschreven wat voor soort en kwaliteit groen hiervoor precies nodig is, valt dit wel enigszins af te leiden uit de Groenvisie en het Handboek Groen. Het gaat dan om groen in zowel de openbare ruimte als in de private ruimte en kan in vorm variëren van bomen tot groene daken, zolang het zorgt voor schaduw, verkoeling of water kan bergen. Het Handboek Groen biedt aanknopingspunten met betrekking tot de klimaatadaptieve bijdrage die verschillende vegetatiesoorten kunnen leveren en in hoeverre verschillende vegetatiesoorten zelf bestand zijn tegen de gevolgen van klimaatverandering. In gesprekken die wij hebben gevoerd is ook gewezen op de noodzaak dat het groen zelf goed bestand moet zijn tegen de gevolgen van klimaatverandering. Wat betreft de hoeveelheid groen die wenselijk is, bieden de Groenvisie en het Handboek Groen geen inzichten. Uit de, reeds bestaande, referentienormen voor nieuwe gebieden is daarentegen wel een aanknopingspunt te vinden in de norm voor zogenaamd ecosysteemgroen.
2.5 Natuur In de Groenvisie is beschreven dat natuur een van de vier functies is van groen in de stad (zie paragraaf 2.1.3 voor de vier functies zoals benoemd in de Groenvisie). Hierna onderzoeken we meer in detail wat de functie natuur precies inhoudt. Daarvoor gaan we eerst na hoe de gemeente verwacht dat groen bijdraagt aan de natuur in de stad. Vervolgens bekijken we in hoeverre duidelijk is wat voor soort groen hiervoor nodig is en welke eisen er aan de kwaliteit van dit groen moeten worden gesteld. Tot slot beoordelen we of voldoende duidelijk is hoeveel van dit groen nodig is (en binnen welk meetgebied en via welke meeteenheid de hoeveelheid in beeld gebracht zou moeten worden om te bepalen of er voldoende groen is). Hiervoor baseren wij ons in principe op de Groenvisie en, waar nodig en beschikbaar, aanvullende informatie uit andere beleidsdocumenten en door ons gevoerde gesprekken.
2.5.1
Verwacht effect van natuur
Uit de Groenvisie blijkt dat de gemeente de natuurwaarde van het groen erg belangrijk vindt. Het gaat dan nadrukkelijk om het bevorderen van de biodiversiteit van de natuur in Amsterdam. Volgens de Groenvisie zorgt een grote biodiversiteit van het groen voor een betere gezondheid van groen, bodem en water. Daarnaast vindt de gemeente de biodiversiteit ook van educatief belang voor de inwoners van de stad doordat het bijdraagt aan meer kennis over en respect voor de natuur, inwoners meer van het groen genieten en eerder bereid zijn hun eigen omgeving te vergroenen of een vrijwillige bijdrage willen leveren aan het beheer van het groen. Daarnaast heeft een van de vier principes uit de Groenvisie een directe relatie met de functie natuur, namelijk dat de stad natuurinclusief moet worden aangelegd en beheerd.66
24
GROEN IN DE STAD - ONDERZOEKSRAPPORT Uit gesprekken die we hebben gevoerd en documenten die we hebben bestudeerd, blijkt overigens dat men verwacht dat meer biodiversiteit van het groen vaak ook een positief effect heeft op de mate waarin de andere functies kunnen worden gerealiseerd met hetzelfde groen. Zo draagt meer ecologisch en biodivers groen bij aan waterberging en heeft het een positief effect op de mentale gezondheid van Amsterdammers. Ook verwacht men dat inwoners graag betrokken willen zijn bij ecologisch beheer dat zo het sociaal welzijn stimuleert.67
2.5.2
Soort en kwaliteit
In de Groenvisie geeft de gemeente in een bijlage een indruk wat voor soort groen van belang is bij het bevorderen van de biodiversiteit in Amsterdam. Daarbij gaat het allereerst om het benoemen van gebieden en netwerken die waardevol zijn voor biodiversiteit in de stad. Maar er worden ook diverse concrete acties benoemd waarmee de gemeente de biodiversiteit wil verbeteren. Het gaat dan om, onder andere, meer groene daken en gevels, meer natuurlijke waterkanten en het toepassen van ecologisch beheer. De Groenvisie gaat nadrukkelijk in op grote natuurgebieden rond de stad, zoals Waterland, het IJmeer en het Amsterdamse Bos, maar ook worden de Amsterdamse Waterleidingduinen genoemd. In deze gebieden moet de biodiversiteit gewaarborgd blijven.68 Maar het gaat niet alleen om deze grote natuurgebieden; de gemeente onderschrijft ook het belang van natuur in de stadsranden zoals De Brettenzone, de oeverlanden van de Nieuwe Meer of de Bijlmerweide. Benadrukt wordt dat juist ook in deze gebieden aandacht nodig is voor behoud en verbetering van de biodiversiteit.69 En ook in de zogenoemde 'stadsbiotoop' ziet de gemeente dat er sprake is van waardevolle flora en fauna die behouden moeten blijven vanuit het perspectief van biodiversiteit.
Het gaat dan onder meer om insecten die leven in het Vondelpark en een zeldzame schubvaren dat groeit op het Stenen Hoofd.70 Tot slot wordt in de Groenvisie gewezen op het belang van groene netwerken en structuren zoals de ecologische structuur en de bomenstructuur om dieren beter in staat te stellen zich te verspreiden door de stad en voedsel te vinden.71 Maar in de bijlage over biodiversiteit wordt ook op onderdelen beschreven wat de gemeente wil doen om de biodiversiteit te bevorderen. Allereerst gaat het dan om het toepassen van natuurinclusieve bouw (dat eveneens is opgenomen als een van de vier principes in de Groenvisie). Dit houdt volgens de Groenvisie in dat, waar mogelijk, de stad groener wordt gemaakt door daken 'te ontginnen' en groene gevels aan te leggen. Ook gaat het om het aanbrengen van nestkasten voor vogels en vleermuizen en het rekening houden met muurplanten bij renovatie van kademuren door onder andere het gebruik van kalkrijke specie.72 Daarnaast signaleert de gemeente in de Groenvisie dat de waterkanten in Amsterdam vaak nog bestaan uit harde oevers van palen of steen waardoor de natuurwaarde aanzienlijk wordt beperkt. Daarom wordt in de Groenvisie, met het oog op biodiversiteit, ingezet op het natuurvriendelijker maken van de oevers.
Dat wil de gemeente doen door meer geleidelijk aflopende oevers aan te leggen waardoor oever- en waterplanten meer kansen hebben om te groeien.73 Tot slot wordt in de Groenvisie het belang van ecologisch beheer benoemd.74
25
REKENKAMER METROPOOL AMSTERDAM Het Handboek Groeni biedt wel een aantal aanknopingspunten met betrekking tot de eventuele bijdrage die verschillende vegetatiesoorten kunnen leveren aan de functie natuur. Zo wordt voor verschillende soorten beplanting bijvoorbeeld aangegeven of het gaat om inheemse soorten, exoten of cultivars. Ook biedt het handboek informatie over de bijdrage die bepaalde vegetatiesoorten kunnen leveren voor bijen, insecten en vogels en in het algemeen in hoeverre de verschillende vegetatiesoorten bijdragen aan biodiversiteit.
