A - 31 Grond en Ontwikkeling (22) Bijlage 4a Beleidskader Bodem Omgevingswet
Tekst van het document
Als op een locatie een representatief bodemonderzoek is uitgevoerd, waaruit blijkt dat de bodem beneden de interventiewaarde is verontreinigd, dan gelden de regels van de MBA graven ≤ I. Een bodemonderzoek is representatief als er binnen 50 meter van de graafwerkzaamheden een boring is geplaatst en er zich geen puntbron bevindt tussen de graafwerkzaamheden en de locatie van de boring. Uiteraard staat het de initiatiefnemer vrij om toch een nieuw verkennend bodemonderzoek volgens de ARVO uit te voeren. Aan de hand van dat onderzoek kan dan worden bepaald of de regels van de MBA graven ≤ of > I gelden. Partijen grond gescheiden houden bij graven, terugplaatsen en afvoeren Bij het graven kunnen meerdere partijen grond ontstaan van verschillende kwaliteitsklassen. Om de gezondheid en de kwaliteit van de bodem te beschermen en vanwege het doelmatig beheer van afvalstoffen moeten partijen grond van verschillende kwaliteitsklassen gescheiden gehouden bij het graven, terugplaatsen of afvoeren van grond. Het gaat hierbij om de kwaliteitsklassen waarin de partijen op grond van artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit (gewijzigd) zijn ingedeeld, te weten landbouw/natuur, wonen, industrie, matig verontreinigd en sterk verontreinigd. Het gescheiden houden van partijen grond van verschillende kwaliteitsklassen
is voorgeschreven om ongewenste verspreiding van veront reinigde grond zoveel mogelijk te voorkomen en doelmatige (circulaire) afvalverwerking en duurzaam bodemgebruik te bevorderen. Aan het gescheiden houden van matig of sterk verontreinig de grond zijn extra eisen gesteld om ervoor te zorgen dat de kans groter is dat de grond gereinigd kan worden. Matig verontreinigde of sterk verontreinigde grond die vrijkomt bij het graven wordt gescheiden gehouden door de grond op te delen in partijen. Daarbij gelden de volgende criteria, weergegeven in art. 4.1230 Bal: a. Apart houden van verschillende grondsoorten (zand, klei of veen); b. Apart houden van partijen met een gewogen gehalte asbest onder de interventiewaarde bodemkwaliteit en partijen met een gewogen gehalte asbest boven de interventiewaarde bodemkwaliteit; en c. Apart houden van partijen die uitsluitend zijn verontreinigd met organische verbindingen. Zeven Er moet ook onderscheid gemaakt worden tussen lagen met meer en minder bodemvreemd materiaal. Een laag die bestaat uit meer dan 50 procent (gewichtspercentage) aan bodemvreemd materiaal, wordt niet gezien als grond, maar als puin of afval. De aanwezigheid van puin en/of afval kan de kosten en/of het resultaat van de reiniging beïnvloeden. In veel gevallen verdient het daarom aanbeveling om puin en afval op de locatie af te zeven op maximaal 32 mm.
Het zeven van bodemvreemd materiaal uit een partij grond wordt niet gezien als een bewerking en is toegestaan onder de algemene regels voor de activiteiten graven in de bodem. Als het zeven gebeurt om de kwaliteit van een partij niet toepasbare grond te verbeteren, dan mag dat op de locatie van de ontgraving, als de organisatie die de grond zeeft beschikt over een erkenning (BRL 7500) en als de betreffende locatie is gemeld bij de certificerende instelling. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen als een partij asbesthoudende grond (boven de hergebruikswaarde van 100 mg/kg) wordt gezeefd zodat de partij daarna weer als herbruikbare grond terug geplaatst kan worden. Als afzeven niet mogelijk is, dan wordt een indeling gemaakt van partijen met en partijen zonder puin en/of afval. Tijdelijke uitname Het is toegestaan om de ontgraven grond na afloop van het werk weer terug te plaatsen in de oorspronkelijke bodem (in hetzelfde ontgravingsprofiel). In dat geval gelden niet de
37
|
Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024
regels voor het toepassen van grond en baggerspecie, maar alleen de regels voor deze MBA. Daarvoor gelden de volgende voorwaarden: • De grond heeft geen bewerking ondergaan, anders dan het uitzeven van bodemvreemd materiaal; • Het terugplaatsen vindt plaats in hetzelfde profiel en onder dezelfde omstandigheden. Er is geen sprake van terugplaatsen ‘onder dezelfde omstan digheden’ als bijvoorbeeld grond van boven de grondwater spiegel wordt teruggeplaatst onder de grondwaterspiegel (of omgekeerd). Of als grond afkomstig uit de kern van een weglichaam of geluidswal wordt teruggeplaatst als afdeklaag van het weglichaam of de geluidswal (onderlaag wordt toplaag). Tijdelijk opslaan Tijdens of na afloop van graven kan het noodzakelijk zijn om de grond die bij het graven is vrijgekomen, tijdelijk op te slaan, bijvoorbeeld omdat de grond tijdelijk uitgenomen wordt en na afloop van de werkzaamheden weer wordt teruggebracht in het oorspronkelijk ontgravingsprofiel of omdat de grond naar elders wordt afgevoerd. De partijen die bij het ontgraven zijn ingedeeld en gescheiden, moeten ook gedurende de tijdelijke opslag gescheiden wor den gehouden. Er moet enige afstand tussen de deelpartijen aangehouden worden of een fysieke scheidingswand worden aangebracht.
Omdat de grond maar kort wordt opgeslagen is in principe niet nodig om bodembeschermende maat regelen te nemen, zoals het aanbrengen van een folie. Dit kan anders zijn wanneer de uitgegraven grond van slechtere kwaliteit is dan de bodem waarop wordt opgeslagen of wanneer de verontreiniging zich kan verspreiden (bijvoorbeeld de ontgraving van een spot met door minerale olie veront reinigde grond). Bij droge condities moet voorkomen worden dat de opgeslagen grond verwaait of verstuift. Dit is vooral van belang als het asbesthoudende grond betreft. Dit kan gerealiseerd worden door het vochtig houden van de grond, het afdekken van het depot of door het opslaan van de grond in afsluitbare containers. Als men de grond langer dan de binnen de MBA Graven > I toegestane periode van 8 weken wil opslaan of op een andere locatie dan de ontgravingslocatie, dan gelden de regels voor het opslaan van grond en baggerspecie (zie hoofdstuk 5 van dit beleidskader). Als men verwacht dat de maximale termijn van 8 weken slechts korte tijd wordt overschreden, dan kan men een verzoek doen voor een maatwerkvoorschrift op de regel over opslag bij graven in het Bal.
Na afloop van de toegestane periode van tijdelijke opslag Het is niet toegestaan om de grond langer dan acht weken na het dichten van de ontgravingsput of het cunet op te slaan. Deze periode is bedoeld om een afvoerbestemming te vinden voor de partij grond. Er zijn dan in elk geval vier opties: 1. De vrijgekomen grond wordt afgevoerd naar een erkende verwerker zoals: – een opslaglocatie voor het opslaan van grond en baggerspecie (grondbank); – een verwerker voor reiniging of immobilisatie (grondreinigingsbedrijf); of – een stortplaats, waar de grond met een verklaring van niet-reinigbaarheid en niet-immobiliseerbaarheid (ontheffing van het stortverbod voor grond zoals opgenomen in het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen) kan worden gestort; 2. Grond die voldoet aan de kwaliteitseisen voor toepassing (kwaliteitsklasse industrie of schoner), kan elders worden toegepast onder de regels voor toepassen (zie hoofdstuk 6); 3. Het bevoegd gezag geeft op verzoek van de initiatief nemer een maatwerkvoorschrift af met een langere termijn dan acht weken; of 4. De tijdelijke opslag wordt voortgezet onder de MBA Opslaan. In dat geval zijn de regels van deze milieu belastende activiteit van toepassing (zie hoofdstuk 5).
