CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

A - 31 Grond en Ontwikkeling (22) Bijlage 4a Beleidskader Bodem Omgevingswet

RAAD 9 november 2023, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van de bodemregels onder de Omgevingswet VN2023-02074156.497 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 7

6.3 De dubbele toets

• Het toepassen van grond of baggerspecie mag niet leiden tot verslechtering van de kwaliteit van de bodemkwaliteits­kaartzone; en • Het toepassen van grond of baggerspecie is in overeen­ stemming met de kwaliteitseisen die gelden voor de bodemfunctieklasse waarin de locatie is ingedeeld. Wanneer geen maatwerkregels voor toepassingseisen gelden, voldoet de kwaliteit van de grond of baggerspecie die wordt toegepast aan de strengste van beide eisen. Bodemfunctieklassen hebben alleen betrekking op de land­ bodem. Voor de waterbodem zijn geen bodemfunctieklassen vastgesteld en wordt alleen met kwaliteitsklassen gewerkt.

6.4 Aanwijzen bodembeheergebied Als via maatwerk de generieke kwaliteitseisen in het Bal zijn versoepeld, dan is als voorwaarde gesteld dat het toe te passen materiaal afkomstig is uit een aangewezen bodembeheergebied (herkomstgebied) en ook weer binnen dat gebied wordt toegepast. De gemeente zorgt er voor dat binnen de grenzen van het bodembeheergebied een goed resultaat wordt behaald uit een oogpunt van het zuinig gebruik van grondstoffen en het doelmatig beheer van afvalstoffen (principe van ‘standstill’ op gebiedsniveau). Amsterdam heeft het eigen beheergebied uitgebreid met de buurgemeenten Haarlemmermeer, Aalsmeer, Amstelveen, Diemen, Ouder-Amstel en Uithoorn. Deze gemeenten hebben hetzelfde gedaan. De genoemde gemeenten accepteren elkaars bodemkwaliteitskaart als milieuverklaring bodemkwaliteit bij grondverzet. Via het overgangsrecht blijft dit beheergebied ook onder de Omgevingswet in stand. Uit­ eindelijk (2032) wordt in het omgevingsplan de geo­metrische begrenzing van het aangewezen bodembeheergebied (herkomstgebied) vastgesteld. Het bodembeheergebied betreft zowel de land- als de waterbodem: baggerspecie (afkomstig van de waterbodem) mag volgens de regels die gelden binnen het beheergebied worden verspreid of toegepast.

Het principe van de ‘dubbele toets’ blijft bestaan onder de Omgevingswet (artikel 4.1272 Bal). De kwaliteitseisen die aan toe te passen grond worden gesteld, hebben betrekking op twee uitgangspunten:

27 Onder “infrastructuur” wordt in dit verband de openbare weg bedoeld, volgens de Wegenverkeerswet (art. 1 lid b): alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten.

66

|

Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024

6.5 Toepassingseisen en kwaliteitseisen in Amsterdam In alle BKK-zones is sprake van gebiedsspecifiek beleid28 op het niveau van de kwaliteitsklasse (dus niet per stof), met daarnaast aanscherping van de eisen voor lood voor bepaalde gevoelige functies. De indeling van de bodemkwaliteitskaart (BKK) wordt gebruikt om de toepassingseisen per BKK-zone weer te geven. Het toetsingskader staat weergegeven in Tabel 6.1. Enkele belangrijke conclusies uit Tabel 6.1 zijn: • In zone 1 is de toepassingseis altijd Landbouw/natuur; • Op locaties die zijn ingedeeld in de bodemfunctieklasse wonen, waarbij sprake is van een woning met tuin of een kinderspeelplaats, mag toe te passen grond in de tuin of op het onverharde deel van de kinderspeelplaats maximaal 100 mg/kg (zonder bodemtypecorrectie) aan lood bevatten (voor de overige parameters geldt klasse wonen)29;

• Op locaties die zijn ingedeeld in de bodemfunctieklasse wonen in de BKK-zones 2 tot en met 7, waarbij sprake is van andere woonfuncties dan bovenstaand en in BKK-zone B openbare weg, mag grond worden toegepast van maximaal klasse wonen; • Locaties die zijn ingedeeld in de bodemfunctieklasse industrie in de BKK-zones 3 tot en met 7 mogen grond ontvangen van de kwaliteitsklasse industrie. Hieronder valt ook ‘bebouwing’. Wanneer sprake is van een woonfunctie zonder tuin mag hier ook grond van klasse industrie worden toegepast indien deze grond afkomstig is uit het eigen beheergebied, ook al staat deze functie op de bodemfunctiekaart aangeduid als ‘wonen’. In afwijking van Tabel 6.1 geldt dat gebiedseigen grond van landbouwpercelen binnen de deelzones Landelijk Noord, de Wilmkebreekpolder en het het landbouwgebied Zuidoost, die niet voldoet aan de kwaliteitsklasse Landbouw/natuur die hier vereist is (zone 2), wel als zodanig binnen de deelzone mag worden hergebruikt op deze bodemfunctie.

Tabel 6.1 Toepassingseisen en kwaliteitseis aanvulgrond/leeflaag (kwaliteitsklassen) voor grond en bagger Bodemfunctieklasse

Landbouw/natuur

Wonen

Landbouw, natuur, moestuinen/ volkstuinen

Wonen met tuin Kinderspeelplaatsen

Groen met natuurwaarden Overige woonfuncties

Ander groen, bebouwing (o.a. wonen zonder tuin30), infrastructuur en industrie

1

Landbouw/natuur

Landbouw/natuur

Landbouw/natuur

Landbouw/natuur

2

Landbouw/natuur

Wonen (lood max 100 mg/kg)

Wonen

Wonen

3

Landbouw/natuur

Wonen (lood max 100 mg/kg)

Wonen

Industrie

4

Landbouw/natuur

Wonen (lood max 100 mg/kg)

Wonen

Industrie

5

Landbouw/natuur

Wonen (lood max 100 mg/kg)

Wonen

Industrie

6

Landbouw/natuur

Wonen (lood max 100 mg/kg)

Wonen

Industrie

7

Landbouw/natuur

Wonen (lood max 100 mg/kg)

Wonen

Industrie

Nadere aan­duiding BKK-zone

Industrie

A openbare weg

Landbouw/natuur

B openbare weg

Wonen

C openbare weg

Industrie

D openbare weg

Industrie

28 In feite zijn dit maatwerkregels op artikel 4.1272 Bal. 29 Deze loodnorm komt voort uit de Toetsingsregel Landbouw/natuur (Regeling bodemkwaliteit 2022 (art. 7.8, 5e lid)). Volgens die regel behoudt grond de formele kwaliteitsklasse Landbouw/natuur als hoogstens 2 stoffen verhoogde gehalten laten zien (bij meting van 7-15 stoffen). De verhoging mag in dat geval maximaal 2x de kwaliteitsklasse Landbouw/natuur (voor lood is dat 50 mg/kg) voor die stof bedragen. Het maximum voor lood is in dit geval dus 2 x 50 = 100 mg/kg grond. Zie ook Bijlage 1. 30 Wanneer sprake is van een woonfunctie zonder tuin (vallend onder bebouwing) in de BKK-zones 3 tot en met 7 mag hier ook grond van klasse industrie worden toegepast als deze grond afkomstig is uit het eigen beheergebied, ook al staat deze functie op de bodemfunctiekaart aangeduid als ‘wonen.’

67

|

Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024

In aanvulling op de in Tabel 6.1 genoemde toepassingseisen gelden er in Amsterdam specifieke toepassingseisen als invulling van de zorgplicht voor asbest, chloride- en PFAS-houdende grond. Zie voor PFAS paragraaf 6.6 en voor chloride paragraaf 6.7 van dit beleidskader. Kwaliteitseisen asbesthoudende grond Asbest wordt normaliter in grond en bouwstoffen toe­ gestaan tot 100 mg/kg droge stof31. Maar op plekken waar kwetsbare groepen veelvuldig contact met grond hebben, zoals op kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuinen, mag asbest analytisch niet aantoonbaar in de grond voorkomen. Er mag ook geen asbest zichtbaar zijn, want het kan voor­ komen dat er volgens een analyserapport 0 mg/kg asbest is aangetoond, maar dat er toch een fragment plaatmateriaal in de grond aanwezig is. Het toepassen van asbesthoudende grond met meer dan 100 mg/kg droge stof is nergens toegestaan. Deze regels gelden binnen de gehele gemeente. Toepassen (gerijpte) baggerspecie op landbodem Gerijpte baggerspecie wordt beschouwd als grond, waarvoor de regels van het Bal gelden. Voor hergebruik van gerijpte baggerspecie geldt dan ook hetzelfde beleid als voor de toepassing van grond. Bij het bepalen van de kwaliteit wordt extra aandacht besteed aan het vooronderzoek en daarbij ook aan aspecten zoals overstorten en asbestbeschoeiingen op de plaats van herkomst.