2.5.3
Hoeveelheid
De Groenvisie vermeldt geen expliciete norm voor de hoeveelheid groen dat de biodiversiteit bevordert in de stad of dat noodzakelijk wordt geacht voor de functie natuur. Maar de algemene normen (zoals besproken in paragraaf 2.1.2) bieden op onderdelen wel duidelijke aanknopingspunten. Het gaat dan vooral om de hoofdgroenstructuur waarmee is aangegeven welk groen (en in welk gebied) de gemeente ten minste wil behouden met het oog op, onder andere, de biodiversiteit van de stad.75 Maar voor nieuwe gebieden in de stad gelden ook de referentienormen waarbij normen worden gesteld voor de hoeveelheid ecosysteemgroen. Het ecosysteemgroen heeft onder meer betrekking op de biodiversiteit van de buurt.76 Voor de bestaande wijken bieden de referentienormen echter geen houvast. Op onderdelen van biodiversiteit bevat de Groenvisie wel expliciete uitspraken. Ten eerste noemt de gemeente het uitgangspunt dat ecologisch beheer - uiterlijk in 2030 - de norm is voor al het beheer van de openbare ruimte en het water.77 Eerder had de gemeente (in de Agenda Groen 2015-2018) zichzelf als doel gesteld om in 2018 50% van het groen in de stad ecologisch te beheren. (De gemeente geeft aan dat dit doel met 52% inmiddels is behaald.78) Specifiek ten aanzien van gazons vermeldt de Groenvisie, tot slot, dat deze zo beheerd worden dat 25% van het oppervlak bestaat uit bloeiende planten.
En deze gazons worden niet in zijn geheel gemaaid, maar in twee delen.79
2.5.4
Conclusie
Uit de Groenvisie blijkt dat de gemeente de natuurwaarde van het groen erg belangrijk vindt. Het gaat dan nadrukkelijk om het bevorderen van de biodiversiteit van de natuur in Amsterdam. Volgens de Groenvisie zorgt een grote biodiversiteit van het groen voor een betere gezondheid van groen, bodem en water. Ook geeft de Groenvisie een indruk om wat voor soort groen het gaat en welke kwaliteit daarbij van belang is. Het gaat dan zowel om het behouden van bestaande (natuur)gebieden met een goede biodiversiteit als het vergroten van de biodiversiteit van het groen door, onder andere, meer groene daken en gevels, meer natuurlijke waterkanten en het toepassen van ecologisch beheer. Wat betreft de hoeveelheid groen die wenselijk is vanuit de functie natuur biedt de Groenvisie ook aanknopingspunten, echter een expliciete norm ontbreekt. De belangrijkste aanknopingspunten bestaan uit de hoofdgroenstructuur, de referentienorm voor ecosysteemgroen in nieuwe gebieden en de ambitie om het beheer van het groen en water
i De eerste versie van het Handboek Groen is hier te vinden.
26
GROEN IN DE STAD - ONDERZOEKSRAPPORT volledig ecologisch uit te voeren. Een aantal aanknopingspunten over welke vegetatiesoorten en type beplanting geschikt zijn om een bijdrage te leveren aan de functie natuur zijn te vinden in het Handboek Groen.
2.6 Conclusie In dit hoofdstuk hebben we de volgende onderzoeksvraag onderzocht:
Wat is volgens het Amsterdamse beleid voldoende, goed en bruikbaar groen in Amsterdam? De gemeente onderschrijft duidelijk het belang van groen voor Amsterdam. Groei, en in het bijzonder verdichting, van de stad is alleen mogelijk als er voldoende groen is. Volgens de Groenvisie draagt groen bij aan de gezondheid en het sociaal welzijn van Amsterdammers en is groen ook van groot belang voor het kunnen opvangen van de gevolgen van klimaatverandering. En groen is natuurlijk ook van belang voor de natuur zélf. De gemeente schetst in de Groenvisie een ambitieuze aanpak van het groen in de stad. Waar mogelijk moet er meer ruimte en meer werk worden gemaakt van groen. Een belangrijk uitgangspunt luidt dan ook 'groen, tenzij…'. Maar de Groenvisie en de gesprekken die wij hebben gevoerd maken ook duidelijk dat het beleid voor groen in Amsterdam nog erg in ontwikkeling is. Het beschreven beleid ten aanzien van groen blijft daardoor op veel punten nog vaag. Zo komt het woord 'groen' veelvuldig terug in de Groenvisie. Maar het wordt niet voldoende duidelijk wat hiermee nu precies wordt bedoeld. Wat is nu wel groen, en wat niet? Een heldere en eenduidige definitie van wat groen in Amsterdam inhoudt, ontbreekt.
Misschien is een eenduidige definitie van groen niet wenselijk, maar het valt ons op dat de definitie van groen ook onduidelijk blijft als we meer in detail kijken naar de verschillende functies van groen volgens de Groenvisie (gezondheid, sociaal welzijn, klimaatadaptatie en natuur). Het meest concreet is de gemeente als het gaat over het groen dat moet bijdragen aan de natuur: het gaat dan om groen dat past bij biodiversiteit en ecologisch wordt beheerd. Ook vanuit het oogpunt van klimaatadaptatie zijn valt dit, globaal, af te leiden uit de Groenvisie. Hiervoor is het groen van belang dat zorgt voor schaduw, minder hitte afgeeft of water kan bergen. Het Handboek Groen biedt wel een aantal aanknopingspunten over welke vegetatiesoorten en soorten groen geschikt zijn om een bijdrage te leveren aan de functie natuur en de functie klimaatadaptatie. Wat betreft het sociaal welzijn van Amsterdammers is slechts heel globaal beschreven in de Groenvisie wat voor groen daarvoor wenselijk is. Dat betreft enerzijds groen dat uitnodigt tot elkaar ontmoeten, maar er wordt vooral veel nadruk gelegd op groen dat stimuleert dat Amsterdammers samen gaan tuinieren. En het is in het geheel niet uitgewerkt in de Groenvisie wat voor soort groen nodig is om de gezondheid van Amsterdammers te bevorderen.
27
REKENKAMER METROPOOL AMSTERDAM In mindere mate geldt dit ook voor het antwoord op de vraag wanneer er sprake is van voldoende groen in Amsterdam. We zijn weinig normen of doelen tegengekomen waarin wordt aangegeven hoeveel groen wenselijk is en binnen welk meetgebied en via welke meeteenheid de hoeveelheid in beeld gebracht zou moeten worden om te bepalen of er voldoende groen is. De Groenvisie biedt daarvoor op onderdelen houvast. In het bijzonder wat betreft de acceptabele afstand tot bepaalde vormen van groen en voor de hoeveelheid groen in nieuw te ontwikkelen wijken en gebieden: daarvoor gelden zogenoemde referentienormen waar rekening mee moet worden gehouden. Dergelijke normen voor bestaande wijken en gebieden zijn er nog niet en moeten nog ontwikkeld worden. Tot slot geven de verschillende gemeentelijke structuren aan welke groengebieden ten minste behouden zouden moeten blijven en volgt uit de Groenvisie dat ecologisch beheer van het groen door de gemeente de norm moet worden. Maar deze normen dekken niet al het groen in de hele stad en sluiten ook lang niet altijd aan op de verschillende functies die de gemeente ziet voor het groen.
3 Amsterdammers over het groen In dit hoofdstuk stellen we de bewoners van Amsterdam centraal. We willen onderzoeken wat zij vinden van het groen in Amsterdam. Niet alleen willen we weten welke waardering Amsterdammers hebben voor het groen, maar we willen ook te weten komen waarom. Daarmee zullen we in dit hoofdstuk de volgende onderzoeksvraag beantwoorden:
Hoe waarderen bewoners het groen in Amsterdam en waardoor worden verschillen in waardering veroorzaakt? Hiervoor gaan we in dit hoofdstuk eerst in op de waardering van het groen in Amsterdam. We veronderstellen ook dat het mogelijk is dat de mate waarin het groen voor Amsterdammers daadwerkelijk bruikbaar is (dat wil zeggen: dat het groen de functie voor hen vervult die zij voor ogen hebben) van invloed is op de waardering. Daarom hebben we hen ook gevraagd naar hun oordeel over de mate waarin het aanwezige groen voor hen bruikbaar is. Ook kijken we naar mogelijke effecten van de coronacrisis op waardering en deze ervaren bruikbaarheid van het groen. Daarna kijken we naar factoren die mogelijk van invloed zijn op de waardering en de ervaren bruikbaarheid van het groen:
• Hoeveel groen is er volgens Amsterdammers bij hen in de directe woonomgeving • • • •
en in de stad? Hoe nabij en bereikbaar vinden Amsterdammers hun favoriete plek in het groen? Hoe gebruiken Amsterdammers het groen? Welke vormen van groen vinden Amsterdammers belangrijk? Welke kwaliteitskenmerken van groen vinden Amsterdammers belangrijk en hoe beoordelen zij de kwaliteit van deze kenmerken?