Niet terugplaatsen van grond verontreinigd met mobiele stoffen We noemen een verontreiniging in de bodem mobiel als deze, al dan niet via de vaste fase van de bodem, in het grondwater terecht is gekomen en zich in of met het grondwater kan verspreiden. Bij projectmatige ontgravingen mag vrijkomende grond, die verontreinigd is met mobiele verontreinigingen tot boven de interventiewaarden, niet zonder meer worden terug geplaatst in het ontgravingsprofiel. De verontreinigingen in deze grond zijn dezelfde stoffen die in het grondwater voorkomen tot boven de signaleringsparameters14. Niet terugplaatsen geldt voor vrijkomende grond, verontreinigd met mobiele stoffen:
• die zich boven, onder of zowel boven als onder de grondwaterspiegel bevinden en die zich hebben verspreid naar het grondwater; • uit een drijflaag15 (bijvoorbeeld minerale olie). Onder mobiele stoffen worden aromatische verbindingen, gechloreerde koolwaterstoffen – subgroep vluchtige kool waterstoffen en minerale olie verstaan. Uit bodemonderzoek kan blijken dat een stof die doorgaans immobiel is, toch mobiel is. Bijvoorbeeld zware metalen kunnen mobiel worden bij een lage pH-waarde in de bodem. Aan de andere kant kan uit bodemonderzoek blijken dat een stof waarvan verwacht werd dat deze mobiel is, deze in de specifieke omstandig heden toch niet mobiel is. Ook bij andere stoffen kunnen zich situaties voordoen waarbij terugplaatsen niet gewenst is vanwege verspreiding of gezondheidsrisico’s. In alle situaties geldt de zorgplicht van artikel 2.11 van het Bal. Het bevoegd gezag beschouwt vrijkomende grond in zo’n situatie als een afvalstof die niet opnieuw gebruikt kan worden. De grond mag alleen worden teruggeplaatst als uit grondwateronderzoek blijkt dat de verontreiniging in het grondwater beneden de signaleringsparameters ligt. Grond uit een drijflaag moet in het kader van deze MBA altijd worden afgevoerd.
Als het bevoegd gezag een vermoeden heeft van een mobiele stof boven de interventiewaarde en een initiatiefnemer kiest ervoor om geen grondwateronderzoek uit te voeren omdat het graafwerk beperkt blijft tot de grondlaag boven de grondwaterspiegel, dan gaat het bevoegd gezag uit van een mobiele verontreiniging boven de interventiewaarde en moet de grond worden afgevoerd. Een initiatiefnemer kan via een maatwerkvoorschrift een verzoek indienen om hiervan te mogen afwijken. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als afvoer niet doelmatig is en er uit milieuhygiënisch oogpunt geen winst te behalen valt. Geen grond met PFAS terugplaatsen Als het vooronderzoek daar aanleiding toe geeft, wordt bodemonderzoek naar PFAS uitgevoerd. Grond met een verontreiniging met PFAS wordt na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als een of meer van de
14 De signaleringsparameters (zoals bedoeld in bijlage Vd bij het Besluit kwaliteit leefomgeving) zijn gelijk aan de interventiewaarden grond water onder de Wbb. 15 Laag van slecht oplosbare verontreinigende stof(fen) in productvorm met een soortelijke massa die lager is dan water en zodoende blijft drijven op het grondwater en waarbij de olie zich als aparte, aaneengesloten fase door de bodem kan bewegen. Er is dan zoveel olie in de bodem aanwezig dat de retentiecapaciteit (het volume olie per volume grond dat door de bodem kan worden vastgehouden) wordt overschreden.
38
|
Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024
volgende waarden worden overschreden, waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie: a. 59 µg/kg ds bij PFOS; b. 60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of c. 59 µg/kg ds bij overige PFAS. Kwaliteitsborging uitvoering Om de gezondheid en de kwaliteit van de bodem te bescher men en om afvalstoffen doelmatig te beheren, wordt het graven uitgevoerd door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000. Alleen die ondernemingen mogen de MBA graven > I verrichten. Een ‘erkenning bodemkwaliteit’ is in bijlage I bij het Bal omschreven als een erkenning, afgegeven op grond van het Besluit bodem kwaliteit (gewijzigd). Milieukundige begeleiding Om de gezondheid en de kwaliteit van de bodem te beschermen en om afvalstoffen doelmatig te beheren, wordt de activiteit begeleid door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 6000 (persoons gebonden certificaat) als: a een deel van de verontreinigde grond niet wordt teruggebracht in het ontgravingsprofiel, maar zal worden afgevoerd16; b op de locatie al een afdeklaag in de vorm van een leeflaag of een andere duurzame afdeklaag aanwezig is en de ontgraving dieper reikt dan deze laag; of c sprake is van meerdere partijen (kwaliteitsklassen) die gescheiden moeten worden gehouden. Bij de MBA graven > I is alleen milieukundige processturing nodig.
De borging van de kwaliteit van de uitvoering richt zich op werkzaamheden rondom de grond- en eventueel de afvalstromen, zoals op de graafwerkzaamheden in een aangebrachte afdeklaag die het gevolg is van een eerdere sanering. Tijdens de milieukundige begeleiding houdt de milieukundige begeleider een logboek bij. Na afloop van de activiteit rapporteert de milieukundige begeleider in het evaluatie verslag milieukundige processturing volgens de BRL 6000. Dit evaluatieverslag is onderdeel van de gegevens en beschei den die de initiatiefnemer aan het einde van de activiteit aan het bevoegd gezag overlegt. Bijzondere omstandigheden
tijdens het graven, zoals het onverwacht aantreffen van een afwijkende verontreiniging, worden vermeld in het evaluatieverslag. Meldplicht en informatieplicht Voor de milieubelastende activiteit graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, geldt naast een meldplicht ook een informatieplicht. Als uit het vooronderzoek geen verdenking op een punt bron naar voren komt, kan ervan worden uitgegaan dat binnen BKK-zone 4 tot en met 7, of BKK-Openbare weg zone D (worst case) een sterke (diffuse) verontreiniging aanwezig is.
Meldplicht vier weken voor graafwerk met afvoer van grond De MBA graven > I moet ten minste 4 weken voor het begin ervan worden gemeld aan het bevoegd gezag. Als niet tijdig wordt gemeld is de activiteit verboden. De termijn van 4 weken is noodzakelijk voor het bevoegd gezag om de onderzoeksrapporten te beoordelen en, wanneer nodig, maatwerkvoorschriften te stellen. Als de initiatiefnemer verzoekt om een maatwerkvoorschrift, dan is de beslistermijn 8 weken. Bij de melding worden de volgende gegevens overlegd: • Algemene gegevens op grond van art. 2.17 Bal (aanduiding activiteit, gegevens initiatiefnemer, adres activiteit en datum); • Voorafgaand onderzoek (zie hoofdstuk 2); • Ontgravingslocatie (kaart en dwarsprofiel); • Hoeveelheden te ontgraven grond (inclusief kwaliteitsklassen). Meldplicht één week voor graafwerk met alleen tijdelijke uitname Voor het tijdelijk uitnemen van grond geldt een meldtermijn van 1 week. Het betreft hier een kortdurende activiteit waarbij de grond alleen tijdelijk wordt uitgenomen en zonder te zijn bewerkt wordt teruggeplaatst in hetzelfde ontgravingsprofiel17.
16 Omdat het praktisch gezien bijna nooit mogelijk is om alle grond weer terug te brengen in het profiel van ontgraving wordt hiervoor een ondergrens gehanteerd van 25 m3. Dit wil zeggen dat kan worden afgezien van milieukundige begeleiding als ten hoogste 25 m3 verontreinigde grond niet kan worden teruggeplaatst en van de locatie moet worden afgevoerd (zie art. 4.1233 lid a Bal). 17 Hier is een verschil met tijdelijke uitname van grond met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde en waarbij het ontgraven bodemvolume meer is dan 25 m3. In die gevallen mag de grond op of nabij het ontgravingsprofiel worden teruggeplaatst.