Dit om te voorkomen dat verschillende kwaliteiten gerijpte baggerspecie worden gemengd. De gemeente Amsterdam streeft ernaar om de eigen baggerspecie zo veel mogelijk binnen de gemeente toe te passen, bij voorkeur in het gebied waar de ontgraving heeft plaatsgevonden. Dit om extra milieubelasting door transport te voorkomen. Maar het is denkbaar dat vrijgekomen baggerspecie niet direct weer kan worden toegepast. Als directe toepassing niet mogelijk is, dan gaat de eerste voorkeur uit naar tijdelijke opslag op een depot binnen het werk, de tweede voorkeur is opslag op een doorgangsdepot binnen het gebied en de laatste voorkeur is opslag elders. Niet toepasbare baggerspecie wordt, met de vereiste transportdocumenten, naar een erkende afvalverwerker afgevoerd.

Toepassen van grond in ecologisch waardevolle gebieden Het veengebied in Amsterdam (Waterland, deel van de Amstelscheg en de Tuinen van West) is gevoelig voor bodem­ daling door veenoxidatie (als gevolg van onderbemaling). Dit heeft een hoge CO2-uitstoot tot gevolg en doet de biodiversiteit afnemen. Het ophogen van de veenpolders om deze bodemdaling te compenseren, zal de polder verder doen inklinken en de biodiversiteit nog meer doen afnemen. Bij werkzaamheden (graven, bouwen, toepassen) in het veengebied is een omgevingsvergunning nodig (voorheen aanlegvergunning). Als er grond wordt toegepast is tevens een melding conform de MBA Toepassen noodzakelijk. Ophogen is alleen toegestaan met gebiedseigen grond, dus niet met zand of zware klei. Het is immers naar ecologische maatstaven niet gewenst om een zware grondsoort toe te passen in een veenweidegebied. Er mogen geen grotere hoeveelheden worden toegepast dan nodig (art. 4.1269 en 4.1270 Bal). Zie ook paragraaf 10.4 van dit beleidskader.

6.6 Toepassen van PFAS-houdende grond Landelijk Handelingskader Voor het toepassen van PFAS-houdende grond in de regio Noordzeekanaalgebied wordt aangesloten bij het landelijk Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie [Lit. 26]. Bij het toepassen van grond of baggerspecie en tot het moment waarop PFAS in de regelgeving verankerd is, moet zowel rekening worden gehouden met de regels voor genormeerde stoffen (in het Besluit en de Regeling bodem­ kwaliteit) als de aanbevelingen van het Handelingskader voor PFAS. De verhouding is als volgt: het Handelingskader vormt een advies over de invulling van de zorgplichten, dat staat naast de bestaande regelgeving voor genormeerde stoffen. Dit betekent dat de toetsingsregels uit de Regeling bodem­ kwaliteit niet automatisch ook op PFAS van toepassing zijn. Zo wordt bijvoorbeeld de indeling van de bodem, grond of baggerspecie in een kwaliteitsklasse alleen gebaseerd op genormeerde stoffen. Een indeling van een partij grond of baggerspecie in een bepaalde kwaliteitsklasse geeft normaliter duidelijkheid over de toepassingsmogelijkheden. Aanvullend daarop moet de partij op de aanwezigheid van PFAS en daarbij passende toepassingsmogelijkheden worden beoordeeld in het licht van de zorgplichten.

31 De interventiewaarde bedraagt 100 mg asbest per kg droge stof. Dit is een gewogen norm waarbij het gehalte serpentijnasbest (ook chrysotiel of witte asbest) en tienmaal het gehalte amfiboolasbest (overige asbestsoorten) worden opgeteld. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen hechtgebonden asbest en niet-hechtgebonden asbest.

68

|

Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024

Hierop gaat het Handelingskader in. De indeling van de ontvangende bodem in een bodem­ kwaliteitsklasse wordt bepaald op basis van de kwaliteit van genormeerde stoffen. De toepassingseisen van de stoffen uit het standaard stoffenpakket, aangeduid met een bodemkwaliteitsklasse (landbouw/natuur, wonen of industrie, zie paragraaf 6.5 van dit beleidskader) bepalen ook de toepassingseis van PFAS. Wanneer grond ook op PFAS is onderzocht en de uitkomst is een PFAS-gehalte hoger dan de waarde van 1,4 µg/kg (PFOS en overige PFAS)/1,9 µg/kg (PFOA), moet worden bepaald of toepassing op basis van het PFAS-gehalte én op basis van de genormeerde stoffen nog steeds is toegestaan. Ligt het gehalte aan PFAS lager dan 1,4/1,9 µg/kg dan heeft PFAS geen invloed op de toepasbaarheid van de grond.

De reguliere bodemkwaliteitskaart (met de bodemkwaliteits­ klassen die daarop gedefinieerd zijn) kan worden gebruikt als grondslag voor de milieuverklaring bodemkwaliteit voor de ontvangende bodem bij het toepassen van grond. Een indeling van de ontvangende bodem in een bodemkwaliteits­ klasse wordt bepaald op basis van de genormeerde stoffen, het gehalte aan PFAS kan dit niet beïnvloeden. Een partij grond met een gehalte aan PFOS (of overige PFAS) hoger dan 1,4 en tot maximaal 3 µg/kg of een gehalte aan PFOA hoger dan 1,9 en tot maximaal 7 µg/kg mag worden toegepast binnen een zone met als toepassingseis kwaliteitsklasse wonen of industrie op basis van de genormeerde stoffen. De toepassingseisen voor PFAS-houdende grond staan weergegeven in Tabel 6.2.

Tabel 6.2 Toepassingseisen en kwaliteitseis aanvulgrond/leeflaag (kwaliteitsklassen en PFAS-houdende grond) voor grond en bagger (normen PFAS in µg/kg d.s.) in Amsterdam Reguliere toepassingen Bodemfunctieklasse

Landbouw/natuur

Wonen

Landbouw, natuur, moestuinen/ volkstuinen

Woningen met tuin Kinderspeelplaatsen

Groen met natuurwaarden Overige woonfuncties

Ander groen, bebouwing (o.a. wonen zonder tuin32 ), infrastructuur en industrie

1 A openbare weg

Landbouw/natuur PFOS ≤ 1,4 PFOA ≤ 1,9 Overige PFAS ≤ 1,4

Landbouw/natuur PFOS ≤ 1,4 PFOA ≤ 1,9 Overige PFAS ≤ 1,4

Landbouw/natuur PFOS ≤ 1,4 PFOA ≤ 1,9 Overige PFAS ≤ 1,4

Landbouw/natuur PFOS ≤ 1,4 PFOA ≤ 1,9 Overige PFAS ≤ 1,4

2 B openbare weg

Landbouw/natuur PFOS ≤ 1,4 PFOA ≤ 1,9 Overige PFAS ≤ 1,4

Wonen (lood max 100 mg/kg) PFOS ≤ 3 PFOA ≤ 7 Overige PFAS ≤ 3

Wonen PFOS ≤ 3 PFOA ≤ 7 Overige PFAS ≤ 3

Wonen PFOS ≤ 3 PFOA ≤ 7 Overige PFAS ≤ 3

3 t/m 7 C en D openbare weg

Landbouw/natuur

Wonen (lood max 100 mg/kg) PFOS ≤ 3 PFOA ≤ 7 Overige PFAS ≤ 3

Wonen PFOS ≤ 3 PFOA ≤ 7 Overige PFAS ≤ 3

Industrie PFOS ≤ 3 PFOA ≤ 7 Overige PFAS ≤ 3

Nadere aan­duiding

Industrie

BKK-zone

Bijzondere toepassingen (ongeacht in welke BKK-zone) Grootschalig toepassen

Verspreiden van bagger­ specie op aangrenzend perceel of weilanddepot

Industrie PFOS ≤ 3 PFOA ≤ 7 Overige PFAS ≤ 3 Toepassingseis: Verspreidbaar Toepassingseis PFAS: PFOS en overige PFAS ≤ 3 PFOA ≤ 7

32 Wanneer sprake is van een woonfunctie zonder tuin (vallend onder bebouwing) in de BKK-zones 3 tot en met 7 mag hier ook grond van klasse industrie worden toegepast als deze grond afkomstig is uit het eigen beheergebied, ook al staat deze functie op de bodemfunctiekaart aangeduid als ‘wonen.’

