CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

A - 31 Grond en Ontwikkeling (22) Bijlage 4a Beleidskader Bodem Omgevingswet

RAAD 9 november 2023, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van de bodemregels onder de Omgevingswet VN2023-02074156.497 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 6 van 7

4.1267 Bal

Toepassingen in het veenweidegebied mogen alleen met de grondsoort veen plaatsvinden.

4.1272 Bal

Er zijn gebiedsspecifieke normen voor chloride en asbest opgenomen. Vooralsnog als invulling van de zorgplicht. Dit zal worden omgezet naar maatwerkregels in het omgevingsplan.

4.1272 Bal

Beleidsregels

Artikel waarop de maatwerk­regel betrekking heeft

De Amsterdamse Richtlijn voor bodemonderzoek (ARVO) is een nadere invulling van de NEN-normen voor voorafgaand onderzoek (als onderdeel van de milieuverklaring).

4.1267 1e lid onder c Bal in samenhang met Regeling bodemkwaliteit 2022

Ter informatie: dit is een zelfstandige beleidsregel. Toepassingen in het veenweidegebied mogen alleen met de grondsoort veen plaatsvinden.

2.11 Bal in samenhang met 4.1272 Bal

Er zijn gebiedsspecifieke normen voor chloride en asbest.

2.11 Bal in samenhang met 4.1272 Bal

81

|

Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024

7 MILIEUBELASTENDE ACTIVITEIT TOEPASSEN VAN BOUWSTOFFEN Wettelijk kader: De milieubelastende activiteit ‘Toepassen van bouw­ stoffen’ (bedrijfstakoverstijgend) is te vinden onder paragraaf 3.2.25 (artikelen 3.48m en n); de algemene regels onder paragraaf 4.123 (artikelen 4.1257 tot en met 4.1264) van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).

In Nederland, en ook in Amsterdam, worden bouwstoffen veelvuldig toegepast, zoals bij menig bouw- en infra­ structureel project. Het toepassen van bouwstoffen is een milieubelastende activiteit (MBA). De nadelige gevolgen voor het milieu die deze activiteit kan veroorzaken betreffen verontreiniging van de bodem als gevolg van onder andere het ongewenst uitlogen van verontreinigende stoffen en een ondoelmatig beheer van afvalstoffen. Maar een positief effect kan zijn dat wordt bespaard op het gebruik van primaire grondstoffen. De regels bestaan vooral uit implementatie van de Kaderrichtlijn afvalstoffen en uit een nationale uitwerking van passende preventieve maatregelen en beste bestaande technieken. Het toepassen van bouwstoffen omvat zowel het aanbrengen als het daarna aangebracht houden van bouwstoffen. Ook het tijdelijk uitnemen en opnieuw toepassen van bouwstoffen valt hieronder. Onder de MBA ‘Toepassen van bouwstoffen’ vallen niet: • Het toepassen van mijnsteen of vermengde mijnsteen in de voormalige mijnbouwgebieden in de provincie Limburg; • Het toepassen van bouwstoffen binnen een gebouw, als de bouwstoffen zo worden toegepast dat geen contact met hemelwater, oppervlaktewater of grondwater kan optreden.

Nuttig en functioneel toepassen Het toepassen van bouwstoffen is alleen toegestaan als er sprake is van toepassen van bouwstoffen voor het aan­ leggen, in stand houden, herstellen, veranderen of uitbreiden

van een werk. Een werk is gedefinieerd als: infrastructuur, waaronder bouwwerken, of het resultaat van een andere functionele toepassing van bouwstoffen. Als er geen sprake is van een functionele toepassing is het toepassen niet toegestaan. Het toepassen van de bouw­ stoffen geldt dan als verwijderen (storten) van afvalstoffen. Dit mag op grond van de Kaderrichtlijn afvalstoffen alleen als hiervoor een individuele afvalstoffenvergunning is verleend. Deze afvalstoffenvergunning kan alleen betrekking hebben op het storten van afvalstoffen. Het is niet mogelijk om via deze vergunning alsnog een toepassing te realiseren die niet functioneel is. De hoeveelheid bouwstoffen die nodig is verschilt van geval tot geval en wordt beoordeeld aan de hand van gangbare civieltechnische, bouwtechnische, ecologische of esthetische maatstaven. Zo mag een geluidswal in beginsel niet hoger worden dan nodig is voor de bescherming tegen de geluidsoverlast. Gebruik van afvalstoffen als bouwstof Bouwstoffen kunnen een afvalstof zijn, waarbij zich twee situaties kunnen voordoen. Afvalstoffen kunnen worden gebruikt als grondstof voor de vervaardiging van bouwstof­ fen of ze kunnen worden bewerkt zodat ze als bouwstof kunnen worden toegepast. Daarnaast kunnen bouwstoffen vrijkomen uit een eerdere toepassing en dan de juridische status van afvalstof krijgen.

Tegen het toepassen van afvalstoffen als bouwstof bestaat geen principieel bezwaar. Integendeel, verantwoord hergebruik (nuttige toepassing) van afvalstoffen is juist gewenst met het oog op een zuinig gebruik van grondstoffen. Ook heeft verantwoord hergebruik de voorkeur boven bijvoorbeeld verbranden of storten uit het oogpunt van een doelmatig beheer van afvalstoffen. Daarom is het toepassen van bouwstoffen, voor zover het daarbij om afvalstoffen gaat, toegestaan mits sprake is van een nuttige toepassing37.

37 Nuttige toepassing volgens art 1.1 Wet milieubeheer: elke handeling met als voornaamste resultaat dat afvalstoffen een nuttig doel dienen door hetzij in de betrokken installatie, hetzij in de ruimere economie, andere materialen te vervangen die anders voor een specifieke functie zouden zijn gebruikt, of waardoor de afvalstof voor die functie wordt klaargemaakt.

82

|

Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024

Niet alle functionele toepassingen zijn toegestaan Er zijn toepassingen van bouwstoffen, die op zichzelf onder omstandigheden als functionele toepassingen kunnen worden aangemerkt, maar die desondanks verboden zijn: • Het toepassen van bouwstoffen om een oppervlakte­ waterlichaam te verondiepen (dempen) of tot landbodem te ontwikkelen; • Het toepassen van bouwstoffen om de bodem op te hogen voor de verwezenlijking van bedrijventerreinen, woningbouwlocaties, landbouwgronden, natuurgronden, tuinen of recreatieterreinen. Dergelijke laagwaardige toepassingen van bouwstoffen, waarvoor bovendien grote hoeveelheden nodig zijn, zijn onwenselijk met het oog op het zuinig gebruik van grondstoffen en het doelmatig beheer van afvalstoffen. In deze toepassingen worden de bouwstoffen meestal blijvend onderdeel van de bodem, wat in strijd is met het voorschrift dat bouwstoffen terugneembaar moeten zijn. Voor een fundering onder een gebouw, weg of parkeerterrein mogen wel bouwstoffen worden gebruikt, omdat daarbij niet het oogmerk bestaat dat de bouwstoffen blijvend onderdeel van de bodem gaan uitmaken. De fundering is om civieltech­ nische redenen nodig, er is dus sprake van een functionele toepassing.

Granuliet Een vast materiaal met een korrelgrootte van 63 µm en kleiner, afkomstig uit een breekproces van graniet en zandsteen/kwartsiet die meer dan 10% silicium bevatten, en in mindere mate ook calcium en aluminium. Verder bestaat granuliet uit organische stof in een verhouding en met een structuur zoals die van nature in de bodem wordt aangetroffen. Granuliet voldoet daarmee aan de definitie van grond. Zie uitspraak Raad van State in granuliet-discussie: Uitspraak 202004635/1/R1 - Raad van State. Immobilisaat Het begrip immobilisaat is in het Bal gedefinieerd als vormgegeven bouwstoffen die het product zijn van een methode van verwerking waarbij de chemische of fysische eigenschappen van een afvalstof worden gewijzigd met het primaire doel daarin aanwezige verontreinigende stoffen vast te leggen. Immobilisaat is een mengsel van een of meerdere (afval)stoffen met toevoeging van een bindmiddel en overige additieven. Immobilisaten worden samengesteld uit onderdelen (bijvoorbeeld sorteerzeefzand) die zelfstandig niet toepasbaar zijn als bouwstof. Door toevoeging van het bindmiddel worden de verontreinigingen in de verschillende (afval)stoffen fysisch en/of chemisch gebonden. Met een voorafgaande milieuverklaring kan worden aangetoond dat het immobilisaat voldoet aan de maximale samenstellings­ waarden en emissiewaarden.