39
|
Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024
Geen meldplicht bij spoedreparaties ondergrondse infrastructuur De meldingsplicht is niet van toepassing als er wordt gegra ven vanwege een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur. Hierbij moet gedacht worden aan het her stellen van gasleidingen en (drink)waterleidingen bij lekkages of het herstellen van een kabelbreuk (elektriciteit, glasvezels et cetera). Onder infrastructuur verstaan we eigenlijk alles waarbij een spoedoperatie met graafwerkzaamheden aan de orde kan zijn, in het bijzonder drinkwater, energie en telecommunicatie. Ook het riool of een buisleiding voor transport van stoffen of een spoedreparatie in geval van een calamiteit (verzakken, scheuren) aan kademuren in Amster dam (voor wat betreft de landbodem) kunnen hiertoe behoren. De hoeveelheid te ontgraven grond moet in verhouding staan tot de spoedreparatie. Ook mogen de graafwerk zaamheden niet omvangrijker zijn dan noodzakelijk voor de spoedoperatie. Het kan voorkomen dat er in eerste instantie met een beroep op deze uitzondering een noodoplossing wordt gecreëerd, waarna enkele weken later met inacht neming van de normale voorschriften een reparatie of oplossing voor de lange termijn wordt uitgevoerd. Op het uitvoeren van spoedreparaties is uiteraard wel de specifieke zorgplicht van artikel 2.11 van het Bal van toepassing.
Bij spoedreparaties van vitale ondergrondse infrastructuur moet na afloop van de werkzaamheden zo snel mogelijk informatie verstrekt worden over de begrenzing, de datum en de aanleiding/het doel van de werkzaamheden. Informatieplichten In aanvulling op de meldplicht worden ten minste 4 weken (in geval van tijdelijke uitname 1 week) voor start van de activiteit ook de volgende gegevens ingediend bij het bevoegd gezag: • Begrenzing van de locatie (is ook onderdeel van de melding); • Datum start graafwerk; • Verwachte duur van het graafwerk; • Aanleiding/doel van het graafwerk. Ten minste 1 week voor de start van de activiteit moeten de volgende gegevens ingediend worden: • NAW-gegevens van degene die gaat saneren (aannemer); • NAW-gegevens van natuurlijk persoon en de onderneming die de milieukundige begeleiding gaan verrichten. Wijzigingen Wijzigingen moeten meteen gemeld worden als ze bekend zijn. Als de wijziging niet wordt doorgegeven, betekent dat
40
|
Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024
dat er geen melding is gedaan en dat de milieubelastende activiteit niet is toegestaan. Wijzigingen die betrekking hebben op de meldingsplicht van de MBA Graven > I worden ten minste 1 week voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht verstrekt. Wijzigingen van de MBA Graven > I die betrekking hebben op de informatieplicht die samenhangt met meldingsplicht moeten onverwijld na het wijzigen van de begrenzing of de verwachte begindatum van de activiteit worden verstrekt. Gegevens na afloop (evaluatieverslag) Ten hoogste 1 week na afloop van de MBA graven > I worden evaluatiegegevens ingediend over de ontgraving (kaart en dwarsprofiel), eventuele resultaten MKB, bestemming van de grond en eventuele bijzonderheden.
3.4 Kleinschalig graven Wettelijk kader: De regels voor ‘Kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit’ en de regels voor ‘Kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit’ zijn te vinden in het omgevingsplan.
In het omgevingsplan zijn regels opgenomen voor grond verzet kleiner dan of gelijk aan 25 m3 (het zogeheten Kleinschalig graven). Hiervoor golden regels onder de Wet bodembescherming. Het gaat om zeer beperkt graafwerk voor bijvoorbeeld: • Een inspectieput voor funderingsonderzoek; • Herstelwerkzaamheden aan kabels en leidingen; • Het plaatsen van een lichtmast; • Het aanbrengen van een huisaansluiting (water, gas, elektra); • Het ingraven van een vuilwaterput; • Het graven van een boomplantgat. Het graven in de bodem omvat ook het zeven van de uitkomende grond op dezelfde locatie, het tijdelijk opslaan van grond en het terugplaatsen van grond na afloop van tijdelijk uitnemen. De regels voor kleinschalig graven zijn niet van toepassing op het graven in de waterbodem.
Uitzondering voor zeer klein graafwerk (< 1 m3), zonder afvoer en voor (reguliere) tuinwerkzaam heden in eigen tuin zonder afvoer Bij zeer kleine graafwerkjes zonder afvoer van grond is het de vraag of de inspanning van een (vereenvoudigd) vooronder zoek opweegt tegen de impact/risico’s van het graafwerk op de omgeving. Dit geldt ook bij (reguliere) tuinwerkzaamheden zonder afvoer in de eigen tuin tot een maximum van 25 m3. Hierbuiten gaat het om graafwerk van minder dan 1 m3, zonder afvoer van grond, zoals bijvoorbeeld voor het herstel werk van het trottoir, het plaatsen van straatmeubilair, onderhoud/schoffelen van plantsoenen et cetera. Graafwerkzaamheden die vallen onder deze uitzonderingen zijn vrijgesteld van de regels voor kleinschalig graven.
2. Kleinschalig graven > I, BKK-zone 4 tot en met 7. Wanneer uit het vooronderzoek blijkt dat er wél sprake is van een locatie waarop een beschikking ernst - geen spoed rust, wordt het regime voor kleinschalig graven >I gevolgd. Is er sprake van (een verdenking van) een puntbron of het graafwerk vindt plaats in niet-gezoneerd gebied (vanwege te weinig gegevens) of in BKK-Openbare weg zone D, dan wordt een verkennend bodemonderzoek volgens de ARVO uitge voerd. De uitkomst van het onderzoek bepaalt welk regime wordt gevolgd. Alternatief is dat de initiatiefnemer uitgaat van ‘worst case’ en werkt volgens het kader kleinschalig graven > I. Het traject staat weergegeven in Figuur 3.3.
Toepassingsbereik Het kleinschalig graven bestaat in het omgevingsplan uit twee afzonderlijke activiteiten (vergelijkbaar als in het Bal): 1. Kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit beneden of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit (afgekort: Kleinschalig graven ≤ I). Hieronder vallen locaties of gebieden waar de bodem niet of slechts licht is veront reinigd of diffuus is verontreinigd beneden de interventiewaarde. 2. Kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit (afgekort: Kleinschalig graven > I). Hieronder vallen de volgende locaties of gebieden: – Locaties of gebieden waar de bodem diffuus is veront reinigd tot boven de interventiewaarde bodemkwali teit zoals dat blijkt uit de bodemkwaliteitskaart of uit bodemonderzoek; – Locaties waarvoor voorafgaand aan de inwerking treding van de Omgevingswet een beschikking is verleend als bedoeld in artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidige of voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is (de zogenaamde ‘ernst-geen spoed’ locaties).
Wanneer na het (vereenvoudigd) vooronderzoek blijkt dat er geen sprake is van (een verdenking van) een puntbron en er geen beschikking ernst - geen spoed is afgegeven is de BKK-zone (zie de zonekaart in Bijlage 3A) bepalend voor het te volgen traject: 1. Kleinschalig graven ≤ I, BKK-zone 1, 2 of 3 of BKK-Openbare weg zone A, B of C;
41
|
Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024
Invulling van de wettelijke zorgplicht bij asbest in de bodem bij kleinschalig graven Wanneer tijdens de uitvoering onverwacht visueel asbest verdacht materiaal wordt aangetroffen, worden veiligheids maatregelen genomen om vermenging met andere bodem lagen en verspreiding naar de omgeving te voorkomen. Bij de tijdelijke opslag van mogelijk asbesthoudende grond moeten maatregelen worden genomen om verwaaiing en verstuiving te voorkomen. Stukken asbestverdacht materiaal worden via ‘handpicking’ verwijderd. Kleinschalig graven > I, wat geldt er? • Er wordt altijd (minimaal) een vereenvoudigd vooronder zoek gedaan; • Bij graafwerk in BKK-zone 4 tot en met 7 en BKK-Openba re weg zone D (worst-case), als sprake is van een beschikte locatie ernst - geen spoed en bij graafwerk waarbij een afdeklaag/leeflaag doorgraven kan worden gelden de regels voor kleinschalig graven > I (dit betekent onder andere een informatieplicht bij afvoer en bij (ont)graven dieper dan de afdeklaag), tenzij verkennend bodemonder zoek uitwijst dat de locatie ≤ I verontreinigd is; • Er is alleen sprake van een informatieplicht wanneer grond wordt afgevoerd en/of wanneer dieper dan de afdeklaag wordt gegraven; • Er zijn regels opgenomen over tijdelijke opslag van vrijkomende grond; • Grond met een mobiele verontreiniging boven de inter ventiewaarde of een PFAS-verontreiniging boven 59 µg/kg (PFOS en
overige PFAS) of 60 µg/kg (PFOA of mengsel van PFAS) wordt niet teruggeplaatst; • Er is milieukundige begeleiding aanwezig wanneer een afdeklaag wordt doorgraven; • Buiten leeflagen/afdeklagen is BRL 6000 of 7000 niet verplicht.