28
GROEN IN DE STAD - ONDERZOEKSRAPPORT De benodigde informatie hebben we vergaard met behulp van een enquête. De enquête is uitgezet onder ons burgerpanel. Omdat het burgerpanel niet helemaal representatief is voor de Amsterdamse bevolking qua leeftijdsverdeling hebben we aanvullend de enquête uitgezet onder een deel van het stadspanel van OIS en zijn bepaalde leeftijdsgroepen gericht benaderd via social media om de enquête in te vullen. Dit zorgt al voor een grotere representativiteit op deze kenmerken, maar door verschillen in respons hebben we de data gewogen op de kenmerken leeftijd, geslacht en stadsdeel. Dit zorgt ervoor dat het databestand representatief is op deze kenmerken voor de Amsterdamse bevolking. Andere kenmerken zoals gezinssamenstelling, sociaal-economische status, of opleiding zijn niet betrokken in de weging. Het databestand kan op deze punten afwijken van de Amsterdamse bevolking. Wanneer deze kenmerken samenhangen met opvatting over of gebruik van groen dan kan dit van invloed zijn op de in dit onderzoek gepresenteerde resultaten.j Tot slot hebben we niet alleen deze factoren in beeld gebracht, maar hebben we ook onderzocht in hoeverre ze de waargenomen waardering en bruikbaarheid van het groen kunnen verklaren. Daarvoor hebben we een model ontworpen. Dit model hebben we vervolgens getoetst met behulp van deze verzamelde data uit de enquête.
3.1 Waardering voor groen We gaan eerst in op de vraag welke waardering bewoners uit Amsterdam voor het groen in de stad hebben. In de enquête vroegen we aan bewoners van Amsterdam met welk rapportcijfer zij het groen in de stad waarderen. In Figuur 3.1 geven we de gemiddelde waardering van het groen weer voor de stad als geheel en de zeven stadsdelen afzonderlijk.
j In bijlage 1 staat een uitgebreidere beschrijving van de wijze waarop we de enquête hebben
uitgevoerd en de weegprocedure die we hebben gehanteerd.
29
REKENKAMER METROPOOL AMSTERDAM
Figuur 3.1 - Gemiddelde waardering voor het groen (rapportcijfer)
Bron: RMA, Vragenlijst groen in Amsterdam, 2020.
Figuur 3.1 laat zien dat de bewoners in de enquête het groen gemiddeld met een 7,0 waarderen. Tussen de stadsdelen is weinig verschil waarneembaar.k In Nieuw-West en Zuidoost is men iets positiever (7,2) over het groen dan in de rest van de stad en in stadsdeel Centrum is men iets minder positief over het groen (6,8) dan gemiddeld in de stad.l Naast het gemiddelde rapportcijfer hebben we ook gekeken naar de verdeling van rapportcijfers. Daarbij maken we onderscheid tussen een onvoldoende (lager dan 6,0) beoordeling, een voldoende (6,0 of 7,0) en een goede waardering (hoger dan 8,0) van het groen in de stad. In Figuur 3.2 staan de resultaten.
k Binnen de stadsdelen kunnen nog wel grote verschillen bestaan. De omvang van de steekproef is
echter niet groot genoeg om hier iets over te kunnen concluderen. l Genoemde verschillen zijn significant met een betrouwbaarheid van 95%.
30
GROEN IN DE STAD - ONDERZOEKSRAPPORT
Figuur 3.2 -Waardering van het groen (onvoldoende, voldoende, goed)
Bron: RMA, Vragenlijst groen in Amsterdam, 2020.
Figuur 3.2 laat zien dat in Amsterdam een derde van de ondervraagde bewoners het groen met een 8,0 of hoger waardeert. De meeste inwoners waarderen het groen met een 6,0 of een 7,0. Een klein deel van de bewoners waardeert het groen met een onvoldoende (7%). Ook zien we in deze figuur dat bewoners van stadsdeel Centrum negatiever zijn over het groen (13% geeft een onvoldoende) dan in Amsterdam als geheel (7%). De bewoners van Nieuw-West en Zuidoost geven relatief vaker een hoge waardering (respectievelijk 45% en 41%) voor het groen dan gemiddeld in Amsterdam (33%).m
3.1.1
Effect corona op de waardering van groen
In de enquête is ook gevraagd of men het groen in Amsterdam hoger of lager is gaan waarderen. In Figuur 3.3 staan de resultaten van deze vraag.
m De genoemde verschillen zijn significant met een betrouwbaarheid van 95%.
31
REKENKAMER METROPOOL AMSTERDAM
Figuur 3.3 - Hogere of lagere waardering groen door corona
Bron: RMA, Vragenlijst groen in Amsterdam, 2020.
Figuur 3.3 laat zien dat 63% van de bewoners het groen hoger (36%) of een beetje hoger (27%) is gaan waarderen. Ongeveer een derde van de bewoners (34%) geeft aan dat ze het groen niet hoger of lager is gaan waarderen. Vrijwel niemand van de bewoners is het groen lager (1%) of een beetje lager (1%) gaan waarderen. Op basis van de enquête kunnen we concluderen dat de meeste Amsterdammers het groen meer zijn gaan waarderen. Hoeveel meer, is echter met behulp van de enquête niet vast te stellen.
3.2 Bruikbaarheid groen We hebben ook in de enquête gevraagd in hoeverre men het groen kan gebruiken zoals men dat wil. In Figuur 3.4 staat welk percentage van de bewoners aangeeft dat het groen, goed, ruim voldoende, voldoende matig of onvoldoende kan worden gebruikt zoals men zou willen.
32
GROEN IN DE STAD - ONDERZOEKSRAPPORT
Figuur 3.4 - Bruikbaarheid groen
Bron: RMA, Vragenlijst groen in Amsterdam, 2020.
Een meerderheid (51%) van de bewoners geeft aan dat het groen goed (19%) of ruim voldoende (32%) kan worden gebruikt zoals men zou willen. Een derde geeft hiervoor een voldoende (33%). Van alle bewoners is 16% negatief over het gebruik van het groen zoals men zou willen. Van de bewoners beoordeelt 11% dit als matig en 5% als onvoldoende. Dit beeld is niet hetzelfde in alle stadsdelen. Zo zien we dat men in de stadsdelen Zuid en Centrum negatiever is dan in de rest van de stad over het gebruik van het groen zoals men zou willen. In stadsdeel Zuid geeft men vaker als oordeel over het gebruik onvoldoende of matig (samen 23%) en in stadsdeel Centrum is dit percentage 26%. Net als bij het rapportcijfer is men in de stadsdelen Zuidoost en Nieuw-West juist positiever over het gebruik van het groen dan in de rest van de stad. Van de bewoners in deze stadsdelen beoordeelt rond de 60% het gebruik van het groen zoals men zou willen met goed of ruim voldoende (gemiddeld in de stad is 51% positief).n
3.3 Hoeveelheid groen We zijn nagegaan welk oordeel bewoners hebben over de omvang van het groen in de eigen woonomgeving en de stad. Daarnaast hebben we gevraagd of bewoners de beschikking hebben over enige vorm van privégroen.