7.1 Begripsomschrijvingen bouwstoffen De begripsomschrijvingen in deze paragraaf zijn afkomstig uit vigerende wet- en regelgeving en hier opgenomen ter toelichting/als uitleg. Er is geen sprake van een lokale invulling van definities. Bouwstof Het begrip ‘bouwstof’ wordt in het Besluit bodemkwaliteit (artikel 1 Bbk (gewijzigd)) omschreven als materiaal dat is bestemd om te worden toegepast, waarin de totaalgehalten aan silicium, calcium of en aluminium samen meer dan 10 gewichtsprocent van dat materiaal bedragen. Het gaat om steenachtig materiaal. Voorbeelden hiervan zijn beton, asfalt, dakpannen en bakstenen. In de definitie van het begrip bouwstof zijn vlakglas, metallisch aluminium, grond of baggerspecie uitgezonderd. Materialen zoals kunststof, hout of stro worden ook toegepast als bouwstof, maar deze materialen vallen dus niet onder de regels voor bouwstoffen in het Bal. Asbest voldoet in principe wel aan de definitie van een bouwstof, maar vanwege milieuhygiënische risico’s mag het niet meer worden toegepast.

83

|

Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024

AVI-bodemassen Het begrip AVI-bodemassen is in het Bal gedefinieerd als bodemas dat resteert na verbranding in een installatie die alleen of in hoofdzaak is bedoeld voor het verbranden van huishoudelijke afvalstoffen en bedrijfsafvalstoffen in een roosteroven of een wervelbedoven. AVI-bodemassen zijn zonder verdere bewerking niet toepasbaar. Door AVI-bodemas te bewerken kan een vrij toepasbare bouwstof ontstaan, mits deze aan de kwaliteitseisen voldoet. Bewer­ ken kan door het AVI-bodemas te reinigen of bijvoorbeeld AVI-bodemas als immobilisaat toe te passen. Staalslakken/staalslakkenmengsels Staalslak is een bijproduct van de staalproductie. Het ont­ staat bij de omzetting van ruwijzer naar staal. De gestolde staalslak is een steenachtig materiaal. Staalslakken vallen grotendeels onder de Beoordelingsrichtlijn (BRL)9310. Met andere slakken vallen deze onder de paraplu-BRL 9345. Er zijn ook mengsels met 5-20% staalslak onder de BRL2506 als hydraulisch menggranulaat (HG). Voor deze bouwstoffen gelden toepassingsvoorwaarden, zoals “droogligging” en geen contactmogelijkheid met oppervlaktewater.

Grondstabilisatie Grondstabilisatie wordt ook wel aangeduid met massastabilisatie. In het kader van het streven naar een circulaire economie ontstaan er steeds nieuwe soorten bouwstof (niet-vormgegeven) die worden gemaakt door de grond ter plaatse met bindmiddelen te ‘stabiliseren’. De beschikbaarheid van een milieuverklaring voor de bouwstof voorafgaand aan toepassing daarvan is het uitgangspunt van de regelgeving over bouwstoffen. Grondstabilisatie wordt vaak toegepast zonder milieuverklaring vooraf. Er wordt een flinke groei verwacht van deze toepassingen. Vaak gaat het om zeer grote toepassingen. Partij Onder partij wordt verstaan een hoeveelheid (bodem) mate­riaal die volgens de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit gestelde regels als partij wordt aangemerkt. Hoewel in artikel 1, tweede en derde lid, van het Besluit bodemkwaliteit een uitleg wordt gegeven wat in dat besluit en daarop berustende bepalingen als een partij moet worden aangemerkt, dient verder te worden gekeken dan dat artikel. In de regels van het Besluit bodemkwaliteit en de Regeling bodemkwaliteit zijn onder andere bepalingen opgenomen over het samenvoegen en splitsen van partijen, deze moeten ook worden meegenomen in de afweging of van een partij sprake is. In de toelichting bij artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit is nader aangegeven wat onder partij wordt verstaan.

Daarin zijn ook voorbeelden opgenomen. Werk Het begrip werk is een breed begrip dat functionele toepassingen van bouwstoffen dekt. In de omschrijving van het werk zijn naast overige functionele toepassingen, de begrippen ‘bouwwerk’ (constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming direct of indirect met de grond verbonden is, direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren, met inbegrip van de daarvan deel uitmakende bouwwerkgebonden installaties) en ‘infrastruc­ tuur’ (wegen en vaarwegen, waaronder routenetwerken voor wandelen, fietsen en varen, en spoorwegen, havens, luchthavens, energie-infrastructuur, buisleidingen, openbare hemelwater- en ontwateringsstelsels en vuilwaterriolen, infrastructuur voor watervoorzieningswerken en andere vitale infrastructuur) opgenomen. Het gaat bijvoorbeeld om dijken, viaducten, (spoor)wegen of geluidswallen. Een belangrijke eigenschap van een werk is dat het een functioneel karakter heeft.

84

|

Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024

De situaties waarin géén bouwstoffen mogen worden toegepast zijn geregeld in artikel 4.1260 van het Bal, het gaat hierbij om het verondiepen van een oppervlaktewaterlichaam of het ontwikkelen tot landbodem of het ophogen van de bodem voor het verwezenlijken van bedrijventerreinen, woningbouwlocaties, landbouwgronden, natuurgronden, tuinen of recreatieterreinen.

7.2 Informatieplicht toepassen AVI-bodemassen en immobilisaten Voor de meeste bouwstoffen is voor het toepassen in een werk in het Bal geen meld- of informatieplicht opgenomen. Alleen voor het toepassen van AVI-bodemassen en immobilisaten geldt een informatieverplichting, omdat specifiek toezicht is vereist. Deze toepassingen worden in het bodeminformatiesysteem geregistreerd. Als AVI-bodemassen of immobilisaten worden toegepast, worden ten minste vier weken voor het begin van de activi­ teit de volgende gegevens en bescheiden verstrekt aan het bevoegd gezag: • De verwachte datum van het begin van de activiteit; • De verwachte datum waarop het werk zal zijn voltooid; • Een milieuverklaring bodemkwaliteit die betrekking heeft op de toe te passen AVI-bodemassen en immobilisaten; • De herkomst van de AVI-bodemassen en immobilisaten; • De kwaliteit van de AVI-bodemassen of immobilisaten; • De hoeveelheid AVI-bodemassen of immobilisaten in kubieke meters die in totaal in het werk zal worden toegepast; • De coördinaten van de ontvangende landbodem, tenzij het adres daarvan is vermeld, of de coördinaten van het ontvangende oppervlaktewaterlichaam.

De ruime termijn van vier weken – in vergelijking met de termijn van een week die geldt voor het toepassen van grond en baggerspecie – is nodig om het bevoegd gezag voldoende gelegenheid te geven om de informatie te beoordelen en zo nodig een controle in te plannen. Ook is er zo tijd om vooraf­ gaand aan de activiteit eventueel een maatwerkvoorschrift op te leggen ter invulling van de zorgplicht. Omdat de kwaliteit van het immobilisaat sterk afhankelijk is van de materialen die zijn verwerkt en de reiniging van AVI- bodemas een nieuw proces is en de kwaliteit mede wordt beïnvloed door het uitgangsmateriaal, is het belangrijk om tijdig zicht te hebben op de herkomst en de kwaliteit van de toe te passen materialen, vooral omdat deze materialen vaak in grote hoeveelheden worden toegepast.

Op basis van deze specifieke informatieplicht worden toepas­ singen met AVI-bodemassen of immobilisaten geregistreerd, waardoor bij eventueel vrijkomen van deze toegepaste AVI-bodemassen of immobilisaten deze te onderscheiden zijn van andere bouwstoffen. Vanwege de specifieke milieuhygi­ ënische eigenschappen van AVI-bodemas en immobilisaten is het wenselijk dat deze materialen met het oog op de circulaire economie bij vrijkomen apart worden behandeld en niet worden vermengd met reguliere bouwstoffen in de recyclingketen.

