A - 31 Grond en Ontwikkeling (22) Bijlage 4a Beleidskader Bodem Omgevingswet
Tekst van het document
20 Bij verontreiniging die is ontstaan vanaf 1 januari 1987 is het uitgangspunt dat deze volledig wordt verwijderd (op grond van zorgplicht, of als maatregel bij ongewoon voorval, of in het kader van de herstelplicht na eindonderzoek bodem bij beëindiging van bedrijf). Indien de veroorzaker van de verontreiniging (niet zijnde de eigenaar van de locatie of de initiatiefnemer) niet te achterhalen is, mag gebruik worden gemaakt van de saneringsregels in het Bal. 21 Bij vluchtige stoffen moeten tevens maatregelen tegen uitdamping worden genomen (dampdichte laag, ventilatie, et cetera). 22 Via maatwerk kunnen andere terugsaneerwaarden van toepassing zijn, bijvoorbeeld voor lood als er sprake is van wonen met tuin. Zie paragraaf 4.5 onder kopje ‘Te realiseren bodemkwaliteit’ en paragraaf 4.9 ‘Lokale invulling’.
51
|
Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024
bijvoorbeeld als sprake is van een herontwikkeling op een verontreinigde locatie. Aan een herontwikkeling kunnen eisen worden gesteld aan de kwaliteit en eventuele sanering van de bodem. Er is in ieder geval een verplichting tot saneren of het treffen van andere beschermende maatregelen bij nieuwbouw van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie23 als de toelaatbare kwaliteit van de bodem wordt overschreden in een bodemvolume van meer dan 25 m3 (volumecriterium geldt niet voor asbest). In dat geval wordt de binnenplanse omgevingsvergunning bouwen alleen verleend als aannemelijk is dat sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. Dit staat in het omgevingsplan, waarin de binnenplanse vergunningplicht voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken is opgenomen. Zie verder hoofdstuk 8 van dit beleidskader. Vrijwillige sanering van statische locaties In het oudstedelijk gebied liggen veel locaties waarvoor binnen afzienbare termijn geen plannen voor stedelijke ontwikkeling of functiewijziging bestaan, de zogenaamde ‘statische locaties,’ met de bodemfunctie wonen, waarvan de tuinen verontreinigd zijn met zware metalen en PAK. Bodemonderzoek kan uitwijzen of er in de tuinen sprake is van onaanvaardbare risico’s. Het gaat bij deze risico’s meestal om de stoffen lood, kwik of PAK.
Mocht bodemonderzoek en het actueel gebruik (met name tuinen en kinderspeelplaatsen) onaanvaardbare risico’s voor de gezondheid aan het licht brengen, dan is het van belang om deze risico’s te vermijden of weg te nemen. Als het gaat om diffuus lood in de toplaag en het is voorlopig niet mogelijk om te saneren, dan zijn gebruiksadviezen (opgesteld in het kader van het loodprogramma) een middel om risico’s tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen en te voorkomen dat jonge kinderen grond binnen krijgen (zoals een zandbak, groente telen in bakken, handen wassen, et cetera). De gemeente faciliteert onderzoek en sanering op verschillende manieren. Zie de website van de gemeente Amsterdam voor meer informatie over het loodprogramma: Lood in de grond, niet in de mond - Gemeente Amsterdam. Het is bekend dat in oudstedelijk gebied de bodem doorgaans verontreinigd is met zware metalen en PAK. Er kunnen echter ook andere verontreinigingen in de bodem zitten. Voor zover deze verontreinigingen ‘bij toeval’ worden ontdekt (ze waren nog niet eerder bekend), bijvoorbeeld door klachten, dan kan sprake zijn van een toevalsvondst. Het gaat hierbij om verontreiniging die (waarschijnlijk) onaanvaardbare
gezondheidsrisico’s met zich meebrengt. Meer informatie over de toevalsvondst staat in paragraaf 10.2. Tijdelijke maatregelen kunnen dan nodig zijn om de risico’s weg te nemen. Op statische locaties is het aan de eigenaar/bewoner om de bodemverontreiniging een keer aan te pakken, bijvoorbeeld op een natuurlijk moment als er werkzaamheden (zoals een bouwplan) aan de orde zijn. Op dat moment wordt de locatie dynamisch. Zie verder in hoofdstuk 8 of 9. Welke saneringen vallen niet onder de MBA saneren conform Bal? Er zijn saneringen die niet onder de MBA Saneren volgens het Bal vallen. Dit betreft een Dit betreft een grondwater- of waterbodemsanering, maar ook de sanering van een nieuw geval. De sanerende maatregelen, die hoofdzakelijk zijn gericht op het saneren van het grondwater om de grondwaterkwaliteit te verbeteren, vallen niet onder de activiteit saneren in het Bal. Het uitvoeren van een grondwatersanering is een activi teit waarvan de regulering is overgelaten aan de provincie. In de Omgevingsverordening 2022 van de provincie Noord-Holland [Lit. 18] is geen saneringsplicht opgenomen voor het grondwater. Wel zijn er informatieplichten opgeno men: 1. Voor het bevoegd gezag bij het signaleren van een nog onbekende grondwaterverontreiniging met een volume van meer dan 6000 m3; en 2.
Voor de initiatiefnemer, als bij sanering van een historische bodemverontreiniging de grondwaterverontreiniging groter blijkt te zijn dan 6000 m3 en dit nog niet bekend is. In de toelichting bij de omgevingsverordening staat hierover het volgende: Ad 1. Dit artikel heeft betrekking op een zogenoemde toevalsvondst die zich mogelijk onaanvaardbaar kan verspreiden in het grondwater. Afgelopen decennia zijn deze verontreinigingen in principe allemaal in beeld gebracht. Als criterium hiervoor is een volume van 6.000 m3 als indicatiewaarde gebruikt. Leidraad daarbij vormde de 'Circulaire Bodemsanering 2013' (Staatscourant nr. 16675). Als een toevalsvondst wordt gedaan, moeten Gedeputeerde Staten in overleg met de betreffende gemeente bepalen of, op welke wijze, wanneer en
23 Of bij het bouwen van een bijbehorend bouwwerk (als bedoeld in bijlage I van het Besluit bouwwerken leefomgeving) groter dan 50 m2.
52
|
Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024
door wie maatregelen moeten worden getroffen. Als een maatregel moet worden getroffen zal deze worden opgenomen in het regionaal water programma dat de provincie vaststelt. Gemeenten zullen naar verwachting grondwaterproblemen die ontstaan vanuit de bodem, veelal als eerste signaleren. Als dat zich voordoet, moeten zij op grond van dit artikel de provincie direct informe ren. Dit is een concretisering van het bepaalde in artikel 2.2 van de Omgevingswet. Het artikel vormt een aanvulling op afdeling 19.2a van de Omgevingswet (Toevalsvondst van verontreiniging op of in de bodem). Die afdeling is van toepassing als bij een toevalsvondst onmiddellijk tijdelijke beschermingsmaatregelen noodzakelijk zijn om onaanvaardbare risico's voor de gezondheid als gevolg van directe of indirecte blootstelling aan verontreiniging op of in de bodem te voorkomen of te beperken. Het artikel heeft een ruimer toepassingsbereik omdat het ziet op de toevals vondst van grondwaterverontreinigingen met een mogelijk onaanvaardbaar verspreidingsrisico. De strekking is daarentegen minder ruim dan die van afdeling 19.2a van de Omgevingswet, omdat het alleen een informatieplicht oplegt aan burge meester en wethouders van de gemeente waar de toevalsvondst is gedaan. Ad 2. Deze bepaling heeft betrekking op historische bodemverontreinigingen, waarover in het verleden een saneringsbesluit is genomen.
Het gaat hier onder meer om gevallen van ernstige verontrei niging, waarvan sanering niet spoedeisend was. In dit soort gevallen vindt sanering pas plaats als een nieuwe ontwikkeling, zoals bouwactiviteit of herinrichting, daartoe aanleiding geeft. Als bij het saneren blijkt dat zich een mogelijk onaanvaardbaar verspreidingsrisico voordoet, moet degene die saneert terstond Gedeputeerde Staten informeren. Uit bovenstaande toelichting kan worden afgeleid dat er bij deze informatieplichten – behalve een minimaal volume van 6000 m3 – ook sprake moet zijn van een overschrijding van de signaleringsparameters grondwater als bedoeld in bijlage Vd van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Deze signalering sparameters komen overeen met de interventiewaarden voor grondwater onder de Wet bodembescherming.