Figuur 3.3 Schematisch overzicht Kleinschalig graven
Het graafwerk vindt plaats in BKK-zone 1, 2 of 3 of in BKK-zone A, B of C Openbare weg
Kleinschalig Graven ≤ I
Geen verdenking, geen puntbron
Voorafgaand aan kleinschalig graafwerk: Vereenvoudigd vooronderzoek doen
Er is sprake van een beschikte locatie ernst/geen spoed of er wordt een afdeklaag/leeflaag doorgraven
Puntbron of verden king of graafwerk in niet-gezoneerde gebieden (te weinig gegevens) Of in BKK-Openbare weg Zone D
Zie paragraaf 3.4 Beleidskader Het graafwerk vindt plaats in BKK-zone 4 t/m 7 Kleinschalig Graven > I
Zie paragraaf 3.4 Beleidskader
ARVO onderzoek uitvoeren of 'worst case benadering' (meteen naar > I)
Uitkomst > I
Uitkomst ≤ I
Tijdelijke uitname Voor tijdelijke uitname gelden dezelfde regels als bij MBA Graven >I in het Bal, behalve dat er bij kleinschalig graven >I geen meld- of informatieplicht bestaat.
Bij het doorgraven van de afdeklaag dient de aannemer volgens de BRL 7000 te werken.
Milieukundige begeleiding tijdens doorgraven van de afdeklaag (kleinschalig graven > I)
Omdat bij kleinschalig graven > I geen regels in de bruidsschat zijn meegegeven voor terugplaatsen van grond na tijdelijke uitname kan het gebeuren dat grond die verontreinigd is met mobiele verontreinigingen wordt teruggeplaatst in het ontgravingsprofiel. In het omgevingsplan is daarom opge nomen dat het niet is toegestaan om vrijkomende grond, die verontreinigd is met mobiele verontreinigingen tot boven de interventiewaarden zonder meer terug te plaatsen in het ontgravingsprofiel. De verontreinigingen in deze grond zijn dezelfde stoffen die in het grondwater voorkomen tot boven de signaleringsparameters19.
Milieukundige begeleiding conform BRL 6000 is alleen nodig als er op de locatie sprake is van een afdeklaag18 in de vorm van een leeflaag of een andere duurzame afdeklaag en de ontgraving dieper gaat dan deze laag. Tijdens de milieukundige begeleiding houdt de milieukundige begeleider een logboek bij. Na afloop van de activiteit rap porteert de milieukundige begeleider in het evaluatieverslag milieukundige processturing volgens de BRL 6000. Volgens de BRL SIKB 6000 is het doorgaans niet noodzakelijk dat er voortdurend een milieukundige aanwezig is. De milieu kundige moet aanwezig zijn bij kritische werkzaamheden, dus bij die werkzaamheden die van invloed kunnen zijn op de kwaliteit van de leefomgeving. In dit geval is het moment van doorgraven en weer herstellen van de afdeklaag het kritische moment.
Niet terugplaatsen van grond verontreinigd met mobiele stoffen
Niet terugplaatsen geldt voor vrijkomende grond, veront reinigd met mobiele stoffen • die zich boven, onder of zowel boven als onder de grondwaterspiegel bevinden; • die zich hebben verspreid naar het grondwater;
18 Hieronder vallen zowel afdeklagen die onder het overgangsrecht vallen (evaluatieverslag of nazorgplan Wbb) en nieuwe afdeklagen die zijn aangebracht onder de MBA Saneren volgens het Bal. 19 De signaleringsparameters (zoals bedoeld in bijlage Vd bij het Besluit kwaliteit leefomgeving) zijn gelijk aan de interventiewaarden grond water onder de Wbb.
42
|
Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024
• die kunnen uitdampen naar een afgesloten ruimte van een gebouw waarin mensen verblijven; • uit een drijflaag (bijvoorbeeld minerale olie). In zo’n situatie moet vrijkomende grond worden beschouwd als een afvalstof die niet opnieuw gebruikt kan worden. Het is ook niet toegestaan om een drijflaag (bijvoorbeeld minerale olie) terug te plaatsen. Deze moet binnen het kader van deze regels altijd worden afgevoerd. Als er geen verkennend bodemonderzoek hoeft te worden uitgevoerd, is het lastig om dit vast te stellen. Daarom geldt deze eis als er visueel olie waarneembaar is of als door eerder uitgevoerd (voor)onderzoek is gebleken dat sprake is van grond die is verontreinigd met mobiele stoffen. Een initiatiefnemer kan via een maatwerkvoorschrift een verzoek indienen om van de eis tot afvoeren te mogen afwijken. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als afvoer niet doelmatig is en er uit milieuhygiënisch oogpunt geen winst te behalen valt.
kleinschalig graven ≤ I. Een bodemonderzoek is representatief als er binnen 50 meter van de graafwerkzaamheden een boring is geplaatst en er zich geen puntbron bevindt tussen de graafwerkzaamheden en de locatie van de boring. Uiteraard staat het de initiatiefnemer vrij om toch een nieuw verkennend bodemonderzoek volgens de ARVO uit te voeren. Aan de hand van dat onderzoek kan dan worden bepaald of de regels voor kleinschalig graven ≤ of > I gelden. Informatieplicht kleinschalig graven > I bij afvoer en/of bij (ont) graven dieper dan de afdeklaag Voor kleinschalig graven (< 25 m3) in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, waarbij tevens grond wordt afgevoerd en/of waarbij dieper dan de afdeklaag wordt gegraven, geldt een informatieplicht.
Geen grond met PFAS terugplaatsen na tijdelijke uitname Als het vooronderzoek daar aanleiding toe geeft, wordt bodemonderzoek naar PFAS uitgevoerd. Grond met een verontreiniging met PFAS wordt na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als een of meer van de volgende waarden worden overschreden, waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie: a. 59 µg/kg ds bij PFOS; b. 60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of c. 59 µg/kg ds bij overige PFAS.
Ten minste een week voor het begin van de activiteit (als er sprake is van afvoer en/of (ont)graven dieper dan de afdeklaag) worden ter informatie de volgende gegevens en bescheiden bij het bevoegd gezag ingediend: • De begrenzing van de locatie waar de activiteit wordt verricht; • De verwachte datum van het begin van de activiteit; • De verwachte duur van de activiteit; • Bodemonderzoek in de vorm van een (vereenvoudigd) vooronderzoek en aanduiding BKK-zone.
Graven in de infrastructuur – bodemkwaliteitskaart openbare weg zone D
Bij een wijziging van de begrenzing of de verwachte datum van het begin van de activiteit worden de gewijzigde gege vens onmiddellijk aan het bevoegd gezag verstrekt.
De bodemkwaliteit in BKK-Openbare weg zone D valt in klasse industrie, zowel de kwaliteit bij ontgraven (P80) als de ontvangende bodem. Maar de bodemkwaliteit is heel verschillend: er zijn sterke verontreinigingen gemeten, maar er zijn ook plekken waar de grond voldoet aan de kwaliteitsklasse Landbouw/natuur. Daarom kan er op basis van de bodemkwaliteitskaart geen betrouwbare uitspraak worden gedaan over de te verwachten bodemkwaliteit op de graaflocatie. Daarom is hier een ‘worst case’-scenario is het uitgangspunt: het ontgraven van grond in zone D, waarbij minder wordt ontgraven dan 25 m3, valt onder de regeling in het omgevingsplan voor kleinschalig graven > I. In de loop der tijd worden er onder de openbare wegen steeds meer bodemonderzoeken uitgevoerd, ook in zone D. Als op een locatie een representatief bodemonderzoek is uitgevoerd, waaruit blijkt dat de bodem beneden de interventiewaarde is verontreinigd, dan gelden de regels voor
43
|
Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024
Informatieplicht bij kleinschalig graven >I in geval van spoedreparaties ondergrondse infrastructuur Wanneer het kleinschalig graven in de bodem in verband staat met een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur en sprake is van afvoer van grond en/of dieper is gegraven dan de afdeklaag, geldt een informatieplicht achteraf in de volgende situaties: Bij graafwerk in BKK-zone 4 tot en met 7 en BKK-Openbare weg zone D, op beschikte locaties ernst – geen spoed of in gebieden met te weinig gegevens. Wanneer geen informatieplicht? De informatieplicht geldt niet als het alleen gaat om het tijdelijk uitnemen van grond, niet zijnde graafwerk onder een afdeklaag.