3.3.1
Hoeveelheid groen de stad
We hebben de bewoners van de stad gevraagd hoeveel groen ze vinden dat er in de stad is. In Figuur 3.5 hebben we per stadsdeel en voor de stad als geheel aangegeven welk percentage van de bewoners vindt dat er veel of redelijk veel groen is in de stad.
n Genoemde verschillen zijn significant met een betrouwbaarheid van 95%.
33
REKENKAMER METROPOOL AMSTERDAM
Figuur 3.5 - Hoeveelheid groen in de stad Amsterdam
7%
44%
Zuidoost
8%
45%
Noord 4%
48%
Oost 3% Zuid
8%
Nieuw-West West
42% 46%
12%
47%
7%
45%
Centrum 3% 0%
38% 10%
20%
30%
40% veel
50%
60%
70%
80%
90%
100%
redelijk veel
Bron: RMA, Vragenlijst groen in Amsterdam, 2020.
Figuur 3.5 laat zien dat een meerderheid (51%) van de bewoners vindt dat er veel (7%) of redelijk veel (44%) groen in de stad is. Kijken we naar de stadsdelen dan zien we dat bewoners in Nieuw-West vaker aangeven dat er (redelijk) veel groen in de stad is (59%) en dat er in de stadsdelen Oost en Centrum minder mensen zijn die zeggen dat er (redelijk) veel groen in de stad is (respectievelijk 45% en 41%).o
3.3.2
Hoeveelheid groen in de woonomgeving
In de enquête vroegen we ook hoeveel groen de bewoners vinden dat er in de eigen woonomgeving is. In fFiguur 3.6 is weergegeven welk aandeel van de bewoners vindt dat er veel of redelijk veel groen is in de woonomgeving.
o Genoemde verschillen zijn significant met een betrouwbaarheid van 95%.
34
GROEN IN DE STAD - ONDERZOEKSRAPPORT
Figuur 3.6 - Hoeveelheid groen in de woonomgeving (percentage veel en redelijk veel)
Bron: RMA, Vragenlijst groen in Amsterdam, 2020.
Figuur 3.6 laat zien dat een ruime meerderheid (62%) van de bewoners aangeeft dat er veel (21%) of redelijk veel (41%) groen in de eigen omgeving is. Dit percentage is aanzienlijk hoger dan het percentage dat aangeeft dat er redelijk veel groen in de stad is (51%, zie paragraaf 3.3.1). Verder zien we een grote diversiteit tussen de stadsdelen. Bewoners uit Zuidoost en Nieuw-West geven het meest aan dat er (redelijk) veel groen is in eigen woonomgeving (respectievelijk 83% en 78%). In stadsdeel Oost en met name in stadsdeel Centrum geeft een veel lager percentage bewoners aan dat er (redelijk) veel groen is in de woonomgeving (respectievelijk 51% en 30%).p
3.3.3
Privégroen
Naast het oordeel over de hoeveelheid groen in de stad en de eigen woonomgeving, hebben we in de enquête ook gevraagd of de bewoners in het bezit zijn van privégroen. Dat kan zijn in de vorm van een eigen tuin, een balkon of een dakterras. Het idee is dat het niet-hebben van eigen groen mogelijk van invloed is op de waardering voor het groen in de stad en het oordeel over het gewenste gebruik van het groen. In Figuur 3.7 is weergegeven of en over welke vorm van privégroen de bewoners beschikken.
p Genoemde verschillen zijn significant met een betrouwbaarheid van 95%.
35
REKENKAMER METROPOOL AMSTERDAM
Figuur 3.7 – Privégroen uitgesplitst naar balkon, dakterras en tuinq
Bron: RMA, Vragenlijst groen in Amsterdam, 2020.
Figuur 3.7 laat zien dat ruim een op de tien bewoners aangeeft geen eigen buitenruimte te hebben. Eveneens ruim een op de tien geeft aan een daktuin of dakterras te hebben. Bijna een derde van de bewoners heeft een tuin en de meerderheid van de bewoners beschikt over een balkon. Kijken we naar de stadsdelen, dan zien we dat in stadsdeel Centrum een aanzienlijk groter percentage (32%) aangeeft dat men geen eigen buitenruimte heeft dan in de andere stadsdelen. In de stadsdelen Zuidoost en Noord heeft men vaker een tuin (48% en 47%) dan in andere stadsdelen. In de stadsdelen West en Zuid geeft men vaker aan te beschikken over een balkon (respectievelijk 60% en 64%) dan in de ander stadsdelen.r
3.4 Nabijheid en bereikbaarheid van het favoriete groen Een ander element waarnaar in de enquête is gevraagd, zijn de nabijheid en bereikbaarheid van het favoriete groen. We veronderstellen dat favoriet groen dat dichtbij en goed bereikbaar is, samenhangt met de waardering van groen en het oordeel over de bruikbaarheid van het groen.
3.4.1
Nabijheid van het favoriete groen
In de enquête hebben we aan Amsterdammers gevraagd naar de ligging van hun favoriete groenplek in de stad en hoe nabij ze die plek vinden. Kaart 3.1 toont de resultaten van 1.248 Amsterdammers die in de enquête op de kaart hebben aangegeven waar hun favoriete groenplek is. 68,2%, oftewel een ruime meerderheid, van de favoriete
q Aangezien bewoners meerdere vormen van privégroen kunnen hebben, tellen de percentages op
tot meer dan 100%. r Genoemde verschillen zijn significant met een betrouwbaarheid van 95%.
36
GROEN IN DE STAD - ONDERZOEKSRAPPORT groenplekken bevindt zich binnen het recreatief groen in Amsterdam (zie hoofdstuk 4, paragraaf 4.2.3 voor een beschrijving van het recreatief groen). Van de parken en plantsoenen zijn het Vondelpark met 139 stemmen en het Flevopark met 77 stemmen het vaakst aangewezen als favoriet groengebied binnen het recreatief groen.
Kaart 3.1 - Favoriete groenplek van 1.248 Amsterdammers
In de enquête is ook de vraag gesteld of men vindt dat de favoriete groenplek naar het gevoel veraf of dichtbij is. In Figuur 3.8 staat welke antwoorden de bewoners hebben gegeven over de ingeschatte nabijheid van het favoriete groen.
37
REKENKAMER METROPOOL AMSTERDAM
Figuur 3.8 - Nabijheid van het groen
Bron: RMA, Vragenlijst groen in Amsterdam, 2020.
Figuur 3.8 laat zien dat van bijna driekwart (72%) van de bewoners de favoriete groenplek dichtbij (38%) of redelijk dichtbij (34%) is. Een op de tien bewoners vindt dat het groen ver weg (2%) of redelijk ver weg (8%) is. Eveneens een op de tien bewoners geeft aan dat de favoriete groenplek niet ver weg, maar ook niet dichtbij is. Kijken we naar de verschillen tussen de stadsdelen, dan zien we met name in stadsdeel Centrum dat minder mensen aangeven dat het favoriete groen dichtbij is dan in de stad als geheel (20% versus 38%). In de stadsdelen Noord, Nieuw-West en Zuidoost geeft vrijwel niemand aan dat het favoriete groen ver weg is.s
3.4.2
Afstand tot het favoriete groen
We hebben in de enquête naast de algemene inschattingsvraag van nabijheid ook gevraagd hoe lang het lopen of fietsen is naar het favoriete groen. In Figuur 3.9 staan de resultaten.
Figuur 3.9 - Loop- en fietstijd tot het favoriete groen
Bron: RMA, Vragenlijst groen in Amsterdam, 2020.
s Genoemde verschillen zijn significant met een betrouwbaarheid van 95%.