53
|
Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024
Waterbodemsanering Sanerende maatregelen die zijn gericht op een veront reiniging in de waterbodem vallen niet onder de activiteit saneren. Informatie over de aanpak van verontreinigde waterbodems staat op de website van iplo.nl: Verontreiniging waterbodem en oever - Informatiepunt Leefomgeving (iplo.nl). De regels voor de MBA saneren van de bodem gelden wel voor voormalige droge oevergebieden. Het begrip ‘droge oevergebieden’ komt niet terug onder de Omgevingswet. Nieuwe verontreinigingen Bij zogenaamde nieuwe verontreinigingen (veroorzaakt na 1986) is het uitgangspunt dat volledige verwijdering (tot de norm die mag worden toegepast) zo spoedig mogelijk plaats vindt. Het kader voor sanering van nieuwe verontreinigingen wordt gevormd door de zorgplicht, het ongewoon voorval en de herstelplicht bij bedrijfsbeëindiging (aan de hand van een eindsituatie-onderzoek bodemkwaliteit). Er kunnen situaties zijn waarin (onmiddellijke) volledige verwijdering niet hele maal haalbaar of redelijk is. Hierbij wordt gebruik gemaakt van het afwegingskader in de Handreiking ‘redelijkerwijs’ en ‘het natuurlijk moment’ bij de zorgplicht bodem d.d. 25 november 2021. [Lit. 19].
4.2 Meldplicht en informatieplicht vier weken van tevoren
Het is verboden de activiteit saneren van de bodem te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag controleert het meldingsformulier en bijbehorende rapporten en documenten. De controle wordt niet gevolgd door een formeel besluit (beschik king) in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het bevoegd gezag kan eventueel een maatwerkvoor schrift vaststellen in afwijking van of in aanvulling op de regels van het Bal. Een maatwerkvoorschrift is wel een beschikking op grond van de Awb.
De melding wordt gedaan door de initiatiefnemer (opdracht gever). De initiatiefnemer kan de eigenaar of erfpachter zijn van het terrein waar de bodemsanering plaatsvindt. De melding kan ook worden gedaan door een gemachtigde namens de eigenaar of erfpachter. In de praktijk van sanering is het gebruikelijk dat de informatie door de opdrachtgever, de milieukundig begeleider of de uitvoerder wordt verstrekt.
Een melding bevat: a De onderzoeken; in BKK-zones 1 en 2 volstaat in de meeste gevallen een vooronderzoek, in BKK-zones 3 tot en met 7 en in niet-gezoneerde gebieden (vanwege te weinig gegevens) is dit naast een vooronderzoek ook altijd een verkennend onderzoek conform de ARVO24; b De keuze voor een van de saneringsaanpakken, afdekken of verwijderen, of een combinatie hiervan; c Bij de saneringsaanpak “afdekken” een omschrijving van de saneringsaanpak, waaronder in ieder geval: – het type afdeklaag; – de situering van de afdeklaag aangeduid op een kaart en op een dwarsprofiel; – als grond wordt herschikt: de hoeveelheid grond die ten hoogste wordt afgevoerd of herschikt in m3; – als grond wordt herschikt: de situering van de herschikte grond op een kaart. d Bij de saneringsaanpak “verwijderen” een omschrijving van de saneringsaanpak, waaronder in ieder geval: – gegevens over de ontgraving aangeduid op een kaart en op een dwarsprofiel; – het bodemvolume waarin de werkzaamheden plaats vinden; – de hoeveelheid af te voeren grond per kwaliteitsklasse als bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit (gewijzigd) in m3; – een aanduiding van de waarde voor de terugsaneer waarde. e Als de bodem is verontreinigd met vluchtige stoffen: een omschrijving van de maatregelen om uitdamping van vluchtige stoffen tegen te gaan; f Als afvalwater wordt geloosd: de lozingsroutes.
Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit worden aan het bevoegd gezag in het kader van de informa tieplicht ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a De begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht (aangeduid op een kaart); en b De verwachte datum van het begin van de activiteit. Aan de informatieplicht kan gelijktijdig worden voldaan met de meldingsplicht.
4.3 Informatieplicht één week van tevoren Ten minste een week voor het begin van de activiteit worden aan het bevoegd gezag de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a De naam en het adres van degene die de werkzaamhe den gaat verrichten; en b De naam en het adres van de onderneming die de milieukundige begeleiding gaat verrichten; en c De naam van de natuurlijke persoon die de milieukundi ge begeleiding gaat verrichten. Aan de hand van deze gegevens kan het bevoegd gezag controleren of de uitvoering van de sanering en de milieukundige begeleiding worden gedaan door een onder neming met een erkenning bodemkwaliteit. Het saneren van de bodem wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000. Voor het milieukundig begeleiden moeten zowel de onderneming als de milieukundig begeleider een erkenning voor BRL SIKB 6000 bezitten.
4.4 Melden van wijzigingen De initiatiefnemer blijft zowel voorafgaand als tijdens de uitvoering van de bodemsanering verantwoordelijk voor de actualiteitswaarde van de melding. De initiatiefnemer is verplicht om wijzigingen op de melding opnieuw te melden ten minste een week voor het begin van de (gewijzigde) activiteit. Dat kan bijvoorbeeld gaan om het wijzigen van de saneringsaanpak. Als de wijziging niet wordt gemeld is de uitvoering van de MBA op de gewijzigde manier niet toegestaan. Na een week mag de activiteit in overeenstemming met de gemelde wijzigingen worden uitgevoerd. Die periode geeft het bevoegd gezag voldoende mogelijkheid om te contro leren of de wijziging van de melding in overeenstemming is met de algemene regels van het Bal en van toepassing zijnde maatwerkregels uit het omgevingsplan. Een risicogestuurde handhaving is dan mogelijk. Als zich tijdens de sanering onvoorziene omstandigheden voordoen die leiden tot een wijziging van de in de melding verstrekte gegevens, moeten deze wijzigingen aan het bevoegd gezag worden gemeld. In die situatie is het niet altijd mogelijk om een week te wachten voordat de activiteit
24 Als sprake is van de saneringsaanpak ‘afdekken’ waarbij alleen de stofgroepen metalen, overige anorganische stoffen, PAK, organochloorbestrijdingsmiddelen, minerale olie en asbest aan de orde zijn, kan een nader onderzoek achterwege blijven.
54
|
Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024
kan worden voortgezet en kan in overleg met het bevoegd gezag de activiteit eerder worden voortgezet. Bijvoorbeeld als tijdens de sanering uit de controlemonsters blijkt dat de verontreiniging omvangrijker is, waardoor de maximale hoeveelheid te ontgraven grond groter wordt. Welke wijziging van een melding doorgegeven moet worden, hangt af van de soort wijziging en de mate van afwijking. Niet alle details hoeven gemeld te worden, maar in het algemeen moet een afwijking van meer dan 10 procent van het volume, de diepte of de omvang (maaiveldcontour) van de ontgraving doorgegeven worden. Bij twijfel over de noodzaak om een bepaalde afwijking door te geven, is het raadzaam af te stemmen met het bevoegd gezag. In ieder geval dienen alle wijzigingen bijgehouden te worden door de milieukundig begeleider en na de uitvoering verwerkt te worden in het evaluatieverslag.