Kleinschalig graven ≤ I, wat geldt er? • Er wordt altijd (minimaal) een vereenvoudigd vooronderzoek uitgevoerd; • Bij graafwerk in BKK-zone 1, 2 of 3 en BKK-Openbare weg zone A, B of C gelden de regels voor kleinschalig graven ≤ I, behalve als in het vvo een puntbron of verdenking daarop wordt aangetroffen en als het daaropvolgende verken nend bodemonderzoek uitwijst dat de locatie > I veront reinigd is (in dat geval worden de regels voor graafwerk > I gevolgd); • Grond met een PFAS-verontreiniging boven 59 µg/kg (PFOS en overige PFAS) of 60 µg/kg (PFOA of mengsel van PFAS) wordt niet teruggeplaatst; • Er gelden alleen regels bij tijdelijke opslag van vrijkomende grond en de zorgplicht in het omgevingsplan; • Er is geen sprake van een informatieplicht.
Tijdelijke opslag na kleinschalig graven Tijdens of na afloop van graven kan het noodzakelijk zijn om de grond tijdelijk op te slaan, bijvoorbeeld omdat de grond tijdelijk uitgenomen wordt en na afloop van de werkzaam heden weer wordt teruggebracht in het oorspronkelijk ontgravingsprofiel of omdat de grond naar elders wordt afgevoerd. In de regeling Kleinschalig graven in de bruidsschat zijn regels opgenomen over tijdelijke opslag (maximaal 8 weken). Er wordt in het omgevingsplan in de regeling voor kleinschalig graven aangesloten bij de regels die gelden voor de MBA Graven ≤ I in het Bal.
Tijdelijke uitname In de regeling Kleinschalig graven in de bruidsschat waren geen regels opgenomen over terugplaatsen van grond na tijdelijke uitname. Er wordt in het omgevingsplan in de regeling voor kleinschalig graven ≤ I aangesloten bij de regels die gelden voor de MBA Graven ≤ I in het Bal.
In Tabel 3.1a en 3.1b staan de termijnen met betrekking tot de meldings- en/of informatieplicht van de MBA Graven en Kleinschalig graven bij elkaar. Zie voor een beschrijving van wat de meldplicht en/of informatieplicht inhoudt (wat stuur je mee met de melding, waarover informeer je?) de para grafen 3.2 tot en met 3.4 van dit beleidskader. Voor kleinschalig graven (< 25 m3) in bodem met een kwaliteit beneden of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit geldt geen informatie- of meldplicht. Hiervoor geldt de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten in het omgevingsplan. Het is verplicht om tijdens de uitvoering van de activiteit de ingediende gegevens die voortvloeien uit de informatieplicht of melding op de locatie beschikbaar te hebben.
Geen grond met PFAS terugplaatsen na tijdelijke uitname Als het vooronderzoek daar aanleiding toe geeft, wordt bodemonderzoek naar PFAS uitgevoerd. Grond met een verontreiniging met PFAS wordt na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als een of meer van de volgende waarden worden overschreden, waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie: a. 59 µg/kg ds bij PFOS; b. 60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of c. 59 µg/kg ds bij overige PFAS. Informatieplicht bij kleinschalig graven ≤ I in geval van spoedreparaties ondergrondse infrastructuur Wanneer het kleinschalig graven in de bodem in verband staat met een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur en sprake is van afvoer van grond en/of dieper is gegraven dan de afdeklaag, geldt een informatieplicht achteraf in de volgende situaties: Bij graafwerk in BKK-zone 4 tot en met 7 en BKK-Openbare weg zone D, op beschikte locaties ernst – geen spoed of in gebieden met te weinig gegevens.
44
|
Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024
3.5 Termijnen voor meldplicht en/of informatieplicht bij graafwerkzaamheden
Tabel 3.1a R egels met betrekking tot melden en/of informeren bij de MBA Graven in de bodem (> 25 m3) Kwaliteit bodem ≤ interventiewaarde
Kwaliteit bodem > interventiewaarde
Meldplicht
geen
-
4 weken voor start bij grondafvoer 1 week bij alleen tijdelijke uitname niet bij spoedreparaties
Informatieplicht
-
-
4 weken voor start bij grondafvoer 1 week bij alleen tijdelijke uitname 1 week gegevens aannemer/MKB niet bij spoedreparaties (wel informatieplicht achteraf)
-
1 week, deze informatieplicht geldt alleen indien grond wordt afgevoerd niet bij spoedreparaties (wel informatieplicht achteraf)
Evaluatieverslag
geen
Ten hoogste 1 week na afloop
Kwaliteitsborging
geen
BRL 6000 / BRL 7000, aannemer en onderneming/natuurlijk persoon MKB erkend
Tabel 3.1b Regels met betrekking tot informeren bij kleinschalig graven in de bodem (≤ 25 m3) Kwaliteit bodem ≤ interventiewaarde
Kwaliteit bodem > interventiewaarde
Meldplicht
geen
-
Informatieplicht
geen
-
1 week graven onder leeflaag/afdeklaag niet bij tijdelijke uitname (niet zijnde graafwerk onder een leeflaag/afdeklaag) niet bij spoedreparaties (wel informatieplicht achteraf)
Evaluatieverslag
geen
-
Kwaliteitsborging
geen
Werken volgens BRL 6000 / BRL 7000 bij graafwerk door leeflaag/afdeklaag
3.6 Graven tot onder de grondwaterstand De MBA graven in de bodem maakt geen onderscheid tussen graven boven en onder de grondwaterstand. Ook bij een verontreiniging in het grondwater kan gebruik worden gemaakt van de MBA’s graven in de bodem onder of boven de interventiewaarde bodemkwaliteit. Het kan gebeuren dat het graven in de bodem van invloed is op aanwezige grondwaterverontreiniging, bijvoorbeeld als de grondwaterstand verlaagd moet worden. Een dergelijke onttrekking is een wateractiviteit waarvoor aparte regels gelden. Dit valt buiten het beleidskader voor bodem en zelfs buiten het kader van het omgevingsplan. Als dieper gegraven wordt dan het grondwaterniveau, kan sprake zijn van graven ‘in den natte’ (zonder geforceerde bemaling) of van graven ‘in den droge’ (met geforceerde bemaling / open put bemaling al dan niet met drains of onttrekkingsfilters). Als sprake is van graven ‘in den natte’ zullen ook in geval van (de nabijheid van) een grondwater verontreiniging, de gevolgen voor het grondwater meestal beperkt zijn. Als sprake is van graven ‘in den droge’ en dus sprake is van bemaling om de grondwaterstand te verlagen, kunnen de effecten op een eventueel aanwezige grond
45
|
Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024
waterverontreiniging wel groter zijn. Bij graven in bodem verontreinigd > I (vaste bodem) is sprake van een erkenningsplicht voor de uitvoering (BRL 7000) en milieukundige begeleiding, onderdeel processturing (BRL 6000). Onderdeel van deze protocollen is een zorgvuldige omgang met het grondwater. Dat zorgt voor een extra kwaliteitsborging op het zorgvuldig graven en de omgang met het grondwater.