69

|

Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024

Bodemkwaliteitskaart PFOS/PFOA In februari 2020 heeft de OD NZKG in samenwerking met de gemeenten, waterschappen en de provincie Noord Holland een regionale bodemkwaliteitskaart voor PFOS en PFOA opgesteld, de ACN-kaart (Achtergrondconcentratie­ norm-kaart). Deze kaart geeft de gemiddelde kwaliteit weer. Van deze kaart is een ontgravingskaart afgeleid (op basis van de 80-percentielwaarde, de P80) met één bodemkwaliteits­ klasse, namelijk de klasse ‘Niet ingedeeld-PFOS/PFOA – Vrij Toepasbaar’. De berekende gehalten in zowel de ACN-kaart als de ontgravingskaart liggen onder de 1 µg/kg en voldoen hiermee aan de achtergrondwaarden in het landelijk Hande­ lingskader van 1,4 µg/kg voor PFOS en overige PFAS en 1,9 µg/ kg voor PFOA. In de uitvoeringspraktijk wordt dus alleen gebruik gemaakt van de ontgravingskaart, want voor de kwaliteit van de ontvangende bodem wordt, zoals hierboven aangegeven, alleen gebruik gemaakt van de bodemkwaliteitskaart voor de genormeerde stoffen. Aangezien voor de ontgravingskaart identieke bodemkwa­ liteitszones gelden én de te ontgraven bodemkwaliteit op basis van de P80 (voor beide stoffen en beide lagen) voldoet aan dezelfde bodemkwaliteitsklasse, is toepassing binnen het beheergebied vanuit de op de ontgravingskaart aangeduide percelen mogelijk.

De bodemkwaliteitskaart PFOS/PFOA dient binnen de regio Noordzeekanaalgebied als grondslag voor de milieuverklaring bodemkwaliteit bij de ontgraving en toepassing van PFOS/PFOA-houdende grond uit de regio en (gerijpte) baggerspecie binnen de gemeentegrenzen. Altijd vooronderzoek uitvoeren Bij alle gevallen van het toepassen van grond en bagger geldt dat er vooronderzoek moet plaatsvinden, waaruit blijkt of de ontgravingslocatie en de toepassingslocatie daadwerkelijk niet verdacht zijn als bronlocatie. De kaart betreft namelijk een weergave van de algemene diffuse bodemkwaliteit en bevat geen volledige weergave van (potentiële) bronlocaties en daaruit volgend verspreidingsgebied. Van een reële verdenking is in ieder geval sprake indien op een locatie PFAS-houdend blusschuim is gebruikt of gewerkt is met PFAS, dan wel het aannemelijk is dat de locatie door verspreiding van PFAS, anders dan de diffuse verspreiding van PFOS en PFOA, dermate belast is dat dit kan leiden tot een beperking bij het toepassen van de grond of bagger. Wanneer uit het vooronderzoek blijkt dat de te ontgraven grond niet verdacht is op het voorkomen van een PFAS-ver­ ontreiniging (er is geen sprake van een bronlocatie) hoeft geen apart bodemonderzoek naar PFAS plaats te vinden als

70

|

Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024

dit voor de genormeerde stoffen ook niet hoeft. Locatiespecifiek onderzoek op PFAS volgens de NEN-normen of een partijkeuring gaan altijd boven de kwaliteit die bepaald is op basis van de bodemkwaliteitskaart, tenzij dit leidt tot bevestiging dat de kwaliteit overeenkomt met de bodem­ kwaliteitskaart. Uitgesloten gebieden of bronlocaties Voor de uitgesloten (niet gemarkeerde) gebieden op de ontgravingskaart is toepassing op basis van het gebruik van de bodemkwaliteitskaart als milieuverklaring bodemkwaliteit niet zonder meer mogelijk. Hiervoor is veelal aanvullend bodemonderzoek noodzakelijk. Als dit onderzoek uitwijst dat het gehalte aan PFAS hoger is dan de achtergrondwaarden is toepassing op een ontvangende bodem met de bodem­ functieklasse landbouw/natuur of de bodemkwaliteitsklasse landbouw/natuur niet mogelijk. Is sprake van een bronlocatie binnen het op de kaarten gemarkeerde gebied, dan gelden de kaarten niet als repre­ sentatieve en geldige milieuverklaring bodemkwaliteit en dient lokaal bodemonderzoek naar de specifieke bodemkwali­ teit gedaan te worden. De bodemkwaliteitskaart doet geen uitspraak over de bodemkwaliteit van bodemlagen dieper dan 1,0 m-mv. Bij grondverzetwerkzaamheden of toepassingen onder deze diepte is de kaart niet zonder meer als milieuverklaring bodemkwaliteit te gebruiken.

Dan zal specifiek bodemonder­ zoek op locatie aan de orde zijn, behalve wanneer uit vooron­ derzoek mocht blijken dat de ondergrond niet verontreinigd is of kan zijn. Bodemtypecorrectie Op de gemeten PFAS-waarden hoeft geen bodemtypecor­ rectie te worden toegepast als het gehalte van organische stof minder dan 10% bedraagt. Als het gehalte organisch stof ligt tussen 10-30% dient wel een bodemtypecorrectie uitgevoerd te worden. Als het gehalte organisch stof boven de 30% is aangetoond dient het gehalte organisch stof van 30% gebruikt te worden bij de bodemtypecorrectie.

6.7 Toepassen van chloridehoudende grond of baggerspecie Algemene normering De Regeling bodemkwaliteit 2022 bevat nauwelijks normen voor chloride (zout). Er wordt wel onderscheid gemaakt in het toepassen van grond/bouwstoffen en/of het verspreiden van baggerspecie in een zout of zoet milieu. Omdat de bodem in sommige delen van Amsterdam een van nature verhoogd chloridegehalte heeft, is het wenselijk om beleid te formuleren voor het toepassen van chloridehoudende grond/ baggerspecie in en op de bodem. In de Regeling bodemkwaliteit 2022 staat alleen een toepas­ singseis voor het toepassen van zeezand, dat niet meer dan 200 mg chloride per kg droge stof mag bevatten. Er geldt geen toepassingseis voor chloride als het zeezand wordt toegepast op plekken waar direct contact met brak water of zeewater mogelijk is, omdat daar van nature een chloride­ gehalte van meer dan 5.000 mg/l gangbaar is. De Regeling bevat dus geen chloridenorm voor het toepassen van grond en baggerspecie, niet zijnde zeezand. Bij toepassing van grond of baggerspecie met een verhoogd zoutgehalte spoelt de chloride, door de hoge oplosbaarheid en het hoger soortelijk gewicht, relatief snel uit naar diepere en zoutere bodemlagen en/of stroomt het via het grond­ water uiteindelijk naar nabijgelegen – dieper liggend – oppervlaktewater (afwatering).

Daarom wordt in deze paragraaf onderscheid gemaakt tussen gebieden met verschillende afwateringsregimes. De verschillende dijkringen binnen het Amsterdamse beheergebied geven een pragmatische aanduiding van welk gebied waarop afwatert (zie de kaart Bijlage 7). Toepassing op gebieden grenzend aan het IJ Gebieden zoals Westpoort en stadsdelen grenzend aan het IJ wateren af op het Noordzeekanaal. De oorspronkelijke grond in deze gebieden was ooit zeebodem en heeft van nature een verhoogd chloridegehalte. Afhankelijk van de diepte van ontgraving kunnen de concentraties wel verschillen. Ook het diepe oppervlaktewater van het IJ en de havenbekkens van Westpoort zijn zout als gevolg van de mariene oorsprong en het schutten van zeeschepen in IJmuiden. Onderin de havenbekkens worden chloridegehalten gemeten tot boven 10.000 mg/l. Als chloridehoudende grond/baggerspecie in hetzelfde gebied wordt toegepast blijft de gezamenlijke chloridebelasting voor het grondwaterlichaam en het stroomgebied gelijk.

71

|

Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024

Het bovengenoemde gebied wordt begrensd door de hoofdwaterkering van het watersysteem van het Noordzee­ kanaal (zie kaart Bijlage 7). Het grondwater van het gebied, binnen dijkring 44 ten westen van de Oranjesluizen en de ingang naar het Amsterdam-Rijnkanaal, watert direct (of via tertiaire watergangen) af op de havens en het IJ. Voor het toepassen van ziltige grond van elders moet eerst worden overlegd met het bevoegd gezag.