4.5 Standaardaanpakken Het Bal kent twee standaardaanpakken om de bodem geschikt te maken voor de (toekomstige) functie: Standaardaanpak afdekken van de verontreiniging De saneringsaanpak afdekken is het aanbrengen van een afdeklaag die voorkomt dat mensen worden blootgesteld aan verontreiniging op of in de bodem bij het dagelijks gebruik van de bodem. De afdeklaag bestaat uit: a Een duurzaam aaneengesloten verhardingslaag; of b Een laag grond of baggerspecie met een minimale dikte van 1,0 meter en met een kwaliteit in overeenstemming met de toepassingseis voor de locatie. Dit wordt ook wel aangeduid als leeflaag. Duurzaam aaneengesloten verhardingslaag Aan een duurzaam aaneengesloten verhardingslaag wordt in ieder geval voldaan als de verhardingslaag bestaat uit beton, asfalt, asfaltbeton, stelconplaten of bestrating met klinkers of tegels. Hiermee wordt de verontreiniging zodanig geïsoleerd, dat er geen blootstelling aan de verontreinigingen mogelijk is. Bij verhardingsconstructies met stelconplaten of bestrating met klinkers of tegels moeten het aaneengesloten oppervlakten van deze materialen zijn om te kunnen spreken van een duurzame afdeklaag. Leeflaag Bij het aanbrengen van een leeflaag wordt standaard een minimale dikte van 1,0 meter voorgeschreven. Een dikte
55
|
Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024
van minder dan 1,0 meter kan, als daar steekhoudende argumenten voor zijn, in een maatwerkvoorschrift worden toegestaan. Zo kan bijvoorbeeld in laaggelegen polders, waar het grondwater reikt tot enkele decimeters onder het bestaande maaiveld, in een maatwerkvoorschrift een minimumdikte van 0,50 meter worden toegestaan. Het is vanuit milieuhygiënisch oogpunt natuurlijk altijd toegestaan om een dikkere laag dan de standaarddikte aan te brengen. Zie verder paragraaf 4.6. De kwaliteitseis voor de leeflaag en aanvulgrond in de contactzone is gelijkgetrokken met de toepassingseis voor de locatie, die volgt uit de regels voor het toepassen van grond en baggerspecie (zie Tabel 4.1 en tevens Tabel 6.1 in hoofdstuk 6 van dit beleidskader). Tussen de grond in de leeflaag en de onderliggende verontrei nigde bodem, wordt als regel een signaallaag aangebracht, om te waarschuwen voor de verontreiniging die zich onder de leeflaag bevindt. Aan de aard van de signaallaag zijn geen specifieke eisen gesteld. Er moet echter wel naar gestreefd worden om deze signaallaag met natuurlijke materialen (zo min mogelijk plastics) aan te leggen, bijvoorbeeld met wit zand. Als de leeflaag visueel sterk afwijkt van de onderliggen de bodem is een signaallaag overbodig. Het is in principe niet toegestaan om bij een nieuwe ver ontreiniging (veroorzaakt na 1986) te kiezen voor de sane ringsaanpak afdekken.
Het uitgangspunt is immers om een nieuwe verontreiniging zoveel mogelijk te verwijderen. Met een maatwerkvoorschrift kan hiervan worden afgeweken, bijvoorbeeld als de eigenaar van de locatie niet de veroorzaker is (bijvoorbeeld bij dumping van drugsafval). Een melding van de kwaliteit van de grond die wordt gebruikt als afdeklaag of aanvulgrond, vindt plaats bij de MBA toepassen. Herschikken bij saneren Onder herschikken wordt verstaan het verplaatsen van verontreinigde grond van het ene deel van de saneringslo catie naar een ander deel van diezelfde saneringslocatie. Er kan bijvoorbeeld op de ene plaats grond wordt weggegraven (bijvoorbeeld voor de aanleg van een leeflaag), terwijl op een andere plaats binnen de locatie juist weer ruimte is om onder de afdeklaag grond kwijt te kunnen. Herschikken is alleen toegestaan op dat deel van de locatie waar een afdeklaag wordt aangebracht, om te voorkomen dat bij toekomstig gebruik contactmogelijkheden ontstaan met de verontreinig de grond die is herschikt.
Tabel 4.1 Terugsaneerwaarden Bodemfunctieklasse
Landbouw/natuur
Wonen
BKK-zone
Landbouw, natuur, moestuinen/ volkstuinen
Woningen met tuin School/kinderdagverblijf met buitenruimte
Overige woonfuncties (o.a. winkels)
Bebouwing (o.a. woning zonder tuin, bedrijfsgebouw)
1
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
2
Landbouw/natuur
Wonen (lood max 100 mg/kg)
Wonen
Wonen
3
Landbouw/natuur
Wonen (lood max 100 mg/kg)
Wonen
Industrie
4
Landbouw/natuur
Wonen (lood max 100 mg/kg)
Wonen
Industrie
5
Landbouw/natuur
Wonen (lood max 100 mg/kg)
Wonen
Industrie
6
Landbouw/natuur
Wonen (lood max 100 mg/kg)
Wonen
Industrie
7
Landbouw/natuur
Wonen (lood max 100 mg/kg)
Wonen
Industrie
Nadere aanduiding
Industrie
Herschikken mag niet leiden tot vermindering van de bodemkwaliteit. Het stand-still-beginsel25 geldt bij saneren op stofniveau, behalve voor stoffen binnen de oudstedelijke ophooglaag. Grond verontreinigd met mobiele26 stoffen boven de interventiewaarde mag niet worden herschikt onder een afdeklaag. Tevens mag grond verontreinigd met PFAS niet worden herschikt onder een afdeklaag als een of meer van de volgende waarden worden overschreden (zonder bodem typecorrectie): • 59 µg/kg bij PFOS of overige PFAS; of • 60 µg/kg bij PFOA of een mengsel van PFAS. Herschikken mag niet leiden tot verontreiniging van de leeflaag.
wordt aangevoerd (zie Tabel 6.1 van dit beleidskader). De bodemkwaliteit die met de sanering wordt gerealiseerd, is dus per gebied verschillend en wordt bepaald door de zone waarin de locatie ligt en de functie die aan het gebied is toegekend.
Standaardaanpak verwijderen van de verontreiniging
Saneringsaanpak bij vluchtige stoffen in de bodem bij bouwen bodemgevoelig gebouw
Verwijderen van de verontreiniging van de bodem vindt plaats door het ontgraven van verontreinigde grond, al dan niet met het onttrekken van grondwater voor het verlagen van de grondwaterstand ter plaatse.
Vluchtige stoffen zijn bijvoorbeeld vluchtige aromaten (benzeen, tolueen, ethylbenzeen en xylenen) en vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen, die zowel in de vaste bodem als in het grondwater kunnen voorkomen. Als uit het bodemonderzoek bij de aanvraag voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor een bodem gevoelig gebouw blijkt dat sprake is van vluchtige stoffen > Interventiewaarde, dan moet gekozen worden voor de saneringsaanpak verwijderen. De initiatiefnemer kan met een berekening (module ConCrit, ontwikkeld door het RIVM voor bepaling van de risico’s bij gevoelig gebruik van de bodem zoals wonen met tuin, RisicotoolboxBodem.nl) aantonen dat de Toxicologische Toelaatbare Concentratie in Lucht
Te realiseren bodemkwaliteit (terugsaneerwaarden) Ontgraving vindt plaats tot het concentratieniveau voor stoffen in de bodem, dat met de sanering moet worden gerealiseerd. Als bijvoorbeeld alleen zink boven het concen tratieniveau zit, vindt alleen voor zink afgraving plaats tot het juiste kwaliteitsniveau. De te realiseren concentratieniveaus vloeien voort uit de terugsaneerwaarden. Deze komen overeen met de toepassingseisen voor grond die van elders
Combinaties van verwijderen en afdekken Het staat de initiatiefnemer vrij om te kiezen welke standaardaanpak hij toepast, behalve op locaties waar de saneringsaanpak verwijderen is voorgeschreven met het oog op verwijderen van mobiele bronnen in de vaste bodem. Een combinatie van beide saneringsaanpakken is ook mogelijk (op het ene terreindeel de verontreiniging verwijderen, op het andere deel afdekken met bijvoorbeeld een leeflaag).
25 Het stand-still-beginsel houdt in dat de bodemkwaliteit als gevolg van menselijk handelen niet mag verslechteren. 26 Een stof is mobiel als uit grondwateronderzoek blijkt dat de signaleringsparameters, zoals bedoeld in bijlage Vd bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, worden overschreden.