7.3 Meldplicht bij toepassen risicovolle bouwstoffen Toepassen van IBC-bouwstoffen stopt onder de Omgevingswet (behoudens kortdurend overgangsrecht). Er zijn echter nog steeds andere soorten bouwstoffen die bij het toepassen kunnen leiden tot risico’s en milieugevolgen. Voor twee grote groepen is daarvoor onder de Omgevingswet al wat geregeld. Dat zijn (vrij toepasbare) bodemas en immobilisaat, waarvoor een informatieplicht38 is opgenomen in artikel 4.1258 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), zie paragraaf 7.2 van dit beleidskader. Voor bouwstoffen waarvan de toepassing moet kunnen worden geregistreerd, en waarbij de risico’s grotendeels ontstaan bij beëindigen van de toepassing, volstaat een informatieplicht. Dit dient om de bouwstoffen die in de toekomst vrijkomen (als het werk waarin ze zijn toegepast zijn functie verliest) op een verantwoorde manier te kunnen registreren. Naast algemene regels over het toepassen van bouwstoffen (in paragraaf 4.123 Bal) is in artikel 2.11 Bal een specifieke zorgplicht opgenomen. Maar zonder voorafgaande melding kan deze zorgplicht in de praktijk - omdat toezichthouders niet op de hoogte zijn van een voorgenomen toepassing pas achteraf worden ingezet als de ongewenste situaties al zijn ontstaan.

Bijvoorbeeld als er veel dode vissen worden aangetroffen in de sloot naast een perceel, en dat dit blijkt te komen door een eerdere toepassing van een van de genoem­ de bouwstoffen op het perceel. Daarom is een meldplicht voor bouwstoffen waarbij het risico schuilt in de toepassing zelf, zoals staalslakken(mengsels) en

grondstabilisatie (het civieltechnisch verbeteren van grond door er bepaalde stoffen in aan te brengen), vanuit het oogpunt van toezicht en handhaving dringend gewenst. Het Rijk heeft deze meldplicht voor beide typen bouwstoffen niet (goed) gereguleerd. Naar aanleiding van ophef in de media over het toepassen van staalslakken, de politieke commotie die daardoor ontstond en de zeer ongewenste milieuhygiënische gevolgen bij foutieve toepassing is de vraag naar extra toezicht en handhaving toegenomen. Ook het civieltechnische verbe­ teren van grond door er bepaalde stoffen in aan te brengen (grondstabilisatie) is niet (goed) gereguleerd door het Rijk. Bij het invoeren van een meldplicht en/of informatieplicht kunnen (op grond van ingediende gegevens en bescheiden) voorafgaand aan de activiteit zo nodig maatwerkvoorschrif­ ten worden opgelegd aan de initiatiefnemer. Risico’s voor de mens en het ecosysteem Het risico bij toepassing van staalslakken(mengsels) en grondstabilisatie bestaat uit een (tijdelijke) zeer hoge pH-waarde van grond en oppervlaktewater door het uitspoelen van vrije kalk, die bij mensen kan leiden tot huidirritatie en die schadelijk kan zijn voor de ecologie in het oppervlaktewater (massale vissterfte).

Hoewel risico’s bij hydraulisch menggranulaat (ontstaan door recycling) niet geheel uitgesloten zijn lijkt een meldplicht vooral van belang bij mengsels met meer dan 20 procent staalslakken. Omdat de pH-waarde bij grondstabilisatie in de meeste gevallen iets minder kritisch is dan bij staalslakken lijkt het verantwoord om voor een meldplicht een ondergrens voor de grootte van het werk aan te houden van 1000 m2. Gelet op de genoemde risico’s voor het ecosysteem maar ook voor de gezondheid van mensen die in aanraking komen met de bouwstof, is een meldplicht voor staalslakken en grondstabilisatie opgenomen in het omgevingsplan. De meldplicht, met een termijn van vier weken, geldt voor toepassing van de volgende bouwstoffen: • Staalslakken en staalslakkenmengsels met meer dan 20 procent staalslakken; en • Grondstabilisatie (als niet-vormgegeven bouwstof) van meer dan 1000 m2. De melding bevat de volgende informatie:

38 Een informatieplicht voor een milieubelastende activiteit in het Bal houdt in dat bepaalde gegevens tijdig (een bepaald aantal weken voorafgaand aan de activiteit) moeten worden ingediend. Bij een meldplicht voor een milieubelastende activiteit in het Bal is het verboden om de activiteit of bepaalde onderdelen daarvan te starten zonder de melding met bijbehorende gegevens tijdig (doorgaans 4 weken voorafgaand aan de activiteit) in te dienen.

85

|

Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024

a b c d e f

g

De verwachte datum van het begin van de activiteit; De verwachte datum waarop de toepassing zal zijn voltooid; Een milieuverklaring bodemkwaliteit die betrekking heeft op de toe te passen bouwstof; De herkomst van de bouwstof; De hoeveelheid van de bouwstof in kubieke meters die in totaal in het werk zal worden toegepast; De coördinaten van de ontvangende landbodem, tenzij het adres daarvan is vermeld, of de coördinaten van het ontvangende oppervlaktewaterlichaam; Kritische aspecten zoals grondwater en oppervlakte­ water in de nabijheid, zetting, pH-buffercapaciteit, kwetsbare objecten en ecologie.

Wijzigingen in deze gegevens moeten een week van te voren worden gemeld. Toepassingsvoorwaarden staalslakken Zoals gezegd kan bij het toepassen van staalslakken in ophogingen en aanvullingen een tijdelijke verhoging van de pH van het grond- en oppervlaktewater optreden door het uitspoelen van vrije kalk. Zonder adequate voorzieningen wordt toepassing van staalslakken in ophogingen en aanvul­ lingen daarom afgeraden. Het bevoegd gezag kan zo nodig maatwerkvoorschriften stellen met eisen aan de toepassing. Op het productcertificaat staan de toepassingsvoorwaarden voor staalslakken vaak al vermeld: • Alleen toepassen op landbodem; • Niet toepassen in direct contact met grondwater; • Voldoende afstand tot (stilstaand) oppervlaktewater; • Geen afstroming of uittreding van drainagewater op oppervlaktewater; • Geen lozing van drainagewater op het riool of opper­ vlaktewater zonder behandeling (de pH kan bijvoorbeeld worden verlaagd door inblazen van koolzuur).

7.4 Gegevens en bescheiden tijdens en na afloop toepassing Voor het toepassen van bouwstoffen gelden, met uitzon­ dering van AVI-bodemas, immobilisaten, staalslakken en grondstabilisatie, geen meld- en informatieverplichtingen voor het begin van de activiteit. De gebruikte bouwstoffen moeten wel voldoen aan bepaalde kwaliteitseisen. Bouw­ stoffen mogen overeenkomstig het Besluit bodemkwaliteit alleen op de markt worden gebracht als ze zijn voorzien van een milieuverklaring bodemkwaliteit. Om dit te kunnen aantonen moet een initiatiefnemer tijdens en na afloop van het aanbrengen van bouwstoffen een aantal gegevens en

86

|

Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024

bescheiden beschikbaar hebben. Dit bevordert het houden van effectief toezicht op het toepassen van bouwstoffen. Met een milieuverklaring bodemkwaliteit wordt aangetoond dat aan de kwaliteitseisen wordt voldaan. Om het recht op het afgeven van een erkende kwaliteitsverklaring te krijgen is een erkenning noodzakelijk voor het produceren van de bouwstof, grond of baggerspecie en moet de erkende producent beschikken over een productcertificaat. De milieuverklaring mag alleen worden afgegeven als de bouwstoffen volgens een voorgeschreven methode aan de daarvoor geldende milieukwaliteitseisen zijn getoetst en daaruit is gebleken dat ze voor alle parameters aan de eisen voldoen. Aan de hand van een afleverbon kan worden gecontroleerd of de partij die wordt toegepast, ook de partij is waarvoor de milieuverklaring bodemkwaliteit is afgegeven. Milieuverklaringen bodemkwaliteit en afleverbonnen worden ten minste vijf jaar na het aanbrengen van de bouwstoffen bewaard. Uitzonderingen milieuverklaring/afleverbon bij hergebruik van bouwstoffen Er bestaat een aantal uitzonderingen op de administratieve verplichting om voor elke partij bouwstoffen tijdens en na afloop van het aanbrengen te beschikken over een milieuverklaring bodemkwaliteit en een afleverbon.