38
GROEN IN DE STAD - ONDERZOEKSRAPPORT Figuur 3.9 laat zien dat 41% van de bewoners aangeeft dat het favoriete groen binnen tien minuten lopen te bereiken is. En 33% van de bewoners geeft aan dat het favoriete groen tussen de tien en dertig minuten lopen te bereiken is. Ongeveer een op de vijf bewoners zegt evenwel dat het favoriete groen te bereiken is op meer dan dertig minuten lopen. Kijken we naar de tijd die bewoners nodig hebben om op de fiets het favoriete groen te bereiken, dan zien we dat 70% van de bewoners zegt dat het favoriete groen binnen vijftien minuten fietsen te bereiken is. Van de bewoners geeft 16% aan dat het favoriete groen tussen de vijftien en dertig minuten fietsen te bereiken is. Ongeveer een op de twintig bewoners zegt meer dan drie minuten te moeten fietsen om het favoriete groen te bereiken. Relatie fiets- en looptijd met de inschatting van nabijheid We hebben gekeken in welke mate de loop- en fietstijd samenhangt met de inschatting of het favoriete groen dichtbij of ver weg ligt. In Figuur 3.10 staan de resultaten.
Figuur 3.10 - Loop- en fietstijd naar het favoriete groen afgezet tegen de ingeschatte nabijheid van groen
Bron: RMA, Vragenlijst groen in Amsterdam, 2020.
Uit Figuur 3.10 blijkt dat bewoners die aangeven dat het favoriete groen op minder dan tien minuten lopen te bereiken is, het meest (97%) aangeven dat het groen dichtbij (72%) of redelijk dichtbij (25%) is. Naarmate de looptijd toeneemt, wijzigen deze percentages. Bij tien tot dertig minuten looptijd vindt 76% van de bewoners dat het favoriete groen
39
REKENKAMER METROPOOL AMSTERDAM (redelijk) dichtbij ligt. Dit neemt af tot 37% bij een looptijd van meer dan dertig minuten. Bij de tijd die men moet fietsen, zien we een vergelijkbaar patroon. De meeste bewoners vinden dat het groen (redelijk) ver weg ligt als men meer dan dertig minuten moet lopen (41%) of meer dan dertig minuten moet fietsen (58%).
3.4.3
Bereikbaarheid van het favoriete groen
Naast een vraag over de nabijheid hebben we ook gevraagd of en in welke mate de favoriete groenplek in de stad moeilijk of makkelijk bereikbaar is. In Figuur 3.11 staan de antwoorden op deze vraag.
Figuur 3.11 - Bereikbaarheid van het favoriete groen
Bron: RMA, Vragenlijst groen in Amsterdam, 2020.
Figuur 3.11 laat zien dat vrijwel geen van de bewoners aangeeft dat het favoriete groen redelijk moeilijk (2%) of moeilijk (1%) bereikbaar is. Een ruime meerderheid van de bewoners vindt dat het favoriete groen makkelijk bereikbaar is (60%) en 23% vindt dat het favoriete groen redelijk makkelijk bereikbaar is. Van de bewoners vindt 7% dat het favoriete groen niet makkelijk en niet moeilijk bereikbaar is. Kijken we naar de verschillen tussen de stadsdelen dan zien we dat in stadsdeel Centrum een lager percentage aangeeft dat het favoriete groen makkelijk bereikbaar is dan in de stad als geheel (52% versus 60%). In stadsdeel West daarentegen geeft juist een iets hoger percentage aan dat het groen makkelijk bereikbaar is dan in de stad als geheel (66% versus 60%).t
t Genoemde verschillen zijn significant met een betrouwbaarheid van 95%.
40
GROEN IN DE STAD - ONDERZOEKSRAPPORT
3.5 Gebruik groen In de enquête hebben we voor 22 activiteiten gevraagd of en in welke mate het groen in de stad daarvoor door de inwoners van de stad wordt gebruikt. We hebben deze vraag gesteld omdat we ons voor kunnen stellen dat het soort gebruik van het groen van invloed is op de waardering voor groen. De activiteiten waarvoor het groen wordt gebruikt laten zich categoriseren rond de thema's: ontspannen, sport en bewegen en ontmoeten.
3.5.1
Ontspannen
In Figuur 3.12 is voor de vijf activiteiten die gericht zijn op ontspannen aangegeven met welke regelmaat (vaak, regelmatig, soms, nooit) deze door bewoners worden ondernomen in het Amsterdamse groen.
Figuur 3.12 - Activiteiten in het groen - ontspannen
Bron: RMA, Vragenlijst groen in Amsterdam, 2020.
Figuur 3.12 laat zien dat een meerderheid van de bewoners het groen vaak of regelmatig benut om te genieten van de flora en fauna (61%) en om rust te zoeken, te chillen, etc. (52%). Ook noemt een groot deel van de bewoners dat ze het groen in de stad vaak of regelmatig bezoekt om verkoeling te zoeken (49%). Activiteiten waarvan bewoners minder vaak zeggen dat ze dat vaak of regelmatig doen, zijn tuinieren (22%) en lunchen/lunchpauze doorbrengen (23%). Op basis van deze vijf activiteiten in de categorie ontspannen kan worden bepaald welk percentage van de Amsterdammers het groen vaak of regelmatig gebruikt voor
41
REKENKAMER METROPOOL AMSTERDAM ontspannende activiteiten. De meeste Amsterdammers (81%) gebruiken het groen vaak of regelmatig voor een of meerdere activiteiten in de categorie ontspannen.
3.5.2
Sport en bewegen
In Figuur 3.13 is voor de negen activiteiten die gericht zijn op sport en bewegen aangegeven met welke regelmaat (vaak, regelmatig, soms, nooit) deze door bewoners worden ondernomen in het Amsterdamse groen.
Figuur 3.13 - Activiteiten in het groen - sport en bewegen
Bron: RMA, Vragenlijst groen in Amsterdam, 2020.
Figuur 3.13 laat zien dat de activiteiten wandelen, etc. en rennen/joggen etc. door de bewoners het meest worden genoemd als activiteiten die vaak of regelmatig worden ondernomen in het groen (respectievelijk 65% en 56%). Alle andere activiteiten binnen deze categorie worden veel minder vaak genoemd als activiteiten die men vaak of regelmatig doet in het groen en varieert van 1% voor paardrijden tot 16% voor spelen met kinderen. Op basis van deze negen activiteiten in de categorie sport en bewegen kan worden bepaald welk percentage van de Amsterdammers het groen vaak of regelmatig gebruikt voor sport en bewegen. De meeste Amsterdammers (87%) gebruiken het groen vaak of regelmatig voor een of meerdere activiteiten in de categorie sport en bewegen.
3.5.3
Ontmoeten
In Figuur 3.14 is voor de negen activiteiten die gericht zijn op het elkaar ontmoeten, aangegeven met welke regelmaat (vaak, regelmatig, soms, nooit) deze door bewoners worden ondernomen in het Amsterdamse groen.
42
GROEN IN DE STAD - ONDERZOEKSRAPPORT
Figuur 3.14 - Activiteiten in het groen - ontmoeten
Bron: RMA, Vragenlijst groen in Amsterdam, 2020.
Figuur 3.14 laat zien dat de verschillende vormen van activiteiten gericht op ontmoeten minder vaak of regelmatig worden ondernomen. Bij de activiteiten die gericht waren op ontspannen, en sport en bewegen gaf een ruime meerderheid van de inwoners bij een aantal activiteiten aan het groen vaak of regelmatig te gebruiken; bij activiteiten gericht op ontmoeten is dat minder het geval. Het meest worden de activiteiten horeca bezoeken (32%) en barbecueën, picknicken of een feestje vieren (29%) genoemd als activiteiten waarvoor het groen vaak of regelmatig wordt gebruikt. De percentages voor de overige activiteiten liggen veel lager en variëren van 16% van de bewoners dat aangeeft het groen vaak of regelmatig voor het bezoeken van een evenement te gebruiken, tot 3% van de bewoners dat het groen vaak of regelmatig gebruikt om de liefde te bedrijven of te cruisen. Op basis van deze acht activiteiten in de categorie ontmoeten kan worden bepaald welk percentage van de Amsterdammers het groen vaak of regelmatig gebruikt voor ontmoeten. Een meerderheid van de Amsterdammers (54%) gebruikt het groen vaak of regelmatig voor een of meerdere activiteiten in de categorie ontmoeten.