3.7 Graven in droge oevergebieden De MBA graven (in het Bal en in het omgevingsplan voor kleinschalig graven) strekt zich niet uit tot graven in de waterbodem. Deze activiteit beperkt zich tot de landbodem. Onder waterbodem verstaan we de bodem van een oppervlaktewaterlichaam. Een oppervlaktewaterlichaam is onder de Omgevingswet omschreven als een “samenhangend geheel van vrij aan het aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen, en de bijbehorende bodem en oevers, alsmede flora en fauna”. Het beheer van de waterkwaliteit van een oppervlaktewaterlichaam ligt bij het Rijk of het waterschap.
Op het grensvlak van waterbodem en landbodem kan sprake zijn van droge oevergebieden. Dit zijn buitendijkse gebieden die niet of nauwelijks invloed ondergaan van het water. In het Bal (artikel 22.127) wordt aangegeven dat voor deze droge oevergebieden de regels voor de MBA graven in de bodem wel gelden. Onder de Omgevingswet ligt de verantwoordelijkheid voor deze gebieden niet meer op bij het Rijk. In de gemeente Amsterdam zijn er droge oevergebieden ter hoogte van Durgerdam (De Loods, Jachthaven en natuurgebied ten zuiden van Durgerdammerdijk) en rond de Oranjesluizen en noordwestelijke strook langs de Zuider IJdijk (Sluisbuurt). Voor het ontgraven van een grensoverschrijdende veront reiniging land/waterbodem onder de Omgevingswet zijn twee aanpakken mogelijk: Voor de landbodem en droge oevergebieden gelden de MBA Graven en MBA Saneren. Voor de aanpak van de waterbodem geldt overgangsrecht Waterwet. Waterschappen kunnen regels opnemen in de waterschapsverordening.
3.8 Graven onder een leeflaag Het komt regelmatig voor dat op, in of tot onder een aangebrachte leeflaag gegraven wordt, vooral bij werkzaam heden aan kabels en leidingen. Het nazorgplan onder de Wbb, de nazorgbepaling na BUS-sanering en de regels in het omgevingsplan over nazorg bevatten maatregelen die nodig zijn om de leeflaag in stand te houden, te onderhouden en te herstellen. Bij werkzaamheden onder de leeflaag (dus waarbij de leeflaag doorgraven wordt) geldt een meld- of informatieplicht volgens de MBA Graven of de regels voor Kleinschalig graven in het omgevingsplan. Alleen als het onder het overgangsrecht vallende nazorgplan een specifieke regeling heeft voor graven onder de leeflaag of verhardingslaag (dit geldt bijvoorbeeld voor de Westergas fabriek) dan valt dit graafwerk onder het overgangsrecht. In alle andere gevallen valt nieuw graafwerk niet onder het overgangsrecht en gelden de regels van de MBA Graven of de regels voor kleinschalig graven in het omgevingsplan. Dit geldt ook als er in het nazorgplan of de nazorgparagraaf staat dat er dan gemeld moet worden volgens de Wet bodembescherming. Dit beschrijft namelijk alleen de toen geldende wettelijke verplichtingen en voegt geen nieuwe verplichting toe.
46
|
Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024
3.9 Grond met puin of ander bodemvreemd materiaal Een laag die bestaat uit meer dan 50 procent (gewicht) aan bodemvreemd materiaal, wordt niet gezien als grond, maar als puin of afval. Als dit materiaal vrijkomt moet het worden afgevoerd als afvalstof. Witte kalkachtige lagen in Stadsdeel West In Amsterdam zijn, bij graafwerk en bodemonderzoek, in twee gebieden witte kalkachtige lagen in de bodem aangetroffen: in de Staatsliedenbuurt (met name de Bentinckstraat en Van Hogendorpstraat) en in het gebied rond de Eerste Helmersstraat (met name de Kanaalstraat en de Wilhelminastraat). Bronnen als de kaarsenindustrie of het voormalige Pesthuis (waar begraven pestdoden met ongebluste kalk werden bedekt) zijn hier mogelijk de oorzaak van. Kenmerkend voor de lagen in deze gebieden is een sterk alkalische pH en een sterk verhoogd gehalte aan barium in grond en grondwater. De lagen zijn optisch meestal goed te onderscheiden. Deze kalkachtige lagen worden niet als bodem maar als afvalstof beschouwd en moeten na ont graving naar een erkende verwerker worden afgevoerd. Oude ondergrondse huisbrandolietanks Een ondergrondse huisbrandolietank (mits groter dan 250 liter) valt onder paragraaf 4.97 Bal (Opslaan van diesel, oxiderende, bijtende of aquatoxische vloeistoffen of oliën, vetten of pekel in ondergrondse opslagtanks).
Artikel 4.999 Bal geeft in het tweede lid aan dat een afgekeurde onder grondse tank binnen acht weken na de afkeuring verwijderd moet worden. Het derde lid zegt dat wanneer verwijdering door de ligging technisch niet mogelijk is (lees redelijkerwijs niet kan worden verlangd) de tank dan onklaar mag worden gemaakt. Wanneer de tank is afgekeurd en er wordt geen nieuwe tank geplaatst dan is de activiteit beëindigd en moet er volgens artikel 4.985 Bal een eindonderzoek bodem uitgevoerd worden. Indien er een verontreiniging is ontstaan moet de bodem gesaneerd worden, volgens paragraaf 5.2.1 Bal Eindonderzoek bodem. Als er wel een nieuwe tank wordt geplaatst en het bevoegd gezag heeft reden om aan te nemen dat er een verontreiniging is ontstaan door de oude tank dan kan het herstel van de bodemkwaliteit op grond van de zorgplicht van het Bal artikel 2.11 verplicht worden.
3.10 Lozen van grondwater bij graven Het lozen van grondwater bij graven kan aan de orde zijn bij: • Onderzoek voorafgaand aan graven in de bodem; • Graven in de bodem; • Ontwatering. Lozen van grondwater bij onderzoek voorafgaand aan graven in de bodem Bij een onderzoek als bedoeld in paragraaf 5.2.2 Bal in combinatie met de milieubelastende activiteiten graven in de bodem (paragrafen 4.119 en 4.120 Bal ) of kleinschalig graven (geregeld in omgevingsplan) kan grondwater vrijkomen. Dit afvalwater moet, volgens artikel 5.7f Bal, worden geloosd op het vuilwaterriool, tenzij via een maatwerkvoorschrift een andere lozingsroute is toegestaan. Lozen van grondwater bij graven in de bodem Over graven in de bodem zijn regels gesteld in de paragrafen 4.119 en 4.120 Bal en in het omgevingsplan (kleinschalig graven). Bij deze activiteiten kan grondwater vrijkomen bij bemaling. Door bemaling kan men ‘droog’ ontgraven. Bemaling van het grondwater wordt ook wel ontwatering of onttrekking van grondwater genoemd. Het Bal stelt geen regels aan het lozen bij graven, behalve als het gaat om lozen op rijkswateren of de Noordzee. Hiervoor gelden dezelfde regels als voor het lozen op rijkswateren bij saneren van de bodem of het grondwater. Zie verder paragraaf 4.7 van dit beleidskader. Verder is het lozen bij graven geregeld in het omgevingsplan of de waterschapsverordening.
Het valt dan onder de noemer ontwatering. Zie hieronder. Lozen van grondwater bij ontwatering Het lozen van grondwater dat is vrijgekomen bij graven, valt onder de regels voor ontwatering in het omgevingsplan. Het afvalwater mag worden geloosd op of in de bodem of in een riool. Het afvalwater wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd als lozen in een schoonwaterriool, op of in de bodem of op een oppervlaktewaterlichaam redelijkerwijs niet mogelijk is. Er gelden emissiegrenswaarden. Om te bepalen of emissiegrenswaarden overschreden worden, moeten de grondwatermonsters volgens voorgeschreven protocollen geanalyseerd worden. Voor het lozen van dat grondwater in een schoonwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 50 mg/l en voor ijzer 5 mg/l, gemeten in een steekmonster.