In het gebied binnen dijkring 44 ten westen van de genoemde hoofdwaterkering van Amsterdam, afwaterend op het Noordzeekanaal, hoeft ontgraven grond/baggerspecie bij toepassing binnen hetzelfde gebied niet te voldoen aan een chloridenorm, mits wordt voldaan aan de overige vereisten zoals gesteld in Bijlage 7.

Toepassing binnendijks en buitendijks afwaterend op het IJmeer Ook in andere afwateringsgebieden (ook buitendijks gebied afwaterend op het IJmeer) kan sprake zijn van een voor­malige zeebodem met verhoogde zoutgehalten, gebieden met zoute kwel en/of gebieden die binnen het afstroomgebied van het (Oer-)IJ vallen. Als lokaal kan worden aangetoond dat er op de plek van toepassen contact is met (grond)water met een chloridegehalte van meer dan 5.000 mg/l, dan mag zilte grond/baggerspecie ook in die gebieden zonder chloridenorm worden toegepast, na akkoord van de waterbeheerder en de Omgevingsdienst NZKG. Voor overige gebieden (niet van nature zoutbelast) hanteert Amsterdam de volgende toepassingseisen voor het toe­ passen van chloridehoudende grond/baggerspecie:

In Amsterdam (behalve in bovengenoemde uitzonderings­gebieden) wordt voor de bodemfunctie landbouw/natuur als toepassingseis de ecologische RIVM-advies­waarde van 39 mg chloride/kg droge stof gehanteerd (zie ook Bijlage 8), behalve als bodem­ onderzoek aantoont dat het chloridegehalte van de onderliggende bodem hoger ligt. In dat geval geldt de gemiddelde achtergrondconcentratie in het toepas­ singsgebied als toepassingseis.

Voor alle overige bodemfuncties wordt voor het toe­ passen van grond (inclusief zeezand) en baggerspecie een gehalte van 400 mg chloride/kg droge stof als aanvaardbaar geaccepteerd. Dat komt overeen met tweemaal de landelijke toepassingseis voor zeezand in zoete gebieden. Eventueel kan met een maatwerkvoorschrift van deze normen worden afgeweken, een initiatiefnemer wint hiertoe advies in bij de waterbeheerder. Binnen de andere, hierboven niet besproken, dijkringen van Amsterdam is meestal sprake van stedelijk en industrieel gebied, waar ecologische aspecten een ondergeschikte rol spelen. Gezien de mariene oorsprong van het hele gebied is ook het verspreidingsrisico van chloride in en uit die stedelijke gebieden nauwelijks relevant. Meestal gaat het om klein­ schalige toepassingen van zilt materiaal en is door uitspoeling sprake van een kortdurende lokale belasting.

6.8 De bodemkwaliteitskaart als grondslag voor de milieuverklaring bodemkwaliteit bij toepassen Nut en doel van de bodemkwaliteitskaart De bodemkwaliteitskaart behoudt onder de Omgevingswet haar belangrijke functie bij de uitvoering van grondwerk­ zaamheden. De bodemkwaliteitskaart geeft een actueel en dekkend beeld van de diffuse bodemkwaliteit van het grondgebied van Amsterdam. De kaart faciliteert het veelvoorkomende grondverzet bij werkzaamheden door: • Gebieden te tonen waar vrij grondverzet (zonder verken­ nend bodemonderzoek) onder bepaalde voorwaarden is toegestaan; • Te laten zien waar welke kwaliteit grond en baggerspecie kan worden toegepast; • Te dienen als milieuverklaring bodemkwaliteit voor de vrijkomende grond en de ontvangende bodem; • Knelpunten weg te nemen bij grond- en/of baggerverzet; • Afzetmogelijkheden van grond te vergroten door wederzijdse erkenning van bodemkwaliteitskaarten van andere gemeenten.

72

|

Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024

De bodemkwaliteitskaart als grondslag voor de milieuverklaring bodemkwaliteit bij toepassen De bodemkwaliteitskaart van de gemeente Amsterdam kan als grondslag voor de milieuverklaring bodemkwaliteit worden gebruikt bij het toepassen van grond binnen het beheergebied. Voor toepassing van Amsterdamse grond in een andere gemeente moet de kaart van Amsterdam door het betreffende bevoegd gezag erkend zijn als milieu­ verklaring bodemkwaliteit of moet er een andere erkende milieuverklaring bodemkwaliteit worden gebruikt. De bodemkwaliteitskaart kan worden gebruikt als grondslag voor de milieuverklaring bodemkwaliteit als de (volgens de kaart vastgestelde) kwaliteit in de herkomstzone (ontgravingskaart, op basis van de P80) voldoet aan de toepassingseis (toepassingskaart, op basis van de gemiddelde kwaliteit in relatie tot de bodemfunctie) in de toepassingszone: • De bodemkwaliteit van de ontvangende bodem staat weergegeven op de Bodemkwaliteitskaart (Bijlage 3B), op basis van het gemiddelde; • De bodemkwaliteit van de herkomstzone bij het ont­ graven van grond staat weergegeven op de Ontgravings­ kaart (Bijlage 3C) waarvoor in Amsterdam de P80-waarde wordt gehanteerd; • De toepassingseis staat per zone weergegeven op de Toepassingskaart (Bijlage 3D) en in Tabel 6.1.

De toepassingsmatrix Het ‘matchen’ van grond uit een bepaalde zone van herkomst en beoogde toepassing ervan in een (andere) zone (na vereenvoudigd vooronderzoek, waarbij de uitkomst niet-verdacht is) hangt af van de bodemfunctie en kwaliteits­ klasse van de ontvangende bodem. Deze match kan worden afgelezen in de Toepassingsmatrix (zie Tabel 6.3).

Tabel 6.3 T  oepassingsmatrix bodemkwaliteitskaart Amsterdam (incl. bodemkwaliteitskaart Openbare weg) Zone van toepassing

Laag > 2,0 m-mv

Laag 1,0-2,0 m-mv

Laag 0,5-1,0 m-mv

Laag 0-0,5 m-mv

Zone van herkomst 1 2 3 4 5 6 7 A B C D 1 2 3 4 5 6 7 A B C D 1 2 3 4 5 6 7 A B C D 1 2 3 4 5 6 7 A B C D

A

B

C

D

1

2 L/N

L

W

I

L/N

3 W

4 I

W

5 I

W

6 I

W

7 I

W

L

L

L !

!

!

!

!

!

!

!

!

!

! !

! ! !

!

! ! !

!

! ! ! !

! ! ! !

! ! ! !

! ! ! !

Verklaring kleurgebruik Toepassing zonder onderzoek toegestaan; L Toepassing zonder onderzoek op landbouwpercelen alleen binnen deelzone Landelijk Noord, Wilmkebreekpolder of landbouwgebied Zuidoost;

! Toepassing zonder onderzoek alleen toegestaan wanneer deze laag als aparte laag wordt ontgraven; Toepassing niet toegestaan, behalve als na partij­keuring blijkt dat de partij voldoet aan toepassingseis; L/N

Landbouw/Natuur (incl moestuinen)

L Landbouwpercelen W Wonen (op bodemfunctie wonen met tuin en kinderspeelplaatsen geldt voor lood een maximum-eis van 100 mg/kg ds) I

73

Industrie

|

I

Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024

Deze toepassingsmatrix is alléén bruikbaar als grond binnen Amsterdam vanuit een bodemkwaliteitskaart­ zone wordt toegepast in een andere bodemkwaliteits­ kaartzone (of binnen een zone wordt verplaatst). Wanneer sprake is van niet-gezoneerd gebied, wanneer toepassing zonder onderzoek niet is toegestaan en/of wanneer de partij grond een partijkeuring heeft onder­ gaan of voorzien is van een andere milieuverklaring bodemkwaliteit, wordt de uitkomst van deze partij­ keuring of verklaring getoetst aan de toepassingseisen uit Tabel 6.1.

! ! !