56
|
Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024
(TCL-waarde, in μg per m3 lucht zoals opgenomen bijlage XIIIb van het Bkl) niet wordt overschreden. Als dit het geval is, dan kan de initiatiefnemer met een maatwerkvoorschrift toe stemming vragen om van de saneringsaanpak verwijderen te mogen afzien. Wordt de TCL-waarde echter overschreden, dan is bronverwijdering verplicht. Indien verwijdering (redelijkerwijs) niet (geheel) mogelijk is, bijvoorbeeld door fysieke beletsels in de bodem of wanneer de verontreiniging op grote diepte zit, kan het nodig zijn om maatregelen te nemen om risico’s te voorkomen, die het gevolg zijn van blootstelling aan uitdamping van vluchtige stoffen of verbindingen vanuit de vaste bodem en het grondwater. Voorbeelden van maatregelen die kunnen worden getroffen om risico’s als gevolg van blootstelling te voorkomen: a Aanbrengen van voldoende ventilatievoorzieningen in het gebouw; of b Aanbrengen van een dampdichte laag.
Het bevoegd gezag kan ook op eigen initiatief (ambtshalve) een maatwerkvoorschrift opleggen als daar een noodzaak voor is. Als een initiatiefnemer een verzoek doet voor een maat werkvoorschrift, dan geldt hiervoor een beslistermijn van acht weken. Als het bevoegd gezag daarentegen besluit om ambtshalve een maatwerkvoorschrift op te leggen, zal dit in principe binnen de termijn van vier weken gebeuren. Hiervan kan worden afgeweken als er bijvoorbeeld een maatwerkvoorschrift wordt opgelegd ter nadere invulling van de specifieke zorgplicht in artikel 2.11 Bal. Het afwijken van een standaardsaneringsaanpak zal altijd leiden tot een vorm van registratie/nazorg/gebruiks beperking. Als een tuin bijvoorbeeld niet of minder wordt gesaneerd omdat deze niet als moestuin wordt gebruikt, zal dit leiden tot een gebruiksbeperking etc.
Deze maatregelen worden vastgelegd in een maatwerk voorschrift, dat bij het Kadaster wordt geregistreerd. Ter controle worden binnenluchtmetingen uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek naar de binnenlucht kwaliteit worden getoetst aan de TCL-waarde, de resultaten van het binnenluchtonderzoek zijn onderdeel van het evaluatieverslag.
In situ-saneringen Het is mogelijk een andere saneringstechniek te kiezen dan de standaard-aanpakken verwijderen van een veront reiniging door middel van ontgraving of het aanbrengen van een afdeklaag. In-situ saneringen kunnen worden uitgevoerd na een positief besluit op een verzoek om een maatwerkvoorschrift bij een melding van een voorgenomen sanering onder paragraaf 4.121 van het Bal of als onderdeel van een grondwatersanering.
4.6 Afwijken van de standaardaanpak
4.7 Lozen van grondwater bij saneren
Het is mogelijk om een verzoek in te dienen om af te wijken van de standaardsaneringsaanpak en de bijbehorende standaard terugsaneerwaarden. In ieder geval mag er geen sprake zijn van een ‘onaanvaardbaar gezondheidsrisico’. Dit wordt onderbouwd door een toetsing met de risico toolboxbodem (RisicotoolboxBodem.nl). Over het toetsingskader van de gemeente Amsterdam bij afwijkingen van de standaardterugsaneerwaarden staat meer in paragraaf 8.3 ‘Waarde toelaatbare kwaliteit bodem’.
Het lozen van grondwater bij saneren kan aan de orde zijn bij: • Onderzoek voorafgaand aan saneren van de bodem; • Onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering; • Saneren van de bodem of het grondwater;
Een initiatiefnemer kan het bevoegd gezag verzoeken de afwijkende saneringsaanpak toe te staan. De juiste vorm voor dit verzoek is een maatwerkverzoek (voor bijvoorbeeld een afwijkende techniek of een andere leeflaagdikte dan de standaarddikte van 1,0 meter) of een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (voor bijvoorbeeld een andere terugsaneerwaarde). Een dergelijk verzoek zal vaak samen gaan met het voornemen een ‘bodemgevoelige locatie’ te realiseren (zie paragraaf 8.2).
57
|
Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024
Onderzoek voorafgaand aan saneren van de bodem Bij een onderzoek als bedoeld in paragraaf 5.2.2 Bal in combinatie met de milieubelastende activiteit saneren van de bodem (paragraaf 4.121 Bal) kan grondwater vrijkomen. Lozing van dit afvalwater is geregeld in artikel 5.7f Bal: op het vuilwaterriool, tenzij via een maatwerkvoorschrift een andere lozingsroute is toegestaan. Onderzoek voorafgaand aan een grondwater sanering Grondwater dat vrijkomt bij onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering mag op grond van het omgevingsplan onder voorwaarden op of in de bodem of op het schoonwa terriool worden geloosd.
Grondwater dat vrijkomt bij onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering mag op grond van de water schapsverordening onder voorwaarden op het regionale oppervlaktewater worden geloosd. Zie verder onder het kopje ‘Lozen van grondwater bij saneren van de bodem of het grondwater’. Het lozen op rijkswater of de Noordzee is geregeld in de hoofdstukken 6 en 7 Bal. Het is verboden om grondwater dat vrijkomt bij onderzoek voorafgaand aan een grondwater sanering op rijkswater of de Noordzee te lozen. Lozen van grondwater bij saneren van de bodem of het grondwater Saneren van de bodem is geregeld in paragraaf 4.121 Bal. Grondwatersanering is van deze activiteit uitgezonderd. Bij saneren van de bodem kan grondwater vrijkomen bij bemaling. Het Bal bevat de verplichting om de lozingsroute aan te geven in de melding voor het saneren van de bodem. Het Bal bevat regels over lozen bij saneren op rijkswateren (hoofdstuk 6) of de Noordzee (hoofdstuk 7). Verder is het lozen bij saneren van de bodem geregeld in het omgevings plan of de waterschapsverordening. Bij een grondwatersanering kan ook grondwater vrijkomen. Door de provincie Noord-Holland zijn geen regels gesteld over grondwatersanering of het lozen daarbij. Het lozen bij een grondwatersanering is geregeld in het omgevingsplan of de waterschapsverordening.
Grondwater dat vrijkomt bij het bemalen vanwege saneren van de bodem of een grondwatersanering (inclusief onderzoek voorafgaand aan grondwatersanering) mag op grond van het omgevingsplan op of in de bodem of het schoonwaterriool worden geloosd, mits aan bepaalde emissiewaarden wordt voldaan. Voor het lozen op of in de bodem zijn de emissiegrens waarden de waarden zoals bedoeld in bijlage XIX van het Bkl, gemeten in een steekmonster.
Voor het lozen op een schoonwaterriool zijn de emissie grenswaarden de waarden zoals opgenomen in het omgevingsplan, gemeten in een steekmonster. Er wordt bij het lozen op een riool een zandvanger (bezinkinstallatie) gebruikt. Het grondwater wordt niet geloosd in een vuilwaterriool. Grondwater dat vrijkomt bij het bemalen vanwege de activiteit saneren van de bodem of een grondwatersanering (inclusief onderzoek voorafgaand aan grondwatersanering) mag op grond van de waterschapsverordening worden geloosd op een regionaal oppervlaktewater, mits aan bepaalde emissiewaarden wordt voldaan. De emissiewaarden verschillen voor een aangewezen of niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam. Grondwater dat vrijkomt bij het bemalen vanwege de activiteit saneren van de bodem of een grondwatersanering (inclusief onderzoek voorafgaand aan grondwatersanering) mag op grond van paragraaf 6.2.7.5 en paragraaf 7.2.7.5 van het Bal worden geloosd op rijkswateren of de Noordzee, mits aan bepaalde emissiewaarden wordt voldaan. Dezelfde regels gelden voor lozen op rijkswateren of de Noordzee bij graven in de bodem. Bevoegd gezag Als er afvalwater vrijkomt bij de milieubelastende activiteit saneren, bepaalt de lozingsroute wie bevoegd gezag is voor deze lozing. Er zijn 4 lozingsroutes. Tabel 4.2 laat zien wie bevoegd gezag is voor welke lozingsroute.