3.5.4
Effect corona op gebruik van het groen
In de enquête hebben we ook gevraagd of men door de coronacrisis het groen in de stad meer of minder is gaan gebruiken. In Figuur 3.15 zijn de resultaten weergegeven.
43
REKENKAMER METROPOOL AMSTERDAM
Figuur 3.15 - Meer of minder gebruik groen door corona
Bron: RMA, Vragenlijst groen in Amsterdam, 2020.
Figuur 3.15 laat zien dat een ruime meerderheid (67%) van de bewoners aangeeft het groen in coronatijd meer (38%) of een beetje meer (29%) te zijn gaan gebruiken. Ongeveer een kwart geeft aan het groen niet meer of minder te zijn gaan gebruiken. Een beperkt deel van de ondervraagden (6%) geeft aan het groen een beetje minder (3%) of minder (3%) te zijn gaan gebruiken. Op basis van de enquête kunnen we concluderen dat de meeste Amsterdammers het groen meer zijn gaan gebruiken. Hoeveel meer het gebruik is toegenomen, kan echter met behulp van de enquête niet worden vastgesteld.
3.6 Belangrijkheid van groen In de enquête hebben we aan bewoners van Amsterdam gevraagd hoe belangrijk zij het groen vinden. Groen heeft veel verschillende verschijningsvormen. Daarom hebben we hen gevraagd om dit aan te geven voor verschillende vormen van groen. Hierna bespreken we de uitkomsten zowel voor de stad als geheel als voor de stadsdelen afzonderlijk.
3.6.1
Belangrijkheid van verschillende vormen van groen
In Figuur 3.16 is voor verschillende vormen van groen aangegeven hoe belangrijk men die vindt.
44
GROEN IN DE STAD - ONDERZOEKSRAPPORT
Figuur 3.16 - Belangrijkheid verschillende vormen van groen (1 helemaal niet belangrijk- 5 heel erg belangrijk)
Bron: RMA, Vragenlijst groen in Amsterdam, 2020.
Figuur 3.16 laat zien dat het stadsgroen door bewoners het belangrijkst wordt gevonden. Het gaat hier om de aanwezigheid van grote groengebieden in de stad, zoals stadsparken. Daarna volgen landelijk groen, buurtgroen en straatgroen. Ook deze vormen van groen worden gemiddeld genomen meer dan belangrijk (score 4) gevonden. Privégroen in de vorm van een eigen tuin, balkon, dakterras, binnentuin of groen dak, wordt iets minder maar nog steeds belangrijk gevonden. Het minst belangrijk, maar gemiddeld nog steeds belangrijk, wordt de categorie overig groen gevonden. Het gaat bij deze vorm van groen om gebieden in de stad met een groene uitstraling, maar vaak met een specifiek gebruik, zoals volkstuinen, begraafplaatsen en sportparken. De belangrijkheid van de zes variabelen van groen vormen een onderliggende dimensie die het belang meet dat men hecht aan groen.u Op basis van de zes afzonderlijke variabelen hebben we een schaal geconstrueerd die loopt van 1 (helemaal niet belangrijk) tot 5 (heel belangrijk). De gemiddelde score van deze schaal bedraagt 4,2.
3.6.2
De belangrijkheid van groen per stadsdeel
In deze paragraaf gaan we na in hoeverre bewoners van de verschillende stadsdelen van elkaar verschillen in het beoordelen van de belangrijkheid van groen. Daarvoor gebruiken we de samengestelde schaal. In Figuur 3.17 presenteren we de gemiddelde score van deze schaal uitgesplitst naar stadsdeel.
uCronbach's alpha = 0,788. Dit betekent dat de zes items een sterke schaal vormen.
45
REKENKAMER METROPOOL AMSTERDAM
Figuur 3.17 - Belangrijkheid van het groen uitgesplitst naar stadsdeel
Bron: RMA, Vragenlijst groen in Amsterdam, 2020.
Figuur 3.17 laat zien dat de inwoners van alle stadsdelen groen in en om de stad gemiddeld genomen heel (erg) belangrijk vinden (de gemiddelde scores liggen allemaal boven de 4). Toch zijn er nog wat kleine significante verschillen tussen de stadsdelen.v In Noord vindt men groen gemiddeld iets belangrijker dan in de stad als geheel en in Zuidoost en Oost vindt men groen iets minder belangrijk dan in de stad als geheel.
3.7 Kwaliteitskenmerken van het groen De kwaliteit van het groen kan ook van invloed zijn op de waardering van het groen. Onder kwaliteit verstaan we hierna uiteenlopende kwaliteitskenmerken. We hebben daarbij een onderscheid gemaakt tussen drie categorieën van kwaliteitskenmerken: de inrichting van het groen, de staat van het groen en omgevingskenmerken van het groen (die uiteenvallen in drie subcategorieën: de rust in het groen, de veiligheid in het groen en de voorzieningen in het groen). Van deze verschillende kwaliteitskenmerken hebben we aan Amsterdammers gevraagd in hoeverre zij deze belangrijk vinden en wat ze van de kwaliteit vinden. Hierna bespreken we de uitkomsten per categorie.
3.7.1
De inrichting van het groen
Voor de inrichting van het groen hebben we specifiek gevraagd naar vijf kwaliteitskenmerken. Het gaat om de variatie in het groen, de duurzaamheid van het groen, de aanwezigheid van natuurlijk groen, de inrichting van het groen en of het groen is zonder bebouwing. Van elk van deze kenmerken is gevraagd of en in welke mate men het belangrijk vindt en wat men van de kwaliteit van het kenmerk vindt. In Figuur 3.18 is voor
v Genoemde verschillen zijn significant met een betrouwbaarheid van 95%.
46
GROEN IN DE STAD - ONDERZOEKSRAPPORT elk kenmerk het percentage bewoners weergegeven dat het kenmerk heel (erg) belangrijk vindt en dat de kwaliteit van het kenmerk (heel) goed vindt.
Figuur 3.18 - Inrichting van het groen - belangrijkheid ((% heel (erg) belangrijk) en kwaliteit (% (heel) goed)
Bron: RMA, Vragenlijst groen in Amsterdam, 2020.
Figuur 3.18 laat zien dat de aanwezigheid van natuurlijk groen en groen dat voor lange tijd behouden blijft het meest genoemd worden als heel (erg) belangrijk (respectievelijk 72% en 74%). Minder vaak worden groene plekken, de inrichting van het groen en variatie in het groen als heel (erg) belangrijk genoemd, maar nog steeds ligt het percentage dat dit heel (erg) belangrijk vindt rond de 50%. Kijken we naar de oordelen over de kwaliteit van verschillende kenmerken van de inrichting van het groen, dan zien we dat de bewoners het meest positief zijn over de kwaliteit van de variatie in het groen en de inrichting van het groen. Van de bewoners vindt 40% de kwaliteit daarvan (heel) goed. Iets minder positief is men over de kwaliteit van groen dat voor lange tijd behouden blijft (38% (heel) goed). Duidelijk minder positief is men over de aanwezigheid van natuurlijk groen en van groene plekken zonder bebouwing. Dit laatste impliceert dat bebouwing in het groen minder wordt gewaardeerd.