In tabel 6.3 laten de verticale en horizontale balk zien welke grondstromen tussen (en binnen) bodemkwaliteitszones denkbaar zijn. In de vakjes van de tabel staat aangegeven of een bepaalde grondstroom is toegestaan (groen vakje) en eventueel onder welke voorwaarden. Daarbij is getoetst of de ontgravingskwaliteit (P80) voldoet aan de toepassingseis (per functie) van de ontvangende bodem. Als toepassing niet wordt toegestaan zonder voorafgaande partijkeuring is het vakje rood gekleurd. De matrix laat bijvoorbeeld zien dat grond afkomstig uit de toplaag van de zones 4 tot en met 7 nooit zonder partijkeuring mag worden hergebruikt en uit sommige diepere lagen in enkele gevallen onder voorwaarden. Grond afkomstig uit zone 3 moet in sommige gevallen, afhankelijk van de functie van de ontvangende bodem, onderzocht worden. Toepassen van grond in niet-gezoneerde gebieden Voor het toepassen van grond in niet-gezoneerde gebieden (op de bodemkwaliteitskaart in grijs aangeduid) kan de bodemkwaliteitskaart niet worden gebruikt om de kwaliteit van de ontvangende bodem te bepalen. In die gebieden moet daarom een bodemonderzoek van de ontvangende bodem worden gedaan, of moet worden gecheckt of de toepassing past binnen het geldende saneringsplan of nazorgplan. Hierbij is sprake van maatwerk per gebied.

Als het saneringsplan of nazorgplan geen toepassingseis of kwaliteitseis voor aanvul­ grond/leeflaag heeft vastgelegd, dan geldt als toepassingseis de bodemkwaliteit of de bodemfunctie ter plaatse (de strengste van deze twee, de zogeheten ‘dubbele toets’). Toepassen grond van buiten Amsterdam, maar van binnen het beheergebied Voor het toepassen van grond van buiten de gemeentegrens van Amsterdam, maar van binnen het bodembeheergebied (Amsterdam, Haarlemmermeer, Aalsmeer, Amstelveen, Die­ men, Ouder-Amstel en Uithoorn) mag de bodemkwaliteits­ kaart van de betreffende gemeente worden gebruikt, omdat de bodemkwaliteitskaarten wederzijds als milieu­verklaring bodemkwaliteit worden geaccepteerd. Komt de grond van een depot, dan is de bodemkwaliteitskaart op die locatie niet van toepassing en moet een andere milieuverklaring bodem­ kwaliteit worden overlegd. Bij het toepassen van grond (afkomstig van een BKK-zone van een geaccepteerde BKK) in een BKK-zone van Amsterdam geldt altijd het toetsingskader van Tabel 6.1. Toepassen grond van buiten het beheergebied Voor het toepassen van grond afkomstig van buiten het bodembeheergebied van Amsterdam (inclusief de

74

|

Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024

gemeenten waarvan de BKK is geaccepteerd als milieu­ verklaring bodemkwaliteit) geldt dat de kwaliteit van de grond wordt aangetoond met een andere milieuverklaring bodemkwaliteit, zoals een partijkeuring of productcertificaat. De grond voldoet bovendien aan de toepassingseisen van de betreffende bodemfunctie in de zone van toepassing (zie Ta­ bel 6.1). Een lokale versoepeling van een toepassingseis geldt niet voor grond van buiten het beheergebied (bijvoorbeeld de mogelijkheid om grond met kwaliteit industrie toe te passen op minder gevoelige woonfuncties (wonen zonder tuin) in zones 3 tot en met 7). Strengere toepassingseisen gelden daarentegen ook voor grond van buiten het beheergebied (lood, asbest).

6.9 Grootschalige toepassing van grond of baggerspecie Artikel 4.1274 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) beschrijft het kader voor grootschalig toepassen. Onder grootschalig toepassen wordt verstaan het toepassen van een hoeveelheid van ten minste 5000 m3 grond of baggerspecie in een laagdikte van ten minste 2 meter (voor de aanleg van wegen en spoorwegen geldt een laagdikte van 0,5 meter). Het gaat om de totale hoeveelheid grond of baggerspecie die bij de aanleg in de functionele toepassing wordt aangebracht. Voorwaarde om van het toetsingskader grootschalig toepassen gebruik te mogen maken is dat de initiatiefnemer bij de melding aangeeft dat sprake is van grootschalig toepassen en dat wordt voldaan aan de voor­ waarden die hiervoor zijn gesteld. Het is niet wenselijk dat voor een en dezelfde functionele toepassing tegelijkertijd verschillende regels gelden. De initiatiefnemer maakt vooraf een keuze welk regime hij wil toepassen. Dit was onder het Besluit bodemkwaliteit (oud) ook al het geval. Als is voldaan aan de voorwaarden voor grootschalige toepassing is geen toets op bodemfunctie en bodemkwaliteit nodig (de zogenaamde dubbele toets), maar geldt de eis dat de toegepaste grond of baggerspecie emissiearm is en dus niet uitloogt. De grond of baggerspecie moet daarnaast voldoen aan de kwaliteitsklasse industrie als sprake is van toepassing op de landbodem.

Het afwijkende kader voor grootschalig toepassen geldt ook voor het toepassen van grond of baggerspecie in een groot­ schalige toepassing in het kader van de instandhouding, het herstel, de verandering of de uitbreiding van die toepassing, ook als het toepassen van grond of baggerspecie zelf daarbij niet voldoet aan het vereiste dat ten minste 5.000 m3 grond

of baggerspecie in een laagdikte van ten minste 2 meter (wegen en spoorwegen: 0,5 meter) wordt toegepast. Het gaat hierbij alleen om de instandhouding, het herstel, de verandering of de uitbreidingen van toepassingen die al bij de aanleg voldeden aan de eisen voor grootschalig toepassen en waarbij toen gebruik is gemaakt van de specifieke regeling voor grootschalig toepassen.

­ aterschappen op een afgesproken peil wordt gehouden. w Om de afvoercapaciteit van deze sloten en watergangen op peil te houden worden deze eens in de 5-10 jaar uitgebag­ gerd. Het uitgebaggerde materiaal is door afkalven, afspoe­ ling en intrappen (door vee) in de sloten en watergangen terecht gekomen en wordt al eeuwenlang op de direct aan de sloten en watergangen grenzende percelen aangebracht.

Bermen en taluds van wegen of spoorwegen in geval van een grootschalige bodemtoepassing

Bevoegd gezag De gemeente, Waternet, Rijkswaterstaat, het Hoogheem­ raadschap en – in specifieke gevallen – ook particulieren hebben allen een baggeropgave. In de Legger staan on­ derhoudsplichtigen en/of onderhoudsverplichtingen. De Legger markeert ook de grenzen waar de bevoegdheid van de gemeente ligt en waar die van de waterbeheerder. Deze regels over onderhoud gaan na inwerkingtreding van de Omgevingswet niet naar de waterschapsverordening en blijven gewoon gelden.

Bij een grootschalige toepassing van grond of baggerspecie om een weg of spoorweg aan te leggen, moet een aaneen­ gesloten laag bouwstoffen worden aangebracht en in stand te worden gehouden (art. 4.1274, 3e lid Bal). Dat geldt echter niet voor de bijbehorende bermen en taluds. Op bermen en taluds mag grond van de kwaliteitsklasse industrie of baggerspecie van de kwaliteit die overeenkomt met de kwa­ liteitsklasse industrie van grond, worden toegepast. Bermen en taluds raken door afspoeling van verontreinigingen op de weg langzaam verontreinigd, waardoor het niet zinvol is om een afdeklaag aan te brengen van een schonere kwaliteit dan de kwaliteit industrie. Afdekken van de bermen en taluds heeft geen zin omdat de verontreinigingen van de weg dan op de afdeklaag terecht komen. Voor een berm of talud wordt gerekend tot de dichtst bijgelegen fysieke afscheiding, met een afstand van ten hoogste 10 meter vanaf de rand van de verharding van de weg of het ballastbed van de spoorweg. In tegenstelling tot het Besluit bodemkwaliteit gelden deze regels nu ook voor gemeentelijke wegen. Kwaliteit afdeklaag Op grootschalige bodemtoepassingen (anders dan een weg of spoorweg) dient de afdeklaag te bestaan uit ofwel een aaneengesloten laag bouwstoffen of grond of baggerspecie met een laagdikte van 0,5 m.

In die afdeklagen van grond of baggerspecie mogen alleen partijen worden toegepast die voldoen aan de kwaliteitseisen die gelden voor de aangrenzende landbodem of, bij toepassen in een oppervlak­ tewaterlichaam, dat niet tot landbodem wordt ontwikkeld, de kwaliteitseisen van de aangrenzende waterbodem. Door het aanbrengen van de afdeklaag wordt de blootstelling aan verontreinigingen in het gebied niet gewijzigd en wordt de grootschalige toepassing ingepast in de omgeving.