Als een bepaalde (andere) lozingsroute gewenst is, is het aan het bevoegd gezag om hier regels over op te stellen. Hierbij sluit het bevoegd gezag aan bij de voorkeursvolgorde voor het omgaan met afvalwater. Ook stemt het bevoegd gezag van deze lozingsroute zo nodig af met andere bestuursorganen.
Tabel 4.2 Lozingsroutes na onttrekking van grondwater bij saneren Lozingsroute op
Bevoegd gezag
Soort activiteit
Regels in
Rijkswateren en Noordzee
Waterbeheerder (Rijkswaterstaat)
Wateractiviteit
Besluit activiteiten leefomgeving (Hoofdstukken 6 en 7 Bal)
Regionale wateren
Waterbeheerder (Waterschap)
Wateractiviteit
Waterschapsverordening
Riool
Gemeente
Milieubelastende activiteit
Omgevingsplan
Op of in de bodem (ook bij lozing > 10 m diep)
Gemeente
Milieubelastende activiteit
Omgevingsplan
58
|
Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024
Informatieplicht Voor het lozen bij saneren geldt in het omgevingsplan en de waterschapsverordening een informatieplicht. Ten minste vier weken van tevoren worden aan het college van burge meester en wethouders of het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over: • De aard en omvang van de lozing; en • De verwachte datum van het begin van de activiteit. Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders of aan het dagelijks bestuur van het waterschap. Meldingsplicht Voor het lozen op rijkswater geldt een meldingsplicht (in combinatie met een informatieplicht).
4.8 Informeren achteraf (evaluatieverslag) Na afloop van het verwijderen van de verontreiniging beschrijft de milieukundig begeleider het eindresultaat van de sanering en controleert hij of het resultaat van de sanering overeenkomt met de gestelde saneringsdoelstelling. Hieronder vallen onder andere de controlebemonstering van putbodems en putwanden (bij saneringsaanpak verwijderen) en het vaststellen of de leeflaag voldoende dik is (bij saneringsaanpak afdekken). Wanneer bijvoorbeeld blijkt dat de kwaliteit van de putbodem of putwanden voor de te saneren parameters niet overeenkomen met het te bereiken niveau, wordt aanvullend gesaneerd. Ten hoogste vier weken na het beëindigen van de milieu belastende activiteit saneren wordt aan het bevoegd gezag een evaluatieverslag verstrekt volgens BRL 6000, dat in ieder geval de volgende gegevens bevat: a De resultaten van de milieukundige begeleiding, bestaan de uit het onderdeel processturing met daarbij in ieder geval een opsomming van bijzondere omstandigheden die zich hebben voorgedaan tijdens het saneren van de bodem; en b De resultaten van de milieukundige begeleiding, bestaande uit het onderdeel verificatie van het eindresultaat van de saneringsaanpak.
Bij aanwezigheid van verontreinigingen met vluchtige stoffen in de bodem wordt ook een onderzoek overlegd dat aantoont dat de kwaliteit van de binnenlucht in een bodemgevoelig gebouw met de genomen maatregelen
59
|
Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024
tegen uitdampen voldoet aan de Toxicologische Toelaatbare Concentratie in Lucht (TCL) in microgram per kubieke meter lucht zoals opgenomen in bijlage XIIIb van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Dit onderzoek voldoet aan RIVMrapport 711701048/2007, Richtlijn voor luchtmetingen voor de risicobeoordeling van bodemverontreiniging [Lit. 20]. Als er sprake is van gebruiksbeperkingen of nazorg worden ook gegevens en bescheiden verstrekt over: a De gebruiksbeperkingen die wenselijk zijn ter bescher ming van de gezondheid; en b Een voorstel voor de nazorgmaatregelen als bedoeld in paragraaf 5.1.4.5.2 van het Bkl, zoals het in stand houden en onderhouden van een afdeklaag. Het bevoegd gezag hoeft niet op het evaluatieverslag te reageren. Mocht echter uit het evaluatieverslag blijken dat niet (geheel) volgens het Bal en/of maatwerkregels/ voorschriften gesaneerd is, dan kan het bevoegd gezag handhavend optreden op grond van de inhoudelijke artikelen uit het Bal of op grond van het omgevingsplan en/of de maatwerkvoorschriften. Het evaluatieverslag is met name van belang als de sanering plaatsvindt in samenhang met bouwen en er enige tijd zit tussen de afronding van de sanering en de start van het bouwen (bijvoorbeeld bij bedrijfsbeëindiging en doorverkoop).
Een goedkeuring op een evaluatieverslag zoals onder de Wet bodembescherming gebruikelijk was, past echter niet in de systematiek van de Omgevingswet. De gemeente Amsterdam heeft ervoor gekozen om de melder te informeren dat, afgaande op de gegevens van het evaluatieverslag, aan de saneringsplicht is voldaan.
4.9 Lokale invulling bij MBA saneren van de bodem De gemeente Amsterdam heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid om maatwerkregels op de rijksregels uit het Bal vast te stellen voor enkele onderwerpen. Ook is al bestaand beleid omgezet naar beleid en beleidsregels onder de Omgevingswet. De lokale invulling voor de MBA Saneren wordt weergegeven in onderstaand kader. De hierna genoemde regels worden in het omgevingsplan opgenomen via een voorbereidingsbesluit dat gelijk in werking treedt met de Omgevingswet.
Maatwerkregels in omgevingsplan op rijksregels uit het Bal
Artikel waarop de maatwerkregel betrekking heeft
Bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw is de saneringsaanpak verwijderen verplicht bij verontreiniging met vluchtige stoffen boven de waarde toelaatbare kwaliteit bodem ter plaatse van het gebouw, behalve als dit redelijkerwijs niet kan worden gevraagd. .
4.1240 in samenhang met 4.1242 Bal
Het is niet toegestaan grond verontreinigd met mobiele stoffen boven de interventiewaarde en/of een drijflaag te herschikken onder de afdeklaag.afdeklaag.
4.1241 lid 5 Bal
Het is niet toegestaan om grond verontreinigd met PFAS te herschikken onder een afdeklaag als een of meer van de volgende waarden worden overschreden (zonder bodemtypecorrectie): 59 µg/kg bij PFOS of overige PFAS; of 60 µg/kg bij PFOA of een mengsel van PFAS.
4.1241 lid 5 Bal
De kwaliteitseis voor de leeflaag en aanvulgrond in de contactzone hangt af van de toepassingseis voor de locatie, die volgt uit de regels voor de MBA Toepassen van grond en baggerspecie (dubbele toets op kwaliteit ontvangende bodem en de functie). Als het gebiedsspecifieke beleid in het tijdelijk deel van het omgevingsplan op de locatie van toepassing is, geldt de gebiedsspecifieke waarde als terugsaneerwaarde.
4.1242 lid 2 Bal
Beleidsregels
Artikel waarop de maatwerkregel betrekking heeft
De Amsterdamse Richtlijn voor bodemonderzoek (ARVO) is een nadere invulling van de NEN-nor men voor voorafgaand onderzoek. Ter informatie: dit is een zelfstandige beleidsregel.
4.1239 Bal in samenhang met paragraaf 5.2.2 Bal (voorafgaand bodemonderzoek)
Herschikken mag niet leiden tot vermindering van de bodemkwaliteit. Het stand-still beginsel geldt bij saneren op stofniveau, behalve voor stoffen binnen de oudstedelijke ophooglaag. Stand-still betekent ook dat geen sterke verontreiniging op een niet-sterk verontreinigde onderlaag mag worden aangebracht.
4.1241 lid 5 Bal
4.10 Nazorg na saneren van de bodem en bij een toevalsvondst bodem Ook onder de Omgevingswet is het belangrijk dat leeflagen of verhardingslagen die als saneringsmaatregel zijn aangebracht in stand worden gehouden en dat gebruiksbeperkingen in acht worden genomen. Door een bedoelde of onbedoelde handeling, kan het resultaat van een bodemsanering ongedaan gemaakt worden, waardoor bij het dagelijkse gebruik van de locatie blootstelling aan de verontreinigde bodem kan ontstaan. Nazorgmaatregelen kunnen bestaan uit het herstellen van de afdeklaag als deze bijvoorbeeld door werkzaamheden op de locatie beschadigd is geraakt of als deze een te geringe dikte heeft gekregen. In het omgevingsplan is bepaald, dat de eigenaar of erf pachter verplicht is om de volgende maatregelen in stand te houden, te onderhouden of te vervangen: a Een afdeklaag die is aangebracht op grond van artikel 4.1241 van het Bal, het omgevingsplan, een omgevings vergunning of een maatwerkvoorschrift; b Maatregelen die de bron niet wegnemen maar de blootstellingsroute blokkeren, in verband met een toevalsvondst als bedoeld in artikel 19.9a van de wet.