47
|
Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024
Voor het lozen van dat grondwater in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l. Het lozen van dat grondwater in een vuilwaterriool duurt niet langer dan 8 weken en de geloosde hoeveelheid is ten hoogste 5 m3/u. De Amsterdamse praktijk is dat - als lozen op het vuilwaterriool is toegestaan (dit wordt getoetst naar aanleiding van de ingediende gegevens voorafgaand aan het lozen) - pas bij lozen langer dan 12 weken een maat werkvoorschrift nodig is voor de langere termijn van lozen. Deze praktijk wordt voortgezet onder de Omgevingswet en vastgelegd in het omgevingsplan. Er wordt bij het lozen op een riool een zandvanger (bezinkinstallatie) gebruikt. Het lozen van bij graven vrijgekomen grondwater op een regionaal oppervlaktewater, valt onder de regels voor lozen bij ontwatering in de waterschapsverordening. Er geldt een emissiewaarde voor onopgeloste stoffen van 50 mg/l, gemeten in een steekmonster. Om te bepalen of emissiegrenswaarden overschreden worden, moeten de grondwatermonsters volgens voorgeschreven protocollen geanalyseerd worden. Het lozen van bij graven vrijgekomen grondwater op rijks wateren is toegelicht onder het kopje ‘Lozen van grondwater bij graven in de bodem’ (hierboven) met een verwijzing naar het kopje ‘Lozen van grondwater bij saneren van de bodem of het grondwater’ (paragraaf 4.7).
Bevoegd gezag Als er afvalwater vrijkomt bij de milieubelastende activiteit graven, bepaalt de lozingsroute wie bevoegd gezag is voor deze lozing. Er zijn 4 lozingsroutes. Tabel 3.2 laat zien wie bevoegd gezag is voor welke lozingsroute. Als een bepaalde (andere) lozingsroute gewenst is, is het aan het bevoegd gezag om hier regels over op te stellen. Hierbij sluit het bevoegd gezag aan bij de voorkeursvolgorde voor het omgaan met afvalwater zoals vastgelegd in de Wet milieubeheer. Ook stemt het bevoegd gezag van deze lozingsroute zo nodig af met andere bestuursorganen. Informatieplicht Voor het lozen bij graven geldt in het omgevingsplan en de waterschapsverordening een informatieplicht. Ten minste vier weken van te voren worden aan het college van burgemeester en wethouders of het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over: • De aard en omvang van de lozing; en • De verwachte datum van het begin van de activiteit.
Tabel 3.2 L ozingsroutes na graven of saneren Lozingsroute op:
Bevoegd gezag
Soort activiteit
Regels in
Rijkswateren en Noordzee
Waterbeheerder (Rijkswaterstaat)
Wateractiviteit
Besluit activiteiten leefomgeving (Hoofdstukken 6 en 7 Bal)
Regionale wateren
Waterbeheerder (Waterschap)
Wateractiviteit
Waterschapsverordening
Evaluatieverslag
geen
Milieubelastende activiteit
Omgevingsplan
Kwaliteitsborging
geen
Milieubelastende activiteit
Omgevingsplan
Als de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens tenminste vier weken vantevoren verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders of het dagelijks bestuur van het waterschap. Er is geen informatieplicht voor het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering als het lozen minder dan 48 uur duurt. Duurt het lozen langer dan 48 uur, maar niet langer dan 8 weken dan worden de gegevens en bescheiden ten minste vijf werkdagen voor het begin van het lozen verstrekt. In de Amsterdamse praktijk wordt hier een termijn van 12 weken (in plaats van 8 weken) voor aangehouden. Meldingsplicht Voor het lozen op rijkswater geldt een meldingsplicht (in combinatie met een informatieplicht). Dit geldt niet als de lozing minder dan 48 uur duurt.
3.11 Lokale invulling MBA’s graven en kleinschalig graven De gemeente Amsterdam heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid om maatwerkregels op de rijksregels uit het Bal vast te stellen voor enkele onderwerpen. De regels voor kleinschalig graven uit de bruidsschat zijn omgezet naar regels in het omgevingsplan. Ook is bestaand beleid omgezet naar beleid en beleidsregels onder de Omgevingswet. De lokale invulling voor de MBA’s Graven en kleinschalig graven wordt weergegeven in onderstaand kader. De hieronder genoemde regels worden in het omgevingsplan opgenomen via een voorbereidingsbesluit dat gelijk in werking treedt met de Omgevingswet.
48
|
Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024
Maatwerkregels in omgevingsplan op rijksregels uit het Bal
Artikel waarop de maatwerkregel betrekking heeft
Overkoepelend graven in de bodem (paragraaf 4.119 en 4.120 Bal) Tijdens de uitvoering van de activiteit zijn de gegevens die zijn ingediend vanwege de informatie- of meldingsplicht beschikbaar op locatie.
Paragraaf 4.119 en 4.120 Bal
De resultaten van een bodemonderzoek worden, niet alleen in PDF-format, maar ook in XMLformat (SIKB0101) aangeleverd, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.
4.1221 en 4.1229 Bal in samenhang met par 5.2.2. Bal (voorafgaand bodemonderzoek)
Grond met een verontreiniging met PFAS wordt niet teruggeplaatst na tijdelijk uitnemen maar afgevoerd als een of meer van de volgende waarden worden overschreden (zonder bodemtypecorrectie): - 59 µg/kg bij PFOS of overige PFAS; of - 60 µg/kg bij PFOA of een mengsel van PFAS.
4.1222a lid 1 Bal 4.1230a lid 1 Bal
Graven ≤ I (Bal) Bij graafwerk BKK-Openbare weg zone D of in niet-gezoneerde gebieden met te weinig gegevens wordt een verkennend bodemonderzoek conform de NEN5740 uitgevoerd (met inachtneming van de beleidsregels uit de Amsterdamse Richtlijn voor bodemonderzoek (ARVO)).
4.1221 Bal in samenhang met par 5.2.2. Bal (voorafgaand bodemonderzoek)
De resultaten van een voorafgaand bodemonderzoek worden een week vantevoren ingediend.
4.1221 lid 1 Bal
Verschillende grondsoorten worden gescheiden gehouden.
4.1222 Bal
Graven > I (Bal) Bij graafwerk in BKK-zone 4 tot en met 7, in BKK-Openbare weg zone D of in niet-gezoneerde gebieden met te weinig gegevens wordt een verkennend bodemonderzoek conform de NEN5740 uitgevoerd (met inachtneming van de beleidsregels uit de Amsterdamse Richtlijn voor bodem onderzoek (ARVO)).
4.1229 Bal in samenhang met paragraaf 5.2.2 Bal
Er wordt een hekwerk om de ontgravingslocatie en de depots aangebracht.
2.11 Bal in samenhang met paragraaf 4.120 Bal
In aanvulling op het Bal worden ook grondsoorten gescheiden gehouden als het licht verontreinigde grond betreft. Voor matig en sterk verontreinigde grond staat dit al in het Bal.
4.1230 lid 2 onder a Bal
Mobiele verontreiniging boven de interventiewaarde wordt niet teruggeplaatst na tijdelijk uitnemen maar afgevoerd. Grond uit een drijflaag wordt ook altijd afgevoerd.
4.1230a Bal
Regels in omgevingsplan m.b.t. kleinschalig graven ≤ 25 m3
Artikel in omgevingsplan ntb
Overkoepelend De regeling Kleinschalig graven is niet van toepassing op zeer klein graafwerk (≤ 1 m3) zonder afvoer en voor graafwerk uitgevoerd in tuinen bij woningen ten behoeve van tuinonderhoud ≤ 25 m3. Er wordt een voorafgaand bodemonderzoek conform paragraaf 5.2.2 Bal gedaan voorafgaand aan kleinschalig graven (spoedreparaties vitale ondergrondse infrastructuur uitgezonderd). Vaak kan worden volstaan met een vereenvoudigd vooronderzoek. Op basis hiervan gelden er regels voor kleinschalig graven ≤ I of kleinschalig graven > I. Bij graafwerk in BKK-zone 1, 2 en 3 en BKK-Open bare weg zone A, B en C gelden de regels voor kleinschalig graven ≤ I, behalve bij aantreffen van een puntbron of verdenking en als het daaropvolgend verkennend bodemonderzoek uitwijst dat de locatie > I verontreinigd is. Bij aantreffen van een puntbron of verdenking mag de initiatiefnemer ervoor kiezen om in plaats van het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek volgens de NEN5740 (ARVO) uit te gaan van ‘worst case’ en zich te houden aan de regels van kleinschalig graven > I. Bij graafwerk in BKK-zone 4 t/m 7 en BKK-Openbare weg zone D gelden in de meeste gevallen de regels voor kleinschalig graven > I, tenzij de locatie gesaneerd is of uit onderzoek blijkt dat de locatie ≤ I verontreinigd is.