6.10 Verspreiden van baggerspecie Het Nederlandse polderlandschap bestaat uit een stelsel van polders waar via bemaling de waterstand door de

75

|

Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024

Voor verspreiden of toepassen van baggerspecie op landbodem binnen de gemeentegrenzen is de gemeente Amsterdam het bevoegd gezag en geldt dit beleidskader. Voor verspreiden of toepassen van baggerspecie in opper­ vlaktewater is de waterbeheerder het bevoegd gezag. In de gemeente Amsterdam is dit Waternet (ten zuiden van de Waterlandse Zeedijk), Rijkswaterstaat (het IJ, het Buiten-IJ, de zijwateren tot de eerste niet doorvaarbare verbinding en het Amsterdam-Rijnkanaal), het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (stadsdeel Noord ten noorden van de Waterlandse Zeedijk) en het Hoogheemraadschap van Rijnland (deel van het Westelijk havengebied). Ontvangstplicht bij verspreiden op aan de watergang grenzende percelen Vanwege het belang van het onderhoud van het water­ systeem zijn eigenaren (en andere rechthebbenden) van percelen die aan watergangen grenzen, verplicht om de vrijkomende baggerspecie uit deze watergangen op hun perceel te ontvangen (artikel 10.3 lid 2 en 3 Omgevingswet). Waterschappen zullen bij voorkeur gebruik maken van deze verplichting, maar in sommige gevallen is verspreiding ongewenst of onmogelijk omdat het perceel dat aan de watergang grenst bedoeld is voor woondoeleinden.

In die gevallen vergroot de afstandsmaat van 10 km voor percelen met een agrarische bestemming de mogelijkheden voor het waterschap om op vrijwillige basis met terreineigenaren binnen het poldergebied te zoeken naar een geschikte bestemming voor de baggerspecie.

Als bagger wordt gebruikt bij de aanleg van nieuwe kades of het creëren van nieuwe landbodem, is geen sprake van ‘verspreiden’ en gelden de algemene regels voor toepassen (niet zijnde verspreiden) van de MBA Toepassen. Verschil tussen ‘verspreiden’ en ‘toepassen’ van baggerspecie Bij het verspreiden van baggerspecie hoeft alleen aan de kwaliteitseisen voor de kwaliteit ‘voor verspreiden op de landbodem geschikte baggerspecie’ te worden getoetst en niet aan de kwaliteitseisen voor de kwaliteitsklasse en bodemfunctieklasse waarin de ontvangende bodem is ingedeeld, zoals dat bij toepassen het geval is. Voor het verwerken van toepasbare baggerspecie biedt het Bal twee verschillende toetsingskaders, beiden vallend onder de MBA Toepassen: 1. Verspreiden van baggerspecie: a. In oppervlaktewater; b. Over het aan de watergang grenzende perceel (op de kant of in een weilanddepot). Hierbij is er sprake van acceptatieplicht op basis van de msPAF-toets. Er hoeft niet aan de kwaliteit van de ontvangende bodem te worden getoetst; c. Over een perceel (of in een weilanddepot) met een agrarische bestemming tot een afstand van 10 km vanaf de watergang. 2. Toepassen van baggerspecie (wanneer geen sprake is van het toetsingskader verspreiden): a. Als grootschalige bodemtoepassing; b. In oppervlaktewater; c. Op landbodem.

Kwaliteitseisen bij verspreiden van baggerspecie De meeste vrijkomende baggerspecie voldoet niet voor alle parameters aan de kwaliteitseisen voor de bodemfunctie landbouw/natuur. Dat zou beperkingen voor hergebruik van baggerspecie met zich meebrengen, waardoor de baggerspecie niet kan worden verspreid in de nabijheid van de plaats waar zij vrijkomt. Vanwege de noodzaak van de baggerwerkzaamheden en met het oog op de circulaire economie en klimaatadaptatie is dit onwenselijk. Daarom zijn voor het verspreiden van baggerspecie op de landbodem specifieke normen afgeleid. Deze zijn gericht op mengsel­ toxiciteit. Hiervoor geldt een specifieke toetsing, gebaseerd op de zogeheten msPAF-toets (meerdere stoffen, Potentieel Aangetaste Fractie), die rekening houdt met milieueffecten van meerdere stoffen tegelijk. De kwaliteitseisen geven dus een totaalbeoordeling van de kwaliteit van het mengsel

76

|

Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024

in verhouding tot de risico’s. Hierin is rekening gehouden met de ruimte die boven de kwaliteitseisen voor de functie landbouw/natuur nog aanwezig is om minder strenge kwaliteitseisen te stellen zonder dat dit ertoe leidt dat de bodem niet meer voor de landbouw geschikt is als gevolg van onacceptabele risico’s voor de kwaliteit van de producten of de gezondheid van het vee. Baggerspecie mag verspreid worden over aan de watergang grenzende percelen, in weilanddepots op aan de watergang grenzende percelen en op landbouwpercelen tot maximaal 10 km afstand. Voorwaarde is dat de kwaliteit van de baggerspecie eerst wordt vastgesteld. Zie voor de normen Tabel 3b, Bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit 2022. De bagger mag pas worden verspreid als de uitkomst ‘verspreidbaar’ luidt. Deze kwaliteitseisen worden aangeduid als ‘kwaliteit voor verspreiden op de landbodem geschikte baggerspecie’. De kwaliteitseisen zijn verschillend al naar gelang de baggerspecie wordt verspreid (al dan niet door middel van een weilanddepot) op de landbodem of in een oppervlaktewaterlichaam (waarbij on­ derscheid is tussen zoet en zout oppervlaktewaterlichaam). De kwaliteit ‘voor verspreiden op de landbodem geschikte baggerspecie’ betreft geen kwaliteitsklasse. Dit is van belang vanwege het verbod om baggerspecie van verschillende kwaliteitsklassen met elkaar te vermengen.

De kwaliteitseisen zijn opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit 2022 op grond van het Besluit bodemkwaliteit (gewijzigd). De reden daarvan is dat voor baggerspecie van de kwaliteit ‘voor verspreiden geschikt’ een milieuverklaring nodig is waaruit blijkt dat de baggerspecie voldoet aan de daarvoor geldende kwaliteitseisen. De afgifte van de milieuverklaring vindt plaats op grond van het Besluit bodemkwaliteit (gewijzigd) door een onderneming met een erkenning. Voor de afgifte van een milieuverklaring wordt getoetst aan de kwaliteitseisen voor de kwaliteit ‘voor verspreiden geschikte baggerspecie’ die zijn opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit 2022. Dit neemt niet weg dat de baggerspecie bij het toepassen altijd aan de kwaliteitseisen moet voldoen, ongeacht of daar een (eventueel ten onrechte afgegeven) milieuverklaring bij zit. Zoals al eerder gezegd, bij het verspreiden van baggerspecie hoeft alleen aan de kwaliteitseisen voor de kwaliteit ‘voor verspreiden op de landbodem geschikte baggerspecie’ te worden getoetst en niet aan de kwaliteitseisen voor de kwa­ liteitsklasse en bodemfunctieklasse waarin de ontvangende bodem is ingedeeld, zoals dat bij toepassen het geval is.

Op de landbodem mag baggerspecie afkomstig uit een oppervlaktewaterlichaam dat behoort tot de regionale wateren op landbouwgronden worden verspreid tot hoog­ stens 10 km afstand van de plaats van vrijkomen. Op landbouwgronden mag in beginsel uitsluitend ‘voor verspreiden geschikte baggerspecie’ worden verspreid. Voor verspreiden op landbouwgronden gelden de kwaliteitseisen voor ‘verspreiden geschikte baggerspecie’ in plaats van de kwaliteitseisen die op grond van artikel 4.1272 van het Besluit activiteiten leefomgeving (landbouw/natuur, wonen en industrie) zijn gesteld. Dit is een gevolg van het feit dat de

kwaliteitseisen voor de bodemfunctie ‘landbouw/natuur’ zijn gebaseerd op de achtergrondwaarden in onbelaste gebieden in Nederland en het voor het imago van landbouwproducten wenselijk is dat landbouwgewassen op een ‘bodem van kwaliteit landbouw/natuur’ worden geteeld. In het Besluit bodemkwaliteit (gewijzigd) worden de volgende kwaliteitsklassen voor waterbodem en baggerspecie onderscheiden:

Figuur 6.1 Kwaliteitsklassen voor waterbodem en baggerspecie

Niet verontreinigd (waterbodem)/ Algemeen toepasbaar (baggerspecie)

Matig verontreinigd

Licht verontreinigd

Achtergrondwaarden

Maximale waarde Industrie

Weilanddepots Voor het verspreiden van baggerspecie op landbouwgrond om de bodemgesteldheid te verbeteren wordt vaak gebruik gemaakt van een weilanddepot. Dit depot is geen tijdelijke opslag als bedoeld in de MBA ‘Opslaan van grond of baggerspecie’ in het Bal, maar een voorziening ten behoeve van de definitieve toepassing van de baggerspecie. Het weilanddepot wordt gezien als een vorm van tijdelijke opslag van baggerspecie ter ontwatering en rijping op een perceel grenzend aan de watergang waaruit de specie komt en voorkomt dat de opgebrachte baggerspecie, vanwege de hoeveelheid vocht in de baggerspecie, wegvloeit van het perceel waar het is opgebracht en zo de sloten van dat perceel weer vult. Bij een weilanddepot wordt van de bouwvoor een kade gemaakt waarbinnen de baggerspecie wordt ingebracht. De baggerspecie wordt toegepast onder het regime voor verspreiden van baggerspecie op de landbodem. In een weilanddepot hoeven geen bodem­ beschermende voorzieningen te worden aangebracht. Nadat de baggerspecie is gerijpt en ingedroogd worden de kades door de baggerspecie geploegd en wordt het perceel weer voor agrarische doeleinden ingezet.