60
|
Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024
Nazorgverplichtingen en gebruiksbeperkingen die reeds golden voor ingang van de Omgevingswet (op basis van het voormalige Besluit uniforme saneringen (BUS) en de Wet bodembescherming) vallen onder het overgangsrecht. Nazorgmaatregelen en gebruiksbeperkingen na saneren op grond van het Bal worden met een maatwerkvoorschrift vastgelegd. Dit kunnen bijvoorbeeld maatregelen tegen uitdamping zijn, de uitvoering van een grondwatermonito ring, het plaatsen van een damwand of het aanbrengen van een afdeklaag. Het maatwerkvoorschrift is een beperkingen besluit dat wordt geregistreerd op grond van de Wkpb in de basisregistratie kadaster (BRK). In de omgevingsvergunning voor bouwen worden geen nazorgmaatregelen of gebruiksbeperkingen opgenomen. Het maatwerkvoorschrift na afloop van de sanering (nadat het evaluatieverslag van de MBA Saneren is ingediend) voorziet in de maatregelen. De nazorgmaatregelen en gebruiksbeperkingen worden met een zorgcontour geregistreerd in het bodeminformatie systeem (BIS Nazca).
5 MILIEUBELASTENDE ACTIVITEIT OPSLAAN VAN GROND OF BAGGERSPECIE Wettelijk kader: De milieubelastende activiteit (bedrijfstakoverstijgend) ‘Opslaan van grond of baggerspecie’ is te vinden onder paragraaf 3.2.24 (artikelen 3.48j, k en l); de inhoudelijke regels van ‘Opslaan, zeven, mechanisch ontwateren en scheiden van zonder bewerking herbruikbare grond of baggerspecie’ zijn te vinden onder paragraaf 4.122 (artikelen 4.1247 tot en met 4.1256) van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).
5.1 Opslaan van grond of baggerspecie Dit hoofdstuk behandelt het opslaan van grond en bag gerspecie op een andere locatie dan op de locatie waar deze grond en baggerspecie ontgraven is. Opslag van grond en baggerspecie komt in Nederland regelmatig voor. Binnen iedere gemeente bevinden zich meerdere opslaglocaties zoals grondbanken, loonwerkbedrijven, hoveniers, gemeentelijke milieustraten en baggerdepots. Het ‘opslaan’ is per definitie tijdelijk: opslaan op landbodem maximaal drie jaar en opslaan in een oppervlaktewaterlichaam maximaal tien jaar. Deze opslag is in afwachting van een ander doel, zoals vervoeren, toepassen of verwerken. Onder de MBA opslaan van grond of baggerspecie wordt verstaan: • Het in voorraad hebben van grond of baggerspecie om later te vervoeren, toe te passen of te verwerken; • Het laden, lossen en het overladen van het ene naar het andere transportmiddel; • Het zeven of samenvoegen van grond bij het opslaan; • Het zeven, mechanisch ontwateren en samenvoegen van baggerspecie bij het opslaan. Bij het opslaan van baggerspecie vindt rijping plaats en zakken de vaste delen uit, waardoor boven de baggerspecie water komt te staan. Dit wordt ook wel passief ontwateren genoemd en is onderdeel van het opslaan, en valt dus ook onder de activiteit.
61
|
Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024
Wat valt niet onder de MBA opslaan van grond of bag gerspecie: • Het opslaan van grond op de graaflocatie (maximaal 8 weken), dit valt onder de MBA Graven; • Het opslaan van bagger op de baggerlocatie (weiland depot), dit valt onder de MBA Toepassen van grond of baggerspecie; • Het op of in de bodem brengen van grond of baggerspecie om het daar te laten. Dit is geen opslag maar valt onder: – Storten op een stortplaats; – Op of in de bodem brengen buiten een stortplaats; – Toepassen van grond of baggerspecie in andere gevallen. Voor baggerspecie betekent dit dat alleen het opslaan in doorgangsdepots onder de MBA opslaan valt. In andere gevallen is sprake van toepassen (via weilanddepot) of storten. MBA’s grondbank en grondreinigingsbedrijf Als er sprake is van meerdere partijen ingezamelde of afgegeven grond of baggerspecie, dan is tevens sprake van de MBA grondbank. Als er sprake is van het bewerken van grond of baggerspecie, anders dan zeven, samenvoegen en mechanisch ontwateren, dan is tevens sprake van de MBA grondreinigingsbedrijf. De MBA’s grondbank en grondreinigingsbedrijf zijn aange wezen in paragraaf 3.5.8 van het Bal. In sommige gevallen kunnen dit complexe bedrijven zijn als bedoeld in paragraaf 3.3 Bal.
Eén set regels voor het opslaan van grond of baggerspecie De regels voor tijdelijke opslag waren opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit, de regels voor opslag binnen inrichtingen werden geregeld in het Activiteitenbesluit. Hiervoor in de plaats komt één set regels die geldt voor alle activiteiten die onder deze MBA opslaan van grond of baggerspecie vallen: opslaan bij werken (langer dan 8 weken), bij grondbanken, bij gemeentewerven en onderhoudssteun punten van provincie of Rijkswaterstaat, maar ook bij bedrijven in de grond-, weg- en waterbouw en bij opslag- en transportbedrijven.
Voor de MBA opslaan van grond of baggerspecie gelden de volgende algemene regels: • Opslaan van grond of baggerspecie, die zonder bewerking herbruikbaar is: paragraaf 4.122 Bal (zie paragraaf 5.2); en • Ontvangen van afvalstoffen paragraaf 4.50 Bal (tenzij de activiteit vergunningplichtig is).
5.2 Opslaan, zeven, mechanisch ontwateren en samenvoegen van grond of baggerspecie die zonder bewerking herbruikbaar is Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan, zeven en samenvoegen van niet-verontreinigde grond of grond van kwaliteitsklasse landbouw/natuur, wonen of industrie en het opslaan zeven, mechanisch ontwateren en samenvoegen van niet, licht en matig verontreinigde baggerspecie. Deze grond of baggerspecie is herbruikbaar zonder dat deze verder bewerkt hoeft te worden. Het storten van deze grond en baggerspecie is verboden. Het opslaan van deze grond of baggerspecie, dat vooraf gaat aan een nuttige toepassing (ook indien er sprake is van een afvalstof) is daarom in het Bal gereguleerd met algemene regels (paragraaf 4.122 Bal). Zie voor een overzicht van de regels het schema Tabel 5.1.
Meldplicht Ten minste vier weken vóór de start van de (niet vergunning plichtige) activiteit wordt een melding aan het bevoegd gezag gedaan onder overlegging van gegevens: • Kwaliteitsklasse grond/baggerspecie; • Of partijen worden samengevoegd en zo ja, tot een partij van > 25 m3 of niet; • Kwaliteitsklassen van de samen te voegen partijen; • Als afvalwater wordt geloosd: lozingsroutes en debiet. Bij een wijziging, dus wanneer de activiteit op een andere manier wordt verricht dan in overeenstemming met de gegevens die bij de melding zijn gevoegd, moet er opnieuw een melding worden gedaan. De termijn van vier weken gaat dan opnieuw lopen. Bij eenmalige opslag van één partij grond of baggerspecie geldt een termijn van 1 week. Er geldt geen meldplicht als het opslaan vergunningplichtig is. Administratie van partijen grond of baggerspecie (art. 4.1249 Bal) Er wordt een administratie bijgehouden van de opgeslagen partijen. Per partij wordt geregistreerd: a De herkomst; b De kwaliteitsklasse, zoals bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit; c De kwaliteitsverklaringen; d De plaats van opslag; e De hoeveelheid; en f De aanvangsdatum van de opslag.