3.7.2
De staat van het groen
Naast de vragen over de belangrijkheid en kwaliteit van de inrichting van het groen hebben we ook vragen gesteld over het belang dat men hecht aan de staat van het groen. Het gaat daarbij om het onderhoud van het groen en de schoonmaak van het groen. In
47
REKENKAMER METROPOOL AMSTERDAM Figuur 3.19 is voor deze twee variabelen aangegeven hoeveel mensen het heel (erg) belangrijk en (heel) goed vinden.
Figuur 3.19 - Onderhoud van het groen - belangrijkheid ((% heel (erg) belangrijk) en kwaliteit (% (heel) goed)
Bron: RMA, Vragenlijst groen in Amsterdam, 2020.
Figuur 3.19 laat zien dat een meerderheid (61%) van de bewoners het algemene onderhoud van groen heel (erg) belangrijk vinden. Het schoonhouden van het groen wordt door een groter deel (75%) van de bewoners heel (erg) belangrijk gevonden. Bij de kwaliteit van groen zien we een ander patroon. Ongeveer vier op de tien (41%) van de bewoners vindt het onderhoud van het groen (heel) goed. Minder positief is men over het schoonhouden van het groen in de stad. Een kwart (25%) van de bewoners geeft aan de kwaliteit van het groen (heel) goed te vinden.
3.7.3
De omgevingskenmerken van het groen
Naast de inrichting en het onderhoud zijn er ook zogenaamde omgevingskenmerken van het groen die de waardering voor het groen en de bruikbaarheid van het groen kunnen beïnvloeden. We onderscheiden drie categorieën van omgevingskenmerken: rust, veiligheid en voorzieningen. Elke van deze categorieën bestaat uit een of meerdere omgevingskenmerken waarvan gevraagd is hoe belangrijk die zijn en hoe goed de kwaliteit is. De resultaten van deze vraag zijn opgenomen in Figuur 3.20.
48
GROEN IN DE STAD - ONDERZOEKSRAPPORT
Figuur 3.20 - Omgevingskenmerken van het groen - belangrijkheid ((% heel (erg) belangrijk) en kwaliteit (% (heel) goed)
Bron: RMA, Vragenlijst groen in Amsterdam, 2020.
Figuur 3.20 laat zien dat ruim twee derde van de Amsterdammers vindt dat het gevoel van veiligheid en het ontbreken van drukte en overlast heel (erg) belangrijk is. Bijna 50% van de bewoners vindt de aanwezigheid van verlichting belangrijk en rond vier op de tien bewoners vindt het ontbreken van verkeersgeluid of vliegtuiggeluid belangrijk. De aanwezigheid van voorzieningen wordt minder vaak als heel (erg) belangrijk kenmerk van groen genoemd (17%). Kijken we naar de kwaliteit van het groen, dan zien we dat rond de 40% van de ondervraagden de aanwezigheid van andere mensen, verlichting, het gevoel van veiligheid en voorzieningen (heel) goed vindt. Dit geldt in veel mindere mate voor het ontbreken van drukte en overlast, verkeersgeluid en vliegtuiggeluid. Nog geen 20% van de bewoners vindt de kwaliteit hiervan (heel) goed. Men is dus minder te spreken over de aanwezigheid van drukte, overlast, verkeersgeluid en vliegtuiggeluid in het groen.
3.8 Verklaring van waardering en bruikbaarheid In de vorige paragrafen bespraken we naast oordelen over de waardering voor en de bruikbaarheid van het groen in de stad, ook verschillende onderwerpen rondom groen in de stad. Het gaat om het soort gebruik van groen, het bezit van privégroen en oordelen over groen.
• • • •
Hoeveel groen is er volgens Amsterdammers bij hen in de directe woonomgeving? Hoe nabij en bereikbaar vinden Amsterdammers hun favoriete plek in het groen? Waarvoor gebruiken Amsterdammers het groen? Wat voor soort groen vinden Amsterdammers belangrijk?
49
REKENKAMER METROPOOL AMSTERDAM
• Welke kwaliteitskenmerken van groen vinden Amsterdammers belangrijk en hoe beoordelen zij het groen op deze kenmerken? In deze paragraaf gaan we na in hoeverre deze oordelen over en het gebruik van groen samenhangen, met enerzijds de waardering voor groen en anderzijds de bruikbaarheid van groen. Zoals we in paragraaf 3.1.1 lieten zien, heeft de coronatijd invloed gehad op de waardering voor groen. De meeste Amsterdammers zijn het groen (een beetje) meer gaan waarderen. Hoeveel meer is met behulp van de enquête niet vast te stellen, maar dit fenomeen kan de hier gepresenteerde resultaten wel iets hebben beïnvloed.
3.8.1
Theoretisch model
Om na te gaan wat de waardering van Amsterdammers voor het groen in de stad kan verklaren, hebben we een model ontwikkeld. Dit model is hieronder schematisch weergegeven en wordt hierna verder toegelicht.
Figuur 3.21 - Theoretisch model voor de verklaring van verschillen in de waardering en bruikbaarheid van groen
Hieronder bespreken we de verschillende (groepen van variabelen) in het model en de veronderstelde relaties. Waardering voor en bruikbaarheid van het groen In het model heeft de waardering voor groenw een centrale plek. We proberen met verschillende opvattingen over het gebruik van het groen verschillen in waardering te verklaren. Daarbij moet worden opgemerkt dat het vooral gaat om de verklaring van verschillen in de mate van positiviteit. Zoals uit paragraaf 3.1 blijkt, zijn er weinig Amsterdammers die het groen in de stad beoordelen met een onvoldoende (16%).
w De waardering van groen is gemeten door middel van een rapportcijfer. Zie ook paragraaf 3.1.
50
GROEN IN DE STAD - ONDERZOEKSRAPPORT We verwachten dat er een relatie is tussen bruikbaarheid van het groenx en de waardering van het groen. Als de relatie op zichzelf wordt bekeken dan zien we dat beide variabelen sterk positief samenhangen (correlatiecoëfficiënt 0,55). Dat betekent dat respondenten die de bruikbaarheid van het groen beter vinden, een hogere waardering geven voor het groen in de stad. Beide variabelen kunnen echter door andere variabelen in het model worden verklaard. De vraag die we met de toets van het model beantwoorden, is welke samenhang er overblijft als gecontroleerd wordt voor andere opvattingen over en gebruik van het groen. Oordelen over de hoeveelheid groen In het model zijn twee variabelen opgenomen met betrekking tot de hoeveelheid groen: één gaat over de door de respondenten waargenomen hoeveelheid groen in de stad en de ander over de door de respondenten waargenomen hoeveelheid groen in de directe woonomgeving (zie ook paragraaf 3.3).y Beide kenmerken hangen sterk met elkaar samen (de correlatiecoëfficiënt bedraagt 0,61). Amsterdammers die vinden dat er veel groen in hun woonomgeving aanwezig is, vinden ook vaak dat er veel groen in Amsterdam is. In het model gaan we ervan uit dat de waargenomen hoeveelheid groen in de eigen woonomgeving van invloed is op de waargenomen hoeveelheid groen in de stad.