Deze uitzonderingen hebben betrekking op bouwstoffen die zodanig van aard zijn of die onder zodanige omstandigheden (opnieuw) worden toegepast dat er geen risico bestaat van verontreiniging van de bodem of het oppervlaktewater­ lichaam. De hoge kosten die met de afgifte van een milieu­verklaring zijn gemoeid, staan in deze gevallen in geen verhouding tot de geringe risico’s die het gebruik van deze bouwstoffen meebrengen. Het gaat hierbij om de volgende bouwstoffen/situaties: • Metselmortel of natuursteenproducten (met uitzondering van breuksteen of steenslag); • Vormgegeven bouwstoffen die zonder verandering van eigenschappen of samenstelling in ongewijzigde vorm (bijvoorbeeld dakpannen, stoeptegels en bakstenen) en onder dezelfde omstandigheden opnieuw worden toegepast; • Asfalt of asfaltbeton, waarvan volgens de in het Besluit bodemkwaliteit (gewijzigd) gestelde regels is vastgesteld dat het niet teerhoudend is en die opnieuw in dezelfde wegverharding wordt toegepast; • Bouwstoffen die tijdelijk uit een werk zijn weggenomen, in dat werk op of nabij dezelfde locatie in ongewijzigde vorm en onder dezelfde omstandigheden opnieuw worden toegepast zonder dat het eigendom daarvan wordt overgedragen;

• Bouwstoffen die worden toegepast door een natuurlijk persoon, anders dan in het uitoefenen van zijn beroep of bedrijf, en de in het werk toegepaste hoeveelheid bouwstoffen in totaal ten hoogste 25 m3 bedraagt. Maar de inhoudelijke verplichtingen, zoals de kwaliteitseisen waaraan moet worden voldaan, blijven van toepassing. IBC-bouwstoffen Het toepassen van IBC-bouwstoffen is onder de Omgevingswet niet meer mogelijk. Er is alleen overgangsrecht voor een periode van zes maanden om bestaande voorraden nog te kunnen afzetten. Voorwaarde is wel dat voorafgaand aan inwerkingtreding van de Omgevingswet een melding is gedaan. IBC-bouwstoffen die vrijkomen uit werken (bijvoorbeeld staalslakken die zijn toegepast als toepasbare bouwstof, maar na vrijkomen en keuren toch IBC-bouwstof blijken te zijn) kunnen zodanig worden bewerkt dat deze als toepasbare bouwstoffen kunnen worden toegepast.

7.5 Verwijderingsplicht bouwstoffen In artikel 4.1262, lid 2 van het Bal staat beschreven dat bouw­ stoffen moeten worden verwijderd als het werk waarin ze zijn toegepast buiten gebruik is gesteld. Dit is nodig, omdat de bodem fysisch of chemisch verontreinigd kan raken of kan worden aangetast door het op of in de bodem brengen van

materialen die niet van nature in de bodem voorkomen. Maar onder bepaalde omstandigheden kan het verwijderen van bouwstoffen na buitengebruikstelling van het werk grotere nadelige gevolgen hebben voor de fysieke leefom­ geving dan ze daar te laten. Het gaat vooral om situaties waarin ondoorlatende bodemlagen beschadigd kunnen raken, zoals bijvoorbeeld bij verwijdering van betonnen heipalen in dergelijke bodemlagen. Maar bijvoorbeeld een tijdelijke bouwweg of een parkeerplaats moet wel worden verwijderd als het werk is afgerond (en de definitieve weg of parkeerplaats niet op dezelfde plek is aangelegd).

7.6 Lokale invulling bij toepassen van bouwstoffen De gemeente Amsterdam heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid om maatwerkregels op de rijksregels uit het Bal vast te stellen voor enkele onderwerpen. De lokale invulling voor de MBA Toepassen van bouwstoffen wordt weergegeven in onderstaand kader. De hieronder genoemde meldplichten worden in het omgevingsplan opgenomen via een voorbereidingsbesluit dat gelijk in werking treedt met de Omgevingswet. De cursief weergegeven maatwerkregel zal na inwerkingtre­ ding van de Omgevingswet middels een reguliere aanpassing van het omgevingsplan worden doorgevoerd.

Maatwerkregels in omgevingsplan op rijksregels uit het Bal

Artikel waarop de maatwerk­regel betrekking heeft

Er is een meldplicht voor staalslakken (ten minste vier weken van tevoren).

Paragraaf 4.123 Bal

Er is een meldplicht voor staalslakken (ten minste vier weken van tevoren).

Paragraaf 4.123 Bal

Ten minste een week voordat de activiteit toepassen AVI-bodemas of toepassen immobilisaat op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig de ingediende gegevens, wordt het bevoegd gezag hierover geïnformeerd.

(4.1258 Bal)

87

|

Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024

8 BOUWEN VAN EEN BODEMGEVOELIG GEBOUW 8.1 Instructieregels Rijk en regels in het omgevingsplan Ter bescherming van de volksgezondheid gelden al heel lang regels en voorwaarden voor bouwen op verontreinigde bodem. Dat is in de Omgevingswet niet anders. Het Rijk stelt in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) instructieregels voor het omgevingsplan van gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie, oftewel het bouwen op verontreinigde bodem. Een instructieregel betekent dat een gemeente verplicht is hierover regels op te nemen in het omgevingsplan. Binnen door het Rijk aan­ge­geven grenzen mag een gemeente deze regels wel zelf invullen. De instructieregels zijn vertaald naar regels in het omgevings­ plan. In dit hoofdstuk worden de geldende regels beschreven. Als een gemeente deze regels wil aanpassen, dan moet hierbij worden voldaan aan de instructieregels van het Bkl. Het omgevingsplan bevat een vergunningplicht voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Het is - behoudens uitzonderingen39 - verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken. De regels over het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodem­ gevoelige locatie haken hierbij aan.

Wettelijk kader: Deze instructieregels staan in paragraaf 5.1.4.5.1 (artikelen 5.89g tot en met m) van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en zijn van toepassing op het toelaten van een bouwactiviteit - bestaande uit het bouwen van een bodemgevoelig gebouw - op een bodemgevoelige locatie. Hier zijn ook de definities van bodemgevoelig gebouw en bodemgevoelige locatie te vinden, die via een schakelbepaling doorwerken naar het omgevingsplan.

De regels voor de binnenplanse vergunningplicht voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken staan in afdeling 4.2 van het omgevingsplan. De regels over het bouwen van een bodemgevoelig gebouw maken hier onderdeel van uit.

8.2 Begrippen bodemgevoelig gebouw en bodemgevoelige locatie Wat is een bodemgevoelig gebouw? Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw (of gedeelte daarvan) dat de bodem raakt, waarvan aannemelijk is dat er meer dan twee uur per dag aaneengesloten personen aanwezig zullen zijn (vergelijkbaar met de regeling onder de Woningwet), of een woonschip of woonwagen. De omschrij­ ving van een bodemgevoelige gebouw sluit aan bij de term verblijfsfunctie die werd gebruikt in de regels voor bouwen op verontreinigde grond zoals die golden voor inwerkingtreding van de wet. Voorbeelden van bodemgevoelige gebouwen zijn een woning, school, kinderdagverblijf, kantoor, woonschip, woonwagen, museum, ziekenhuis, et cetera. Om te voorkomen dat voor het bouwen van elk bodem­ gevoelig gebouw een melding of vergunning nodig is, geldt een uitzondering voor bouwactiviteiten die bestaan uit een bijbehorend bouwwerk (als bedoeld in bijlage I van het Besluit bouwwerken leefomgeving) van beperkte omvang (max. 50 m2). De waarde van 50 m2 sluit aan bij de onderste afbakening die momenteel in het Besluit omgevingsrecht is opgenomen voor bijbehorende bouwwerken: in een tuin tot 100 m2 mag 50% hiervan vergunningvrij bebouwd worden en hoeft hiervoor geen bodemonderzoek uitgevoerd te worden.