Tabel 5.1 Regels voor opslaan van grond en baggerspecie Grond en baggerspecie zonder bewerking herbruikbaar
Grond (matig) en baggerspecie sterk verontreinigd
Kwaliteitsklasse grond
Landbouw/natuur Wonen Industrie
Matig verontreinigd Sterk verontreinigd
Kwaliteitsklasse baggerspecie
Algemeen toepasbaar Licht verontreinigd Matig verontreinigd
Sterk verontreinigd
Herbruikbaar zonder bewerking
Ja
Nee
Vergunningplicht bij opslaan
Nee, wel melding (tenzij uitzondering voor natuurlijk persoon)
Ja
Algemene regels
Paragraaf 4.122 Bal Paragraaf 4.50 Bal (tenzij activiteit vergunningplichtig)
Nee, voorschriften stellen in vergunning
62
|
Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024
Eindonderzoek (art. 4.1250 Bal) Na het opslaan is een eindonderzoek bodem verplicht als het gaat om het opslaan van • Grond van de kwaliteitsklasse wonen of industrie; of • Baggerspecie van de kwaliteitsklasse licht verontreinigd of matig verontreinigd. De initiatiefnemer kan ervoor kiezen om bij het eenmalig opslaan van één partij grond of baggerspecie van tevoren de bodemkwaliteit te onderzoeken. Als de grond ter plaatse van de opslag ook toegepast zou mogen worden (dus schoon of schoner is dan de onderliggende bodem) dan is een veront reiniging niet aannemelijk en kan het eindsituatieonderzoek achterwege blijven. Eisen bij lozing op oppervlaktewaterlichaam (art. 4.1251 tot en met 4.1253 Bal) Het afvalwater dat vrijkomt bij het opslaan van licht of matig verontreinigde baggerspecie wordt verplicht geloosd op het oppervlaktewaterlichaam. Er gelden bij het lozen op een oppervlaktewaterlichaam emis siegrenswaarden voor onopgeloste bestanddelen (100 mg/l) en voor chemisch zuurstofgebruik (CZV) (200 mg/l). Daarnaast zijn er bepaalde meetmethoden voorgeschreven. Termijn van opslaan Om afvalstoffen doelmatig te kunnen beheren, wordt een partij grond of een partij baggerspecie niet langer dan drie jaar opgeslagen. Als grond of baggerspecie langer dan drie jaar wordt opgeslagen, zouden volgens Europees recht de eisen voor het storten van afvalstoffen gaan gelden.
Omdat het storten van deze kwaliteit grond of baggerspecie verboden is, is gekozen voor een verbod op het langer opslaan. Dit betekent dat een partij grond of baggerspecie binnen drie jaar een nuttige toepassing moet krijgen. Een bijzondere situatie kan zich voordoen als de grond of baggerspecie in opslag ligt voor toepassing in een concreet werk, maar de uitvoering van dit werk door overmacht vertraagd wordt. Zolang de nuttige toepassing van de grond of baggerspecie in een specifiek werk geborgd blijft, is het mogelijk om met maatwerk toe te staan dat de grond langer opgeslagen wordt.
63
|
Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024
5.3 Opslaan van matig en sterk veront reinigde grond en sterk verontreinigde baggerspecie Voor het opslaan van matig en sterk verontreinigde grond en sterk verontreinigde baggerspecie, en voor samenhangende bewerkingen hiervan, geldt een vergunningplicht. Ook het opslaan van grond of baggerspecie met onbekende kwaliteit valt onder de vergunningplicht. De vergunningplicht geldt voor: • Opslag grond van kwaliteitsklasse matig of sterk verontreinigd (gehalte > maximale waarde industrie); • Opslag baggerspecie van kwaliteitsklasse sterk verontreinigd (gehalte > interventiewaarde); • Opslag grond of baggerspecie zonder milieuverklaring bodemkwaliteit.
5.4 Bodembeschermende voorzieningen bij opslaan baggerspecie Om verontreiniging van de bodem met bodembedreigende stoffen te voorkomen, wordt baggerspecie van de kwaliteits klasse licht verontreinigd of matig verontreinigd opgeslagen in een met folie beklede grondput, die volledig omringd is door een dijklichaam. Deze bodembeschermende voorziening is nodig, omdat tijdens de rijping van de baggerspecie allerlei componenten naar de ondergrond kunnen uitlogen. De bodembeschermende voorziening kan achterwege blijven als de baggerspecie op de plaats van opslag ook toegepast zou mogen worden (of zou mogen worden verspreid in geval van weilanddepots), want dan is er sprake van een functionele toepassing van baggerspecie.
5.5 Samenvoegen van partijen Samenvoegen van partijen grond of baggerspecie kan effect hebben op de milieuhygiënische kwaliteit van de grond of baggerspecie. Daarom zijn er regels aan samenvoegen gesteld. Verschillende partijen grond of baggerspecie mogen zonder erkenning bodemkwaliteit worden samengevoegd tot een partij van maximaal 25 m3. Deze hoeveelheid is gebaseerd op de omvang van een grote container of vrachtwagen. Door een volumegrens te stellen kunnen bijvoorbeeld gemeente werven kleine hoeveelheden grond van particulieren zonder
erkenning innemen, waarna deze kleine hoeveelheid vervol gens kan worden aangeboden aan een organisatie die deze kleine partijen mag samenvoegen tot grotere partijen. Voor het samenvoegen van partijen grond of baggerspecie van of tot meer dan 25 m3 heeft deze organisatie een erkenning bodemkwaliteit conform BRL 9335 of BRL 7500 nodig. Voor het samenvoegen van zogenaamd ‘primair materiaal’ gelden minder strenge regels: samenvoegen is toegestaan als het gaat om grond van kwaliteitsklasse landbouw/natuur of baggerspecie van de kwaliteitsklasse algemeen toepasbaar als bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit (gewijzigd) en de partijen grond of de partijen baggerspecie zijn voorzien van een erkende kwaliteitsverklaring, overeen komstig BRL 9313 of BRL 9321. Het gaat hierbij om zand uit dynamische wingebieden (primaire winning uit zee) en indus triezand en (gebroken) industriegrind (industriële winning). Een uitzondering op de erkenningsplicht is gerechtvaardigd, omdat er aan het samenvoegen van partijen schoon primair gewonnen materiaal milieuhygiënisch weinig risico’s zitten. Er zijn geen maatwerkregels mogelijk op de erkenningsplicht voor het samenvoegen van partijen. De erkenningsplicht heeft namelijk zijn grondslag in hoofdstuk 11a Wet milieubeheer en dat hoofdstuk kent geen grondslag voor maatwerkregels.
Er zijn evenmin maatwerkregels mogelijk op de voorwaarden dat de partijen van vergelijkbare kwali teitsklasse moeten zijn. Als je met maatwerk zou toestaan dat partijen van verschillende kwaliteitsklasse gezamenlijk opgeslagen mogen worden, dan handel je in strijd met inhoudelijke bepalingen van de BRL 9335 en onderliggend protocol 9335-1 en dat is op grond van art 18 Besluit bodemkwaliteit niet toegestaan.