77

|

Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024

Sterk verontreinigd

Interventiewaarde landbodem

Het aanleggen van een weilanddepot op een perceel met een agrarische bestemming kan onder de Omgevingswet tot een afstand van 10 km vanaf de watergang (onder de oude regelgeving alleen op het aan de watergang grenzende perceel). In een natuurgebied is het echter alleen mogelijk op een aan de watergang gelegen perceel een weilanddepot op te richten. Wordt de baggerspecie op een niet aan de watergang grenzend perceel opgeslagen dat géén landbouwgrond is, dan valt de opslag onder de MBA Opslaan van grond of baggerspecie. Het daarna op de bodem aanbrengen wordt in dat geval beschouwd als toepassen op de landbodem onder de MBA Toepassen van grond of baggerspecie. Bagger­ specie elders aanbrengen mag alleen volgens de regels en kwaliteits­eisen die voor het toepassen van grond gelden.

Begrippen ‘aan de watergang grenzend perceel’ en ‘watergang’ In het Aanvullingsbesluit bodem worden de begrippen ‘aan de watergang grenzend perceel’ en ‘watergang’ genoemd zonder een maximale afstand te noemen. Omdat de mogelijkheid tot verspreiden niet meer beperkt is tot het aan de watergang grenzende perceel, maar ook mogelijk is op landbouwpercelen op een afstand van maximaal 10 kilome­ ter van de locatie waarvan de baggerspecie afkomstig is, lijkt de vraag wat precies als aangrenzend perceel moet worden beschouwd minder relevant. Echter, wanneer geen sprake is van een landbouwperceel blijkt toch de noodzaak deze begrippen concreet te maken. De gemeente Amsterdam doet dit als volgt: • Aan de watergang grenzend perceel: Perceel met mini­ maal één zijde grenzend aan een watergang waar zich de baggerhandeling voordoet. Percelen die door een weg, pad, smalle grondstrook of ander werk van de watergang zijn gescheiden, worden toch als ‘aan de watergang grenzend’ beschouwd; • Watergang: Een fysiek afgebakende watergang (met dammen, stuwen, gemalen enzovoort), dan wel uitmondend in een ander type watergang (vaart, boezem, wetering, kanalen, plassen enzovoort). Een bij elkaar horend stelsel van gelijke watergangen, direct grenzend aan de baggerlocatie, wordt ook als ‘aangrenzende watergang’ beschouwd, zoals een stelsel van sloten binnen hetzelfde peilgebied.

Toepassen (gerijpte) baggerspecie op landbodem Gerijpte baggerspecie wordt beschouwd als grond, waarvoor de regels voor toepassen (niet zijnde verspreiden) van de MBA toepassen van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) gelden. Zie verder paragraaf 6.5 van dit beleidskader. Verspreiden chloridehoudende bagger Wanneer bagger afkomstig is uit een van de stadsdelen grenzend aan het IJ (binnen dijkring 44, afwaterend op het Noordzeekanaal) en hierdoor ziltig is, wordt bij verspreiden op aan de watergang grenzende percelen of bij verspreiden op een landbouwperceel binnen 10 km afstand altijd de zorgplicht in acht genomen. Dit betekent dat bagger niet zonder meer mag worden verspreid (of toegepast) binnen een andere dijkring waarbinnen een chloride-eis geldt. Bij de invulling van de zorgplicht bij verspreiden van chloride­ houdende baggerspecie wordt aangesloten bij de normen voor toepassen van chloridehoudende grond of baggerspecie in paragraaf 6.7 van dit beleidskader.

78

|

Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024

Verspreiden van baggerspecie met PFOS/PFOA Het verspreiden of het voorafgaand aan verspreiden tijdelijk opslaan in een weilanddepot van (onderhouds)baggerspecie met PFOS en PFOA op het aangrenzend perceel is in alle gevallen aanvullend op de msPAF-toets toegestaan tot een maximum gehalte van 3 µg/kg ds voor PFOS en 7 µg/kg ds voor PFOA, mits er geen direct contact (ook ná zetting) met het grondwater plaatsvindt, dan wel invloed naar kwetsbare objecten aan de orde is. Door het verspreiden op het aangrenzend perceel van (onder­houds)baggerspecie met PFOS en/of PFOA te maxi­ meren tot een gehalte van respectievelijk 3 µg/kg d.s. en 7 µg/kg d.s. beschouwt het Rijk vooralsnog de ecologische druk als gevolg van het verspreiden toelaatbaar. Dit geldt ook voor een ontvangende bodem met een (functie en/of bodemkwaliteit-) indeling in de Klasse Niet ingedeeld – PFOS/ PFOA – Vrij Toepasbaar. Deze belasting wordt hiermee vergelijkbaar geacht met een gering verhoogde ecologische druk voor genormeerde stoffen volgens het ms-PAF-principe. Wel moet voorkomen worden dat lokaal overmatige beïn­ vloeding kan plaatsvinden, vooral in het geval van tijdelijke opslag in een weilanddepot voor enige duur.

Bij de aanleg van een tijdelijk weilanddepot voorafgaand aan de definitieve verspreiding moet rekening gehouden worden met ligging hiervan ten opzichte van het grond- en oppervlaktewater om lokaal intensieve uitspoeling via het grondwater en recht­ streekse afspoeling naar (een deel van) dat oppervlaktewater te voorkomen. Voor de (definitieve) verspreiding van baggerspecie wordt een laagdikte van circa 0,2 m als voldoende gering belastend beschouwd.

6.11 Melden van toepassen grond of baggerspecie op landbodem

Meldplicht (voor de toepassing als geheel) Ten minste een week voor de start van de activiteit wordt aan het bevoegd gezag een melding gedaan van het voornemen van het doen van een functionele toepassing. Als het voornemen om grond of bagger­ specie toe te passen niet is gemeld, is het toepassen niet toegestaan.

Het achterwege laten van een melding heeft dus grote gevolgen. Dit is een verschil met de meldingsplicht die in het Besluit bodemkwaliteit was opgenomen, toen met het niet naleven van die meldingsplicht alleen een administratief

voorschrift was overtreden. Dit had geen gevolgen voor het toepassen als zodanig, dat was toegestaan zolang aan de inhoudelijke voorschriften van het Besluit bodemkwaliteit werd voldaan. De reden van deze wijziging is dat de melding onmisbaar is voor het houden van (risico)gestuurd toezicht. Een formele beoordeling door het bevoegd gezag is niet nodig. Het bevoegd gezag controleert weliswaar het formulier en de documenten, maar neemt geen besluit.

• Er in totaal ten hoogste 50 m3 baggerspecie met kwaliteitsklasse ‘algemeen toepasbaar’ wordt toegepast; • Baggerspecie wordt toegepast om te worden verspreid over aan een oppervlaktewaterlichaam grenzende terreinen; • De activiteit als vergunningplichtig is aangewezen; of • Er voor de betreffende toepassing al eerder een melding is gedaan.

Een melding bevat de volgende informatie: • De aanduiding van de functionele toepassing33 in het kader waarvan de grond of baggerspecie wordt toegepast en een onderbouwing van de functionaliteit van de toepassing; • De dimensionering34 van de functionele toepassing in het kader waarvan de grond of baggerspecie wordt toegepast; • De hoeveelheid grond of baggerspecie in kubieke meters die in totaal wordt toegepast (het toepassen kan even­ tueel in fasen plaatsvinden, maar de melding bevat de hoeveelheid van al deze fasen samen); • De verwachte datum waarop voor het eerst grond of baggerspecie wordt toegepast; • De coördinaten van de ontvangende landbodem (tenzij het adres daarvan is vermeld); • Vermelding of gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid toe te passen in het kader van grootschalig toepassen of opvulling van een diepe plas: het is van belang dat voordat met het toepassen van grond of baggerspecie wordt begonnen, duidelijk wordt gemaakt onder welke regime dit zal gebeuren en dus welke regels gelden; • Vermelding of sprake is van toepassen in het kader van verspreiding van baggerspecie, met aanduiding van het toepasselijke onderdeel (verspreiden op landbodem, in een oppervlaktewaterlichaam of in uiterwaarden en dergelijke).