Deze ondergrens gaat nooit over het bouwen van een hoofdgebouw, maar over bijbehorende bouwwerken (aanbouw of los bouwwerk met verblijfsfunctie) bij reeds bestaande hoofdgebouwen. Het moment waarop een nieuw hoofdgebouw wordt gebouwd, is het passende moment om bodemonderzoek te doen en maatregelen te treffen, ook voor de tuin waar mogelijk in de toekomst wordt uitgebouwd.

39 Er zijn bouwwerken die altijd vergunningvrij zijn qua ruimtelijke bouwvergunning (vergunning omgevingsplanactiviteit), deze staan beschreven in het Besluit bouwwerken leefomgeving (artikel 2.15f Bbl).

88

|

Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024

Wanneer er sprake is van bijvoorbeeld een parkeerplaats op privé-terrein (de tuin) telt deze mee bij de bepaling van het tuinoppervlak. Ligt de parkeerplaats op de openbare weg dan neemt de gemeente zonodig maatregelen als de functie verandert. Ook bij het bouwen van een bijbehorend bouwwerk van minder dan 50 m2 kan het verstandig kan zijn om een bodemonderzoek te doen, zeker als er informatie is die doet vermoeden dat er (historische) verontreiniging aanwezig zijn. Een kelder is geen bijbehorend bouwwerk, dus de uitzon­ dering voor een bijbehorend bouwwerk geldt niet. Bij een bouwaanvraag voor een kelder die onderdeel wordt van een bodemgevoelig gebouw is dus altijd een bodemtoets nodig.

Een binnenplanse omgevingsplanactiviteit is een activiteit die voldoet aan de regels van het omgevings­ plan en waar een vergunning voor nodig is. De gemeen­ te bepaalt deze activiteiten (met enkele beperkingen / randvoorwaarden vanuit het Rijk). Bijvoorbeeld de binnenplanse vergunningplicht voor de omgevings­ planactiviteit bouwwerken die in het omgevingsplan is opgenomen (ruimtelijke omgevingsvergunning bouwen). Een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is een activiteit die niet voldoet aan de regels van het omgevings­plan en niet vergunningvrij voor het bouwen is. Er zijn twee varianten: 1. Een activiteit waarvoor het omgevingsplan bepaalt dat een vergunning nodig is, maar waarvoor het niet mogelijk is de vergunning te verlenen volgens de beoordelingsregels. Bijvoorbeeld als bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw de waarde toelaatbare kwaliteit bodem wordt overschreden, maar het niet aannemelijk is gemaakt dat sanerende maatregelen worden getroffen die voldoen aan de standaardmaatregelen uit paragraaf 4.5 van dit beleidskader; 2. Een andere activiteit in strijd met het omgevingsplan (in dit kader niet relevant).

Wat is een bodemgevoelige locatie? Een bodemgevoelige locatie is een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Ook de aangrenzende aaneengesloten tuin of het aangrenzende aaneengesloten terrein wordt daaronder verstaan. Dit kan ook een gezamen­ lijke binnentuin bij een appartementencomplex zijn. Ook valt een onmiddellijk aan een woonschip of woonwagen grenzende tuin of grenzend terrein onder de definitie van een bodemgevoelige locatie. De term ‘toelaten’ geeft aan dat hier ook een gebouw of deel van een gebouw wordt verstaan dat nog niet aanwezig is. Voor het gemak wordt hierna uitgegaan van het voorbeeld van een woning. Dat kan een andere functie zijn dan de huidige functie, bijvoorbeeld als gevolg van functiewijziging. Ook als een woning feitelijk nog niet aanwezig is, kan er dus sprake zijn van een bodemgevoelige locatie. Een bodemgevoelige locatie is ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw. Omdat het aaneengesloten terrein van één eigenaar kan bestaan uit meerdere kadastrale percelen, is ervoor gekozen om niet uit te gaan van het kadastrale perceel. Dit sluit aan bij de voormalige regels over het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond in de Woningwet.

Het gaat om het gedeelte van het perceel (zoals de tuin) waar de blootstelling zich daadwerkelijk kan voordoen. De tuin is immers bij uitstek gevoelig voor contact door mensen met bodemverontreiniging (bijvoorbeeld door het naar binnen lopen (huisstof), spelende kinderen, tuinieren en verbouwen van voedselgewassen, enzovoorts). Bij een aanvraag van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk moet daarom ook altijd een situatietekening van de oude en de nieuwe situatie worden gevoegd, om de bodemgevoeligheid van het gebouw en de locatie te kunnen beoordelen. Het bouwen van een gebouw op een bodemgevoelige locatie wordt ook kortweg aangeduid als: bouwen van een bodem­ gevoelig gebouw.

8.3 Waarde toelaatbare kwaliteit bodem Het is voor mens en dier uiteraard wenselijk om zo min mogelijk verontreinigende stoffen binnen te krijgen. Maar het is niet mogelijk dit tot nul terug te brengen. In het milieu (lucht, werkomgeving, water, voeding, bodem) zijn nu eenmaal verontreinigingen (ook van nature) aanwezig. Het milieubeleid is erop gericht om die blootstelling zoveel

89

|

Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024

mogelijk te verminderen. In Amsterdam kiezen we ervoor om risico’s in ieder geval tot een ‘aanvaardbaar niveau’ terug te brengen. Wat aanvaardbaar is heeft enerzijds te maken met mogelijke (gezondheids)gevolgen en anderzijds met de (maatschappelijke) kosten om deze gevolgen te voorkomen. Op grond van artikel 5.89i van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat een omgevingsplan waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw. De bodem moet hieraan voldoen om een bodemgevoelig gebruik toe te laten, zonder dat maatregelen nodig zijn.40 De toelaatbare kwaliteit bodem wordt overschreden als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de toelaatbare kwaliteit bodem. Voor de meeste stoffen is deze waarde de interventiewaarde, zoals opgenomen in bijlage IIA van het Bal. Voor lood en PFAS zijn echter afwijkende waarden opgenomen in het omgevingsplan.

Anders dan bij een saneringsgeval onder de Wet bodem­ bescherming is het niet noodzakelijk om de exacte hoeveelheid verontreiniging of de contour voor een bepaalde concentratie stoffen in beeld te brengen; de grens van 25 m3 is alleen bedoeld om te voorkomen dat de beoordelingsregel elke emmer verontreiniging vangt. De regel is niet gericht op het opsporen en aanpakken van hele kleine verontreinigingen en vereist daarom alleen maatregelen als het om meer dan 25 m3 verontreiniging binnen een perceel gaat. De grens van 25 m3 geldt niet voor asbest, omdat asbest ook in kleine hoeveelheden gevaar voor de gezondheid kan opleveren. Ook bij een kleinere hoeveelheid dan 25 m3 moeten de in het omgevingsplan omschreven maatregelen worden getroffen.

De waarden die Amsterdam in het omgevingsplan heeft opgenomen voor lood en PFAS staan in Tabel 8.1.

Tabel 8.1 W  aarde toelaatbare kwaliteit van de bodem voor bouw van een bodemgevoelig gebouw voor lood en PFAS (ongecorrigeerdvoor bodemtype) Bodemgevoelige gebruiksfunctie

Waarden lood (in mg/kg ds)

Waarden PFOA en som-waarden PFAS-mengsels (in µg /kg ds)

Waarden overige PFAS (in µg /kg ds)

370

60

59

Interventiewaarde conform bijlage IIA van het Bal

60

59

Ter plaatse van de tuin of buitenruimte: Woning met tuin Kinderdagverblijf met buitenruimte School met buitenruimte Ter plaatse van het gebouw: Woning Kinderdagverblijf School Ter plaatse van het gebouw inclusief eventuele buitenruimte: Overige bodemgevoelige gebouwen, zoals winkel, kantoor

40 Een buitenplanse omgevingsvergunning kan worden aangevraagd als de waarde toelaatbare kwaliteit wordt overschreden en het verantwoord is deze bodemverontreiniging niet (helemaal) te saneren of beschermende maatregelen te treffen. De initiatiefnemer moet dan wel aantonen dat de MTR niet wordt overschreden en er aan de TCL/geurdrempel wordt voldaan (zoals opgenomen in bijlagen Vb en XIIIb van het Bkl). Zie ook paragraaf 4.6 van dit beleidskader. Om te berekenen of er sprake is van een overschrijding van de MTR/TCL moet de risicotoolbox bodem (RTB), module CONCRIT (de opvolger van SANSCRIT met vergelijkbare berekeningsmethodiek en waarden) worden gebruikt.