5.6 Opslaan van grond als voorbelasting (overhoogte) Bij grote infrastructurele werken en het bouwrijp maken van terreinen wordt vaak een extra laag grond (overhoogte) opgebracht om de zetting te versnellen (als voorbelasting). Indien nodig wordt deze laag na de zetting- en klinkperiode verwijderd, maar meestal blijft een deel van de grond definitief liggen. De grond die vrijkomt uit de overhoogte kan, gezien de tijdelijke functionele toepassing (of tijdelijke opslag), opnieuw worden toegepast aan de hand van de originele milieuverklaring bodemkwaliteit. Maar hiervoor gelden de volgende voorwaarden:
64
|
Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024
• Omwille van een goed toezicht op grondstromen mag de partij alleen eenmalig worden verplaatst van de tijdelijke naar de definitieve locatie; dus niet van tijdelijke opslag naar een volgende tijdelijke opslag. Als de grond meer dan 1 keer naar een andere locatie wordt verplaatst vervalt de originele milieuverklaring bodemkwaliteit; • De maximale duur van de tijdelijke opslag/tijdelijke functionele toepassing voorafgaand aan de verplaatsing is 3 jaar en alleen op landbodem; • De originele leverbonnen en milieuverklaringen bodemkwaliteit zijn aanwezig; • De partij is ‘terugneembaar’ opgeslagen (geen vermenging met onderliggende bodem); • Het toepassen van de kwaliteitsklasse is toegestaan op de locatie waar deze partij is opgeslagen; • Partijen van verschillende kwaliteitsklassen zijn gescheiden opgeslagen; • De kwaliteitsklasse van de partij is niet beïnvloed door de omgeving: tijdens de opslag zijn fysieke maatregelen genomen om bijmenging (van andere partijen grond of afvalstoffen) door derden te voorkomen, bijvoorbeeld met een hekwerk of sloot; • De tijdelijke opslag/tijdelijke functionele toepassing wordt gemeld volgens het Bal (MBA Opslaan); • De (gedeeltelijke) definitieve toepassing wordt als afzonderlijke melding ingediend volgens het Bal (MBA Toepassen); • De levering van de eerste tijdelijke functionele toepassing/ opslaglocatie naar de definitieve toepassingslocatie
wordt met begeleidingsbonnen uitgevoerd. Op de bonnen staan de oorspronkelijke partijgegevens (herkomst, omvang, kwaliteitsklasse en de oorspronkelijke milieuverklaring bodemkwaliteit), de opslaglocatie en de bestemmings locatie met naam en toenaam beschreven; • De registratie van deze werkwijze blijft 5 jaar beschikbaar voor controle door het bevoegd gezag; • De initiatiefnemer/eigenaar van de grond is verantwoor delijk voor de onderbouwing dat aan alle voorwaarden is voldaan (bij indiening, tijdens en achteraf). Als niet aan deze voorwaarden wordt voldaan, dan wordt een partijkeuring uitgevoerd voordat deze grond elders kan worden toegepast.
6 MILIEUBELASTENDE ACTIVITEIT TOE PASSEN VAN GROND OF BAGGERSPECIE Wettelijk kader: De milieubelastende activiteit ‘Toepassen van grond en baggerspecie’ (bedrijfstakoverstijgend) is te vinden onder paragraaf 3.2.26 (artikelen 3.48o, p en q); de algemene regels onder paragraaf 4.124 (artikelen 4.1265 tot en met 4.1280) van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).
bijvoorbeeld plastic en piepschuim, mogen alleen sporadisch voorkomen als deze al voorafgaand aan het ontgraven of bewerken in de grond of baggerspecie aanwezig waren en voor zover redelijkerwijs niet kan worden gevergd dat deze materialen uit de grond of baggerspecie worden verwijderd voordat het wordt toegepast.
De instructieregels over het aanwijzen van een bodembeheergebied en het indelen van de landbodem in bodemfunctieklassen staan omschreven in paragraaf 5.1.4.5.3 (artikelen 5.89o en 5.89p) van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
6.1 Generiek kader in Bal met mogelijkheid voor maatwerk
Het toepassen van grond of baggerspecie wordt gezien als een milieubelastende activiteit. De basisregels van het Rijk gaan uit van een functionele toepassing en een functionele hoeveelheid. Zonder functionele toepassing en hoeveelheid is sprake van een afvalstof en gelden andere regels. De grond/baggerspecie hoeft niet terugneembaar te worden toegepast, maar gaat deel uitmaken van de bodem waarop deze wordt toegepast. Bij een grootschalige toepassing (zie paragraaf 6.9) ligt dit anders. Onder deze activiteit vallen niet: • Het toepassen van grond of baggerspecie als die is verwerkt in een product dat als meststof op grond van hoofdstuk III van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet mag worden verhandeld; • Tijdelijk uitnemen van grond of baggerspecie (MBA Graven); • Het onder dezelfde omstandigheden en zonder te zijn bewerkt terugbrengen van baggerspecie op of in de bodem na het tijdelijk uitnemen daarvan (MBA Graven). Bodemvreemd materiaal Voor het toepassen van grond/baggerspecie wordt een beperking gesteld aan de hoeveelheid bodemvreemd materi aal. Toe te passen grond/baggerspecie mag niet meer dan 20 gewichtsprocenten bodemvreemd materiaal bevatten voor zover het steenachtig materiaal of hout betreft (bakstenen, puin enzovoort). Overige bodemvreemde materialen, zoals
65
|
Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024
In het Bal is het generieke kader het uitgangspunt, met mogelijkheid om af te wijken via maatwerkregels. De generieke toepassingseisen voor een ‘standaardtoepas sing’ staan in artikel 4.1272 Bal. Deze eisen bevatten een zogenaamde dubbele toets (zie paragraaf 6.3), waarbij de kwaliteit van de ontvangende bodem en de functieklasse waarin de locatie is ingedeeld bepalend zijn. Ten behoeve van de dubbele toets is een bodemfunctiekaart verplicht. Daarnaast zijn generieke toepassingseisen opgenomen voor grootschalig toepassen, toepassen in een diepe plas en verspreiden van baggerspecie. Hierbij gelden dezelfde rand voorwaarden bij het versoepelen van de toepassingseisen als bij een standaardtoepassing. Ook zijn kwaliteitseisen voor tarragrond opgenomen in het Bal. Gebiedsspecifiek beleid als maatwerkregel Het gebiedsspecifieke toetsingskader dat al onderdeel is van de Nota bodembeheer Amsterdam 2022, is automatisch onderdeel van het “tijdelijk deel omgevingsplan”. Dit toetsingskader wordt uiteindelijk als maatwerkregel opgenomen in het omgevingsplan. In de overgangsfase tot 2032 wordt dit kader dus nog steeds gebruikt bij het afleiden van toepassingseisen. In feite fungeert het gebiedsspecifieke beleid op grond van artikel 44 Bbk (oud) als maatwerkregel Bal op artikel 4.1272 Bal, al heeft het nog niet de juiste juridische vorm.
In artikel 4.1273 Bal zijn de randvoorwaarden genoemd bij het versoepelen van de generieke toepassingseisen. Een voorwaarde bij een versoepeling van de kwaliteitseisen in het Bal is - net als onder het Bbk - het aanwijzen van een bodembeheergebied (zie paragraaf 6.4).
6.2 De bodemfunctiekaart De gemeente Amsterdam heeft volgens een verplichting onder het oude Besluit bodemkwaliteit (art 55 Bbk, oud) reeds een bodemfunctiekaart vastgesteld. Via overgangsrecht komt deze kaart in het ‘tijdelijk deel’ van het omgevingsplan terecht. Bij de indeling in bodemfunctieklassen (landbouw/ natuur, wonen en industrie) wordt rekening gehouden met de functie die in het omgevingsplan aan de locatie is toebedeeld (art. 5.89p Bkl). De bodemfunctiekaart is relevant bij het toepassen van grond als sprake is van het generieke kader van art. 4.1272 Bal. De indeling van de landbodem in de bodemfunctieklassen landbouw/natuur, wonen en industrie is niet op het niveau van percelen gebeurd (enkele uitzonderingen daargelaten), maar op het niveau van een groter gebied of deelzone. Voor die toedeling in klassen is meestal het huidige dominante bodemgebruik in een gebied als maatgevend genomen. In een aantal gebieden wordt echter zowel gewoond als gewerkt, zonder dat een van die functies sterk overheerst. In zulke gevallen is de meest gevoelige bodemfunctieklasse bepalend, in dit geval wonen. De landbouw- en natuurgebieden (inclusief moes- en volkstuinen) zijn vanwege hun gevoeligheid voor bodem verontreiniging ingedeeld in de bodemfunctieklasse landbouw/natuur.
Parken, recreatiegebieden en sportparken vallen onder de bodemfunctieklasse wonen, behalve als ze ecologisch waardevol zijn. Grote infrastructuur27, zoals rijkswegen, provinciale- en hoofdverkeerswegen, spoorwegen en rangeerterreinen zijn, inclusief hun bermen, ingedeeld in de bodemfunctieklasse industrie. Minder forse infrastructuur (gemeentelijke wegen, inclusief bermen, stoepen, fietspaden) is vanwege het beperkte detailniveau van de kaart niet apart ingetekend, maar valt eveneens onder de bodemfunctieklasse industrie. De bodemfunctiekaart is te vinden in bijlage 2.