Bij graafwerk in BKK-Openbare weg zone D en in niet-gezoneerde gebieden met te weinig gegevens moet verkennend onderzoek plaatsvinden. Hier mag de initiatiefnemer ook kiezen voor ‘worstcase’, onderzoek mag achterwege blijven, maar dan gelden de regels voor kleinschalig graven > I. Partijen grond van verschillende kwaliteitsklassen en verschillende grondsoorten worden zoveel mogelijk gescheiden gehouden.
49
|
Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024
Regels in omgevingsplan m.b.t. kleinschalig graven ≤ 25 m3
Artikel in omgevingsplan ntb
Grond met een verontreiniging met PFAS wordt niet teruggeplaatst na tijdelijk uitnemen maar afgevoerd als een of meer van de volgende waarden worden overschreden (zonder bodemtypecorrectie): - 59 µg/kg bij PFOS of overige PFAS; of - 60 µg/kg bij PFOA of een mengsel van PFAS. Na afloop van een spoedreparatie aan vitale ondergrondse infrastructuur in BKK-zone 4 t/m 7, in BKK-Openbare weg zone D, op ernst-geen spoedlocaties en in niet-gezoneerde gebieden met te weinig gegevens wordt beperkte informatie verstrekt over de graafwerkzaamheden. Vrijgekomen grond mag maximaal 8 weken na beëindiging van het graven worden opgeslagen. Kleinschalig graven ≤ I Grond mag na tijdelijk uitnemen op of nabij het ontgravingsprofiel worden teruggebracht (behalve als er een andere bewerking heeft plaatsgevonden dan zeven). Kleinschalig graven > I De informatieplicht geldt niet alleen bij afvoer van grond, maar ook bij het dieper graven dan een afdeklaag. Een vereist voorafgaand bodemonderzoek wordt ook ingediend. Indien sprake is van een verkennend onderzoek wordt dit tevens in XML-format ingediend voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen. De gegevens over de milieukundig begeleider worden ingediend (in geval van dieper graven dan de afdeklaag). Tijdens de uitvoering van de activiteit zijn de ingediende gegevens voortvloeiend uit de informatieplicht beschikbaar op locatie.
Grond mag na tijdelijk uitnemen in het ontgravingsprofiel worden teruggebracht (behalve indien een andere bewerking heeft plaatsgevonden dan zeven). Mobiele verontreiniging boven de interventiewaarde wordt niet teruggeplaatst na tijdelijk uitnemen maar afgevoerd. Grond uit een drijflaag wordt ook altijd afgevoerd. Er wordt een hekwerk om de ontgravingslocatie en de depots aangebracht.
Zorgplicht omgevingsplan in samenhang met paragraaf kleinschalig graven > I
Het graven wordt uitgevoerd volgens BRL SIKB 7000 bij dieper graven dan de leeflaag. (Tevens is dan milieukundige begeleiding volgens BRL SIKB 6000 vereist.)
Beleidsregels
Artikel waarop de beleidsregel betrekking heeft
In Amsterdam vallen kademuren ook onder het regime voor spoedreparaties in geval van een calamiteit (verzakken, scheuren), voor wat betreft de landbodem.
4.1220, 4.1225 tot en met 4.1229 Bal Regels over kleinschalig graven in het omgevingsplan
De Amsterdamse Richtlijn voor bodemonderzoek (ARVO) is een nadere invulling van de NEN-normen voor voorafgaand onderzoek.
4.1221 Bal in samenhang met par 5.2.2. Bal 4.1229 Bal in samenhang met par 5.2.2. Bal
PFAS beleidsregel Ter informatie: dit is een zelfstandige beleidsregel (alleen voor overgangsrecht).
4.1221 Bal in samenhang met par 5.2.2. Bal 4.1229 Bal in samenhang met par 5.2.2. Bal Regels over kleinschalig graven in het omgevingsplan
Bodemonderzoeken zijn in principe 5 jaar geldig, een ouder onderzoek wordt toegestaan als men kan aantonen dat er in de tussentijd geen verontreiniging is toegevoegd, of bodemrapporten kan overleggen waaruit blijkt dat er sprake is van een stabiele situatie (bij mobiele stoffen).
4.1221 Bal in samenhang met par 5.2.2. Bal 4.1229 Bal in samenhang met par 5.2.2. Bal
50
|
Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet Amsterdam 2024
4 MILIEUBELASTENDE ACTIVITEIT SANEREN VAN DE BODEM Wettelijk kader: De milieubelastende activiteit ‘Saneren van de bodem’ (bedrijfstakoverstijgend) is te vinden onder paragraaf 3.2.23 (artikelen 3.48h en i); de algemene regels onder paragraaf 4.121 (artikelen 4.1235 tot en met 4.1246) van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).
4.1 Wat is saneren (conform Bal)? De activiteit saneren van de bodem komt in Nederland regelmatig voor, bijvoorbeeld een locatie wordt ontwikkeld, waarbij tegelijk de bodemkwaliteit wordt verbeterd. Een verplichte sanering kan aan de orde zijn bij de realisatie van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, bijvoorbeeld een woning met tuin, of bij het realiseren van andere bodemgevoelige gebruiksvormen, zoals een kinder speelplaats of moestuin. Het kan ook gaan om een vrijwillige sanering, bijvoorbeeld bij de aankoop of verkoop van een terrein. Er is volgens het Bal sprake van de milieubelastende activiteit saneren van de bodem als het oogmerk saneren van de bodem is. Dit is bijvoorbeeld het geval als de ‘waarde toelaat bare kwaliteit bodem bij bouwen’ wordt overschreden. Het doel van de activiteit is gericht op het wegnemen of beperken van (blootstelling aan) historische verontreiniging (ontstaan vóór 1987)20. Het saneren van de bodem kan binnen de standaardregels uit het Bal op twee manieren: 1. Het beperken of ongedaan maken van de blootstelling aan de verontreiniging van de bodem door de contact mogelijkheden met de verontreiniging te voorkomen zodat de bodem op de locatie geschikt is voor het
toekomstig gebruik. Dit kan gerealiseerd worden door een afdeklaag21 (verhardingslaag, of laag grond of baggerspecie van 1 meter dik) aan te brengen; 2. Het beperken of ongedaan maken van de verontreiniging van de bodem, doordat de verontreiniging daadwerkelijk wordt verwijderd. Dit kan gerealiseerd worden door middel van ontgraving en afvoer van de grond (tot kwaliteit van de functieklasse22). Verschil tussen saneren en graven Het oogmerk saneren van de bodem dient om het onder scheid te verduidelijken tussen enerzijds ‘zuiver’ saneren, waarbij het voornemen van de initiatiefnemer is gericht op een schonere bodem (bijvoorbeeld door het afgraven van verontreinigde bodem) om risico’s voor de mens weg te nemen, en anderzijds tijdelijk uitnemen van grond tijdens de milieubelastende activiteit graven, waarbij overtollige verontreinigde grond (uit projectmatig oogpunt) wordt afgevoerd. Deze activiteiten kunnen ook samen voorkomen, bijvoorbeeld de MBA’s saneren en graven bij bouwen; bij het aanbrengen van een afdeklaag geldt ook de MBA Toepassen. Dit is een verschil in systematiek ten opzichte van het voormalige Besluit uniforme saneringen (BUS).
Onder BUS waren tijdelijk uitnemen (projectmatig graven in sterk verontreinigde bodem) en sanering door ontgraven twee afzonderlijke saneringsaanpakken, terwijl in het Bal de eisen van de MBA saneren (door middel van afgraven) en de eisen van de MBA graven cumulatief van toepassing kunnen zijn. Beide activiteiten kunnen tegelijkertijd gemeld worden. Wanneer is sanering verplicht? Het Bal kent geen zelfstandige saneringsplicht. Een sane ringsplicht kan zijn opgenomen in het omgevingsplan of sanering kan vrijwillig plaatsvinden. Saneren onder het Bal zal daarom meestal plaatsvinden op een natuurlijk moment,