90

|

Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024

Lood: lagere waarde toelaatbare kwaliteit bodem Bij de functie wonen met tuin is voor lood gekozen voor een lagere waarde voor toelaatbare kwaliteit bodem dan de interventiewaarde, namelijk 370 mg lood/kg (ongecorrigeerd voor bodemtype), vanwege gezond­ heidsrisico’s voor jonge kinderen.

Van alle stoffen in de Amsterdamse oudstedelijke ophoog­ laag is lood het grootste probleem. Dat komt met name door het hoge gezondheidsrisico voor kinderen tot 6 jaar. Kinderen krijgen lood binnen bij het spelen op loodhoudende grond via hand-mond gedrag (ingestie). Deze loodbelasting heeft een nadelig effect op het leervermogen en leidt tot verlies aan IQ-punten. Nieuw onderzoek van het RIVM [Lit. 21] heeft aangetoond dat er geen veilige ondergrens voor lood bestaat. Amsterdam heeft zich daarom als doel gesteld om kinderen zo min mogelijk bloot te stellen aan grond die met lood is verontreinigd. De meest zinvolle maatregel is het geven van gebruiks­ adviezen en het saneren van locaties met de gevoeligste bodemfuncties: tuinen van woningen en kinderspeelplaatsen. Met kinderspeelplaatsen worden ook buitenruimten bij kinderdagverblijven en scholen bedoeld. Deze worden tegenwoordig steeds vaker onverhard aangelegd, waardoor er contact kan zijn met de bodem. De gemeente heeft daarom de locaties waar veel kinderen komen, onderzocht en faciliteert maatregelen om deze blootstelling te beperken of te voorkomen. Voorts beoordeelt de Omgevingsdienst NZKG bodemonderzoek bij bouwaanvragen (om te toetsen op de waarde toelaatbare kwaliteit bodem) en saneringsmeldingen op het aspect lood. De GGD geeft doorlopend publieksvoor­ lichting, met name gericht op ouders van jonge kinderen.

Voor woningen met een grote moestuin (> 200 m2) ligt de grens waarboven humane risico’s kunnen optreden zelfs nog lager dan voor wonen met tuin, namelijk op 260 mg lood/kg (ongecorrigeerd voor bodemtype). Dit is een advieswaarde, die niet als harde eis in het omgevingsplan is vastgelegd. Het is namelijk niet op voorhand duidelijk hoe de tuin zal worden ingericht als er een aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt gedaan.

91

|

Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024

Amsterdam hanteert een toelaatbare kwaliteit bodem van 370 mg lood/kg (absoluut gehalte, niet gecorrigeerd voor lutum en organisch stof) ter plaatse van de tuin of buitenruimte bij het bouwen van de volgende bodemge­ voelige gebouwen: - woning met tuin - kinderdagverblijf met buitenruimte - school met buitenruimte

Toetsen waarde toelaatbare kwaliteit In Tabel 8.2 is schematisch weergegeven hoe bij verschillende bouwactiviteiten door de Omgevingsdienst wordt getoetst op de vastgestelde toelaatbare bodemkwaliteit voor lood en overige stoffen (met wijze van aanpak). De derde kolom bevat de waarden toelaatbare kwaliteit voor diffuus lood uit Tabel 8.1 (370 mg/kg d.s. voor wonen met tuin). Voor andere immobiele stoffen dan lood (bijvoorbeeld zink, koper en PAK) is zulke speciale aandacht niet nodig, omdat gezondheidsrisico’s als gevolg van bodemverontreiniging niet of nauwelijks aan de orde zijn. Bij een bodemgevoelige gebruiksfunctie waar geen contact met de bodem door jonge kinderen voor de hand ligt, zoals winkels of kantoren met eventuele buitenruimte of tuin, wordt als standaardwaarde de interventiewaarde aangehouden.

Tabel 8.2 T  oetsen humaan risico van lood, PFAS en overige stoffen bij nieuwbouw van een bodemgevoelig gebouw (incl. tuin) of nieuwbouw van een bij een bestaand gebouw behorend bouwwerk (> 50 m2), met bijbehorende maatregelen. De genoemde waarden zijn absolute (gemeten) gehalten, zonder bodemtypecorrectie. Stof

Situatie

Humaan risico toetsen volgens

Sanerende of beschermende maatregelen

Kwaliteitseis afdeklaag (zie Tabel 6.1)

Volgens omgevingsplan

Lood

Nieuwbouw bodem­gevoelig gebouw, inclusief tuin

Omgevingsplan (>370 mg/kg)

Afdeklaag of verwijderen

Landbouw/natuur of max 100 mg/kg aan lood (2x landbouw/ natuur)

Sanering verplicht

Omgevingsplan (>60 µg/kg PFOA, >59 µg/kg overige PFAS)

Afdeklaag of verwijderen

Landbouw/natuur of afhankelijk van zone BKK

Sanering verplicht

Interventiewaarde

Afdeklaag of verwijderen

Landbouw/natuur of afhankelijk van zone BKK

Sanering verplicht bij overschrijding Interventiewaarde

Bijbehorend bouwwerk1) bij bestaand gebouw > 50 m2) PFAS

Nieuwbouw bodem­gevoelig gebouw, inclusief tuin Bijbehorend bouwwerk1) bij bestaand gebouw > 50 m2)

Overige stoffen

Nieuwbouw bodem­gevoelig gebouw, inclusief tuin Bijbehorend bouwwerk1) bij bestaand gebouw > 50 m2)

1) Als bedoeld in Bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;

Waarde toelaatbare kwaliteit bodem voor PFAS-houdende grond Niet genormeerde stoffen zijn niet opgenomen in het Bkl. Maar ook bij niet genormeerde stoffen in de bodem kan sprake zijn van mogelijke gezondheidsrisico’s. De schadelijk­ heid en aanwezigheid van PFAS (poly- en perfluoralkylstoffen) is de laatste jaren uitdrukkelijk naar voren gekomen. Van de groep poly- en perfluoralkylstoffen (verder: PFAS) is bekend dat deze in veel gebieden in de bodem voorkomen, met name de stoffen PFOS en PFOA. Voor stoffen uit de PFAS-groep zijn vooralsnog geen interventie­waarden afgeleid. Voor PFOS en PFOA kan gebruik worden gemaakt van de Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreiniging (INEV's). INEV's worden op dezelfde manier vastgesteld als interventie­ waarden. Het humane beschermingsniveau ter onderbouwing van de interventiewaarden en INEV's is gebaseerd op de bodemfunctie 'wonen met tuin'. Het humane beschermings­ niveau komt overeen met het maximaal toelaatbaar risico (het MTR).

INEV's zijn gebaseerd op het niveau van de meest kritische risicogrens. Op basis van de meest recente inzichten blijkt echter dat voor PFOS en PFOA de humane risicogrenzen bepalend zijn (RIVM, 20 juli 2021, gebaseerd op de gezond­ heidskundige grenswaarden van EFSA [Lit. 23 en 24]). In de ‘Verzamelbrief bodem en ondergrond’ van 2 mei 2022 bevestigt de staatssecretaris voor infrastructuur en water­ staat dat de humane risicogrenzen uit het rapport van het RIVM van juli 2021 als INEV’s gebruikt kunnen worden. Deze vervangen eerdere INEV’s uit 2020 (die waren gebaseerd op ecologische risicogrenzen, die toen bepalend leken te zijn). De humane risicogrens of het MTR voor PFOS is vastgesteld op 59 µg/kg d.s. en voor PFOA op 60 µg/kg d.s. Deze MTR-waarden vormen de absolute ongecorrigeerde waarden41 voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor alle (bodemgevoelige) gebruiksfuncties ter plaatse van de tuin of buitenruimte. Voor overige PFAS geldt de waarde van PFOS. Deze toelaatbare waarden zijn veel hoger dan de regionaal vastgestelde achtergrondwaarden van PFOS en PFOA in de bodem. Als op een locatie of in een gebied

41 In de RIVM-memo Achtergrondwaarden en risicogrenzen ten behoeve van onderbouwing Maximale Waarden PFAS voor toepassen van grond en baggerspecie (20 juli 2021, [Lit. 23]) staat ten aanzien van een correctie voor het organisch stofgehalte van de bodem het volgende: Het voorkomen van PFOS en PFOA in de landbodem kon in het achtergrondwaardenonderzoek niet eenduidig worden gerelateerd aan het organisch stofgehalte (Wintersen et al., 2020b). Een literatuurreview laat zien dat naast organisch stof ook andere parameters, zoals pH en de mate van waterverzadiging, van belang zijn voor sorptie en beschikbaarheid (Negash, 2020). Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat een correctie voor organisch stof niet onderbouwd kan worden op basis van studies naar het voorkomen of gedrag van PFAS. Aanbevolen wordt om geen bodemtypecorrectie op PFAS toe te passen.