Het betreft hier inschattingen van de bewoners en geen objectief vastgestelde hoeveelheden. Van beide variabelen verwachten we daarnaast dat ze van invloed zijn op enerzijds de waardering voor en anderzijds de bruikbaarheid van groen. Nabijheid en bereikbaarheid De variabelen nabijheid en bereikbaarheid zijn subjectieve inschattingsvariabelen die aangeven of het favoriete groen veraf of dichtbij ligt en of het favoriete groen moeilijk of makkelijk bereikbaar is (zie ook paragraaf 3.4). Van beide variabelen verwachten we dat wanneer het favoriete groen dichtbij en makkelijk bereikbaar is, dit zowel positief van invloed kan zijn op de waardering voor groen in de stad als de bruikbaarheid van het groen.z Kwaliteit van het groen In de enquête is gevraagd hoe goed de kwaliteit is van veertien kwaliteitskenmerken van het groen (zie ook paragraaf 3.7). Door middel van schaalanalyses hebben we deze veertien kenmerken getransformeerd tot vijf variabelen die allemaal iets zeggen over de kwaliteit van kenmerken van het groen. Deze variabelen zijn de kwaliteit van:
x Het oordeel over de bruikbaarheid van het groen is gemeten met een vijfpunts-schaal: 1
(onvoldoende) - 5 (goed). y De oordelen over de hoeveelheid groen zijn gemeten met een vijfpunts-schaal: 1 (weinig groen) - 5 (veel groen). z Voor de nabijheid van het groen zijn ook nog twee meer objectieve vragen in de enquête gesteld naar de fiets- en looptijd tot het favoriete groen. We hebben ervoor gekozen deze variabelen niet in het model op te nemen vanwege de sterke samenhang met de subjectieve inschatting van nabijheid (correlatiecoëfficiënten van respectievelijk 0,54 (fietstijd) en 0,64 (looptijd).
51
REKENKAMER METROPOOL AMSTERDAM 1 2 3 4 5
de inrichting van het groen; de staat van het groen; de rust in het groen; de veiligheid in het groen, en de voorzieningen in het groen.
De eerste vier variabelen zijn schalen samengesteld op basis van de verschillende bij elkaar horende vragen.aa De laatste variabele is gebaseerd op een enkelvoudig vraag.bb We veronderstellen dat oordelen over verschillende kwaliteitsaspecten van het groen van invloed kunnen zijn op zowel de waardering van groen als op oordelen over de bruikbaarheid van groen. Belangrijkheid van het groen In de enquête zijn twintig verschillende vragen opgenomen over de belangrijkheid van verschillende vormen van groen (zie ook paragraaf 3.6) of van de kwaliteitskenmerken van het groen (zie ook paragraaf 3.7). Door middel van schaalanalyses hebben we deze variabelen getransformeerd tot zes variabelen die allemaal iets zeggen over verschillende aspecten van groen. De door ons gebruikte variabelen zijn de belangrijkheid van: 1. groen in het algemeen; 2. de inrichting van het groen; 3. de staat van het groen; 4. de rust in het groen; 5. de veiligheid in het groen, en 6. de voorzieningen in het groen. De eerste vijf variabelen zijn schalen samengesteld op basis van de verschillende bij elkaar horende vragen.cc De laatste variabele is gebaseerd op een enkelvoudige vraag.dd We veronderstellen dat oordelen over de belangrijkheid van verschillende aspecten van het groen van invloed kunnen zijn op zowel de waardering van groen als op oordelen over de bruikbaarheid van groen.
Soort gebruik In de enquête is van 22 activiteiten gevraagd in welke mate het groen voor deze activiteiten wordt gebruikt. Wij hebben deze activiteiten gecategoriseerd langs drie lijnen:
aa Schalen zijn allemaal voldoende of sterk consistent. Cronbach's alpha varieert tussen de 0,71 en
0,87. bb Alle variabelen over kwaliteit hebben waarden tussen de 1 (onvoldoende) en 5 (goed). cc Schalen zijn allemaal voldoende of sterk consistent. Cronbach's alpha varieert tussen de 0,71 en 0,79. dd Alle variabelen over belangrijkheid hebben waarden tussen de 1 (helemaal niet belangrijk) en 5 (heel erg belangrijk).
52
GROEN IN DE STAD - ONDERZOEKSRAPPORT ontspannen, sport en bewegen en ontmoeten (zie ook paragraaf 3.5).ee Dit resulteert in drie variabelen voor het gebruik van het groen. Van deze variabelen over het gebruik verwachten we dat die zowel de waardering als de bruikbaarheid van groen kunnen beïnvloeden. Privégroen In de enquête hebben we ook gevraagd of men de beschikking had over privégroen, in de vorm van een balkon, dakterras of tuin (zie ook paragraaf 3.3.3). We kunnen ons voorstellen dat het al dan niet hebben van een buitenruimte van invloed is op opvattingen, oordelen en meningen over het groen en het soort gebruik van groen en zo, uiteindelijk, ook van invloed kan zijn op de waardering en de ervaren bruikbaarheid. Achtergrondkenmerken In ons model hebben we ook een aantal achtergrondkenmerken een plaats gegeven. Het is denkbaar deze achtergrondkenmerken (leeftijd, geslacht, opleiding en huishoudsamenstelling) doorwerken op opvattingen, oordelen en meningen over het groen het soort gebruik van groen en op die manier van invloed kan zijn op de waardering en de ervaren bruikbaarheid.
3.8.2
Toets van het model
In bijlage 1 is een uitgebreide beschrijving gegeven van de wijze waarop we het model hebben getoetst.ff Hier volstaan we met de presentatie van de eindresultaten van de analyse. Dit presenteren we met behulp van zogenoemde 'gestandaardiseerde effecten'. Daarmee kunnen we zichtbaar maken hoe sterk het effect is wanneer gecontroleerd wordt voor andere variabelen. De gestandaardiseerde effecten zijn ook goed onderling vergelijkbaar. De gestandaardiseerde effecten kunnen maximaal 1 bedragen (wanneer er sprake is van een (heel) sterk positieve relatie) en minimaal -1 (dan is de relatie (heel) sterk negatief). Figuur 3.22 laat zien hoe de verschillende variabelen in het model samenhangen met enerzijds de waardering van groen en anderzijds de bruikbaarheid van groen. Daarbij hebben we de variabelen die geen aantoonbaar aanvullend effect hadden op of waardering of bruikbaarheid van groen weggelaten.
ee Als iemand van een of meerdere activiteiten binnen een categorie aangeeft het groen daarvoor
vaak of regelmatig te gebruiken, dan krijgt de variabele de waarde 1 en zo niet, dan krijgt de variabele de waarde 0. ff We hebben het model getoetst met behulp van de Stata analysemodule: structural equation modeling.
53
REKENKAMER METROPOOL AMSTERDAM
Figuur 3.22 - Verklaring van de verschillen in waardering en bruikbaarheid van groen (gestandaardiseerde effectengg)
Als we het model vergelijken met het theoretische model, dan is het eerste wat opvalt dat oordelen over de belangrijkheid van groen en de wijze waarop Amsterdammers het groen gebruiken geen aanvullende bijdrage leveren aan de verklaring van verschillen in de waardering voor en bruikbaarheid van groen. Dat betekent dat, wanneer gecontroleerd wordt voor andere variabelen, mensen die (kenmerken van) het groen belangrijk vinden niet anders oordelen over de waardering voor groen en bruikbaarheid van groen dan mensen die groen minder belangrijk of onbelangrijk vinden. Dit geldt ook voor mensen die het groen regelmatig of vaak gebruiken voor sport en bewegen, ontspannen en ontmoeten. Er is geen aanvullend effect van het soort gebruik als gecontroleerd wordt voor andere variabelen in het model. Het model kent directe effecten en indirecte effecten (lopend via tussenliggende variabelen). Dat betekent dat totale effecten van variabelen groter kunnen zijn dan de directe effecten. In tabel 3.1 staan de gestandaardiseerde directe en totale effecten van alle variabelen in het model op de waardering van groen en de bruikbaarheid van groen.
gg Gestandaardiseerde effecten kunnen een waarde hebben tussen de -1 en 1. Hoe groter de
absolute waarde, hoe sterker het effect.
54
GROEN IN DE STAD - ONDERZOEKSRAPPORT
Tabel 3.1 - Gestandaardiseerde directe en totale effecten op bruikbaarheid van en waardering voor groen Bruikbaarheid groen Variabelen
Direct effect
Waardering groen
Totaal effect
Bruikbaarheid groenhh
Direct effect
Totaal effect
0,12
0,12
Hoeveelheid groen in de stadii