Als de grond/baggerspecie is bewerkt in een grondreinigings­ installatie overeenkomstig BRL SIKB 7500 of als sprake is van een grootschalige toepassing geldt een meldingstermijn van vier weken.

Een melding is niet nodig als: • De grond of baggerspecie wordt toegepast door een particulier en daarbij ten hoogste 25 m3 grond of baggerspecie in totaal wordt toegepast; • De grond of baggerspecie wordt toegepast op een bedrijf voor het telen van gewassen in de openlucht en de grond wordt ontgraven uit en toegepast wordt op tot dat bedrijf behorende landbouwgronden; • Er in totaal ten hoogste 50 m3 grond met kwaliteitsklasse ‘landbouw/natuur’ wordt toegepast;

Wijzigen van de melding Als het toepassen op een andere manier wordt gedaan dan in de melding is aangegeven moet dit tenminste een week voorafgaand aan die wijziging worden gemeld. Voor enkele situaties (grond/baggerspecie die is bewerkt in een grondreinigingsinstallatie of grootschalige toepassingen) is een meldtermijn van vier weken ingesteld. Die termijn geldt eveneens voor het op een andere manier toepassen dan in de oorspronkelijke melding is aangegeven. De keuze om grootschalig toe te passen kan niet meer worden gewijzigd. Dit is gedaan omdat er andere eisen gelden voor grootschalig toepassen dan voor niet-grootschalig toepassen. Overgangsrecht melding toepassen grond of baggerspecie Als er een melding is gedaan voor het toepassen van grond of baggerspecie volgens artikel 42 van het Besluit bodemkwaliteit (oud), dan geldt die als een melding volgens artikel 4.1266 van het Bal. Voor de verplichting om informatie te verstrekken per toe te passen partij, volgens artikel 4.1267 van het Bal, is geen overgangsrecht nodig. Dat is omdat het hierbij gaat om het feitelijk verstrekken van informatie. Als de informatie al eerder bij een melding is verstrekt, is aan de informatieverplichting voldaan.

Informatieplicht (per partij) Ten minste een week voor start van de activiteit worden ter informatie aan het bevoegd gezag tevens de volgende gege­ vens35 aangeleverd: • De verwachte datum van toepassen; • De verwachte datum waarop de activiteit zal zijn beëindigd; • Milieuverklaring bodemkwaliteit van de toe te passen

33 Een nadere specificatie van een functionele toepassing wordt gegeven in artikel 4.1269 lid 2 en 3 Bal. 34 De dimensionering of het begrip functionele hoeveelheid wordt nader aangeduid in artikel 4.1270 Bal. 35 Voor enkele onderdelen uit de hiervoor genoemde opsomming gelden uitzonderingen. (Zie artikel 4.1267, derde, vierde en vijfde lid Bal).

79

|

Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024

• • •

•

partij grond/baggerspecie; Herkomst van de toe te passen partij grond/baggerspecie; Milieuverklaring bodemkwaliteit van de ontvangende bodem; In geval van toepassen in een afdeklaag bij grootschalig toepassen of bij het geheel of gedeeltelijk ontwikkelen van een diepe plas tot landbodem: de kwaliteit van de aangrenzende landbodem; Als de grond of baggerspecie afkomstig is uit een grond­ reinigingsinstallatie moet dit worden vermeld en tevens de reinigingsmethode (tenzij al vermeld in milieuverklaring bodemkwaliteit).

Deze informatieplicht geldt in zijn geheel niet als: • De grond of baggerspecie wordt toegepast door een particulier en ten hoogste 25 m3 grond of baggerspecie in totaal wordt toegepast; • De grond of baggerspecie wordt toegepast op een bedrijf voor het telen van gewassen in de openlucht en de grond wordt ontgraven uit en toegepast op tot dat bedrijf behorende landbouwgronden; • Er alleen grond of baggerspecie met kwaliteitsklasse ‘landbouw/natuur’ wordt toegepast36; • Baggerspecie wordt toegepast in het kader van de verspreiding over aan een oppervlaktewaterlichaam grenzende terreinen of op landbouwpercelen tot een afstand van 10 km; Als de grond/baggerspecie is bewerkt in een grondreinigings­ installatie of als sprake is van toepassen van grond/bagger­ specie in een diepe plas geldt een termijn van 4 weken. De gegevens die bij de melding of informatieplicht worden verstrekt moeten ook beschikbaar zijn op de locatie van toepassing tijdens het toepassen. Als sprake is van een uitzondering op de meld- of informatieplicht, moet er wel een milieuverklaring bodemkwaliteit beschikbaar te zijn op locatie (behalve in geval van de uitzondering voor particulieren en voor het bedrijf voor het telen van gewassen in de openlucht). Hetzelfde geldt voor een afleverbon (indien vereist op grond van het Besluit bodemkwaliteit).

Gevoelige bodemfuncties Toe te passen grond op tuinen van woningen en onbedekte kinderspeelplaatsen mag niet meer dan 100 mg/kg aan lood bevatten (2x de kwaliteitseis lood voor landbouw/natuur). Tevens mag in toe te passen grond op kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuinen asbest visueel en analytisch niet aantoon­ baar aanwezig zijn. De initiatiefnemer geeft bij het indienen van de gegevens tevens de bodemgevoelige subfunctie aan waarop de toepassing betrekking heeft, zodat het bevoegd gezag op de specifieke toepassingseisen kan toetsen. Op de bodemfunctie landbouw/natuur betreft dit de subfunctie moestuinen/volkstuinen, op de bodemfunctie wonen betreft dit de subfunctie wonen met tuin en kinder­ speelplaatsen.

6.12 Lokale invulling bij toepassen van grond of baggerspecie De gemeente Amsterdam heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid om maatwerkregels op de rijksregels uit het Bal vast te stellen voor enkele onderwerpen. Ook is al bestaand beleid omgezet naar beleid en beleidsregels onder de Omgevingswet. Het gebiedsspecifieke beleid op grond van artikel 44 Bbk (oud) zit in het tijdelijk deel van het omgevingsplan en blijft dus gelden. Het zal worden omgezet naar maatwerkregels op artikel 4.1272 Bal in het nieuwe deel van het omgevingsplan. Tot die tijd functioneert het gebiedsspecifieke beleid feitelijk al als maatwerkregels, al heeft het nog niet die juridische vorm. De lokale invulling voor de MBA Toepassen van grond en baggerspecie wordt weergegeven in onderstaand kader. Het gebiedsspecifieke beleid en de cursief weergegeven regels zullen worden omgezet in maatwerkregels na inwerkingtre­ ding van de Omgevingswet en worden vastgesteld middels een reguliere aanpassing van het omgevingsplan.

36 Mits dit kan worden aangetoond met een milieuverklaring bodemkwaliteit. Voor het toepassen van meer dan 50 m3 grond met kwaliteit landbouw/natuur geldt wel een meldplicht voor de toepassing als geheel. Het is echter niet nodig om per partij daarna nog informatie op grond van de informatieplicht door te geven.

80

|

Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024

Maatwerkregels in omgevingsplan op rijksregels uit het Bal

Artikel waarop de maatwerk­regel betrekking heeft

Het gebiedsspecifieke beleid op grond van artikel 44 Bbk (oud) betreft onder andere een aange­ scherpte norm voor lood (en voor asbest op grond van de zorgplicht) voor gevoelige bodemfuncties en een verruiming voor de bodemfunctie bebouwing (wonen zonder tuin) in zones met kwaliteit industrie en slechter.

(4.1272 Bal) Tijdelijk deel omgevingsplan

De resultaten van een bodemonderzoek worden, behalve in PDF-format, ook aangeleverd in het XML-format (SIKB0101) voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.

4.1267 1e lid onder e Bal

Wanneer sprake is van toepassing op bodemgevoelige functies (moes-/volkstuinen, tuinen van woningen en kinderspeelplaatsen) wordt dit door de initiatiefnemer vermeld, zodat het bevoegd gezag op de specifieke toepassingseisen kan toetsen. Extra indieningsvereiste bij de informatieplicht.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13455847/1