92

|

Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024

concentraties worden aangetoond die de toelaatbare waarden overschrijden is zeer waarschijnlijk sprake van een bronlocatie (in plaats van een diffuse verontreiniging), waarvoor moet worden onderzocht of sanering nodig is.

8.4 Indieningsvereisten vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken: specifieke aanvraagvereisten voor bouwen van een bodemgevoelig gebouw Bodemonderzoek Indien sprake is van een aanvraag voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw, is een bodemonderzoek(srapport) vereist conform de eisen voor voorafgaand bodemonderzoek in het Bal. In hoofdstuk 2 staat of een verkennend bodemon­ derzoek noodzakelijk is of dat mogelijk kan worden volstaan met een vooronderzoek in combinatie met de bodemkwali­ teitskaart. Het onderzoek heeft in principe betrekking op de gehele bodemgevoelige locatie, dus ook de tuin of het terrein bij het gebouw. Ook een gezamenlijke binnentuin moet worden onderzocht. Uit bodemonderzoek blijkt of de toelaatbare kwaliteit van de bodem wel of niet wordt overschreden. Als er sprake is van een tijdelijk bouwwerk (voor maximaal 15 jaar), dan is een verkennend onderzoek niet nodig wanneer uit het vooronderzoek blijkt dat de locatie onverdacht is of er slechts sprake is van een geringe verdenking. In gebieden die geen onderdeel uitmaken van de bodem­ kwaliteitskaart moet de situatie per geval bekeken worden. Mogelijk zijn deze gebieden al gesaneerd of juist onvoldoende onderzocht. Als uit het bodemonderzoek blijkt dat de waarde toelaatbare kwaliteit bodem niet wordt overschreden, dan is het vol­ doende om het bodemonderzoek bij de aanvraag te voegen.

Wordt de waarde toelaatbare kwaliteit bodem wél over­ schreden, dan wordt een beschrijving van de saneringsmaat­ regelen bijgevoegd, waarmee aannemelijk wordt gemaakt dat er gesaneerd gaat worden. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de MBA saneren op grond van het Bal of, indien het overgangsrecht van toepassing is, wordt de sanering uitgevoerd als bedoeld in artikel 3.1 van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet, mits een vergelijkbaar sanerings­ resultaat wordt behaald.

93

|

Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024

In figuur 8.1 wordt geschetst wanneer een verkennend bodemonderzoek conform NEN5740 (ARVO) bij de bouw van een bodemgevoelig gebouw noodzakelijk is. Wanneer sprake is van asbestverdacht bouw- of sloopafval of asbestverdacht recyclinggranulaat in de bodem (meer dan 50 procent bodemvreemd materiaal) is een onderzoek conform NEN 5897 nodig. Bij overschrijding toelaatbare kwaliteit bodem: beschrijving saneringsmaatregelen Als uit bodemonderzoek blijkt dat de vastgestelde toelaat­ bare kwaliteit bodem wordt overschreden, dan worden op grond van de regels in het omgevingsplan sanerende of andere beschermende maatregelen genomen om op deze locatie een bouwactiviteit van een gebouw op een bodemgevoelige locatie toe te laten. Anders dan onder de Wbb kunnen dit ook maatregelen zijn voor de naastgelegen grond, bijvoorbeeld de tuin bij een woning. De voorgenomen saneringsmaatregelen of andere beschermende maatregelen worden bij de aanvraag voor het bouwen van een bodemge­ voelig gebouw gevoegd. Met de ingediende gegevens moet aannemelijk worden gemaakt dat er sanerende maatregelen overeenkomstig paragraaf 4.121 Bal genomen gaan worden. Kijk voor saneren in hoofdstuk 4.

Wat te doen bij overschrijding toelaatbare kwaliteit bodem in een natuurgebied? Als bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw in een waardevol natuurgebied de toelaatbare kwaliteit bodem wordt overschreden (en sanering op grond hiervan verplicht is), dan moet worden overlegd met een stadsecoloog of de natuurorganisatie die het beheer voert in het betreffende gebied, om te kijken óf en welke saneringsmaatregelen zinvol en doelmatig zijn en die zo min mogelijk ingrijpen in het ecosysteem. Naast saneren kan men ook denken aan minder rigoureuze ingrepen, zoals beheermaatregelen (zoals maaibeheer, aanpassen ecosysteem, vernatten). Ook wanneer de bodemverontreiniging een ecologisch risico oplevert (dus zonder samenhang met bouwen) zal in overleg met natuurbeheerders worden gekeken of een aanpak noodzakelijk is. Zie hoofdstuk 9. Onder een waardevol natuurgebied wordt een groengebied met een natuurwaarde van 4 of 5 bedoeld, zoals weer­gegeven is op de Natuurwaardenkaart 2016 (Amsterdamse Natuurwaardenkaart - Gemeente Amsterdam) van Amsterdam.

Figuur 8.1 S  chema beoordeling noodzaak verkennend bodemonderzoek conform NEN5740 (ARVO) bij de bouw van een bodemgevoelig gebouw Vereenvoudigd vooronderzoek

Valt de locatie binnen BKK-zone 1 of 2? nee

Verkennend onderzoek uitvoeren

ja

Puntbron of verdenking?

nee

Bodemkwaliteit volgens Zone BKK

BKK-zone 1 of 2 Of uitkomst verkennend onderzoek Landbouw/ natuur of wonen •G  een beperkingen (bouwvergunning kan worden verleend) • Regels MBA Graven van toepassing

ja Bodemkwaliteit volgens verkennend onderzoek

BKK-zone 3 Of uitkomst verkennend onderzoek Industrie • E ventuele sanering (indien lood > 370) •R  egels MBA Graven en/of Saneren van toepassing

BKK-zone 4 t/m 7 Of uitkomst kwaliteit matig verontreinigd of > interventiewaarde (sterk verontreinigd) of PFAS > INEV •M  atig verontreinigd en lood > 370: sanering uitvoeren • S terk verontreinigd en/of lood > 370: sanering uitvoeren •P  FOA > 60 µg/kg, overige PFAS > 59 µ/kg: sanering uitvoeren • Regels MBA Graven > I en/of Saneren van toepassing

8.5 Beoordeling aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplan­ activiteit bouwwerken

In de vergunning wordt voorgeschreven dat een sanering conform Bal moet worden uitgevoerd.

zijn uitgevoerd. Daarom moet worden voldaan aan een informatie­plicht over de uitgevoerde maatregelen als voorwaarde voor ingebruikname van het gebouw. Het bodemgevoelig gebouw – dit kan ook een (grote) aanbouw zijn aan een bestaand gebouw – op een bodemgevoelige locatie kan alleen in gebruik worden genomen nadat de gemeente een week vantevoren is geïnformeerd over hoe de voorgeschreven maatregelen zijn uitgevoerd. Dit geldt ook voor de ingebruikname van een tuin of het terrein grenzend aan een woonschip of woonwagen. De initiatiefnemer informeert het bevoegd gezag na afloop van de sanering dat en hoe de sanering is uitgevoerd. Dit geeft het bevoegd gezag de gelegenheid om, voordat het ge­ bouw in gebruik wordt genomen, adequaat en tijdig toezicht te houden om te beoordelen of de sanering is afgerond en inderdaad heeft opgeleverd dat het bodemgevoelige gebouw geschikt is voor gebruik.

8.6 Informatieplicht voor ingebruikname na maatregelen op verontreinigde bodem

Het Bal kent ook een vergelijkbare informatieplicht na beëindiging van de MBA saneren. De initiatiefnemer kan in één keer aan beide informatieplichten voldoen.

Indien uit het bodemonderzoeksrapport blijkt dat de waarde toelaatbare kwaliteit bodem niet wordt overschreden, is er vanwege de bodemkwaliteit geen belemmering om de vergunning te verlenen. Bij de beoordeling van de aanvraag omgevingsvergunning bouwen bodemgevoelig gebouw wordt bij overschrijding van de waarde toelaatbare kwaliteit getoetst of voldoende aannemelijk is gemaakt dat gesaneerd zal worden, bijvoor­ beeld doordat er een melding MBA Saneren (conform Bal) is ingediend.

Om de gezondheid van de gebruikers van een bodemgevoelig gebouw te beschermen, moeten we zeker weten dat de voorgeschreven saneringsmaatregelen daadwerkelijk

94

|

Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024

8.7 Lokale invulling bouwen bodem­ gevoelig gebouw De gemeente Amsterdam heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid om de regels voor bouwen van een bodemge­ voelig gebouw uit de door het Rijk meegegeven bruidsschat om te zetten naar regels in het omgevingsplan. Ook is al bestaand beleid omgezet naar beleid en beleidsregels onder de Omgevingswet.

De lokale invulling voor bouwen van een bodemgevoelig gebouw staat in onderstaand kader. De hieronder genoemde regels worden in het omgevingsplan opgenomen via een voorbereidings­besluit dat gelijk in werking treedt met de Omgevingswet.

Regels in omgevingsplan met betrekking tot bouwen van een bodemgevoelig gebouw

Artikel in omgevingsplan ntb

Voorafgaand aan de aanvraag omgevingsvergunning voor de bouw van een bodemgevoelig gebouw in BKK-zones 3 tot en met 7 en in niet-gezoneerde gebieden met te weinig gegevens wordt een verkennend bodemonderzoek conform de NEN5740 uitgevoerd (met inachtneming van de beleidsregels uit de Amster­ damse Richtlijn voor bodemonderzoek (ARVO)). Voor een tijdelijk bouwwerk kan een uitzondering gelden.

In samenhang met par 5.2.2. Bal (voorafgaand bodemonderzoek)

De resultaten van een bodemonderzoek worden, behalve in PDF-format, ook aangeleverd in het XML-format (SIKB0101) voor zover de gegevens zich daarvoor lenen.

In samenhang met par 5.2.2. Bal (voorafgaand bodemonderzoek)

Bij de aanwezigheid van asbestverdacht bouw- of sloopafval of asbestverdacht recyclinggranulaat in de bodem, wordt het resultaat van een onderzoek verstrekt dat is verricht overeenkomstig NEN 5897 voor zover sprake is van meer dan 50% bodemvreemd materiaal. Als een sanering onder het overgangsrecht valt en het oude recht van toepassing is, kan een vergelijkbaar resultaat worden behaald als met een sanering overeenkomstig het Bal. Daarom wordt onder het begrip sanerende of andere beschermende maatregel tevens verstaan een sanering als bedoeld in artikel 3.1 van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet, mits een vergelijkbaar saneringsresultaat wordt behaald. De waarde toelaatbare kwaliteit bodem bij het bouwen van een woning met tuin, een kinderdagverblijf met buitenruimte, of een school met buitenruimte is voor lood vastgesteld op 370 mg/kg (gemeten waarde) ter plaatse van de tuin of buitenruimte. Het volumecriterium van 25 m3 geldt hierbij niet. De waarde toelaatbare kwaliteit bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw is voor PFOS is vastgesteld op 59 µg/kg ds en voor PFOA op 60 µg/kg ds (gemeten waarde). Voor overige PFAS geldt de waarde van PFOS. In de vergunning wordt voorgeschreven dat een sanering conform Bal (of conform Wbb indien de sanering onder overgangsrecht valt) is uitgevoerd voorafgaand aan ingebruikname van het gebouw.

In de vergunning wordt voorgeschreven dat een week voorafgaand aan de ingebruikname van het gebouw het bevoegd gezag wordt geïnformeerd over de uitgevoerde sanering. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden in het geval dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorschriften alsnog geschikt kan worden gemaakt. Dit artikel is in het omgevingsplan opgenomen met het oog op stoffen waarvoor (nog) geen waarde toelaatbare kwaliteit in het omgevingsplan is vastgesteld, maar die wel negatieve effecten op de gezondheid van de gebruikers kunnen hebben.

Beleidsregel

Artikel in omgevingsplan ntb

De Amsterdamse Richtlijn voor bodemonderzoek (ARVO) is een invulling van de NEN-normen voor vooraf­ gaand onderzoek.

In samenhang met par 5.2.2. Bal (voorafgaand bodemonderzoek

Ter informatie: dit is een zelfstandige beleidsregel.

95

|

Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024

9 WIJZIGING NAAR BODEMGEVOELIG GEBRUIK 9.1 Gezondheidsrisico’s bij wijzigen gebruik – lood in bodem-check Een bestaand gebouw kan een nieuwe invulling krijgen waardoor het een bodemgevoelig gebouw wordt. Het is van belang dat de bodemkwaliteit geen gezondheidsrisico’s oplevert voor de nieuwe gebruikers van het gebouw. Dit geldt zowel voor de plek waar het gebouw staat (door uitdamping, doordringing van verontreiniging in leidingen, et cetera) als voor een eventuele tuin of buitenruimte. Vooral bodemverontreiniging met lood of asbest in de tuin of buitenruimte kan gezondheidsrisico’s geven. De meest voorkomende bodemverontreiniging die een risico kan vormt is lood. Lood kan een negatief effect hebben op het leervermogen van kinderen tot en met 6 jaar. Het loodgehalte in bodem waar kinderen mee in contact kunnen komen, moet bij voorkeur lager zijn dan 100 mg/kg. Als het loodgehalte onbekend is, kunnen Amsterdammers een ‘lood in de bodem-check’ aanvragen (Lood in de grond, niet in de mond - Gemeente Amsterdam). We verrichten dan gratis metingen en geven advies. Ook voor bestaande woningen met tuin (zonder voorafgaan­ de wijziging van gebruik), kan gebruik worden gemaakt van deze mogelijkheid.

9.2 Toetsen van bodemonderzoek bij wijzigen naar bodemgevoelig gebruik De resultaten van een bodemonderzoek kunnen bij de Omgevingsdienst NZKG worden ingediend om te toetsen of er gezondheidsrisico’s zijn. De Omgevingsdienst NZKG kan dan adviseren over eventuele maatregelen of kan gebruiks­ adviezen geven om blootstelling aan de verontreiniging te voorkomen.

96

|

Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024

10 DIVERSE ONDERWERPEN 10.1 Voormalige stortplaatsen Er zijn ongeveer 4.000 bekende voormalige stortplaatsen in Nederland, met een totale oppervlakte van ongeveer 8.000 hectare. Sommige voormalige stortplaatsen zijn in eigendom van de gemeente, de meeste zijn in bezit van private partijen.

schatten is. Zelfs onderzoek van dit stortmateriaal geeft door de heterogeniteit van het materiaal een beperkt inzicht. Stortmateriaal kan ook mobiele verbindingen bevatten die door uitloging naar het grondwater een grondwaterveront­ reiniging kunnen veroorzaken. De bron van deze verontreini­ ging in een stortplaats is daarbij niet separaat aan te pakken.

Een voormalige stortplaats is een terrein waar, al dan niet onder toezicht van de overheid, in het verleden afval is gestort. Het stortmateriaal bestaat met name uit huishou­ delijk afval, bedrijfsafval en bouw- en sloopafval. ‘Voormalige’ betekent dat de stortactiviteiten voor 1 september 1996 zijn gestopt. Deels waren deze stortplaatsen vergund onder de Hinderwet of Wet milieubeheer, maar de nazorg van deze categorie stortplaatsen is niet of maar beperkt geregeld. Deze categorie stortplaatsen is per provincie geïnventariseerd en onderzocht in het kader van het NAVOS-project. De stortplaatsen waar na 1 september 1996 afval is gestort, vallen onder de Nazorgregeling Wet milieubeheer en worden dus niet als voormalige stortplaats aangemerkt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13455847/1